Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 31


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 31. E.J. Brill, Leiden 1912  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 21]

Gerekte a, e vòòr r + dentaal.

I. De tegenwoordige dialekten.

In de 26ste jaargang van dit tijdschrift blz. 46 vv. behandelde ik - in verband met andere r-groepen - de Nederlandse woorden met germ. a, e, die vóór r + dentaal gerekt zijn. Hetgeen daar werd meegedeeld kan nog belangrijk aangevuld worden: immers voor het artikel over ‘vocaalrekking vóór r + dentaal’, waarin de bedoelde passage voorkomt, had ik meerdere dialektmonografieën ongebruikt gelaten, die ik eerst voor latere onderzoekingen ben gaan raadplegen. Het materiaal, dat ik indertijd niet besproken heb, hoop ik nu in dit artikel te behandelen. Ik knoop dan aan de bespreking van de Westvlaamse toestanden enige beschouwingen vast aangaande de klankwaarde der Westvlaamse aer-, eer-groepen in de Middeleeuwen. Voor mij zelf was dit laatste gedeelte het punt van uitgang: gehoor gevende aan een opmerking, die Dr. J. Mansion te Luik mij maakte naar aanleiding van mijn artikel over ‘een Oudwestnederfrankies ae-dialekt’ (Tijdschrift 30, 161 vv.), onderzocht ik enige Middelnederlandse gedichten met het oog op de aer- en eer-rijmen. Die onderzoeking gaf nog enige steun aan mijn hypothese, dat het Westvlaams oudtijds een ae-dialekt is geweest; aangezien echter de resultaten niet mee te delen zijn dan in verband met de tegenwoordige Westvlaamse r-groepen, kwam ik er als van zelf toe, in dit artikel tevens een supplement op Tijdschrift 26, 46 vv. te geven.

Voor de in 't vervolg geciteerde dialekt-monografieën verwijs ik naar Tijdschrift 30, 83 v.

 

Tijdschrift 26, 46 schreef ik: ‘[in de westelike dialekten] zijn a, met of zonder volgenden umlautsfactor, en e samengevallen,

[p. 22]

maar in het oosten niet: daar worden e en “umgelautete” a gerepresenteerd door een palatalen klinker, niet-“umgelautete” a door een niet-palatalen.’ Dit kan veel nauwkeuriger gezegd worden: globaal gesproken, vallen oude ar en ėr, ër bij rekking vóór dentalen samen in het Zeeuws en Hollands. In de door Verschuur, Van Weel, Opprel besproken dialekten vinden we illustratier (Opprel: aer) en dit is in 't algemeen de uitspraak op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden. Maar ook in 't kontinentale Zuid-Holland ten noorden van de eilanden zijn voorzover mij bekend is overal de klankgroepen in kwestie samengevallen en wel deels in ār, deels in illustratier. Voor de grens tusschen 't ār- en 't illustratier-gebied heb ik geen gegevens: vermoedelik dekt deze zich met die van het illustratie- en ā-gebied op Te Winkels taalkaart (zie Tijdschrift 30, 162) en ook de noordgrens van het ār-gebied zal wel ongeveer of geheel samenvallen met die van Te Winkels ā-gebied. Met evenveel recht als we Tijdschr. 30, 163 v. met Te Winkel de ā in andere verbindingen uit illustratie hebben afgeleid, mogen we dit ook met de ā in de klankgroep ār doen en wanneer we in de Middeleeuwen in het Zeeuws-Hollands in tegenstelling tot oosteliker dialekten spellingen als aerde, paert (oosteliker eerde, peert) gewoon zijn aan te treffen, dan moeten we aan de ae van dergelijke woorden hoogstwaarschijnlik de klankwaarde illustratie toekennen.

Over het Zaans oriënteert ons Boekenoogen blz. XVII, § 23, XXI, § 36: ėr en ër vóór dentaal treden als eer op, met oorspronkelike ar vinden we baard en Maartə (ʿMartinusʾ) benevens paart ʿpartʾ. Maar hiernaast staan beers ʿbaarsʾ, gêrə ʿgarenʾ, keert ʿkaartʾ. Ongetwijfeld hebben, zoals ook Boekenoogen meent, deze laatste vormen het van ouds Zaanse klanktype - hoe zouden ze anders te verklaren zijn? - en de aa-vormen komen uit het zuidelikere Hollands evenals zoveel vormen van het Zaanse dialekt. Of we regelrechte rekking van een oer-Zaans er (uit ar) tot eer moeten aannemen of wel eer via illustratier, āer op aer moeten terugvoeren, doet er voor ons op 't ogenblik weinig toe. We zijn tevreden met te konstateren, dat het Zaans afwijkt van

[p. 23]

het zuidelikere Hollands, maar in zoverre er mee overeenkomt, dat de klankwettige representanten van gerekte ar, ėr, ër voor dentalen samenvallen. De woorden woerd ʿwaard, mannetjeseendʾ, woert, woort ʿwratʾ, zwoerd, zwoord ʿzwoordʾ kunnen voor een klankwet ‘illustratie > ā > oe, oo tussen w en r + dentaal’ worden aangevoerd, in dit verband interesseert deze kwestie ons echter minder en we gaan liever over tot de andere dialekten.

