[p. 25]

Raket, Reket, Roket, Riket, Rinket

0. Probleemstelling

In grote poortdeuren is dikwijls een kleinere deur gemaakt, waar voetgangers door kunnen stappen zonder dat de grote poort geopend hoeft te worden. Zulke deurtjes ziet men b.v. in toegangspoorten tot hofsteden en kastelen, en veelal ook in schuurpoorten. Toen de steden nog ommuurd waren, hadden ook de stadspoorten doorgaans zo'n kleine deur.

In mijn dialect (Klemskerke - H 23) heb ik het deurtje in de schuurpoort altijd 't raket (ra'kaet) horen noemen, een benaming die ik tevergeefs in de woordenboeken heb proberen terug te vinden. Nochtans is die zonderlinge naamgeving niet zo maar een eigenaardigheid van het dialect van mijn geboorteplaats. Raket kent in die betekenis een ruime verspreiding in West-Vlaanderen, en ook in Oost-Vlaanderen is het niet geheel onbekend. Bovendien zijn in de Vlaamse dialecten nog enkele formeel erg met raket verwante benamingen op hetzelfde voorwerp van toepassing: reket (rə'kaet), riket (ri'kaet), roket (rɔ'kaet). Het enige woordenboek dat één van die vormen opneemt is dat van Desnerck, waar roket wordt verklaard als ‘klinket, kleine deur in een poort...’. Tenslotte is er nog de in Vlaanderen sporadisch opduikende benaming rinket (riŋ'kaet, rɪŋkáet), die in tegenstelling tot de andere wel in de meeste woordenboeken staat, evenals in verscheidene idiotica. Over de herkomst ervan blijven echter alle etymologen in het vage, en voor zover er een hypothese wordt gegeven, schept die ongeveer evenveel problemen als ze er oplost.

In deze bijdrage heb ik mij tot doel gesteld een beetje klaarheid te brengen in de duistere achtergronden van rinket, raket en aanverwanten.

Daarvoor was het allereerst nodig om het uitgangspunt zuiver te stellen: door de samenhang tussen de ter beschikking staande vormen op fonetische gronden te verduidelijken, bleek het voor de hand te

[p. 26]

liggen van een andere basisvorm, nl. rxket1) te vertrekken, dan tot nu toe gedaan werd in de verklaringen door de etymologische woordenboeken gegeven. Na een kritische beschouwing van die verklaringen, ontwikkel ik dan een eigen hypothese, die steunt op fonetische gegevens, historische vermeldingen en synchroon dialectgeografisch materiaal. Dat niet alle problemen voor eens en voor altijd hun beslag zullen hebben gekregen, ligt wel voor de hand, de aard van het onderwerp brengt dat mee. Toch lijkt het me mogelijk aan de hand van de gegevens die we hebben (en die ten dele aan de aandacht van de etymologen zijn ontsnapt), een op zijn minst aannemelijke theorie op te bouwen over het ontstaan van zowel rinket als raket, reket, riket, roket, in de bet. ‘deurtje in een deur’.

1. Raket, reket, riket, roket, rinket: vormvarianten?

1.1. Fonetische aspecten

We vertrekken van het probleem zoals het zich in het hedendaagse Nederlands aan ons voordoet: een voorwerp wordt benoemd door enkele formeel erg op elkaar lijkende woorden, of beter: klankvormen. Is die formele gelijkenis toevallig, of hebben we te maken met een reeks vormen die door fonetische processen van één enkele vorm zijn afgeleid?

1.1.1. Verhouding raket, reket, riket, roket

Er kan geen twijfel over bestaan dat dit wisselvormen zijn van één en hetzelfde woord, waarbij vocaalreductie en -substitutie hebben ingewerkt op de voortonige klinker. Het is bekend dat in het Ndl. de protonische vocaal in Romaanse leenwoorden onderhevig is aan twee ogenschijnlijk tegenstrijdige ontwikkelingen: aan de ene kant reductie tot -ə en zelfs tot nul (A), aan de andere kant vervanging door een andere klinker, die articulatorisch ver van de oorspronkelijke verwijderd kan zijn (B). Beide verschijnselen zijn even oud als de Romaanse ontlening zelf - getuige daarvan de vele Middelnederlandse voorbeel

[p. 27]

den bij S. de Grave (1906) - en strekken zich niet alleen uit tot de groep woorden die als dusdanig uit het Frans zijn overgenomen. Ook afleidingen, in het Nederlands zelf ontstaan door toevoeging van een Romaans formans van een vanouds Nederlands grondwoord, worden erdoor getroffen. Een voorbeeld hiervan is loket (Mnl. loke + Rom. achtervoegsel -et) dat, zoals we verder zullen zien, in de dialecten beurtelings als loket, laket, leket en liket wordt gerealiseerd.

(A) Die reductie van voortonige klinker tot ə2) (Ndl. menuut voor minuut, sezoen voor seizoen; dial. pertang(k) < Fr. pourtant, kerwei(e) voor karwei) of tot nul (Ndl. kroon < Fr. couronne, Wvl. kriere ‘landweg’ < Fr. carrière) is niet meer dan de voortzetting van een proces dat zich in een vroeger stadium van onze taal ook bij sommige Germaanse woorden heeft voltrokken, t.w. de werkwoorden met een onbeklemtoond, voltonig voorvoegsel (b.v.: beginnen, verlaten, enz.).
De oorzaak van die vocaalreducties - historische en synchrone - schijnt te liggen in de voorkeur van het Nederlands voor een ‘alternerend ritme’ (Heeroma 1949), d.w.z. dat het accentpatroon van onze taal de opeenvolging van twee voltonige klinkers moeilijk accepteert.
Aangezien nu raket, riket, roket, en reket diezelfde ‘onnederlandse’ accentuering vertonen, ligt het besluit voor de hand dat rə'killustratiet een product is van vocaalreductie.
(B) Veel moeilijker te beschrijven, en nog altijd niet afdoende verklaard is de andere, vooral in de dialecten sterk vertegenwoordigde tendens, waarbij de protonische vocaal met een andere, voltonige vocaal wisselt of erdoor wordt gesubstitueerd, b.v.:
historisch:
Ndl. bazuin (< Ofr. boisine, buisine)
katoen (< Fr. coton)
[p. 28]

robijn (< verouderd rubijn < Fr. rubin)
fluwijn (Fr. fouine, of dial. Fr. foène, fouène).

synchroon3):

dial.

-fizant, naast fezant (Ndl. fazant < Ofr. faisan)
-rubarbe(l/r), robarbe(l/r), naast rebarbe(l/r) (Ndl. rabarber < Ital. rabarbaro)
-riesteel, rosteel, naast resteel en rasteel (< Ofr. rastel)
-kaleur, koleur (< Fr. couleur)
-foture, naast fature en feture (< Fr. voiture)
-traweel, trieweel, troweel, naast treweel (Ndl. truweel < Fr. truelle)
-laket, liket, naast leket, loket (Ndl. loket < Mnl. loke + -et)
-flawijn, naast flewijn, flowijn en Ndl. fluwijn
-sukelade, sieklade, naast seklade (Ndl. chocolade < Spaans chocolate).

Die reeks voorbeelden kan m.i. worden uitgebreid met het drietal raket, riket, roket. Alleen weten we hier voorlopig nog niet welke voortonige klinker de oorspronkelijke is.

De tendens tot voortonige vocaalsubstitutie houdt, zoals de vocaalreductie, zeker verband met de ongewone accentuering van de betreffende woorden (S. de Grave, p. 228, Roelandts (1959), p. 232). Maar of de richting waarin die kwaliteitsverandering verloopt al dan niet aan wetmatigheden gebonden is, blijft alsnog een open vraag. S. de Grave (p. 227) komt in dit verband tot de slotsom dat het hier gaat om een ingewikkeld verschijnsel, waarbij ‘veranderingen in alle richtingen mogelijk zijn’: van palataal naar velair (b.v. u > o, zoals in troweel), van velair naar palataal (b.v. o > u, zoals in sukelade), van open naar gesloten (b.v. a > i, zoals in riesteel), enz. Een fonetische verklaring acht hij uitgesloten.

[p. 29]

Andere auteurs, zoals o.m. De Bont (1962) en Roelandts vermelden vaak slechts deelaspecten van het probleem, met het gevolg dat de fonetische verklaring die zij voorstellen niet in staat is alle type-gevallen te verantwoorden4).

Alleen Heeroma (1960) geeft een structurele beschrijving, die zowel de vocaalreductie als de substitutie omvat. Voor de vocalen in halfbetoonde en onbetoonde positie stelt hij een apart vocaalsysteem op, waarbij de graad van betoning de verhoudingen meebepaalt. In dit systeem staat het ə-foneem centraal, met daarrond concentrisch geordend eerst de ‘gedekte’ vocalen en dan de ‘vrije’. Het ə-foneem is het algemene minimumfoneem, en fungeert tegelijk als minusfoneem bij de ‘gedekte’ vocalen, die dan op hun beurt minusfoneem zijn bij de ‘vrije’ en plusfoneem bij de ə. Elke ‘middelpuntzoekende’ ontwikkeling (b.v. van ee over i naar ə) is vocaalreductie; het omgekeerde, de versterking, volgt dezelfde weg, alleen in tegengestelde richting. Daarnaast kan iedere ‘gedekte’ vocaal, bij verder verlies van klemtoon, vervangen worden door zijn ‘buurfoneem’ in het systeem. Of het minimumfoneem al dan niet een rol speelt bij dat soort substitutie, blijft voorlopig in het midden.

Volgens het systeem van Heeroma is dus in principe geen enkele korte vocaal uitgesloten van deze ‘variatiecyclus’. Wel toont hij aan dat de ie bij voorkeur een plusfoneem is bij ə.

Het is hier niet de plaats om grondig op deze materie in te gaan; de beschrijving en verklaring van de voortonige vocaalsubstitutie vormt het onderwerp van een afzonderlijke studie, die op een uitvoerige materiaalverzameling moet steunen. Toch wil ik er tot slot nog één beden-

[p. 30]

king aan toevoegen. Uit de beperkte verzameling synchrone voorbeelden waarover ik beschik valt af te leiden dat iedere korte protonische vocaal in Romaanse leenwoorden bloot staat aan kwaliteitsverandering, hoewel dit het sterkst blijkt te zijn bij a en ɔ. Het product van die vocaalwisseling lijkt echter wel aan restricties gebonden te zijn: hier vinden we i, y, a, ɔ en een enkele keer u. Die constatatie is dus wel enigszins strijdig met de implicaties van Heeroma's beschrijving: moderne voorbeelden met als resultaat van vocaalwisseling e, ɪ, ɔ en oe zijn mij niet bekend. Rechtvaardigt dit het vermoeden dat er, ondanks schijnbare willekeur, toch enige wetmatigheid in het spel zou zijn? Het is op zijn minst merkwaardig dat in alle door mij genoteerde gevallen het produkt van de kwaliteitsverandering telkens weer een klinker is die in het vocaalsysteem een extreme positie bekleedt5), behalve dan de ɔ, hoewel dit de enige korte achtervocaal is.

