Maria bij 't kruis. Stabat Mater, de Latijnsche tekst, benevens eene metrische navolging. Door J.P. Heije. (Met bijlagen van Bilderdijk, Vondel en Van Braam.) Te Amsterdam bij J.H. en G. van Heteren. 1856. In gr. 8vo. 27 bl. f :-40.

Een klein, doch interessant boekske, waarop wij gaarne reeds vroeger de aandacht hadden gevestigd. Hij, die wel eens van 't ‘Stabat Mater’ heeft gehoord, maar daarvan noode meer kent dan de eerste twee, drie regels, vindt hier gelegenheid, op onderscheidene wijze, grondig kennis te maken met het beroemde gedicht 't geen wel de moeite waard is. De letterkundige wordt, op geleidelijken weg, uitgenoodigd tot studie en vergelijking. Drong men ons eene keuze te doen tusschen de vier overzettingen van 't ‘Stabat Mater,’ hier nevens elkander gesteld, wij kozen, met getrouwe waardeering der verdienste van elk in 't bijzonder: heije's metrische navolging heeft hare zeer eigenaardige; - wij kozen die van pieter

[p. 25]

van braam ‘treffelijk door innig aansluiten aan den vorm.’ De vertaling van heije zelf - gelijk we reeds aanmerkten - moet uit een zeker oogpunt worden beschouwd en beoordeeld. Zijn doel en streven toch, was om te geven ‘eene metrische vertaling, geschikt om, tot in de kleinste bijzonderheden, in stede van den oorspronkelijken tekst gezongen te worden.’ ‘Evenwel’ - voegt de schrijver er bij - ‘zou ik misschien ditmaal, en bij het bestaan van bilderdijk's overzetting, van de overbrenging hebben afgezien. Immers Rossini's muzijk, in welke eene meer algemeen dramatische dan zich aan den tekst innig aansluitende, religieuse, opvatting is, had niet zoo groote behoefte aan metrische toepassing der woorden. Doch al huldig ik 't beginsel dat aan bilderdijk's vertaling ten grond lag, en al heb ik dat ook bij de mijne in 't oog gehouden, toch wijkt de arbeid des grooten Bards, mijns inziens te zeer af van het oorspronkelijk karakter des gedichts, en van de (in dien tijd eigenaardige) spelingen en fijnheden van den kunstvorm, waarin het is opgesteld, om, niet enkel bij Rossini's, maar ook bij hoogere opvattingen van den tekst, b.v. die van pergouse, tot leiddraad voor het begrip en het gevoel der hoorders te dienen.’

Bovenstaande regelen nu geven u het oogpunt aan, waaruit gij dien arbeid van den heer heije aandachtig hebt te beschouwen. Dit doende, meenen wij zijn streven als zeer gelukkig te mogen noemen - al mist dan ook zijne overzetting den gang van het Bilderdijksche gedicht - b.v. al is de toon hier en daar wel wat slepend en wekelijk; - ten blijke, hoe willig hij neêrlaag lijdt, daar hij met bilderdijk mocht schijnen te worstelen heeft hij de twee vertalingen tegenover elkander gesteld. - Doch er is nog iets, waarom wij niet het minst de aandacht op dit boekske wenschten gevestigd te zien. Het is namelijk om het zoo goed en warm woord, door den muziekalen dichter in zijn voorrede ter neêr gesteld, waardig om in den ruimsten kring te worden gelezen, gehoord, overdacht en ter harte genomen. Ja zelfs - al dreigt onze korte aankondiging hierdoor op een lange aanhaling te gelijken - wij achten een zeer gepast en nuttig werk te doen, met in een tijdschrift aan vaderlandsche letteren gewijd, ten slotte een groot gedeelte dezer belangrijke voorrede over te nemen, ten einde ‘een woord dat wel gehoord mag worden,’ alzoo naar ver-

[p. 26]

mogen te helpen verspreiden. De heer heije dan, na ons reden te hebben gegeven van deze afzonderlijke uitgave zijner metrische navolging, schrijft: ‘wekt zulke belangstelling, dan geef ik welligt later ook de overige, (namelijk de overige metrische navolgingen, Walpurgis nacht; Paradijs en Peri, enz. door hem bezorgd) voor zooverre zij, afgescheiden van hare muzikale bestemming, als poëtische voortbrengselen iets kunnen bijdragen, om eensdeels onze kennis der uitheemsche letteren uit te breiden, anderdeels de kernigheid en kracht onzer taal, in vergelijking met andere, te doen uitkomen, en alzoo de inheemsche scheppinggave weder meer en meer tot eere te dragen.

