[p. 52]

Boekbeoordelingen

Nieuwe handboeken:

Panorama der Nederlandse Letteren, verzorgd door Dr J. Haantjes en Prof. Dr W.A.P. Smit met medewerking van Dr. C.C. de Bruin en 15 anderen. Amst., N.V. Amsterdamsche Boek- en Courant Mij, 1948.

G. Knuvelder, Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde van de aanvang tot heden. Eerste deel. 's Hertogenbosch, L.C.G. Malmberg, 1948.

Wie zich oriënteren wil op het gebied van de geschiedenis der Nederlandse letterkunde heeft heden ten dage waarlijk niet te klagen over gebrek aan hulpmiddelen. Naast de grote ‘Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden’, die nu voor de helft voltooid is, zijn er sinds de oorlog niet minder dan drie handboeken van flinke omvang verschenen: dat van Walch, en de twee bovengenoemde. De volgorde waarin wij ze hier noemen is tevens die van onze waardering, t.w. van beneden naar boven. Aan Walchs boek kleeft voor ons het grote bezwaar dat hier iemand spreekt wiens toon voortdurend verraadt dat hij zijn onderwerp eigenlijk niet helemaal au sérieux neemt; aan Prinsens hartelijk subjectivisme geven wij dan toch nog de voorkeur. De twee andere genoemde werken zijn zeer verschillend van opzet en richten zich ook tot een verschillend publiek. Het Panorama heeft zijn titel goed gekozen; het biedt juist zo'n ‘kijkje’ in alle richtingen als door de massa der kijklustigen op prijs gesteld wordt. In hoe verre er werkelijk een publiek bestaat dat een uitzichttoren in dìt gebied wil beklimmen, laten wij in het midden. Een panorama kan men waarnemen door een hoog gelegen standplaats in te nemen die een vrij uitzicht laat; het bezwaar bij een boek met zoveel medewerkers is, dat niet allen die standplaats even hoog kiezen en dat ook niet alle sectoren dezelfde aandacht krijgen. Het laatste kan natuurlijk door een waakzame hoofdredactie verholpen worden, maar er zijn in dit geval toch wel lacunes aan te wijzen: noch de volksboeken, noch het zeventiende-

[p. 53]

eeuwse proza komen tot hun recht. Verschil in hoogte van standpunt en breedheid van blik wordt men wel eens wat al te duidelijk gewaar: het door prof. Kuiper verzorgde vierde hoofdstuk ‘De Geboorte van een nieuwen Tijd’ geeft inderdaad zo'n panorama over de zestiende eeuw; de literatuur wordt hier gezien in het hele culturele milieu en in de algemene historische situatie; het er op volgende hoofdstuk over ‘Hooft en zijn kring’ stelt daarna teleur door vlakheid, ook in de stijl. De interpretatie van het gedichtje ‘Oorlogh oorlogh blaesen D'ooghen vol van gloedt’ is o.i. volstrekt onjuist. Over het algemeen geven de verschillende hoofdstukken echter, grotendeels door specialisten voor het betrokken gebied geschreven, een goed, meestal tot de hoofdfiguren bepaald of daaromheen geschikt overzicht over de perioden onzer letterkundige geschiedenis. Wij kunnen ze niet alle afzonderlijk bespreken; als bijzonder helder trof ons prof. Tielrooy's behandeling van ‘Multatuli en de zijnen’, terwijl ook Heeroma's beschouwing van het ‘Onvoltooid Verleden’ van een zo hoog standpunt uit geschreven is, dat er een zeer omlijnd beeld is ontstaan.

Tot een ander publiek richt zich Knuvelders Handboek. Het is, dat zij voorop gesteld, zeer leesbaar geschreven, maar het is ten volle een handboek, een boek dat men studerend leest en waarin men lezend studeert. Wij begroeten dit boek als een zeer wezenlijke aanwinst, als een volkomen nieuw werk dat betrouwbaar en volledig is, en toch ook een persoonlijk karakter heeft. Het is de eerste behandeling van onze letterkundige geschiedenis in dit bestek sinds Prinsens handboek, waarin de tegenwoordige stand van de wetenschap ten volle verwerkt is en daarvan een duidelijk en objectief beeld wordt gegeven. Veel heeft de schrijver natuurlijk ontleend aan de ‘Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden’, maar telkens geeft hij ook blijk van een eigen onderzoek en persoonlijk inzicht, zo b.v. bij de uitvoerige bespreking van De Rougemonts theorie over de hoofse lyriek (blz. 60 vg.). Vooraf gaat een principiële inleiding, waarin de grondslagen van de litteraire kunst enerzijds en van de literatuurbeschouwing anderzijds kortelijk worden besproken en dė schrijver zijn standpunt kiest. Zijn aspiraties als geschiedschrijver dreigen hier wel eens wat heel ambitieus te worden: zijn taak omvat niet alleen de bespreking van de persoon, leven en

[p. 54]

werken der auteurs, maar het verwerken van ‘alle historische complexen die ter verduidelijking of verklaring van “stromingen, gestalten en geschriften” kunnen worden gebruikt’. Gelukkig heeft schr. deze theorie niet volledig in practijk gebracht; het zou trouwens een bovenmenselijke taak geweest zijn. Over de betrekking tussen cultuuren literatuurgeschiedenis onder dit aspect zullen wij straks nog iets in het midden brengen, maar eerst willen wij nu enkele afzonderlijke punten aanstippen die de lectuur ons aan de hand deed. De tegenstelling tussen de 13de en de 14de eeuw lijkt ons iets te zwaar geaccentueerd; ‘ethische idealen’ (p. 112) lagen toch ook aan de ridderlijke literatuur ten grondslag. Maerlant, geheel als exponent van de tweede periode behandeld, behoort toch ook chronologisch nog grotendeels tot de eerste. Overigens wordt van de ‘zedekundige litteratuur’ een goede samenvatting gegeven. Op p. 147-155 geeft schr. een uitvoerige uiteenzetting van Ruusbroecs stelsel; uitvoeriger dan bij Hadewych, terwijl deze toch litterair een belangrijker figuur is dan Ruusbroec. De abele spelen worden (p. 179 v.) terecht niet als analogie van het geestelijke drama beschouwd; of hier echter de ‘spontane drang tot spelen en voorstellen’ een essentiële rol heeft gespeeld, valt te betwijfelen: de abele spelen veronderstellen onmiskenbaar een hele voorafgaande ontwikkeling. Een uitvoerige beschouwing wordt gewijd aan ‘de Renaissance in het algemeen’, waarbij de nadruk wordt gelegd op de continuïteit; de Renaissance betekent in de eerste plaats een verschuiving van accenten. De vernieuwing die het rederijkersvers brengt wordt terecht in het licht gesteld (p. 239 vg.); De Rovere wordt hoog gewaardeerd, een ‘vergelijking met Van Eeden’ komt echter wel wat onverwacht uit de lucht vallen. De moraliteiten worden wel wat al te nauw verbonden met de ‘discussies naar aanleiding van actuele religieuze en maatschappelijke vraagstukken’; de achtergrond van deze spelen wordt veeleer gevormd door tijdeloze betrekkingen dan door het actuele. De behandeling van de volksboeken is wel wat mager en uit de tweede hand, ook in de literatuuropgaven, die overigens in dit boek zeer volledig zijn1). De Nieuwe Refreinen van Anna

[p. 55]

Bijns worden terecht zeer hoog gewaardeerd. Zeer goed is de beschouwing van de Spiegel der Minnen in verband met de Roman van de Roos (p. 310 vg.), en uitstekend de behandeling van Van der Noot als belangrijkste exponent van de Renaissance in dit tijdperk, dat aangeduid wordt als ‘van Rederijkerij naar Renaissance’, welke titel wij niet zeer fraai vinden, daar die twee termen tot verschillende categorieën behoren. Ook ‘Vroeg-renaissance’ als titel boven het hoofdstuk dat gewijd is aan de periode van 1567-1610 lijkt ons niet gelukkig; afgezien nog van het taalkundig bezwaar dat men tegen deze term kan hebben, is hij verwarrend, omdat hij in de kunstgeschiedenis reeds gebruikt wordt voor een periode die honderd jaar vroeger valt en ook daarom minder juist, omdat in dit begin van onze renaissancistische letterkunde, juist omdat deze pas zo laat komt, allerlei elementen gemengd worden die tot een later cultuurhistorisch stadium behoren. Aansluitend bij deze laatste opmerking moge hier de principiële vraag gesteld worden waarop wij hierboven reeds zinspeelden: hoe ver moet een handboek der literatuurgeschiedenis eigenlijk gaan met het betrekken van de cultuurgeschiedenis in zijn uiteenzettingen? Het voortdurend positie-bepalen van de letterkundige verschijnselen ten opzichte van het algemene culturele milieu eist zeer veel plaats en omslag; het gevolg is dat het bij de schrijvers die het tot hun taak rekenen op een ongelijkmatige wijze geschiedt: in de ene periode wordt veel breder uitgehaald dan in de andere. In dit handboek b.v. wordt de Renaissance in het algemeen zeer uitvoerig besproken. Een gelijkmatige behandeling zou geëist hebben dat dan ook eerst de algemene grondslagen van de middeleeuwse cultuur even volledig waren toegelicht, maar dat is niet gebeurd, en, om even vooruit te lopen, in het tweede deel is ook de algemene cultuurontwikkeling in de 17de en 18de eeuw slechts vrij summier behandeld. Een te ambitieuse opzet brengt twee gevaren mee: in de eerste plaats dat hij, als gezegd, niet vol te houden is - zeker niet voor één enkele bewerker -, en in de tweede plaats, voor zover hij wèl volgehouden wordt, dat de eigenlijke literatuurgeschiedenis in de knel komt. Dit handboek is vrij uitvoerig, maar het bevredigt niet de behoefte die al zo lang bestaat, en die wij op het ogenblik des te scherper gevoelen naarmate ook de zoveel grotere