Als nu raket, reket, riket en roket uitspraakvarianten zijn, dan is de kwaliteit van de onbeklemtoonde korte vocaal van geen belang voor ons verder onderzoek. Om breedvoerigheid te vermijden wordt vanaf nu de schrijfwijze rxket gebruikt, waarin x staat voor de korte protonische vocaal, al dan niet gereduceerd.

1.1.2. Verhouding rxket - rinket

De sterke formele gelijkenis van die 2 vormen wijst duidelijk in de richting van een klankwettige samenhang. In rxket kan zich na de protonische korte vocaal een parasitaire nasaal hebben ontwikkeld, die door assimilatie aan de volgende k een gutturaal karakter kreeg: ŋ. Epenthese van liquidae en vooral nasalen6) komt meer voor in voortonige en ook wel in tussentonige lettergrepen. b.v.:

-vóór de toon:
Vl. pinket (< Fr. piquet), pindaal naast pidaal (Ndl. pedaal < It. pedale), Wvl. stankiet naast stakiet ‘omheining’ (< Fr. estaquette),
[p. 31]
Vl. randijs (Ndl. radijs), Ovl. frinket (< Fr. fourchette, met metathesis van medeklinkers), Wvl. brinket (< Fr. briquette), dial. (Znl.) promberen (Ndl. proberen), Brab. kornijn (Ndl. konijn);
-tussentonig:
Wvl. visenteren ‘onderzoeken’ (< Fr. visiter), dial. (Znl.) astemblief (Ndl. alstublieft).

 

Volgens Van Loey (1943) kan die epenthese verklaard worden als een ultieme ingreep om de onbeklemtoonde syllabe te redden, wanneer die door algehele reductie van de vocaal verloren dreigt te gaan. Er zou dus een oorzakelijk verband zijn tussen reductie en epenthese. In de opvatting van Roelandts is de epenthese één mogelijke poging naast andere (t.w. de overgang van protonische o naar a, en anlautsverscherping) om door versterking van het voortonig segment, gepaard gaand met verzwakte eindbetoning, de klemtoon te vernederlandsen. Rinket nu kan het produkt zijn van zo'n ontwikkeling uit rxket, niet alleen, zoals ook door het WNT (XIII, 356) wordt aangegeven, voor de betekenissen ‘slagnet’ en ‘plant’7), maar in zo goed als8) alle betekenissen die het woord heeft of gehad heeft9).

In welke chronologische volgorde dan nasaalepenthese en vocaalsubstitutie hebben plaatsgevonden in het voortonige segment van rxket, weten we niet. Dat de groep van voorbeelden waar de parasitaire liquida of nasaal onmiddellijk voorafgegaan wordt door i, veruit de talrijkste is (vgl. hierboven en Heeroma 1960), bewijst nog niets aangaande de kwaliteit van de protonische vocaal op het ogenblik van de epenthese. Opmerkelijk is wel dat de vorm ranket, i.e. een uitspraakvariant van rxket in de betekenis ‘plant’ en ‘slagnet’10) nergens voorkomt in de betekenis ‘deurtje’.

[p. 32]

Een definitief besluit omtrent de afleiding van rinket = deurtje ware in dit stadium voorbarig: in wat voorafgaat hebben we alleen op grond van de analoge voorbeelden aangetoond dat een fonetische ontwikkeling rxket > rinket (gezien de vele analoge voorbeelden) verdedigbaar is. Het blijft niettemin mogelijk dat rinket ‘deurtje’ op een heel andere oorsprong berust, wat de etymologen trouwens suggereren. Uitsluitsel hierover kunnen we pas krijgen wanneer we andere dan formele aspecten bij ons onderzoek betrekken. Daarom zullen we in de volgende paragraaf dan ook meer systematisch stilstaan bij de semantische kant van de zaak: welke zijn de mogelijke betekenissen van resp. rxket en rinket? Als uit de vergelijking een grote correspondentie tussen die twee naar voren springt, mogen we gevoegelijk besluiten dat de hypothese van verwantschap zoals hierboven geschetst, een bredere fundering verwerft. Bovendien verkrijgen we aldus een kader waarbinnen we dan verder kunnen onderzoeken of de betekenis ‘deurtje’ zich uit één van de andere betekenissen van rxket of rinket ontwikkeld kan hebben.

1.2. Semasiologisch onderzoek van rxket en rinket

1.2.1. Betekenissen van rxket

a) rxket (onz.) = klein deurtje in een grote deur (rxket 1). In die betekenis vond ik het woord alleen bij Desnerck (383), en in ongepubliceerde materiaalverzamelingen en monografieën11) uit de hedendaagse periode. Zoals verder uit de kaart zal blijken (zie 2.2.), is rxket in die betekenis een westelijk Vlaams woord12).

Niet zonder belang i.v.m. dit rxket 1 acht ik een citaat in het WNT

[p. 33]

(XIII, 564), merkwaardig genoeg onder het lemma RINKET IV, waar de grafie reket voorkomt voor rinket ‘schuifdeur in een sluis’: ‘Niet zelden maakt men in de deuren der sluis een reket om het water te lozen of in te laten’ (geciteerd uit J.H. Harte, Volledig leerboek der Sluis- en Waterbouwkunde, Gorinchem, 1852). Niet alleen omdat hier sprake is van een met ‘deurtje in een deur’ vergelijkbare zaak - het is er een specifieke toepassing van - lijkt dit citaat mij belangrijk, maar ook en vooral wegens de plaats waar het voorkomt in het WNT. Dit reket immers moet ongetwijfeld als raket worden gelezen, en is dus in het licht van onze fonetische beschouwingen (zie 1.1.1.) niets anders dan de vorm met protonische reductievocaal behorend tot de groep rxket. Door nu reket aan te voeren ter illustratie van een gebruiksmogelijkheid van rinket, impliceert het WNT dat reket en rinket ook in de betekenis ‘deurtje in een deur’ fonetische alternanten zijn.

 

Rxket 1 heeft drie homoniemen, waarvan de afleiding vaststaat:

 

b) rxket (onz. m. of vr.) = slagnet bij een bepaald balspel: Ndl. raket, dial. ook reket (ə) (rxket 2), < Fr. raquette, uit Spaans raqueta, dat zelf op Arabisch râha ‘vlakke hand’ teruggaat (Van Haeringen, Suppl. 134, Vercoullie 277). Mnl. rakette (MnlW VI, 1007); volgens Franck-Van Wijk sedert 1551.

 

c) rxket (vr. onz. of m.) = benaming, meestal collectief, voor plantesoorten van de familie der kruisbloemigen; Ndl. raket, dial. ook rakette (De Bo, 816), reket, rekette (eigen materiaal), roket (S. de Grave 373, WNT XIII, 209), (rxket 3) < Fr. roquette, dimin. van Lat. eruca, Mnl. rakette (MnlW VI, 1007), volgens S. de Grave (373) tussen 1500 en 1600 ontleend.

 

d) rxket (m. of vr.) = vuurpijl, zichzelf voortstuwend projectiel; Ndl. en dial. raket (rxket 4); recent ontleend (nog niet bij Kiliaan) < Fr. roquette, dat op het Germaanse woord rokken zou teruggaan (Franck-Van Wijk, 532).

1.2.2. Betekenissen van rinket

a) rinket (onz.) = deurtje in een grote deur (rinket 1); volgens

[p. 34]

Van Dale (2068) Zuidnederlands; het WNT (XIII, 364) geeft ook een citaat uit het Noorden (uit S. Ipz. Wiselius, Mengel- en Tooneelpoëzij. 5 dln. A'dam, 1818-1821). Uit onze bevindingen (zie kaart onder 2.3.) zowel als uit de idiotica blijkt dat in het hedendaagse Nederlands rinket 1 alleen in westelijk Vlaanderen gebruikelijk is. Het staat weliswaar zonder preciese localisatie in het Bijvoegsel van Schuermans (267), wat een ruimere verspreiding zou kunnen suggereren, maar meer dan waarschijnlijk steunt Schuermans hier op De Bo13).

Teirlinck (III, 18) zegt expliciet dat rinket, in welke betekenis dan ook, onbekend is in zijn dialect. LVC (1178) geeft rinket (spelling: rijnket) als een eertijds in het Gents gangbare benaming voor ‘winket, kleine deur in een poort of grote deur’; het citaat ter illustratie dateert van 1666.

 

b) rinket (onz., m. of vr.) = een in de dialecten gebruikte vorm voor Ndl. raket = ‘kaatsnet’ (rinket 2). Blijkens de idiotica is rinket 2 Vlaams14) (De Bo 816, Schuermans, Bijv. 267, LVC 1178: nu niet meer gebruikelijk in het Gents), maar een citaat in het WNT (XIII, 563) uit Marin toont dat het eertijds in het Noorden niet geheel onbekend was. Terwijl rinket 1 algemeen wordt aangezien als een etymologisch raadsel, blijkt de herkomst van rinket 2 geen moeilijkheden in te houden, althans niet voor het WNT, dat spreekt van een ‘in de dialecten voorkomende verbastering’ van rxket 2.

 

c) rinket (vr., onz. of m.; individuele soortnaam of collectief) = Ndl. raket ‘plantesoort’ (rinket 3), een Vlaamse vervorming (WNT XIII, 563, De Bo 816) van raket(te), roket(te), reket(te), nu verouderd. Geheel parallel met rxket 3 heeft rinket 3 naast zich de langere vorm rinkette, die volgens het WNT de meest gebruikte is. Beide vormen worden bij De Bo (816, en Kruidwdb. 106) en Heukels (162) beschouwd als synoniemen van raket(te).

[p. 35]

d) Het WNT (XIII, 563) verklaart rinket (onz.) ook nog als ‘een voorheen in Oost-Indië gebruikelijk woord voor een rij of gelid krijgsvolk’ (rinket 4). Het woord, dat in de andere woordenboeken nergens vermeld staat - zou ontleend zijn aan het Portugees renque = ‘rij’15).

Vermeldenswaard is ook nog dat er bij rxket 2 en rinket 2 in het Vlaams een denominatief werkwoord rxketten (WNT XIII 210, LVC 1148, Schuermans 544)/rinketten (WNT XIII 564, De Bo 816, Joos 554, LVC 1178, Schuermans 545) bestaat, dat letterlijk ‘spelen met het raket’, en in overdrachtelijke zin ‘vernielen, verwoesten, in wanorde brengen16) betekent.

