Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 41


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 41. E.J. Brill, Leiden 1922  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 115]

Lexicologische aanteekeningen bij stichtelijk proza uit de Middeleeuwen.

(Vervolg.)

indacht, toedacht, bedacht; ende opdat wi..... salich moegen werden, soe sullen wi hebben indacht, toedacht en bedacht. Indacht: dat is aenheven des guets ende in desen sullen wi merken dat waerom in den beghinne ende in dat eynde ons wercs. Toedacht: dat is sueticheit des biblivens in den begonnen guede, want dat begunne des guets en hilpt ons niet totter salicheit, het en si datter toe gedaen werde die sueticheit des biblivens. Bidacht: dat is dat guet dat wi voernamen te were gaen.... (Coll. van J. Brugman, Arch. Ned. Kerkgesch. IV, 144). Kiliaen geeft een subst. indachte; zie ook Ndl. Wdb. i.v. indacht. Het Nederd. Gloss. van Bern vermeldt bedagte (= diligentia), Lübben en Lexer ook (Lx.: bedâht bedächtige Erwägung); toedacht vond ik nergens.

iet innehebben van; G 81 d: Mer nochtan en plach men nummermeer te vernemen, dat si (een zuster, die het zware en vuile werk moet doen) mit woerden of mit gelate yets wat toende, dat si daer wat van ynne hadde, dat si altoes alsoe genck slaven ende sloeten enz.1). De uitdrukking wat guedes innehebben komt meermalen voor in G (24 d, 30 a, 104 c , 112 c); verder vindt men 2 b: inne hebben vanden ewigen leven en 86 b: innehebben van den choer (van seraphijn). -

Mi es iet druckelick (begeerlike, zuete enz.) inne = ik vind

[p. 116]

iets hinderlijk (begeerenswaard, aangenaam enz.) leest men o.a. G 18 c, 94 c, 110 b, 110 c, 112 d, 128 a, 131 a; vgl. ook D 15d. Evenals in de voorafgaande uitdrukking is inne hier in 't gemoed, in den geest1).

item, als inleidend woord tot iets, waarop de aandacht moet vallen, vindt men o.a. G 76 d en D 57 c (vgl. noot 1 aldaar).

caltijt = tijd, waarin het geoorloofd is te praten2); DV 370 r: daer (nl. in 't spinhuis) nam sie der tijt soe nauwe waer, dat sie hoer niet ene caltijt liet gaen.

capitulaer; DV 361 v.: een zuster schrijft boeken voor andere zusters over, ‘soe psalteren, soe cappitelaren’; DV 341 v.: sie had hier langheweest dat sie ghien capittelaer en hadde of salter, daer sie toe rechte hoer getijde uut betalen conde. Een Capitulaer is, blijkens het verband, een liturgisch geschrift, zie Ducange onder capitulare I: Capitulare Evangeliorum de circulo anni: waarschijnlijk zal een dergelijk boek bedoeld zijn3). Wellicht is ook het subst. capitelarijs, in 't Mnl. Wdb. verklaard als ‘een boek, waarin hoofdletters staan’, op te vatten in de hier gegeven beteekenis. Uit de plaats, waar het voorkomt, blijkt wel, dat het in ieder geval een boek met godsdienstigen inhoud is. Een derde voorbeeld levert misschien Stoke I, 6764).

kemkedel;... dat si des heiligen dages enen smeerigen keymkedel droech, G 11 d; d.i. een overkleed, gedragen bij het kemmen, het reinigen der wol, een werkjak dus.

kertuys; in DV 34 v. wordt verteld dat Brinkerink soms aan zusters kon vragen ‘wat sie goedes gedacht hadde(n)’, en

[p. 117]

‘daer dede hie dan sijne clacie op’. Eens stelt hij ‘iutte vander beck’ die vraag: ‘Doe sede sie oetmodelicken wat sie ghedacht hadde’; Br., ontstoken door haar ootmoed, zeide: ‘O, o, hadde ghi doch den gheholden, het was god of u hillighe enghel’.Daarop vraagt mater, hoe ze dien had kunnen houden. Br. antwoordt: ‘sie solden gheholden hebben by goeder kertuys ende hebben gesecht: staet, want ic en late u niet van hier gaen eer ghi mi meer ghevet’. Wat beteekent kertuys? wat, by goeder kertuys? 't Woord is mij volkomen duister; ik heb daarom tot recht begrip een uitvoerige aanhaling gegeven. Zuster Jutte's antwoord is onduidelijk; uit het verdere volgt, dat zij een visioen heeft gehad en te nederig is geweest om daar ophef van te maken1). MS. 8849-8859 der Bourg. Bibl. te Brussel, een Lat. hs., waarin men een groot deel van den inhoud van DV in het Latijn vertaald vindt2), vermeldt ook dit voorval; daar staat voor by goeder kertuys per collum (inquit ipsum tenere debuisset); fol. 47 r. Bij den hals, bij de kraag dus; het levert een goeden zin, Brinkerink kon zich wel eens plastisch uitdrukken. Maar tot de verklaring van by goeder kertuys kan het niet bijdragen. Kan kertuys misschien samenhangen met kartuizer?