[p. 56]

‘Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden’ ons daarin teleurstelt, aan een volledig overzicht over de feiten van onze literatuurgeschiedenis op bibliografische grondslag. Wij hebben geen boek waarin met een oogopslag te zien valt welke de oorspronkelijke uitgaven zijn van Westerbaen, Oudaan of Rotgans, om nog te zwijgen van mindere goden als Bruno, De Neyn, Pook enz., en tegelijk welke plaats zij innemen in het litterairhistorisch verband; kortom, wij hebben geen ‘Grundriss’. Het is nu negentig jaar geleden dat deel 1 en 2 van Goedeke's Grundriss zur Geschichte der deutschen Dichtung verschenen, die daarin in een duizend bladzijden over de literatuur van het begin tot en met Goethe een werkelijk overzicht in de volste zin van het woord gaf: in korte paragrafen worden richtingen en figuren glashelder gekarakteriseerd, alle wezenlijke feiten worden meegedeeld en alle uitgaven vermeld; het meest mogelijke wordt hier gegeven in het kortst mogelijke bestek, het is in één woord een model. In de latere, niet meer dan hem zelf bezorgde uitgave, heeft de Duitse neiging tot ‘Gründlichkeit’ dit werk doen uitdijen tot een onhanteerbaar en nooit te voltooien monstrum, maar het oorspronkelijke boek van Goedeke is een geniale conceptie, als waartoe helaas geen Nederlands literatuurhistoricus in staat gebleken is. Dit gemis is een vitium originis voor onze hele litteraire geschiedschrijving geworden: al onze grote literatuurgeschiedenissen zijn verhalend en beschouwend en zeker heeft een dergelijke methode ook haar recht van bestaan, maar zolang een zuiver practisch-historisch instrument als Goedeke ons ontbreekt, staan die verhalen daar als paleisfaçades voor een onbekend labyrinth van zalen, gangen en hoven. Het laatste woord kan niet gezegd worden als het eerste niet is gesproken. Moge de grote tekenmeester nog eens opstaan die het volledige en minutieuse grondplan voor dit paleis weet te trekken, waarop de ligging van elk vertrek en de plaats van elk meubel valt af te lezen. Intussen zien wij niettemin de voltooiing van Knuvelders werk met grote belangstelling tegemoet; wij hopen dat hij daarbij wat nauwkeuriger zal toezien op de zuiverheid van zijn taal dan hij in dit eerste deel gedaan heeft, dat ontsierd wordt door germanismen als vermilderd (p. 21), er omheen kunnen (28), eeuwwende (109; 136; 260; 345), het inbegrip van boosheid

[p. 57]

(291), in de veertiger jaren (292), op zich (317), in het bereik der mogelijkheden (341) en slordigheden als zijn enigst bekende geschrift (95), mistoestanden (283), de letterkunde rond de Hervorming (287).

 

Sept. '49

C. Kruyskamp

A. van Loey, Middelnederlandse Spraakkunst, I: Vormleer. J.B. Wolters, Groningen - De Sikkel, Antwerpen. 1948.

Betrekkelijk kort na elkaar - een tusschentijd van twee jaar mag voor zulke boeken kort heeten - zijn er twee Middelnederlandsche grammatica's verschenen. In 1946 de Vormleer van Overdiep, in 1948 de Vormleer van A. van Loey, als deel I van de Middelnederlandsche Spraakkunst. Een bewijs hoe sterk op dit gebied de behoefte aan een nieuw handboek was, speciaal ook voor het hooger onderwijs. Onwillekeurig dringt het noemen van deze beide boeken naast elkaar tot vergelijking van methode en inhoud. Beide zijn in eerste instantie bedoeld als leidraad voor studenten en vertoonen daardoor sommige kenmerken van een ‘leerboek’. Van beide hebben de auteurs zich beperkingen moeten opleggen, omdat bij een huidigen stand der middelnederlandsche filologie een gedetailleerde teekening van het grammaticale systeem der middelnederlandsche taal in haar vele genres en locale schakeringen tot de onmogelijkheden behoort. De beperking is in Overdieps Vormleer zeker het sterkst: een zevental teksten uit de 13de eeuw leverden het hoofdmateriaal. Maar het voordeel daarvan is dat men nauwkeurig weet waaraan men toe is: een beschrijving van de taalvormen in met name genoemde teksten. De vindplaatsen worden rijkelijk vermeld, de variatie in het vormengebruik wordt stilistisch belicht. Deze studie vormt een concrete basis voor vergelijking met andere en andersoortige, contemporaine en latere teksten, waaruit een vollediger historische vormleer voor het middelnederlandsch groeien kan. Overdieps boek berust bovendien op zelfstandige analyse van het verzamelde materiaal.

Ook Van Loey heeft het dertiende-eeuwsch als grondslag genomen, gezien zijn mededeeling in het Voorbericht (blz. VI): ‘De beschrijving heb ik synchronistisch opgevat, m.a.w. er is uitgegaan van de toestand in de 13de eeuw en aan de historische grammatica de taak overgelaten

[p. 58]

het op dat ogenblik gewordene te verklaren. De veranderingen, bewegingen en verhoudingen sedert de 13de eeuw zijn totnogtoe te weinig gezien en bestudeerd.’ Dit neemt niet weg dat in de practijk Van Loey zijn vleugels toch breeder heeft uitgeslagen, dan hij hier doet verwachten: bij de beschrijving der vormen vermeldt hij meermalen latere ontwikkelingen dan die van de 13de eeuwsche taal en op sommige plaatsen wendt hij ook de blik naar het verleden. Verder verwerkt hij materiaal van grootere verscheidenheid dan Overdiep: naast litteraire teksten gebruikt hij oorconden uit verschillende perioden en streken. Het ideaal van een naar tijd, genre en streek gevarieerde grammaticale beschrijving is daarmee echter geenszins bereikt, zooals Van Loey zich ook ten volle bewust is. Gedeeltelijk mag men dat wijten aan het ontbreken van de noodige voorstudies, maar voor een belangrijk deel is dat ook het gevolg van Van Loeys opvattingen en methode. Iets daarvan begrijpt men reeds, wanneer men ziet waaraan de schrijver zijn gegevens heeft ontleend: aan Van Heltens ‘waardevol werk’, ten deele door hem op de bron geverifieerd; aan het Middelnederlandsch Woordenboek (bij de werkwoorden, zooals Van Loey vermeldt - niet bij de substantieven of voornaamwoorden? - en niet op de bron geverifieerd? - dat laatste zou zeker geen luxe zijn!) en uit eigen notities. Deze opsomming laat reeds zien dat dit materiaal van heel verschillende waarde is en uit de grammatica zelf blijkt feitelijk nooit afdoende of de gegeven voorstelling van zaken berust op volledig betrouwbare of minder zekere gegevens. De ‘eigen notities’ zullen waarschijnlijk vooral uit oorconden genomen zijn, die volgens Van Loey ‘een stevige basis voor de geografie en de chronologie der feiten’ verschaffen. Naar die geografische en chronologische beschrijving op grond van oorconden gaat blijkbaar schrijvers hart voornamelijk uit. Daarin ligt ook zijn kracht en de daarvoor geleverde resultaten zijn de meest waardevolle elementen in dit boek. Zonder twijfel kan dit boek een aansporing zijn voor anderen het taalkundig onderzoek ook in die richting voort te zetten. Toch komt het mij voor dat Van Loey geneigd is, de gegevens der oorconden te overschatten, en dat in zijn grammatica daardoor een te zwaar accent gelegd is op die ambtelijke taal, ten koste van andere taalgenres. Dat zich in de kanselarijtaal vrij de volks-

[p. 59]

taal zou weerspiegelen, is zeker niet voetstoots aan te nemen. Misschien geldt dat nog het meest voor de oudste teksten, uit den tijd toen men begon naast het gebruikelijke latijn de eigen taal te hanteeren en er wellicht voor dit bijzonder ambtelijk doel nog geen algemeen gangbare noch plaatselijk traditioneele uitdrukkingsvormen bestonden. Maar men moet wel verdacht zijn op aanvankelijken en blijvenden invloed van het latijn, of ook van het fransch en het duitsch, afhankelijk van streek en regeering, terwijl bovendien voor latere teksten het vormen van traditie en de natuurlijke neiging tot archaïsmen in de ambtelijke taal geen denkbeeldige belemmeringen zijn voor het benaderen van de gesproken taal.

