[p. 139]

Boekbeoordelingen

H.F. Wijnman, Uit de kring van Rembrandt en Vondel; verzamelde studies over hun leven en omgeving. Amsterdam, Noord-Hollandsche Uitg. Maatsch. 1959. VIII, 205 bladz.

Bij zijn aftreden als adjunct-bibliothecaris van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek is Mr. Wijnman gehuldigd met een feestbundel, waarin een aantal van zijn eigen studies over 17e-eeuwse kunstenaars zijn verzameld. Sommige van deze opstellen verschijnen hier voor het eerst, andere zijn omwerkingen van bijdragen uit Maandblad en Jaarboek van Amstelodamum, Vondelkroniek en Haagsch maandblad. Zoals de titel aanduidt staat de inhoud van alle opgenomen stukken in meer of minder nauwe betrekking tot Rembrandt of tot Vondel. Over de vraag naar de onderlinge betrekking tussen de twee kunstenaars zelf heeft Wijnman geen nieuwe gegevens, maar hij ontmoette bij zijn onderzoekingen wel tal van personen die gemeenschappelijke kennissen van beiden moeten zijn geweest. De kringen, waartoe dit onderzoek ons vooral inleidt, zijn niet de regenten-families, maar de buiten de ambten en buiten de officiële kerk staande groepen, in het bijzonder Doopsgezinden en hun afstammelingen.

Wijnman tovert uit zijn talloze kleine vondsten een realistisch beeld te voorschijn van het gewone alledaagse leven. Dit realisme geeft verrassend veel schakeringen of tussentinten en waarschuwt ons voor te strakke schematisering van de 17e-eeuwse stadsmensen in hun doen en denken binnen kerkelijke en religieuse begrenzingen. Persoonlijke en zakelijke betrekkingen, vriendschappen en huwelijken helpen de banden van die gemeenschappen in stand houden, ofwel zij brengen sommigen er juist toe die grenzen te overschrijden. Kunstenaars en intellectuelen volgen uiteraard hun eigen aanleg en talenten, zonder dat zij daarbij steeds de aangewezen wegen van hun gezindte ontzien, al hoeft dat niet bij allen tot openlijke botsingen te leiden. Individualisten vormen overigens nooit een gesloten groep met vaste eigen kenmerken, behalve dan hun betrekkelijke zelfstandigheid binnen hun

[p. 140]

tijd en hun omgeving. En daartoe blijven zij intussen toch ook behoren. Zo voeren deze studies ons in de reële wereld waarin ook Rembrandt en Vondel als stoffelijke mensen verkeerden; en zij brengen ons in kennis met vele van hun medemensen, waaronder verscheidene die door hun eigenschappen, talenten en belevenissen ook persoonlijkheden voor ons worden.

De eerste 90 bladzijden van de bundel zijn gewijd aan de kunstgeschiedenis: Rembrandt in zijn eerste Amsterdamse tijd en in zijn betrekking tot de Doopsgezinde kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh en de zijnen; voorts het bewogen bestaan van een door Rembrandt geportretteerde dame Catrina Hoogsaet; en tenslotte een uitgebreide monografie over leven en werk van de schilder Abraham van den Tempel, die o.a. een verloren portret van Vondel moet hebben gemaakt.

Daarna volgt in de tweede helft van nogmaals rond 90 bladzijden een reeks van vijf bijdragen over letterkundige onderwerpen. De eerste toont ons Vondel in zijn particuliere bestaan tussen de Doopsgezinden van verschillende schakering, de Vlamingen, waartoe zijn ouders behoorden, en de Waterlanders, tot wie zowel Vondel zelf als zijn zusters voor en na overgingen en bij wie zij hun huwelijkspartners vonden. Hun moeder Sara Cranen voelde zich niet gedisponeerd hen hierin te volgen. De vroeg gestorven jongste broer Willem zal zich nog verder en sneller uit het hele Doopsgezinde verband hebben losgemaakt. Wijnman wijst erop dat het beroep van advocaat in deze kringen niet werd beoefend, als strijdig met de geestelijke grondslag van de weerloosheid. Na 1620 maakte Vondel zich vrij uit zijn bedieningen bij deze geloofsgemeenschap en tot aan zijn toetreding tot de R.K. kerk zou hij behoren tot de godsdienstig-afzijdigen. Wijnman meent, zeker te recht, dat wij, vooral onder geleerden en kunstenaars, rekening hebben te houden met een kategorie intellectuele onkerkelijken, die daarom allerminst in de modernere zin als vrijdenkers en zelfs nauwelijks als consequente agnostici te beschouwen zijn. Naar hun persoonlijke aanleg sloten sommigen uit deze kringen zich op den duur nader aan bij een van de vrijere groeperingen buiten de staatskerk. Overgang naar de Roomse kerk kwam onder Doopsgezinden vaker voor en kon dan niet anders zijn dan het gevolg van gemoedsoverwegingen.

[p. 141]

Wie tot de Gereformeerde kerk toetraden werden wellicht mede bewogen door een menselijk verlangen naar politiek en maatschappelijk aanzien.

Na ongeveer twintig jaren kerkelijke afzijdigheid ging Vondel over tot het Katholicisme. Wijnman doet een poging om zonder emotionele gevoeligheid te herlezen wat Brandt daarover vertelt, met name de eigenaardige passage over de welgestelde Roomse weduwe. Wat daar staat is niet meer of minder dan dat een betrouwbare tijdgenoot, een rechtsgeleerde die Vondel al lang en goed kende, het ervoor hield dat diens overgang in verband stond met de gedachte aan een tweede huwelijk, en dat Vondel daardoor zich was gaan afvragen of hij niet ook Rooms zou worden. Met de bewuste rechtsgeleerde en andere vrienden had hij toen over het geloof gesproken op een wijze die naar hun smaak vrij onnozel was, waardoor hij deste lichter door de geestelijken met wie hij in aanraking was gekomen kon worden overtuigd, - hoewel overigens dat huwelijksplan toch niet is doorgegaan. Brandt, als historieschrijver, spreekt zelf geen oordeel uit, maar geeft het verhaal weer van een zegsman die er zelf bij is geweest, en die daarin eigenlijk aantoont hoe de overgang door een samenloop van omstandigheden werd bevorderd. De biograaf voegt er dan wel dadelijk aan toe dat Vondel van toen af ook oprecht en openlijk zijn nieuwe overtuiging trouw was. Wijnman vindt geen reden om deze voorstelling als een fantastisch verzinsel ter zijde te schuiven, en zeker niet om daarin een boosaardigheid van Brandt te zien. Zelfs de genoemde rechtsgeleerde, die deze geloofsovergang bepaald niet bewonderde, was meer teleurgesteld door Vondels gebrek aan inzicht in godsdienstzaken dan door het onderstelde verband met het vage huwelijksplan. Maar de 19e-eeuwse liberale Vondelvereerders zagen juist daarin een blaam op Vondels eer. Wat echter sommige Rooms-katholieke verklaarders uit deze geschiedenis hebben gehaald geeft naar Wijnmans inzicht meer recht tot de afwijzing als fantastische verzinsels. Dat Alberdingk Thijm de bewuste weduwe met Tesselschade wilde vereenzelvigen was als romantische inval wellicht geen onaardige vondst. Maar dat er ook maar enige redelijke historische grond zou bestaan om op deze fantasie voort te borduren bestrijdt Wijnman met stelligheid.