1.2.3. Conclusies

De inhoudsanalyse van rxket en rinket laat een paar besluiten toe waardoor de stelling als zou het tweede een jongere uitspraakvariant zijn van het eerste, ontegensprekelijk aan kracht wint:

a) Als we abstractie maken van mogelijke geografische opposities en van de tegenstelling cultuurtaal-dialect, vertonen de toepassingsmogelijkheden van de klankvormen rxket resp. rinket een merkwaardige parallellie, zoals geïllustreerd in volgend schema:

illustratie

[p. 36]

Volledige semantische congruentie wordt alleen verhinderd door rxket 4 (= vuurpijl) en rinket 4 (= rij soldaten). Dit - m.i. niet toevallige - feit kan echter niet als argument worden gebruikt tegen de fonetische hypothese rxket > rinket, en wel om de volgende redenen:

 

- Het Ndl. raket 4 is relatief recent ontleend (volgens S. de Grave 55 na 1600; volgens De Vries in de 18e eeuw). Wegens zijn betekenis was dit woord van meet af aan voorbestemd om gedurende lange tijd een typisch cultuurtaalwoord te blijven. Men kan zich inderdaad moeilijk voorstellen dat de zaak ‘raket’ als nieuwigheid in de krijgskunde, enige noemenswaardige relevantie zou hebben gehad in het dagelijkse leven van de gewone man, of, vanuit de taal bekeken, dat het woord rxket 4 in de communicatie even frekwent zou zijn gebruikt als b.v. rxket/rinket 1 of rxket/rinket 3. Die situatie, en in mindere mate de late ontlening, zijn er m.i. verantwoordelijk voor dat raket 4 de ontwikkeling tot rinket, die in voorkomend geval toch op rekening van de dialecten geschreven moet worden, niet heeft meegemaakt. Pas in de twintigste eeuw raakten de zaak én het woord op grote schaal bekend, maar toen was de attractie van de cultuurtaal zo groot geworden, dat een dialectische vervorming tot rinket geen kans meer kreeg.

- Ook rinket 4 vormt een apart geval omdat het, los van alle gelijkluidende woorden, op vreemde bodem is ontstaan, ontleend uit het Portugees als vakterm in het militair-koloniale jargon. In de Nederlanden zelf is het woord klaarblijkelijk nooit tot de levende taal doorgedrongen, wat meteen de mogelijkheid uitsluit dat dit rinket 4 de sleutel zou bevatten tot de etymologie van rinket 1.

[p. 37]

Laten we die twee gevallen waar de relatie van synonymie tussen rxket en rinket ontbreekt, buiten beschouwing, dan blijkt dat die twee vormen voor het overige identieke toepassingsmogelijkheden hebben. Voor de betekenissen 2 en 3 is die synonymie evident, vermits er geen twijfel bestaat dat de formele oppositie rxket 2/3 - rinket 2/3 een fonetisch oppervlakteverschijnsel is. Dit maakt het erg verleidelijk om ook in de derde betekenis die beide vormen gemeenschappelijk hebben, deze als vormvarianten te beschouwen.

 

b) Versterkt het semantisch onderzoek het vermoeden dat rxket 1 en rinket 1 slechts uitspraakvarianten zijn van éénzelfde woord, de chronologie van de vermeldingen in de woordenboeken geeft ook aan welke variant primair is tegenover de andere. Wat de betekenissen 2 en 3 betreft, laten de woordenboeken er geen twijfel over bestaan dat rxket de oudste vorm is. Aangaande de relatieve chronologie van rxket 1 en rinket 1 kunnen de woordenboeken ons geen uitsluitsel geven, aangezien het bestaan van rxket 1 tot hiertoe nauwelijks is opgemerkt. Anderzijds wordt rinket 1 vrij algemeen als een betrekkelijk jong woord bestempeld; de oudste vermelding dateert van 1666 (LVC). Die twee gegevens, gecombineerd, sluiten de mogelijkheid dat rinket 1 de oudste vorm zou zijn, vrijwel uit.

1.3. Relatie rxket 1 - rinket 1 voorlopig onbeslist

Al zijn er vanuit fonetische én vanuit semantische hoek argumenten te geven die daarvoor pleiten, toch kunnen we als conclusie van deze paragraaf niet stellen dat in de betekenis ‘poortdeurtje’ de relatie van rinket tot rxket even direct is als in de andere betekenissen. Tot dusver is immers nog niets gezegd over de etymologie van rxket 1. Bijgevolg blijft het mogelijk dat rxket 1 en rinket 1 beide teruggaan op een ouder, gelijkbetekenend woord, waarvan in de uitspraak ook al een vormvariant met parasitaire nasaal voorkwam. Dat die mogelijkheid zeer waarschijnlijk is, wordt verder (zie 2.3.) aangetoond.

[p. 38]

2. Etymologie

2.1. Denkbare verklaringen

2.1.1. Benamingsoverdracht?

Dat het duo rxket/rinket 1 etymologisch in verband zou staan met rxket/rinket 2 ‘slagnet’ of rxket/rinket 3 ‘plantesoort’ acht ik hoogst onwaarschijnlijk. Overdracht van benaming op een nieuwe zaak door begripsassociatie kan hier moeilijk overwogen worden, aangezien het begrip benoemd door rxket/rinket 1 geen enkel raakpunt heeft met de voorstelling ‘plant’ of ‘slagnet’. Daar komt nog bij dat rxket/rinket 1 in genus verschilt van zijn formele equivalenten, wat een gemeenschappelijke oorsprong tot een twijfelachtige zaak maakt.

2.1.2. De woordenboeken; kritiek op de voorgestelde verklaringen

De vraag naar de herkomst van rxket 1 was tot dusver niet eens gesteld. Het is dan ook evident dat rxket nergens te pas wordt gebracht bij pogingen om de afleiding van rinket 1 te achterhalen. Die pogingen gaan alle in de richting van een mogelijk verband met winket en vooral klinket, twee woorden die naast heel wat formele kenmerken (alleen het beginsegment verschilt) ook de betekenis ‘klein deurtje in een grote deur’ met rinket 1 gemeen hebben. Woordgeografisch gezien zijn rinket 1, winket en klinket heteroniemen, zoals verder in een meer toepasselijk kader zal worden aangetoond. Niet overal wordt die verwantschap even expliciet tot het etymologische vlak doorgetrokken. De commentaar van het WNT b.v. is weinig meer dan een neutrale constatatie: ‘rinket...een naast klinket en winket opgekomen vorm, waarvan niet bekend is, hoe hij is ontstaan.’ Iets gelijkaardigs lezen we bij Franck-Van Wijk (551): ‘rinket...: jonge vorm (hoe ontstaan?) naast klinket’ en Vercoullie (286): ‘onuitgelegde bijvorm van klinket’. De Vries (579) waagt zich wel aan een veronderstelling: ‘waarschijnlijk gevormd van rinken, rinkelen, naar het voorbeeld van klinket’. Analogie zou dus de sleutel zijn om het ontstaan van rinket te verklaren.

Een dergelijke verklaring doet nogal vergezocht aan; op het eerste

[p. 39]

gezicht immers bezit de zaak ‘rinket 1’ geen enkel kenmerk dat op een min of meer directe manier aan de handeling ‘rinkelen, rinken’ herinnert. Hieromtrent zijn hoogstens een aantal gissingen mogelijk. Zo kan men de ‘beweeglijkheid’ van het kleine deurtje - het makkelijk open- en dichtgaan, en vandaar ook de eigenschap te kunnen klapperen - tegenover de zware, moeilijk te bewegen poortdeuren als een in het oog springend kenmerk beschouwen en, in die richting verdergaand, dat ‘klapperen’ interpreteren als een rinkelend geluid. Een andere mogelijke veronderstelling omtrent de zakelijke achtergrond van rinket 1 is dat aan de bedoelde deurtjes vroeger bij wijze van kruk dikwijls een ring was aangebracht, en dat dit sluitsysteem de aanleiding zou zijn geweest om het geheel rinket te noemen. Dat zulke speculaties omtrent een mogelijk benoemingsmotief alle grond van objectiviteit missen, maakt ze al erg ongeschikt als uitgangspunt voor een etymologische verklaring. Daarbij komt nog dat De Vries' verklaring nieuwe vragen doet rijzen, al liggen die dan misschien buiten het enge terrein van de etymologie: gesteld dat rinket 1 relatief recent is gevormd uit rinke(le)n naar analogie van klinket, waar ergens moet dan de opkomst van rxket 1 worden gesitueerd in de diachronie van het onomasiologische veld17) ‘deurtje in een deur’? Zeker niet vóór de opkomst van rinket 1, want dan zou de fonetische ontwikkeling rxket > rinket voor de hand komen te liggen, wat De Vries' hypothese ondergraaft. Het ontstaan van rxket 1 later situeren daarentegen, betekent een nieuw etymologisch probleem scheppen. Immers, een fonetische overgang rinket > rxket door ŋ-apocope vóór de klemtoon is, gezien het gedrag van consonanten in voortonige lettergrepen, veel minder te verdedigen dan het omgekeerde.

Het is echter niet in eerste instantie omdat de stelling van De Vries e.a. aanvechtbaar is, dat ik een ander spoor zal volgen. In par. 1. heb ik, onafhankelijk van de bestaande suggesties, getracht aan te tonen dat de beslissing om rinket 1 voorlopig te beschouwen als een jongere uitspraakvariant van rxket 1 positief gemotiveerd is, vanuit fonetische en

[p. 40]

ook wel semantische gegevens. Tenslotte levert de synchrone geografische spreiding van de benamingen voor het poortdeurtje m.i. nog een bijkomend argument ten gunste van het gekozen uitgangspunt. Dit geografische argument wordt toegelicht in de volgende paragraaf, nadat is aangetoond dat het kaartbeeld de sleutel bevat tot de oplossing van het etymologische vraagstuk.

2.2. Licht op de etymologie vanuit het woordgeografisch onderzoek

2.2.1. Doel van het woordgeografisch onderzoek

Zoals gezegd is het doel van dit onderzoek tweevoudig. Eerst moet worden uitgemaakt in hoeverre het synchrone kaartbeeld ons kan helpen een oplossing te vinden voor het etymologisch probleem rxket/rinket 1 (A). Is het resultaat op dit punt positief, dan zullen we in staat zijn een preciezer, en meer op concrete feiten gesteund inzicht te verkrijgen in de onderlinge verhouding van rxket 1 en rinket 1 (B).

(A) Met die bekommernis voor ogen zullen we ook de andere gangbare benamingen voor het deurtje in de deur in onze beschouwingen betrekken, teneinde rxket 1 en rinket 1 te situeren in het ruimere kader van het onomasiologische veld waar zij deel van uitmaken. Aan de basis van deze beslissing ligt de overweging dat de praktijk voldoende aantoont hoe het onomasiologisch onderzoek soms onverwacht klaarheid kan brengen bij etymologische vragen18).
(B) Hier zal o.m. moeten blijken of de hypothese dat rxket 1 en rinket 1 uitspraakvarianten zijn, standhoudt ten aanzien van de geografische stratificatie van die twee vormen en hun heteroniemen.