clauwe; DV 341 r.: ene clau ghenvers. Bij De Bo vond ik ginnebeerklauwtjes = klauwvormige worteltjes van ginnebeer.

cnijptange; DV 11 r.: cniptanghen, hameren, scaven enz. Lübben heeft dit woord; 't Mnl. Wdb. geeft nijpiser = nijptang.

kolomme; voor den term der devoten: kolomme der dogeden zie men De Man, blz. 6, noot c.

corrieren3) trof ik herhaaldelijk als bijvorm van corrigieren: G 30 d, 112 a; D 89 d; Andr. IJs. 196, 209. Daarbij

[p. 118]

het subst. corrieringe? (G 113 a, hs. corryeinge). D 89 d wordt gesproken van boeke corrieren; d.i. dus van fouten zuiveren; vgl. Mnl. Wdb.

cost; want een werck man die op syns selves koest dient, die verdient vele meer gelts dan een ander die sine koest mede wil hebben, Coll. Cl. v. E. 4 r.

cranchertich; DV 284 v.: ende toe vasten hent des middaghes daer was si al te cranckhartich toe. Lübben: krankhertich = schwachherzig; vgl. Mnl. Wdb. i.v. crancmoedich.

crop;... ende bad oer, dat si oer die passiën ende den crop uut wilde slaan, G 54 c; G 126 d dezelfde uitdrukking; vgl. Ndl. Wdb. onder krop. De beteekenis is hier geraaktheid of trots, misschien geraaktheid ten gevolge van misplaatsten trots.

cruipken; G 15 b: ende want dat zuster Lizebeth mercte, dat si (nl. een jonge zuster) soe geerne bi oer was, soe plach si sie van vrendelicheit cruypken te heyten; d.i. aankruipstertje; vgl. Fr. oankrûpe = zich dicht tegen iemand aanvlijen (ook fig. gebruikt). Ten Doornkaat Koolman: krûpke = kleines kriechendes Wesen; zie ook Ndl. Wdb. onder kruiper.

lancwelle, een soort bier (zie Mnl. Handwdb.), G 137 c.

Voor lateldach zie men De Man 164, die in noot a eenige vbb. geeft en vgl. Mnl. Wdb. i.v. lateltijt.

over enen leest getogen sijn; met enen natkijn begoten sijn; hierom moeten wi lichaemliken ende geesteliken crancheit lijdsamliken mit malcanderen dragen, want wi en sijn niet al over enen leest getogen... Wi hebben ons oec te liden, want met enen neetken sijn wi al begoten ende met enen galentijnken geel gemaect, Coll. Brugman 111. Het hs., waarin deze zegswijzen voorkomen, is van 1476; oudere vindplaatsen zijn, voor zoover ik weet, niet aangewezen; vgl., ook voor varianten, Stoett, Nederl. Spreekw. enz.

leidinge in passief gebruik = het geleid worden, het ergens heen gevoerd worden komt G 98 b e.v. eenige malen voor.

lekker, ‘in de ongewone beteekenis zwak, niet aan ruwen arbeid gewend’, noteert De Vooys, Leg. en Ex. 23: lekkere

[p. 119]

mannen; lekkere als vertaling van delicati. Leg. en Ex. 25: Toe clarendael was een monic... van lichaam lekker ende cranck enz.

lekvat; G 7 b: ende haalde wat biers uuten leckevate; vgl. Ndl. Wdb. i.v. lekken (lekvat, lekwijn; kol. 1513).

letter; wanneer si wat sach, dat niet na der letter rechtuut (= zooals 't behoorde) en was..., G 60 b. Na der letter = strikt, zonder de minste afwijking; zie Ndl. Wdb. i.v. letter, kol. 1645.

lidelijc; G 41 c: ende al weren dese dijnge lidelick ende vol oersaken der droefheit; G 37 c: druck ende lidelicheit. Lübben geeft liderlik = lidelik, elend, jämmerlick, leidensvoll, lidelicheit = Leiden1).

liefachtelike; DV 188 r.: die vestiaria sach dat suster ghertruut liefhachteliken tot oer quam. Lübben: lêfhaftich = liebreich, freundlich. Een synoniem is liefhebbelijc, dat DV 110 r. voorkomt:... het soe suverlicken abelen geselleken was dat hie hier ende daer vaste wat krech, want hie seer liefhebbelik was; Lübben heeft lêfhebbelik; de Teuth: liefheblijc (mynlick), amabilis.