[p. 142]

Deze aangelegenheid wordt nog verwikkelder en zeker belangwekkender doordat sommigen de Eusebia, aan wie Vondel zijn Peter en Pauwels opdroeg, ook willen vereenzelvigen met Tesselschade. Maar aangezien deze pas later dan Vondel Rooms is geworden, zou zij dan toch weer niet de bewuste weduwe kunnen zijn, zoals Sterck reeds opmerkte; en dit bracht deze laatste er tenslotte toe Brandts verhaal toch maar ongeloofwaardig te verklaren. Wijnman besluit dat Tesselschade noch voor de vacature Eusebia, noch voor die van de Roomse weduwe op goede gronden in aanmerking kan worden gebracht. De ‘Opdraght aan Eusebia’ acht hij ‘gekunsteld en duister’; hij drukt deze raadselachtige verzen ter toelichting nog eens af als bijlage, inderdaad zonder enige commentaar (en helaas met enkele drukfouten, waarvan verguist in plaats van verquist de ongelukkigste is). Dat hier niet een bepaalde reële vrouw moet worden aangewezen, op wie deze tekst betrekking zou hebben, ben ik geheel met Wijnman eens; juist omdat die verzen wel kunstig maar eigenlijk helemaal niet duister zijn. Het is een inderdaad verbloemde poëtische opdracht aan een figuur die de dichter in enigszins hoofse vorm toespreekt onder een naam die Godsvrucht betekent. Iedere vrome ziel kon deze toespraak op zichzelf betrekken. In de beginverzen wordt Eusebia opgewekt hem te volgen naar Rome en het treurspel van Petrus en Paulus met hem te beleven. In de vier slotverzen vraagt hij Eusebia hem niet langer te weerhouden, nu hij al in geestvervoering van de wereld los is en alleen zijn treurspel bij haar wil achterlaten. De ruim 50 verzen daartussen hebben betrekking op stof en uitleg van het drama. Dat Vondel hierbij mogelijk aan een of andere kennis gedacht kan hebben, is iets anders dan dat hier tot goed begrip een geheim zou moeten worden ontsluierd. Tesselschade zou zich dan bij het slot toch wel hebben moeten afvragen in hoever zij hem tegenhield. Ook de onbekende Roomse weduwe kan zich mogelijk hebben herkend in de toegesproken Eusebia, die de dichter immers eerst uitnodigt met hem te gaan en aan wie hij tenslotte, nadat hij alle wereldse ijdelheid heeft afgelegd, als afscheid en gedachtenis zijn gewijd treurspel aanbiedt. En als Eusebia toch ook de gepersonifieerde Godsvrucht zou kunnen zijn, dan zegt de dichter tot haar: begeleid mij naar de heilige plaatsen van

[p. 143]

het treurspel en laat mij verder, nadat ik u mijn werk heb opgedragen, vrij opstijgen buiten de wereld. Dat zou inderdaad gelijkenis hebben met bestaande emblematische barokvoorstellingen. De vorm waarin Vondel deze opdracht aan Eusebia goot was kennnelijk gekozen om een speling in de betekenis van de woorden en de zin van het dichtstuk open te laten.

Een raadsel van heel andere orde is de persoon van Brandts ongenoemde zegsman. Hier gaat het niet om het zoeken van diepe verborgenheden, maar om een geheel reële onbekende, over wie een gissing kan worden gewaagd op grond van drie bekende factoren: hij was een rechtsgeleerde, die lange jaren vriendschappelijk met Vondel omging, en wel in de tijd vóór 1640. Een van degenen die aan dit signalement kunnen beantwoorden is Mr. Jan Vechters ofwel Joannes Victorinus. Deze vriend wordt door Vondel zelf en door Brandt herhaaldelijk genoemd. Reeds eerder zijn verschillende gegevens over hem in de Vondel-literatuur bekend geworden. Wijnman heeft daaraan zoveel weten toe te voegen, dat hij thans een bevredigende schets van leven en werk van Victorinus kon aanbieden.

In mei 1589 in de Nieuwe Kerk gedoopt, kwam hij nog geen vier jaar oud in het Amsterdamse Burgerweeshuis te recht. In 1609 werd hij op kosten van zijn vaderstad student in de theologie te Franeker, maar als niet rechtzinnig genoeg moest hij die opleiding afbreken, en vervolgde dan 1613 in Leiden zijn studie in de rechten, waar hij in 1620 is gepromoveerd. Waarom dat zoveel jaren duurde en hoe hij al die tijd aan de kost kwam is niet bekend. Hij vestigt zich in Amsterdam en trouwt reeds het volgende jaar 1621 in een bemiddelde familie. Hij behoorde tot de Remonstranten van het tijdstip af dat die weer openlijk als geloofsgemeenschap konden optreden, en vervulde tussen 1631 en 1641 verscheiden malen de dienst van ‘opsiender’ bij die gemeente; maar in april 1642, kort voor zijn 53e verjaardag, is hij gestorven. In deze ruim twintig Amsterdamse jaren behoorde hij tot de letterkundige kringen en zijn naam wordt in die tijd herhaaldelijk naast die van Vondel, Hooft, Coster, Breero e.a. genoemd. Inderdaad blijkt hij ook als toneelschrijver te zijn opgetreden en werd zijn stuk Goliath, op de verovering van 's Hertogenbosch, 1629, enige

[p. 144]

malen in de Duytsche Academie opgevoerd. Wijnman levert met dit uitvoerige opstel een belangrijke aanvulling voor de letterkundige geschiedenis van de Frederik-Hendrik-tijd.

