[p. 283]

Boekbeoordelingen

Prof. dr. P. Minderaa: Opstellen en voordrachten uit mijn hoogleraarstijd (1948-1964). W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1964. (Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies).

Een beoordelaar als Minderaa, die zó uitgebreid aandacht geschonken heeft aan tal van auteurs, verdient, zelfs al was hij geen voorzitter geweest van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, in dit tijdschrift een aandachtige beoordeling van zijn werk, nu dit, voor wat betreft de opstellen en voordrachten uit zijn hoogleraarstijd, in een verzamelbundel voor ons ligt. Die beoordeling volge hier.

Minderaa heeft in de inhoudsopgaaf van zijn bundel vier onderverdelingen aangebracht: middeleeuwen, zeventiende en achttiende eeuw, negentiende en twintigste eeuw, en theorie der literatuur. Naar het wezen van de zaken waarover hij handelt, gaat het echter veeleer om een tweedeling: om opstellen, bevattende toegepaste literatuurbeoordeling; zij volgen de loop van de letterkundige geschiedenis; en om opstellen over theorie der literatuur (als men wil: opstellen op het gebied van de literatuurwetenschap).

De eerste categorie geeft weinig aanleiding tot speciale bespreking. Minderaas grootste belangstelling gaat kennelijk niet uit naar de middeleeuwse letterkunde: hij behandelt de compositie van de Walewein en die van de bewaard-gebleven Bliscappen. Iets meer aandacht ontvangt de periode van de renaissance, met betrekking waartoe hij zaken van zeer uiteenlopende aard en waarde behandelt; naast uiteenzettingen over geschriften vol ‘huisvlijt en gezelschapsspel’ (om Stutterheims karaktcristiek uit het Woord vooraf te gebruiken), naast interpretatie van een gedicht van Tesselschade en een van Six van Chandelier, naast behandeling van werk van minder bekende en minder waardevolle dichters, levert hij een pleidooi voor Spiegels waarde als natuurdichter en geeft waardevolle suggesties over het ontstaan van Vondels Zungchin. Hij houdt zich ook bezig met ‘twee Hertspieghel-problemen’;

[p. 284]

met betrekking tot het tweede probleem - de bedoeling en oorsprong der Muzentitels - blijft Minderaa staan bij een aanvaardbare, maar nog niet ‘uit de stukken’ bewezen veronderstelling, namelijk dat Spiegels muzentempel bij zijn buitenplaats Meerhuyzen met een schilderij of een wandschildering van de muzen versierd was en daaraan misschien zijn naam dankte, alsook dat Spiegel in zijn Hertspieghel dat schilderstuk volgde en daaraan ook de volgorde ‘bij déze beschrijving en die van de beschermheiligen zijner zangen ontleende’ (p. 61). - Een soortgelijke beoordelingssituatie treedt op in Minderaas beschouwing over de compositie van de Walewein. Hij kan, met betrekking tot een bepaalde passage, het ‘vermoeden niet onderdrukken dat hier twee motieven zijn gecontamineerd’, mede oorzaak van ‘wonderlijkheden en inconsequenties’ (p. 23) in een bepaalde episode. Als een en ander definitief te bewijzen zou zijn, zou een ‘onregelmatigheid’ in de compositie van de Walewein daardoor verklaard kunnen worden.

Ik vermeld deze beide plaatsen uit Minderaas opstellen om de aard van zijn wetenschappelijk geweten te demonstreren. Het is uiteraard ondankbaar na een zorgvuldige bestudering van enigerlei materie niet tot een definitieve conclusie of een duidelijk besluit te kunnen komen. Minderaa blijft meer dan eens staan bij vermoedens of veronderstellingen. Hij vermeldt dat eerlijk. Hij doet geen poging door een pertinenter toon dan in de gegeven situatie past de lezer groter zekerheid te suggereren dan zijn eigen vermoedens of veronderstellingen bezitten.

Het kan iemand verwonderen, dat Minderaa zo vaak tegen voorlopig onoplosbare, althans onopgeloste, problemen oploopt. Men kan óók veronderstellen, dat Minderaas wezenlijke belangstelling minder gericht is op de eindeloos-geduldige ontraadseling van (detail)problemen die de ‘filoloog’ kenmerkt, dan op de poging door te dringen tot het wezen van ‘uit menselijke nood noodzakelijk ontstane en geïnspireerde dichten’, om Stutterheim nogmaals aan te halen.

Met dit laatste houdt Minderaa zich bezig in de grootste tweede helft van zijn boek, namelijk zodra hij tot de ‘moderne letterkunde’ en de literatuurwetenschap genaderd is, - om het precies te zeggen: als hij, na een hoofdstukje over De Genestet, toe is aan Leopold, Karel van de Woestijne, P.N. van Eyck, Nijhoff en de experimentelen. Minderaas

[p. 285]

belangstelling moge dan al vele jaren sterk gericht zijn geweest op de alzijdig, maar niet kritiekloos bewonderde Karel van de Woestijne, hier bouwt hij in zijn beschouwingswijze van het kunstwerk minstens zo nadrukkelijk voort op wie niet alleen zijn voorganger te Leiden was, maar ook zijn ‘leermeester’ in poeticis, P.N. van Eyck.

Als Minderaa in zijn boek Karel van de Woestijne2), Arnhem, 1942, handelt over dát aspect uit veel poëzie dat uitdrukking is van een verlangen naar de werkelijkheid ‘derrière le tombeau’, zoals Baudelaire het noemde, zegt hij ‘geen schooner ontleding van deze geaardheid der dichtkunst’ te kennen dan Van Eycks opstel Leven en dood in de dichtkunst (van 19381). In deze studie acht hij ‘het diepste wezen der creatieve functie blootgelegd’ (a.w., p. 642-3). Het ‘wezenlijkst’ element der poëzie noemt Minderaa op dezelfde plaats ‘haar rythme’. Wie de bundel Opstellen en Voordrachten dóórleest, vindt dit op Van Eyck stoelende gezichtspunt op tal van pagina's tot uitdrukking gebracht. Expliciet op blz. 325 als weergave van Van Eycks uiteenzetting2), die hij in deze Opstellen noemt ‘dat diepzinning boek, dat zijn credo bevat

[p. 286]

als religieus wijsgeer èn als dichter’ (p. 283). Expliciet verder, bijvoorbeeld, op de bladzijden 364, 377, 398, 446, 478.

 

In minstens tweeërlei opzicht echter onderscheidt zich Minderaas betoog (als men met dit woord zijn opstellen mag samenvatten) van dat van Van Eyck: een negatief en een positief. De eerlijkheid gebiedt ook aan de negatieve afwijkingen aandacht te schenken. Allereerst aan Minderaas geringer neiging tot duidelijke geleding. Van Eyck deelt, zoals een goed meester in de rechten past, zijn betogen uitermate systematisch in in hoofdstukken, deze hoofdstukken weer in paragraafjes; een neiging die hij gemeen heeft met generatiegenoten, met name C. Gerretson. Zij vloeit voort uit een behoefte aan redelijk-verantwoorde ordening, welke behoefte evenzeer haar effect heeft op woordkeus en zinsbouw: Van Eyck zoekt naar - en vindt vrijwel altijd - de definiërende terminologie en syntaxis. Hij doet dit zelfs zó opzettelijk en nadrukkelijk, dat sommigen hem, dáardoor, ‘onleesbaar’ vinden. Wie hem echter ‘leest’, vindt een zich exact verantwoordende geest.

Bij Minderaa is dit streven in bescheidener mate aanwezig. Indeling in hoofdstukjes vindt men in deze Opstellen - dit in afwijking van zijn boek over Van de Woestijne - sporadisch (en dan nog alleen maar impliciet). Minderaa gaat zelfs in tal van gevallen, waar ieder ander een nieuwe alinea beginnen zal, rustig met een nieuw onderdeel door op dezelfde regel waarop het vorige onderdeel eindigde.

Krachtens hun oorsprong bezitten tal van opstellen de toon van de voordracht3), die men graag ingeruild had gezien voor een meer ‘objectieve’, gestyleerde uiteenzetting.

[p. 287]

Wie aansprakelijk is voor de correctie van het boek wordt niet vermeld; deze is in elk geval rijkelijk nonchalant verzorgd, zoals het ook nonchalant is een boek als dit af te leveren met een (niet altijd consequente) inhoudsopgaaf zónder aangifte van de paginering; ook een register ontbreekt.

Voor rekening van Minderaa-zelf komen duidelijk spelling- en schrijfeigenaardigheden. Zijn exemplaar van het ‘groene boekje’ (zo hij het al bezit) is stellig niet versleten, hij neemt het althans niet al te nauw met de daarin voorgestane spelling; hij is niet ernstig doordrongen van de betekenis van de komma als leesteken, wat de lezer nogal vaak noodzaakt opnieuw te lezen: hij kent niet de hartstocht der filologen ‘niets’ fout te schrijven en schrijft rustig vijftig keer over ‘Paul van Ostayen’, welke auteur zelf ‘Paul van Ostaijen’ signeerde4). Ik signaleer dit alles vluchtig: het zijn intussen opmerkelijke verschijnselen bij een man die van oorspronkelijke studierichting klassiek filoloog is, en wiens belangstelling aanvankelijk ook uitging naar wis- en sterrenkunde. Het is overigens bekend, dat wis- en natuurkundigen nogal eens inexact zijn als het over cijfers en data gaat, wat overigens onze ruimtevaartgeleerden niet verhindert hun objecten op de maan te deponeren met een afwijking van vijfentwintig kilometer van de beoogde plaats, een te verwaarlozen detail. Iets dergelijks kan men van Minderaa zeggen. De ‘défauts’ van zijn kwaliteiten als bezield onderzoeker van literaire en menselijke waarden belemmeren hem niet tot een zo juist mogelijke taxatie van deze waarden te geraken.