2.2.2. Verantwoording van de kaarten

De in kaart gebrachte gegevens zijn afkomstig uit twee vragenlijsten van het Woordenboek van de Vlaamse Dialekten (WVD), t.w. lijst 10,

[p. 41]



illustratie



illustratie

[p. 42]

vr. 6: ‘Hoe heet het kleine deurtje in de houten poort die toegang geeft tot het erf?’, en lijst 12, vr. 29: ‘Wat is de dialectbenaming voor het kleine deurtje in de schuurpoort?’, de licentieverhandelingen van Blommaert (1974), Coutteneye (1972), De Fleurquin (1960), De Leersnijder (1970), Demetter (1968), De Muer (1968), Derwael (1964), Devos (1970), Eeckhout (1973), Temmerman (1972), Vandevijver (1974) en Verstraeten (1971), de enquêtes van de Zeeuwse Vereniging voor Dialectonderzoek19), het WZD, het WBD (Afl. 1, p. 127: Schuurpoortdeurtje), het materiaal van het Woordenboek van de Limburgse dialecten (WLD)20), enkele bandopnamen van het Seminarie voor Vlaamse Dialectologie aan de R.U.G., en mondelinge mededelingen van zegslieden.

Om de aanschouwelijkheid niet in het gedrang te brengen door het gebruik van al te veel symbolen, wordt in de woordkaart (Kaart 1) geen rekening gehouden met de kwaliteit van de voortonige vocaal in de reeks rxket en de reeks lxket. Rinket, waarvan we immers de fonetische relatie tot rxket willen onderzoeken, krijgt wel een apart symbool. Hetzelfde geldt voor linket.

Kaart 2 brengt dan de verspreiding van de vormvarianten van lxket en rxket, alsook de verspreiding van rinket en linket in beeld.

 

De onomasiologische zowel als de ruimtelijke afbakening van het kaartbeeld zijn ingegeven door het specifieke doel van dit dialectgeografisch onderzoek. Van belang zijn alleen die benamingen voor ‘klein deurtje in een grote deur’ die al zo lang in onze taal bestaan en bovendien een zodanige klankstructuur bezitten, dat ze bij het ontstaan van rxket en rinket betrokken kunnen zijn.

De verspreiding van diverse neologismen en ad hoe samenstellingen (b.v. poortdeurtje, valdeurtje, schuurpoortje, klein deurtje, enz.) kan hoogstens illustreren hoe vlug de oudere benamingen in onbruik raken, maar werpt voor het overige geen licht op het etymologisch probleem,

[p. 43]

en mag derhalve worden verwaarloosd. Eveneens afwezig op de kaart zijn de vormen klinker en winkel(deur). Weliswaar zijn die twee benamingen vermoedelijk niet zo recent, maar hun verspreiding is zo gering (klinker komt twee keer voor, in Belgisch-Limburg: te Mechelen-aan-de-Maas Q 9 en Rekem Q 12; winkel(deur) vier keer, in West-Vlaanderen: te Schuiferskapelle H 122, Ruiselede I 223, Kachtem N 44 en Oostrozebeke O 4) en bovendien liggen ze op het punt van de klankstructuur zo ver van rxket/rinket af, dat ze nauwelijks in aanmerking kunnen komen voor de verklaring van die twee. Veel logischer lijkt me dat klinker en winkel vervormingen zijn van resp. klinket en winket, het resultaat nl. van een poging om deze vreemd klinkende woorden aan te passen aan het Nederlandse accent- en foneempatroon.

Teneinde toch de hiaten in het kaartbeeld te verantwoorden, zijn op de woordkaart alle plaatsen waar de opvraging geen benaming opleverde die aan de gestelde eisen voldoet, d.m.v. het symbool × aangeduid.

De in aanmerking komende ‘specifieke’ benamingen nu zijn blijkens de beschikbare bronnen alleen te vinden in de zuidelijke dialecten: voornamelijk in het Vlaams en het Zeeuws, sporadisch nog in het westelijk Brabants. Omdat er in de oostelijke helft van Noord-Brabant en in Limburg telkens maar één keer een relevante term is genoteerd (klinket resp. te Vechel L 180 en Rotem L 420), zijn die gebieden niet in kaart gebracht.

Kunnen we voor de zuidelijke gebieden steunen op recent enquêtemateriaal21) dan moeten we voor de noordelijke volstaan met informatie uit de idiotica. Hierbij kan men terecht opmerken dat de afwezigheid van een woord in een idioticon nog niet aantoont dat het woord niet bestaat in het betrokken dialect (rxket 1 b.v. staat niet bij De Bo, hoewel het ruim verspreid is in West-Vlaanderen). Ondanks dit bezwaar lijkt het mij voor de algemene bewijsvoering niet strikt noodzakelijk een op nieuw enquêtemateriaal berustend onderzoek van de noordelijke gebieden bij dit hoofdstuk te betrekken. Zoals ik in wat volgt hoop te tonen, bevat de kaart van het gebied waar de ‘specifieke’ be-

[p. 44]

namingen een zekere densiteit vertonen (d.w.z. grosso-modo Vlaanderen, Zeeuws-Vlaanderen en Brabant), al voldoende bouwstoffen voor een plausibele hypothese. De argumentatie vertoont bovendien voldoende interne samenhang om niet door eventueel nieuw opduikend materiaal uit andere gebieden op de helling gezet te worden.

2.2.3. Bespreking van de kaarten

De legende van kaart 1 alleen al releveert een merkwaardige toestand: alle gebruikelijke ‘specifieke’ benamingen voor het poortdeurtje zijn formaties met het achtervoegsel -et, dat de klemtoon draagt. Op de woordkaart onderscheiden we de volgende zes benamingstypes: 1) het type rxket (= raket, reket, riket, roket); 2) het type lxket (= loket, laket, leket, liket); 3) het type rinket; 4) het type linket; 5) het type klinket; 6) het type winket.

Dit aantal wordt gereduceerd tot 4 zodra men rinket en linket beschouwt als vormvarianten van rxket, resp. lxket, ontstaan door protonische nasaalepenthese. Op deze kwestie kom ik terug in de conclusie van deze paragraaf.

Hoewel de homogeniteit van het kaartbeeld door het hoge aantal irrelevante opgaven wordt verstoord, wat het trekken van precieze grenslijnen onmogelijk maakt, kunnen we toch 3 gebieden onderscheiden:

 

a) een westelijk gebied, waar als specifieke benamingen overwegend rxket en rinket bekend zijn: West-Vlaanderen, en een deel van Oost-Vlaanderen benoorden de Leie, met als verste noordoostelijke uitloper in mijn materiaal Oosteeklo I 163. Andere specifieke termen zijn in dit gebied bijzonder schaars: loket komt alleen voor in Keiem H 103, waar ook raket bekend is, en winket in 2 plaatsen ten westen van Gent (Hansbeke I 228 en Vinderhoute I 194). Binnen dit gebied overweegt het type rxket, blijkens kaart 2 in het westen vooral met voortonige a, terwijl meer naar het oosten toe reket het sterkst vertegenwoordigd is. Riket komt sporadisch zowat overal voor, met een zekere concentratie ten westen van Gent; roket is eerder zeldzaam. Ook rinket duikt maar

[p. 45]

sporadisch op (H 6, 12, 121, I 155, 163, 193, 195, 224, N 46, en O 36) en vormt nergens enige geografische concentratie.

 

b) Een tweede gebied omvat Zeeuws-Vlaanderen en de middenstrook van Oost-Vlaanderen benoorden de Schelde. Hier is de toestand meer gediversifieerd dan in het westelijke gebied. De dominerende types zijn klinket, loket en linket; daarbij is klinket ongeveer even sterk vertegenwoordigd als beide andere samen. Die drie types liggen nogal willekeurig dooreengezaaid, met één in het oog springende uitzondering, t.w. een klein gebiedje in het noorden van het Meetjesland, waar de vorm klinket onbekend is.

In het Oostvlaamse gedeelte van dit gebied vinden we naast klinket, linket en lxket ook nog twee keer rinket (te Lokeren I 208 en Staakte I 208a) en twee keer winket (te Bokselaar I 208c en Berlare I 257). Kaart 2 laat zien dat loket de meest voorkomende variant is van het type lxket; leket is iets minder schaars dan laket en liket, die elk twee keer geregistreerd zijn.

 

c) Voor zover in de rest van het kaartgebied (de Zeeuwse Eilanden + Goeree-Overflakkee, het gebied van de Brabantse dialecten, en Zuid-Oost-Vlaanderen) nog specifieke benamingen te vinden zijn, is klinket daar overwegend. Hoe verder men in oostelijke richting gaat, des te groter wordt het aandeel van ad-hoc samenstellingen en omschrijvingen. Een andere specifieke term dan klinket treffen we alleen aan in een vijftal plaatsen aan de westelijke periferie van dit gebied: raket te Munte O 35, rinket te Scheldewindeke O 36, winket te Hamme I 213, Heurne O 92 en Nederbrakel O 208, en loket te Impe O 45.

2.2.4. Conclusies uit het kaartbeeld

2.2.4.1. De etymologie van rxket 1/rinket 1

Het kaartbeeld toont in welke richting de oplossing voor deze kwestie gezocht moet worden.

Laat ik hier eerst even in herinnering brengen dat we de stelling van De Vries (rinket < rinkelen, rinken + analogie van klinket en eventueel winket), en bijgevolg ook de mogelijkheid dat rxket 1 via rinket 1

[p. 46]

etymologisch enig verband zou houden met klinket, al eerder hebben verworpen, niet alleen wegens het subjectieve uitgangspunt ervan, maar ook om fonetische redenen (zie 2.1.2.). Ligt dan een ander heteroniem aan de basis van rxket/rinket 1? Er blijven twee mogelijkheden over: lxket/linket en winket. Als het antwoord in de beide gevallen negatief is, zullen we de verklaring voor rxket/rinket 1 buiten deze semantische sfeer moeten zoeken.

Aangezien de vorm winket zelf door nasaal-epenthese uit het Romaanse leenwoord wiket is ontstaan (Franck-Van Wijk 798), geldt het fonetische bezwaar dat wij inbrachten tegen een overgang (rinkelen/rinken + klinket >) rinket > rxket, hier in principe niet. Het MnlW (IX, 2536) geeft een hele reeks Vlaamse en ook enkele Brabantse bewijsplaatsen voor wiket = ‘deurtje in een muur, deur, poort...’. Op grond hiervan lijkt een projectie van wiket ‘achter’ het huidige kaartbeeld van rxket en rinket dus wel gerechtvaardigd. Daarmee hebben we echter een nieuw probleem geschapen: hoe kon rxket in de plaats komen van Mnl. wiket, zodanig zelfs dat van dit laatste, op enkele winket-vormen na, niets is overgebleven? Hoe moeten we overigens die winket-opgaven op de kaart interpreteren? Zijn het wel autochtone sporen van een vroeger wiket-gebied, of moeten we ze integendeel zien als recente Nederlandse leenwoorden, op die plaatsen waar door het verdwijnen van een ouder woord een lacune ontstond? Hoe dan ook, een fonetische overgang wiket > rxket (resp. winket > rinket), met name door de verwisseling van de begin-w met r, ligt niet meteen voor de hand. Over die kwestie kan de kaart geen uitsluitsel geven; in de volgende paragraaf ga ik er nader op in.