Al deze kennis over Victorijn versterkt de gissing dat hij de gezochte rechtsgeleerde zegsman geweest is: een overtuigd Remonstrant, voor wie de veranderlijke godsdienstige gezindheid van zijn vriend een pijnlijke teleurstelling was, en die daarvoor een verklaring zocht in gebrek aan strenge theologische belangstelling bij de dichter en in de gedachten aan een tweede huwelijk bij de vitale weduwnaar. Wijnman wijst erop dat Victorinus en Geeraert Brandt de Oude elkaar ongetwijfeld goed gekend moeten hebben, als ijverige Remonstrantse gemeenteleden van ongeveer gelijke leeftijd en tevens als toneelliefhebbers, zodat zij licht in vertrouwelijke gesprekken konden raken over Vondel, die zij tot hun eigen kring hadden gerekend maar die nu naar een andere sfeer scheen over te hellen. Zo zou de jonge Brandt het verhaal dan hebben gekend door zijn vader. Hij was toen 15 jaar en kan dus de opwinding die Vondels overgang veroorzaakte thuis al hebben meebeleefd, zonder dat hijzelf de zo kort daarna gestorven Victorinus hierover heeft kunnen spreken. Dit is zeker aannemelijk en het past goed bij de wijze waarop Brandt deze geschiedenis weergeeft. Heel gewichtig is dit punt overigens niet, en ook Wijnman veroorlooft zich hierbij een wat luchtiger behandeling door van de spijtige conversatie tussen de twee bezorgde Remonstranten een enigszins novellistisch tafereeltje te maken. Een bijlage behandelt nog de verdere familie en nakomelingen van Victorinus. Jan's oudste zoon Dirck blijkt ook in verschillende 17-eeuwse verzenbundels sporen van letterkundige activiteit te hebben nagelaten.

In een volgend opstel heeft Wijnman een andere letterkundige en Doopsgezinde figuur gereconstrueerd: Jan Tonnis, een lakenhandelaar in Emden, die de schrijver was van Josephs droef en bly-eind spel, gedrukt 1639 in Groningen. Deze man was omstreeks 1607 in Emden geboren en had van 1628 af daar zijn huisgezin en zijn zaken; in 1647 komt hij nog voor in een Amsterdams notarieel stuk; over zijn verder leven is niets bekend. Voor die Amsterdamse notaris legde Tonnis een verklaring af op verzoek van een jeugdvriend, waaruit blijkt dat

[p. 145]

de Emdenaar als jongen een leertijd in Amsterdam heeft doorgebracht bij de lakenkoopman Jacob Theunisz en bij diens zoons. Deze Jacob Theunisz is de man die in 1620 uit vriendschap Vondels plaats als dienaar bij de Doopsgezinde gemeente wilde innemen; in 1621 bezong Vondel een bruiloft en in 1624 het overlijden van twee verschillende zoons uit deze familie. Zo blijkt de Doopsgezinde Emdense jongeling in hetzelfde huis te hebben gewoond, waar de wel 20 jaar oudere Vondel als vriend verkeerde. En veel later blijkt in Vondels Joseph-trilogie dat hij het al iets eerder verschenen Joseph-spel van Tonnis zeker gekend zal hebben.

De oude vriend voor wie Jan Tonnis in 1647 getuigde was Hendrick Jacobsz. Rooleeuw, nog een jongere zoon van zijn vroegere kostheer Jacob Theunisz; en de verklaring stond in verband met huwelijksnarigheden van deze Hendrick en zijn tweede vrouw, de door Rembrandt geportretteerde Catrina Hoogsaet.

De Amsterdammer Jacob Theunisz is meer dan waarschijnlijk een oudoom geweest van de Emdenaar Jan Tonnis. Deze laatste had de toenaam Tempel aangenomen en ondertekende in 1647 ook de bewuste verklaring voluit Jan Tonnis Tempel. De schilder Abraham van den Tempel behoorde tot dezelfde familie en was een kleinzoon van Jacob Theunisz. In Leeuwarden geboren en vroeg wees geworden, zal Abraham met zijn broer Jacob bij de Emdense bloedverwant althans tijdelijk onderdak zijn gebracht. Beide broers, wier vader de Leeuwarder schilder Lambert Jacobsz was, treden later op met de naam Tempel en Van den Tempel, evenals de eigen nakomelingen van de Emdenaar Jan Tonnis. Zo kruisten elkaar telkens de wegen en de familiebanden van al deze Doopsgezinde handelaars, dichters en schilders. En telkens kan Wijnman onder hen degenen aanwijzen die door Vondel of door Rembrandt zijn vereeuwigd.

Nog op twee figuren uit later jaren van Vondels leven heeft Wijnman zijn nasporingen gericht: de zonderlinge bohémien Mr. Bartholomeus Abba, en de wat duistere, door Brandt genoemde Jacob Venkel, die misschien is terug te vinden in een niet heel belangrijke Amsterdamse uitgever van die naam.

Abba was juli 1641 geboren uit een patricische Amsterdamse familie

[p. 146]

en verkreeg in 1666 zijn juridische doctorsgraad in Harderwijk. In 1663 blijkt hij al te behoren tot de dichtende jongelingschap, en Jan Zoet, die hem in dat jaar zijn bundel Parnassus aan 't IJ opdroeg, gewaagde van Vondels belangstelling voor zijn talent. Uit diezelfde tijd moet dan wel het weinig zeggende lofdichtje dateren, dat Vondel op Abba's portret vervaardigde, en waarvan Wijnman ontdekte dat het voor 't eerst is verschenen in 1664 (samen met een gedichtje van Abba zelf, als volkomen willekeurige bladvulling, achter in de Nederlandse vertaling van Erasmus' Colloquia, uitgegeven bij G. van Zyll, Utrecht 1664). Hij vestigde zich als advocaat in Amsterdam, maar alle gegevens wijzen erop dat hij in hoofdzaak zijn leven en zijn geld doorbracht als quasi-artist en leegloper. Wat Wijnman van zijn dichtwerk heeft kunnen vinden is alleen een aantal lofdichten en gelegenheidsverzen in de smaak van die tijd, in taal en vorm volgens de beschaafde mode, maar hol en zonder iets persoonlijks. Hij zakte blijkbaar verder af tot het leveren van rouw- en huwelijksrijmen op bestelling, en andere figuren uit deze branche beschimpten hem als een onbetrouwbare concurrent. De verspreide gegevens tonen dat hij voor zijn standgenoten een hopeloos geval, en in de maatschappelijk lagere regionen een bespottelijke nietsnut was geworden. Hij is in maart 1684 in de Nieuwe Kerk begraven, nog geen 43 jaar oud. Toen Vondel in 1679 stierf was hij waarschijnlijk een van de veertien bewonderaars die hem te grave droegen, en hij was zeker de vervaardiger van twee gelegenheidsverzen die aan deze plechtigheid herinnerden. Helaas heeft zijn beeld nauwelijks het schilderachtige van een avontuurlijke rebel of een geestige losbol, maar alleen het trieste van een zinloze ondergang.