Hoe doet hij dat? Door welke middelen? En hier raken wij attractiever zaken, namelijk de positieve afwijkingen van Van Eyck.

Als eerste positieve afwijking van Van Eyck zij vermeld Minderaas bredere behandeling van wezen en aard van het dichtkunstige. Hij stelt, dat Van Eyck ‘terecht’ als het centraal element der poëzie het ritme aanwijst (p. 328). Hij handhaaft duidelijk Van Eycks uitgangspunt, dat de creatie van een gedicht begint bij het ritme, ‘de quintensens

[p. 288]

van alle poëzie’ (p. 364)5). Hij ‘vraagt’ zich echter ‘af’ (op andere plaatsen weet hij het zeker!) ‘of niet mede een andere kracht der poëzie werkzaam is dan de ritmische ordening’ (p. 328). Wel heeft ook Van Eyck gesteld, dat versritme niet slechts beweging is op zichzelf, maar ‘beweging van woorden, die door, ja, in haar als persoonlijke stem zingend ritme hun zin en het verband van hun zin overdraagt’ (Over Leven en Dood, p. 31). Maar terwijl Van Eyck meent, dat de vormkracht de individuele gewaarwordingen, ontroeringen, gedachten, voorstellingen hun bijzondere trilling, helderheid, innerlijke lichtkracht verleent ‘door niets anders dan door een aantal meest alledaagse woorden met een wat andere gang dan gewoonlijk te doen bewegen’ (t.a.p.; curs. van G.K.), zegt Minderaa, dat hem deze stelling slechts ten dele bevredigt. Hij erkent een andere kracht der poëzie in ‘de onthullende en bevrijdende macht van het waarachtig woord, dat de werkelijkheid vermag te noemen bij zijn wezensnaam’ (p. 328), zoals Van Ostaijen al uitdrukkelijk stelde.

‘Op het ogenblik der conceptie duikt in de ritmische stroom het woord op’, het woord - zie p. 380 - als zeer bijzondere twee-eenheid van muziek en begrip, als teken ook voor de levenswerkelijkheid van de gehele mens, bewust en onbewust. Het woord, de woorden schakelen zich aaneen tot zang, en zo verder; daaruit ontstaat het gedicht6).

Het ware een studie op zich in details na te gaan, in hoeverre Minderaa Van Eycks opvattingen in deze aanvult dan wel corrigeert.

 

In aansluiting op de juist aangehaalde waardering van het woord als teken, vooral echter in aansluiting op Van Eycks (en eigen) opvatting over het ritme en de bron daarvan, levert Minderaa een tweede opvallende aanvulling op Van Eyck, en wel in zijn waardering van het onbewuste.

[p. 289]

Waar vindt, vraagt Minderaa zich af (bijvoorbeeld in zijn inaugurele rede van 16 december 1949) de ritmische golfstroom zijn bron? Er is ‘als eerst bewegende aanleiding een ontroering, die zijn grond vindt in geest, ziel en lichaam van die bepaalde mens...’ (p. 398). En verderop, aanvullend: ‘Het woord, gedragen door de scheppende ritmische stroom, wordt voor een aanzienlijk deel gevoed uit het onderbewuste’ (p. 399). Men mag Minderaas opvattingen in deze niet als volstrekt origineel boven die van Van Eyck plaatsen. Van Eyck heeft op een essentiële plaats in zijn al eerder aangehaalde verhandeling gedoeld op dit onderbewuste (Over Leven en Dood, p. 32). Ik haal de passage in haar geheel aan:

‘Gaan wij nu nog verder, dan zien wij, dat het rhythme, of laat ik nu liever zeggen de dichterlijke vormkracht waarvan versrhythme als beweging de primaire uitdrukking is, niet alleen zinen stemhérscheppend, maar - op de stem zal ik later nog terugkomen - ook zinscheppend vermogen bezitten kan. Tot het vernieuwen van ervaringen die op de gewone ervaringsmiddelen van de dichter berusten blijft het dichterschap niet beperkt. Het blijkt (F.W.H. Myers vestigde daarop in het bijzonder de aandacht) uit de dichter bewustwordingen, gezichten, ideeën, ervaringsvoorstellingen - aangaande verleden, heden, toekomst - over zelf, mens, wereld, leven, God - naar boven en tot uitdrukking te kunnen brengen, die hij vóór zijn dichten niet kende, die uit zijn gewone ervaringswijze niet toereikend verklaarbaar zijn en waar hij, na zijn dichten vreemd, zelfs vijandig tegenover kan staan.’

Minderaa maakt deze passage tot uitdrukkelijk uitgangspunt van verdere delen van zijn esthetica, aanzienlijk opvallender echter dan Van Eyck dit deed. Hij deed dit reeds in zijn boek over Van de Woestijne (zie aldaar p. 3 vlg.), hij doet het bij herhaling in deze teksten, die stellen dat, als in de droom, in de scheppingswerkzaamheid de onbewuste inhouden van onze eigen ziel opstijgen; maar niet alleen deze; dat doen óók ‘elementen uit het collectief-onbewuste, oerbeelden van menselijk ziels- en geestesleven’ (p. 400).

Hij verwijst hier weer, als in zijn dissertatie, naar Jung, volgens wie

[p. 290]

in het onbewuste oermenselijke archetypen leven en in symbolen verschijnen (p. 444). In zijn voordracht voor de Koninklijke Vlaamse Academie (van 1958?) over inspiratie heeft hij zijn denkbeelden hierover uitvoerig uitgewerkt, en tevens de vraag aan de orde gesteld: wáár dat nog niet individueel afgegrensde onderbewuste uitmondt, de vraag met wie of wat de dichter daar een communie beleven kan die hem bezielt en bevleugelt (p. 445).

De geringe hoeveelheid hem ter beschikking staande tijd, die het de man der wetenschap maar in bescheiden mate veroorlooft buiten het domein van zijn vak te treden, heeft Minderaa ongetwijfeld verhinderd kennis te nemen van de opvattingen van Erich Neumann, die de toepasbaarheid van Jungs leer der archetypen-uit-het-collectief-onbewuste o.a. op de kunst toepaste, uiteraard via het medium van de kunstenaar. Hij citeert althans voorzover ik zie Neumann nergens; diens beschouwingen liggen nochtans in het verlengde van zijn op Jung geïnspireerde opvattingen.

 

Het is met dit alles niet mijn bedoeling Minderaa voor te stellen als een volstrekt oorspronkelijk denker. De belangrijkste aspecten van zijn literaire theorie heeft hij gemeen met Van Eyck, Van Ostaijen en Jung. Hij heeft echter wat deze voorgangers betoogden in zijn geest samengevoegd en in sommige opzichten geperfectioneerd tot een theorie van de dichtkunst. Wie Minderaas boek leest, constateert, dat zijn belangstelling duidelijk uitgaat naar de dichtkunst, zijnde de hoogste en meest markante uitingsvorm in de letterkunde. Op enkele uitzonderingen na handelen al zijn opstellen over poëzie. Men mag dan ook niet zeggen, dat Minderaa een esthetica van het letterkundig kunstwerk heeft opgesteld: hij heeft zich bepérkt tot de dichtkunst7).

Binnen die beperking is hij alzijdig geïnteresseerd. Zowel de genesis van het dichtwerk interesseert hem als het resultaat zelf. In het voorgaande viel vooral de aandacht op aspecten van de genesis. Hij ver-

[p. 291]

waarloost echter geenszins het kunstwerk-zelf en spoort in zijn afscheidsrede zijn toehoorders aan het gedicht (let wel: het gedicht) steeds weer ‘te benaderen als een wondere wereld op zichzelf’ (p. 499). Hij handelt zelfs min of meer uitvoerig over het autonome gedicht om te constateren dat ‘de’ theorie hierover - tussen zijn inaugurale rede van 1948 en zijn afscheidsrede van 1964 - steeds groter aanhang gevonden heeft (p. 489). Maar dan in een andere zin dan hij, Minderaa, bedoelde! Het zou mij te ver voeren hier de twee opvattingen over het autonome gedicht waarop Minderaa doelt, uiteen te zetten. Ik moge volstaan met, heel in het algemeen, op te merken, dat Minderaa als deviatie beschouwt de opvattingen van Rodenko, Jessurun d'Oliveira c.s. over het gedicht als een ‘soort electronische taal- en dichtmachine, wier resultaten de dichter alleen maar heeft te registreren’. Een hoogst belangwekkend onderwerp, dat echter uitvoeriger behandeling vraagt dan waartoe hier gelegenheid bestaat. Dát Minderaa zich met zoveel nadruk verzet tegen deze opvattingen, vindt zijn oorzaak in wat Stutterheim noemde zijn belangstelling voor ‘uit menselijke nood...ontstane en geïnspireerde dichten’. Zijn inaugurele rede handelde over lyriek en leven, zijn afscheidscollege eindigt met de oproep het gedicht steeds weer te benaderen als een wondere wereld op zichzelf, ‘maar nooit8) los van de dichter..., weest nooit tevreden vóór gij de ontmoeting hebt beleefd met de dichter’ (t.a.p., p. 499). Erkennend dus dat het lyrische gedicht (en het kunstwerk in het algemeen) autonoom bestaat en als zodanig behandeld en gewaardeerd kan worden, wil Minderaa toch óók bijzonder graag ‘de weg terug’ gaan. Hij weet dat het een weg is vol voetangels en klemmen, waarover men gemak-

[p. 292]

kelijk struikelt. Hij wéét dat, en wapent zich ertegen. Onder andere door niet van elk concreet gegeven, in bijvoorbeeld een gedicht, naar de auteur terug te willen redeneren. Misschien zou men kunnen stellen, dat het veiliger is van feiten ‘uit’ de auteur (zijn leven, opvattingen, enz.) naar gegevens in het kunstwerk te kijken, dus: de weg vooruit. En dan: uiterst behoedzaam een en ander veronderstellen; meer niet.

