|
|
|
| |
| | | |
Mnl. en Nndl. bâgen(i), bâgel(i), b(eh)âgen(i), verbâgen(i)
en
bāgen(ii), bāgel(ii), behāgen(ii), verbāgen(ii).
I. Oergermaans *bêgan-.
Verschillende Oudgermaanse talen kennen een werkwoord dat beantwoordt aan oerg. *ƀêgan-. Het treedt op in twee betekenissen, t.w. in die van ‘strijden met woorden, twisten’ en in die van ‘roemen’.
De betekenis ‘strijden met woorden, twisten’ is vertegenwoordigd in het Oudhoogduits, Oudsaksisch en Oudnoors. In het Oudhoogduits vindt men bâgan, pâgan mit Worten streiten; einen Rechtsstreit führen, sich zanken' - een zgn. reduplicerend werkwoord van de ê-groep -, de zwn. bâgâri, pâgâri ‘der an einem Wortstreit Beteiligte; der Gegner a) im Streitgespräch...; b) im Meinungskampf’, bâga, pâga, st. zw. f. ‘Streit, Wortstreit, Wortwechsel’ (verg. nog mhd. bâc, st. m. ‘lautes schreien; zank, streit’), waarbij weer het zw. ww. bâgên ‘einen Wortwechsel führen’ of ‘einen Rechtsanspruch geltend machen, einen Rechtsanspruch erheben gegen jmdn. oder etw.’ en verder o.m. de zwn. bâgunga, pâgunga ‘Streit, Zank: contentio’, gibâgi, st. n. ‘Zänkerei, Streiterei’. Ook in het Oudsaksisch is deze betekenis niet onbekend blijkens het alleen in de ‘Kleinere altsächsische Sprachdenkmäler’, en wel in de ‘St. Petrier Bibel- und mischglossen’, aangetroffen vr. znw. bâga ‘conflictus’. Het Oudnoors kent de znw. bágr, st. m. ‘twist, ruzie’, bági ‘tegenstander, vijand’ en het ww. baegjast ‘twisten, ruzie maken’. Ook het Gotisch heeft wellicht het woord gekend; in zijn Gotisches etymologisches Wörterbuch [1934] reconstrueert F. Holthausen tenminste got. *bêga, f. ‘Streit’ op grond van ital. bega ‘woorden-twist’, terwijl hij
op blz. 130 van hetzelfde werk, bij de ‘Nachträge
| | | | und Berichtigungen’, ook nog de Westgotische naam Bîgeswind vergelijkt1).
De betekenis ‘roemen, pralen’ is vertegenwoordigd in het Oudhoogduits, Oudsaksisch en Oudfries. In het Oudhoogduits is deze betekenis minder gewoon dan die van ‘strijden, twisten’; men vindt ze alleen in het znw. bâgheit, st. f. ‘Anmaßung, prahlende Überheblichkeit’, maar dat dit louter toeval is, blijkt uit het Middelhoogduits, waar men het znw. bâc, st.m. ‘prahlerei’ en het ww. gebâgen, st.v. (met genit.) ‘sich rühmen’ vindt. Het Oudsaksisch (Heliand) kent het znw. bâg, st.m. ‘Rühmen, Brüsten’, een betekenis die het Middelnederduits voortzet met het ww. bâgen ‘sich aufblähen; prahlen, sich rühmen’ en het znw. bâch, m. ‘Prahlerei, lautes Rühmen, Hoffart’. De Nieuwnederduitse dialecten daarentegen schijnen het woord nauwelijks meer te kennen2); althans in de meeste door mij geraadpleegde Nederduitse idiotica - en dat waren er niet weinig - heb ik het niet terug kunnen vinden. Het Oudfries tenslotte heeft het zwakke ww. bâgia ‘sich rühmen’, dat vermoedelijk, met ofr.
â uit germ. ê vóór ʒ3), eveneens hierbij behoort.
| | | |
Hoe verhouden zich nu beide betekenissen ‘strijden met woorden’ en ‘roemen, pralen’ ten opzichte van elkaar? Gallée, die onder de titel ‘Mnl. Boogen en bogen’ in Ts. 5, 1-10 [1885] een belangrijk en interessant artikel aan de hier besproken woordgroep heeft gewijd, vermoedt dat ‘twisten, strijden’ het grondbegrip is geweest, waar de betekenis van ‘zich op iets beroemen’ ‘zich eerst later uit de voorgaande ontwikkeld (schijnt) te hebben’ (blz. 5). Het is inderdaad denkbaar dat ‘zich beroemen’ uit ‘twisten’ via ‘twisten om de voorrang, om de eer of de roem’, is ontstaan. ‘Of strijden of twisten (met woorden) het grondbegrip geweest is, is moeilijk uit te maken’, schrijft Gallée; hij vermoedt echter ‘om verschillende redenen het eerste’.
Nu is het echter merkwaardig dat in het Oudhoogduitse materiaal de betekenis ‘strijden met de wapenen, vechten’ zogoed als niet is vertegenwoordigd4); ohd. bâgan betekent wel ‘strijden’ maar dan zo goed als uitsluitend in de betekenis die aan het woord strijden thans in de volkstaal van Vlaanderen en Brabant eigen is, t.w. ‘vechten met woorden, twisten, volhouden dat de andere partij ongelijk heeft’, een betekenis die trouwens ook in N.-Nederland niet onbekend is, en ook in Holland (N.-Holl?), zij het niet algemeen, voorkomt5). Komt het tot daden, dan spreekt men immers van vechten. Alleen in het Muspillilied betekent bâgan ook ‘strijden met de wapens’6). Bovendien is het, zoals we hierboven zagen, niet helemaal juist, dat de betekenis ‘zich beroemen’ in het Ohd. nog niet voorkomt, zoals Gallée (blz. 5) schrijft.
