Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 76


auteur: [tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde


bron: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 76. E.J. Brill, Leiden 1958-1959


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 199]

Het particuliere leven van Vondel

J. Melles. Joost van den Vondel; de geschiedenis van zijn leven. Utrecht, Kemink en zoon, 1957. 304 blz. 10 afb.

Toen Geeraardt Brandt, kort na Vondels overlijden, zijn levensbericht schreef en dit toevoegde aan zijn grote uitgave van de verzamelde gedichten, had hij de duidelijke taak om de herinnering aan een historie geworden figuur vast te leggen. Het klassieke schema voor de biografie van beroemde mannen was gegeven door het voorbeeld van Suetonius: afkomst en opgang, levensloop en daden, omstandigheden van het sterven, voortleven van de invloed, karakter en persoonlijke kenmerken. Een doorlopende lofrede behoeft een dergelijke levensbeschrijving niet te zijn, maar de belangrijkheid van de beschrevene en van zijn belevenissen staat uiteraard toch daarbij voorop. Brandt was voor deze taak ten aanzien van Vondel uitstekend voorbereid en leverde inderdaad een klassiek werkstuk. Hij had veel van hetgeen hij beschrijven moest meer of minder van nabij meegemaakt, hij had Vondel zelf in zijn latere jaren gekend en allerlei uit diens eigen herinnering opgetekend, en hij had van andere tijdgenoten en oudere vrienden berichten en gegevens verzameld, die hij zo volledig mogelijk in zijn verhaal te pas bracht. Naar de maatstaven van die tijd was hij een beproefd historicus, en bovendien een voortreffelijk stilist. De omtrek van Vondels levensbeeld is daarmee eens en vooral in vaste lijn getekend: de Amsterdamse burger van Zuid-nederlandse afkomst, die over de 90 jaar oud werd, en wiens ontwikkeling als dichter na zijn 30e jaar gelijk opgaat, ja identiek is met de opbloei van een roemrijke Noord-nederlandse dichtkunst, een man die zelf zeer roerig en onafhankelijk midden in zijn tijd stond, en die in zijn familie veel tegenspoed moest ondervinden tot op hoge leeftijd. Brandt schreef geen apologie en hij was niet sentimenteel; hij hield zich aan de hem bekende feiten - waaronder er inderdaad wel enkele onjuist zijn gebleken -, en begaf zich niet in discussie; ongetwijfeld stond hij ook, met uitzondering van

[p. 200]

Vondels rooms-katholieke theologie, in de meeste zaken aan diens zijde.

In de 19e eeuw gaat het nieuwe historische onderzoek als een zondvloed over alle geijkte voorstellingen en ook over de figuur van Vondel en de wereld om hem heen. Nadere bijzonderheden en archiefvondsten leveren voor teksten en commentaren talrijke verbeteringen en aanvullingen van feitelijke aard. Kunstopvattingen en levensbeschouwingen worden in hun tijdsverband benaderd; begrippen als barok en contrareformatie dragen bij tot het bepalen van de sfeer en de vormen van Vondels geestelijk leven. Er ontstaat discussie over de waarde van nieuwe gegevens en inzichten, en men betwist elkaar de plaatsing in het juiste verband en het juiste licht. Zo groeit er een uitgebreide Vondel-literatuur over belangrijke en minder belangrijke ontdekkingen.

Er zijn onvermijdelijk twee kanten aan elke historische figuur: de blijvende betekenis van zijn verschijning en optreden, die hem zijn opmerkelijke plaats in de historie geeft, en de omstandigheden van zijn vergankelijk bestaan, die op zich zelf historisch tamelijk onbeduidend kunnen zijn. Natuurlijk kan en mag men wel alles boeiend vinden wat een grote figuur betreft, en zeker is het de plicht van het wetenschappelijk onderzoek om geen enkel gegeven ongebruikt te laten. Maar het leidt tot mistekeningen als een toevallige alledaagse bijzonderheid wordt geprojecteerd in het formaat van de grote figuur en dan breeduit wordt nagemeten en toegelicht. Zo maakt men van losse nieuwe gegevens soms een reeks exempelen of anecdoten en van de historische figuur een conversatie-onderwerp. Dat is voor die figuur geen schande, maar de ernstige historie is er niet bij gebaat.

Het boek van J. Melles bedoelt niet een nieuwe schets te geven van Vondels betekenis, maar een feitelijke geschiedenis van zijn persoonlijk leven. De schrijver, reeds bekend door zijn economisch-historische studies met name over de leenbanken, heeft de ondankbare taak op zich genomen om de in de loop van vele decenniën bekend geworden zakelijke gegevens eens volledig bijeen te schikken en kritisch in hun verband te beschouwen. Ondankbaar in twee opzichten: er ontbreken te veel schakels om een sluitend geheel uit deze details samen te stellen; en het onderzoek van deze koude en rauwe feiten kan dwingen tot onbescheiden en wel eens pijnlijke vragen. De crediet-deskundige leest

[p. 201]

uit notariële verklaringen en uit bankrekeningen nuchtere zakelijkheden; de historicus moet met die gegevens zo veel mogelijk tot de achtergronden en omstandigheden trachten door te dringen. Daarvoor heeft de heer Melles dan ook gebruik gemaakt van de beschikbare literatuur over de politieke en handelsgeschiedenis van de 17e eeuw en natuurlijk van Vondels eigen geschriften.