De (mogelijke) correlatie tussen werk en maker - correlatie hoe dan ook - intrigeert Minderaa dus wel zeer, óok om de maker. Boeken waardeert Minderaa, naast hun ‘eigenstandige’ waarde als kunstwerk, als media tot een - aan de eigenstandigheid van het kunstwerk vooráfgaande - levenswerkelijkheid in een mens, dat wil zeggen primair tot die elementen uit die levenswerkelijkheid die in de persona poetica aanwezig waren op het moment dat hij schreef. Hem interesseert secundair9) óók, en stellig niet mínder, uit welke bronnen die levenswerkelijkheid van de persona poetica opwelde. Vandaar zijn aandacht voor het begrip ‘inspiratie’, voor het vraagstuk der invloeden, voor de verhouding van literatuur en samenleving, van zijn belangstelling voor de opvattingen van Jung en diens leer van het collectief onbewuste. Poëzie is Minderaa geen ‘schone versiering’ van zijn geestelijk leven, maar ‘de kern’; hij zoekt haar ‘niet als een esthetisch vluchtoord boven de absurde wereld, maar als de eerlijkste belijdenis van het leven zelf’ (p. 488). Velen zullen deze rechtlijnigheid van het leven-zelf naar de eerlijkste belijdenis daarvan zoal niet verwerpelijk dan toch in veel gevallen discutabel achten. Minderaa-zelf zal zulk een rechtlijnigheid bij nadere beschouwing - daarvan getuigen voldoende teksten ook in dit boek - ook minder vanzelfsprekend achten, zij verraadt intussen een wezenlijke richting van zijn belangstelling: hij wil, communicerend met het gedicht, de méns ontmoeten, de dichter (p. 498). Dit alles doende, vooral in de opstellen uit de tweede (en grootste) helft van zijn boek, heeft Minderaa een bijzonder waardevolle bijdrage geleverd tot de kennis en waardering van het dichtwerk van een aantal belangrijke auteurs-zelf, dat wil zeggen van hun persona poetica.

Gerard Knuvelder

[p. 293]

Dr. J.J. Lub O.E.S.A., Sinte Augustijns Hantboec. De middelnederlandse vertalingen van het aan Augustinus toegeschreven Manuale. Deel I, p. 1-275: Tekst; Deel II, p. 276-423: Kritisch apparaat en commentaar. Assen, Van Gorcum & Comp. N.V., 1962. (Neerlandica Traiectina, Dl. X)

Van geen van de aan Augustinus toegeschreven werken zijn er naast de Regel, waarvan W. de Vreese niet minder dan 41 Mndl. hss. kende, meer middeleeuwse handschriften met een Nederlandse vertaling overgeleverd dan van het Manuale. Dit werk is echter niet van de hand van de grote kerkvader. Hoewel het veel Augustiniaanse gedachten bevat, is het een kompilatie, die grote stukken uit de Meditatio theorica van Johannes van Fécamp en het Proslogion van Anselmus verwerkt. Het werd tweemaal in het Middelnederlands vertaald volgens twee verschillende in omloop zijnde versies, waarvan één een geheel ander, Pseudo-Bernardijns slotstuk bevat. Van elk van beide zelfstandig ontstane vertalingen - Lub rekent nergens met mogelijke beïnvloeding - brengt dit technisch verzorgd en mooi uitgegeven boekwerk een tekstuitgave volgens het hs. dat naar de opvatting van de uitgever de beste tekst bevat, alsmede de afdruk van de hiermee het best korresponderende Latijnse versie uit een handschrift uit de Lage landen. Een afzonderlijk boekdeel bevat het uitvoerige kritische apparaat (van A zijn 21, van B 3 handschriften bekend; voor de Latijnse teksten worden alleen ‘interessante’ varianten aangehaald) en een zeer mager uitgevallen kommentaar, die slechts 19 blz. met kleine bladspiegel vult en hoofdzakelijk op vertaalfouten en afwijkingen wijst.

De uitgever heeft zich voor dit werk ongetwijfeld heel wat moeite getroost. Toch legt men het boek, dat door een subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek werd mogelijk gemaakt, na lezing met een gevoel van onvoldaanheid uit de hand, het gevoel dat men heeft na lektuur van een politieroman, die wel heel wat feiten en eerste resultaten van het onderzoek van de speurder aan de hand doet, doch het fijne speurderswerk niet navertelt en dus ook geen oplossing van het raadsel brengt. Het is een technisch verzorgd en als uitgave geslaagd werkstuk geworden, zoals er met

[p. 294]

een goed voorbeeld voor ogen en onder goede leiding en met veel vlijt en werkkracht tientallen kunnen gemaakt worden.

Het is de vooral de inleiding die aanleiding geeft tot ernstige kritiek, omdat de lezer er allerminst datgene geboden krijgt, wat hem kan in staat stellen de betekenis en de waarde van de uitgegeven teksten te onderkennen.

Het verbaast te moeten vaststellen, dat iemand die zich met middeleeuws geestelijk proza bezighoudt, geen kennis blijkt te hebben van het fundamentele werk van K. Ruh, Bonaventura Deutsch (1956. Vgl. onze bespreking LB 49, 1960 en P. Vermeeren, Spiegel der Letteren II, 1958). Dit belangrijk boek vermeldt niet alleen op bl. 26 niet minder dan 9 Hoogduitse Manuale-vertalingen waarvan de mogelijke samenhang met de hier uitgegeven Nederlandse zeker had bekeken moeten worden, doch brengt ook op bl. 118 en 160 uitvoerige beschrijvingen van het Mechelse hs. (Brussel KB II, 1278) en van de Rodendaalse codex (Brussel KB 3093/95). Voor zijn hss.-beschrijvingen had de uitgever eraan een voorbeeld kunnen nemen; hij had er interessante gegevens gevonden over het laatstgenoemde hs., dat de legger is van zijn uitgave van de B-versie. Op het Manuale volgt hier (zoals in de beide andere hss. van groep B!) een vertaling van de aan Bernardus toegeschreven Meditationes, die reeds in het Incipit het voor deze versie kenschetsende cativecheit = (humana) conditio bevat. Hij had er kunnen lezen hoe belangrijk het is de gehele inhoud van een handschrift te kennen om zo een indruk te krijgen van de gehele omgeving waarin de Manuale-vertaling ontstaan en overgeleverd is. Zijn handschriftenbeschrijvingen beperken zich echter tot titels en incipits zonder een enkele poging tot identifikatie. Op gelijke wijze laat de uitgever ons in de steek waar het om de herkomst der handschriften gaat; alleen waar gegevens aan derden konden ontleend worden, gaat hij verder dan de kommentaarloze afdruk van schrijvers- of bezittersnota's als joffrou Willem van Doeryck weduwe van Melys wten eng in Langbrock (bl. 51-52, Oxford) en tenchuysen 1486 (bl. 50, Monnikendam). Dat een kalender mogelijk een aanwijzing over de herkomst van een hs. kan bevatten, heeft hij blijkbaar niet geweten (Trier StB. 1983/12, Kal. 1-17).

[p. 295]

Even voorzichtig is Lub bij de behandeling van de taal der handschriften, die zonder kommentaar ortografische en grammatikale eigenaardigheden opsomt, zonder dat men de ratio van de keuze goed kan begrijpen. Hij kent alleen de vage term Oostnederlands, die niet nader wordt bepaald. Men mag op goede gronden aannemen dat hij het niet zou aangedurfd hebben, de B-versie in Brabant te lokalizeren, indien niet twee van de drie hss. uit de streek van Brussel afkomstig waren. Dat deze vertaling ouder is dan de andere wordt overigens ook hoofdzakelijk op grond van de ouderdom der hss. aangenomen. Geen enkele poging werd ondernomen de taalkundige kenmerken van deze groep nader te omschrijven (nooit lîden en liefte, wel gedogen, gedoechsaem, minne; passie i.p.v. lîden, opverstaen i.p.v. verrîsen, catîvecheit, visenteren t.o. vanden, poarters t.o. borgers in A) noch om op grond van een serieuze taalkundige analyse en vergelijking het vermoeden dat de A-versie een produkt van de Moderne Devotie zou zijn nader toe te lichten. De verwantschap der handschriften wordt niet onderzocht, laat staan een poging gedaan om tot een stemma der hss. te komen. Als grondtekst voor A geldt het Amsterdamse hs. UB, V, J, 10, dat waarschijnlijk rond 1430 ontstaan is, en hoofdzakelijk omdat het het oudste is, gekozen werd. De uitgever zegt wel dat dit hs. ook het beste is: het bezit echter een reeks fouten, die in andere hss. niet voorkomen: lusten: aera 405, sachtigen: mitigare 844, volke: nubium 746, herte: spes 984. Men vraagt zich af waarom de uitgever zijn keuze niet uitvoeriger rechtvaardigt, vooral daar men bij een werk uit de Devotio moderna eerder een tekst uit het Noordoosten verwacht. Nu worden alle afwijkingen van A als varianten beschouwd. De Latijnse versie uit het Gaesdonkse handschrift wordt afgedrukt, omdat zij het best met de A-varianten overeenkomt, zodat men hier werkelijk van een vicieuze cirkel mag spreken.