Nog merkwaardiger is het, dat we in het Oudiers, bij het etymologisch verwante ww. bágaim7) semasiologisch precies hetzelfde vinden als bij ohd. bâgan. In de oude Ierse sagenteksten betekent bágaim bijna uitsluitend ‘ik bedreig pralend’, of ook ‘ik poch, ik snoef’, zoals
| | | | H. Zimmer heeft aangetoond8). Naar aanleiding van een Oud- en Gemeenkeltisch gebruik9), dat hier nu verder niet ter zake doet, schrijft Zimmer: ‘Es kam zum wortkampf: prahlend erwähnten die einzelnen ihre thaten, wogen sie in rede und gegenrede gegen einander ab, wobei sie nicht nur öfters schimpf und vorwürfe auf den gegner warfen, sondern sich auch zu drohungen hinreissen liessen. Das lebhafte temperament riss vielfach zu thätlichkeiten hin; es kam ... in folge des wortstreites zum wirklichen kampf’. Waar het oudierse ww. bágaim en het znw. bág, vr., de betekenis ‘ik vecht’, resp. ‘gevecht’ heeft, is dat volgens Zimmer geen oorspronkelijke, maar een afgeleide betekenis. Een betekenisparallel ziet Zimmer in iers briathar, znw. vr. ‘woord’, dat in klank en genus precies overeenstemt met kymr. brwydr ‘gevecht, oorlog’ (b.v. brwydr Crimea ‘Krimoorlog’) en oorspronkelijk betekende ‘met woorden strijden’10).
In het licht van de Oudgermaanse en Keltische semasiologische overeenkomsten lijkt het me veiliger, niet met Gallée uit te gaan van een grondbegrip ‘strijden’11), doch van ‘twisten’ en ‘pralen’, waarbij dit laatste nog niet secundair hoeft te zijn t.o.v. het eerste, er zich dus niet uit ontwikkeld hoeft te hebben. ‘Twisten’ en ‘pralen’ zijn immers slechts twee aspecten van een en hetzelfde begrip ‘met woorden strijden’.
Intussen zijn ‘twisten’ en ‘roemen, pralen’ niet de enige betekenissen die eigen zijn aan de groep van germ. *ƀêgan-. De Skandinavische talen kennen ook betekenissen als ‘tegenstand’: on. bágr, m.; ‘hinderen’: on. baegja, zw. ww., on. baga, zw. ww.; ‘hindernis’: nno. baage, znw. m., faer. bági, m.; ‘hinderlijk, lastig, moeilijk’: on. bágr, bnw., ode. bag, faer. bágin; ‘onwillig’: zwe. dial. båg, nno. baag. Deze betekenissen geven ons een andere semasiologische vertakking te zien. Er zijn trouwens nog tal van Skandinavische, etymologisch verwante vormen die hier onbesproken blijven.
| | | |
Men mag zich intussen de betekenisontwikkeling van de groep van Germ. *ƀêgan- misschien als volgt voorstellen; het schema is uiteraard relatief en vatbaar voor variatie:

| |
II. Het Nederlandse materiaal van germ. *ƀêgan-.
Ook in het Nederlands is germ. *ƀêgan- vertegenwoordigd, en wel door het ww. bâgen, dat echter niet altijd gemakkelijk te scheiden is van bāgen, een samentrekking van behāgen, waar het - zoals Verdam in het Mnl. W. I [1885] niet, doch Gallée in Ts. 5, 7 [1885] wèl heeft gezien - mee samengevallen is. Terecht komt Gallée (blz. 8) tot de conclusie ‘dat enkele plaatsen (van baech en bagen in het Mnl. W.) eerder baag of bagen dan den samengetrokken vorm van behaag en behagen bevatten’. Welke plaatsen in het artikel Bagen dat intussen zijn, heeft Gallée jammer genoeg niet vermeld. Hij zegt echter duidelijk ‘enkele’ en niet ‘alle’ plaatsen, wat Verdam, in Mnl.W. VIII, 1446 [1916] i.v. Verbagen, toch had kunnen behoeden voor de m.i. als zelfkritiek al te verregaande conclusie dat bagen ‘niet uit behagen is samengetrokken’. Intussen kan ik bij de i.v. Bagen in het Mnl.W. vermelde plaatsen geen enkele ontdekken die evident bij bâgen, met woorden strijden' of ‘roemen’ behoort. Met Verdam in Mnl.W. I [1885] zie ik integendeel bij alle een ‘samentrekking uit Behagen’12). De
| | | | enige evidente ‘mnl.’ bewijsplaats van bâgen in het Mnl.W. is de reeds door Verdam in deel I, 523 [1885], niet in voce Bagen13) doch onder Bagel, bet. 2. vermelde uit G. van der Schuerens Teuthonista A 9 vo b [1477]:
Baige(n). beroeme(n). vermete(n). Jactare Pompas exerce(re). iactita(re) arroga(re). p(re)sume(re). gl(ori)ando vanitare. ostenta(re) Pompisare.
Bij dit bâgen sluit blijkbaar aan, als nomen agentis, het znw. bâger dat we vinden in de volgende plaats uit J. van Dans, Thyrsis Minnewit 2, 92 [± 1640]:
Ick ben geen Morsse-bel, of slodderighe Jagher, Of sooder oock wel zijn, een wilde woesten Bagher, Neen keurigh op mijn goed, mijn Valken zijn geblint, Soo net en soo geciert als ick noch ergens vind.
De betekenis van bagher is hier blijkbaar, ‘pocher, opschepper’14) of
| | | | ‘twister, ruziemaker’ en niet ‘woeste bewegingmaker’, zoals de Jager, Freq. 2, 11 [1878] dacht. Kluyver in W.N.T. II, 865 (= Afl. 6) [1895] laat dit bagher aansluiten bij een dialectisch (o.m. Heerlens) frequentatief van bâgen, t.w. Bageren ‘wild en woest praten’ en ‘leuteren, kletsen’15). Ik zie echter niet goed hoe dit mogelijk is, tenzij men bâger als de werkwoordsstam van bageren en dan als mannelijk nomen agentis zou willen opvatten; dit verschijnsel komt voor doch is vrij zeldzaam (b.v. verander, pruts), in tegenstelling tot de vrouwelijke nomina agentis van dit type16). Maar vermoedelijk heeft Kluyver met ‘hierbij behoort’ niet bedoeld dat bager direct bij bageren zou aansluiten.
