Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 33


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 33. E.J. Brill, Leiden 1914  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 298]

Frijnen.

Het werkwoord frijnen, behakken van natuurlijken steen met evenwijdige draden of ribben1), wordt door Franck - van Wijk niet behandeld, door Vercoullie vermeld met: ‘oorsprong onbekend’; in de Woordenlijst van de Vries en te Winkel komt het niet voor, waarschijnlijk als te bepaald technisch, terwijl van Dale (4e dr.) het heeft met: ‘uitdrijven, uithakken, fijn bewerken’, en ook het nomen agens noemt. In het Zaansch Idioticon van Dr. Boekenoogen komen de woorden frijnen, frijnslag en overfrijnen voor, met verwijzing naar vrijnen, vrijnslag en overvrijnen als den meest gebruikelijken vorm, en wordt het ww. verklaard als: ‘Bij steenhouwers. Met een beitel, waarop met een houten hamer geslagen wordt, smalle, evenwijdige lijnen hakken in hardsteen; gradeeren’ en verwezen naar de Bo, die in dien zin freenen heeft.

M.i. is dit woord één met het bij onze timmerlieden bekende soevereinen (een gat opsoevereinen, d.i. een geboord gat met een bepaalde boor schuintoeloopend verwijden, b.v. om een schroef- of spijkerkop te verzinken), van welk ww., gedeeltelijk in zijn verkorten vorm, soevereinboor, freinboor, houtfrein en ijzerfrein (voor die boor, al naar mate de bewerking in hout of ijzer plaats moet hebben), soevereinijzer (het ijzer der boor) gevormd zijn. Deze woorden vindt men niet in de N. Ned. woordenboeken; over de Belgische spreek ik straks.

Het verschil in beteekenis lijkt misschien groot; indien wij echter nagaan de verschillende bet., die het Fransche woord, waarop m.i. beide teruggaan, en zijn verwanten in het Engelsch b.v. hebben, is de overgang zeer begrijpelijk. Het luidt chan-

[p. 299]

frein1), en wordt door Hatzfeld-Darmesteter verklaard als chanfraint, verl. deelw. van chanfraindre of chanfreindre, samengesteld uit chant2), smalle kant van een voorwerp en fraindre = lat. frangere, breken.

In 't Fransch vindt men voor het woord chanfrein en de w. chanfreindre en chanfreiner (een afl. van het z.nw.) verschillende beteekenissen opgegeven. Voor het z.nw. vinden wij bij Darmesteter: Demi-biseau qu'on forme en abattant une partie de l'angle d'une des faces; moulure ayant pour profil un quart de rond; creux de forme conique, pratiqué dans certaines pièces du mécanisme d'une montre. Littré geeft o.a.: Petite surface qu'on forme en abbattant une arête. Abattre en chanfrein, mettre hors d'équerre l'arête d'une barre. Sorte d'ornement qu'on nomme aussi nacelle. Petit creux en cône que l'horloger pratique dans une pièce de métal. In andere Fransche woordenboeken nog:

[p. 300]

Afronding van een balk of steen, en: schuins afgestoken kant. Voor de ww. chanfreindre en chanfreiner, die soms als gelijkbeduidend, soms als te onderscheiden worden opgegeven: een rond gat maken, en: een schuinen kant maken aan een balk of steen. Littré geeft voor beide: ‘Abattre l'arête d'une pierre, d'une pièce de bois, pour former un chanfrain’.

Het Engelsch kent een ww. to chamfer = 1. to channel; to cut a furrow as in a column, or to cut into a sloping form, or bevel. 2. to wrinckle; en een z.nw. chamfer, chamfret = 1. a small gutter or furrow cut in wood or other hard material. 2. a sloper or bevel (Webster)1).

Indien wij al deze beteekenissen nagaan is er wel een gemeenschappelijke grondbet. in te herkennen, nml. die van schuinen kant (vgl. noot bij chanfrein), in of aan iets gemaakt, die in het fra. chanfrein ligt en uit de etymologie te verklaren is.

Welke woorden vinden wij nu in onze taal, als daarvan afkomstig?