Voorlopig behouden we de mogelijkheid dat wiket op de een of andere wijze iets te maken heeft met het ontstaan van rxket; hoe rechtstreeks die samenhang is, kan in dit stadium niet worden uitgemaakt.

Wat uit de huidige spreiding van de verschillende woordtypes wel duidelijk naar voren komt is het volgende: het type dat zich fonetisch gezien het best leent tot een overgang naar rxket/rinket, t.w. lxket/linket, sluit ook geografisch het nauwst bij het rxket/rinket-gebied aan.

Lxket/linket vormt een eigen gebied, grosso modo gelegen tussen

[p. 47]

het westelijke rxket/rinket-gebied en het gedeelte op de kaart waar alleen nog klinket voorkomt. De kans dat lxket niet autochtoon zou zijn in die betekenis, maar aan het A.N. ontleend, lijkt me om zo te zeggen onbestaande. Hiertegen pleit niet alleen de relatieve uitgestrektheid (in vergelijking met winket b.v.) van het lxket/linket-gebied, maar ook en vooral de hoge frequentie van linket-vormen daarin. De overgang lxket > linket (zie ook 2.2.4.2.)22) moet dus al geruime tijd geleden in de dialecten begonnen zijn, hetgeen trouwens bevestigd wordt door een linket-attestatie uit 1748 bij LVC (1195). In de veronderstelling dat ontlening uit het A.N. had plaatsgevonden, zouden we die moeten situeren in een periode waar van enige beïnvloeding van de dialectwoordenschat door het A.N. nog geen sprake was, in elk geval niet in Zuid-Nederland, en zeker niet waar het gaat om benamingen voor vanouds bekende voorwerpen. Lxket mag dus worden beschouwd als een oorspronkelijk dialectwoord voor het poortdeurtje.

Belangrijk m.b.t. onze probleemstelling is de nauwe fonetische verwantschap van lxket met rxket: - ze hebben alletwee een vorm met epenthetische nasaal en één zonder; - ze verschillen maar in één segment, nl. l en r, en die verschillen op hun beurt maar in één kenmerk, nl. [+ lat.] en [- lat.]. Daarbij komt dat l/r-wisseling geen onbekend fenomeen is in het Nederlands en de dialecten. (zie 2.3.2.)

Dit kan alleen ons vermoeden versterken dat het geografische Nebeneinander van lxket/linket en rxket/rinket op de synchrone kaart, in het rxket/rinket-gebied zelf als een historisch Nacheinander beschouwd moet worden. In 2.4. wordt de geloofwaardigheid van die suggestie onderzocht in het licht van een aantal historische gegevens over het onomasiologische veld ‘poortdeurtje’.

2.2.4.2. De verhouding rxket - rinket

Het woordgeografisch onderzoek bevestigt niet alleen dat rinket een later opgekomen fonetische variant is van rxket, maar geeft ook aan welke andere vormen rechtstreeks bij het ontstaan van rinket betrokken zijn geweest.

[p. 48]

- Het eerste blijkt al uit de constatering dat rinket binnen het rxket-gebied maar sporadisch voorkomt, en nergens aan gebiedsvorming toe is. Een bijkomend argument ligt in de aanwezigheid, binnen hetzelfde onomasiologische veld, van een volledig parallel voorbeeld: het tweetal lxket - linket. Omdat linket een weinig verspreide vorm is, en vooral omdat het - in tegenstelling tot rinket - nooit een cultuurtaalwoord is geworden, heeft niemand er ooit een etymologisch probleem in gezien. Er is trouwens geen andere dan een fonetische verklaring denkbaar, aangezien men hier niet zoals bij rinket een afleiding uit een bekend woord kan poneren. Er zal dan ook niemand aan twijfelen dat linket het produkt is van voortonige nasaalepenthese bij lxket.

- Welk beeld kunnen we ons in dit stadium vormen van het ontstaan van rinket?

 

Bekijken we het rxket/rinket-gebied geïsoleerd, dan zouden we geneigd zijn te besluiten dat rinket 1 rechtstreeks uit rxket 1 is voortgekomen, analoog met de ontwikkeling rxket 2/3 > rinket 2/3 en lxket > linket. De geografische positie van lxket/linket echter, en de mogelijke implicatie daarvan voor de oplossing van het etymologisch vraagstuk rxket/rinket (zie 2.2.4.1.), brengen ons tot een genuanceerder standpunt. Immers, mocht houdbaar blijken wat hierboven werd gesuggereerd, t.w. dat rxket in oorsprong een fonetische variant is van het oudere en eertijds ruimer verspreide lxket, dan belet niets dat rinket ook via l/r-wisseling in de anlaut uit linket kan zijn ontstaan. Het valt te bezien of het diachrone onderzoek ons iets wijzer maakt omtrent het werkelijke verloop van die ontwikkelingen in het verleden.

2.3. Diachroon onderzoek

Als we de etymologie van een woord proberen te achterhalen, kunnen we uiteraard niet blijven stilstaan bij synchrone gegevens, of op synchrone gegevens steunende veronderstellingen, en moeten we terug in het verleden. Voor het probleem dat hier aan de orde is betekent dit meer bepaald dat we een beeld moeten schetsen van hoe het onomasiologische veld ‘poortdeurtje’ er in vroegere tijden uitzag. Geografisch

[p. 49]

is dit diachrone onderzoek toegespitst op Vlaanderen, het gebied nl. waar we vandaag de rxket-vormen aantreffen.

Gezien de aard van de overgeleverde bronnen uit vroegere stadia van onze taal, kan het historisch onderzoek van de woordenschat vrijwel nooit met zekerheid uitmaken welke plaats een woord bekleedde in de gesproken taal op een bepaald tijdstip in het verleden. Middelnederlandse teksten zijn niet alleen relatief schaars, ze leggen ook maar gebrekkig getuigenis af van de levende taal. Het opduiken van een woord in een oude tekst zegt alleen dat dit woord op dat ogenblik bestond, maar nog niet of het daarom ook door de gewone taalgebruiker werd gehanteerd. S. de Grave (20-21) wijst erop dat dit voorbehoud nog meer geldt voor vreemde woorden en bastaardwoorden. Even moeilijk is te achterhalen hoe lang het woord in die betekenis al in de taal aanwezig was vóór de vroegste attestatie.

Dit alles maakt dat de diachrone reconstructie die wij in deze paragraaf beogen, twee stappen inhoudt. In de eerste plaats moeten wij de beschikbare feitelijke gegevens op een rijtje zetten, bewust evenwel van de relatieve bewijskracht die ze hebben. Uit het bekende moet dan het onbekende gereconstrueerd worden, waarbij uiteraard veel hypothetisch zal blijven.

2.3.1. Getuigenis van de bronnen23)

Het MnlW leert ons dat de situatie er rond 1350 als volgt moet hebben uitgezien: als specifieke benaming voor ‘klein deurtje in een muur, poortje’ en ‘kleine deur in een der zijvleugels van de poortdeur’, was er het Romaanse leenwoord wiket (< Fr. guichet), dat zeker voor 130024) in onze taal is binnengekomen. Daarnaast bestond een algemeen woord loke, van toepassing op ‘iedere afsluiting, al datgene waarmede men iets sluit of afsluit’ (MnlW IV, 740). Uit dit loke

[p. 50]

is later loket gevormd, door toevoeging van het Romaanse achtervoegsel -et. Van de verdere evolutie weten we dat wiket zich later heeft ontwikkeld tot winket, een vorm die al in het Noorden een enkele keer opduikt in de 2e helft van de 14e eeuw (t.w. in de Cameraarsrekeningen van Deventer), in het Zuiden pas na 1400. Eveneens in de late 14e eeuw wordt voor het eerst loket geattesteerd, in een Westvlaamse bron25).

Terwijl wi(n)ket sinds de Middelnederlandse periode geen noemenswaardige betekenisverschuiving heeft gekend, is de semantische status van loket door de eeuwen heen niet steeds met zekerheid te achterhalen. Om te beginnen is de omschrijving van het MnlW (IV, 742) al enigszins verwarrend, omdat het te definiëren woord zelf in de definitie voorkomt: ‘loket...vak, afgedeelde ruimte, loket. Zie De Bo 645’. Wordt hiermee gesuggereerd dat Mnl. loket in de betekenis overeenkomt met het huidige Ndl. loket? Indien dit zo is, dan moet er naast ‘afgedeelde ruimte’ en ‘plank van een boekenkas,...’ (De Bo, 565), ook ‘raamvormige opening in een muur, enz., waardoor communicatie tussen twee ruimten mogelijk wordt’ (Van Dale 1377) onder worden verstaan. Verdam geeft ter illustratie slechts twee citaten, allebei uit een Westvlaamse bron, maar in geen van beide komt de precieze betekenis van loket naar voren. Het is dus aan de hand van de geraadpleegde bronnen moeilijk te achterhalen hoe ruim de toepassingsmogelijkheid van loket aanvankelijk was. In elk geval kreeg loket op een bepaald ogenblik de betekenis ‘poortdeurtje’. Een precieze datering van dat moment is niet mogelijk; benaderend kunnen we alleen zeggen dat het gesitueerd is tussen het ogenblik van de vorming van loket uit loke + et en de datum van het vroegste citaat waar het die betekenis heeft.

De oudste mij bekende vermelding van loket = ‘deurtje’ staat bij LVC (795): in een citaat uit een Gentse bron van 1667, waar het woord beurtelings als luket en luijcket wordt gespeld26).

[p. 51]

Zoals wiket heeft lxket in een aantal dialecten (of idiolecten?) vóór de klemtoon een parasitaire nasaal ontwikkeld; wat aanleiding gaf tot de vorm linket die we vandaag aantreffen in het Oostvlaams en het Zeeuws. Wanneer zijn die linket-vormen ontstaan? Opnieuw laten de geraadpleegde bronnen ons grotendeels in de steek. Het MnlW kent linket niet, evenmin als Kiliaan, Mak, het WNT en de 18e eeuwse woordenboeken. LVC (795), de enige die het wel vermeldt, geeft onder het lemma LIJNKET twee citaten. Aan de bewijskracht van het eerste, gedateerd 1667, kan getwijfeld worden. Immers, zoals eerder gezegd, treffen we daar de grafie luijcket aan, waarvan het verre van zeker is dat ze verwijst naar een uitspraak met epenthetische ŋ, hetgeen de rubricering onder het lemma LIJNKET nochtans zou laten vermoeden. In het andere citaat, dat bijna een eeuw jonger is, levert de spelling geen moeilijkheden op.

Het minst van al weten we over de ouderdom van rxket 1. We beschikken over geen enkel citaat ouder dan de tekst van Harte, aangehaald in het WNT (Zie 1.2.1.). De oudste vermelding van rinket 1 vinden we bij LVC (1178) in een bron van 1666.