De belangstelling voor het particuliere leven en de waardering van de historische figuur hebben één streven gemeen: zij ontmoeten elkaar bij de beoordeling van het menselijk karakter. Ook de kleine feitelijkheden kunnen wel bijdragen opleveren tot het begrijpen en tot de typering van de persoonlijkheid. De schrijver waarschuwt zijn lezers in het voorwoord: ‘ik weet mijn schets hier en daar enigszins in tegenspraak met “den adel van zijn karakter”, waarvan Thijm en de zijnen getuigenis gaven op de sokkel van Royers standbeeld’. Opschriften van monumenten zijn voor de philologie alleen aantrekkelijk als ze oud, defect of althans raadselachtig zijn. Het lijkt mij belangwekkender na te gaan in hoeverre de nieuwe gevolgtrekkingen van Melles afwijken van de klassieke voorstelling van Brandt.

Bij alle beoordelingen van Vondel is zijn geloofsovergang natuurlijk een heel gevoelig punt. Met name voor vele rooms-katholieke beoordelaars ligt hierin naast het dichtwerk vaak de voornaamste maatstaf van hun visie op de figuur. Voor hen kan ook de enigszins ontwijkende behandeling van Brandt niet bevredigend zijn. Reeds deze zelf constateerde: dat sommigen in Vondel ‘by na niet anders berispten, dan 't geen anderen ten hooghste preezen, te weten zynen overgang tot het Pausdom; maar elk most bekennen dat hem 't stuk van den Godtsdienst ter herten ging, en dat hy daar in yverde zonder yemant t' ontzien’ (ed. Leendertz blz. 60). Hij was een gelovig man en een vurig en eerlijk strijder voor zijn overtuiging en tegen gewetensdwang; ‘zyne Roomscheit hadt zyn liefde tot den Staat en de vryheit niet vermindert’. Op een vroegere plaats in zijn levensbericht vertelt Brandt onder het jaar 1639, dat een ‘zeeker Rechtsgeleerde’, die blijkbaar later van Vondel vervreemdde, een verhaal over diens bekering ten beste gaf, waarin ook een rol werd toebedeeld aan een welgestelde roomse weduwe (ed. Leendertz 36), en verder een gemis aan vastheid en kennis in ge-

[p. 202]

loofszaken bij zijn gesprekken met verschillende priesters werd verondersteld. Brandt's opvatting van zijn taak als historicus verplichtte hem alles wat hij gevonden had, zij het onder voorbehoud, mee te delen; maar hierover vervolgt hij, dat van een tweede huwelijk in elk geval niets gekomen is en dat Vondel na zijn overgang onwrikbaar trouw aan zijn nieuwe geloof is gebleven. De werkwijze van Brandt kan zelfs een waarborg zijn, dat hij bij de karakteristiek aan het slot van zijn geschrift, waar hij over Vondels lof en zijn bedillers spreekt, evenmin ernstige bedenkingen of geruchten heeft achtergehouden. Hij vermeldt daar: zijn opvallende zwijgzaamheid en eenzelvigheid in gezelschap, hoewel hem dan soms een snedigheid of een schimpscheut ontviel, en noemt hem ‘in al zynen handel en wandel onbesprooken, zeedig, needrig, vreedtzaam, zonder gewinzucht’ (ed. Leendertz 67).

Inzake de godsdienst brengt Melles geen nieuwe gegevens of inzichten; op het praatje over de rijke weduwe laat hij zich niet in en hij verwijt Brandt zelfs zijn volledigheid; eerder hecht hij waarde aan de overtuigingskracht van de geestelijken met wie Vondel verkeerd zal hebben, en waarbij juist zijn eigen ervaringen als doopsgezind diaken hem zeker tot een bijbelvaste partner in het gesprek moeten hebben gemaakt (blz. 108 e.v.).

Het zijn niet de geestelijke, maar materiële en kleiner menselijke karaktertrekken, waarbij Melles tot een nieuwe of althans scherper getrokken tekening komt: Vondel als koopman en financier, als zoon en als vader, en tenslotte als vereenzaamde, van vreemde hulp afhankelijke oude man.