Wellicht was het de uitgever mogelijk geweest de originele A-versie beter en direkter te benaderen, indien hij meer belang had gehecht aan de Neder- en Middenduitse vertalingen van deze versie. Zoals vele laatmndl. teksten werd zij immers in het Rijnland en in het Nederduitse taalgebied in de daar geldende schriftdialekten omgeschreven, vaak echter zo dat de originele Middelnederl. tekst nog langs alle kanten

[p. 296]

zichtbaar blijft. De uitgever heeft zich hier blijkbaar weinig moeite getroost en niet naar volledigheid getracht. Hij noemt 4 Middelnederduitse handschriften, doch rept met geen woord over de vier Lübeckse handschriften, die P. Hagen, Die dt. theol. Hss. der Lübecker Stadtbibliothek (1922) vermeldt: Ms. theol. germ. 40 (met Bernhardus' Meditationes), 48 (voorwoord en de 37 kapitels) 49 (o.a. ook hier met Bernhardus' Meditationes) en 68. De handschriften van de Nederduitse en Ripuarische vertalingen hadden meer belangstelling verdiend; hun nadere lokalizering kan immers meer licht laten vallen op de verbreiding van de Mndl. geestelijke literatuur in het gebied tussen Oostzee en Moezel en de rol die bepaalde kloosters hierbij gespeeld hebben, beter doen kennen. Op grond van welke overwegingen de uitgever echter een hs., dat door een zo bevoegd kenner als Borchling werkelijk Westfaals wordt genoemd (waarom neemt Lub herkomst uit Oost-Nederland aan?) en door het indefinitum iuwelijk duidelijk als Westfaals wordt gekenmerkt (vgl. M. Jaatinen, ZfMaf 28-1961-364), in het apparaat heeft opgenomen, is niet duidelijk. De vorm hi suet (A hie siet) 1156, waarvan hij vermoedt dat het een verschrijving is, is normaal Nd. (vgl. Sarauw, Nd. Forschungen II, 175) en Nederrijns (Br. Hans: suit):

Wat Lub over de vertaalkunst en de vertaaltechniek van de beide versies te zeggen heeft, is niet veel zaaks en vult nauwelijks vier bladzijden. Hij behandelt een paar toevallige verschijnselen, die hem opgevallen zijn, en heeft geen oog gehad voor het probleem van de religieustheologisch-filosofische woordenschat in het middeleeuwse vertalend proza. Dit blijkt duidelijk uit zijn verwondering over de korrespondentie illecta: inghetoghen A 898 (bl. 403): het Lat. prefix werd medevertaald, vgl. ingapen: in-hiare. Ook de vertaling sacrament voor misterium (A 494) was hem dan niet ‘opmerkelijk’ voorgekomen (bl. 78). Het verschil tussen drieheit (B 1318-1400) in het niet met A overeenstemmend gedeelte van B en drievoudicheit in het eerste deel (A 334-B 428, A 1111) is echter ‘opmerkelijker’.

In zijn uitgave heeft Lub wel de oorspronkelijke indeling in regels bewaard, daarnaast echter een moderne interpunktie ingevoerd en voor ‘i en j, u en v, uu en w de thans veelal gevolgde wijze van transcriberen gevolgd’. Was het dan ook niet normaal geweest klaarblijkelijke fouten

[p. 297]

te verbeteren, zo bv. betrouwennesse in B 1 (B 2) 626 voor Contritio (P berouwenesse)?

Nog enkele aantekeningen: Het was interessant geweest na te gaan of de vertalers gebruik gemaakt hebben van een reeds bestaande bijbelvertaling bij het verdietsen van citaten (bv. B 469). - Op bl. 397 bij B 1, 479 had het vermelding verdiend dat in het middeleeuwse proza reeds van de oudste tijden af in de beschrijvingen van Hemel en Hel, ook in de volkstaal, steeds metrische passages voorkomen. - De ‘verwisseling’ van salutare met salvator (bl. 403: B 1, 1104) is reeds zeer oud. Oudhoogduitse vertalers, bv. Notker hebben salutare reeds een persoonlijke betekenis gegeven. Kan er dan nog wel van verwisseling gesproken worden? (vgl. Beitr. 63, p. 444). - Is het niet bij V.-V. voorkomende substantief vaerheit (in de 3 hss. der B-versie) een verschrijving voor naerheit (bl. 414, B 1, 1023)? - beroemen A 409 (bl. 397) is klaarblijkelijk een vertaling van jactare = pochen!

Deze uitgave van het Manuale mag er zijn. Zulke parallel-uitgaven zijn overigens steeds boeiend. Men kan alleen betreuren dat Lub zich angstvallig tot zijn taak van uitgever heeft beperkt en zelfs problemen die nauw met de tekstoverlevering verband houden, heeft verwaarloosd. Dat hij zoveel belangrijke vragen die op taalhistorisch gebied liggen of de geschiedenis van de vroomheid en dus de geestesgeschiedenis van de late middeleeuwen in het Nederlandse taalgebied en in West-Europa aangaan, niet gezien heeft of bewust links heeft laten liggen, is het grote manko van dit werk. Wij hopen dat hij later hierop nog terug zal komen.

Nijmegen

G. De Smet

Tghevecht van minnen. Naar de Antwerpse postinkunabel van 1516 uitgegeven door R. Lievens. Leuven, Nauwelaerts, 1964. 96 blz. Prijs 120 Belg. fr.

Als nr. 16 van de reeks Leuvense studiën en tekstuitgaven verscheen hier nu de volledige tekst van het 20 bladen tellende verzenboekje uit de drukkerij van Jan van Doesborch, waarop reeds eerder zowel door Dr. Lievens als door Dr. C. Kruyskamp de aandacht was gevestigd.

[p. 298]

Het is goed dat we de hele inhoud van het zeldzame boekje, teksten en houtsneden, nu bijeen tot onze beschikking hebben, want het enige exemplaar, dat in de Beierse Staatsbibliotheek te München bewaard is gebleven, was toch een al te afgelegen curiositeit.

Dergelijk letterkundig Nederlands drukwerk uit zo vroege tijd is wel alle belangstelling waard, en aan deze heruitgave is de volle aandacht besteed. Niet alleen de dichter heeft dit werk in deze vorm bedacht, maar ook de drukker heeft zijn deel bijgedragen in de samenstelling. Hij heeft zijn tekst of teksten gekozen, en er zijn prentjes tussen gestrooid, om het tot een boekje van passende omvang en prijs te maken voor zijn publiek. De handeling van de schrijver en die van de drukker-boekverkoper zijn twee verschillende zaken, al kunnen ze soms door goede vrienden of zelfs wel door een en dezelfde persoon zijn bedreven. Al te diepzinnig hoeven we ons geen van beide voor te stellen. Dichten deed men voor zijn genoegen, drukken deed men voor de markt. En beide waren uitingen van leven en bedrijvigheid in een geregelde gildewereld. De stof van de populaire letterkundige boekjes bestond vooral uit romantische verhalen, leerzame of stichtelijke exempelen, en satyrische vertelsels, al of niet met wat moralisatie aangelengd; en in de toenmalige Antwerpse beschaving wisselden proza en rederijkersverzen elkaar daarbij vaak af.

Ons boekje is geheel in verzen en heeft de vorm van een rederijkerswerk, en wel van een over verschillende sprekers verdeelde leerzame voordracht. Dr. Lievens heeft zich in zijn inleiding tot taak gesteld het gedicht, zoals het hier is samengesteld, als een eenheid te beschouwen en te verklaren, hoewel er enkele zwakke schakels zijn, die hem allerminst ontgingen. Al dadelijk bij de acht beginverzen, die de inhoud aankondigen en het boekje als het ware zijn titel geven, doet zich iets tweeslachtigs voor. De eerste regel luidt: Van Venus Ianckers ende haer bedrijven, en in de drie volgende rijmregels wordt daar dan nog nader omschreven hoe deze zotte jongemannen zich aanstellen. Pas daarna volgen weer vier verzen, die een echte volzin vormen: Men sal ooc in dit boecxken vinden wel Raet ende remedie tegen de verliefdheid...en ‘Dus mach dit heeten Tghevecht van minnen’. Dit is ongewoon en toont een zekere verlegenheid ten opzichte van wat nu eigenlijk de hoofd-

[p. 299]

zaak is. Er is een bepaald gedeelte dat zich geheel en uitsluitend bezig houdt met de beschrijving van het dwaze gedrag van de verwarde minnaar en dat beslaat ongeveer de helft van het hele boekje, beginnend met vers 288: Hier suldi horen vertellen...dat leven van Venusianckers, en nog eens aanheffend vers 295: Nu hoort ghi iongers wat ic u vertellen sal...De bedructe minnaer wordt eens sprekend ingevoerd als hij zijn klachten uit in een referein, maar dan gaat het verhaal door over zijn jammerlijke dagindeling tot vers 714, om met een korte epiloog bij vers 723 te eindigen. - Wat hierop volgt in de overige verzen tot het einde (vs. 886) toe, en ook wat eraan voorafgaat in de eerste 287 verzen is, vergeleken met dit middenstuk, meer een rommelige omlijsting dan een sluitend geheel en bepaald van ongelijke kwaliteit. Het begint met een soort allegorie en bevat verder enige min of meer op zich zelf staande refereinen of soortgelijke stukken.