Alle andere door mij onderzochte dialekten vertonen verschillende behandeling van oude ar ener- en ėr, ëer anderzijds. Het zou van groot belang zijn, als we de nauwkeurige grenslijn tussen dit dialektgebied en het Hollands-Zeeuwse wisten, maar zover zijn we helaas nog niet, we zijn nog aangewezen op die tongvallen, waarover wat gepubliseerd is.

Tijdschrift 26 raadpleegde ik de monografieën van Van de Water, Van Schothorst, Gallée, Bruyel, Houben voor het Bommelerwaards resp. 't N.-W.-Veluws, de Saksiese dialekten van Overijsel en Gelderland, het Elten-Berghs, het Maastrichts. De overige dialekten, waarvoor dezelfde scheiding tussen ar en ėr, ër geldt en die ik nu achtereenvolgens ga behandelen, zijn: het Noordhorns (beschreven door W. de Vries), het Drents (Bergsma), het Kampens (Gunnink), het Roermonds (Simons), het Limburgs tussen Roermond en Weert (Mertens), het Tongerens (Grootaers), het Oost-Noordbrabants (Van der Brand), het Leuvens (Goemans), het Aalsts (Colinet), het Antwerps (Smout), het Gents (Boucherij), het Westvlaams (Vercoullie). In veel gevallen zal ik kunnen volstaan met het citeren van enige vormen: onder a. vindt men dan de woorden met germ. a zonder volgende umlautsfaktor, onder b. woorden met germ. a met volgende umlautsfaktor (= woorden met ė), sub c. woorden met germ. e (ë).

We beginnen met het Noordhorns: a. boart ʿbaardʾ, boars ʿbaarsʾ, goarn ʿgarenʾ (De Vries § 80); oa is verder de representant van de rekkings-a (§ 91) en van de wgerm. â (illustratie) (§ 101), - b. Meirt ʿMaartʾ, veirs ʿvaarsʾ (§ 128), - c. eir ʿaarde, grondʾ, steírn ʿsterʾ (§ 82).

Hetgeen voor 't Noordhorns geldt, geldt vermoedelik voor de

[p. 24]

taal van de hele of bijna de hele provinsie Groningen, hoewel natuurlik de klankwaarde van de vokalen niet presies met die in het Noordhorns behoeft overeen te stemmen: het komt slechts op de klankverhouding der vormkategorieën aan.

Ik deelde mee, dat in 't Noordhorns 't rekkingsprodukt van a voor r + dentaal samenvalt met de ā en â, maar ik zweeg er van, welke klinkers zijn samengevallen in ei, dat we als rekkingsprodukt van ė, ë voor r + dentaal leerden kennen. Op deze kwestie ga ik nu niet in, ook niet bij de andere dialekten. Ik hoop later nog eens een studie te wijden aan de vraag, in hoeverre in onze dialekten de verschillende ē-klanken (1. door rekking van ė, ë vóór r + dentaal, 2. uit ë in open syllaben, 3. uit ė in open syllaben, 4. uit i in open syllaben, 5. uit ai, 6 umlaut van â, 7. door lokale rekking van i voor r + dent.) zijn samengevallen. Op 't ogenblik zou deze kwestie me te ver van honk brengen en bovendien het overzicht over waar 't op aankomt bemoeiliken.

Tijdschrift 26, 47 noot wees ik er op, dat in de door Gallée behandelde dialektgroep de vóór r + dentaal gerekte a, voorzover niet ‘umgelautet’, samenvalt met de oorspronkelik lange â (illustratie) en niet met de in open lettergrepen door rekking ontstane ā. Nu bestaan er op het Nederlands taalgebied nog andere dialekten, die de ā en â onderscheiden: van de hierboven opgesomde dialekten behoren daartoe: een deel van het Drents, grenzend aan het Overijsels1), het Kampens, het Roermonds, 't door Mertens beschreven dialekt, het Tongerens, het Oost-Noordbrabants. In de meeste van deze dialekten viel de voor r + dentaal gerekte a met de in open syllaben gerekte a samen2), alleen niet in het Drents en Kampens, waar hij met wgerm. â (illustratie) samenviel3),