Tenslotte nog Jacob Venkel, wiens naam Vondel zelf aan Brandt genoemd moet hebben als iemand bij wie hij nog wel eens zijn licht opstak, nadat de vroegere vrienden en helpers bij zijn klassieke studies allen gestorven waren. Het schijnt dat Brandt deze man niet nader kende, en uit de mededeling is niet meer op te maken dan dat hij de klassieke talen had geleerd. De enige mogelijke candidaat die Wijnman kon opsporen is een boekverkoper, die in 1653 als jongeman van ongeveer 26 jaar lid van het gilde werd en in Amsterdam tot zijn

[p. 147]

dood in 1680 werkzaam bleef. Een lijst van 92 uitgaven, die op naam van Jacob Vinckel of Venkel tussen 1654 en 1676 zijn verschenen, bevat in hoofdzaak nadrukken en geeft geen hoge dunk van het letterkundig of wetenschappelijk peil van zijn fonds. Wijnman vraagt zich af of Brandt zich vergist kan hebben in de juiste voornaam ofwel in het tijdstip waarop Vondel met deze man in betrekking kwam (hij noemt hem bij het jaar 1646). In het eerste geval zou er een Caspar Vinckel zijn aan te wijzen, die door leeftijd en belangstelling als vriend van Vondel veel aannemelijker lijkt. En in het tweede geval zou een Jacob, zoon van diezelfde Caspar, in aanmerking kunnen komen, maar deze werd pas in 1635 geboren en was dus in '46 nog een scholier. Op een mogelijke vergissing van Brandt kan men natuurlijk geen onderstellingen gronden; maar, naar hetgeen Vondel over hem vertelde, schijnt het belang van deze onbekende bepaald niet groot te zijn geweest.

 

Deze opstellen tonen een waar meesterschap in het verzamelen en weer tot leven brengen van archivalia. De kunst is daarbij om beperkte losse gegevens samen te voegen en het verband te herkennen waartoe zij hebben behoord. Dit eist kennis en intuïtie bij het verder zoeken en tegelijk groot zelfbedwang tegenover verleidelijke eigen aanvullingen en uitleg. Wijnman heeft nog veel meer stof dan hij in deze bundel kon onderbrengen, en het zou buitengewoon verheugend zijn als hij de gelegenheid kreeg ook zijn andere verspreide studies over geleerden, prentsnijders en typografen opnieuw verzameld uit te geven.

 

Rotterdam, sept. 1960

F. Kossmann

Dr A.A. Keersmaekers, De dichter Guilliam van Nieuwelandt, (Kon. VI. Acad., Reeks VI, no. 80), Gent, 1957.

Dit door de Kon. Vlaamse Academie met goud bekroonde boek was welkom omdat het ons inleidt in een nog te weinig bestudeerd gebied, het werk van Antwerpse dichters (en schilders) in de 17e eeuw met als hoofdfiguur Guilliam van Nieuwelandt.

[p. 148]

Het eerste hoofdstuk geeft een overzicht van ‘Verval en Herleving der Antwerpse Rederijkerskamers 1585-1632’. De drie kamers, de Violieren, de Goudsbloem en de Olijftak, die het na 1566 al zwaar kregen en na de inname van Antwerpen (1584) in verval geraakten, beleefden een hernieuwing met het Twaalfjarig Bestand, al was er met het doordringen van de Renaissance veel veranderd. Keersmaekers schetst ons hoe nu eerst de Olijftak bovenaan staat onder leiding van de humanist Sweertius en de dichters van Nieuwelandt, Heemsen en IJsermans en hoe daarna de Goudsbloem en de Violieren (waartoe ook Theod. van Rodenburgh toetrad) tot nieuw leven komen. Van Nieuwelandt verlaat 1620/'21 de Olijftak en 1623/'24 vinden we hem bij de Violieren, maar in 1629 vertrekt hij naar Amsterdam, waar hij ook in zijn jeugd al woonde en na een verblijf van 3 jaren te Rome in 1604 voor korte tijd was teruggekeerd. Uit de Olijftakperiode stammen de tragedies Saul, Livia en Nero, uit die van de Violieren Aegyptica en Sofonisba, tenslotte Salomon en Ierusalems Verwoestingh. Min of meer terloops komen ook andere toneeldichters der Violieren in dit hoofdstuk reeds aan de orde.

Het tweede hoofdstuk geeft een levensschets. Keersmaekers heeft met grote ijver uit archieven, lofdichten enz., kleine bijzonderheden bijeengebracht, die echter aan het beeld van de dichter weinig relief geven. Hij had nu eenmaal geen lyriek of brieven ter beschikking, waaruit we de mens en dichter in Antwerpen of Rome kunnen zien leven; het blijft dan ook een geschiedenis van feitjes.