Het is dan ook wel aan twijfel onderhevig of in een evolutie van de ambtelijke taal te zien is een parallele en contemporaine evolutie van de gesproken taal. Lichtvaardig lijkt het me dan ook uit zulke (en vaak nog spaarzamelijke) gegevens uit oorconden ‘expansiologische’ conclusies te trekken en zoo de betwistbare theorieën van sommige moderne dialectologen toe te passen op middelnederlandsche taalverhoudingen. Op blz. IX van zijn Voorbericht beschouwt Van Loey het voorkomen van hem als datief pluralis van het pronomen personale als westmiddelnederlandsche expansie, omdat in het oostelijk mnl. de vorm hen, in Vlaanderen de vorm hem in gebruik is. Zijn deze vormen in de geheele volkstaal werkelijk zoo rigoureus gescheiden? Kan de hemvorm die historisch de oudste, de origineele is, niet ook in oostelijker middelnederlandsch hebben voortgeleefd? En indien dit beslist onmogelijk zou zijn, waarom moet het voorkomen van hem naast hen in een Limburgsche tekst met die zwaargeladen term ‘expansie’ uit het Westen aangeduid worden, in plaats van invloed van een misschien niet autochtonen schrijver? Het zou een waarschuwing kunnen zijn tegen de meening dat oorconden zuiver de plaatselijke taal weerspiegelen. Overigens is de kanselarijtaal niet meer reëele, levende taal dan de litteraire, ongeacht hun beider verhouding tot de gesproken volkstaal. Het is één van de facetten van de veelgelede taal die we met den naam middelnederlandsch aanduiden.

Over het geheel heeft Van Loey te weinig stilistisch besef. Zijdelingsche opmerkingen in de richting van stilistische verhoudingen en

[p. 60]

onderscheidingen berusten gewoonlijk op Overdiep, niet op zelfstandige oriënteering in de teksten. Trouwens, Van Loeys uiteenzettingen zijn grootendeels moeilijk te controleeren, omdat hij geen achterhaalbare bewijsplaatsen opgeeft. Zijn aanwijzingen hebben daardoor een vaag en summier karakter. Wanneer hij het bv. heeft over de pluralis der substantieven op -ere (blz. 14), zegt hij dat de oude pluralisvorm op -e ‘nog wel eens’ voorkomt, zonder eenige verdere specialiseering. Zijn die vormen zeldzaam, zijn ze beperkt tot bepaalde gebieden, of tot bepaalde teksten, komen ze voor in teksten waarin ook andere pluralisvormen van dezelfde woorden voorkomen; in welke verhouding staan ze tot die vormen, wat is hun stilistische bepaaldheid of is het gebruik grillig en willekeurig? Even vaag is de tegenovergestelde mededeeling: ‘van de vormen (? bedoeld: woorden?) op -er(e) en -are (-aer) komen reeds zeer vele meervouden op -s voor, soms ook op -n.’ Waar, in welke omstandigheden dan die meervouden op -n worden gebruikt, vraagt men tevergeefs. En: berusten deze mededeelingen van Van Loey op eigen waarneming of excerpeering van Van Helten? In het eerste geval is verzwijging van de vindplaatsen of althans van de teksten wel zeer te betreuren. Wanneer hij dan vervolgt: ‘De vormen op -s komen gewoon voor in het Wvl., ze zijn veel talrijker dan die op -n in het Ovl., het Holl., het Antwerpse en het Mechelse. In Brussel overheersen de vormen op -n. In het Gelders en in Limburg: -e; in de acc. in de 15de eeuw -n’, dan lijkt dit meer op een concrete dialectische bepaling. Maar ik vermoed dat Van Loey het hier uitsluitend over materiaal uit oorconden heeft, en mag men dan eenvoudig zeggen in ‘het westvlaamsch, in het Geldersch’ of ‘in Brussel’, enz.?

Een van de nadeelen van Van Loeys methode van beschrijving is zijn sterke zucht tot globaliseering, terwijl juist de veelheid van materiaal tot specialiseering van onderlinge verhoudingen leiden moet. Die neiging tot nivelleering, de ergste vijand van de stilistische methode, is, dunkt me, mede het gevolg van den opzet van het boek als overzichtelijk handboekje voor de studenten. Al te gemakkelijk offert de schrijver echter de wetenschappelijke kwaliteiten op aan zijn paedagogische doeleinden. En zelfs kan men betwijfelen of hij daarmee die aanstaan-

[p. 61]

de filologen een werkelijken dienst bewijst. Aan den anderen kant moet hij de over boord gegooide wetenschappelijke ballast toch weer tersluiks over de reeling binnenhalen. Vandaar de wel heel vreemde compositie van het derde hoofdstuk, over: het substantief. In de eerste helft (par. 13-18) wordt de historische grammatica radicaal op stal gezet. De beschrijving heet ‘synchronistisch’. Blijkbaar wil Van Loey hier een beeld geven van het taalgebruik op de basis van de 13de eeuw, zooals hij in het Voorbericht heeft aangekondigd. Zelfs kunnen de oude termen sterke en zwakke verbuiging geen genade meer vinden in zijn oogen. Hij verdeelt de substantieven in twee groepen die hij betitelt met ‘flexie I’ (de sterke klassen) en ‘flexie II’ (de zwakke buiging); de eerste noemt hij ook wel vocalisch, de tweede consonantisch. De definieering van die twee categorieën is niet zeer verhelderend. In par. 13 wordt dit nl. zoo gemotiveerd: ‘Een groep substantieven vertonen (lees: vertoont) in de flexie-uitgangen een vocaal (bijv. bij mnl. onz. woorden datief sg. den worme, nom. plur. de worme; bij vrouwl. woorden: gen. sg. wel eens (sic!) -e: der dade, nom. plur. gewoon -e’. En dan: ‘Een andere groep substantieven vertonen (l. vertoont) in de flexie-uitgangen een -n (gen. sg. des cnapen, nom. pl. de cnapen, etc.). Maar de student die in de volgende paragrafen de paradigmata gaat bezien, zal zich bevreemd afvragen of dan de -s van worms (gen. sg.) of de -en van wormen niet behoort tot de flexie-uitgangen van dit woord. Hetzelfde geldt voor de dat. plur., ook der feminina: der daden. Acht Van Loey de naamvallen op -e belangrijker dan de anderen, zoodat hij daaraan het recht ontleent de flexie van worm of daad ‘vocalisch’ te noemen? Mij lijken de criteria waarop beide ondergroepen (manl. ÷ onz. subst. par 14 en vrouwl. subst. par. 15) tot deze vocalische flexie I zijn gebracht, nogal willekeurig. Bovendien, achteraf blijkt de pertinente mededeeling in par. 13, dat tot flexie I in het mnl. behooren de substantieven die op een consonant uitgaan, en tot flexie II, die op -e uitgaan, te voorbarig, want in par. 14 worden onder de manl. en onzijdige woorden ook ‘enkele woorden op -e’ vermeld - met elkaar, als men tellen gaat, nogal een behoorlijk rijtje. En, niet de argelooze student die blijkens par. 19 ‘nog geen Gotisch kent’, maar de meer ervaren filoloog, leerling

[p. 62]

van Franck of Van Helten, vraagt zich ongerust af, waar de manlijke woorden op -e zijn gebleven, die oorspronkelijk, dwz. historisch, tot de sterke flexie hebben behoord. Ze blijken straks als spelbrekers op te duiken bij flexie II, evenals sommige vrouwelijke woorden op -e, die nog hun oude gewoonten in de gen. dat. sg (nl. zonder -n) niet hebben afgelegd.

Maar ik kan mijn bezwaar tegen de globaliseerende voorstelling van zaken in deze paragrafen, waardoor de werkelijkheid geweld wordt aangedaan, nog anders inkleeden. Welke waarde moet de lezer hechten aan de paradigmata aan het hoofd der paragrafen? Blijkens het Voorbericht (blz. VI) bedoelt Van Loey daarmee ‘de meest algemeene’ vorm. Maar op dezelfde blz. wordt gezegd, dat hij ‘is uitgegaan van de toestand in de 13e eeuw’. Die twee toelichtingen combineerend, mogen we concludeeren dat de paradigmata de meest algemeene vormen van de 13de eeuwsche taal aangeven. Dat geldt dan natuurlijk niet alleen voor het eene woord in zoo'n paradigma, maar evenzeer voor de woorden die daaronder als voorbeelden zijn opgenomen. Wanneer men die echter op de keper gaat zitten bekijken, blijkt de zaak heelemaal niet te kloppen. De ideale eenvoud die de optimistische schrijver hier suggereert, verhult een veel gecompliceerder werkelijkheid. Om enkele voorbeelden te noemen.

Heeft men het recht sone in te deelen bij flexie II (= zwakke verbuiging), wanneer de gen. sg. doorgaans soons luidt? Onder de vbb. van manl. substantieven van flexie II (par. 16) wordt galghe vermeld; op blz. 20 in opm. 3 wordt dit woord echter genoemd bij de nomina op -e die ‘vrouwelijk zijn geworden’. Moet men daaruit nu opmaken dat galge in de 13de eeuw doorgaans verbogen wordt als cnape, het subst. uit het paradigma van par. 16 waarbij galge mede als voorbeeld fungeert, maar dat het later vrouwelijk is geworden en zich heeft aangesloten bij de categorie van par. 17? De vbb. in het Mnl. Wdb. doen echter vermoeden dat galge in het mnl. vrijwel steeds fem. is en in de dat. sg. der galgen heeft. Het had in Van Loeys a-historische voorstellingswijze dus beter als vb. in par. 17 dan in par. 16 kunnen optreden. Het subst. broke is een oude manl. i-stam, maar is volgens de vbb. in het Mnl. Wdb. ook in de 13de eeuw reeds fem. met een plur.