Het lijkt mij moeilijk te geloven dat Tghevecht van minnen in zijn geheel is ontstaan of ontworpen. De allegorie waarmee het opent, en die door de beide prentjes op het eerste blad wordt uitgebeeld, bestaat eigenlijk uit niet veel meer dan deze afbeelding: een jongeling, fraai uitgedost, die wordt bestookt door pijlen, waarvan er een zijn oog, een zijn hart en een derde zijn beurs doorboort, terwijl er nog een vierde over zijn hoofd voorbijvliegt. Het is duidelijk dat hij in gevaar is en dat de liefde hem verblindt, hem gewond heeft en hem zijn geld kost. Vóór dit prentje staat een tweede, waarop vier dames, gewapend met grote handbogen en aldus het vermoeden wekkend dat zij de pijlen hebben afgeschoten. Verderop in het boekje komt nog een plaatje voor met een dergelijke dame die een grote pijl in de hand heeft. Waar deze prentjes oorspronkelijk thuis horen is mij niet bekend. Er kunnen zoveel verhalen zijn geweest, waarin dergelijke krijgshaftige, al dan niet allegorische, dames optraden. In ons boekje lijkt de gehele voorstelling zeker een vondst van de drukker, die hiermee een aantrekkelijk uiterlijk componeerde. En deze indruk wordt versterkt door de volgende tekst, die na een stereotiep aanloopje over de meimaand, alleen vertelt dat deze vier vrouwen geheten waren: minne, gestadigheid, ongestadigheid en jalousie, en ze dan ook elk een kort toespraakje in de mond geeft, die eigenlijk alle vier weinig betekenen. Dan komt de drukker

[p. 300]

met een heel anders gesneden prentje voor den dag, waarvan de opschriften aanduiden dat hier Proper nature en Wijsheid, in twee vrouwengestalten, spreken tot een vermoeid neerzittende jongeman, die Eerbaer herte heet. De troost van deze twee figuren is al heel schraal: liefde geeft veel last en die vier eerder genoemde vrouwen ‘bestrijden’ elk amoureus hert nacht en dag, al hebben de ene twee het goede voor en zijn de andere twee vol venijn. Dan spreekt de Minnaar een klacht uit, aanknopende bij het voorafgaande met de woorden: het baat mij weinig wat ge mij al vertelt. Vervolgens spreekt Minne een korte waarschuwing tegen de zorgelijke bezwaren van de verliefdheid; en daarna klaagt de Minnaar opnieuw, nu in een referein op de stokregel: Och oft ic mochte daer mijn herte dochte. En hiermee is dan het punt bereikt, waarop Minne haar verhaal van de Venusianckers gaat vertellen. Hoedt u voor ernstige verliefdheid:

 
+ Die hittighe minnaers hebben die smerte,
 
Daer die lose gesellekens ghesont ontsluypen;
 
Die liefde en gaet hem niet ter herten,
 
Maer die loyale minnaers die smerte suypen
 
Om dattet loon ten eynde op hem sou druypen,
 
Daer die lose doortrapte luttel op achten
 
Al hebben si loon daer ander om stuypen...

Dat is wel de grondgedachte van de satyre: de gemakkelijke jongens hebben het goed, de serieuse zijn er ellendig aan toe, spot er maar mee. Het slot van dit gedeelte herinnert eraan dat een dergelijk monomaan minneleed ook allerminst bevorderlijk is voor het zieleheil (vs. 715-723).

De nog volgende 160 regels geven enkele nieuwe aspecten: ten eerste bestaat dit gevaar niet alleen voor mannen, maar ook voor vrouwen en meisjes, die als ze eenmaal verliefd zijn op even dwaze manier hun tijd en hun gezondheid en hun geld verknoeien, hetgeen wordt toegelicht met een klacht van een meisje en een aansluitend referein op de stokregel: Ic en sal voor u gheen ander kiesen. En dan tot besluit komt nog Een remedie ende raet tegen die mutse, waarin wordt aanbevolen om naar Ovidius' voorschrift ‘met veel ander vrouwen te verkeeren’, waardoor het leed wel overgaat, en verder nogmaals gewezen wordt op

[p. 301]

de mogelijkheid om de ziekte geestelijk te weerstaan, zich af te keren van het venijn en aan Christus' passie te denken. Zo schijnt de kring leerzaam te sluiten.

Het enige wat over het ontstaan van dit boekje werkelijk vaststaat, is dat Jan van Doesborch het, naar zijn eigen zeggen, begin juni 1516 heeft gedrukt. Dat nemen wij dankbaar aan. Over de auteur wordt niets vermeld. Dr. Lievens is geneigd de gehele inhoud aan dezelfde hand toe te schrijven en hij meent zelfs tekenen te zien dat dit een vrouwehand, en in dat geval dan wellicht Anna Bijns, zou kunnen zijn. Die voorkeur voor een vrouwelijk standpunt kan ik helemaal niet navoelen. De meisjes-klachten zijn een paar van de beste stukken; maar al het overige is kennelijk mannenleed en mannenredenatie. Ongetwijfeld is er iemand geweest die de tekst of teksten op deze manier bij elkaar heeft gevoegd en ze hier en daar heeft pasklaar gemaakt. Of dat de drukker-uitgever zelf was of een bevriende redacteur is niet uit te maken en doet er ook in deze rederijkersstijl niet zo veel toe. Maar het lijkt mij zeer waarschijnlijk dat de samensteller in de eerste plaats beschikte over de tekst van de Venusjankers, dat hij vond dat daar nog iets bij kon of moest, en daarvoor een misschien al eerder bekend allegorietje koos of bewerkte, en dan het geheel nog verder wat aanvulde. Welke stukken van een en dezelfde dichter afkomstig zijn en hoe de samenstellende redacteur daaraan kwam, zullen wij wel nooit weten. Zo brachten drukkers in die tijd aantrekkelijke geïllustreerde volksboekjes tot stand.

Voor de hele tekst en de prentjes moeten wij de bewerker van deze herdruk wel uiterst dankbaar zijn. Het komt mij voor dat de beschrijving van de Venusjankers nog zeker kans heeft op een plaatsje in een 16de-eeuwse bloemlezing.

Een losse opmerking nog over het prentje dat Dr. Lievens op blz. 73 afbeeldde, en dat hij beschreef op blz. 14 als ‘vrouw zittend in een bos met een meisje op haar schoot’. Ditzelfde prentje vond hij terug in de bekende Refereinbundel van Jan van Doesborch, en Kruyskamp (in zijn uitgave van die bundel, dl. I, blz. X) zag m.i. terecht in deze voorstelling geen vrouw met kind, maar: twee gelieven zittend in een bos.

Rotterdam, mei 1965

F. Kossmann

[p. 302]

E.F. von Monroy, Embleme und Emblembücher in den Niederlanden 1560-1630. Eine Geschichte der Wandlungen ihres Illustrationsstils. Herausgeg. von H.M. von Erffa. Utr., Haentjens Dekker & Gumbert, 1964. gr. 8o. 128 blz. en 70 afb.

De uitgave van dit boek is een daad van piëteit. De schrijver, in 1914 geboren, werd bij het uitbreken van de oorlog in 1939 direct onder de wapenen geroepen, legde nog in uniform zijn doctoraal examen af en sneuvelde op 17 sept. 1941 aan het oostfront voor hij zijn dissertatie kon voltooien. Het gedeelte dat gereed was gekomen is echter reeds in manuscript herhaaldelijk geciteerd, en de tegenwoordige uitgever, aangespoord door de promotor prof. Kurt Bauch, meende mede daarom tot een formele publicatie te mogen overgaan, zij het met een vrij uitvoerige commentaar in de vorm van aantekeningen.

Het is geen litterair-historische en eigenlijk ook geen iconologische studie, maar, zoals de ondertitel aangeeft, een studie in stijlontwikkeling. Toch begint de schr. uiteraard met een uiteenzetting omtrent het embleem en het ontstaan der emblematiek. Veel nieuws bevat deze niet, maar wel worden enige interessante verbindingslijnen aangewezen, met name naar de ‘volkstümliche Bildersatire’ van Brants Narrenschiff en Murners Schelmenzunft. Wat over de verwantschap met de Italiaanse hiëroglyphiek en de ‘concetti’ gezegd wordt, klinkt weinig overtuigend na de uiteenzettingen van A. Schöne hierover1). Vooral het (schijnbaar) willekeurige van de betrekking tussen woord en beeld, tussen voorstelling en zinduiding, wordt te veel geaccentueerd. Deze betrekking, zegt de schr., ‘liegt nicht in der Sache, wird nicht entdeckt, sonder erfunden. Das Emblem hat einen Erfinder. Es ist der persönliche unverbindliche Einfall eines Autors’ (blz. 16). Daartegenover heeft Schöne, o.i. terecht, betoogd dat emblematiek leeft van betrekkingen die niet voor ieder direct zichtbaar -, maar wel wezenlijk en in de orde der dingen gevestigd zijn: ‘Dass die Welt in all ihren Erscheinungen von verdeckten und also entdeckungsfähigen Sinn-

[p. 303]

bezügen, heimlichen Verweisungen, verborgenen Bedeutungen durchzogen sei, ist unabdingbare Voraussetzung der Emblematik. Deshalb zeigt der Emblematiker im Idealfall auch nicht das Selbstverständliche und für jedermann Offensichtliche, sondern er öffnet erst die Augen, vertieft die Einsicht’. Het embleem berust dus niet op een willekeurige inval, maar op een plotseling ontvangen inzicht en het ‘stellt...jeden Betrachter und Leser gleicherweise vor eine universale Korrespondenz’2)

 

In het tweede hoofdstuk behandelt schr. de ‘Rederijker-emblematik’. Men krijgt hier de indruk dat hij zowel het belang van de kamers (‘Am Ausgange des (15.) Jahrhunderts waren sie eine politische Macht’) als dat van hun blazoenkunst overschat. Hij bespreekt uitvoerig hun rebuskunst en de inrichting der blazoenen; deze laatste boden de mogelijkheid ‘einzelne Gegenstände für sich als Mittelpunkt eines eigenen Raumes darzustellen. Das Emblem gab den thematischen Anlass, diese Möglichkeit zu erproben - wir sehen sie schon hier weit über den Anlass hinaus in der Richtung auf das Stilleben weiterentwickelt’ (blz. 37). Deze laatste ontwikkeling te beschrijven had het hoofdthema van deze studie moeten zijn, dat slechts gedeeltelijk tot uitvoering is gekomen. In het derde hoofdstuk wordt de geschiedenis der Nederlandse embleemboeken behandeld, waarbij op de grote betekenis van Plantijn wordt gewezen. ‘Plantin führt den französischen Begriff des Buches als eines eigenen Kunstwerkes in den Niederlanden ein und damit die Möglichkeit, ein Kunstwerk als Buch zu entwerfen. Das Emblembuch aber war die bezeichnendste Schöpfung dieser illustrativen Kunstgesinnung’ (blz. 42). De betrekkingen tot de fabelen volksliteratuur worden besproken, en die tot de bijbelse stoffen, die aan de oorspronkelijke ‘humanistische Buchemblematik’ vreemd waren. De hoofdzaak is echter de ontwikkeling in de stijl van de voorstelling, waarbij het oorspronkelijk in de lucht zwevende embleem wordt geïntegreerd in een zuiver picturaal geheel, zodat, als bij Daniël Heinsius, ‘die herrkömmliche Einteilung in Vorder- und Hintergrund wegfällt. Alles vollzieht sich auf derselben Ebene, im Vordergrunde,