2.3.2. Hypothese omtrent de historische ontwikkeling

Het chronologische kader dat uit de teksten resulteert biedt niet meer dan enkele partiële momentopnamen uit de historische ontwikkeling van een onomasiologisch veld. Ons rest nu nog de leemtes in dit schema op te vullen met een theorie die, rekening houdend met alle verifieer-

[p. 52]

bare gegevens, het bestaan van rxket 1 en rinket 1 in het hedendaags westelijk Vlaams kan verantwoorden.

Het oudst bekende Mnl. woord voor ‘deurtje in een grote deur’, wiket, is van vreemde oorsprong. Als we er met S. de Grave (118) van uitgaan dat ‘het overnemen en gebruiken van vreemde termen (....) niet een toevallig bezigen is van een of ander buitenlands woord’, dan moeten we ons de vraag stellen naar het motief van de ontlening. Verschillende mogelijkheden zijn denkbaar: 1. de benaming is samen met de zaak overgenomen; 2. hoewel de zaak al vóór de ontlening bekend was, bestond er ten onzent geen specifieke benaming voor en gebruikte men een woord met ruimere betekenis of een omschrijving; 3. de oude, inheemse benaming werd om de een of andere reden (homoniemenvrees b.v.), minder verkieslijk geacht. Voor het geval wiket denk ik aan een tweede mogelijkheid. Er bestond een inheems woord loke, toepasbaar op allerlei middelen ter afsluiting, waaronder planken, hagen,..., blijkens de Inventaris van Brugge (MnlW IV, 740) ook sluisdeuren, en vandaar wellicht ook andere deur- en raamvormige afsluitsels. Gezien die status van loke als overkoepelende term, had een nieuw woord met de engere betekenis van ‘deurtje in een grote deur of poort’ dus alle levenskansen.

Hoe diep is winket in de gesproken taal doorgedrongen? Als we het hebben over de verspreiding van Romaanse leenwoorden, moeten we ons te allen tijde bewust zijn van het feit dat heel wat van die ontleningen in de Middelnederlandse periode, en ook nog daarna, beperkt bleven tot zekere (hogere) kringen27). Bij wiket lijkt dit voorbehoud echter minder van toepassing dan bij sommige andere woorden. Dat dit

[p. 53]

woord in het Nederlands een fonetische ontwikkeling heeft gekend die courant voorkomt in de Nederlandse dialecten (→ winket), toont niet enkel aan dat het werkelijk tot de levende taalschat heeft behoord, maar wijst ook op een verspreiding van enige omvang, zowel geografisch als sociologisch. De opkomst van een specifieke term houdt echter niet in dat daardoor het gebruik van de overkoepelende meteen teloor gaat. De praktijk van het synchrone dialectenonderzoek leert integendeel dat het gebruik van specifieke termen eerder dan algemene, heel dikwijls afhangt van de communicatieve context en de mate waarin de taalgebruiker de woordenschat van zijn eigen dialect actief beheerst. Zo is het perfect denkbaar dat loke, ook na de ontlening van wiket, ten dele bleef fungeren als benaming voor het poortdeurtje, o.m. bij dialectsprekers die in hun parate woordvoorraad (nog) niet over het nieuwe woord beschikten (taalarmoede), of in situaties waar nauwkeurige specificering overbodig werd geacht. Het feit dat Mnl. wiket een vreemd woord is, ontleend in de taalsfeer van de burgerlijke bouwkunst (S. de Grave 65), maakt nog meer aannemelijk dat het voor een deel van de taalgebruikers nooit echt verworven goed is geworden.

Samenvattend kunnen we het zo voorstellen, dat loke en wi(n)ket een tijdlang naast elkaar hebben gestaan als benamingen voor hetzelfde begrip.

Die conclusie is niet zonder belang voor de volgende stap in deze poging tot diachrone reconstructie, de opkomst nl. van loket als nieuw heteroniem naast wi(n)ket.

Over het formeel-etymologische aspect is er geen discussie: loket is in het Nederlandse taalgebied gevormd door toevoeging van het Romaanse diminutiefsuffix -et aan het inheemse loke (Franck-Van Wijk 395; S. de Grave 365), waarbij het accent op de tweede lettergreep kwam te liggen. Dergelijke formaties zijn niet zo ongewoon, er bestaan meer voorbeelden van combinaties van een Ndl. stam en dit Rom. suffix, waarvan men aanneemt - zij het dan niet altijd zonder voorbehoud - dat ze ten onzent gevormd zijn: draket (in het Mnl. ‘kleine draak ter versiering’, uit drake + -el, MnlW II, 390; S. de Grave 339); koket (‘kooksel’, uit de stam van het ww. koken + -et, WNT VII, 5089); lampet (in het Mnl. ‘voorwerp in de vorm van een lamp’,

[p. 54]

misschien bij ons gevormd uit lamp + -et, doch S. de Grave p. 365 geeft een andere suggestie); bonket (‘grote knikker’, uit bonk ‘bult’ + -et, WNT III, 362); planket (‘plankenvloer’, vermoedelijk uit plank + -et, maar het kan ook rechtstreeks uit het Frans of het Picardisch zijn ontleend, zie WNT XII, 2263 en Franck-Van Wijk 505), en misschien klinket (volgens S. de Grave p. 365 bij ons door volksetymologie uit winket ontstaan; Franck-Van Wijk, p. 317, meent dat het op Ofr. clencquet teruggaat).

We beweren daarom nog niet dat -et als suffix in het Nederlands werkelijk produktief was in dezelfde mate b.v. als het formans -es(se) voor vrouwelijke zelfstandige naamwoorden. Misschien zijn -et-formaties bij voorkeur ontstaan in omstandigheden die er bevorderend op in werkten, zoals de ‘naburigheid’ van een Romaanse vorm die als model kon optreden, b.v. loquet28) (bij loket), clenquet of clenchette29) (bij klinket), planchette30) (bij planket), enz.

Waar het hier vooral om gaat is de vraag hoe het komt dat de nieuwe formatie loket in een aantal Vlaamse dialecten het begrip ‘deurtje in een deur’ is gaan benoemen, terwijl daar toch al een geschikte term voor bestond (wi(n)ket). Voor een antwoord op die vraag, dat uiteraard tentatief moet blijven, kunnen we ons in elk geval inspireren op de opvallende vormgelijkheid van loket en wi(n)ket: beide hebben het achtervoegsel -et, dat toch niet zo courant was dat we hier aan toeval moeten denken. Het ligt dan ook voor de hand dat de oudere vorm wi(n)ket in zekere mate de ‘stoot’ heeft gegeven tot het aanhechten van een -et-suffix aan het reeds lang bestaande loke, dat semantisch in dezelfde sfeer lag als wi(n)ket. In die hypothese is het meest waarschijnlijke zelfs dat juist voor het begrip ‘poortdeurtje’ het eerst een loket-vorm is opgedoken, of is er op zijn minst reden om aan te nemen dat loket al heel vroeg in die betekenis werd gebruikt. Daarnaast had dit woord evenwel een aantal andere gebruiksmogelijkheden (zoals

[p. 55]

o.m. ‘plank of afgedeelde ruimte in een kast’), die het te danken had aan zijn herkomst uit het grondwoord loke, dat immers ruim toepasbaar was. Dat loket ‘deurtje’ zich heeft weten te handhaven naast wi(n)ket, kan mede hieraan liggen, dat vele taalgebruikers boven het vreemd klinkende wi(n)ket, voor zover ze dat al kenden, een vorm verkozen met daarin een herkenbaar stammorfeem, dat echter, het zij hier al even opgemerkt, niet lang meer herkenbaar zou blijven, daar loke reeds vrij vlug daarop verdwenen moet zijn31).

M.b.t. de geografische verspreiding van loket en de latere vorm linket laten, op LVC na, alle woordenboeken van het oudere Nederlands ons in het ongewisse. Nochtans moet het woord, te oordelen naar het huidige kaartbeeld, waar de loket-vermeldingen zoals eerder betoogd niet als neologismen te interpreteren zijn, eertijds minstens een deel van Noord-Vlaanderen hebben bestreken. Hoeveel groter dat gebied in werkelijkheid is geweest, valt uit de feitelijke gegevens niet af te leiden. Wel heeft onze hypothese omtrent de vorming van loket de implicatie dat de ‘versmelting’ van wi(n)ket en loke kon plaatsvinden overal waar die twee naast elkaar bestonden in dezelfde semantische sfeer. En daar het Middelwestvlaams kennelijk aan die voorwaarde voldeed, is er ruimte voor de veronderstelling dat het loket/linket-gebied van vroeger ook het huidige rxket/rinket-gebied omvatte.

Maar hoe dan de verschuiving, die uit de huidige toestand blijkt, te verklaren? Met die vraag komen we tot de kern van de hele probleemstelling: de oorsprong van rxket en rinket in de betekenis ‘poortdeurtje’. En hier acht ik een fonetische ontwikkeling lxket/linket > rxket/rinket zeer waarschijnlijk.

Om te beginnen is er het al vaak geconstateerde feit, dat de fonetisch sterk verwante liquidae gemakkelijk door elkaar vervangen worden in het Nederlands, vooral in onbeklemtoonde positie32). Dit wil echter

[p. 56]

nog niet zeggen dat l/r-wisseling geheel willekeurig gebeurt. Doorgaans is daar wel een aanleiding voor aan te wijzen, zoals attractie van een r elders in het woord (b.v. Mnl. mercander voor malcander, hermerijn voor hermelijn), en vooral dissimilatie (b.v. Vlaams letter voor luttel, Wvl. sloter voor sleutel). Toch zijn er enkele zeldzame voorbeelden bekend van woorden waar l/r-wisseling optreedt zonder onmiddellijk aanwijsbare verklaring33). S. de Grave (278) noemt o.a. Mnl. morvesie (= malvezij, ‘zuidelijke wijnsoort’, via Ofr. malvesi, malvisee uit It. malvasia, Franck-Van Wijk 161) en matroos (< mv. Fr. matelots), hoewel voor dit laatste wel een fonetische verklaring te geven is, zoals verder zal blijken.

Tot de categorie van de alsnog onverklaarde gevallen reken ik renot(te), roo(d)not(te)34), een meestal in de diminutiefvorm voorkomende Vlaamse benaming voor de barmsijs, die stellig van Fr. linotte is afgeleid35). Houden we even de veronderstelling aan dat rxket 1 evenals renot(te) het resultaat is van l/r-wisseling in anlaut, dan ligt het voor de hand te gaan zoeken naar gemeenschappelijke kenmerken die een verklaring voor de l/r-wisseling in die twee woorden kunnen leveren.