In het Mnl. Handwdb. [(1908-)1911] van Verdam - onveranderd in de nieuwe bewerking door C.H. Ebbinge Wubben [1932-1956] - zijn voor het intrans. bagen de omschrijvingen van het Mnl. W., op enkele details na (er is b.v. een goede, nieuwe omschrijving van sijns selves qualike bagen onder I, 2 bijgekomen), getrouw overgenomen, doch er is, in hetzelfde artikel17), een tweede bagen aan toegevoegd, t.w. een wederk. ww., waarvoor als betekenis ‘zich beroemen op; behagen scheppen in’ wordt opgegeven. Dit zou erop kunnen wijzen, dat Verdam in 1908 de beschikking had over een of meer voorbeelden van een reflexief ww. hem bâgen ‘zich beroemen (op)’. Wie echter het door Verdam nagelezen materiaal in de ‘Loketkast’ op de Leidse Universiteitsbibliotheek raadpleegt, wordt op dit punt aanvankelijk teleurgesteld. Immers, hij vindt alleen maar een briefje ‘bagen, bulderen Blome der d. 66’. Het raadsel wordt echter gauw opgelost, wanneer men de plaats uit Blome d. Doochd. opslaat. Immers, daar leest men:
Ic (heb) u ghescreven die maniere van hoverdien hoe menigherhande sij is ende wat daer af ghecomen is ende hoe sij gestorven sijn die in hoverdie
| | | |
gheleeft hebben soe dat ghijse billix wel sult moghen leeren kennen ende onderscheiden vander edelre oetmoedicheit die niet en buldert die niet en roempt noch haer en baecht van hoerre gebhoerte noch van hoerre rijcheit noch van hoerre wijsheit noch van hoerre scoenheit, Blome d. Doochd. 66 (Hs. Reckheim) [Hollands met Maastrichtse taalvormen, ± 1485].
Hier is natuurlijk geen sprake van een betekenis ‘bulderen’ maar wel van ‘zich beroemen (op)’, wat Verdam trouwens in (1908-)1911, blijkens zijn tweede bagen, ook reeds moet hebben ontdekt18).
Gelukkiger was Gallée met de plaatsen van mnl. baech, want die hebben duidelijk niets met behaag te maken19). Ze behoren met een betekenis ‘het roemen, pralen’ bij bâgen ‘roemen, pralen’. Mnl. baach is blijkbaar identiek met os. bâg, stm. ‘Rühmen, Brâsten’, mnd. bâch ‘Prahlerei, lautes Rühmen, Hoffart’, ohd. bâg, st.m. (‘Streit, Streitsucht’), mhd. bâc, st.m. ‘(lautes schreien; zank, streit;) prahlerei’; on. bágr, st.m. (‘twist, ruzie’). Ook bij de artikelen Bagel, Bagelheit en Bagelike in het Mnl. W. zijn verschillende plaatsen die bij bâgen horen; de verklaring dezer plaatsen, die ik in detail enigszins anders zie dan Gallée, laat ik hier echter rusten.
Ik heb al gezegd dat Gallée heeft opgemerkt dat ‘de woorden baag en bagen samengevallen zijn met samengetrokken vormen van behaag en behagen’. Wat Gallée niet heeft gezien, is dat bij het artikel Behagen, ww. in het Mnl. W. 1 [1885] ook tal van hypercorrecte vormen van bâgen voorhanden zijn. Dat Gallée dit niet heeft gezien, is eigenlijk merkwaardig. Immers voor één enkel citaat (Sp. I2, 2, 68) van mnl. behagel spreekt hij het vermoeden uit, dat dit een voor rekening van ‘de afschrijver’ komende hypercorrecte vorm van bâgel zou zijn (blz. 8-9). Ook dit is merkwaardig, immers in de artikelen behagel,
| | | |
behagelheit en behagelyc, in het Mnl.W., liggen de hypercorrecte vormen van bâgel voor het oprapen! Ook hier, evenals voor het artikel Bagel van het Mnl.W., ga ik niet in detail in op de verklaring der verschillende plaatsen omdat dit te ver zou voeren. Ik beperk me tot mnl. behagen, als hypercorrecte schrijfwijze voor bâgen, terwijl de bewijsplaatsen die werkelijk bij behagen ‘welgevallen scheppen in’ behoren, onbesproken kunnen blijven.
| |
Mnl. Behagen hypercorrecte schrijfwijze van Bâgen.
Voor de nogal afwijkende betekenissen van mnl. behagen heeft Gallée vrede gehad met een door Verdam gesuggereerde betekenisontwikkeling ‘zelfbehagen scheppen, zich iets inbeelden, zich verheffen op iets, trotsch en overmoedig zijn’, waarbij hij de vraag stelt ‘of juist niet bij de gelijkheid der beide woorden de beteekenis van baag invloed gehad heeft op de verdere ontwikkeling van de beteekenis van behagen’ (blz. 8); ‘of dit, en in hoeverre dit het geval geweest is’, voegt hij eraan toe, ‘moge een ander bepalen’. Dat er met mnl. behaghen wat aan de hand was, heeft Franck in zijn E.W. [1892] ook gemerkt waar hij i.v. Behagen, gedeeltelijk door Gallée geïnspireerd, schrijft: ‘In het Nl. schijnt echter een met os. bâg m. “grootspraak” overeenkomstig substantief (zie bogen) op bagel van invloed geweest te zijn: de verwarring blijkt ook uit mnl. hem behaghen zich beroemen’. Van Wijk, E.W. [1912], i.v. Behagen, heeft er echter geen aandacht aan besteed.
In een paar, althans in een van de in het Mnl.W. i.v. Behagen geciteerde plaatsen, zou ik mnl. behagen willen zien als een hypercorrecte vorm van bâgen, De door Verdam gesuggereerde betekenisontwikkeling wordt dan overbodig, evenals de door Gallée vragenderwijs veronderstelde invloed der ‘beteekenis van baag’. Het betreft twee voorbeelden uit Vanden Levene Ons Heren [± 1270] (Hs. Utrecht [Oostbr., 1438]) die hier, iets uitvoeriger dan in het Mn.W. en geciteerd naar de uitgave van W.H. Beuken, volgen:
vers 2699
Eest logene, eest waerheit dattu iaegs,
Est waer, dies du di behaechs?
Du best god segstu ouer waer,
| | | |
Dat maecstu al den ioden maer.
Eest waerheit, so bestu verdaen,
Liegstu daer omme du salt ontgaen.
vers 3331
Lieue kint, als ic van di gelach,
Hoe wel icx mi behaghen mach,
Dan en haddic rouwe no seer;
Salic di spreken nemmermeer?