Van limen in fig. gebruik geeft 't Mnl. Wdb. een paar vbb. uit de Limb. Sermoenen; men zie ook G 95 a en 95 d: an (Gode) gelymet worden en de verdere vbb. aldaar en vgl.: an Gode cleven.

liniën; Biogr. 130 r. heeft Verdam lymen gelezen, de uitgever Brinkerink, lyniën, de juiste lezing: ende here Florens, want hij niet wal en konde scriven, soe plach hij te lyniën ende te pomsen; van liniën geeft Verdam een vb. uit de Teuth.; zie ook Mnl. Wdb. onder pomsen.

lopen; loopende worden (van een paard) = op hol slaan kan men vinden G 103 c en Maria Leg. I, 180; vgl. Mnl.

[p. 120]

Wdb. onder lopen, intr. I; Ndl. Wdb. VIII, 2806 onderaan: op den loop (Friesch: op 'e loop, op 'e roan = op hol); Lübben: lopisch werden = wild werden (von Pferden, die durchgehen) en Deensch løbsk = op hol.

Van medegelikenisse, een term der devoten (vgl. Mnl. Wdb. onder medegelijc en medeformich), vindt men een vb. bij De Man, blz. 6, noot d.

medeheit noemt het Mnl. Wdb. niet, wel het tegengestelde tegenheit en wederheit. Gerl. Peters 218, 219: Een(en) recht(en) inwendigh(en) mensche(n)... en rustet op ghien dinc, dat hem mede of teghen mochte wesen, noch en ontsiet ghene wederheit, die ghevallen mochte... Hoe die dinghe ghevallen, buten of binnen, mede of teghen, si en moeghen hem niet ghenaeken... Daerom... heeft (hi) ghewaerighen vrede ghevonden, dien ghenen medeheit of tegenheit stueren en mach; voor- of tegenspoed vertaalt Moll (vgl. ook Mnl. Wdb. onder tegenheit).

Iet es mi mede, tegen (contrarie), d.i. iets is mij aangenaam, onaangenaam, gebruiken de devoten herhaaldelijk: G 14 d, 83 d; Coll. Cl. v. E. 26 v.; Coll. Brinckerinck 127.

Medegaen = behagen, naar den zin zijn, komt voor Coll. Br. 127: Och mocht ic noch dien dach leven, dat die overste van desen huse eenre ygheliker zuster mochte gebieden, soe wel dat haer teghen waer, als dat haer mede gaet.

medetafelgenoot; G 101 c.

medicine; een swaer siecte eyschet een sware medicijn; zie De Vooys, Maria Leg. I, 77; II, 94 en 254 en vgl.: aux grands maux les grands remèdes.

menichvoudich; zie enicheit

mendinge; Dev. Ep. 49 v.: Ghi sult sueken die bermherticheit gades myt ongevinsder mendyngen; Ruusbr., Begh. 173 (uitg. David I, blz. 10) heeft: met ongheveinsder meyninghen. Mogelijk is dus de text niet in orde, maar afleidingen van een Ogerm. werkw. menden komen in 't Mnl. voor; vgl. Mnl. Wdb. onder *mender en Franck-Van Wijk i.v. monter. Lexer

[p. 121]

geeft mendunge = Freude, Seligkeit; ons woord zou moeten beteekenen streven, aandacht; vgl. Mnl. Handwdb.: menderlike = met gespannen aandacht.

in 't middel spreken; G 114 c: verguedende ende int myddel sprekende (‘tusschen onsen vader ende den zusteren’); vgl. intr. middelen = verzoenend tusschenbeide komen.

moedigen; Coll. Cl. v. E. 53 v.: wi werden oec uut anmarkinge des lijdens Cristi ghesterket ende gemoediget gerne wat weder te lijden om sinen wil. Als men enen Elephant enen doeck voer die ogen hoelt, die in blode geverwet is, soe wort hij crachtich ende moedich ende en ontsiet gheen dijnck. Alsoe oec die mynnende siele ansiende dat blodige licham hoers gemynden, wort sij gestarket ende gemoediget alle dijnck te lijden. Dus enen moedigen = iemand moed, kracht geven, iemand sterken; vgl. Mnl. Wdb. i.v. gemoet en moeden, 3de art.; Ndl. Wdb. i.v. moedigen.

