en de ongebondenheid voor het oog brengt in de verscheurendste gevolgen, die zij hebben kan, en dikwerf onwetend heeft; als een zamenweefsel van doorslepen list en bedriegerij der ongeregelde liefde; als een vaderlandsch overzigt, eindelijk, der tallooze onheilen van een tijdvak, door zedebederf en verbastering voor Nederland nog heilloozer, dan door zijnen onschatbaren geldroof en in verre gewesten ter slagtbank gevoerde heldendrommen.
De schoone palmire van batenstein is de heldin van dit verhaal; zij wordt ontvoerd door de rosange, eenen Franschen Generaal, die hier te lande een gedeelte der Fransche krijgsmagt aanvoert: hij huwt haar, wel is waar; maar naderhand blijkt het, dat hij, reeds vroeger aan eene andere getrouwd zijnde, palmire door een onwettig huwelijk schandelijk had misleid. Zij wordt door hem op de laaghartigste wijze verlaten, en keert zwanger in het ouderlijke huis terug. Het gelukt den ouderen, de zaak verborgen te houden. Palmire wordt in het geheim moeder, en houdt haar kind voor dood; huwt naderhand met van sterlingen, bij wien zij eene dochter heeft, claudine genaamd. Deze geraakt bekend met ewald van westenroden, een' jongeling van onbekende afkomst, wiens opvoeding aan haren vader en diens vriend, den Vrijheer van tollenhoven, toevertrouwd was. Deze kennis verandert in liefde, en reeds staan ewald en claudine voor het huwelijksaltaar, als onverwachts ontdekt wordt, dat ewald de voor dood gehouden zoon is van de rosange en palmire, en dus de broeder van claudine. Palmire's echtgenoot, die, naar het schijnt, tot nog toe onkundig was geweest van hare vroegere betrekking tot de rosange, sterft van schrik. De rosange wordt, toen hij te Mentz in tegenwoordigheid van eenige Hollanders roemde op zijne mishandeling van palmire, in een daarover ontstaan tweegevecht gedood. Ook palmire bezwijkt onder haar lijden. Ewald en claudine, echter, berusten vrij spoedig in de onmogelijkheid, om met elkander verbonden te worden, en
vóór het einde van het verhaal zien wij hen gelukkige echtgenooten, de eerste van caroline van eereberg en de laatste van oscar van rhijnvliet.
Wij hebben op dit verhaal voornamelijk twee aanmerkingen. De eerste is, dat er iets duisters in hetzelve heerscht; iets, hetwelk het volgen van den gang des verhaals moeijelijk