[p. 25]

in overeenstemming met de dialektgroep van Gallée. Ik geef enige vormen naast elkaar op uit het Drents, Kampens, Achterhoeks-Twents en voeg daar de Soester vormen bij naar Holthausen's Soester Mundart: in dit Westfaals dialekt is namelik eveneens gerekte a voor r-verbindingen samengevallen met wgerm. â (illustratie), hoewel Holthausen de regel ontgaan is: hij beweert (blz. 23 v., § 85), dat a alleen vóór rn en rd tot ā̜ (zo duidt hij de representant van wgerm. â [illustratie] aan) geworden is, ‘in allen andern fällen’ tot ā. Onder de voorbeelden van die ‘andere fälle’ zijn echter enige woorden met alleen een r of een dubbele r na de a en als we die er aftrekken, blijven over: kātə ʿkaartʾ, tātə ʿtaartʾ, kādl ʿKarelʾ, alle drie leenwoorden, die evenzeer als kaarte ʿkaartʾ en kaarde ʿdistelʾ bij Gallée en kā·tə ʿkaartʾ, anvā·ṇ ʿaanvaardenʾ, tā·tə ʿtaartʾ bij Gunnink eerst ontleend zijn nadat in de andere woorden met gerekte ar de vokaal zijn å-timbre had gekregen. Een oude klankwettige Soestse vorm is echter vā̜tl ʿwratʾ, dat Holthausen tengevolge van zijn verkeerde klankwet-formulering gedwongen is als ‘analogiebildung’ te verklaren. - Maar dit slechts terloops; wij vatten de draad weder op en geven de beloofde voorbeelden: Bergsma baord, Gunnink at, Gallée baord, Holthausen bā̜t ʿbaardʾ, - Bergsma gaoren (NB. Aldus in Borger en Koekange, bij samenstellingen geeft B. ook andere gemeenten en zelfs ‘W[est]-Dr[enthe]’ op; opvallend is gèren in Dwingeloo, waarschijnlik ontleend), Gunnink a, Gallée gaoren (en garen, blijkbaar ontleend), Holth. xā̜rən, - Gunnink zwōa, Gallée zwaord, Holth. svāļtl ʿzwoordʾ. Voor meer voorbeelden voor 't Kampens en Soests zie de desbetreffende § § bij Gunnink en Holthausen, voor Gallée's dialekt verwijs ik nog naar Tijdschr. 26, 47 v., uit 't Drentse

[p. 26]

woordeboekje van Bergsma citeer ik nog: aor(d)en ʿaardenʾ, aorend ʿdofferʾ, baors, baos ʿbaarsʾ.

Er volgen enige voorbeelden voor b. en c. (ėr resp. ër). Het Soests laat ik er buiten, ook het Achterhoeks-Overijsels, waarvoor Tijdschr. 26 al voorbeelden zijn gegeven; voor b. moet ik helaas ook het Drents zonder voorbeelden laten: want Bergsma's afl. 1 loopt tot giebe en het prefix aarts-, 't enige voorbeeld van groep b, dat in 't alfabet hiervóór komt, ontbreekt bij hem; voorbeelden van c. zijn Drents eerde, eer ʿaardeʾ (met talrijke samenstellingen; aorde, dat hiernaast voor Hoogeveen, Beilen, Assen, Anloo, Borger wordt opgegeven, is blijkbaar een leenwoord, door de school en andere bemiddelaars uit het Beschaafd geïmporteerd: daarop wijst ook 't karakter van de samenstellingen: unneraordsch ʿonderaardschʾ, aordriekskunde, aordbodem; de enige verdere samenstelling is aordappel Norgervaart naast eerdappel elders), - eerns(t) èèrns(t)1) ʿernstʾ.

Kampens. b.: at ʿMaartʾ, at ʿpaardʾ (Gunnink § 44), - c.: a ʿgaarneʾ, a ʿkaarsʾ, zwēat ʿzwaardʾ (Gunnink § 57; het daar genoemde ā·de ʿaardeʾ is leenwoord uit 't Beschaafd, klankwettig: ēarapəl, ēabēzə).

We gaan nu over tot de zuidwestelik van de 't laatst behandelde dialektgroep liggende streken, waar a, gerekt vóór r + dentaal, samenvalt met a, in open syllaben gerekt. Terloops deel ik even mee, dat we, wanneer we in plaats van naar 't zuidwesten naar 't noordoosten gingen, in streken zouden komen, waar de vóór r gerekte a een niet minder, maar sterker labiaal timbre heeft dan de wgerm. â (illustratie). H. Grimme, Plattdeutsche Mundarten, Sammlung Göschen 461, Leipzig 1910 geeft § 73 voor de dialekten van Assinghausen (Sauerland; na met 't Soests verwant), Ostbevern (3½ uur noordoostelik van Münster i. W.), Heide (Ditmarschen), Stavenhagen (Mecklen-

[p. 27]

burg-Schwerin) op: bōr̥t resp. bō̹rt, rt, rt ʿbaardʾ chōr̥n resp. chō̹r, rn, rn ʿgaardeʾ, maar § 55: mōn resp. maone, millustratien, millustratien ʿmaanʾ e.a. dgl. met oorspronkelike lange vokaal.

Uit het Roermonds citeer ik: a. zwaard ʿzwoordʾ (Simons blz. 11); vgl. met rekkings-ā: vader, gaar (10 v.), maar met germ. â (illustratie): aovent enz. (26), - b. gëërt ʿroedeʾ (14), - c. ëërt ʿaardeʾ, swëërt ʿzwaardʾ (aldaar).