Linot(te) en lxket vertonen allebei dezelfde on-Nederlandse opeenvolging van voltonige, korte vocalen, waarbij de klemtoon op de tweede lettergreep ligt. Een dergelijke situatie kan, zoals reeds is uiteengezet in 1.1., verschillende fonetische veranderingen veroorzaken in de voortonige lettergreep, b.v. vocaalreductie, vocaalsubstitutie, epenthese van liquidae en nasalen, en de door Roelandts (zie 1.1.2.) beschreven consonantenverscherping of -verzachting. Hoewel dit zeer uiteenlopende,

[p. 57]

soms aan elkaar tegengestelde ontwikkelingen zijn, is het niet uitgesloten dat ze alle terug te brengen zijn tot dezelfde motivatie, t.w. de aanpassing van de klankstructuur van de betrokken woorden aan het inheemse klanksysteem.

In die richting verder denkend zou men kunnen veronderstellen dat de l > r-overgang bij linotte > renot(te) en lxket > rxket evenals de voortonige epenthese en de anlautsverscherping, behoort tot de reeks van klankveranderingen gericht op versterking van de voortonige lettergreep in die zin die Roelandts bedoelt.

Een andere mogelijke gedachtengang zou zijn, en hier sluit ik aan bij een eerder toegelicht standpunt van Van Loey (zie 1.1.2.), dat in die twee woorden eerst vocaalreductie heeft plaatsgegrepen, en dat daarna in een operatie van ‘syllabe-redding’ de voortonige syllabe extra fonetisch gewicht werd verleend dank zij de vervanging van l door de toch meer geprononceerde r.

Voor het geval dat ons hier speciaal interesseert echter, nl. de overgang lxket > rxket, is er nog een omstandigheid die deze toch maar op gering bewijsmateriaal gesteunde hypotheses, gedeeltelijk overbodig maakt. Zodra we nl. het neutrale genus van lxket in rekening nemen, blijkt de overgang naar rxket helemaal niet meer zo moeilijk te verklaren of uniek te zijn.

Immers, de combinatie van lxket met het onzijdig bepaalde lidwoord levert een (tautosyllabisch) moeilijk uit te spreken consonantenverbinding tl op. Nu is het een bekend verschijnsel in het Nederlands dat voor dergelijke verbindingen, zeker als ze binnen een woord, en a fortiori als ze binnen een morfeem voorkomen, een tendens bestaat om ze uit de taal te weren36). Bij tl37) kan zo'n aanpassing aan het eigen articulatiesysteem verschillende wegen volgen: 1) het eerste element valt weg, zoals in pollepel < potlepel; 2) het eerste element wordt gewijzigd in één kenmerk, zodat we een combinatie krijgen die wel conform is aan het Nederlandse klanksysteem, nl. kl (het kenmerk

[p. 58]

[alveolair] van de t verandert in [velair], b.v. Wvl. workel/workle naast wortel/wortle38), 3) het tweede element wordt gewijzigd in één kenmerk, met als gevolg de overgang l > r (het kenmerk [+ lat.] van de l verandert in [- lat.]), b.v. in Ndl. matras (< Fr. matelas) en matroos (< mv. Fr. matelots), waar de l/r-wisseling de syllabegrens niet heeft ontzien.

Uiteraard blijft de ontwikkeling tl > tr in tlxket in zekere zin een alleenstaand geval, aangezien de aanpassing van de on-Nederlandse verbinding tl hier niet binnen één woord of morfeem is gebeurd, maar over de woordgrens heen. Toch lijkt dit mij geen fundamenteel bezwaar. In de levende taal van elke dag werd lxket ongetwijfeld heel vaak verbonden met het bepaalde lidwoord; er zijn maar weinig situaties van communicatie denkbaar die het gebruik van een ander bepalend woord vóór lxket vereisen39), zo b.v. zeker niet het onbepaalde lidwoord. In poortdeuren, schuurpoorten e.d.m. was en is er immers nooit meer dan één zo'n deurtje, dat derhalve in de leefwereld van de taalgebruiker de status had van een vertrouwd voorwerp, met een vaste

[p. 59]

plaats in zijn referentiekader. Zo gaat b.v. de boer naar de akker of 't land, herstelt hij de tuin of 't stakiet, lopen de beesten in de wei, enz.

Zekere woordverbindingen kunnen dan zo stereotiep worden, dat de woordgrens tussen de twee elementen van de verbinding op de duur geen belemmering meer vormt voor klankveranderingen die we normaal alleen binnen één woord of morfeem zouden verwachten. Blancquaert (1951) b.v. toont aan dat de onoorspronkelijke d vóór r in de anlaut van een aantal mannelijke substantieven in het dialect van Opdorp (I 272) en omgeving, zoals o.m. driek (rug), drok (rok), driem (riem), berust op d-epenthese tussen de slot-n van het onbepaalde lidwoord, het bezittelijke voornaamwoord of het verbogen adjectief, en de begin-r van het substantief. Fonologisch gezien komt dit hierop neer dat bij zulke combinaties het proclitische element en het woord dat erbij aanleunt als één entiteit beschouwd kunnen worden, als één fonologisch woord a.h.w.40). Wat betreft de overgang loket > rxket komt daar nog bij dat loket al vrij vlug etymologisch onherkenbaar zal zijn geworden, waardoor de neiging tot adaptatie van tl in de verbinding tlxket van etymologische zijde nog weinig weerstand ondervond41).

Wellicht is de factor ‘frequentie in het gebruik’ van bepaalde woordcombinaties ook een belangrijk element bij het zoeken naar een antwoord op de vraag waarom loket in de betekenissen ‘afgedeelde ruimte in een kast’ en ‘plank in een (boeken)kast’ niet tot rxket is geworden, en hoe het komt dat l/r-wisseling niet heeft plaatsgevonden in de anlaut van andere vreemde woorden of leenformaties met onzijdig genus, die etymologisch even ‘ondoorzichtig’ zijn als loket, en die een met dit woord identiek accentpatroon bezitten, zoals Vl. lament ‘wiek of pit van een kaars’, Ndl. lawaai, laweit, Vl. logist ‘logement’, enz.

[p. 60]

Er is mij maar één voorbeeld bekend van een l/r-wisseling die misschien op dezelfde gronden berust als de overgang lxket > rxket, t.w. de vorm ramoel, een vervorming van lamoen ‘disselboom van een kar met twee armen’ of ‘gedeelte van het onderstel van een boerewagen’, door Heirman (1970) opgetekend in enkele Klein-Brabantse gemeenten: Weert I 219, Bornem I 220, Mariekerke I 265, Brans I 265a; ramoel komt ook een enkele keer voor in het materiaal Grootaers42) als antwoord op vraag 10 van lijst 34, voor Mariekerke. Aangezien echter in hetzelfde gebied ook lamoer43) voorkomt, kan ramoel ook uit dit laatste zijn ontstaan door metathesis van r en l.

Tot slot nog één vraag: kan volksetymologie enige rol hebben gespeeld bij de overgang lxket > rxket? Dit lijkt me moeilijk verdedigbaar, en zeker niet bewijsbaar. Volksetymologie, d.i. de onopzettelijke vervorming van een moeilijk uit te spreken woord of klankverbinding door associatie met meer vertrouwde woorden of klankverbindingen, zou hier veronderstellen dat het woord rxket de taalgebruikers vertrouwder in de oren klonk dan lxket, hetgeen niet zo waarschijnlijk is, vermits rxket eveneens een vreemd woord is met een ongewone beklemtoning. Voor het feit dat de voortonige klinker in rxket veruit het meest als a wordt gerealiseerd, terwijl dat bij lxket vooral o is, heb ik anderzijds geen verklaring.

2.3.3. Chronologische noot i.v.m. de relatie rxket-rinket-linket

Met de theorie van de l/r-wisseling gewapend, kunnen we nu ook één onopgelost probleem in zijn juiste dimensies schetsen, nl. van welke vorm is rinket 1 een verdere fonetische ontwikkeling? Uit wat voorafgaat blijkt dat in totaal twee klankontwikkelingen verantwoordelijk worden gesteld voor de uiteindelijke vorm rinket 1: 1) l/r-wisseling; 2) n-epenthese.

In tegenstelling tot bij rinket 2 en 3, waar slechts sprake is van één

[p. 61]

klankontwikkeling, doet zich hier het probleem voor van de relatieve chronologie van die twee verschuivingen. Er zijn in principe twee mogelijkheden:

 

(A) rinket 1 is ontstaan uit rxket 1.

 

In dit geval is het denkbaar dat die overgang, hoewel theoretisch mogelijk overal waar rxket 1 bekend was, zich sneller en veelvuldiger heeft voltrokken aan de oostelijke grens van het rxket-gebied, omdat daar de attractie van linket, en vooral het in Brabant sterk ingeburgerde klinket als bijkomende externe factor de interne tendens versterkt of gestimuleerd kan hebben. Dat klinket enige invloed heeft gehad lijkt wel aannemelijk als men bedenkt dat rinket een relatief jong woord is, wat betekent dat het pas is ontstaan nadat het Brabants in Zuid-Nederland het toonaangevende dialect was geworden. Op dezelfde manier kan klinket ook de overgang lxket > linket hebben bevorderd.

 

(B) zoals rxket ontstaan is uit lxket, zo is ook rinket rechtstreeks uit linket ontstaan.

 

Geen van beide mogelijkheden is a priori te verwerpen. Een definitieve oplossing voor deze kwestie valt niet te geven, wegens de te schaarse diachrone bewijsplaatsen. Anderzijds vormt dit geen bezwaar voor mijn etymologische hypothese, aangezien zowel in geval (A) als in geval (B) beide klankontwikkelingen (nasaalepenthese en l/r-wisseling) op een grondvorm met dezelfde betekenis als de eindvorm, van toepassing zijn. Dus:

ofwel (A) lxketrxketrinket
ofwel (B) lxketlinketrinket

3. Besluit en slotbeschouwingen

3.1. Kort samengevat komt mijn hypothese dus neer op het volgende: uit het inheemse Mnl. loke met ruime toepasbaarheid op allerlei middelen ter afsluiting, ontstond in westelijk Vlaanderen onder invloed van het Rom. leenwoord wi(n)ket een nieuwe term loket, die de specifieke betekenis ‘poortdeurtje’ van wi(n)ket overnam, en die na ver-

[p. 62]

loop van tijd een wisselvorm met onoorspronkelijke nasaal naast zich kreeg (linket). De veelvuldige verbinding van lxket met het onzijdig bepaald lidwoord veroorzaakte een fonetische verandering in de anlaut van lxket: 1 werd tot r door aanpassing van de verbinding tl aan de Ndl. klankstructuur. Lxket/linket bleef bewaard in Zeeuws-Vlaanderen en hier en daar in Oost-Vlaanderen, terwijl rxket ingeburgerd raakte in West-Vlaanderen. Het jongere rinket tenslotte, kan zowel door l/r-wisseling uit linket als door nasaal-epenthese uit rxket zijn ontstaan. Het is mogelijk dat beide ontwikkelingen zich (al dan niet simultaan) hebben voorgedaan.

Bij dit alles blijven nog een aantal vragen onbeantwoord, zoals o.m.:

- Wanneer is die overgang (t)lxket > (t)rxket gebeurd? In de bronnen heb ik daar geen aanwijzingen voor gevonden. Alleen nieuwe attestaties kunnen hier klaarheid brengen.