moesbrij, D 84 a, koolsoep; vgl. Molema i.v. mous, mouskebrei. Voor moes = kool zie men Gallée: môs (blz. 29) en Ndl. Wdb. i.v.; verder Mnl. Wdb. onder warmoes. Andr. Ys. 197 staat moes scherven = kool schaven. In 't Friesch heet koolsoep koartmoes, boerenkool boeremoes.

buten mondes = overluid vindt men D 101 c (buten mondes lesen), G 92 c (buten mondes van eens anders gebreke callen) en G 114 a.

narren; G 126 b: ende die (nl. tanden) sat hi (de duivel in hondengedaante) ende beet tegaeder als een hont, die narret. Narren = grommen; vgl. Mnd. Wdb. onder narre, 3de art. en nerren.

nasien; een jonge zuster werkt zoo ‘puntelick ende bequamelick’, dat men ‘oer niet nae en drofte sien als enen kynde’, G 80 a. Naesien = nagaan of iets in orde is, controleeren; vgl. Ndl. Wdb. onder nasien 3 en Friesch neisjen.

natkijn; zie leest.

nernstich kan de beteekenis krijgen van heftig, driftig, ook verstoord; zie bijv. Biogr. (A.A.U. 28, 5): als men

[p. 122]

Floris Radewijns zijn ‘vickerie’ wil ontnemen, worden zijn vrienden ‘seer neerenstich’ enz.; G 93 d wordt een zuster ‘al wat neerenstich’, omdat zij geen antwoord krijgt op een herhaalde vraag; zie ook D 55 a; 't Mnl. Wdb. vertaalt hier minder juist met ernstig, gestreng. Nernsticheit, Gerlach Peters 208 (vgl. ook A.A.U.X, 372), vertaalt Verdam door volharding, inspanning. Het woord moet ook daar een ondeugd aanduiden; heftigheid is de juiste vertaling.

niere; een duidelijk voorbeeld van nieren = lendenen geeft Maria Leg. I, 188: maria... salvede hem sijn mont sijn nose sijn handen sijn nyeren... Ende tot elker salvinghe seide si woerden der formen ‘Ic besmere dijn nyeren mitten gordel der reynicheit’.

nocturne; zie bij graduaal. De beteekenis is boek, zangboek met nocturnen (de nocturne = het hoofdbestanddeel der metten).

nonscap = de nonnenstaat, het nonnenleven leest men D 172 c en DV 287 r.; vgl. D 152 d conversynschap.

nootbederf; G 121 d: een zuster, die als duvelstoejager gebruikt wordt (zie bij drevel), is dankbaar, ‘datmen sie alsoe tot enen noetbederf hebben wolde’; d.i. dus noodhulp; vgl. Ndl. Wdb. onder nood (noodbederf, kol. 2074).

nootgast; De Vooys, Mnl. Leg. en Ex.: de titel van CCCXLVII (II, 222) is: Een exempel hoe dat een ionc kijnt sijnen abt mede nam tot enen noetgast int ewighe leven. Het exempel vertelt, hoe de knaap zijn abt op diens verzoek mee noodigt tot de ‘werscap’, hem door Maria beloofd. De beteekenis moet, blijkens het verhaal, zijn genoodigde.

ommehalen = herhalen, overpeinzen trof ik DV 98 r. aan: ende sie die antwaerde... zeer vake omme halde ende overdachte in horen harten.

onbehaelt en onbekocht; Elsebe Hasenbroecks geeft Brinckerinck geld voor het bouwen van een klooster te Diepenveen. Bij het ontvangen zegt hij: ‘ic wil daer onbehaelt van wesen’. Hij was nl. bang, vervolgt de text (D 112 d), dat zij

[p. 123]

gaarne te Diepenveen wilde wonen en D. ‘solde nu noch nummeer veyle wesen’. DV 10 r., dat hetzelfde verhaal geeft, heeft onbekoeft i. pl. v. onbehaelt. Onbekoeft = onomgekocht; onbehaelt geeft het Mnl. Wdb. (dit vb. niet); vgl. daarbij Mnl. behalen = in zijn macht krijgen en Ndl. Wdb. onbehaald blijven (II, I 1462).

onbequetert; DV 305 v.: een strack eersom onbequetert man; zie Mnl. Wdb. onder queteren en vgl. onbesproken.

onbestraffelijc; G 76 d: onbestraflick te wanderen = onberispelijk; vgl. Lübben en Ndl. Wdb. 't Mnl. Handwdb. geeft onstraffelijc.

Van ondachtich = immemor geeft het Mnl. Wdb. geen vb. DV 190 r.: doe en was onse lieve here niet ondachtich des sie hem ghebeden hadden.

