Polverduic (boven, blz. 240).
Ook mijne aandacht was gevallen op de in dezelfde aflevering van ons Tijdschrift in soortgelijk verband voorkomende, bijna gelijkluidende, doch raadselachtige woorden perduic (‘Ick sal tavont rijsenbrij eten met perduic daer in’, boven, blz. 161) en polverduyc (‘amandelkens sucade targye eykens lombaerts mit polverduyc oversayt’, blz. 99). Vergelijkt men den laatsten regel met een anderen op blz. 97 (‘amandelen zucaet tergye eyeren lombaerts mit poyere dick gespraeyt’), dan blijkt hieruit, wat trouwens niet twijfelachtig was, dat met polverduyc eveneens een ‘poyer’ bedoeld is1). En dat perduic een schrijffout (meer, nl. een werkelijk bestaande, verkorte vorm kan het immers kwalijk zijn) is voor polverduic, schijnt mij evenmin twijfelachtig2), indien ten minste dit laatste voor redelijke verklaring vatbaar is. Welnu, polverduic doet aanstonds denken aan een fr. poudre de -. En inderdaad vindt men bij Godefroy (Compl.): ‘Poldre de duc, préparation faite de cannelle et de sucre blanc, dont on usait après le repas en guise de fortifiant’, met aanhalingen uit Eust. Deschamps, Paré en eenige ambtelijke stukken van 1422 en 1525; nagenoeg dezelfde omschrijving
staat te lezen bij Littré. Het behoorde dus onder de kruiderijen3) van het nagerecht, het ‘banketwerk’, om met De Brune sr. te spreken; en in dergelijk verband wordt het ook in de beide bovenstaande plaatsen gebezigd; trouwens rijstebrij wordt nog