Dergelijke ā-ō-toestanden kent het Elten-Berghs: bāt ʿbaardʾ, gān ʿgarenʾ (Bruyel § 62), - vādə̯r, gār (§ 61), - jōə̯r ʿjaarʾ, lōtə ʿlatenʾ (§ 92). Dit ter aanvulling van Tijdschr. 26, waar ik alleen op de Achterhoeks-Overijselse vokaalkwaliteiten opmerkzaam maakte.

Het Limburgse dialekt, door Mertens beschreven, dat zo dicht bij Roermond wordt gesproken, gaat, wat de r-verbindingen aangaat, met 't Roermonds samen: a. zwaard, zwaars ʿzwoordʾ (blz. 234), - b.c. pêêrd ʿpaardʾ, wêêrd ʿwaardʾ, êêrd ʿaardeʾ (blz. 204) en meerdere voorbeelden in het glossaar. Een voorbeeld voor oude a is nog blikaars, bikaars (blz. 213): dit aars is identies met Tongerens n-ṑs in nṑsdè.rem ʿaarsdarmʾ (Grootaers) (blz. 152): voor Limburgse dialekten moeten we dus een grondvorm *ars aannemen = ohd. ars en ablautend met *ërs, waarop onze andere dialektvormen teruggaan (zie Tijdschr. 26, 46 en 50). - Vgl. uit hetzelfde Limburgse dialekt niet rekkings-a haas, vader, vare(n), met oorspronkelike â (illustratie) jaor ʿjaarʾ, haok ʿhaakʾ (blz. 204).

Uit het Tongerens haal ik aan: a. bṑ.d ʿbaardʾ, gṑ.n ʿgarenʾ (Grootaers blz. 152), vgl. met gerekte a betṑle ʿbetalenʾ, mṑ.ke ʿmakenʾ1) (blz. 151), met oude â (illustratie) juer ʿjaarʾ, struet ʿstraatʾ (blz. 168); - b.c. pié2d ʿpaardʾ, vié2s ʿvaarsʾ, 2d ʿaardeʾ, wié2.d ʿwaardʾ (adject.) (blz. 137).

Ter kompletering van Tijdschr. 26 wijs ik nog op de Maastrichtse ā-ā̊-toestanden: bārd ʿbaardʾ, kārt ʿkaartʾ (Houben § 44); evenzo

[p. 28]

gāpə ʿgapenʾ, vājər ʿvaderʾ enz. (§ 49), maar: jaor ʿjaarʾ laotə ʿlatenʾ (§ 105). De schijnbare uitzonderingen zwaors ʿzwoordʾ en aordəg ʿaardigʾ (§ 44) hebben een sekundaire ao evenals baon ʿbaanʾ, daog ʿdagenʾ enz. (§ 49): deze is een gevolg van de ‘zweigipflig-zirkumflektierte Betonung’: zie J.H. Kern, Indogerm. Forsch. 26, 258 vv., spesiaal 262 en 270 v.

Naar V.d. Brands·woordelijst in Onze Volkstaal 1 citeer ik de volgende Oost-Noordbrabantse vormen van klasse a.: aort ʿgeaardheid enz.ʾ, met de afleidingen aorden, aoren en aordig, aorig, baort ʿafval van vlasʾ, schaort ʿschaarde enz.ʾ, zwaort ʿzwoordʾ. De ao is overigens de klank van de gerekte a vóór dentalen, terwijl deze voor labialen en gutturalen ā oplevert; oude â (illustratie) echter wordt ō: zie Tijdschr. 30, 176-178. Met verkorte klinkers vinden we găaoren ʿgarenʾ blijkens Onze Volkstaal 2, 160, maar blijkens de woordelijst schars ʿschaarsʾ (eventueel een jong woord in dit dialekt) en blijkens O.V. 1, 83 vaart ‘met volkomen, doch korten klinker’; dgl. vormen met klinkerverkorting doen natuurlik ook al is hun korte a klankwettig, niets aan het feit af, dat de gerekte a vóór r met de gerekte a in oorspr. open syllaben samenvalt; vaart staat op één lijn met vader, water e. dgl., die in hetzelfde lijstje voorkomen. Hoe ze te verklaren zijn, is een kwestie voor zich. Ik heb het niet onderzoc̣ht; voorlopig verwijs ik naar Onze Volkstaal 2, 159 v., zonder te beweren, dat daar het laatste woord over dit moeilike probleem gezegd is. Ik laat nu de voorbeelden voor b. en c. volgen, die in V.d.B.'s glossaar voorkomen: Mèrt ʿMaartʾ, pèrt mv. pēert ʿpaardʾ, vèrdig, vèrrig ʿgereedʾ; eert o. ʿaarde, grondʾ, èrpel ʿaardappelʾ, èrs ʿaarsʾ, geerrz ʿgaarneʾ, hèrt ʿhaardʾ, kèrs (en kars, ontl.?) ʿkaarsʾ, keerrz ʿkarntonʾ (zie Tijdschr. 26, 53, over de grondvorm ook Franck-Van Wijk, Etym. Wdb. s.v. karn), kèrrzen ʿkarnenʾ, keerrz ʿkernʾ, lanteerrz ʿlantaarnʾ, merel (westelik; vermeld in de bet. ʿeen uit den duim gezogen verhaal, een canardʾ), staarrz ʿsterʾ, wèrt ʿwaardʾ; nog enige voorbeelden vindt men O.V. 1, blz. 90. Zeer opvallend is de korte è in zoveel woorden: wel-