Voor hem onderhouden, term der dev., zie men De Man, blz. 205, noot b.

ondersceit; eenige malen vond ik sonder ondersceit = zonder (be)oordeel(ing), onvoorwaardelijk (vgl. Mnl. Wdb. i.v. ondersceit 1 en 10); G 92 d: sonder onderscheyt gehorsom wesen; D 114 c en DV 104 r. dezelfde uitdr.; Coll. Cl. v. E. 249: Wat onse oversten gebieden, dat sulle wi ontfangen, oftet god selven gebode. Die die geboden sijns oversten wil onder scheyden, dat is een teeken eens onvolcomenen herten of eens crancken willes; zie ook G 93 a.

ondervonden komt in G eenige malen voor als part. perf. actief, in verbinding met beleeft = veel beleefd hebbende; 73 c, 80 d, 96 a. DV 43 r. leest men: onse ondervondene vader; vgl. ervaren.

ongelike personen (vgl. Mnl. Wdb. onder ongelijc, bijv. nw. 6) ‘personen van verschillend geslacht’, van de andere sekse; G 24 b, D 188 b, Maria Leg. II, 211).

ongenoteert, zie genoteert.

[p. 124]

ongevoechsam; dit tot dusver nog niet gevonden Mnl. woord (vgl. Mnl. Wdb. onder *ongevoechsam) treft men, dunkt me, aan in Dev. Ep. 52 r.: mer alsoe lange als... wi becoemmert ende onghevuechsam (hs. onghewechsā) sijn in onsen herten ende ons niet slechts in allen dingen te vreden en setten die wi niet beteren en moegen enz. De beteekenis zal wel zijn onplooibaar, weerbarstig, ongedwee; vgl. Mnl. Wdb. onder gevoechsam.

onjonferlike; G 76 a ...dat si oer ogen onbehuetlick ofte onyonferlike opgeslaegen hadde; zie onjonkfrouwelijk in Ned. Wdb.

onperfect en perfect vindt men Maria Leg. I, 249: Ende als hi sommighe noten screef uut synre herten1) die niet en accordeerden2) so plaghen die maechden so menich warven die noten over te comen singhen om dat hijt perfect soude scriven ende so scrapte hi die onperfecte noten uut.

te onpoente sijn; DV 200 r.: (sie hadden anxt) dat mater op hem toe onpunten was. In de overeenkomstige passage van D staat tonpasse (zie D 6 b); te onpoente, te onpasse op enen sijn = ontstemd, verstoord op iemand zijn. Daartegenover staat wel te poente sijn met enen; DV 115 v.: eene jonfer, daer sie zeer wal mede toe punten was (D 23 c: die sie sunderlinge lief hadde); Verdam, Mnl. Wdb. VI, kol. 173 geeft qualyk te passe = ontstemd en wel te passe3).

onsierlijk; DV 57 r.: sie had hoer soe oetmodelick ende onsierlick in horen habijt; vgl. Ndl. Wdb.

onsoelde; G 3 d: armoede ende onsoelde (liden); G 32 d dezelfde combinatie. We hebben hier ongetwijfeld hetzelfde woord als het mhd. unsaelde en mnd. unsâlde = ellende, rampspoed; Lübben geeft ook vbb. van unsâlde verbonden met

[p. 125]

armode. De overgang van â > ô (open) is in dialecten, welke hier in aanmerking kunnen komen, niet ongewoon1). Het Mnl. Wdb. haalt uit De Vooys, Leg. en Ex. 24 aan: hem overgeven totten arbeide ende onsolde en construeert een nominatief *onsout, die op grond van bovenstaande vbb. mag worden verworpen. Het woord onsoelde zal wel beperkt zijn gebleven tot Oostelijke grensdialecten; ook het vb. bij De Vooys komt uit een Saksisch geschrift.

den esel ontbinden, in ongeveer gelijke beteekenis als sijnlijf ontbinden (Mnl. Wdb. i.v. ontbinden, tr. 4) leest men G 102 d; vgl. noot b aldaar2).

onthasselen; D 86 b: ende den godliken dienst dede sie so devoetelic, dat sie nummer uut den choer en genck, die tranen en bleven daer overvloedelike staende die haer onthasselt weren, als sie neygeden; ook DV 298 r. De uitgever van D geeft nog als variant onthosselen. Kan het werkwoord dan in verband staan met ons hotsen, volgens Franck- Van Wijk ± 1600 ws. uit 't Hd. overgenomen? Mhd. hotzen = schommelen, schudden, snel loopen; een werkw. onthotselen of onthosselen zou dan kunnen beteekenen ontloopen, al biggelende ontvloeien.