Ik begin met het tweede voorbeeld (uit ‘Onzer vrouwen claghe’ onder het kruis), waarin Maria in herinnering roept, hoe ze haar zoon baarde zonder pijn. Hoe wel icx mi behaghen mach kan alleen maar een tussenzin zijn; Verdam heeft dan ook in Mnl.W. I, 727 [1885] een uitroepteken aan het eind van deze zin, in plaats van de komma der editie P.J. Vermeulen [1843], die men insgelijks vindt bij W.H. Beuken [1929] en C.C. de Bruin, Verwijs' Bloemlezing 2, 74 [1957]. Houdt men zich uisluitend aan de context en maakt men zich los van elke taalkundige overweging, dan zou men die tussenzin kunnen vertalen als ‘hoe goed kan ik me dat herinneren’! Zo heeft de eerste uitgever P.J. Vermeulen het blijkbaar ook opgevat, want hij schrijft in zijn woordenlijst: ‘Behaghen, 3332, komt in verwanten talen als herinneren en overleggen; overdenken, meditari voor’ (blz. 215-216). Welke verwante talen hij hierbij op het oog heeft gehad, is me niet bekend; men zou wellicht kunnen denken aan zwe. komma ihåg ‘zich herinneren’. Dit laatste is echter etymologisch niet verwant met mnl. behaghen, wel met got. hugs, m. ‘verstand’. Maar aangezien ‘zich herinneren’ een volkomen vreemde eend blijkt te zijn in de betekenisbijt van ndl. behagen en zijn Germaanse verwanten, zullen we wel moeten aannemen dat onze eerste interpretatie, tevens die van Vermeulen, al te eigentijds is. Verdam in Mnl.W. I, 727 [1885] rangschikt onze plaats dan ook onder de wederk. betekenis ‘behagen scheppen in, genoegen hebben in iets’. Beuken heeft geen verklaring bij deze plaats, zodat we wel mogen aannemen dat hij zich stilzwijgend aansluit bij die van Verdam20). Ik heb me een ogenblik afgevraagd, of een interpretatie ‘hoe
| | | | zeer kan ik (Maria, de uitverkoren Maagd) me daarop beroemen’! niet beter paste?21). Mocht dit het geval zijn, dan zou men in behaghen in L.o.H. 3332 een voorbeeld kunnen zien van een hypercorrect geschreven ww. bâgen ‘roemen (op)’. Ik kan me echter voorstellen dat er tegen een interpretatie behaghen = bâgen ‘roemen’ in L.o.H. 3332 ernstige en wellicht zelfs al te ernstige bezwaren van theologisch-historische aard zouden zijn in te brengen. De bewuste plaats laat zich waarschijnlijk toch wel het beste begrijpen in de sfeer van de zeven blijdschappen van Maria. Belangrijker voor mijn doel lijkt me daarom de eerste plaats.
Hoe Vermeulen behaechs uit L.o.H. 2700 heeft ingepast in zijn constructie ‘herinneren, overleggen, overdenken, meditari’, is me niet bekend. Geen wonder dat Verdam in Mnl.W. dan ook voor deze plaats een andere interpretatie opgeeft, en wel die van ‘zich verheffen op’, een betekenis die m.i. hier veel beter past. Daarnaast geeft hij, misschien min of meer in aansluiting bij de constructie van Vermeulen, maar dat is niet zeker, ook een omschrijving ‘zich iets inbeelden’22), die hier op zichzelf niet onaannemelijk is, maar die ik op taalkundige
| | | | gronden verwerp. Semasiologisch zoekt Verdam voor behaechs aansluiting bij het gewone behagen ‘welgevallen vinden in’, door uit te gaan van een eigenlijke betekenis ‘zelfbehagen hebben om iets’. Het wil me voorkomen dat men, wanneer men uitgaat van de betekenis ‘zich verheffen (op), roemen (op)’, behaechs het eenvoudigst kan verklaren als een hypercorrecte vorm van baechs, 2. p. sg. praes. ind. van het ww. bâgen ‘roemen (op)’23).
Hiermee is, naar het me voorkomt, het bestaan van een Middelnederlands ww. bâgen ‘roemen (op)’ in een hypercorrecte schrijftaalvorm behagen voldoende duidelijk geworden. Dit bâgen is een authentiek Westmiddelnederlandse, Vlaamse vorm24).
| |
III. Verbâgen (I)
In zijn artikel Verbagen in het Mnl.W. VIII [1916] geeft Verdam, onder ‘II. Trans’ de volgende mnl. plaatsen:
Dat ghi mi secht, wie (h)u doet quelen ...; het es die scone jonghe maecht, die mi aldus heeft verbaecht, Denkm. 3, 168, 97 (= Comb. hs. [Oostvlaams (Gent?), ± 1350-1420])25).
Als ghi uwer moeder zaghet Zo bedrouft ende uerbaghet Dor die passie en̄ die pine Die zoe zach in den liue dine (van Christus), Sp.o.B. 98 b (hs. te Londen, British Museum = berijmde vertaling van het Speculum humanae salvationis [Vlaams gekleurd, begin 15de e.])26).
Consciencie heift my ghevraecht, Hoe verre dat mijn leven draecht Ten
| | | |
hemelschen ghewinne. Dit vraghen maect my so versaecht, So zeere bescaemt ende so verbaecht, Ic en weet, wat ic beghinne, Jahrb. Ndd. Verein. 1887, bl. 118 (hs. Berlijn, Pruiss. Staatsbibl. ms. germ. 8o. 211 = ‘Marienlied’ [Westvlaams, 2de h. 15de e.]).
Verdam, die voor de eerste plaats de betekenis ‘behagen, aanstaan’, opgegeven door de Woordenlijst bij de Bloemlezing uit Middelnederlandsche Dichters van E. Verwijs - de eerste druk van de Woordenlijst [1867] heeft ‘behagen’; de tweede [1890], door G. Penon bewerkt: ‘behagen, bevallen, aanstaan’27 - terecht onjuist noemt, geeft zelf als omschrijving ‘van zijn stuk brengen, in geestverwarring brengen, zijne bezinning doen verliezen’. Zijn verklaring is min of meer geïnspireerd door Kiliaan, in wiens derde druk [1599] men ‘Verbaeghen. vet fland. j. ver-baesen’ vindt. Nu had verbazen inder daad eertijds de, betekenissen: ‘van zijn verstand beroven; uitzinnig, van de wijs, in de war, verbijsterd, verdwaasd maken’ en ‘onthutst, verbouwereerd, verward maken; uit het veld slaan, van zijn stuk brengen’; en deze laatste betekenis past dan ook voortreffelijk bij de plaats uit ‘Van tween ghesellen die elc voer andren sterven wilden’ (vs. 102). De bron van dit ‘vet. fland.’ bij Kiliaan is onbekend. J. Jacobs, De verouderde Woorden bij Kiliaan 183 [1899], bespreekt wel het woord, doch brengt ons, uitgaande van een anachronistische probleemstelling en een verkeerde methode, geen stap verder. Ook het Gentse Naembouck van 1562 is niet Kiliaans bron; dat blijkt uit Verdeyens vergelijkende lijst van de ‘Flandris’-woorden bij Kiliaan en in het Naembouck (zie ed. Verdeyen blz. xci [1945]). Het vermoeden ligt voor de hand dat Kiliaan dit ‘vet. fland’, d.w.z. dit in een oud of historisch Vlaams geschrift
aangetroffen28 woord ver-baeghen, heeft overgenomen uit een gedrukte bron, waarin een van de in het Mnl.W. i.v. Verbagen geciteerde plaatsen waarschijnlijk werd geciteerd29.