[p. 304]

und Kupido geht fast in diese gegenwärtige Welt ein, ist eigentlich keine Allegorie, sondern ein verkleideter schelmischer Junge, der seine kindlichen Spiele treibt’. Het eindpunt van deze ontwikkeling is volgens schr. bereikt in Roemer Visschers Sinnepoppen, ‘wo der illustrative Gehalt ganz von dem stillen Eigenleben der Dinge verdrängt ist...Eben als Endpunkt, als äusserste Folge dieser Entwicklung, gehören die Sinnepappen der Emblematik gerade noch zu. Ging dieser Weg über Visscher hinaus, so musste er vom Buch weg zum Staffeleibilde führen. Diese Entwicklung war gleichzeitig, aus den emblematischen Einzelbildern heraus, schon im Gänge und trat eben in diesen Jahren in ihre entscheidende Phase’ (blz. 60). In Van de Vennes prenten voor Cats' werk ‘verschwindet das eigentliche Emblem meist ganz hinter der genremässigen Schilderung’ en deze genrekunst, ‘die Auflösung des Emblematischen in einer neuen Sicht auf die Welt blieb ein rein holländischer Vorgang’ (blz. 62).

Het kunsthistorische aspect van deze hier geschetste ontwikkeling waag ik niet te beoordelen, al dringt zich toch onwillekeurig de vraag op of de zaak hier niet op zijn kop gezet wordt: is het niet veeleer de eigen groei van het stilleven en de genrekunst, los van de emblematraditie, die de emblematiek doordrongen en als men wil gecorrumpeerd heeft? Dat moeten de kunsthistorici maar uitmaken. Maar afgezien daarvan: het stilleven was voor de 17de-eeuwer zeker veel ‘sprekender’ dan voor de hedendaagse beschouwer ervan en Jan Steens genrekunst had veel meer betekenis dan die van een aantrekkelijk plaatje. Stilleven en genrekunst waren dus misschien eer sublimatie van de emblematiek dan dat deze erin ondergegaan was. Wat de schr. hierover verder gezegd zou hebben is niet bekend; van het hoofdstuk ‘Stilleben und Emblem’ zijn slechts wat losse, zuiver materiële notities bewaard.

 

Of de uitgevers er goed aan gedaan hebben het nagelaten manuscript uit te geven zoals dat nu geschied is, lijkt wat twijfelachtig; veel erin schijnt achterhaald door recente publikaties en in de toegevoegde aantekeningen wordt dit slechts ten dele opgevangen. In détails bevat het echter zeker veel dat alsnog de moeite waard is en het stijlkritische

[p. 305]

betoog is dat ook wel als geheel. De uitgave is zeer goed verzorgd; voor de reproduktie van de emblemata is echter o.i. kunstdrukpapier weinig geschikt. Het papier van de tekst is nogal ongelijk van tint in de diverse vellen, wat geen fraai effect maakt.

 

Augustus 1965.

C. Kruyskamp

Dr. G.A. Steffens S.M., Pieter Nieuwland en het Evenwicht (Zwolse Drukken en Herdr. nr. 47). Zwolle, W.E.J. Tjeenk Willink z.j. (1964). 326 blz. en 8 blz. facsimile. Prijs ing. ƒ 35. -.

Nieuwland is bij het enigszins geletterde publiek eigenlijk alleen bekend om één gedicht, zijn Orion, het gedicht waarmee de enige door hem zelf gepubliceerde dichtbundel (1788) begint en dat een vast anthologiestuk is geworden. Zo al niet zijn beste, is het zeker zijn meest karakteristieke gedicht, voor zover dichter en geleerde hierin gelijkelijk aan het woord waren, en zo hebben de tijdgenoten het ook gezien. Nieuwland gold als een fenomeen en hij was ook buiten de grenzen als zodanig bekend. De Galerie historique des Contemporains noemt hem (dl. 7 [1819]) 'l'un des plus grands physiciens de la Hollande, et en même temps poète et littérateur très distingué'; de Biographie universelle van Michaud wijdt in 1822 aan deze 'poète et mathématicien, remarquable par la précocité de son talent' een artikel, uitvoeriger dan men in enig Nederlands naslagwerk over hem kan vinden. Evenzeer bewonderd werd hij om zijn vroegrijpheid, als betreurd om zijn vroege dood; tal van herdenkingen en rouwdichten werden aan hem gewijd, die men bijeengeplaatst vindt achter de derde uitgave (1827) van zijn Nagelaten Gedichten.

Dr. Steffens heeft nu als eerste een uitvoerige monografie aan hem gewijd en daarin als hoofdthema gekozen een onderzoek naar de ‘verbindingslijnen tussen de geesteswetenschappen en de exacte vakken’ bij Nieuwland. ‘Een verder onderzoek heeft het mogelijk gemaakt om aan te geven, waar en hoe de overbrugging tot stand komt. Deze studie bevat de wijze en het resultaat van dit onderzoek en draagt bijgevolg een enigszins beperkt karakter’. Beperkt heeft hier wel een twijfelach-

[p. 306]

tige betekenis; het past alleen in zoverre de auteur inderdaad het genoemde thema centraal heeft geplaatst, maar zeker niet wat de behandeling daarvan en de omvang van zijn studie betreft: een boek van ruim 300 blz. over een bepaald aspect in de persoonlijkheid van de dichter kan men niet beperkt noemen en de auteur legt zich in de beschouwing van dit aspect geen beperking op: in feite doet hij niet anders dan het van alle kanten belichten, het om en om draaien en daarbij onvermijdelijk in herhalingen - en nodeloos in verregaande uitweidingen vervallen. Ik zet dit bezwaar voorop omdat het fundamenteel is en ook het enige ernstige dat men kan maken; het is te betreuren dat, wanneer er nu na 150 jaar voor het eerst eens serieus over Nieuwland geschreven wordt, dit geen omvattende letterkundig-historische monografie is geworden, met veel aandacht voor het stilistische, waartoe alle aanleiding bestond, maar eer een psychologische en cultuurhistorische beschouwing; het betekent een gemiste kans, want hierna zal toch niet zo vlug iemand weer over Nieuwland schrijven.

Dit neemt niet weg dat men voor het gebodene dankbaar kan zijn, en dat ook bij de gekozen opzet zoveel wordt meegedeeld en opgehelderd, dat het boek voor de kennis van onze literatuur in het laatste decennium van de 18de eeuw van groot belang is. In het eerste hoofdstuk, Levensschets, wordt alles bijeengezet wat over Nieuwlands leven bekend is; vooral zijn opvoeding door Bernardus en Hieronymus de Bosch wordt uitvoerig behandeld, waarbij de hele geschiedenis van de familie De Bosch wordt opgehaald (blz. 6-18), en de beslissende invloed op zijn studie en verdere carrière van J.H. van Swinden wordt aangetoond. Het tweede hoofdstuk handelt over zijn karakter en persoonlijkheid. Zijn moeder behoorde tot de mennisten en bij de families De Bosch ‘werd hij...opgenomen in een volledig doopsgezind milieu’; zijn jeugdrijmen, grotendeels van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, dragen daar het stempel van. In politiek opzicht was hij echter patriotsgezind en daarom ontging hem, na de restauratie van 1787, een hoogleraarszetel in Utrecht. Zijn optreden en omgang met mensen worden gekenmerkt door menslievendheid, rechtschapenheid en plichtsbesef, en ‘zijn grote zorg was erop toe te zien, dat bij het gebruik van de gaven van zijn geest niet tekort werd gedaan aan

[p. 307]

de dopers-evangelische mens in hem’ (72); onder invloed van Van Swinden is hij echter in 1786 overgegaan naar de Waalse Kerk, die hem meer zekerheid gaf van leerstellige aard. Behoefte aan zekerheid heeft Nieuwlands geestelijk leven steeds beheerst; de schr. komt daar verder nog herhaaldelijk op terug, maar in het derde hoofdstuk ‘Beslissende keus’, bespreekt hij een ander aspect van Nieuwlands ontwikkeling tot man van de exacte wetenschappen, nl. ‘dat de vakken die J.H. van Swinden doceerde, nationaal en internationaal hoog genoteerd stonden op de wetenschappelijke markt’ (103) (deze formulering, en, meer nog, deze beschouwingswijze, klinkt wel wat geforceerd-modern!) Hij doet dit in het kader van een, alweer zeer uitvoerige, behandeling van de ‘querelle des anciens et des modernes’. De Bosch had Nieuwland opgevoed met de klassieken als alleenzaligmakende leidslieden en als litterator stond hij stellig aan deze kant; dit bracht echter mee dat hij in de literatuur eigenlijk geen ontwikkelingsmogelijkheden meer zag, terwijl hij bij zijn korte studie in Leiden onder Valckenaer ervoer ‘hoe hoog het mathematisch en empirisch denken werd geschat’. De indruk moet bij hem ontstaan zijn ‘dat heden en toekomst behoorden aan de exacte wetenschap en dat de menselijke geest voor grote ontdekkingen stond, niet alleen op het gebied van de wis- en natuurkunde zelf, maar ook bij de toepassing ervan op andere terreinen van menselijk weten’ (117). Dit wordt toegelicht met aanhalingen uit redevoeringen die Nieuwland gehouden heeft over de nieuwe ontwikkelingen in de sterrenkunde, over ‘de betrekkelijke waarde der verschillende takken van menschelijke kennis’ en ‘over de beschaafdheid’ (30 Jan. 1793), die interessant is om de wsch. vroegste behandeling in het Nederlands van het begrip en de term ‘cultuur’.