onttroostinge; Gerl. Peters 211 (1ste brief aan Lubbe): in der tyt der bedruckenisse ende der ontroestynghe = neerslachtigheid, moedeloosheid; vgl. Mnl. Wdb. i.v. onttroosten.

ontvredicht komt voor naast ontvredet (zie Mnl. Wdb.): And. IJs. 205:... doe sie sach dat die suster soe ontvrediget was. Het Ndl. Wdb. geeft zoowel ontvreden als ontvredigen.

onvalsch; DV 282 r.; een onvals eerber oelt persoon. 't Ndl. Wdb. geeft voorbeelden; Kiliaen: onvalsch = purus, sincerus.

[p. 126]

onverantwort; G 66 c: ende hebbe, als my wat beyegende dat my contrary ende tonwillen was, dat... ongewroken ende onverantwoerdet hene laten gaen; G 91 a: iets niet ‘onverantwoerdet laten henegaen’; vgl. Mnl. Wdb. dat één vb. geeft van onverantwort = onbeantwoord. Hierboven is de beteekenis zonder zich te verdedigen, onweersproken (vgl. Kiliaen en Plantijn, aangehaald in Mnl. Wdb. en verantworden II A, 4 aldaar).

onvermakelijc; De Vooys, Leg. en Ex. 27:... dat ware een onvermakelike scade, waert sake dat verderfden die dinghen enz. (uit den Dialogus Miraculorum). Onvermakelijc is onherstelbaar; 't Mnl. Wdb. geeft vermakelijc = reparabilis, uit Kiliaen en Plantijn; vbb. uit 't Mnl. zijn tot dusver niet gevonden.

onverquenen; G 118 c: wanttet noch een jonck, starck ende onverquenen mensche was; van verquinen = verkwijnen, uitteren enz. dat slechts opgeteekend is uit Teuth. (zie Mnl. Wdb.); Lübben geeft vorquinen als zwak werkw.

onwijs wordt door de devoten en mystieken in een speciale beteekenis gebruikt. G 115 d: een zuster tracht overal zich te ‘veroetmodigen ende onwijs te toenen in andere menschen ogen’; 64 a zegt een andere: iek bijn onwijs geworden, daertoe heeft mij mijnne gedwongen. Zie voor de beteekenis en verdere vbb. De Man, blz. 122, noot a en vgl. Mnd. Wdb. onder onwete, onwetenheit en onweten. Onweten in mystieken zin geeft Dev. Ep. 39 r.: ende clim, alsoe veel als hem moe[ge]lic is in onbekentheit ende dusterheit, daer hi gode in onweten schouwen mach.

op ende neder; van een zuster, die zich niet mengt in de beschikkingen der oversten, heet het G 4 e: (si) liet die dinge op ende neder gaen, als God ende oer oversten wolden; G 18 a: mer si liet die dinge gaen ende comen, op ende neder, ende sweech daer al stille toe. De bedoeling is dus: zij liet de zaken haar gang gaan; vgl. Mnl. Wdb. V, 1668-1669 (vooral op, bijw. II d).

[p. 127]

opgeheven; D 116 d Op een tijt stont die vurige vlamme1) in den choer myt enen opgehevenen gemoede in onsen lieven heren... ende quam mydallen van hoer selven. De zuster verkeert in een staat van geestvervoering, van zinsverrukking, is ‘ontrucket in onsen lieven heren’ (zie D 116 d). In hetzelfde verband wordt ook

opgetogen gebruikt, dat het Mnl. Wdb. vermeldt als mystieken term zonder vb.; D 94 a: soe plach si opgetagen te warden, dat sie scheen als of sie doet geweest hadde. Verder zie men Ndl. Wdb. onder opgetogen en opheffen.

ophoffen; zie de aanhaling bij dot. De beteekenis van hem ophoffen zal wel zijn zich opsieren, zich mooi maken. Ik vond het woord nergens; behoort het tot de familie van havenen, haffenen, hoffenen (zie het laatste woord in Mnl. Wdb.)? Lübben geeft haffen = behandeln.

opschotelen; Andr. IJs. 196: Sie plach altoes ghemeenlic die spyze allene te kaken ende toebereiden, mer hoer medesuster plach sie hoer op te schotlen, ende soe diende sie den susteren ende droech sie hem voer. Opschotelen = in schotels doen; vgl. Ndl. Wdb. i.v. Gallée en Draaijer geven een werkw. òfschöttelen = terzijde stellen, op zij schuiven; bij Gallée, blz. 1, ook afzetten, zonder nadere omschrijving.