Hetzelfde geldt helaas ook voor het derde hoofdstuk ‘De Vriendenkring van Guilliam van Nieuwelandt’. Het hoofdstuk heeft de onbetwistbare waarde dat het ons een indruk geeft van wat er artistiek in het begin van de 17e eeuw in Antwerpen omging. Wat weten we daarvan bitter weinig als we het vergelijken met Amsterdam! Van de samenleving dezer vrienden horen we weinig essentieels. Keersmaekers haalt zijn materiaal nl. voornamelijk uit lofdichten, die hij als bron van de kennis en de waardering van het werk m.i. veel te hoog aanslaat. Zo vermeldt hij een Latijns lofdicht van een zekere Joannes Croes en tekent daarbij aan: ‘De verzen van Croes werden later nog aangehaald door Sweertius, wat wel bewijst dat het epigramma mocht

[p. 149]

beschouwd worden als een meesterlijke samenvatting van van Nieuwelandts kunst’. Naast de Latijnse lofdichten zijn er in de moedertaal van niet minder dan 24 poëten. Daaronder zijn bekende namen als Heemsen, Hendrik Faydɔherbe en de Harduyn, maar ook verscheidenen, wier figuur schimmig blijft, zoals de schilderdichters Sebastiaan Vrancx en Pieter Meulewels. Vrancx schreef voor de Violieren niet minder dan 14 stukken; we hebben echter niets anders over dan de titels en wat K. daaruit wil opmaken blijft speculatie. Dat in die grote kring van lofdichters zo weinig gestalten relief krijgen, kan K. natuurlijk niet helpen. Maar het is een illusie dat we uit de vriendschap met hen en bepaaldelijk uit hun lofdichten essentiele dingen over van Nieuwelandt te weten kunnen komen.

Het belangrijkst in het boek zijn de grote hoofdstukken over van Nieuwelandt als dramaturg en als moralist. Zijn stukken behandelen alleen historische onderwerpen. Op twee wijzen is deze stof een gevaar geworden voor de dichter. In de eerste plaats houdt hij zich angstvallig aan de geschiedenis, ook waar die eigenlijk niet tragisch is en in de tweede plaats wil hij die geschiedenis zo compleet mogelijk geven, verloopt zich daardoor in bijzaken en verliest de concentratie op de tragische kern. In zijn eersteling Livia is daardoor de eenheid volkomen zoek, maar ook in de Sophonisba, die K. het beste stuk acht, vertoont zich dit dramaturgisch tekort. K. wijst nadrukkelijk op deze zwakheden, maar hij wijt ze alleen aan een onbevredigende opbouw der stukken, terwijl m.i. een belangrijker vraag is in hoeverre zij tragedies zijn te noemen en wat in het lot van de hoofdfiguur nu werkelijk tragisch is. Dit toneelwerk wordt getypeerd als senecaansklassieke tragedie en inderdaad blijken de senecaanse karakteristika ruimschoots aanwezig. Tegenover de term klassiek ben ik echter huiverig. Zeer terecht verwijst K. voor de aard dezer dramas naar de definitie van van Ghistele. Deze gaat echter terug op de grammatici der 4de eeuw als Diomedes en Euanthius, de wetgevers der middeleeuwen. De bewering klinkt mij dan ook kras, dat van Ghistele nog - en vooral! - gold in de 17e eeuw. Het merkwaardige is, dat van Nieuwelandt dramas schreef, die in wezen van Ghistele-achtig middeleeuws zijn maar met een Renaissancistische vormwereld en sterk onder

[p. 150]

de invloed van de senecaansche barok. Bovendien ontleende van Nieuwelandt zeer veel aan anderen. Ook al acht men de imitatio in deze tijd een gewoon verschijnsel, dan is het percentage van verzen ontleend aan Garnier, Hooft en anderen toch zó hoog (in Nero bijv. meer dan een derde), dat de oorspronkelijkheid in het gedrang komt.

Belangwekkend zijn de beschouwingen over van Nieuwelandt als moralist, vooral naar aanleiding van het Poëma van den Mensch, een bewerking van Jeron. van der Voorts ‘Het Leven en Sterven ben ick genaemt’ van 1597 met een sterke inslag van het verchristelijkte neo-stoicisme, een zuiverder taal en alexandrijnen in plaats van rederijkersverzen. Ook hier treffen we weer een geest aan, die leeft op de grenzen van twee tijdperken. Er volgt tenslotte nog een hoofdstuk over de Senecaans-klassieke tragedie bij tijdgenoten.

In Keersmaekers boek wordt op grond van een massa gedegen onderzoekingen een nog weinig betreden terrein verkend. De Antwerpse literaire wereld uit het begin der 17e eeuw begint hier voor ons te leven. Jammer blijft echter dat de schrijver, ook al heeft hij telkens reserves, uit begrijpelijke sympathie voor zijn studie-object geneigd is die wereld belangrijker voor te stellen dan ze is en dat de essentiele vragen de tragedie betreffende, onvoldoende worden gesteld.

 

P. Minderaa

J.A. Rispens, De geharnaste Dromer. Mr. Johannes Kinker als aestheticus en dichter. Kampen, U.M.J.H. Kok, 1960. Prijs geb. 6,90.
Dr. A. de Groot, Leven en arbeid van J.H.v.d. Palm. Wageningen, H. Veenman en Zonen (1960). Prijs ing. ƒ 15. -.

Deze beide boeken zijn een verheugend blijk van de vernieuwde belangstelling voor de eerste helft van de 19de eeuw in onze literatuur die zich sedert enige jaren openbaart. Terwijl de dominerende figuur van Bilderdijk altijd de aandacht was blijven trekken, had zich sedert de beweging van '80 de mening gevestigd dat er naast hem eigenlijk niets van belang meer te vermelden viel, al had Kloos ook in zijn

[p. 151]

latere jaren pogingen gedaan tot een eerherstel o.a. van Feith en al kon uit de studies van Byvanck genoegzaam blijken wat een belangwekkende tijd de vroege 19de eeuw geweest is. Aan de bovengenoemde monografieën over de wel zeer verschillende figuren van Kinker en Van der Palm wordt dit weer eens gedemonstreerd.

 