 

Vondel was negen jaar toen zijn ouders zich in Amsterdam vestigden, en werd ‘dat jammer was, slechts tot neeringh opgebraght, leerende niet dan leezen en schryven’. Hij was 21 toen zijn vader stierf; zijn moeder zette de zijdehandel voort; zij had behalve Joost nog enige kleinere kinderen thuis. De oudste dochter Clementia was kort tevoren getrouwd met een buurman, ook zijdehandelaar; en Joost trouwde twee jaar later met een zuster van deze zwager en werd toen officieel deelgenoot in de zaak bij zijn moeder; weer drie jaar later draagt zij de winkel geheel aan Joost over. Er is een hele reeks stukken bewaard

[p. 203]

over de financiële regeling van deze zakelijke overdracht en nog allerlei latere beschikkingen, die moeder Sara Cranen tussen 1613 en haar overlijden in 1637 notarieel liet vastleggen. Melles heeft getracht orde te scheppen in deze gegevens en haar bedoelingen te doorgronden; hij meent bij de moeder een groeiend onbehagen ten opzichte van haar opvolger in de zaak waar te nemen. Een testament van 1634 en stukken van 1637 tonen aan, dat Vondel toen niet vrij was van verplichtingen aan zijn moeder, en dat haar erfgenamen nog een belangrijke vordering op hem hadden alvorens de nalatenschap kon worden verdeeld; ook wenste de moeder dat hierbij haar eigen boekhouding en niet de cijfers van Joost als grondslag zouden dienen. Dat klinkt niet vriendelijk; maar het gaat hier dan ook om een rechtshandeling waarbij de belangen van vier zelfstandige partijen billijk en scherp moesten worden geregeld. Het verdelen van een familiebezit is op zich zelf geen idylle; de testerende moeder en drie van de erfgenamen waren zakenmensen, de vierde partij waren de onmondige kinderen van een overleden dochter en een bankroete schoonzoon. Bij alle vereiste zakelijkheid mist Melles toch in al deze schikkingen een spoor van vertrouwen dat de ouder wordende moeder in haar zoon en opvolger had kunnen tonen, en hij komt tot het sterke vermoeden dat zij bepaaldelijk vermeed Joost bij de uitvoering van haar zakelijke besluiten te betrekken. Dit heeft trouwens ook Sterck (Oorkonden 68 v.) reeds opgemerkt. Als de moeder in haar zoon inderdaad geen ware zakenman zag, had zij het misschien niet zo ver mis; maar al kan dit verklaren waarom zij hem liever niet als gemachtigde koos, dat hoeft toch geen aanwijzing te zijn van een zodanige verwijdering, dat men hier met Melles een tragedie in zou moeten zien.

Er is in elk geval één komische kant aan deze tragedie. Vondel zelf - want van wie zou Brandt deze verhalen anders hebben? - heeft de voorstelling in de wereld gebracht, dat hij met zijn jonge vrouw welgemoed zijn nering ter hand nam, maar dat vooral zij daaraan heel veel deed en hem tijd voor zijn studies liet. In zijn 88e jaar vertelde hij nog aan Brandt, hoe hij boven in zijn kamer zat te werken, toen zijn vrouw hem het bericht over de dood van prins Maurits bij de trap toeriep. En in verband met de moeilijkheden na het verschijnen

[p. 204]

van Palamedes komt dan het verhaal voor over zijn naaste familieleden, die hem in ergernis toevoegden dat hij beter zou doen op zijn huis en nering te passen, dan zich met zijn schrijverij in narigheid te brengen (ed. Leendertz 8, 15, 16). Brandt had geen archiefstukken en genealogieën tot zijn beschikking en kan zich in namen en jaartallen vergissen, maar hij volgde de traditie van het huis. En nu moest Melles (blz. 62) afrekenen met Diferee, Sterck en Leendertz, die iets smadelijks meenden te zien in de suggestie, dat Vondel meer talent en belangstelling zou hebben gehad voor zijn letterkundig werk dan voor zijn handel!

Een koopman, die eigenlijk andere dingen in het hoofd heeft, is inderdaad niet de ware; en hij laat zich natuurlijk de kansen ontgaan, die hij had moeten zien en grijpen, - ook al is hij overigens een oppassend man. Dat zal zeker tot Vondels eigen latere levenstragedie hebben bijgedragen.

Moeder Sara moest in haar leven nog wel twee andere tragedies in haar familie verwerken: het faillissement van de man van haar dochter Sara en het overlijden van deze nog jonge vrouw, die vijf kinderen naliet; en, al enkele jaren eerder, de korte glorie en vroege dood van haar jongste zoon Willem. In 1623, toen Vondel in zijn moeizame autodidaktische opgang tot ontplooiïng begon te komen, was deze 16 jaar jongere broer student aan de Leidse universiteit. Hij promoveerde in de rechten te Orléans, reisde in Italië, was 1627 terug als advocaat in Amsterdam en stierf in het jaar daarna op 25-jarige leeftijd.

