1) Corpus Juris Canonici, Decreti pars secunda, Causa 26, Quaestio 5, caput Quicunque [d.i. cap. 13].
2) J.B. Diaz de Luco, Practica Criminalis Canonica, cap. 35. [In de uitg. Antwerpen, 1568, p. 100].
J. Menochius. [Deze aanhaling kan ik niet aanvullen; het is mij zelfs niet duidelijk, welk der vele geschriften van dezen schrijver hier bedoeld wordt].
P. Grillandus, Tractatus de Sortilegiis, in quaestione 10a, numero 12o et quaestione 11a, numero 17o.
3) dicto numero 12o et sequentibus.
Nog slechts enkele opmerkingen.
In de vroege middeleeuwen kwam het meermalen voor, dat in tijden van algemeenen of bijzonderen, ook wel van kerkelijken rouw (b.v. op Goeden Vrijdag) de altaren van hun pronk ontdaan werden. Daarop doelt de in den aanvang genoemde dolor.
De woorden ‘nisi tamen....poenitentiam’ heeft Del Rio letterlijk overgenomen uit q. 11, nu. 20 van Grillandus, die zich daar beroept op c. quicunque en op zijne beurt de woorden hieruit vrij nauwkeurig overneemt.
De aanhaling uit Gril. in 2) en 3) is niet geheel juist: nu. 12 moet zijn nu. 11, ten minsten volgens de uitgave van 1547 te Lyon. No 12 behandelt hetgeen in den laatsten zin der aanhaling besproken wordt. No 11 past echter alleen in 3); hier toch wordt besproken, of de bedoelde priester zich aan ketterij schuldig maakt. Over de straf spreekt Grillandus in qu. 14, nu. 2.
De aanhaling van q. 11, nu. 17, is hier in het geheel niet op hare plaats, omdat daar gesproken wordt over hen, die door tooverij bepaalde ledematen krachteloos maken.
Over deze moordmissen vind ik het eerst gesproken op het 17e Concilie van Toledo in 7321). Daar werd geklaagd over het veelvuldig voorkomen hiervan: ‘Plerique...sacerdotum...