Het boek van Rispens over Kinker is eigenlijk een uitvoerig essay. Na een ‘Algemene Inleiding’ waarin gewezen wordt op het belang van de historische bezinning in het algemeen en van die op de vergeten cultuurdragers in het bijzonder, volgt een verder inleidend hoofdstuk ‘Het achttiende-eeuwse klimaat en Kinker als wijsgeer’, waarin iets over de ‘geestelijke situatie in Nederland’ in dat tijdperk wordt verteld en Kinker geschetst als vertegenwoordiger niet alleen, maar ook uitbouwer van Kants filosofie. In zijn filosofisch hoofdwerk, Le Dualisme de la Raison humaine, had hij een oplossing gezocht voor het dualisme tussen de zuivere rede als kenbron en de transcendentele zedelijke grondwet, de ‘kategorische imperatief’. Als een aanvulling hierop kan men beschouwen zijn korte verhandeling ‘Iets over het Schoone’ van 1823, gepubliceerd in 1826 in het derde deel van de ‘Gedenkschriften’ van de derde klasse van het Kon. Instituut. Terwijl Kant het schone zocht in de erkenning van een doelmatigheid zonder doel, betoogt Kinker dat daar nog iets bijkomt, of eigenlijk (de schr. doet dit niet genoeg uitkomen) dat dit slechts een kenmerk, maar ‘niet het algemene kenschetsende der schoonheid’ is (blz. 318). Dit ziet hij in een zekere analogie tussen het subjectieve en het objectieve dat daar altijd bij betrokken is, en dit ‘niet om de aangename gewaarwording, welke het voorwerp, of het begrip dat wij er van hebben, in ons opwekt, maar om deze gelijkvormigheid, welke wij er in opmerken, en wel omdat wij het er in opmerken, in vinden’ (blz. 319). En nog nader preciseert hij op de volgende blz.: ‘Streng genomen is zij (de schoonheid), noch de hoedanigheid van het schoone voorwerp, noch die van hetgeen er gelijkvormig mede gedacht wordt, noch van de gelijkvormigheid zelve, maar uit alle deze als samengesteld, en zulks nog maar alleen onder deze voorwaarde, dat wij het er in ontdekken, en door onze verbeeldingskracht aan toedichten’. Essentieel is daarbij

[p. 152]

dat de bedoelde gelijkvormigheid niet volkomen is, maar ‘vlugtig, zweemend, dikwijls raadselachtig en wedersprekend’. Terecht legt schr. de nadruk op het belang van deze ‘vinding’ van Kinker betreffende het belang van het analogische in de kunst, ‘dat zwemende, waarvan hij met (...) nadruk en opgetogenheid spreekt’, maar bepaald onjuist is het als hij onmiddellijk daarna dit ‘zwemende’ identificeert met ‘dat ongrijpbare, nevelachtige, dat, zoals men het bij gebrek aan een minder vage karakterisering wel noemt “poëtische” in de klank- en kleurexpressie’, bij de latere impressionisten. Bij Kinker staat dit zwemende veel dichter bij het begrip entelechie: het is het gericht-zijn van al wat schoon is op de idee van het schone en het bewustzijn daarvan dat het bij de beschouwer oproept. - Na nog gewezen te hebben op het belang dat bij Kinker het schone heeft als symbool van een zedelijke wereldorde, vraagt schr. zich af of zijn esthetica ‘de modernen nog iets te zeggen heeft’ en hij meent dat dit inderdaad zo is omdat zij ‘als een correctief kan werken op dat chaotisch nihilisme in de hedendaagse kunst, dat zonder uitzicht is, omdat het haar afsnoert van haar metaphysische oorsprong’. Het vervolg van dit hoofdstuk is gewijd aan de bespreking van de uitvoerige voorredes die Kinker aan de drie delen van zijn Gedichten heeft vooraf laten gaan. In de eerste daarvan behandelt hij de verhouding van dichtkunst en wijsbegeerte, die trouwens het hoofdthema is in al de esthetische beschouwingen van deze schrijver, wiens kunstenaarschap, zoals Rispens terecht opmerkt, gekenmerkt is door ‘een intellectuele passie, met de nadruk op de eerste term’. De tweede voorrede handelt over de ode en de derde over het heldendicht, met een nabeschouwing over de Wereldstaat, zijn eposfragment waarin hij, op grond van het beginsel van de volmaakbaarheid van al het geschapene, zijn idee van de vestiging van het wereldburgerschap in de verre toekomst tot thema had gekozen. Na een commentariërende bespreking van deze voorredes geeft schr. in het laatste hoofdstuk, ‘Kinker als Dichter’, aan de hand van vrij uitvoerige fragmenten, een karakteristiek van hem, waarbij hij wijst op een zekere tweeslachtigheid: ‘enerzijds is hij de in zijn diepzinnige speculaties verzonken platonische wijsgeer ..., anderzijds de Voltairiaanse, rationalistische dialecticus’; centraal blijft altijd

[p. 153]

bij hem de vrijheidsgedachte, wel te verstaan ‘vrijheid als uitdrukking van eenswillendheid met het Absolute’. Ook aan Klinker als dramaturg wordt aandacht geschonken.

De schrijver heeft er goed aan gedaan dit ‘bericht over een geestelijk avontuur’, zoals hij het noemt, te publiceren. Kinker was, zoals hij aan het begin van zijn boek zegt, naast Bilderdijk de belangrijkste figuur in het geestelijk leven in Nederland aan het begin van de 19de eeuw, als denker diens antipode, als dichter zijn mindere, maar in denkkracht stellig zijn meerdere en een van onze belangrijkste denkers in het algemeen, in zijn streven naar vereniging van filosofie en poëzie alleen te vergelijken met Dèr Mouw (een naam die wij in het boek met verwondering gemist hebben). Al is hij in onze literatuurgeschiedenis niet bepaald verwaarloosd, de poging van schr. om hem aan een ruimer publiek ook in zijn actuele betekenis te laten zien verdient stellig waardering. Minder gelukkig is schr. in zijn vormgeving; het boek is brokkelig, het betoog wordt telkens onderbroken door uitweidingen en terzijdes, waaronder vooral de bespreking van de verhandeling ‘Over het Schoone’ te lijden heeft gehad: deze verhandeling van slechts 23 grote bladzijden is een geserreerd en diep grijpend betoog dat beter tot zijn recht gekomen zou zijn als schr. het op de voet gevolgd had. Kinker als dichter had o.i. beter behandeld kunnen worden door een aantal gedichten geheel te geven - zij zijn niet zo gemakkelijk te vinden - met een aparte bespreking, dan door een reeks fragmenten, aaneengeschakeld door een springerige commentaar. Ook wordt het boek ontsierd door zakelijke en taalkundige slordigheden. Op blz. 82 doet schr. het voorkomen dat ‘oeuvre’ een woord is om met geen tang aan te vatten; hij vindt het nodig, als hij het bezigt, erbij te zeggen: ‘om dit afschuwelijke woord bij gebrek aan beter toch maar eens te gebruiken’. Maar op dezelfde bladzijde, een paar regels hoger, spreekt hij van ‘onwederstandelijke machtsdronkenheid’ en ‘politieke bestrevingen’! Op blz. 115 bezigt hij ‘eeuwwende’ en op blz. 15 spreekt hij van ‘Den Haag met haar stadhouderlijke hof’. Op blz. 17 laat hij Wolff en Deken een ‘Sarah Burgerhart’ schrijven en op blz. 20 meent hij dat Kinker zo weinig Frans kende dat hij zou hebben gesproken van ‘prendre en assaut’. Wat meer exactheid

[p. 154]

zou geen kwaad gekund hebben bij de behandeling van een man wien exact denken en formuleren boven alles ging.