Er zijn een paar brieven bewaard die de jonge reiziger naar huis stuurde uit Rome op 1 en 15 maart 1625. Melles vraagt hiervoor bijzondere aandacht omdat ook zij iets zouden onthullen over de verhoudingen in de familie: met name zou de jongere broer enigszins afwerend reageren op onplezierige opmerkingen van Joost over de hoge kosten (blz. 33 e.v.). Ik kan dat volstrekt niet navoelen. Op 1 maart schrijft hij aan zijn moeder, dat hij nu weer in Rome terug is, na een reisje van 18 dagen naar Napels en andere plaatsen; en hij vertelt daar interessante merkwaardigheden over. Maar hij heeft al in weken geen brieven ontvangen, doordat er een zending post aan het dwalen is geraakt; als deze nu spoedig bij hem en zijn reisgenoten te-

[p. 205]

recht zal komen, verwacht hij zeker dat er brieven van zijn moeder en zijn broeder bij zullen zijn. Op 15 maart heeft hij inderdaad sinds enkele dagen hun brieven in handen en antwoordt daarop. Hij doet dat op één blad papier aan de hele familie tegelijk en adresseert dit aan Joost in de Warmoesstraat. Hij beantwoordt zijn moeder, heel hartelijk en oprecht; zij heeft blijkbaar geschreven dat hij nu maar terug moet gaan over Frankrijk, waaraan hij zegt niet tot zijn eigen maar tot haar genoegen te zullen voldoen en ‘niet nae de reden vragen’. Een van zijn reisgenoten is al op weg naar huis, maar hijzelf wil toch nog even in Rome blijven om daar Pasen mee te maken. Van Joost heeft hij twee brieven bij de zending gevonden met allerlei berichten en familienieuws, onder anderen de geboorte van zijn dochter Saartje. Hij sluit met de groeten aan allen. Dan volgt een apart naschrift aan zijn zwager en zuster Bruyningh over sterfgevallen in hun familie. En de hele keerzijde van het blad wordt ingenomen door een afzonderlijke brief aan Joost in het Latijn. Dat levert, vooral in vertaling, een wat statiger toon, maar ik kan er geen spoor van stroefheid of ironie in ontdekken, integendeel. ‘Je brieven aan mij zijn zeldzaam, maar mij daarom deste dierbaarder. Zij zijn geheel jezelf, niet alleen om de eigenheid van je hand, danwel vooral door je geheel eigen epistolaire stijl’ (de vertaling bij Sterck, Oorkonden blz. 47, geeft dit maar heel slap weer). In dat literaire, voor de anderen waarschijnlijk onverstaanbare Latijn, spreekt hij zich open en vertrouwelijk uit tegen de begrijpende broer: Je geeft me daar zedelessen als een derde Cato en maant tot zuinigheid; ja, het kost veel geld, maar het is het waard; in ons clubje zijn er wel altijd een paar geweest die het wat weelderiger aanlegden, maar het andere meer schooierachtige drietal (waaronder ik) hebben het werkelijk heel zuinig en sober gedaan met eten enz., telkens grote afstanden te voet afgelegd enz. enz. Het reisje naar Napels vind je niet goed, maar daar ben je veel te laat mee; ik heb volgens de advocatenregel jullie zwijgen als instemming opgevat; het heeft een 50 gulden extra gekost, hoewel we nauwelijks gegeten hebben enz. Maar wat we gezien hebben is kostelijker geweest dan kostbaar; je zult dat later lezen in het dagboek dat ik bijhoud... Dan volgt een opmerking over een brief die hij heeft opgezonden en waar Joost een

[p. 206]

Grieks woord in moet verbeteren. En tenslotte: of ik de winter in Sienna of in Orléans zal blijven weet ik nog niet, maar ik zal wel aan moeders verlangen moeten voldoen om terug te komen en: zelf zal ik leed verduren door het haar niet te bezorgen. Verder heb ik al aan moeder geantwoord op de dingen die jullie allebei geschreven hebt. Mijn groeten aan de kraamvrouw en de kinderen. Je tweede brief van 26 jan. bevat niets nieuws en ik laat het hier dan maar bij.

Moeder en broer waren dus blijkbaar over zijn plan om nog door te gaan naar Napels niet erg verrukt en vonden het nu welletjes; maar hij was al op weg voor hij deze brieven ontving. Aan moeder antwoordt hij zedig dat hij heeft begrepen dat hij op terugreis moet gaan; aan broer Joost schrijft hij in de academische stijl van hun tijd, als onder goede verstaanders, dat het met de kosten toch zo'n vaart niet loopt en hoe geweldig en heerlijk het is. Dat Joost nog een tweede keer geschreven heeft, omdat ze maar niets van hem hoorden, geeft geen aanleiding tot repliek. Dit is werkelijk alles; het enige dat men eruit kan opmaken is een hartelijke toon tussen de geleerde broers, naast een wat eerbiediger dierbaarheid van de jongste zoon tegenover zijn moeder. De flits die Brandt opving van Vondels verdriet nog in zijn hoge ouderdom over het verlies van de begaafde broer is zeker onverdacht (ed. Leendertz 20).