| | | |
Op grond van de als bnw. gebruikte deelwoorden mnl. verbaghet en mnl. verbaecht, zou ik de woorden ‘in geestverwarring brengen, zijne bezinning doen verliezen’ uit de omschrijving van Verdam willen schrappen30), en die mi aldus heeft verbaecht weergeven door ‘die me zo van mijn stuk heeft gebracht, die me zo ontsteld heeft’. Ook in de bnw. verbaghet en verbaecht kan er geen sprake zijn van ‘in de war’. Immers, in Sp.o.B. verwacht men een betekenis ‘ontsteld, verslagen’, terwijl verbaecht in het Marialied ‘onthutst, ontsteld, van zijn stuk gebracht, verslagen’ betekent.
Voor een betekenis ‘verslagen’ pleit ook het feit dat ver-baest bij Kiliaan2-3 [1588-'99]31) voorkomt als verklaring van ver-slaghen, naast o.m. de Latijnse omschrijvingen: ‘Attonitus, consternatus, exsternatus, stupefactus, exanimatus’. Ook in het Mnl.W., onder de betekenis 4) ‘terneergeslagen, mistroostig, ontsteld’ van het artikel verslagen, komt de verbinding verslagen ende verbaist voor.
De drie genoemde, Vlaamse plaatsen van mnl. verbâgen laten zich dus taalkundig terugbrengen tot een gemeenschappelijke grondslag' van zijn stuk brengen, ontstellen, tot verslagenheid brengen'. Deze betekenis kan men, met Verdam, zien als een verruiming van ‘de eigenlijke betekenis “overbluffen”’, die aansluit bij bâgen ‘roemen (op)’ een be- | | | | tekenis die in het Mnl.W. I [1885] weliswaar i.v. Bagen ontbreekt, doch bij Bagel, bet. 2, vermeld wordt.
Naast dit Middelnederlandse, Vlaamse transitieve verbâgen vindt men in het Mnl.W., en dan nog wel als eerste betekenis, een reflexief sich verbagen ‘zich beroemen op, pochen of bluffen op iets, pralen’ vermeld. Uit het daarbij behorende voorbeeld:
Mitz oick sich verbagende, dat zie Cooman gehailet und geranssoent, und tho Elten tot oir 50 off 60 starck wesen solden, Brief v. Johan die Haen, stadhouder v.h. richterambt Doesburg d.d. 7 jan. 1575 aan Kanselier en Raden v. Gelderl. (Arch. Hof v. Gelderl., brieven m.h. Kwartier v. Zutphen, no. 4888).
blijkt echter dat dit Gelderse voorbeeld van het wederk. ww. met de betekenis ‘zich beroemen’, behorend bij bâgen ‘roemen’, niets anders is dan een verlengstukje van mnd. sik vorbâgen, sik vorbêgen in dezelfde betekenis 32).
Een uitloper van dit oostelijk Nederlands-Nederduitse woord vindt men - althans vond men tot voor kort33) - gewestelijk in Drente in de vorm verbo(o)gen, waar oo (evenals in zwoor ‘zwaar’, woor ‘waar’) teruggaat op oerg. ê, wgerm. â, en dus eigenlijk tot verbagen genormaliseerd zou moeten worden:
Verbogen. Zich op iets beroemen, Arch. v. Ned. Taalk. 1, 359 [Drente, 1847-'48]. Verbogen (zich) Zich beroemen, Aant. [Hoogeveen, ± 1880]. 't Is meê (me) ook al en fiise geweunte (het tabakpruimen), en misbruuk make ik er ook neet van, as partijë (sommigen) dê 't proempien haeven min kunt misten (missen) as 't piipien, en dê zik (zich) verboogt (beroemen) dat ze moar toekitst (raak uitspuwen), al bint ze ook bij de vrouwlun, A. Steenbergen, in N. Drenthsche Volksalm. 17, 144 [Hoogeveen, 1899].
In elk geval: Gelders sich verbagen ‘zich beroemen op, pochen
| | | | op’34), hoewel etymologisch identiek met het Vlaamse transitieve verbagen ‘van zijn stuk brengen, ontstellen’, heeft er geografisch niets mee te maken. Het zijn eenvoudig twee verschillende betekenissen uit twee verschillende talen, en tussen beide betekenissen bestaat er generlei direct verband. Daarom kan vl. trans. verbagen ‘van zijn stuk brengen, ‘onstellen’ niet direct aansluiten bij een nederduits reflex. sik verbagen ‘pochen op’. In dit vl. verbagen zie ik een afleiding van bâgen in een oorspronkelijke betekenis ‘met woorden strijden’, met een perfectiefresultatief prefix ver-; vergelijk voor deze functie ver in mnl. verslaen, verstriden of verwinnen en ohd gi- in ohd. gibâgan, kipâgan (Musp.) ‘im Streit obsiegen’. Verbâgen is dan ‘door een woordenstrijd het onderspit doen delven, in een woordenstrijd verslaan, door woorden van zijn stuk brengen, onstellen’ en vandaar ook alleen maar ‘van zijn stuk brengen, ontstellen, tot verslagenheid brengen’ zonder meer. Aan wat voor strijd met woorden hierbij moet worden gedacht, is onzeker. Met Verdam kan men denken aan ‘door roemen, door pochen van zijn stuk brengen, overbluffen’, maar ‘door twisten,
met een twistgesprek, door schelden van zijn stuk -, tot zwijgen brengen’ is evenzeer mogelijk. Men vergelijke voor deze betekenisontwikkeling tot op zekere hoogte fr. ébaubi ‘verbouwereerd, verstomd, stombeduusd’ eigenlijk ‘stom (ofra. bauben, lat. balbus) gemaakt’. Een gedeeltelijke parallel vinden we ook in mnl. verslaen en nnll. ternederslaan die ook in de figuurlijke betekenis ‘de moed benemen, moedeloos maken’ voorkomen.