Hoofdstuk 4 geeft dan ‘een voorlopige schets van de aard en ontwikkeling van Nieuwlands dichterschap’. De eerste, bijbelse, verzen uit de kindertijd staan onder invloed van Luiken; de ‘Rouwklagt van David over Saul en Jonathan’ van 1775 toont echter reeds ‘natuurlijkheid, ongedwongenheid,...en laat een versgevoeligheid zien, die een grote natuurlijke aanleg verraadt’. Later in hetzelfde jaar schrijft hij een natuurgedicht, ‘De Morgenstond’, dat naast klassieke invloeden ook de neerslag van een andere kennismaking verraadt, nl. die met

[p. 308]

Gessner, die hij bij Bernardus de Bosch had leren kennen. Sterker was echter de klassicistische invloed van Jeronimo de Bosch, die zijn inzichten formuleerde in ‘Regelen der Dichtkunde’, door Teylers Genootschap bekroond en, naar schr. aannemelijk maakt, ten dele juist ten behoeve van Nieuwlands vorming opgesteld. Dit wordt aan diens gedichten gedemonstreerd, waarin nu ‘de doperse en Gessneriaanse fase’ zich nog wel handhaven, ‘maar ze worden opgetrokken in de nieuwe vormgeving van geest en stof, zoals die door Jeronimo aan de jongen is opgelegd’ (161). Het belangrijkste gedicht uit deze periode, wsch. van begin 1786, is Orion; de schr. toont aan dat Nieuwland hier door Vondel beïnvloed is. Hoewel zijn overig dichtwerk in hoofdzaak klassicistisch van aard is, vallen in de gedichten van zijn laatste zes jaren toch ook afwijkingen daarvan op, mede onder Engelse invloed (Shakespeare) en die van de Duitse Sturm- und Drangdichters.

In de tweede helft van het boek komt schr. dan tot zijn hoofdthema, de betekenis van de exacte wetenschappen in Nieuwlands leven, persoon en werk. Hij doet dat in drie hoofdstukken, onder de titels ‘Zekerheid’, ‘Equatie’ en ‘Orde’, met daartussen een excurs over de ‘Verhouding tussen wiskunde en andere wetenschappen’. Zekerheid en harmonie zijn de dingen die Nieuwland voor alles en in alles zoekt: ‘Deze zekerheid van de wiskundige resultaten had zo'n sterke bekoring voor Nieuwland, dat hij er gemakkelijk toe kwam, om andere takken van wetenschap op hun zekerheidsgehalte te toetsen. En omdat hij zich op zo verschillend terrein bewoog en de grenzen van het menselijk weten van zijn tijd a.h.w. aftastte, werd zijn zoeken naar zekerheid een levensbezigheid’ (206). ‘Met een zekere verbetenheid speurt hij naar twijfels, vooroordelen, onwaarheden, problemen en onzekerheden, om ze te ontmaskeren of doorzichtig te maken in de lichtbundel van zijn scherp stralende geest’ (214). Bij al zijn werk volgt hij de wiskundige methode, de analyse en de equatie. ‘In heel zijn werk is tot in onderdelen toe zijn verdelende en wikkende en wegende geest naspeurbaar. Het spelen met tegenstellingen, het zoeken naar de verhouding ertussen, het is schering en inslag zowel in zijn proza als in zijn poëzie’ (274). Het is iets dat dan ook niet alleen zijn geest, maar ook zijn gemoed raakt en zijn esthetisch besef bepaalt. Hij betoogt in optima

[p. 309]

forma de schoonheid van de algebraïsche equatie; schoonheid is een kenmerk van de waarheid en hij herleidt deze beide tot één begrip: orde (evenwicht, harmonie). ‘Evenals de zekerheid het hoofdthema is van zijn wetenschappelijke verhandelingen en voordrachten, zo is de orde het hoofdthema van zijn gedichten’. Dit wordt dan aan tal van voorbeelden gedemonstreerd, waarbij schr. o.i. wel eens doordraaft. Zo meent hij dat bij het gedichtje ‘De Jufferlijke Hoed’ ‘de equatiegedachte zich onwillekeurig aan ons opdringt’; in feite echter is hier alleen sprake van een symmetrische opbouw, die men een uitgewerkt chiasme zou kunnen noemen. Naief wordt het als schr. in het onuitgegeven gedichtje ‘over twee plantjes’ (blijkbaar zonder titel) ook al aan een (algebraïsche) vergelijking denkt (307); hij heeft blijkbaar niet opgemerkt dat het hier gaat om een erotische scherts, zoals er in Nieuwlands tijd zoveel geschreven werden (het zal ook wel een navolging zijn, wsch. naar het Duits) en als zodanig is het wel heel curieus bij Nieuwland.

In aansluiting bij dit laatste moet opgemerkt worden dat schr. in bibliografisch opzicht wel wat te kort schiet. Hij citeert zeer nauwkeurig al zijn bronnen, maar hij geeft geen inventaris van wat hij heeft aangetroffen, met name in de grote verzameling gedrukte en ongedrukte stukken die het in Leiden bewaarde hs. 1218 bevat. De Nagelaten Gedichten citeert hij steeds naar de derde uitgave van 1827; deze toont echter, naar mij bleek, soms verschillen met de eerste van 1796. In de tweede helft van zijn boek vooral geeft schr. zeer uitvoerige aanhalingen uit gepubliceerde en ongepubliceerde verhandelingen; zo uitvoerig vaak dat men zich afvraagt of hij niet beter de onuitgegeven stukken in extenso als bijlage had kunnen geven, in plaats van al deze aaneengeregen aanhalingen. Hij heeft dit nu alleen met één redevoering gedaan, die in facsimilé als Bijlage is afgedrukt (in het onderschrift daarvan had wel naar de betrokken passage in het boek, blz. 178/179, verwezen mogen worden).

Zoals al aan het begin werd opgemerkt zou het boek gewonnen hebben door beperking, en dat niet alleen in leesbaarheid: men vraagt zich af of het verantwoord is in een letterkundig-historische reeks een boek te laten verschijnen dat 35 gulden kost (waarom die buitensporige

[p. 310]

prijs voor 320 blz. die als tekst geen enkele typografische moeilijkheid bieden?) en dat voor een groot deel niet litterair-historisch van opzet is. Met alle dankbaarheid voor de toewijding van de schrijver en het vele dat hij biedt, moet men toch concluderen: ‘weniger wäre mehr gewesen’.

 

Leiden, Februari 1965

C. Kruyskamp

Prof. dr. J.A. Huisman, Het Nederlands tussen dialect en wereldtaal (Voordr. v. 18 Jan. 1965 in het Studium generale der Geld. Leergangen). Gron., J.B. Wolters, 1965.

Prof. Huisman gaat in dit betoog uit van wat hij noemt ‘een zuiver relatieve begripsbepaling van taal en dialect’, waarvan de juistheid n.z.m. ‘blijkt bij de kritische beschouwing van vaak gehanteerde onderscheidingsmiddelen’. Hij noemt er daarvan slechts twee, de verwantschap der talen en het bezit van een eigen literatuur; deze schieten z.i. als criteria tekort, wat o.a. hieruit zou blijken dat iemand die over een zeer specialistisch wetenschappelijk onderwerp wil schrijven dit niet in het Fries zal doen, omdat hij daarmee geen vakgenoten bereikt, en mutatis mutandis geldt dit voor een taal als het Nederlands. De specialist ‘zal zich gaarne richten tot alle collega-specialisten over de gehele aarde’ en dus een taal kiezen die zoveel mogelijk lezers bereikt. ‘Zulk een idioom moet de voertaal zijn van een groot, hoogontwikkeld gebied, en tevens voor velen als extern communicatiemiddel buiten het eigen taalgebied dienen. Een dergelijk idioom nu kunnen wij wereldtaal noemen; het staat in dezelfde verhouding tot de “gewone talen”, als deze tot de dialecten.’ Zo'n taal bestaat nog niet, maar het Engels is hard op weg om het te worden; dit wordt nader geadstrueerd, en de schrijver ziet ‘in de opkomst van één wereldtaal een positieve ontwikkeling, die de communicatie en integratie van de mensheid ten goede komt’. Voorlopig zal deze wereldtaal de nationale talen nog niet verdringen, maar ‘op de lange duur’ zal dit ongetwijfeld gebeuren, evenals de dialecten ‘ten gunste van de hen overkoepelende talen geleidelijk

[p. 311]

aan actieradius inboeten’. En zoals de dialecten in de periode van hun integratie in de nationale taal daarop invloed uitoefenen, zullen de nationale talen dit t.o.v. de wereldtaal doen, totdat ‘een algeheel integratieproces de intercontinentale verschillen binnen de wereldtaal geleidelijk (zal) nivelleren’.