Dat de ergernissen in deze familie zo hevig waren en tot zulke zware spanningen leidden, dat er blijvende verwijdering door ontstond, is toch eigenlijk niet overtuigend gebleken, al zal er wel eens in kernachtige varianten gezegd zijn: je weet hoe moeder is; en: Joost doet het natuurlijk weer op zijn eigen manier.

 

Ongeveer 1640 is het hele toneel van Vondels bestaan veranderd. Zijn jonge kinderen en ook zijn vrouw zijn gestorven. Zijn moeder is dood en de erfenis is verdeeld. Hij is een goede vijftiger. De nieuwe schouwburg is met zijn Gysbreght geopend. Zijn dichterlijke en maatschappelijke opgang heeft de volle hoogte bereikt. Zijn geestelijke groei is voltrokken met zijn overgang tot de Roomse kerk. Samen met de ongetrouwde zoon Joost en de volwassen dochter Anna heeft hij zijn

[p. 207]

huis en zijn winkel. Uit dit evenwichtig schijnende tafereel zal zich een menselijke tragedie ontwikkelen.

Melles heeft voor deze volgende periode weer de zakelijke gegevens gerangschikt en scherp belicht. Ook nu vormen de documenten geen aaneensluitende geschiedenis en blijven er open vragen, maar de loop van de gebeurtenissen tekent zich duidelijk af.

Er is om te beginnen een bankrekening, waarover archivaris Scheltema in 1861 meedeelde dat Vondel daarop sinds 1635 belangrijke bedragen had staan, in 1637 bijna ƒ 42.000, maar die geleidelijk verminderden tot in 1652 zijn naam geheel uit de boeken verdwijnt. Thans blijken in het archief van Amsterdam alleen nog een aantal rekeningen van de stedelijke wisselbank uit de jaren 1644 tot 1649 bewaard te zijn gebleven. De posten die daar ten name van Joost van de Vondel (eenmaal staat er in 1645 Joost van de Vondel de Jonge) voorkomen heeft Melles volledig afgedrukt (blz. 282 e.v.) en nauwkeurig besproken (blz. 72 e.v., 76 e.v.). De bedragen waarover het dan gaat zijn niet indrukwekkend en het halfjaarlijkse eindsaldo is gewoonlijk wenig of niets. Dat Vondel, al dan niet samen met zijn zoon, over deze wisselbank grote zaken van hun firma liet lopen, is volgens Melles' expertise bepaald niet het geval. De posten maken eerder de indruk van onderlinge lenerijen of kleine deelnemingen in speculaties van anderen; over de welstand van de Vondels of de omvang van hun handel kan men hieruit zeker geen stellige gevolgtrekkingen maken, maar de rekening van een actieve en succesrijke financier zou er anders hebben uitgezien. Merkwaardig is dat in Scheltema's mededeling de jaartallen 1635 en 1637 samenvallen met het overlijden van Vondels vrouw en moeder, en dat in 1652 de samenwoning van Vondel en zijn zoon eindigde.

Notariële stukken tonen het beloop van deze scheiding in de familie. In 1643 trouwt de jonge Joost; in 1648 sterft zijn jonge vrouw na de geboorte van haar derde kind; er is een testament van 1644 waaruit iets over de financiële toestand van het echtpaar kan worden afgeleid (blz. 136). In 1650 hertrouwt Joost met Baerte Hooft en het daaropvolgende jaar wordt de kleinzoon Justus geboren. In augustus 1651 maakt Anna een testament, waarin zij haar vader als universeel erf-

[p. 208]

genaam aanwijst; enkele dagen daarna maakt ook de vader een testament, waarin hij zijn beide kinderen Joost en Anna, ofwel hun nakomelingen, tot enige erfgenamen benoemt. Een testament van Joost en Baerte in februari 1652 toont duidelijk, dat er een breuk is ontstaan. Zij bepalen dat, in geval Joost zou overlijden, zijn kinderen uit het eerste huwelijk bij Baerte in de kost zullen blijven, met enige notabele mannen uit haar familie als voogden; en zij stellen vast dat de hele inboedel van het echtpaar eigendom is van de vrouw, die dit zelf heeft ingebracht, nadat vader Vondel en zuster Anna uit het gemeenschappelijke huis in de Warmoesstraat waren vertrokken en het daar aanwezige huisraad hadden meegenomen. Regelingen over de winkel zijn niet op schrift gesteld, althans niet teruggevonden; dat vader Vondel daar nog veel aan deed nu hij was weggetrokken, is zeker niet waarschijnlijk. Het was oorlog met Engeland en voor de handel een bijzonder moeilijke tijd. In december 1654 wordt de zoon Joost ingeschreven als beëdigd makelaar, en dit houdt volgens de ordonnantie in, dat hijzelf geen eigen zaken meer dreef. In september 1655 maakt Vondel een nieuw testament en wijst nu Anna als universeel erfgename aan, terwijl Joost alleen een bepaald aandeel zal ontvangen waarvan eerst moet worden afgehouden wat hem door zijn vader al eerder is ‘verstreckt off betaelt’. In september 1656 draagt de zoon in een notariële verklaring al zijn bezittingen en nog uitstaande vorderingen over aan zijn vader ‘tot voldoeninge so verre als strecken sal mogen’ van wat hij hem schuldig is gebleven; enkele dagen later vertrekt hij naar Antwerpen. Op 22 november worden Vondel de oude en nog iemand aangewezen tot curatoren over zijn desolate boedel. Het jonge echtpaar had toen de winkel in de Warmoesstraat ook al lang verlaten; in mei 1656, toen Joost nog een kraamkind liet begraven, woonden zij op het Rokin; in juli blijkt dat Baerte haar eigen weg is gegaan en wordt aan de oude Vondel en diens vriend Blesen de voogdij opgedragen over de drie kinderen uit het eerste huwelijk. De chaos is dus volkomen, en de straks 70-jarige Vondel is belast met de drie kinderen en met de ordening van de boedel. In het najaar van 1657 maakt hij nog de onfortuinlijke reis naar Denemarken om vorderingen te innen.