| |
IV. Verbāgen (II).
In zijn Rhetoricaal Glossarium [1959] heeft J.J. Mak een artikeltje verbagen, met de volgende plaats:
God ... (heeft) vercoren v maechdelick wesen net als opperste priester voer al ghemeene Die van v leerde / die worden reene (t.w.: fiat mihi secundum voluntatem tuam35)) soe soete dat dies elcks sin verbaecht, Lof ... suuer ende aldersuuerste maecht, Ref. v.J.v. Stijevoort 2, 8 [vóór 1524].
| | | |
Mak, die bij deze plaats naar het Mnl.W. - dus naar Verbâgen (I) - verwijst, geeft het intr. verbagen hier weer met ‘zich verbazen’. Deze interpretatie lijkt niet geheel los te staan van Kiliaans ‘Ver-baeghen ... j. ver-baesen’. ‘Zich verbazen’ kan echter bij de plaats uit de Ref. v.J.v. Stijevoort alleen passen als men zich verbazen hier opvat, níet in zijn moderne, jonge betekenis ‘zich verwonderen’36) doch in de oude en verouderde, sterkere toepassing van ‘onthutst, verbouwereerd, perplex worden’. Tegen deze laatste, op zichzelf aannemelijke interpretatie heb ik echter twee bezwaren. In de eerste plaats dat verbagen hier een intransitief ww. is dat geconstrueerd wordt met een oorzakelijk genitivisch voorwerp (dies), terwijl het Vlaamse verbâgen ‘van zijn stuk brengen, ontstellen, verslagen maken’ alleen al trans. ww. is aangetroffen. In de tweede plaats das verbâgen pejoratief is, terwijl de context hier een niet-pejoratief verbagen veronderstelt. De zoetheid der beroemde woorden van de Dienstmaagd des Heren maakt die ‘al ghemeene’ (= het volk) niet verslagen, niet van haar stuk, ontstelt ze niet; neen, die woorden zijn zo zoet, dat iedereen er welbehagen in schept, er welgevallen aan vindt. In deze omstandigheden zou ik hier aan een ww. verbāgen de voorkeur willen geven, d.w.z. aan een afleiding van
bāgen als samentrekking van het ww. behāgen met een versterkend, resp. expletief ver-, geconstrueerd met den genitief (dies) der zaak waarin men behagen schept, een gewone constructie bij het intransitieve mnl. behagen. Dit verbāgen heeft dan de betekenis ‘welgevallen vinden in’. De proef op de som, t.w. een normaal *verbehāgen, resp. een hypercorrect *verbehâgen (= verbâgen), kan ik echter, tot mijn spijt, hier niet opleveren.
| |
V. Samenvatting
Het germaanse werkwoord *ƀêgan- is, althans in de betekenis ‘roemen’, eveneens in het Middelnederlands, bepaaldelijk in het Vlaams vertegenwoordigd. In het Mnl.W. is het, in tegenstelling tot het Mnl.
| | | |
Handwdb., niet te vinden bij het artikel Bagen zelf, maar het zit, afgezien van de vermelding van baigen ‘beroemen’ (Teuthonista) bij het artikel Bagel, verscholen onder een hypercorrect mnl. behagen. Dit oude mnl. bâgen, duidelijk herkenbaar in de mnl. afleidingen baach, bâgel(heit), bâgelike, is eveneens verborgen onder de hypercorrecte mnl. schrijftaalvormen behagel, behagelaert, behagelheit en behagelijc.
Het vlaamse transitieve verbâgen ‘van zijn stuk brengen, ontstellen’ sluit aan bij mnl. bâgen in de betekenis ‘strijden met woorden’. Het moet geografisch en tot op zekere hoogte ook naar de betekenisontwikkeling gescheiden worden gehouden van het Gelderse reflexieve sich verbâgen [1575] - eigenlijk een uitloper van mnd. sik vorbâgen - dat duidelijk aansluit bij bâgen in de betekenis ‘roemen’. Een plaats van verbaecht (3e p. sg. praes. indic.) in de Ref. v.J.v. Stijevoort [vóór 1524], door Mak geïdentificeerd met verbâgen, is wellicht eerder als verbāgen, d.i. als een samengetrokken vorm van behāgen met verte verklaren.
Leiden, april 1960.
F. de Tollenaere.
|
1)Hetzelfde vindt men in zijn Wörterbuch des Altwestnordischen [1948] i.v. Bágr. Deze etymologie van it. bega, die behalve in het R.E.W.3 [1935] van Meyer-Lübke, eveneens in de Italiaanse etymologische woordenboeken van C. Battisti en G. Alessio I, blz. 475 [1950] en van B. Migliorini en A. Duro 61a [1958] te vinden is, gaat terug op W. Bruckner, Charakteristik der Germanischen Elemente im Italienischen 10 [1899]. Deze schrijft: ‘it. bega ‘Streit, Zank’, das besonders in den norditalienischen Mundarten heimisch ist, wo sich auch das Verbum dazu findet, ven. begar, com. berg. begà ‘zanken, streiten’. Mit Recht hat Schneller, die rom. Volksmaa. in Südtirol S. 26, 113, die Quelle dieses auch in den rätoromanischen Dialekten Tirols und Friauls allgemein verbreiteten Wortes in ahd. bâga, Streit' gefunden; doch setzt natürlich die allen Dialekten gemeinsame Form mit e nicht eine westgermanische, sondern eine gotische Grundform mit ê, *bêga, Verb. * bêgan = ahd. pâgan ‘zanken’ voraus.’
2)F. Woeste, Wōrterbuch der westfälischen Mundart [1882] vermeldt baegelich ‘waghalsig, verwegen’; de uitgave van 1930 van E. Nörrenberg heeft baechlich (selten) ‘streitsüchtig’. Het Rhein. Wörterbuch I, 393 [1923] heeft sich bagen [bǭ.ə.n], 1. ‘sich wehren’, 2. ‘sich eilen’, 3. ‘sich rühmen, prahlen’; het woord is echter overwegend ten zuiden van de Benrather Linie gelokaliseerd.