[p. 29]

licht echter zou ik hem minder opvallend vinden, als ik een grondig onderzoek had ingesteld naar de sekundaire rekkingen en verkortingen van vokalen in Van der Brands dialekt. In ieder geval geloof ik, aangezien we bij deze woorden vokaalrekking aantreffen in alle omringende dialekten, in een groot, samenhangend gebied, dat veel meer dan de Saksiese en Frankiese en zgn. ‘Frankies-Friese’ dialekten van Nederland en België omvat, dat we sekundaire verkorting moeten aannemen en niet zoals V.d.B. wil (O.V. 1, 164) behoud van de korte e. Ik onderzocht de kwestie niet nader, aangezien het er mij op 't ogenblik alleen om te doen was, te konstateren, dat de vokaal van onze gevallen b. en c. e-timbre bewaart, en afwijkt van de oorspr. a. Ook 't woord staarrz is me een raadsel, in ieder geval echter blijft ook bij dit woord de oorspr. e verschillend van de vokaal van ndl. baard, garen, die zich in de richting naar o ontwikkelde.

De Zuidbrabantse toestanden van Leuven zijn zeer doorzichtig. Blijkens Goemans blz. 39 hebben būd ʿbaardʾ, būs ʿbaarsʾ 't zelfde vokalisme als būs ʿbaasʾ, gūten ʿgatenʾ, zūd ʿzaadʾ, terwijl blijkens blz. 29 v. ë en ė voor r + dentaal samenvallen in jḕ, waaruit na w ḕ ontstond: pjḕd ʿpaardʾ, vjḕs ʿvaarsʾ, jḕr ʿaardeʾ wḕd ʿwaardʾ (bnw. en znw.).

Even doorzichtig 't Aalsts: dezelfde vokaal als ois ʿhaasʾ, roid ʿraadʾ (blz. 31 bij Colinet) hebben oird ʿaardʾ, boird ʿbaardʾ enz. (zie C.'s glossaar; voorbeelden van b en c: meırt ʿMaartʾ, peırd ʿpaard' (glossaar, meırt in de grammatika op een verkeerde plaats, § 8, 4o, blz. 21), eırde ʿaardeʾ enz. (§ 8, 2o, blz. 20).

Het Antwerps heeft bôrt ʿbaardʾ, vôrt ʿvaartʾ, kôrt ʿkaartʾ; evenzo vôrə ʿvarenʾ, lôtə ʿlatenʾ (Smout § 43 met Aanm.); b- en c-voorbeelden zijn pêrt ʿpaardʾ, kêrs ʿkaarsʾ, pêrəl ʿparelʾ (§ 37). In een ‘aanmerking’ wordt de mening uitgesproken, dat die ê blijkens het woord jârt ʿaarde, grondʾ uit , ontstaan is; dat is zeer waarschijnlik, aangezien 1. blijkens § 34 in naburige dorpen vormen als pjêrt ʿpaard, stjêrt ʿstaartʾ voorkomen en 2. het Leuvens een dgl. klankontwikkeling vertoont.

[p. 30]

In Gent zegt men (Boucherij blz. 627) board ʿbaardʾ, toarte ʿtaartʾ e. dgl.1) evenals 'k spoare, 'k voare ʿik spaarʾ resp. ʿik vaarʾ en zwoar ʿzwaarʾ, daarentegen pird ʿpaardʾ, irde ʿaardeʾ2) enz.

Wij komen nu tot het Westvlaams. In dit dialekt zijn de in open lettergrepen gerekte germ. ă en de wgerm. â (illustratie) samengevallen in ao vóór dentalen, ā voor labialen en gutturalen: zie Tijdschr. 30, 168 v. Ook oude ă levert bij rekking vóór r + dentaal ao op: baord ʿbaardʾ, baos ʿbaarsʾ [ook ʿbaȧsʾ], kaortə ʿkaartʾ, taortə ʿtaartʾ, aord ʿaardʾ (weinig gebruikelik), gaoren ʿgarenʾ. Professor Vercoullie, die met zijn bekende vriendelikheid me hierover inlichtte, vestigde ook mijn aandacht op het woord zweerd ʿzwoordʾ, dat niet bij De Bo, maar wel in de Loquela voorkomt. Dit woord heeft de zgn. ‘zware’ e, die - ik citeer prof. Vercoullie's woorden - ‘voor ons oor nagenoeg de a van het Haagsche jaar,’ m.a.w. een oe-klank is. Vermoedelik heeft zweerd een umlauts-e, hoewel een oude ë, met a ablautend, ook de zware e zou hebben opgeleverd. Immers volgens Vercoullie Onze Volkstaal 2, 9 korrespondeert deze zware e, die ook ‘de klank der zachte e vóór r’ is (dus in verteren e. dgl.) met de ndl. lange a in haard, paard, waard, zwaard, staart, gaarn, lantaarn, kaars, laars, paars, aarde, aanvaarden.