In juni van datzelfde jaar had Baerte Hooft als ‘gesepareerde’

[p. 209]

vrouw een gemachtigde voor haar zaken aangewezen, en volgens een andere notariële acte zijn er in augustus en september onsmakelijke ruzies geweest tussen de opgewonden echtgenoot en deze gemachtigde. Over Joost's gedrag is verder niets meer bekend, dan het verhaal van Brandt, dat men hem vergeefs trachtte te bewegen naar Oos-Indië te gaan, en dat tenslotte zijn vader zich genoodzaakt vond om zijn deportatie te verzoeken. In december 1659 is dat zo gebeurd; dan wordt in het register van het makelaarsgilde zijn naam geschrapt als vertrokken naar de Oost; maar de balling is op zee gestorven, voordat het schip de Kaap de Goede Hoop had bereikt.

Dat zijn de feiten. Melles heeft er zich niet toe bepaald deze onbewogen mee te delen. Hij heeft getracht ze te laten leven door uitvoerige uitleg over de makelaardij en over de economisch zware tijden. Zo richt hij in zijn hoofdstuk ‘Ontgoocheld vaderschap’ de belangstelling sterk op de jonge Joost en diens onfortuinlijk bestaan als zakenman. Hij toont de dramatische gebeurtenissen als het ware van diens oogpunt en schijnt te willen pleiten voor een soort eerherstel. Het is goed dat de historicus sceptisch staat tegenover een traditie, die een moeilijkheid absolveert door een ongelegen komende figurant tot eeuwige schande te veroordelen. Melles betoogt dat de zoon zich niet zal hebben schuldig gemaakt aan een of andere zware misdaad, daar hij anders al eerder als makelaar afgevoerd en ook wel zonder inmenging van zijn vader in hechtenis genomen zou zijn. Toch brengt hijzelf nog de mogelijkheid te berde, dat Joost inderdaad de bewuste gemachtigde van Baerte Hooft wel eens te lijf kan zijn gegaan (blz. 165). Melles' uitvoerigheid wordt voor zijn lezers op den duur wat verbijsterend, omdat men vergeefs zoekt naar een alternatief. Als Vondel, net als zijn zuster Clementia, in plaats van te dichten, een bloeiend bedrijf plus flink landbezit had nagelaten, en als zijn opvolger, net als Clementia's zoon Hans de Wolff, deze zaken met succes had verder geleid en er een verstandige rijke vrouw bij had gekregen, dan... ja, wat dan? - Misschien had, zonder die dichtende Vondel, de Nederlandse literatuur zich wel op een andere manier voortgeplant, - maar dan was er nooit een Vondelpark en zeker geen standbeeld met opschrift gekomen, en geen sterveling zou zich met de geschiedenissen

[p. 210]

van deze familie, zuster Clementia en neef Hans de Wolff incluis, zijn gaan bezig houden. Zo zouden we op het door Melles veronderstelde standpunt van de oude moeder Sara belanden, wat de schrijver toch bepaald niet bedoelt. Hij doet integendeel moeite om in Vondels dichtwerk uit deze periode gevoelens terug te vinden, die de weerslag van de droevige familiehistorie zouden zijn. Het ligt natuurlijk voor de hand dit te doen en bij gelegenheidsgedichten lijkt het gemakkelijk, al is het zelfs dan een subtiele aangelegenheid. De onderlinge betrekkingen tussen de geestelijke wending in een kunstenaarswerkzaamheid en diens materiële belevenissen kan men niet in het voorbijgaan door een citaat leren kennen; en de keuze van een bijbelse stof voor een treurspel mag niet als een zomaar doorzichtige reactie worden aangemerkt. Melles komt hierbij in een gevaarlijke zone, waar realiteitszin geen veilige doorgang verzekert; en hij toont ook wel dat hij zich hiervan bewust is. Vele van zijn opmerkingen zijn zonder twijfel bij alle verdere discussie mede-overweging waard.