3)Zie Van Wijk, E.W. i.v. Bogen [1912]. Vergelijk ofri. frâgia naast frêgia,, tegenover os. frâgon, ohd. frâgên; zie hierover P. Kloosterman, Het Vocalisme der beklemtoonde Leitergrepen van den Metslawienschen Tongval, historisch uiteengezet § 20 [1907]; J.S.H. Boersma, De Friesche Oorkonden uit het Archief van het St. Anthony-Gasthuis te Leeuwarden. II. § 11 [1939], voor welke verwijzing ik Prof. dr. K. Fokkema dank zeg.
4)Zie E. Karg-Gasterstädt en Th. Frings, Ahd. Wtb. (Afl. 11) [1959].
5)Zie W.N.T. XVI, 21 (1e afl. =) [1925].
6)‘Im Muspilli umfaßt bâgan neben dem herausfordernden Streitgespräch auch den sich daran anschließenden Kampf mit den Waffen’, E. Karg-Gasterstädt en Th. Frings, Ahd. Wtb. (Afl. 11) kol. 777 [1959].
7)De á vertegenwoordigt vermoedelijk een Indogermaanse ablaut ô; zie J. Pokorny, I.E.W. I, 115 (Afl. 2 =) [1949].
8)Zie K.Z. 36, 448 [1900].
9)‘Gemeinkeltische sitte war es, dass bei festlichen gelagen der beste der anwesenden männer anspruch hatte auf den “heldenbissen” in concreto das schinkenstück vom festeber’, K.Z. 36, 447 [1900].
11)Ik neem aan dat Gallée hier met strijden ‘vechten’ bedoelt.
12)Dit blijkt m.i. uit het materiaal van het Mnl. W. i.v. Bagen, dat ik hier, doch thans gelokaliseerd en gedateerd en iets uitvoeriger geciteerd, laat volgen
1. Enen (3de nv.) bagen, iemand behagen, bevallen, aanstaan. // Here, ic ben gevaen. Ende wille u gerne sijn onderdaen, Ende gereet tuwen gebode, Ende nemmermeer sone moet bagen Gode, Dat ic soke hulpe ocht troest Om te werdene van u verloest, Rose 1822 [± 1280] (Hs. Kon. Ak. Amsterdam [Vl.-Brab., ± 1300]). Hijs kinchs ende jonc van dagen, Datter mi ane best dunct bagen a.w. 3547. Dit es die minne die mi baecht, Ende deze willic dat gi draecht, a.w. 4651. (Apius) Die sinen seriant tenen dage Dede doen ene harde grote clage... Over die dochter Virginius... Omdat si Apiuse baegt, So dat hise moeste minnen, Ende si sins niet en woude kinnen, a.w. 5378. Besiet, vrient, hoe u baegt Davonture, diet al draegt, Den enen boven, den anderen onder, a.w. 6299. Dat water began hem wel bagen. Hine hadde gedronken in xii dagen, Ferg. 3043 [13de e] (Hs. Leiden [Westmnl., 130-'50]). Dat ene brulocht ware daer Besproken tusscen Lodewike, Den jongen coninc van Vrankerike, Ende Yoens dochter der maegt, Die van doegden elken baegt, Ende van scoenheden mede, Lorr. I, 1036 (Hs. Giessen [Brab., ± 1350]). Die keser ...Heefse (‘die heren’)harde wel ontfaen, Ende sonderlinge ere gedaen, So heefti daer Gelloens magen, Dat Garine qualec begonste bagen, a.w. II, 2956.
2. Ook gevolgd door een 2den nv. Op zijn gemak, gerust, in zijn schik zijn over iemand of iets. // Die coninc ... stac Hem, dat in den lichame brac Dat spere, ende dat trenscoen Bleef in den lichame den baroen Ende es te sire tenten weert Weder metten steke gekeert Daer hi wart op sijn bedde gedragen. Sijn selfs begonstem qualeec bagen, Lorr. II, 954 (Hs. Giessen [Brab., ± 1350]).
13)In zijn uitgave van Teuthonista verwijst Verdam [1896] i.v. Bagen naar Bogen doch bij Bogen heeft hij toch een beetje gezeten met zijn verkeerde normalisatie; daar schrijft hij: ‘ Bogen ( baigen, of op te vatten als bagen?)’.
14)Verg. Rhein. Wtb. 1, 393 [1928]: bager ‘Prahlhans’.
15)Verg. rhein. bagern ‘Lärm treiben’, in de ‘Kreise’ Schleiden, Aachen, Geilenkirchen, Jülich, Heinsberg, Kempen en Mörs, Rhein. Wtb. 1, 394 [1928].
16)Zie R. Reniers, in Album E. Blancquaert 265-275 [1958].
17)Het reflexieve mnl. hem bogen ‘zich beroemen’, waarvan het Mnl. W. I, 1350 [1885] één voorbeeld citeert uit Vad. Mus. 2, 186, 281 (Hs. Brussel, K.B. [Westmnl., Brab. gekleurd, c. 1410]), is in het Mnl. Handwdb. [1908-)1911] als apart artikel opgenomen wat theoretisch met bagen in dezelfde betekenis had dienen te gebeuren.
18)In het Mnl. W. Dl. VIII, 1446 [vóór 1916] echter, bij het artikel Verbagen, schrijft Verdam, dat bagen ‘alleen als intr. gevonden is’.
19)Het Mnl. Handwdb. verwijst bij Baech naar behaech, en dat niet alleen in de eerste druk van (1908-)1911, doch ook in de nieuwe uitgave door C.H. Ebbinge Wubben [1932] (hetzelfde in 1949 en 1956). Een geheel nieuwe bewerking van het Mnl. Handwdb. zou thans beslist geen overbodige luxe zijn; het zou wellicht een bijprodukt kunnen worden van een eveneens broodnodig supplement op het Mnl. W.
Zelfs Van Wijk, E.W. [1912] schrijft i.v. Bogen, dat mnl. baech ‘hoogmoed’ ‘veeleer uit behaech ontstaan (zal) zijn’.
20)Naderhand heeft
Beuken - dat blijkt uit zijn bloemlezing uit Vanden Levene ons Heren (Zutphen, 1931), blz. 36 - gemeend de voorkeur te moeten geven aan de variant G II
hoe wael dats mi behaghen mach
uit het zgn. Zutfens-Groningse hs. (Gron. U.B. 405) (Z-Holl.-Utr. gekleurd, [1339]).