II. Het Westvlaams van Maerlant.

Hoe luidden de Westvlaamse woorden baord, paerd, aerde3) enz. in de Middeleeuwen? Natuurlik laat zich de juiste klank en de juiste betoning niet opsporen, maar bij benadering kunnen wij toch wel altans de klankwaarde vaststellen.

Voor dit doel onderzocht ik de rijmen van Maerlants Strofiese Gedichten. Ik koos juist deze uit, omdat we hier in elke strofe 8 rijmende regels (in sommige gedichten twee maal 4 regels) en nog eens 5 met een ander rijm vinden, zodat we, mits we

[p. 31]

rijmen met r-verbindingen tegenkomen, ook dadelik een omvangrijk en duidelik sprekend materiaal hebben.

Ik geef hieronder een lijst van de rijmen, die ik aantrof: ik deel die in twee klassen in: onder I vindt men die rijmwoord-groepen, waaronder vormen voorkomen met 't zij wgerm. a, â in oorspronkelik open lettergreep vóór r + vokaal + dentaal 't zij in gesloten lettergreep vóór r + dentaal gerekte germ. ă, onder II de rijmwoord-groepen, waarin vormen met ê uit germ. ai voorkomen. In overeenstemming met de uitgave van Franck en Verdam schrijf ik in het eerste geval ook al de andere rijmwoorden met a, ae, in 't tweede met e, ee. De handschriften wijken in dit opzicht belangrijk van elkaar af, en hoe Maerlant zelf spelde is niet wel vast te stellen, mede doordat de klankgroepen aer, eer, ar, er in de Middeleeuwen zovaak door een abbreviatuur werden weergegeven.

I.Martijn I, str. 14: ter hellen waert - vaert (znw.) - spaert - verswaert - begaert (ʿbegeertʾ) - mesbaert - vertaert (ʿverteertʾ) - aert (ʿaardʾ).
str. 27: waerde (znw. v.) - swaerde (ʿzwaardenʾ) - vervaerde - daerde (ʿde aardeʾ) - openbaerde.
str. 31: aerde (dat v. aert) - hovaerde - waerde (mv. van waert ʿdignusʾ) - begaerde - spaerde.
Martijn II, str. 8: waert (ʿdignumʾ) - spaert - aert (ʿaardʾ) - vaert (3. pers. enk.) - hinderwaert - begaert - beswaert - tswaert.
Martijn III, str. 28: ghevaren (verl. deelw.) - twaren - sparen - caren - verbaren - scaren (ʿheirscharenʾ) - verclaren - waren (ʿerantʾ).
str. 36: twaren - waren (ʿerantʾ) - martelaren - mesbaren - verclaren - verswaren - caren - sparen.
Clausule, str. 13: jaren - tewaren - scaren (ʿheirscharenʾ) - varen (inf.) - misbaren.
str. 19: gaerde ʿtakʾ - baerde (praet.) - waerde (bnw.) - spaerde - begaerde - daerde (ʿde aardeʾ) - vermaerde (ʿbekend maakteʾ) - ghevaerde (ʿgezelschapʾ).
[p. 32]

str. 33: jaren - haren (pron. poss.) - scaren (ʿmenigtenʾ) - varen (inf.) - maren (dat. znw.) - tbaren (got. barn) - jaren - mesbaren.
str. 34: waerde (ʿdignitateʾ) - daerde (ʿde aardeʾ) - mesbaerde - onwaerde (bijw.) - verclaerde - openbaerde - vaerde (gen. znw.) - begaerde.
str. 40: scaren (ʿheirscharenʾ) - martelaren - ghevaren (verl. deelw.) - twaren - verclaren - haren (dat. mv. znw.) - pilaren - misvaren (inf.)
Oversee, str. 8: swaert - waert (ʿwerdʾ) - scaert (ʿschaardeʾ) - middenwaert - metter vaert - onghespaert - gheachterwaert - aert (ʿaardʾ).
str. 12: metter vaert - aert (ʿaardʾ) - bewaert - wijngaert - onbewaert.
Kerken Cl., str. 5: haerde (ʿherderʾ) - waerde (dat. znw. v.) - spaerde - onvervaerde - swaerde - baerde (znw. mv.) - hovaerde - paerde.
II.Martijn I, str. 15: bekeert - gheleert - gheëert - verseert - verteert - begheert - ghedestruweert - ghemeert (ʿvastgemaaktʾ).
str. 44: leren - scheren (ʿspotʾ) - eren - deren (ww.) - keren.
str. 61: gheleerde - keerde - heerde (ʿherderʾ) - eerde (ʿaardeʾ) - begheerde.
Martijn II, str. 17: keren - heren (ʿdominorumʾ) - eren - leren - ontberen.
Martijn III, str. 14: leren - keren - eren - ghederen - scheren (ʿspotʾ) - meren (ʿgrooter wordenʾ) - gheneren - verteren.
Disput., str. 19: versweren (ʿzweren, vloeken bijʾ) - tonneren (te o.) - scheren (ʿspotʾ) - deren (inf.) - weren (ʿprohibereʾ).
str. 29: heerde (ʿherderʾ) - verteerde - deerde (praeter.) - begheerde - gheregneerde.
str. 39: begheren - deren (inf.) - leren - keren - teren (te eren).
[p. 33]