Enkele factoren werken vertragend op deze ontwikkeling. Genoemd worden het purisme, waaraan niet slechts kleine landen ‘lijden’, maar ook ‘jonge, snel opkomende staten, die nog bezig zijn een nationaal idioom op te bouwen’; en verder ‘de starre onderwijstraditie van vele landen’. Het veelzijdig taalonderwijs aan onze gymnasia en middelbare scholen weerspiegelt, zoals schrijver het formuleert, ‘ontogenetisch de fylogenese van de wereldtaal’, en n.z.m. wordt door deze ‘van de fictie ener allesomvattende vorming doortrokken opzet...een optimale kennis van de wereldtaal bemoeilijkt’; er zou een ‘veelheid van keuzecombinaties’ voor in de plaats moeten komen, ‘waarbij aan het Engels, na het A.B.N.-onderwijs, de tweede plaats als verplicht vak voor allen toe komt. In de hoogste klas van de lagere school zou het in de plaats moeten komen van het Frans, dat daar nog altijd welig tiert(!), alsof ook voor onze kinderen het Franstalige internaat nog in het verschiet wenkt’.

Even weinig waarde als het Frans heeft voor de schrijver ‘de eigen taal als cultuurgoed’. Hij ziet daarin alleen een remmende factor, maar: ‘Men zij gerust, het eigen cultuurgoed verdwijnt eerder dan de taal, en deze zal zich zeker handhaven, zolang zij een functie te vervullen heeft. Daarna verdwijnt zij weliswaar, maar dan is er ook niets meer aan verloren. Krampachtig vasthouden kan leiden tot isolationisme, waarbij grote kansen verloren gaan’. Concurrentie van de kunsttalen is bij de ‘opmars der wereldtaal’ nauwelijks te vrezen; ‘de reeds verworven positie van het levende Engels is daarvoor te sterk’. Wel zal de spelling grondig vereenvoudigd moeten worden ‘in de richting van een fonetisch schrift’.

De nationale talen hebben geen toekomst. ‘Wij zien hier, op hoger niveau, een herhaling van de doodsstrijd der dialecten. Algemeen is de tendentie tot beperking van de gebruikssfeer der talen...’ (credat judaeus Apella). De schrijver is wel zo vriendelijk aan het eind nog even

[p. 312]

te zeggen dat ‘het Nederlands thans nog een zeer belangrijke functie (heeft) als communicatiemiddel voor het “rijksnederlands” en Noordbelgisch gebied’, maar men dient vooral ‘het oecologisch aspect der linguistiek’ in het oog te houden. ‘Maatregelen, die de ruimte voor een overkoepelende wereldtaal besnoeien, moeten worden afgewezen’, is zijn besluit.

 

Het is niet voor het eerst dat een dergelijk geluid weerklinkt. Dr. C.W. Rietdijk heeft in een ingezonden stuk, afgedrukt in de N.R.C. van 19 januari 1965, soortgelijke opvattingen in nog vrij was krassere bewoordingen verkondigd. Hij vraagt zich daar af: ‘Zouden we met name ook onze middelbare scholieren...niet een groot plezier doen door, om te beginnen, de eigen Westeuropese talen geleidelijk door het Engels te vervangen? (wat er op dit “begin” nog moet volgen is niet duidelijk; de afschaffing van alle taal waarschijnlijk? C.K.). Zoals het Zeeuws, het Fries en het Limburgs al grotendeels door het Nederlands werden vervangen?...En laat dat soort “cultuur” dat daarmee verloren gaat, dan maar hetzelfde overkomen wat de Zeeuwse, Friese en Limburgse folklore al eerder overkwam. In onze tijd van ruimtevaart en communicatiesatellieten is er een toenemend deel van de jongere generatie dat er al even weinig belangstelling meer voor heeft als voor de andere “gevoelswaarden” die het begrip “vaderland” vroeger aankleefden’.

Men kan slechts verbijstering gevoelen tegenover de lichtvaardigheid en ondoordachtheid waarmee dergelijke sententies geventileerd worden en blijkbaar als positieve bijdragen tot een betere toekomst au sérieux wensen te worden genomen. Wanneer we echter afzien van de gevoelsreacties die een dergelijk tegenover elkaar stellen van de waardering van de ‘jongere generatie’ voor ‘ruimtevaart en communicatiesatellieten’ als cultuurwaarde enerzijds en ‘dat soort cultuur’ dat door de eigen taal vertegenwoordigd wordt anderzijds wekt, en zakelijk de redenering onderzoeken die tot deze gevolgtrekkingen leidt, dan zal die blijken bijzonder weinig steekhoudend te zijn. De parallel tussen het verdwijnen van de dialecten ten gunste van de nationale taal, en dat van de nationale talen ten gunste van de wereldtaal gaat eenvoudig niet

[p. 313]

op, berust op een volkomen scheve voorstelling. Het criterium van de verwantschap, dat prof. Huisman als eerste noemt, leidt ertoe dat men de Germaanse talen als dialecten van een ruimer taalbegrip ‘Germaans’ kan beschouwen, en het Frans als een dialect van een Romaans taalcomplex. Hier is ‘dialect’ evenwel een term uit de vergelijkende historische taalwetenschap en volkomen verschillend van dialect als lokale taalkring binnen een bestaande grotere taalgemeenschap. In deze laatste opvatting krijgt de term dialect pas zin als er een ruimere algemene taalgemeenschap bestaat, dus nà het ontstaan der nationale staten in de 15de-17de eeuw, en daarbinnen kunnen deze dialecten aangeduid worden als communicatiesystemen op lager niveau. De nationale talen zelf echter zijn ieder voor zich complete systemen en men kan niet zeggen dat zij als zodanig tekortschieten omdat zij niet ieder op eigen wijze ‘de 100000 onderdelen van een ruimteraket’ of die van een ‘supersonisch reuzenvliegtuig’1) kunnen benoemen. Communicatie op een dergelijk specialistisch niveau is alleen voor specialisten mogelijk en zij zullen zich daarvoor zeker bij voorkeur van een internationale vaktaal bedienen. Maar de communicatie van specialisten ligt niet op een hoger niveau dan die van de kunstenaar en zijn publiek of die van het vrije intermenselijke verkeer, en deze communicatie zal altijd volledig mogelijk blijven op het niveau van de nationale taal. Dat daarnaast een over de hele wereld gangbare en begrepen taal bestaat voor kosmopolitisch verkeer is een positief goed, dat verworven kan worden zonder de nationale taal op te geven. Het is de miskenning van de waarde van deze taal verwerving die in de stukken van Prof. Huisman en van de heer Rietdijk het pijnlijkst treft. Het is alsof het aanleren van de eigen zowel als van de vreemde taal een straf is die de arme kinderen zoveel mogelijk bespaard moet worden! Hebben deze heren nooit gehoord van het adagium dat iemand zoveel malen mens is als hij talen kent? De noodzaak voor de Nederlander om vreemde talen te leren is een zegen, geen vloek. Het is absurd uit het ‘gebrek aan belangstelling’ bij de lieve jeugd te concluderen dat alle ander taalonderwijs dan dat van het Engels nu maar afgeschaft moet worden, en het

[p. 314]

is onwaardig te spreken van het onderwijs in het Frans dat nog ‘tiert’ op de lagere scholen. Het Frans en het Duits zullen vermoedelijk nooit (meer) wereldtalen worden, maar dat is geen reden om alle geestelijke schatten waartoe die talen toegang geven nu maar voorgoed op te bergen. Het is zeker een heuglijk feit dat voor die rol van wereldtaal een zo volledig geoutilleerde taal als het Engels gaat optreden, die verre te verkiezen is boven een kunsttaal als het Esperanto, en die daarom ook veel méér kan zijn dan een lingua franca voor de hele wereld. Maar laat dit dan mogen leiden tot een algemene tweetaligheid (als minimum) voor alle volken, met een zo volledig mogelijke kennis van de eigen taal in de eerste plaats en van het Engels als tweede taal. Het op den duur uitsterven van de nationale talen is daarvan zeker geen noodzakelijk gevolg en kan nooit als een bevrijding of een winst voorgesteld worden. Het is - dit zij gezegd tot troost van degenen die nog enig gevoel hebben voor de waardigheid van de eigen taal - ook bijzonder onwaarschijnlijk dat dit zal gebeuren.

 

Naast deze principiële bezwaren tegen het betoog van prof. Huisman is er ook op detailpunten aanleiding tot het plaatsen van vraagtekens. Wonderlijk is zijn redenering met betrekking tot de spelling. Ondanks zijn opvatting van de amalgamatie der talen als een positieve ontwikkeling meent hij toch dat ‘aanpassing (van de vreemde woorden) aan het klanksysteem en eventueel aan de flexie van de ontvangende taal nodig (is) en zelfs gewenst’. In een noot erkent hij het vreemde van deze redenering door te spreken van een ‘slechts schijnbaar achteruitgaande beweging op het pad der eenwording;...een “reculer pour mieux sauter”’. Maar een omweg is nooit de kortste weg en het is zinloos om cocktail eerst te veranderen in kokteel, om dan later weer tot de eerstgenoemde internationale gangbare vorm terug te keren. Of meent prof. Huisman dat kokteel dit zal worden?

Ten aanzien van de spelling van de eigen taal meent hij dat er een ‘duidelijk systeem’ moet zijn, dat een ‘opzoekboekje’ overbodig maakt. Hij gelooft dus ook, zoals velen tegenwoordig, aan de ‘homo naturaliter orthographicus’, aan de mogelijkheid van een spellingsysteem dat zichzelf schrijft en hij komt met het oude argument van de tijd die verloren

[p. 315]

gaat met ‘het opzoeken van volmaakt willekeurig vastgestelde schrijfwijzen’. Maar juist het nieuwe spellingsysteem dat hier en door anderen bepleit wordt is volmaakt willekeurig, een hic et nunc geconstrueerd samenstel dat al het mèt de taal als schriftelijk verkeersmiddel gegroeide wil verdringen en vernietigen. Daarop kan echter hier niet verder worden ingegaan.

 

Juli 1965

C. Kruyskamp