 

Exactheid is wel een van de grote deugden van het boek van Dr. De Groot over Van der Palm. Sinds Beets' Leven en Karakter van J.H.v.d. Palm van 1841 is er nooit een monografie over hem geschreven en schr. acht terecht de tijd gekomen in deze leemte te voorzien. Beets heeft een zeer goede karakteristiek van v.d.P. gegeven, maar door de tijd waarin hij schreef en door zijn familiebetrekking tot hem (hij was met een van zijn kleindochters getrouwd), waren hem beperkingen opgelegd en ook zijn er sindsdien nieuwe bronnen ter beschikking gekomen. Voor het eerst wordt hier een uitvoerige bespreking gewijd aan de faits et gestes van v.d.P. uit de tijd dat hij ‘zo wat gekeesd had’, die later vrijwel doodgezwegen werd, maar die toch loopt tot 1806 en dus tot voorbij zijn 40ste jaar zijn leven beheerst heeft. Al in zijn studententijd was hij een overtuigd patriot en in de twee jaren van zijn pastoraat in Maartensdijk maakte hij daar ook geen geheim van. In 1787 vlucht hij bij de inval der Pruisen naar Monster, waar zijn zwager predikant was, en weigert terug te gaan, al blijkt voldoende dat niemand hem iets in de weg gelegd zou hebben. Van 1788 tot 1794 is hij in Middelburg, in dienst van de schatrijke regent Johan Adriaan van der Perre (en na diens overlijden van zijn vrouw die in 1794 ook sterft), als een soort directeur van diens kabinet en van al zijn instellingen die de volksvoorlichting beoogden. Zodra de omwenteling van 1795 zich voltrok, stond v.d.P. ‘in de voorste gelederen der revolutionaire patriotten’ en nam in allerlei functies actief aan het politieke leven deel, maar steeds in redelijke, matigende en verzoenende zin. In 1796 werd hij hoogleraar in de Oosterse letteren in Leiden als opvolger van Schultens, in 1789/99 was hij rector. en in April 1799 wordt hij Agent van Nationale Opvoeding voor het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek. De schr. behandelt uitvoerig zijn werkzaamheden in deze en volgende functies, waarin wij hem hier niet hoeven te volgen, zijn bemoeiingen voor de schoolwetten van 1801 en 1803 en voor de regeling van de spelling, die men met belangstelling leest. In deze tijd is hij in de

[p. 155]

kracht van zijn leven, een alom gerespecteerde figuur, bij wie de zelfbewustheid nog niet de zelfingenomenheid van een kwarteeuw later is en die volgens Betje Wolff ‘al na bij het ideaal der menschelijke volkomenheid’ kwam. Schr. besluit dit eerste gedeelte van zijn boek met te zeggen dat ‘het voorafgaande niet de bedoeling (had), een rehabilitatie van de “zwarte tijd” te geven, het was een kennismaking met de enigszins onbekend gebleven staatsman’ en deze kennismaking is zeker de moeite waard. In 1806 keert v.d.P. terug naar zijn leerstoel in Leiden, eerst als hoogleraar in de gewijde welsprekendheid, sinds 1807 ook weer in de Oosterse talen en Hebreeuwse oudheden; bovendien wordt hij academieprediker. Hij ontwikkelt een enorme werkkracht in al deze functies; alleen reeds van zijn leerredenen zijn er 200 gedrukt. Daarnaast verschijnt zijn zedenkundig weekblad Salomo (1808-'16), een volledige bijbelvertaling met aantekeningen en een bijbel voor de jeugd; in 1816 zijn Gedenkschrift van Nederlands herstelling in 1813. Aan al deze geschriften wijdt dr. De Groot uitvoerige en zeer verhelderende beschouwingen en karakteristieken en maakt duidelijk dat men dit alles, met name ook het Gedenkschrift, niet kan afdoen als holle retoriek. ‘Niemand’, zegt hij, ‘is gerechtigd zich hierover afkeurend uit te laten die niet eerst hem en zijn tijd nader heeft leren kennen ook in details, waardoor juist het begin der vorige eeuw toch een ander gelaat blijkt te kunnen vertonen dan men in oppervlakkige waarneming geneigd was te denken. Wat Van der Palm betreft, hij was niet anders dan de anderen, maar hij domineerde wel. Hij was niet middelmatig met de middelmatigen. Zijn oeuvre gaat in omvang, kwaliteit en vorm boven de middelmaat uit’. In het Gedenkschrift is hij met bewonderenswaardige tact te werk gegaan en blijkt zijn onderwerp volledig beheerst te hebben. In het proza van zijn verhandelingen en de redevoeringen is zijn stijl, vergeleken bij die van zijn tijdgenoten ‘een openbaring van eenvoud en natuurlijkheid’ en is hij een baanbreker van verzorgd taalgebruik; aan de preek stelt hij hoge esthetische eisen, terwijl zijn voordracht onnavolgbaar was. In zijn bijbelvertaling heeft hij ‘gezocht naar woorden die het Hebreeuws in zijn karakteristieke eigenschappen kunnen uitdrukken’, maar de duidelijkheid gaat hem boven alles, hij ‘wil graag duidelijker zijn dan de grondtekst’.

[p. 156]

Tegenover de Duitse wijsbegeerte en de nieuwere Duitse wetenschap staat hij afwijzend, een van de weinige punten van overeenkomst met Bilderdijk, die, na een aanvankelijke vriendschap, zijn grote antagonist werd. In het voorlaatste hoofdstuk, ‘Levenskunst’, geeft schr. een treffende karakteristiek van zijn persoon: ‘Van der Palm was een levenskunstenaar. Het ideale mensentype dat hem voor ogen stond, heeft hij in zijn eigen persoon verwerkelijkt en anderen voorgeleefd. - Ook thans nog maakt Van der Palms wellevenskunst indruk op hem, die zich van zijn persoonlijkheid een beeld tracht te vormen’. Dr. De Groot heeft geen moeite gespaard om dit beeld voor ons op te roepen in dit welgevulde boek van een kleine 300 bladzijden en hij heeft zich daardoor bijzonder verdienstelijk gemaakt voor onze literatuurgeschiedenis, cultuurhistorie en geschiedenis der theologie.