opsetter komt slechts een enkele maal voor in de bet. hij die iets goeds tot stand brengt, bewerker, zegt het Mnl. Wdb. Een vb. geeft Maria Leg. II, 242, waar een priester wordt genoemd upsetter (ende beghinsele) van een vrouwenklooster.

opslippen; G 103 c: ende aldus soe sleepte si dat peert lange wile over stocke ende over stubben, soedat si oer ene bien wal twie voet lanck opslipte, d.i. openreet; vgl. Ndl. Wdb. i.v. opslippen, Mnl. Wdb. onder slippen.

oven; D 139 b: Onse lieve here die provet die sine in den aven des lijdens; vgl. D 134 c en 58 c. De beeldspraak zal

[p. 128]

wel onder invloed van bijbelsche lectuur ontstaan zijn; vgl. Matth. 13:52 en Daniël 3.

overdwars; dat werck overdwers opbreken, G 40 a; vgl. Mnl. Wdb.

overcomen; och, als wi sien sullen dat onse medesusteren die hem totten rechten duechden gegeven hebben, mit soe lichte pyne (de loutering in 't vagevuur wordt hier bedoeld1)) of sonder pyne aver comen, Coll. Cl. v. E. 60 r. Overcomen = in den hemel komen (vgl. overlijden); ook D 65 c en vgl. overhelpen, D 57 b.

overlopende lesen vindt men Maria Leg. II, 214; overlopende = vluchtig, gedachteloos; vgl. Mnl. Wdb. i.v. overlopen II, 5 en onder overloop 7; Ndl. Wdb. onder overloopen XI, 2 c.

hem overofferen; G 70 c: si... offerde oer onsen lieven heren alle margen over; vgl. De Man, blz. 134, noot b en blz. 10, noot a.

overstolpen; Maria Leg. II, 273: Die engel geeft hier een getuuch dat maria overvloyet van genaden. Een vol vat als ment yet ruert soe stolpet over... (vgl. ook Maria Leg. I, 3). Overstolpen intr., scheidbaar = overvloeien, overloopen.

panser; G 67 b: panser der gerechticheit. 't Mnl. Wdb. geeft een vb., waar het gebed een pantser wordt genoemd; een overeenkomstig beeld vindt men Maria Leg. II, 207; vgl. Jesaja 59:17.

pellendorne; G 145 a: een zuster plach die ydele glore soeseer te schuwen, dat si... sloech die pellen doernkens, recht oft een kint hadde geweest. Hier wordt niet bedoeld een bepaalde bloem, zooals ik, De Man 253, vermoedde, maar het woord beteekent vlinder. In DV 242 v. vond ik: (si) nam hoer wiel vanden hovede ende veenck daer mede vlieghen ende palmdorkens of dier ghelick. De overeenkomstige plaats

[p. 129]

in D heeft pellen voegelen (D 55 c). Pellendoernken en palmdornken beteekenen dus vlinder; palm zal verhaspeld zijn uit pellen (Gallée geeft nog pannevogel); het tweede lid zal zijn het woord dorne = insect, bij (zie Mnl. Wdb. i.v.), dat met metathesis staat voor drone; Lübben geeft dorne (voor drone) = Drohne1).

om sinen penninck (in een herherghe sijn) = tegen betaling vindt men Maria Leg. I, 407; vgl. Mnl. Wdb. VI, 250.

peper = een met peper toebereid gerecht, zegt Mnl. Wdb. G 7 b wordt vermeld, welke ingrediënten de zusters voor het bereiden van peper gebruiken; vgl. de noot aldaar en Ndl. Wdb. onder peper I, 4 en 5.

pestilencie des vuurs, Maria Leg. I 232-233, een ziekte, ook brant des vuers genoemd; vgl. brantsiecte in mijn vorig art. en Mnl. Wdb. onder vuur 4.

pinigen en hem pinigen komen G 135 c en 136 d voor in de beteekenis van pinen, hem pinen = zijn best doen; vgl. mhd. pînegen.

pipe = spoelpipe (zie Mnl. Wdb. i.v. pipe 2 c) vindt men G 120 d en Andr. IJs. 194.

pipen; voor de uitdr. naar iemands pijpen dansen is de volgende plaats uit D 69 a van belang: ende nadien dat sie (d.i. de pijpers van de ‘geestelike bruloft’; zie bij hof) pijpen, sullen die bruden dansen ende treden. Hs. D dateert uit het laatst der 15de eeuw (zie De Man, Inl. lxxiii); in hoeverre er toen reeds een spreekwoordelijke zegswijze bestond, is niet uit te maken; zie de oudste vbb. bij Stoett en Mnl. Wdb. i.v. pipen 3. Het spreekwoord bij Meyer 23 is ook in Saksisch dialect.