[p. 63]

op -n, doch in de dat. sg. der broke (bruecke etc.): het past dus noch in par. 16, noch in par. 17, dwz. noch in flexie I, noch in II. Hetzelfde geldt voor ettelijke woorden uit opm. 3 in par. 16. Een woord als gore daarentegen, dat niet bij de masc. vbb. in par. 16 is genoemd, maar wel bij de fem. geworden woorden in opm. 3, is tot in late teksten masc., bv. Sev. blisc. 1631: Alsulken virtuut / En gaf ter werelt nie specie no cruut / noch sulken guer als hier uut slaet. - Van Loey zal misschien geringschattend zeggen: een litteraire tekst. Maar ontgaat hem daarmee ook niet de stilistische waarde der -en-vormen in dit verband? Trouwens, er zijn meer vbb. van masc. gebruik, ook als het subst. in de nom. nog een -e heeft. Evenzoo boge. Ook core heeft tallooze masc. vormen naast fem. met ‘sterke’ buiging. Zulke woorden passen niet in Van Loeys tweedeelig schema, dat fungeert als een Procrustes-bed. Of wijkt hij hier willens en wetens af van het Mnl. Wdb. en van Franck en Van Helten, op grond van nieuw, overtuigend materiaal? Dan had hij dit wel mogen toonen.

Is het een juiste weergave van den toestand der 13de eeuw wanneer woorden als boete, tale enz. eenvoudig worden ingedeeld bij de flexie II, waar het paradigma der feminina alleen de gen. dat. sg. sielen vermeldt, ook al wordt daarna gezegd dat ‘men in oude teksten nog de vroegere vocalische uitgang aantreft?’ Maar zijn die ‘oude’ teksten dan juist geen 13de eeuwsche teksten, zoodat deze woorden kwalijk passen bij het 13de eeuwsche paradigma? En is Van Loey er zoo zeker van dat die ‘vroegere’ vormen alleen in ‘oude’ teksten voorkomen? Wat verstaat hij onder ‘oude’ teksten, en onderschat hij de frequentie van die ‘vroegere’ vormen niet?

Van Loey neigt veel te sterk tot apodictische uitspraken, terwille van zijn studenten. De opm. 5 in par. 15, om nog een vb. te noemen, waar gezegd wordt, dat ‘sommige (fem.) nomina masculina zijn geworden, w.o. de bekendste: arbeit, list, ...tijt, ...daet, etc.’ doet wederom vele vragen rijzen: gebeurt dat altijd, voor alle genoemde woorden even beslist, voor immer; waarom wordt daet dan als model in het paradigma gekozen; is het juist de vormen van de sg. in het paradigma glad te strijken tot het uitganglooze daet, terwijl van arbeit en andere woorden tallooze voorbeelden zijn aan te halen met -e. Indeeling van

[p. 64]

alle voorkomende substantieven in de declinatie klassen zal steeds moeilijk zijn, ten eerste omdat dezelfde woorden gelijktijdig verschillende declinatie-mogelijkheden vertoonen, ten tweede omdat vele woorden niet in alle casus even gebruikelijk zijn, en van bepaalde woorden vaak juist voor doorslaggevende casus geen bewijsplaatsen aanwezig zijn. Van Loeys paragrafen zien er op het eerste gezicht zoo keurig overzichtelijk en doorzichtig uit, zoo echt een prettig leerboek - maar o, de verscholen voetangels en klemmen! Ik confronteer mijn studenten dan toch liever met de barre werkelijkheid.

Dat Van Loey de historische grammatica toch niet geheel missen kan of wil, blijkt dan uit het tweede deel van het hoofdstuk, waar de substantieven volgens het oude schema der oorspronkelijke stamvormen staan ingedeeld. Consequent is de schrijver hierin echter geenszins en de oppervlakkigheid van deze opsommingen der substantieven naar hun stam-categorieën maakt de waarde van dit ‘historisch-vergelijkend overzicht’ gering, omdat bij de onderdeelen de historische achtergronden ontbreken. En in de paradigmata van deze paragrafen had men dan toch, althans in eerste instantie, die ‘organische’ vormen verwacht. Doch ook hier vermeldt Van Loey meermalen alleen of in de eerste plaats de secundaire (volgens hem waarschijnlijk meest gangbare 13de-eeuwsche?) vormen. De vrouwelijke ô-stammen worden zelfs direct met de n-stammen gemengd. Meermalen vervalt de schrijver zoodoende in een nuttelooze herhaling van in het eerste deel vermelde gegevens. De historie is trouwens een zwak punt in dit boek, niet slechts doordat de historische verklaring blijkens het voorbericht opzettelijk aan een ‘historische grammatica’ is overgelaten. De wijze echter waarop soms toch (waarom?) mededeelingen van historischen aard worden gedaan, is vaak bevreemdend of misleidend. Zoo vernemen we in opm. 7 op blz. 16 dat ‘eigenlijk’ de pluralis van calf ‘zou moeten luiden calvere, maar de e- is verdwenen’. Deze toelichting berust of op een misvatting van Van Heltens uiteenzetting der oude -es/-os stammen of het is een misplaatste poging, voor de ‘studenten’ toch vooral eenvoudig te blijven. De laatsten zullen concluderen dat hoenre dat ‘gewoner’ heet ‘naast hoener’ (in alle dialecten?) dus rechtstreeksche voortzetting is van den oorspronkelijken vorm, dus ‘goede’ vorm!

[p. 65]

Scheeve voorstellingen zijn in dit boek ook meermalen te wijten aan een minder gelukkige formuleering. Een sprekend voorbeeld daarvan levert de beschouwing over ‘het middelnederlandsch’ in hoofdstuk I, waar men o.a leest: ‘Het mnl. behoort, als Germaanse taal, tot de Indogermaanse taalfamilie (idg), evenals bijv. ook het Grieks en het Latijn.’ De leek kan daaruit lezen, dat het Grieksch en het Latijn tot het Germaansch behooren en als zoodanig deel hebben aan de idg taalfamilie. Afgezien van deze redactiefout, is het toch ook wel wat erg ‘eenvoudig’ om het mnl. in één adem te noemen met het Grieksch en het Latijn: een diep historisch perspectief wordt den studenten daardoor niet bepaald geopend. Maar verwarrender nog is de uiteenzetting van het begrip ‘middelnederlandsch’. Op blz. 3 staat dat ‘het middelnederlands een collectieve naam is voor al de verscheiden en wisselende dialecten, taalkringen en geschreven taalnormen (lees: vormen?) die binnen het gebied der Nederlanden (met uitzondering van Friesland) van de 13de en 12de tot de 16de eeuw in gebruik zijn geweest.’ Ik wil niet twisten over de aangegeven tijdgrenzen, noch over de weinig exacte, want historisch variabele, term ‘de Nederlanden’ (werd in alle ‘Nederlanden’ van den Bourgondischen tijd ‘middelnederlandsch’ gesproken en geschreven?). Maar terwijl hier het mnl. als conglomeraat wordt beschouwd, wordt toch doorloopend met den naam mnl. gemanoevreerd alsof het een taaleenheid aanduidt, bv. op blz. 4: het mnl. is dus Westgerm., waarin het Frankisch het hoofdbestanddeel vormt, met van de kust uit oost- en zuidwaarts, sporen van inguaeonismen’ (lees: inguaeoonsch). Het lijkt wel een definitie van het tegenwoordige zgn. ‘algemeen beschaafd’! Op blz. 5 wordt dan echter geografisch een deel afgesneden: de taal in Gelderland, Overijsel, Drente en Groningen is strikt genomen, geen mnl. meer. Waarom niet, als mnl. is genoemd een verzamelnaam van alle dialecten in de Nederlanden? Komen deze streektalen dan in dezelfde positie als het reeds uitgezonderde Friesch? Waarom worden hun vormen dan wel telkens in de grammatica vermeld? Wat is eigenlijk ‘strikt genomen’? In par. 7 wordt tenslotte het mnl. nog nauwer beperkt, en wel tot litteratuur-taal, zoodat kortweg wordt gedecreteerd: het mnl. draagt bijgevolg een Vlaams-Brabants karakter’. Dat mnl.

[p. 66]

hier niet meer begrepen kan worden als ‘collectieve naam voor al de verscheiden dialecten, etc.’ is wél duidelijk, maar deze inleidende, historische uiteenzetting wint daardoor toch niet aan duidelijkheid. In hoofdstuk II, over de spelling, stuit men behalve op historische, ook telkens op phonetische oneffenheden. Zoo wordt in par. 10 beweerd, dat ‘stemhebbende consonanten aan het eind van een woord of syllabe met het teken van de stemloze cons. worden geschreven.’ Is die slot-t van doot dan in de phonetische werkelijkheid stemhebbend? Verder: ‘in plaats van t leest men soms th in thijt, enz.’ Is dat zoo maar een spellingsrariteit of zit daar een verschil in klank achter? Soortgelijke vragen gelden voor de wisselingen van g/gh, c/g, cg/(h), sc/sch; de aan -of afwezigheid van h, of de s, waarbij Van Loey beweert: voor z wordt nog zeer vaste s geschreven: see, sale!