 

Dec. 1960

C. Kruyskamp

Jaarboek van de Koninklijke Soevereine Hoofdkamer van Rhetorica ‘De Fonteine’ te Gent, X, 1960 (niet in de handel).

Het jaarboek van De Fonteine is deze keer geheel gewijd aan Hippoliet van Peene, die de stoot gaf tot de wedergeboorte van het Vlaams toneel in de 19de eeuw. In een inleidend opstel schetst F. Demedts hem als vertegenwoordiger van de liberale burgerij, die enerzijds verantwoordelijk is voor de verfransing die in de 19de eeuw van boven naar onderen begon door te dringen, maar uit welke anderzijds toch ook de ‘flamingantische leiders’ voortkwamen. Van Peene debuteerde met Franse vaudevilles, maar is ook de auteur van ‘De Vlaemsche Leeuw’, het ‘nationaal romantische vrijheidslied bij uitstek’. In 1841 schreef hij het zangspel Keizer Karel en de Berchemse Boer, waartoe hij geïnspireerd werd door een berijming van Prudens van Duyse van een oude anecdote uit de reeds in 1675 verschenen en langdurig herdrukte bundel ‘De heerelycke ende vrolycke daeden van keyser Carel den V’. Het werd in het begin van 1841 voor het eerst opgevoerd in de schouwburg van De Parnassusberg, een ‘estaminet’ waar de Fonteinisten toen bijeenkwamen; kort daarop verscheen het ook in druk. Het werd gevolgd

[p. 157]

door een hele reeks kluchten en blijspelen die het Vlaamse volkstoneel tot nieuw leven brachten en ten behoeve waarvan, eveneens op instigatie van Van Peene, in 1847 de eerste Vlaamse schouwburg in België te Gent werd opgericht. Worp noemde Van Peenes blijspelen ‘onmogelijk maar vroolijk’ en ook van dit eerste specimen kan men zeggen dat het een buiten alle werkelijkheid staande ongelooflijk naieve boerenidylle is, maar juist in zijn simpelheid aantrekkelijk voor een even eenvoudig publiek. Wat de Noordnederlandse lezer opvalt is de vrij zuivere taal, die gunstig afsteekt bij het door gallicismen tot op het merg aangevreten brouwsel dat vele hedendaagse Vlaamse literatoren voor Nederlands menen te kunnen laten doorgaan.

Na de door Dr. Van Eeghem bezorgde herdruk van de Berchemse Boer wordt het jaarboek verder gevuld met een studie van Ada Deprez over de ontstaansgeschiedenis van ‘De Vlaemsche Leeuw’.

 

Nov. 1960

C. Kruyskamp

Jahresbericht für deutsche Sprache und Literatur. Band I, Bibliographie 1940-1945 (Deutsche Akademie der Wissenschaften zu Berlin). Berlin, 1960, Akademie-Verlag. gr. 8o, 979 blz., prijs DM 96. - ing.

Dit nieuwe deel in een den germanist vanouds vertrouwde serie zet, als eerste van de derde reeks, de bekende ‘Jahresberichte’ voort in een ook uiterlijk vernieuwde vorm (groter formaat en royaler druk): de beide ‘Jahresberichte’ van vroeger, die ‘über die wissenschaftlichen Erscheinungen auf dem Gebiete der neueren deutschen Literatur’ en die ‘über die Erscheinungen auf dem Gebiete der germanischen Philologie’ zijn hierin tot één versmolten, op instigatie, volgens het voorbericht, van Theodor Frings. Het eerstgenoemde wordt in volle omvang gehandhaafd; het tweede onderging een ‘Straffung’, die ‘nur in der Richtung auf das Deutsche erfolgen’ kon. Toch is deze beperking niet zo ingrijpend als de formulering kon doen vrezen: zowel de algemene taalwetenschap als het Indogermaans, Germaans en Gotisch zijn gehandhaafd, alsook ‘Germanische Kultur und Dichtung’, ‘Glaube

[p. 158]

und Heldensage’, runenkunde, Edda-, skalden- en sagenonderzoek; vervallen is bij het ‘Nordische’ dus alleen het taalkundige gedeelte in engere zin. Verder echter het Engels geheel en ‘grundsätzlich’ ook het Nederlands en Fries, maar daar dit, omdat zij niet ‘bibliografisch hinlänglich versorgt’ zijn, toch bedenkelijk scheen, begroet de redactie het ‘mit freudigem Dank, dass Professor Jan van Dam sich auf unsere Bitte bereit erklärte, Berichte über diese beiden Gebiete als “Ergänzung” beizusteuern’. Deze ‘Ergänzung’ telt over de behandelde zes jaar toch nog 65 bladzijden met 1260 nummers en is dus met dezelfde grondigheid bewerkt die het kenmerk is van deze hele publicatie: zelfs zeer verdoken uitgaafjes als de ‘Karveel-folklorereeks’ en een voordracht van pater Stracke over Van Maerlant, verschenen bij ‘Wiekop’ te Brugge worden vermeld. Het is overigens niet nodig hierover uit te weiden; hier geldt stellig het oude ‘goede wijn behoeft geen krans’ en ook voor de Nederlandse filoloog is dit boek mede hierom een belangrijk hulpmiddel.

De behandelde periode bracht natuurlijk haar eigenaardige moeilijkheden mee. Ten aanzien van de nationaalsocialistische infectie wordt gezegd: ‘Es erschien unter diesen Umständen trotz starker Bedenken grundsätzlich unabweisbar, auch Veröffentlichungen aufzunehmen, die von der herrschenden Ideologie jener Jahre nicht unberührt geblieben sind oder sogar mehr oder weniger von ihr geprägt wurden. Aus einem realistischen Bild deutscher Vergangenheit, wie unser Bericht es zu dokumentieren hat, sinds diese Forschungen einer unsicher gewordenen oder “ausgerichteten” Forschung nun einmal nicht fortzudenken’, een standpunt dat men zeker billijken kan.

Op dit eerste deel van de nieuwe reeks zullen nog drie ‘Nachholbände’ volgen, die tot 1958 zullen reiken.

 

Leiden, Nov. 1960

C. Kruyskamp