pramperen; van dit woord, zie Mnl. Wdb. i.v., zijn tot dusver nog geen bewijsplaatsen in 't Nederlandsch opgeteekend; DV 276 v. geeft er een: Hoer moder ende dat ander

[p. 130]

gesynde prampierden ende lieten seer verveerlike; voort 't verband zie men de overeenkomstige plaats in D 75 d - 76 a. D heeft trampeeren; Verdam stelt voor aldaar te lezen tramperden (zie Mnl. Wdb. i.v. tramperen); op grond van DV leze men prampeerden = gingen te keer.

profitich; Andr. Ys. 195: ende sie conde hoer dinge zeer wysselicke... ten oerber bringen1) ende geene dinge veronraeden of verquiesten, want het was van natueren een raedich profytich mensche; sie is Andries Yserens, als onderkok werkzaam. Het komt mij wenschelijk voor hier meteen te behandelen veronraden, tot heden, voorzoover mij bekend, niet in 't Mnl. opgeteekend. DV 122 v.: Op een tijt hadde sie wat rottes uut enen appel ghesneden... ende ghenck daer mede een groet stucke weghes dat siet inden dranck draghen solde. Doe waert hoer ghevraghet wat sie hadde, doe sede sie dat men dat goet gades nauwe toe rade moste holden ende dat onse eerwerdighe vader ghesecht had dat een broder pyne moste liden omdat hie drie arvten veronradet hadde. D heeft op de overeenkomstige plaats:... Dat eens een broeder vege vuer leet om iij erwyten, die hij verroekeloest hadde. G 142 b wordt van zuster Trude gezegd, dat zij haar best deed ‘alsoe nouwe toe te sien als si mochte, opdat bi oeren schulden niet veronradicht en worde’. Hier hebben we dus veronradigen. In 't Mnd. komt vorunraden voor = verwahrlosen, vernachlässigen, Lübben i.v. Ons veronraden, veronradigen is aldus te omschrijven: de dingen door zorgeloosheid, gebrek aan overleg, spaarzaamheid enz. laten bederven, zoodat ze niet ten goede, ten nutte strekken; zie Mnl. Wdb. i.v. onraet 7 en onder te rade houden (art. raet I). Een synoniem is verroekelosen (Mnl. Wdb. i.v. 3). Er tegenover staat ten oerber bringen (zie de noot) of te rade houden. Profitick is degene, die de dingen ten oerber weet te brengen, met overleg en zuinigheid te werk

[p. 131]

gaat, en zoo nadert de beteekenis tot spaarzaam; vgl. De Bo i.v.

pruust; pruest werden = hoovaardig, zelfingenomen worden, vindt men G 28 b. Het woord zal wel in verband moeten worden gebracht met de verba pruusschen, pruusten, zie Mnl. Wdb. i.v. en vgl. aldaar pruusschaert = blaaskaak, snorker. Pruust ken ik niet in andere dialecten, wel pruustig, dat in 't Friesch zeer gewoon is ('n pruustige feint - een blijkens zijn uiterlijk zelfbewuste, flinke jongeman); vgl. Fr. Wdb. i.v. proastich enz. Molema geeft proostig = net, flink, kregel; Schuermans pruistig: heet (van ridsige zeugen); ‘'t beteekent eigenlijk schuimend’.

puefer; Andries Yserens weet als moeder van het Lammenhuis ‘dat reigement ende die dinghe des huyses zeer wyslicke ende wal (te) schicken ende totten oerber ende profit (te) oerdinieren’; ‘oec soe vonden die susteren doe sie doet was in hoere kisten wal bi anderhalf hundet goldene gulden an ryeden gelde: alsoe rechte wal conde sie puefer ende raedich wesen ende ten oerber ordinieren’ (A. Ys. 200). Over dit woord weet ik niets mee te deelen. Kan de uitgever, Spitzen, die het verklaart als slim en bij de hand en verder in 't wilde weg etymologiseert, verkeerd gelezen hebben?

quaetjaer; een zuster, die erg ingenomen is met haar ‘swarte hoyke’, moet die afstaan en krijgt een andere; ‘ick hadde gehopet’, placht ze later ‘guethertelike’ te zeggen, ‘si hadde swart geweest, mer doe ic sie bij den dage besach, was die quaetyaer graw’, G 146 d; vgl. Mnl. Wdb. i.v. en Ndl. Wdb. VII, 27-28 en V 312.

Wordt vervolgd.

 

a.a. verdenius.