Even sterk als het tekort aan stilistisch besef, betreur ik in deze grammatica een volledig gemis aan syntactisch inzicht. De syntacticus leest het hoofdstuk IV over het adjectief dan ook met een bloedend hart. In par. 12 over de flexie in het algemeen is hij al eenigszins voorbereid: ‘van de bijvnw., vnw. en telwoorden bestaat slechts één type van flexie.’ In par. 36 blijkt dan hiervan de bedoeling onmiskenbaar. Daar wordt nl. het ‘gewone’ paradigma gegeven: voor de nominatief van masc. en neutra staat daarin alleen de vorm op -e vermeld (goede). In de ‘bespreking’ onder punt b moet dan toch wel gezegd worden dat de -e-looze vormen optreden wanneer geen determinatief voorafgaat, of wanner een, geen voor het substantief staat: een rijc man. Dit wordt dan ‘historisch’ verklaard met: ‘dit is eig. een overblijfsel der oude sterke uitganglooze flexie’ (sic!). Zulke voorstellingen en formuleeringen mogen radicaal heeten, ik acht ze in strijd met de eischen van een wetenschappelijk verantwoorde grammatica. Het adjectief, uiteraard een ondergeschikt zins- of groepselement, wordt eenvoudig uit z'n syntactsiche structuren losgescheurd en als ding apart te kijk gezet. De neiging tot nivelleering bij den schrijver strijkt hier niet alleen alle tijdverschillen, dialectische variaties en stilistische nuances glad, maar ook de syntactische rimpelingen. Over de vormen van het achtergeplaatste adjectief, noch van het bijv. nw. in praedicatieve functies wordt gesproken. Bij de comparatief staat: ‘dit suffix -er is

[p. 67]

met apocope der -e uit een -ere ontstaan, dat als -re nog voorkomt na -m, -l, -r: dulre, scoenre, swaerre.’ Welke rol de verbuiging op grond van de syntactische functies der comparatieven hierbij speelt, wordt niet overwogen. Waarom zou bv. swaerre < swaerere niet te analyseeren zijn in swaerer + -e van de flexie in attributieve functie na een determinatief?

Aan hetzelfde euvel lijdt het Vde hoofdstuk, over de pronomina. En dat is wel heel jammer, want juist de vormen van de pronomina worden beheerscht door hun syntactische en stilistische functies. Ik kan dit weer slechts door één vb. uit vele illustreeren. Bij het pron. personale 1e ps. plur. genitief teekent Van Loey aan: ‘naast onser komt in later tijd meer ons voor.’. Dat is alles; zelfs een bloote verwijzing naar mijn studie over de attributieve genitief ontbreekt hier, zooals doorloopend, behalve op één plaats (par. 51). Maar Van Loeys mededeeling over onser/ons is zonder syntactische toelichting onbegrijpelijk en waardeloos. In welke posities is ons als genitief te beschouwen? De meervoudsvormen onser, uwer, hare worden als attributieve bepaling zonder verzwarend element alleen in combinatie met voornaamwoorden en telwoorden gebruikt. Gewoonlijk heeft zoo'n vorm een nadrukkelijke of affectieve beteekenis: onser alre wille, onser beider salecheit. In die positie kan echter ook ons volstaan, omdat de genitief ook door het volgwoord is aangeduid: ons beyder vader. In de verbinding met self treedt uitsluitend ons op: ons selves bate. (Zie mijn diss. par. 4-7). Niet minder belangwekkend is de vraag waar de grens ligt tusschen de gen. van het pron. personale en het pron. possessivum? Maar men kan syntactisch vragen stellen zooveel men wil, de paragrafen in dit hoofdstuk bieden niet anders dan globale paradigmata en eenige daarvan afwijkende vormen in de ‘bespreking’. Niet anders is het in het laatste hoofdstuk, over het werkwoord: vormen, vormen, vormen, losgeslagen uit hun verband, eentonige reeksen. Bij de sterke werkwoorden bv. krijgen we een waarschijnlijk volledige opsomming van de sterke werkwoorden, ingedeeld naar hun klassen. Dit lijkt eigenlijk wel heel practisch. Maar men vraagt zich af: waarop berust dit overzicht? Volgens het voorbericht en de aant. op blz. 67 op de gegevens in het Mnl. Wdb. en Van Helten. Wanneer nu bij een sterk werkwoord wordt opge-

[p. 68]

geven dat het 1 × of 3 × zwak praet. heeft, zonder aanduiding der vindplaatsen of teksten, zonder vermelding van de frequentie der sterke vormen, zonder opgave der persoonsvormen en syntactische structuur, wat heeft men er dan eigenlijk aan? Wel geeft Van Loey meermalen aan dat een afwijkende vorm Limb., Holl. of Vl. is. Maar in welke mate speelt bij zoo'n dialectisch gekleurde overlevering het toeval een rol? Zijn die vormen inderdaad karakteristiek voor de genoemde dialecten? Zijn het vormen uit oorconden? Als er bijv. bij slinden (par. 71) staat: ‘verslinden’ (1 × zw. praet. Holl.) - wat moet de lezer daar dan mee? Wordt er mee bedoeld dat dit werkwoord elders sterk voorkomt, doch slechts 1 × zwak en dan in Holl.? Komt het ook sterk in Holl. voor? Of heeft de schrijver van dit werkwoord slechts één enkele vindplaats en is het ww. daar zwak? Kijkt men in het Mnl. Wdb. op slinden, dan vindt men totaal 17 plaatsen vermeld, waarvan 10 in praes. en infin., 3 × het sterke participium, 2 × het sterke praet. en 2 × het zwakke praet. Misschien is van de laatste twee één het geval waarop Van Loey doelt. Het komt tenminste zwak voor in de Haagsche Bijbel 1.56a: Du staecs wt dijn hant ende die eerde verslijndese (waarbij het Wdb. aanteekent: voor het oudere ‘verslantse’ - maar feitelijk past dit heele vb. hier niet, vanwege het voorvoegsel: verslinden). De zgn. Haagsche Bijbel is overigens de Bijbel van 1360 (Bouwstoffen nr. 75: een hs. uit plm. 1425 uit Utrecht, waarbij vermeld staat: Vlaamsch waarvan de spelling verhollandscht is). Het andere vb. geeft slindet als tekstvariant van slont in Nat. Bloeme VI, 474, en wel in 3 hss. (V.A.B.). Deze gegevens latend voor wat ze zijn, zou ik toch wel aarzelen de vorm slindet als Holl. op te geven. Misschien beschikt Van Loey toch over een nieuwe vindplaats in een oorconde? Waarom geeft hij dat dan niet aan? En dan nóg, is die vorm daarom specifiek hollandsch? De neiging, sterke werkwoorden zwak te vervoegen, is een zoo algemeen verschijnsel in de volkstalen en de afwijkende vormen duiken vaak zoo incidenteel op, dat er heel wat bewijsplaatsen moeten zijn, om te mogen verklaren dat de een of andere vorm kenmerkend voor een bepaald dialect is, afgezien van de kwestie of een oorconde het plaatselijk dialect weergeeft. Ik moet het, wat dit punt betreft, ook weer bij dit eene voorbeeld laten, en

[p. 69]

beperk mij tenslotte tot nog een enkele opmerking aangaande de inleidende paragraaf (61) van dit hoofdstuk. Hier kan men feitelijk over iederen zin met den schrijver kibbelen. Het is m.i. een aaneenschakeling van onjuistheden of verwarde en verwarrende formuleeringen. De schrijver begint op deze zonderlinge wijze: ‘Als men de vormen van het werkwoord in het mnl. met de nnl. vervoeging vergelijkt, merkt men voor het mnl. op: 1 tempora, 2 numeri (getal) en personen, 3 modi (wijzen)’. Waarom moet men, om dit te constateeren, het mnl. vergelijken met het nnl? Bestaan die drie vorm- en functiecategorieën soms niet in het nnedl? Een puzzle is deze omschrijving: ‘De tempora zijn grammatische vormen (de tijd is een psychologisch begrip): praesens (naar de vorm onze onv. teg. tijd), praeteritum (onze onv. verl. tijd)’. De lezer moet nu maar uitknobbelen wat een praesens of een praeteritum is, een gram. vorm of een psych. begrip. Kiest hij voor het laatste, dan weet hij nog niets, (want wat is een psychologisch begrip? en welke inhoud heeft dat begrip?). In beide gevallen weet hij nog niets over het verschil tusschen praesens en praeteritum. En toch wordt er verder niet over gepraat. Van den onmiddellijk volgenden zin kan ik evenmin den ‘zin’ ontdekken: ‘Voor het begrip van het verleden, van een vertooide handeling (maar ook van een momentaan gebeuren) gebruikt men de verbinding van het participium (deelwoord) met een hulpwerkwoord (hebben en sijn); voor de toekomst de infinitief met sullen.’ Wat is dat: ‘voor het begrip van het verleden?’ En wat is syntactisch de verhouding tusschen die zinsdeelen ‘van een voltooide handeling’ en ‘voor het begrip van het verleden?’ Is dit laatste misschien ‘aanduiding van een handeling of gebeuren in het verleden’? En doelt het vervolg op verschillende aspectfuncties van de verbinding hulpwerkw. + part? Maar in welke verhouding staan dan die aspectfuncties tot de tijdstrappen? Tijd en aspectfuncties schijnen me in Van Loeys omschrijving wel vreemd dooreen gehutseld. Bovendien, de syntactische vorm deelw. + persoonsvorm van hebben/sijn is in het mnl. nog zeer vaak aanduiding van een toestand in het praesens met duratief aspect, m.a.w. het ww. hebben of sijn is dan zelfst. ww. en het part. een verbaal adjectief, gebruikt als praedicatief attribuut. En de zgn. praeteritale vorm, die van oorsprong perfectum