- Hoe komt het dat die overgang alleen plaatsvond in een deel van het vroegere lxket-gebied en b.v. niet in Zeeuws-Vlaanderen en noordelijk Oost-Vlaanderen? Een fonetische verklaring voor die toestand, waarbij b.v. gedacht wordt aan een verschil in timbre van de l, is, me dunkt, niet te geven. Maar hoeft hiervoor wel een verklaring gezocht te worden? Immers, niet iedere fonetische ontwikkeling die ons in het licht van het Nederlandse articulatiesysteem als verklaarbaar en voor de hand liggend voorkomt, hoeft daarom per se plaats te vinden overal waar de fonetische voorwaarden daartoe zijn vervuld. M.a.w., wat fonetisch mogelijk is, heeft daarom nog niet de status van wet. Dit kan o.m. worden geïllustreerd aan de hand van de in paragraaf 1. besproken verschijnselen die, hoewel verklaarbaar, toch geografisch, sociologisch en wat het aantal erdoor getroffen woorden betreft, beperkt blijven in omvang. Andere dan intern-linguistische factoren kunnen doorslaggevend zijn voor het behoud of het verlies van een vorm.

- Gesteld dat de overgang lxket > rxket (resp. linket > rinket) mogelijk, doch niet noodzakelijk was, hoe moet dan worden verklaard dat rxket/rinket een nagenoeg homogeen gebied vormt, waar van lxket/linket zo goed als geen sporen meer zijn, m.a.w. dat die mogelijkheid zich binnen een welomschreven gebied overal gerealiseerd heeft? Ook hier moeten andere dan fonetische oorzaken in het spel zijn. De

[p. 63]

synchrone geografische tegenstelling tussen rxket/rinket en lxket/loket berust wellicht op lexicale polarisatie.

 

3.2. Tot slot van deze uiteenzetting ga ik nog even na in welke mate de hier behandelde woorden nu in de cultuurtaal vertegenwoordigd zijn.

Het meest algemeen bekende woord is wel loket, dat in het A.N. de specifieke betekenissen heeft van ‘vak in een kastje, bureau, enz.’ en ‘raampje in een deur, muur, enz., waardoor communicatie tussen twee ruimten mogelijk wordt’. Dit laatste is zonder enige twijfel een verdere ontwikkeling van de betekenis die loket nu nog heeft in een aantal Vlaamse dialecten.

Voor ‘deurtje in een deur’ hebben burgerrecht verworven in het A.N.: 1) het oude Romaanse leenwoord winket, dat in de Middelnederlandse periode al zowat in heel ons taalgebied opduikt, maar vooral toch in Zuid-Nederland; 2) het jongere klinket, een woord dat van oorsprong waarschijnlijk Noordnederlands is.

Rinket in die betekenis wordt door Van Dale Zuidnederlands genoemd, maar het woord vestigde zich in het A.N. wél in de zeer specifieke betekenis van ‘deurtje of schuif in een sluisdeur’, waarop ook klinket van toepassing is. Dat dit Vlaamse woord uitgerekend in die betekenis burgerrecht verwierf, hoeft ons niet te verwonderen als we bedenken dat het bedijken van oudsher een frekwente bezigheid was in Vlaanderen (en in Zeeland, waar de dijkwerken niet zelden door Vlamingen, vermoedelijk vooral Westvlamingen, zijn uitgevoerd44)). Waarom het niet de vorm rxket is die deze plaats heeft veroverd, ondanks zijn grotere verspreiding in de dialecten, blijft voorlopig een open vraag.

Bibliografie

Blanquaert, E. ‘Opdorpiana II. Invoeging van d in zinsverband’, Taal en Tongval III (1951), p. 13 e.v.
Bloch, O. von Wartburg, W. Dictionnaire Etymologique de la langue française. Paris 19603.
Blommaert, C. Uit de taal van het landbouwbedrijf in 17 Zuidoostvlaamse gemeenten. Dissertatie Gent 1974 (ongepubliceerd).
[p. 64]
Boets, J. ‘De taal van-binnen-uit.’ H. Top Dial xxxix (1965), p. 171 e.v.
Coutteneye, L. Studie over de landbonwtermen in de streek leper-Poperinge. Dissertatie Leuven 1972 (ongepubliceerd).
De Bo, L.L. Westvlaamsch Idiotieon. 2e uitgave bewerkt door J. Samyn. Gent 1892.
De Bont, A.P. Dialekt van Kempenland. Deel I. Klank- en Vormleer. Assen 1962.
De Fleurquin, W. Landbouwtermen in Lokeren en omgeving. Dissertatie Gent 1960 (ongepubliceerd).
De Leersnijder, W. Landbouwtermen te Oostrozebeke en omgeving. Dissertatie Leuven 1970 (ongepubliceerd).
Demetter, B. Bijdrage tot de studie over de dialektwoordenschat van Zingem en omgeving. Dissertatie Leuven 1968 (ongepubliceerd).
De Muer, W. Landbouwtermen in het Midden-Westen van Oost-Vlaanderen. Dissertatie Gent 1968 (ongepubliceerd).
Derwael, L. Uit de woordenschat van de landbouw in enkele Vlaamse gemeenten. Dissertatie Gent 1964 (ongepubliceerd).
Desnerck, R. Oostends Woordenboek. Handzame 1972.
De Vooys, C.G.N. Geschiedenis van de Nederlandse Taal. Antwerpen 19525.
Devos, M. Uit de taal van het landbouwbedrijf in achttien Westvlaamse poldergemeenten. Dissertatie Gent 1970 (ongepubliceerd).
De Vries, J. Nederlands Etymologisch Woordenboek. Leiden 1971.
Eeckhout, M. Uit de taal van het landbouwbedrijf in 21 Zuidoostvlaamse gemeenten. Dissertatie Gent 1973 (ongepubliceerd).
Franck, J. Mittelniederländische Grammatik mit Lesestücken und Glossar. Leipzig 1910.
Franck-Van Wijk = Van Wijk, N. Francks etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal. 's-Gravenhage 1912.
Godefroy, F. Dictionnaire de l'ancienne langue française et de tous ses dialectes. Du IXe au XVe siècle. Liechtenstein 19693.
Heeroma, K. ‘Klemverschuiving bij samengestelde woorden’. NTg 42 (1949), p. 69 e.v.
Idem, ‘De ie als plusfoneem van de reductievocaal.’ Ts 77 (1959-1960), p. 187 e.v.
Heirman, F. Landbouwtermen in enkele Wase en Klein-Brabantse gemeenten. Dissertatie Gent 1970 (ongepubliceerd).
Heukels, H. Woordenboek der Nederlandsche Volksnamen van planten uit de gegevens verzameld door de Commissie voor Nederlandsche Plantennamen...Amsterdam 1907.
Joos, A. Waasch Idioticon. Gent 1900.
Kiliaan, C. Etymologicum teutonicae linguae...Editio tertia...Antverpiae 1599. Anastatische herdruk. Handzame 1974.
LVC = Lievevrouw-Coopman, L. Gents Woordenboek. Gent 1950-1954.
Littré, E. Dictionnaire de la langue française. Tome 2. Paris 1956.
Logeman, H. ‘The Etymology of French matelot, Du. and German matro(o)s, etc.’ Leuv B XXV (1933), p. 53 e.v.
Loquela. Amsterdam 19463.
[p. 65]
Mak, J.J. Rhetoricaal Glossarium. Assen 1959.
Marin, P. Nederduitsch en Fransch woordenboek. Amsterdam 1793.
Meertens, P.J. ‘Vlaamse invloed op de Zeeuwse woordenschat’ in: Zeeuwse Dialectproblemen. BMDC VI (1944).
Naembouck = Verdeyen, R. Het Naembouck van 1652. Tweede druk van het Nederlands-Frans woordenboek van Joos Lambrecht. Liège, Paris 1945.
OED = The Oxford English Dictionary. Oxford 19612.
Robert, P. Dictionnaire alphabétique et analogique de la langue française. Paris, Casablanca 1953.
Roelandts, K. ‘Voortonige versterking’. Taal en Tongval XI (1959).
Rutten, A. Bijdrage tot een Haspengouwsch Idioticon. Antwerpen 1890.
Salverda de Grave, J.J. De Franse woorden in het Nederlands. Amsterdam 1906.
Schönfeld = Van Loey, A. Schönfelds Historische Grammatica van het Nederlands. Zutphen 19707.
Schuermans, L.W. Algemeen Vlaamsch Idioticon. Leuven 1865-1870. Bijvoegsel: Leuven 1883.
Stoett, F.A. Beknopte Middelnederlandsche Spraakkunst (Etymologie). 's-Gravenhage 1890.
Stroop, J. ‘Iets over de uitspraak van de protonische vocaal in Romaanse leenwoorden’. NTg 67 (1974), p. 314 e.v.
Taeldeman, J. ‘Moeilijkheden en mogelijkheden bij het onderzoek van de Nederlandse klankstruktuur.’ Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis XXVII (1973), p. 243 e.v.
Teirlinck, I. Zuid-Oostvlaandersch Idioticon. Gent 1908-1922.
Temmerman, M. Landbouwtermen in de omgeving van Tielt. Dissertatie Gent 1972 (ongepubliceerd).
Ter Laan, K. Nieuw Groninger Woordenboek. Groningen, Djakarta 19522.
Trefois, C. Ontwikkelingsgeschiedenis van onze landelijke architectuur. Antwerpen 1950.
Vandevijver, O. Uit de taal van het landbouwbedrijf in 16 Westvlaamse gemeenten. Dissertatie Gent 1974 (ongepubliceerd).
Van Helten, W. Middelnederlandsche Spraakkunst. Groningen 1887.
Van Hoogstraten, D. Lijst der gebruikelijkste zelfstandige naamwoorden....Amsterdam 1759.
Van Loey, A. ‘Epenthese van n, m, 1, r.’ Album René Verdeyen. Den Haag 1943, p. 371 e.v.
Vercoullie, J. Beknopt Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal. Gent 19253.
MnlW = Verwijs, E. en Verdam, J. Middelnederlandsch Woordenboek. 's-Gravenhage 1885-1929.
Verstraeten, H. Landbouwtermen opgetekend te Kallo en omgeving. Dissertatie Leuven 1971 (ongepubliceerd).
WBD = Weijnen, A. en Van Bakel, J. Woordenboek van de Brabantse Dialecten. Assen 1967.
[p. 66]
Weijnen, A. Nederlandse Dialectkunde. Assen 19662.
Weiland, P. Beknopt Nederduitsch taalkundig woordenboek. (5 dln.) Dordrecht 1826.
Wurzel, W.U. Studien zur deutschen Lautstruktur. Berlin 1970.
WZD = Ghijsen, H.C. Woordenboek der Zeeuwse dialecten. Den Haag 1959-1964.

 

M. Devos