Wat de beklagenswaardige jonge Joost in de jaren 1658 en '59 nog voor goed of kwaad kan hebben bedreven, weten wij niet. Maar het is niet waarschijnlijk dat hij, eenmaal op dit hellende vlak, veel zal hebben bereikt tot verlichting van de zorgen; elke dag die niets goeds oplevert kan alleen de achterstand nog weer helpen groter maken.

Intussen had Vondel zich niet onttrokken aan zijn plichten en zijn financiën waren door het afdoen van schulden zo ver geslonken, dat er iets gedaan moest worden en men hem een bezoldigde stadsbetrekking bij de bank van lening bezorgde, die hij eind januari 1658 aanvaardde. Melles, als specialist in de geschiedenis van deze instellingen, is in staat de aard van deze werkkring en de zeer redelijke honorering daarvan duidelijk te belichten en allerlei legendevorming hierover op te ruimen. De oude Vondel heeft dit kantoorwerk tien jaar lang geduldig vervuld, tot men de bijna tachtigjarige ontsloeg met behoud van salaris.

Zo was er weer een soort evenwicht. Samen met zijn ouder wordende vrome dochter Anna leeft Vondel in bekrompen omstandigheden; zijn vruchtbaarheid als dichter is nog onbelemmerd; in Anna had hij een belangstellende en geestelijk ontwikkelde huisgenoot en

[p. 211]

een zielsverwant. Zorgen over de winkelnering bestonden niet meer, maar wel hadden zij drie jonge kinderen tot hun last; de renten van haar kapitaal en het salaris van de leenbank waren hun afgebakende inkomsten. Een bepaald gedeelte van dat salaris kwam aan de schuldeisers toe, met wie men daarover wel een of andere regeling zal hebben getroffen. Het geheel van die schulden was een bodemloze put; en voor Vondel en zijn raadslieden moet het morele recht van de oude vader met de zijnen op een redelijk levensonderhoud minstens zo zwaar hebben gewogen, als de in de débacle opgelopen vorderingen van de ons onbekende schuldeisers. De kinderen uit Joost's eerste huwelijk konden nog erfenissen verwachten; zij konden vroeg sterven; grootvader Joost kon sterven; Anna, die ziekelijk was, kon vóór hem sterven. Wat Vondel zelf bezat of nog ooit zou kunnen verkrijgen dreigde in de bodemloze put te verdwijnen; en als zijn salaris zou ophouden waren de overlevenden er wellicht nog erger aan toe. Het werd dus zaak om als voorzorg alle activa zo veel mogelijk bijeen te houden op naam van Anna. Zo sleepte de tragedie zich verder. Reeds in 1665 worden Anna's financiën aangesproken in de vorm van een verkoop van alle huisraad en andere mobiele bezittingen, ook de boeken en de handschriften, van de vader aan zijn dochter voor een totaal van ƒ 1300. -, die zij hem weliswaar gedeeltelijk al eerder had voorgeschoten. In 1667 krijgen de twee kinderen uit Joost's eerste huwelijk (een van het drietal was intussen al gestorven) een erfenis van enig belang; en in het jaar daarna wijzen zij elkaar als universeel erfgenaam aan, waarna een van de twee, Maria, eveneens sterft. In 1670 sterft ook de laatste van hen, de kleinzoon Willem. Over diens nalatenschap is niets met zekerheid bekend, maar Melles vermoedt dat men deze bedragen tijdig voor de familie in veiligheid heeft weten te brengen. In elk geval blijken Vondel en zijn dochter kort te voren verhuisd te zijn naar een betere woning. In 1673 vindt Vondel aanleiding nog eens notarieel te laten vastleggen: dat hij generlei persoonlijke eigendommen bezit, daar die alle zijn besteed voor de schulden van zijn zoon, die hij nog steeds niet geheel heeft kunnen aflossen; dat hij alles wat hij had ook daartoe heeft moeten verkopen aan zijn dochter, bij wie hij inwoont, en dat zijn salaris ook voor een groot deel aan die afbetalingen

[p. 212]

heengaat, terwijl zijn dochter hem van het resterende deel onderhoud verschaft. En in 1675, als Anna voorziet dat haar vader ook haar overleven zal, bepaalt zij in haar laatste testament, dat haar erfenis geheel zal toekomen aan de vertrouwde huisvriend Pieter Blesen, onder nauwkeurig geregelde verplichtingen tot het onderhoud en de verzorging van de oude Vondel, en van hetgeen na diens overlijden met het geld moet gebeuren.