str. 45: Heren - verseren - eren - ontberen - deren. V.O.H. Wonden, str. 2: Heren - leren - eren - deren. Clausule, str. 2: Heren - leren - teren (te eren) - keren - tonneren.
str. 33: Heren - sceren (ʿspotʾ) - keren - eren - leren. K. Claghe, str. 14: verkeert - gheëert - gheleert - onverseert - ghemeert (ʿvastgemaaktʾ) - reert - verweert (ʿverdorvenʾ? Zie glossaar) - eert.

Ziedaar de volledige lijst der rijmen op aer, eer + dentaal en -aren, -eren. De lijst is nog vollediger dan voor ons doel nodig is: hoewel blijkbaar de in open lettergreep en de voor r + dentaal gerekte klinkers volkomen gelijk behandeld worden voor het rijm (vgl. bijv. begaerde: daerde Claus., str. 19, varen: tbaren, ib., str. 33, ghederen: sceren = ohd. scërn, Mart. III, str. 14), komen in enige der aangehaalde strofen alleen rijmwoorden met in open lettergreep gerekte vokalen voor: die heb ik volledigheidshalve mede geciteerd.

De konklusies, die ieder zonder moeite uit het meegedeelde materiaal kan trekken, zijn de volgende:

1.ār en âr vallen samen voor 't rijm; op ār en âr, maar nooit op êr rijmt âr met volgende umlautsfaktor. [In hoeverre blijkens rijmen uit andere gedichten Maerlant ê als umlaut van â toch wel gekend heeft, kan men nalezen bij Franck, Zeitschrift für deutsches Altertum 25, 42 v., Alexanders Geesten, Inleiding LXXVII. Ons gaat op 't ogenblik dit hele punt 1 weinig aan.]
2.ār, âr rijmen nooit op êr.
3.Drie kategorieën van vormen rijmen èn op ār, âr èn op êr en wel: a. de vormen met rekkings-ē in oorspronkelik open lettergreep, dus het type begheert, beghēren, b. de vormen met rekkings-ē vóór r + dentaal, dus het type peert, weert, scēren, c. het woord heerde ʿherderʾ met oorspronkelike i vóór r + dentaal1
[p. 34]

Vooral het derde punt is voor ons van belang. Wat leren we hieruit? Dat de ē van begheert, peert, heerde in klank tussen de ā, â vóór r en de ê vóór r instond en zo nodig op beide rijmen kon. Zo nodig, zeg ik: immers Franck heeft Zeitschr. f.d.A. 25, 30 vv. duidelik aangetoond, dat de ē-ê-rijmen bij Maerlant mogelik zijn, maar dat hij ze toch vermijdt, ook vóór r. In de Strofiese Gedichten komen ze meer voor dan elders: een gevolg van de 8 resp. 5 rijmwoorden, voor ieder couplet nodig (t.a. p. 34). In hoeverre Maerlant buiten de Strofiese Gedichten de ār- en ēr-vormen op elkaar laat rijmen, weet ik niet1); voor ons doel is die kwestie van geen belang: het is voldoende, dat we konstateren, dat ēr, 't zij dan in open lettergreep, 't zij door invloed van een volgende dentale konsonant ontstaan uit ė, ër, ir, zo nodig kon rijmen zowel op âr als êr, zonder dat het in klank met een van deze geheel samenviel. Dat dit niet het geval was, blijkt 1. uit het feit, dat êr en âr, ār nooit op elkaar rijmen, 2. uit de nieuw-Westvlaamse klanken: blijkens Vercoullie Onze Volkstaal 2 blz. 9 representeert de ‘zware’ e o.a. de mnl. ē van de typen begheert, peert, heerde2). Deze ‘zware’ ē heeft oe-timbre (zie hierboven), de scherplange of zoals Vercoullie t.a.p. hem noemt, de ‘harde’ e (ê) ligt veel meer naar de i toe (van aksent-verschillen spreek ik niet, hoewel ze ongetwijfeld voorhanden zijn; zie over de ê Vercoullie t.a.p. blz. 6), over de ā, â spraken we reeds boven: deze luiden in 't Westvlaams van nu ā vóór labialen en gutturalen, ao vóór dentalen, waartoe ook r behoort. Presies zo kan de toestand in Maerlants tijd niet geweest zijn: dan had Maerlant nooit zoals Clausule str. 19 gaerde ʿtakʾ (umlauts-ē), waerde

[p. 35]

(germ. ë) op spaerde of zoals Martijn II, str. 8 waert (ë), begaert (ë) op aert (a) kunnen laten rijmen. Uit dgl. rijmen (meer dgl. rijmen vindt men hierboven) blijkt ondubbelzinnig, dat de vokaal van spaerde, aert e. dgl. geen ao was, en - ook geen zuivere ā, maar in ieder geval een e-achtig timbre had. De klank is niet nauwkeurig te bepalen: gesteld dat de ē vóór r in Maerlants tijd reeds de ‘zware’ klank van nu, dus een oe-klank had, dan doen we het best, die van spaerde, aert met āe aan te duiden; maar het is zeer goed mogelik, dat de ē vóór r toen nog een minder opene klank had dan nu1), in dat geval mogen we voor spaerde en aert een illustratie aannemen.