[p. 70]

is, heeft in het mnl., vooral in epische poezie, herhaaldelijk nog perfectische functie. En tenslotte, het futurum wordt lang niet altijd door sullen + infin. aangegeven, een verbinding die trouwens nog heel andere waarden heeft. Niet duidelijk is me verder, waarom bij de sterke werkwoorden praes. en infin. als primaire groep tegenover praet. en part. pf. als secundaire groep moeten worden gesteld. Dit is uit historisch en uit syntactisch oogpunt een vrij willekeurige ‘oppositie’. Trouwens, wat hebben we in dit bestek aan heel de redeneering op blz. 55, aanvangend met: ‘Aldus ontstaat in de tweedeling tussen de primaire groep (inf. en praes.) en de secundaire groep (praet. en part. pf.) een oppositie die men in de synchronistische taalstudie morphonologisch noemt?’ Het moet den armen eerste-jaars student wel als ijl gepraat in de ooren klinken. Ook is de inhoud van deze mededeeling zeer aanvechtbaar. Wanneer Van Loey beweert: ‘de vormen der stamwisselende en stamvaste werkwoorden in het mnl. drukken een oppositie tusschen inf. praes. enerzijds en praet. part. anderzijds uit, - dan vraagt men onwillekeurig: en bij werkwoorden als varen-voer-voeren-gevaren, dan? of bij eten-at-aten-gegeten? of werpen-warp-worpen-geworpen? en mag, behalve de vocaalwisseling, ook het praefix ge-als functioneel element in deze opposities betrokken worden? waarom is hier dan slechts sprake van een tweeledige oppositie, en niet van een drie-, of zelfs vierledige? Zulke speculatieve beschouwingen zijn misschien aardig als spelletjes op de jongleurskoorden der taalfilosofie, maar passen kwalijk als inleiding op een vormleer voor eerste-jaars studenten, voor wie de auteur zich overigens beijvert eenvoudig te zijn, en voor de beschrijving van reëel taalmateriaal zijn ze overbodig of zelfs onbruikbaar.

Uit de voorafgaande, afwijzende critiek op deze mnl. vormleer moge blijken, dat ik op een geheel ander grammaticaal standpunt sta dan Van Loey, en daarom principieel andere eischen stel. Een grammatica zooals hij heeft opgebouwd, zonder begrip voor het wezen der taal als instrument van den voelenden en denkenden mensch in zijn sociale milieu, is in mijn oogen een zielloos geraamte. Veelheid van taalsoorten en concurrentie van synonieme vormen, als kenmerken van het onrustig leven der taal, dwingen den waarnemer tot stilistische verge-

[p. 71]

lijking. En de vormleer is niet straffeloos los te maken van de syntaxis. De vormleer van Van Loey is echter niet anders dan een herleving van de verouderde beschrijvingsmethode, die de vormen slechts beschrijft om de vormen en ze niet ziet als dragers van functies in taalverbindingen. Het is te betreuren dat de moderne stilistisch-syntactische methode nog blijkbaar zoo weinig ingang vindt in de practische beoefening der (middel)nederlandsche filologie. We zijn nog ver af van de ideale grammatica!

Hiermee wil ik de verdiensten van dit boek niet wegcijferen. Zooals gezegd steunt Van Loeys uiteenzetting vaak op onderzoek van nieuw materiaal uit oorconden. Het boekje is practisch ingericht en overzichtelijk, al moet men voor deze eenvoud op zijn hoede zijn. Het wijst dikwijls bestaande hiaten aan in onze kennis van het middelnederlandsch en geeft vingerwijzingen voor verder onderzoek. Vele aanteekeningen geven verwijzingen naar litteratuur over details.

Als hulpmiddel voor studenten in de filologie vrees ik van dit boek een voortgaan der vervlakking van kennis en belangstelling op het gebied der historische grammatica, waartegen het hoog tijd wordt nadrukkelijk te waarschuwen.

 

G.A. van Es

Hadewijch. Brieven. Opnieuw uitgegeven door Dr. J. van Mierlo S.J. I. Tekst en commentaar. II. Inleiding. N.V. Standaard-Boekhandel, Antwerpen-Brussel-Gent-Leuven-Tilburg, 1947.

Met deze uitgave van de Brieven heeft Van Mierlo's standaardeditie van Hadewijch-teksten haar beslag gekregen. Leggen we de kleine tekstuitgaven die hij van 1908 tot 1912 voor studie-doeleinden bezorgd heeft, naast de breed-gecommentarieerde uitgaven van de Visioenen (1924-1925), de Strophische gedichten (1942) en van de Brieven (1947), dan is oppervlakkige kennisneming van de inhoud reeds voldoende om ons te doen beseffen, welk een eruditie er in deze reeks van zes delen besloten ligt. Het respect voor deze arbeid neemt nog toe, naarmate men er zich meer in verdiept. Elke bladzijde van het werk legt getuigenis af van de liefdevolle aandacht en toewijding, waarmee

[p. 72]

Van Mierlo het werk van Hadewijch onderzocht heeft. Zonder zich schuldig te maken aan een nietszeggende gemeenplaats mag men de publicatie van deze Hadewijch-vorser in de ware zin des woords doorwrocht noemen. Stel dat hij zijn onderzoek op het gebied van de geschiedenis der middelnederlandse letterkunde bepaald had tot dit onderdeel, dan nog zou hij alleen al door dit werk de wetenschap aan zich verplicht hebben. Lang heeft hij gewacht met de publicatie van het laatste tweetal delen. Begrijpelijk, want ondanks veel wat aan het licht gekomen was, bleef er toch nog genoeg duisters in en rondom het werk van Hadewijch. Elk ogenblik kunnen ontdekkingen nieuw licht brengen. Dit bezwaar is evenwel inhaerent aan de publicatie van elk werk op het gebied van de geesteswetenschappen; nauwelijks is de drukinkt droog, of de auteur ziet zich genoodzaakt min of meer belangrijke wijzigingen aan te brengen. Terecht is Van Mierlo over dit bezwaar heengestapt; hij achtte nu de tijd gekomen de uitkomsten van zijn onderzoek aan de openbaarheid toe te vertrouwen.

Evenals bij de Visioenen en Strophische gedichten gaat het deel met Tekst en commentaar vooraf aan de Inleiding. De tekst staat derhalve op de voorgrond. Met bijzondere zorg drukt Van Mierlo de tekst van het Gentse hs. C af met opgave van de varianten uit de Brusselse codices A en B, terwijl ook de tekst van de fragmenten in de Limburgse Sermoenen, de parafrase van Hendrik Mande, de Adelwipuittreksels enz. in het onderzoek worden betrokken. In zijn commentaar, zowel in de algemene inleiding bij elke brief, waarin de bestemming, inhoud, leerstukken, invloed en moeilijke plaatsen ter sprake komen, als in de verklaringen aan de voet der bladzijden en het volledige glossarium beijvert Van Mierlo zich Hadewijch uit Hadewijch te verklaren. Het tweede deel vat een groot deel van dit onderzoek en van 's schrijvers vroegere studiën samen in algemene beschouwingen over de aard en bestemming, authenticiteit, bronnen, invloed, leer, vorm en stijl der Brieven. Het slothoofdstuk brengt een bespreking van Hadewijch's uiterlijk en innerlijk leven.

Waardering voor het vele hier gebodene mag ons echter niet de ogen doen sluiten voor enkele kleine gebreken. De betekenis van Hadewijch's werk wettigt de diplomatische uitgave, die Van Mierlo er van

[p. 73]

bezorgd heeft. Wie deze brengt, dient m.i. alles wat zweemt naar eigen interpretatie uit de transcriptie te houden, het teksthandschrift getrouw te reproduceren en geen emendaties in de tekst zelf aan te brengen. De recente uitgaven van Beatrijs en Esmoreit bewijzen dat fotografische reproducties in boekvorm voortaan geen utopie meer behoeven te zijn; deze ondervangen voor een groot deel de moeilijkheden die zich voordoen bij het bezorgen van oude teksten. Van Mierlo's tekst hinkt op twee gedachten. Zijn eigen interpunctie - die als elke interpunctie exegetisch is - doorkruist die van het manuscript. Waarom egregie (14, 2), paraclijc (6, 219/20), lidene (5, 14) gehandhaafd als men wel onghedane (3, 17) emendeert in ongheduerne, ghebrukeleker (3, 23/4) in broederleker, die (22, 315) in doe? Zijn de laatstgenoemde emendaties, als men er toch toe overgaat ze aan te brengen, zeker gemotiveerd te noemen, te meer omdat ze op de lezingen van de andere hss. steunen, de verandering van hoedene (10, 82), welk woord voorkomt in ABC, in hoeghene naar de Limburgse Sermoenen had achterwege kunnen blijven, ondanks de opmerking in deel II, blz. 41.