Daaronder was ook een legaat van ƒ 6000. -, waarvan het vruchtgebruik zou komen aan de enige overlevende nakomeling Justus, de zoon van de inmiddels ook reeds gestorven Baerte Hooft. Deze nu 24 jaar oude Justus, die bij een schoenmaker werkzaam was en sinds het vorige jaar getrouwd, kwam na het overlijden van Anna bij zijn grootvader inwonen en diens huishouden verzorgen. In 1677 tracht Vondel nog voor hem een stedelijk baantje te verkrijgen, maar men voelde daar niet voor. In 1678 is hij al weduwnaar en hertrouwt, nadat Vondel in juni bij notariële acten de verhouding liet vastleggen tussen hemzelf en deze kleinkinderen, die zijn verzorgers en huisbewaarders zullen zijn zo lang hij nog zou leven. Op 5 februari 1679 stierf hij, ruim 91 jaar oud. Blesen bezorgde zijn begrafenis en voerde de verdere bepalingen van Anna's testament uit; het R.K. Maagdenhuis beheerde het geld waaruit Justus zijn alimentatie kreeg, en keerde het bedrag van ƒ 6000. -, volgens het voorschrift, 25 jaar later uit aan diens zoon bij zijn meerderjarigheid.

Dat is de afloop; en het lijkt een schrijnende tragedie die geen troostrijke epiloog toelaat. Melles kwelt zich zelf en zijn lezers met de vraag, of dat nu allemaal niet anders had gekund. Als men dan al tegenover de schuldeisers niet geheel correct heeft gehandeld, hadden dan de kleinkinderen niet wat meer toewijding verdiend? Had, nadat de anderen gestorven waren, althans het lot van de schoenlapper Justus niet verzacht kunnen worden? Hij bracht het tot niets, en ging in 1686 vrijwillig als zeesoldaat naar de Oost, om zeven jaar later op de thuisreis te sterven. Dat is inderdaad een bitter slot na het hele treurspel.

Melles verwijt Brandt en die hem volgden, dat zij het beeld hebben vertroebeld door de zoon Joost voor alle ellende aansprakelijk te stellen en Vondel zelf en Anna met een verheerlijkend licht te omgeven. Ik

[p. 213]

geloof niet dat wij Brandt ervan mogen beschuldigen, dat reeds hij te veel geromantiseerd zou hebben. Hij vertelde wat hij wist (blz. 48 e.v.) en zijn schets blijft in wezen waar, ook al kennen wij nu veel meer droeve bijzonderheden. De zoon Joost was een jongeman van weinig betekenis; het is met hem geheel mis gegaan; en toen alles in zijn bestaan te gronde was gericht, door tegenslag, een ondeugende vrouw of wat dan ook, kon men voor hem zelf en voor heel zijn omgeving tenslotte niet anders meer bedenken dan hem te verwijderen. Vondel en zijn dochter hebben gedaan wat zij konden om met de resten van hun vermogen en hun krachten de gevolgen te dragen en zich zelf in stand te houden. De oude dichter werd bankbediende en bleef er niet minder de hooggestemde en geleerde kunstenaar om. Anna verdroeg de zorgen en offers zonder haar gewijde eigen roeping te verloochenen. Hun diepe vroomheid zal hen tot aanvaarding hebben geholpen.

Voor Vondels eigen karakter lijkt mij het meest kenmerkend, dat hij de zaken hun loop liet nemen, dat hij niet eerder en op andere wijze heeft kunnen ingrijpen, dat hij wel zijn taak aan de leenbank op zich heeft genomen toen hem deze oplossing aan de hand werd gedaan, en dat hij zich bij al de vermogensregelingen van de laatste jaren door Anna en de bevriende adviseurs zal hebben laten leiden, - waartoe trouwens, naast Blesen en Plemp, zeker ook zijn neef Hans de Wolff en diens vrouw Agnes Block altijd bleven behoren. Hij was tenslotte ook te oud geworden; maar al van nature was hij een impulsief en roerig kunstenaar en een ernstig vroom mens, maar een koopman zonder ‘gewinzucht’ en echte handelszin. En elk van deze eigenschappen is een zwaard met twee scherp geslepen kanten.

 

De uitvoerige en realistische kritiek van al de bekende feiten en gegevens vormen de verdienste en het belang van Melles' studie. Onder de vele ongegronde of zoetelijke beschouwingen, die de literatuur over Vondel nutteloos bezwaren, heeft hij krachtig opruiming gehouden, al is hieraan wel eens wat veel eer bewezen. In een boek als het zijne, dat de zaken volledig rangschikt, krijgen allerlei dingen al daardoor hun juiste verband. De beschrijving van het particuliere leven in zijn maatschappelijke en dikwijls weinig verheven aspecten leidt tot een wijze

[p. 214]

van beschouwen die licht op een politioneel verhoor gaat lijken. Deze toon kan irriteren, vooral als de verkregen inzichten toch ook maar hypothesen zijn. Soms is Melles m.i. wel te argwanend geweest. Voor de wetenschappelijke Vondelkennis is dit boek onmisbaar om zijn scherpe schifting van feiten en mythen. In deze koele werkverlichting worden vaak ongewone tinten en schaduwen zichtbaar. Over de juiste betekenis van details kan er nog wel verschil van gevoelen blijven. Maar stellig moet ik ontkennen, dat het beeld van Vondel daardoor voor mij wordt aangetast.

 

Rotterdam

F. Kossmann