Bij een trans. ww. zou men echter dat verwachten. Wanneer dats gelijkstaat met dat des, dan is behaghen hier een onpers. ww. met de gen. der zaak en dat een voegwoord. Maar ook als men aan een betekenis ‘behagen’ vasthoudt, verdient de lezing van het Oostbrabantse handschrift:
hoe wael icx mi behaghen mach
met een reflexief ww. met de gen. der zaak, de voorkeur boven een vreemde dat(de)s-versie. Zou dats hier geen contaminatie zijn van dat × des?
21)Men vergelijke in dit geval misschien de verzen 3307-3308:
Wie sal mi nv doen goet ende ere,
Als du doet best, lieue here?
Van de verbinding goet ende ere doen ‘weldaden en eer bewijzen’ geeft het Mnl. W. i.v. Ere (II, 686) een voorbeeld uit Limb. II, 878: ‘Mi en was in de stad niet ghedaen dan al goet ende ere’. Voor goet doen verg. i.v. Goet (II, 2042) een voorbeeld uit Limb. I, 1487 en verder het artikel Goet doen (II, 2048).
22)Dit is in het Mnl. Handwdb. [1911-1956] de enige omschrijving sub 4.
De heer Mak, met wie ik deze plaats besprak, meende voorlopig, los van elke taalkundige overweging, de voorkeur te moeten geven aan een betekenis ‘prijs stellen op’.
23)Men vergelijke eveneens in L.O.H. bâgelhede (hypercorrect geschreven behagelhede) in vers 3164:
Inden welken niemen venden en can
Sonde, mesprijs no dorperhede,
Honerde, felheit no scamp.
De betekenis is blijkbaar ‘twistzucht, twistgierigheid’ of ‘verwaandheid, opgeblazenheid’. Verdam, Mnl. W.I. 726 [1885] vat het op als ‘trotschheid, overmoed, euvelmoed’.
24)Dat westmnl., vl. baag en bâgen ‘uit het Saksisch of uit het Kleefsche Nederfrankisch’ zouden zijn ingedrongen, een mogelijkheid die Gallée (blz. 7) in alle ernst heeft overwogen, is natuurlijk uitgesloten.
25)E. von Kausler, Denkm. 3, 505 [1866] verwijst ter verklaring van verbaecht naar Kiliaan. Zie voor het citaat thans Verwijs' Bloemlezing herzien door C.C. de Bruin, 3, 203 [1958].
26)Geverifieerd op de Leidse fotokopie (L 1676).
27De derde, door F.A. Stoett bewerkte druk [1915] heeft: ‘iemand van zijn stuk brengen, zijne bezinning doen verliezen’.
28Zie R. Verdeyen, Het Naembouck van 1562, I en III [1945].
29Ik had eerst gedacht aan de plaats uit het Comb. hs., subsidiair die uit het ‘Marienlied’. Dr. Lievens, met wie ik de kwestie besprak, wees me erop dat Sp. o.B. eerder in aanmerking komt, aangezien de vertaling van het Speculum humanae salvations ook als wiegedruk en als postincunabel een lange traditie heeft.
M.-F.-A.-G. Campbell, Annales de la Typographie néerlandaise au XVe siècle [1874] vermeldt onder nr. 1571 Dat Speghel der menscheliker behoudenisse (z.d., z. pl.) (thans te Londen, B.M.; zie M.E. Kronenberg, Campbell's Annales 166 [1956]). onder nr. 1572 Speculum humanae salvatoris. Dat Speghel onser behoudenisse (z.d., z.pl.) (aanwezig te Rijsel en te Haarlem (2 exempl.)), onder nr. 1573 hetzelfde werk gedrukt te Culenburch bij Johan Veldener in 1483 (aanwezig te Haarlem). M.E. Kronenberg noemt in haar Nederlandsche Bibliographie van 1500 tot 1540 1, nr. 1929 Spiegel der behoudenessen (Brussel, c. 1510) (aanwezig Hamburg, S.B.). Dit laatste werk is echter, naar de ‘S.u.U.B. Hamburg’ (mei 1960) meedeelt ‘Nicht vorhanden. Bestände verbrannt’.
In de Bouwstoffen van het Mnl. W. vindt men onder nr. 1214 Dat spieghel der menscheliker behoudenisse (prozavertaling) (Handchrift Haarlem Stadsbibl. [Utrechts, 1464]), en onder nr. 1215 De spieghel smenschen behoudenesse (berijmde vertaling) (handschrift Londen, B.M.) [begin 15de e., Vlaams gekleurd]).
30)Het Mnl. Handwdb. (1932-'56) heeft terecht alleen ‘van zijn stuk brengen’; de eerste druk [(1908-)1911] heeft nog ‘iemand bekoren; zijn hart veroveren’.
31)Kiliaan [1574] heeft: ‘Verslaghen ende verbaest’.
32)Vergelijk in de ‘Kreis’ Kleef (Calcar) sich verbagen [-bǭ.ə.n], (en verbog ‘das Rühmen’ in de Moezelfrankische ‘Kreis’ Bitburg) ( Rhein. Wtb. 1, 393 [1928]), alsmede Westfaals verbåg ‘vermessenheit, prahlen’.
33)Dr. Naarding schrijft me (24-4-'60): ‘Ik herinner mij het woord -met oo - in Hoogeveen ± 1910-'15, doch 't werd zelden gebruikt. Over de huidige toestand kon ik geen gegevens krijgen: geen mijner zegslui herinnerde het zich nog. Dat klopt met het ontbreken ervan in L. Slingenberg, 187 Hoogeveensche woorden en uitdrukkingen, Hoogeveen 1935, een kleine curiositeitenverzameling’.
34)Hierbij vermeldt de Teuthonista A 9 v o b ook de afleidingen verBager ‘pocher, zwetser’ en verBagyng ‘pocherij, gezwets’; van verbaginge geeft het Mnl. W. nog een bewijsplaats uit Hs Lett. 321 te Leiden [Gelders-Overijssels, eind 15de e.].
35)Deze toelichting dank ik aan de heer Mak.
36)Dit verleidt A. de Jager, Woord d. Freq. 2, 11 [1878] tot de volgende commentaar: ‘Kil. omschrijft het door hem vlaamsch genoemde ww. verbagen niet zeer juist door “verbazen”.’
|
|