Die gave toch, wat ook daaromtrent beweerd worde, kan niet ontbreken aan een volk dat eenmaal den Scepter der toonkunst zwaaide over geheel Europa, aan een volk op welks bodem de muzijk in hare westersche gestalte, ontstaan is, en bij welks meesteren, Italië, Duitschland, Frankrijk in de XVI eeuw ter schole gingen. De rijke schat van kunstgewrochten uit die eeuw, door de maatschappij tot bevordering der Toonkunst, in hare collectie, enz. weder aan het licht gebracht, is een zegevierend bewijs voor Neêrlands uitnemend muzikalen aanleg en scheppende kracht.

Dat beide ingesluimerd zijn is, mijns erachtens, voor een groot deel toe te schrijven aan de ontzenuwing onzer taal en aan de verachting die haar als muzikale bij de zoogenaamd beschaafde standen ten deel viel. Deze verachting ontsproot uit die ontzenuwing zelve; vooral uit het verwaarloozen van het ortoëpische, het vergeten der zoetvloeijende smelting onzer enkele en dubbele vokalen, het prijs geven van zoo menige verkorting en weglating van medeklinkers waardoor onze oudere dichters te schakeren wisten; het verloren gaan van zoo menig schilderachtig woord en welluidende klanknabootsing.

De strijd tusschen de schrijf- en spreektaal, tusschen de boeken en het leven is misschien nergens zoo hardnekkig als in ons vaderland. Neem honderd personen, die zich beschaafd en aangenaam in het gewoon gesprek uitdrukken en geef hun een boek om hardop te lezen, een gedicht om voor te dragen, een lied om te zingen - gij zult er naauw tien vinden wier uitspraak niet aanstonds zoo hard en scherp, zoo gerekt en deunig wordt, dat ge meent andere menschen of een andere

[p. 27]

taal te hooren, - uren ver van het teeder-krachtige Nederduitsch, als het Hollandsch van het Grieksch.

Toch hebben wij in de laatste vijf-en-twintig jaren winst gedaan - meer dan in een eeuw te voren. Wij bezitten thans niet enkel een tal van Nederduitsche liederen, wier muzikale waarde in geen der Europesche landen (Duitschland uitgenomen) overtroffen is, maar die men ook aanvangt te zingen en zóo te zingen dat de wellust van den Hooft'schen bloeitijd - tesselschade - er misschien het lofdicht aan zou willen toekennen, dat ze der zoetstemmige en geestig zangsters van hare eeuw wijdde.

.......... Moge dan ook nu deze meer letterkundige uitgave van het Stabat Mater in wijderen dan in muzijkalen kring, de aandacht vestigen op zoo veel als reeds bestaat. Moge zij vooral onze dichters opwekken hunne poëzij dienstbaar te maken aan eene kunst, die ik de meest geschikte acht voor onze nieuwere beschaving - aan de kunst, die hare bloemenwingerds even mild en geurig vlechten wil om den leemen wand van de hut des daglooners, als om de marmeren pijlers van het vorstelijk paleis.’

Hoe gaarne wij dezen wensch des heeren heije maken tot den onzen; hoezeer wij zijn streven huldigen, en sympathie gevoelen voor zijne gedachten, meenen wij op de eenvoudigste en duidelijkste wijze te hebben aangetoond, door de overname zijner woorden. En wij vertrouwen hiermede ook den lezers der Vaderlandsche Letteroefeningen een dienst te hebben bewezen.

 

Nov. 1857.
-e-t.