In de eerste plaats de reeds genoemde groep soevereinen, soevereinboor, freinboor, hout- en ijzerfrein, benevens soevereinijzer; deze woorden komen niet in de Noord-Nederlandsche woordenboeken voor, soevereinen trof ik een enkele maal in een technisch boek. Tot deze groep behoort ook soevereintang, dat bij uitzondering voorkomt in het Fransche woordenboek van Van Moock (± 1832): ‘Soevereintang (smids art.), groote tang, mordache’. Deze groep van woorden vinden wij voor Z. Ned. wel terug in de daar bestaande mooie vakwoordenboeken, waar zij den vorm sofrein vertoonen.

Bij v. Keirsbilck, Timmerman: ‘1. Sofrein (kegelvormige holte of put, in hout gemaakt, fr. chanfrein), 2. sofreinboor (spitsboor, nml. om sofreinen te maken)’. Bij Vuylsteke, Smid: ‘1. Beloen. Ook Biljoen. Volkst. sofrein. Afgevijlde of

[p. 301]

afgeslepen kant van een stuk metaal, fr. chanfrein; eng. basil, chamfer; hd. Bahn, 2. Beloenen. Ook biljoenen. Volkst. sofreinen. Een sofrein aanvijlen of aanslijpen. fr. chanfreiner; eng. to chamfer; hd. abschärfen. 3. Sofreinboor. Ook sofreinkeer. Handboor om gaten te sofreinen. 4. Sofreindril. Eene dril om een sofrein aan een gat te booren. fr. mêche à fraiser, fraise; eng. chamferingdrill; hd. Versenkboor. 5. Sofreintang1): om iets in de vijlstaak (= bankschroef) te spannen, dat moet gesofreind worden. fr. tenailles à chanfrein; eng. bit-pincers; hd. Bardkluppe’.

Bij v. Keirsbilck, Metselaar: ‘1. Afschuinen. Van steenen enz., ze aan de kanten schuinsch doen afloopen door iets van de dikte in schuinsche richting weg te nemen. fr. chanfreiner; eng. to bevel; hd. abfasen. 2. Afschuining. De daad van afschuinen, en de schuinsch bewerkte kant. fr. chanfrein; eng. chamfer; hd. Abgestossene Kante. In W.-Vl. Beloen, biljoen, sefrein, sofrein. In N. Ned. Vellingkant’.

De Bo heeft Sofrein en Sofreinboor.

Dat chanfrein en sofrein één is, lijdt wel geen twijfel. En nu de N. Ned. vorm soevereinen?

Ik geloof zonder vrees voor tegenspraak te kunnen aannemen, dat wij hier te doen hebben met een theoretische zoogenaamde verbetering of herstelling tot juister vorm van het niet meer begrepen sofreinen (zeker ook wel uitgesproken sofereinen, vgl. liverei, melleken), dat alleen in de spreektaal bekend was. Hoe meer de timmerlieden theoretisch ontwikkeld werden, hoemeer ook sofreinen, freinboor enz. zal veranderd zijn in het boekenwoord soevereinen, soevereinboor enz. Wat het wegvallen van de eerste lettergreep betreft, bij soevereinen zal dit niet licht plaats hebben, wel kon dit gemakkelijk bij het onbegrepen sofreinen, dat men niet geschreven zag.

Veel later is, blijkens de ch, chanfrein overgenomen in de

[p. 302]

taal van de diamantwerkers, doch meest bij de Z. Nederlandsche, in den vorm chevrien, voor ‘den band, dien de snijder om een was of om den tafelkant van een door het rondist gezaagde vierpunt legt’1).

In de derde plaats meen ik tot de van chanfrein afkomstige woorden te moeten rekenen ons frijnen of vrijnen (Boekenoogen). Het wegvallen van de eerste lettergreep zagen wij ook bij de groep van soevereinen, dat zou dus hier geen bezwaar zijn; wat betreft de spelling met ij naast die met ei, dit dunkt mij geen overwegend bezwaar; wij vinden ook bijtel en beitel, rijschaaf en rei of reeschaaf naast elkander, daarbij heeft de Bo: freenen. De spelling met ei of ij vooral van woorden, die in den volksmond meest zijn blijven leven, en weinig geschreven voorkomen in den tijd, dat de uitspraak verschillend luidde, is van zelf minder vast. En de beteekenis? Ja die van behakken van natuursteen met evenwijdige ribben kan zeer goed ontstaan zijn uit die van het maken daarin van chanfreins of groeven (cannelures), en zou zelfs ook ontstaan kunnen zijn door veralgemeening uit die van schuin bijhakken van een steen, hoewel dat minder waarschijnlijk is2).

Den Haag.

c.h.ph. meijer.