Wij konstateren dus, dat in het Wvla. sedert Maerlants tijd de zgn. lange a vóór r, 't zij op een wgerm. â (of liever illustratie) 't zij op een korte, vóór r + dentaal of in open syllabe gerekte ă teruggaande, zich van illustratie of āe over ā tot illustratie ontwikkeld heeft; maar, vragen we: is het dan minder aannemelik, dat de ā en illustratie van het tegenwoordige Wvla. vóór andere medeklinkers of in de auslaut eveneens uit illustratie of āe ontstaan zijn? M.i. in het minst niet. Het bezwaar, dat het vreemd zou zijn dat de ă bij rekking illustratie of āe zou hebben opgeleverd, kan niet worden aangevoerd: immers de illustratie of āe is bewezen vóór r, niet alleen als voortzetting van wgerm. â (liever gezegd illustratie), maar ook van ă. Ik aarzel te minder voor het oude Wvla. e-timbre van alle lange a-vokalen aan te nemen, aangezien ik Tijdschr. 30, 161 vv. langs geheel andere weg reeds tot die hypothese was gekomen. Het feit, dat er inderdaad in één positie wvla. illustratie- of āe-vokalen zijn te konstateren voor de Middelnederlandse periode, maakt m.i. de t.a.p. verdedigde these van een Oudwestvlaams illustratie-dialekt veel waarschijnliker, - en wat van het Westvlaams is waar-

[p. 36]

schijnlik te maken, wordt nu ook voor de andere delen van mijn ae-dialekt plausibeler dan het was.

 

Op de mnl. rijmtoestanden ben ik niet verder ingegaan dan voor mijn spesiale doel nodig was. Ik wilde nagaan, of de oudwestvlaamse a in baert, varen enz. een e-achtig timbre had: dat dit zo was, blijkt duidelik uit de rijmen van de Strofiese Gedichten. Het zou zeker de moeite waard zijn om eens na te gaan, in hoeverre Maerlant in zijn andere gedichten rijmen als baert (ʿbarbaʾ): waert (ʿdignusʾ) of baert: begaert of spaert: paert toelaat; waarschijnlik zijn ze er veel minder talrijk dan in de Strofiese Gedichten: immers dat de rekkingsprodukten van a en ë, ė niet geheel samenvielen, staat vast, en waarschijnlik zal Maerlant zich ook in dit geval veel minder vrijheden hebben veroorloofd daar waar hij slechts twee rijmwoorden nodig had dan in strofen die er acht en vijf verlangden. Dan zou het verder van belang zijn, het onderzoek ook tot andere dichters uit te strekken en hun rijmgebruik met dat van Maerlant te vergelijken. In de eerste plaats zou m.i. Stoke in aanmerking komen. Immers deze dichtte in een Zeeuws-Zuid-Zuidhollands dialekt, liever gezegd: een Zeeuws-Zuid-Zuidhollands gekleurde κοινή. Het is zeer goed mogelik, dat in het dialekt van zijn vaderland reeds ± 1300, in de tijd waarin hij dichtte, baert (ʿbarbaʾ) en paert, waert (ʿdignusʾ) gelijke of ongeveer gelijke klankwaarde hadden (illustratie): immers uit eigen ervaring weet ik, dat in iets jongere handschriften, uit de 15de eeuw, de ae-spelling van woorden als paert, waert het meest typiese kriterium van Hollands-Zeeuwse herkomst is. Inderdaad komen bij Stoke meerdere rijmen van woorden met oorspronkelike ar op woorden met oorspr. er voor: ik liep de hele Stoke er voor door, maar de lijst die ik maakte, publiseer ik niet, aangezien deze slechts waarde zou hebben als ik andere gedichten van Maerlant dan de Strofiese kon vergelijken, liefst de hele verdere Maerlant. Zo'n onderzoeking zou mij te ver hebben gevoerd; maar het komt mij voor, dat een uitvoerige monografie over dit onderwerp te schrijven

[p. 37]

zou zijn, die des te belangrijker zou worden, hoe meer gedichten uit verschillende streken werden onderzocht. Ongetwijfeld zijn de r-verbindingen een van de gewichtigste punten van de ndl. klankleer: hoe veel verder zouden we hiermee zijn, als iemand eens op een dgl. manier als Franck Z.f.d.A. 25 de e-rijmen van Maerlant heeft onderzocht, naging in hoeverre in verschillende gedichten oorspronkelik verschillende r-groepen tot elkaar zijn genaderd of zijn samengevallen.

 

Den Haag.

n. van wijk.