Dezelfde behoedzaamheid die Van Mierlo aan de dag legt bij de weergave van de tekst, is op te merken in de commentaar aan de voet der bladzijden. Enkele vraagtekens niettemin: waarom voor bedraghen (24, 47) niet de oorspronkelijke betekenis ‘aanklagen, beschuldigen’ aangenomen in plaats van ‘bedekken’; verdreghen (30, 184) kan toch zeer wel verklaard worden als ‘ontslagen, vrijgesteld van’, en behoeft geenszins als synoniem van gheeret beschouwd te worden? Kan hebbeleker (22, 33) niet in verband gebracht worden met ‘habilis’ mnl. abel? Het woord subtylheit (28, 67) wordt in het glossarium vragenderwijs verklaard als: ‘eigenschap van den H. Geest: geestelijkheid’; hier had wel verwezen mogen worden naar de verdietsing, die Hadewijch zelf geeft: fijnheit (28, 81, 82).

Daar ik het teksthandschrift niet kon raadplegen, kan ik niet uitmaken, of onuerduct (22, 382), ich (27, 34) en al die wilde dat si aer is (12, 399) zetfouten zijn voor onuerdruct, ick en al die wile dat si daer is dan wel lezingen van het handschrift; vermoedelijk het eerste. In de commentaar en het glossarium zijn drukfouten o.a onderseedicheit voor onderscedicheit (blz. 239, r. 7. v.o.), dorceten

[p. 74]

voor doreten (blz. 294 r. 12 v.o.), moederlikke voor moederlike (blz. 294 r. 13 v.o.), vorwaetgaen voor vorwaertgaan (blz. 344, r. 16 v.b.). Het lemma ghebruken hoort niet thuis op blz. 301, maar op blz. 300. In het tweede deel hindert soms onnauwkeurigheid in de bibliografische opgaven, b.v. J.M. Wulleumier-Schalij (blz. 106-107) en J.M. Willumier-Schaly (blz. 48) voor [Mevr. Dr.] J.M Willeumier-Schalij.

Zeker, aanmerkingen als de hier gemaakte betreffen bijkomstigheden, maar deze constatering doet niets af aan het feit dat in een standaarduitgave zulke feilen niet in zo groten getale mogen voorkomen. Zorgvuldige herziening van de tekst en verificatie van de verwijzingen, desnoods verricht door een ander, hadden dergelijke kleine vergissingen kunnen voorkomen.

In de Inleiding treft de lezer in grote lijnen een samenvatting aan van wat Van Mierlo in het eerste deel en elders, in tal van verhandelingen en tijdschriftartikelen, betreffende Hadewijch medegedeeld had. Het zal niemand verwonderen, dat het hoofdstuk over het belangrijke onderwerp: de Bronnen, een van de omvangrijkste is. De toon hiervan is veelal polemisch, maar toch niet in zo sterke mate, dat het behandelde onderwerp op de achtergrond geraakt. Het komt mij voor, dat de vondst van Mej. J.M. Schalij, die voor een stuk van de tiende brief afhankelijkheid van Richard van Sint Victor bewees, Van Mierlo's positie in zijn pennestrijd met Bouman en Mej. van der Zeijde niet bepaald versterkt heeft, al vestigt hij terecht de aandacht op de zelfstandige verwerking bij Hadewijch. De oorspronkelijkheid van Hadewijch, want hierom gaat het ten slotte, zal toch wel door niemand in twijfel getrokken worden, ook niet wanneer vroeg of laat anderen, het door Van Mierlo zelf gegeven voorbeeld navolgend, nog meer overeenkomsten met het werk van oudere mystici zullen aantonen. Zulke ontdekkingen zullen waardevolle gegevens verschaffen voor de plaatsing van Hadewijch in het kader van haar tijd, zonder aan haar grootheid ook maar iets af te doen.

Bijzondere vermelding verdient nog, dat Van Mierlo er thans eer toe geneigd is Hadewijch te vereenzelvigen met een gelijknamige vrouw uit Brussel, genoemd door Caesarius van Heisterbach, dan met

[p. 75]

de Hadewijch van Nijvel met welke hij haar eertijds dacht te mogen identificeren. Het is inderdaad opmerkelijk dat twee van de drie handschriften uit die stad afkomstig zijn. Zij behoren tot een collectie die voor een deel de stormen der tijden overleefd heeft.

 

C.C. de Bruin

Dr. Can. W.A. Nolet O.P., Marnix als theoloog. Historische inleiding. Amsterdam, Urbi et Orbi, 1948.

De herdenking van het vierde eeuwgetij van Marnix' geboortedag in 1940 heeft de stoot gegeven tot een herleving van de Marnix-studie. Hoe men over het nut van dergelijke vieringen denken moge, toch valt het niet te ontkennen, dat bij zulk een gebeurtenis naast de gebruikelijke lofredenen die niet boven het peil van de gelegenheidsfrases plegen uit te komen, niet zelden studies het licht zien die het inzicht in de betekenis van de gehuldigde verdiepen en de kennis van zijn persoon en tijd wezenlijk verrijken. Het behoeft namelijk geenszins zo te zijn, dat het wetenschappelijk onderzoek, louter uit gebrek aan initiatief, zulk een studie-object zich laat opdringen. Juist de waardevolle bijdragen die dan verschijnen, zijn het resultaat van een onderzoek dat al lang te voren begonnen was. De herdenking veroorzaakt een uitkristallisering van gedachten die slechts op vormgeving wachten.

Als een late vrucht van de Marnix-herdenking kwam het boek van Dr. Can. W.A. Nolet O.P. ons verrassen. Laat mij direct beginnen met de constatering, dat de inhoud van het werk van pater Nolet gunstig afsteekt bij het wetenschappelijk gehalte van wat in de vorige eeuw door sommigen in de hitte van de pennestrijd te berde is gebracht. Het ligt voor de hand dat bij een uitgesproken polemische figuur als de Heer van St. Aldegonde de beschouwingen, door Protestanten of R. Katholieken aan hem gewijd, gekleurd worden door de godsdienstige overtuiging van de resp. schrijvers. Het is een verheugend feit, dat thans de gedachtenwisseling op een aanmerkelijk hoger plan, dan voorheen het geval was, gevoerd kan worden. Zonder eigen overtuiging te verloochenen of bestaande tegenstellingen te verdoezelen trachten beide partijen langs de weg van zorgvuldig onder-

[p. 76]

zoek tot een bevredigend oordeel te geraken. Het polemisch element in de Marnix-studie is, gelukkig, niet verdwenen, maar in plaats van een hinderpaal te zijn voor het wetenschappelijk onderzoek helpt het het naspeuringswerk juist op gang. Alleen deugdelijk bewezen stellingen houden stand, en elke welgefundeerde argumentering draagt het hare bij tot een billijke beoordeling van de mens, staatsman, geleerde en kunstenaar Marnix.

De vraag die Nolet in zijn proefschrift zich ter beantwoording voorlegt, is: verdient Marnix als theoloog inderdaad de betekenis die hem door sommigen is toegekend? Schr. had gemakkelijk spel bij het geven van een ontkennend antwoord; een vaktheoloog is Marnix immers nooit geweest. Maar als Nederlander wie het theologiseren evenzeer in het bloed zat als vele anderen zijner landgenoten, had hij zich een voor een leek toch benijdenswaardig grote kennis eigen gemaakt van de godgeleerdheid, een verschijnsel dat zich uok thans nog in sommige kerkelijke kringen onder Protestanten voordoet. Een theologant of een godgeleerde van de derde rang mag men hem evenmin noemen.

Nolet verdeelt zijn werk in vier gedeelten. In het eerste tracht hij te komen tot een omschrijving van ‘Het kenmerkende in de Godgeleerde’. Het resultaat is de volgende bepaling: ‘Theologie is “het methodisch geleid, kritisch gewaarborgd en systematisch geordend kunnen” van hetgeen men als door God geopenbaard aanvaard’. De hoofdmoot van deze definitie ontleent hij aan een tijdschriftartikel van D.M. de Petter O.P. Het tweede gedeelte behandelt zeer grondig ‘De stand van het vraagstuk’, het derde ‘Marnix' studententijd’, waarin hij Marnix' opleiding poogt te kenmerken als ‘een humanistische, in erasmiaanse geest begonnen en calvinistisch voltooid’. Van een opzettelijke theologische scholing meent hij weinig te kunnen bespeuren; des te meer is hij er van overtuigd, dat de opleiding van Marnix geleid werd door het Hoveling-ideaal van Baldassare Castiglione. Zonder hier te treden in een nadere beschouwing van de juistheid dezer stelling, moet ik toegeven dat Nolet hier nieuw licht heeft laten vallen op een weinig bekend facet van Marnix' veelzijdige persoonlijkheid.

Het vierde gedeelte draagt de benaming ‘Geschriften’. Het is dit stuk dat ons, in een tijdschrift als dit, het meest interesseert, dat ook

[p. 77]

de kroon had moeten zetten op het voorbereidend onderzoek in de voorafgaande gedeelten. Het had de proef op de som moeten brengen, het bewijs van de stelling, waartoe schr. in de vorige gedeelten langs indirecte weg, op grond van een nadere bestudering van Marnix' studietijd en van de catalogus zijner bibliotheek, gekomen was. Hier had in een studie als deze het zwaartepunt moeten liggen. Wanneer we nu zien, dat slechts een kwart van het boek aan de ‘Geschriften’ gewijd is, en dat dit hoofdstuk, na enige algemene beschouwingen over: ‘theologie of litteratuur?’, over de opvattingen der humanisten ten aanzien van oorspronkelijkheid en dergelijke onderwerpen, uitsluitend de Byencorf en niet de andere geschriften behandelt, dan kunnen we een gevoel van teleurstelling niet van ons afzetten. Na de goed geschreven, maar toch al te breedvoerig inleidende gedeelten voltooid te hebben, zag de auteur geen kans meer tijd te besteden aan dat deel van zijn betoog, dat verreweg het belangwekkendst had kunnen zijn. Moge hij gelegenheid vinden deze studie uit te breiden tot een vollediger behandeling.

Niet meer of minder dan Marnix' oorspronkelijkheid is hier in het geding, het probleem dat al zo dikwijls ter sprake, maar nog niet tot een bevredigende oplossing is gebracht. Maar is Marnix in zo sterke mate afhankelijk van zijn bronnen geweest, dat men aan zijn Byencorf een eigen karakter moet ontzeggen? Nolet gaat wel niet zo ver als Polman die het werk èn theologisch èn litterair een werk van de tweede of derde rang acht, al tracht ook hij de theologische betekenis van het boek te verkleinen door het te kenmerken als ‘lekenpropaganda in humanistenstijl’. Het is gewenst zoveel mogelijk materiaal te doorzoeken alvorens een definitief oordeel uit te spreken. De verwantschap van Marnix' werk met andere boeken van soortgelijke inhoud is herhaaldelijk behandeld. Wille deed dat reeds in zijn Openbare les, blz. 19 vlgg.; Elkan heeft enig materiaal bijeengebracht voor de niet verschenen vervolgdelen van zijn Marnix-biografie; Van Schelven die Elkan's aantekeningen onder ogen heeft gehad, noemde op blz. 63 van zijn boek over Marnix een aantal auteurs en titels van werken, waaruit gegevens te halen zijn. J.G. Sterck heeft in de eerste jaargang van Sacra Erudiri krachtig het onderzoek naar de Protestantse bron-

[p. 78]

nen van de Byencorf aangevat. Nolet heeft speciaal naar Duitse Lutherse voorbeelden gezocht, en kwam tot de ontdekking dat gedeelten van de in 1566 verschenen Statliche auffurung, een werk dat in Marnix' bibliotheek voorkwam - en reeds door Van Schelven in zijn lijstje genoemd is -, in soms woordelijke vertaling terug te vinden zijn in de Byencorf. Als Nolet zijn onderzoek later ook wil uitstrekken tot Nederlands theologisch werk in macaronische stijl, biedt het boekje ‘Meer dan tweehonderd ketterijen, blasphemieen ende nieuwe leeringhen, welck wt de misse sijn ghecomen, eerst van Petro Bloccio schoolmeester tot Leyden in Latijn ghemaect, daerna in Duytsch voor slechte menschen overgheset, 1567’ een welkome gelegenheid tot vergelijking.

Maar wat zeggen al dergelijke overeenkomsten, die, zoals N. zelf betoogt, in de zestiende eeuw nog schering en inslag zijn? Even veel en even weinig als wanneer men er in slaagt ze in het werk van Hadewijch, Thomas a Kempis of Vondel aan te tonen. Het is uiterst belangwekkend te zien, hoe ook de grootsten door duizend vezelen gebonden zijn aan hun tijd en het verleden. Ook het werk van Marnix zal verankerd blijken in de voorstellingen- en gedachtenwereld van zijn tijd, zonder dat het voor ons gevoel ook maar iets zal verliezen van het merk dat de geest van Marnix er op gedrukt heeft.

C.C. de Bruin

Nomina Geographica Neerlandica. XIIde deel. Leiden. E.J. Brill. 1948.

Het opnieuw verschijnen van de NGN zal met vreugde worden begroet door belangstellenden binnen en buiten de grenzen van Nederland. Het voorgaande deel (XI) verscheen in 1938 en tijdens de oorlogsjaren werd de publicatie gestaakt. Bestond de oude redactie uit W.E. Boerman, G.G. Kloeke en J. de Vries, thans telt ze niet minder dan acht leden, w.o. ook een Zuid-Nederlander, A. van Loey. Het is te wensen dat de NGN zich van een onregelmatige periodiek ontwikkelt tot een jaarlijkse publicatie in den aard van de voortreffelijke Belgische Handelingen voor Toponymie & Dialectologie. Op tononymisch gebied heeft Nederland ongetwijfeld een achterstand tegenover zijn zuiderbuur in te halen. Als excuus kan wellicht gelden dat Neder-

[p. 79]

land nog nooit een Huysmans heeft gehad als minister van onderwijs1).

De medewerkers aan deel XII zijn M. Schönfeld, (†) J.W. Muller, B.H. Slicher van Bath, H.J. Moerman en J.H. van Lessen.

Schönfeld is vertegenwoordigd met twee artikelen. Het eerste bevat een bibliografisch overzicht op het gebied van de Noord-Nederlandse plaatsnaamkunde, dat zich aansluit bij het overzicht in jaargang XI [1938] en loopt tot April 1946. Het tweede artikel behandelt de -nes- namen; gissingen van Beekman en Lindemans bestrijdend, verklaart schr. hernesse als herde-nesse, d.i. een nes onder herders of beheerders, in tegenstelling met de vrije nessen. Volledigheidshalve mag hier worden gewezen op het bekende Gentse toponiem d'Heirnisse, ouder Velde Hertnesse.

Muller's postume aandeel bestaat uit twee bijdragen waarvan de eerste, bedoeld ‘als een blijk van dankbare hulde’, een onderzoek bevat over Stichtse plaatsnamen. Met schr.'s verklaring van de Hollandse Rading als: roding, rooiing (van een bos), vergelijke men thans Heeroma's verklaring als hypercorrecte vorm van raaiing ‘grens’ in het WNT XII, 111, 73 [1947]. Wat Muller schrijft is altijd de moeite waard, al maakt de met fiorituren, synoniemen en ingewikkelde zinnen overladen stijl de lectuur niet steeds tot een onverdeeld genot. In een tweede bijdrage, die op grond van door Muller verzameld materiaal uitgewerkt is door Schönfeld, wordt Urk vergeleken met Orkney en verklaard als ‘bruinvissen-eiland’ of ‘varkens-eiland’. Al lijkt me de vergelijking niet onaardig, toch vrees ik dat er voor Muller's bewijsvoering niet veel minder kunstgrepen nodig zullen blijken dan voor de door hem bestreden gissing van Buitenrust Hettema. Muller's hypothese is m.i. op zulke ondeugdelijke gronden gebouwd en bevat zoveel kennelijke onjuistheden, dat ik me voorneem daarop in een aparte bijdrage terug te komen.

Slicher van Bath heeft insgelijks twee artikelen bijgedragen. Het eerste is een interessante en vooral door zijn wetenschappelijke nuchterheid lezenswaardige bijdrage over plaatsnaamkunde als historische

[p. 80]

bron1). Schr. waarschuwt tegen een overschatten van de mogelijkheden der toponymie als hulpwetenschap der historie, b.v. op het gebied van het stamprobleem, en concludeert dat men met de plaatsnamen niets kan bewijzen, dan dat ze slechts het elders gevondene op fraaie wijze kunnen illustreren. Zijn tweede artikel bevat een kritische waardering van W. de Vries, Drentse Plaatsnamen [1945]; de aanvullingen en verbeteringen die schr. daarbij weet aan te brengen bewijzen eens te meer hoe vruchtbaar, nuttig, ja noodzakelijk op dit gebied de samenwerking is met historici van professie.

Over plaatsnamen op de Oost-Veluwe handelt Moerman; de aandacht van schr. gaat daarbij ook naar namen van buurtschappen en veldnamen. Op blz. 29 geeft hij oude bewijsplaatsen voor het woord Kroaat, dat in deze vorm, zelfs als verwijzing, in het WNT ontbreekt.

Ten slotte doet Mej. Van Lessen een poging tot verklaring van Quelpart2), dat als naam van het Koreaanse eiland Tsjedsjoe voorkomt en destijds de naam was van een soort vaartuig. Zij denkt hierbij aan een imperatieve samenstelling met de betekenis ‘die het paard (of de paarden) kwelt’, oorspronkelijk dus de naam van een bepaald schip ('t Quelpaert de Brack) die later tot een soortnaam wordt.

Ook de lexicograaf vindt interessant materiaal in de hier besproken publicaties; behalve het reeds vermelde Kroaat noemen we hier terloops vleken (blz. 27), valder (30, noot 5), een interessante aanvulling voor het WNT XVIII, 255 [1947], zaalweer (32, 34), tie, tij (31-33).

Deel XII van de NGN wordt besloten met een uitvoerig en, voor zover ik het kan beoordelen, ook degelijk register op deel XI en XII, bewerkt door Leyt H. van Vessem. We weten niet of het in de bedoeling ligt voortaan elk deel op deze manier te besluiten; het zou m.i. bijzonder nuttig zijn, nuttiger zeker dan alleen om de 10 of 25 jaar een register. Het ware te wensen dat ook bij de H Top Dial dit voorbeeld zou worden gevolgd.

 

F. de Tollenaere