[p. 225]

Binnenlandsche letterkunde.
Bibliographie.

I. Fraaije Letteren.

Hebreeuwsche Rudimenta door l. de leeuw jr. Utrecht, A. van Dorsten Jr. 1864. Prijs ƒ 1.60.

Dit boekske, mij door de Red. der Letteroefeningen ter beoordeeling gegeven, heb ik weêr overgedaan, - zoo als men in bestuursvergaderingen wel doet, - ten fine van consideratiën en advies en wel aan een propaedeuticus. Zulks is niet geschied om er mij van af te maken - of in den waan dat het beneden mijne waardigheid zou zijn in persoon dat werk op te nemen; dat zij verre; maar omdat dit boekske aan propaedeutici opgedragen en, blijkens de inleiding, voor hen meer bijzonder, zoo niet eenig en alleen, bestemd is. Nu was mijne gedachte en is nog mijne overtuiging, dat men in de beoordeeling van eenig werk niet mag gaan buiten den grens der bedoeling, door den auteur daarvan aangewezen. Hieruit volgde m.i. ook met opzigt tot deze rudimenta, dat het zou kunnen zijn een uiterst wetenschappelijk, door alle geleerden van professie als om strijd verheerlijkt werk, en dat het nogthans niet zou deugen, wanneer het aan zijne bestemming niet beantwoordde, m.a.w. wanneer het naar vorm of inhoud voor propaedeutici ongeschikt bleek te zijn, hetzij door zijn duistere diepte of steile hoogte of waardoor dan ook.

Hinc itaque - dit was de slotsom mijner overweging - hij, voor wien het bestemd is, heeft mede eene stem; hem althans komt toe dat men zijn advies vraagt, zonder daarom nog hieraan gebonden en gehouden te zijn. Ik weet wel, tegenover mijne bewering: als het boekske door een propaedeuticus wordt afgekeurd, deugt het niet! zou men in staat zijn kortaf eene andere te plaatsen, heel treurig: of uw propaedeuticus deugt niet, hij is niet op de

[p. 226]

hoogte. Maar, lieve heer! ik zou zeggen: dan deugt het boekje weêr niet, anders had het hem, die het bestudeerd heeft, op de hoogte moeten brengen. Doch dit zij zoo het wil. Degene wien ik het werkje ten fine van advies en consideratiën heb toevertrouwd, is, door de studie van Roorda's en Gesenius' grammatica's, tamelijk wel toegerust om zich te zetten aan de beoordeeling van de Leeuw's rudimenta.

En nu, fiat insertio!

‘Over het algemeen genomen, maakt het werkje van de Leeuw een vrij gunstigen indruk. Het geeft, in een kort bestek, de voornaamste regels der grammatica aan, zonder daarom, - wat bij het streven naar kortheid, zoo ligt kan gebeuren, - veel aan het euvel van onvolledigheid mank te gaan; veel, zeg ik, daar er toch, hier en daar, naar mijn bescheiden oordeel, een enkele regel is vergeten. De meeste zijn duidelijk en ligt te begrijṕen voorgesteld. Wat den uiterlijken vorm van het boekje aangaat, is de druk der hebr. letters en teekenen vrij goed uitgevoerd; ook de vocalen zijn goed gedrukt; eenige malen echter is de kamets wat onduidelijk. De nooten, hier en daar onder den tekst geplaatst, strekken veel ter verduidelijking van de regels. Het boek wordt voorafgegaan door eene zeer aardige inleiding over den ontwikkelingsgang der Hebreeuwsche taal en een beknopt overzigt der geschiedenis harer letterkunde.

Bij het nagaan der enkele § § zijn door mij de volgende opmerkingen gemaakt. De leer der consonanten en vocalen is duidelijk in het kort uiteengezet. Alleen bevreemdde mij, dat, - terwijl de schrijver bl. 15 in het midden zegt, dat het een eerste vereischte is om de uitspraak der consonanten op te sporen, - hij die slechts van enkele opgeeft. Aan de composita scevata geeft de Leeuw niet den naam chateph maar chatoeph, iets dat, hoe onbeteekenend ook, vooral bij de kamets b.v. § VIII, bl. 27 tot verwarring aanleiding zou kunnen geven. Daarom achten wij het beter dit te vermijden en de gewone manier te volgen. Het gevaar is niet groot, het verschil niet belangrijk: illustratie corripiens; illustratiecorreptum. De § over dagesch, mappik en rapha is kort maar zeer duidelijk, zonder de dagesch euphonicum of conjunctivum te vergeten. Wat betreft § VIII bl. 27 over kamets en kamets chatoeph had m.i. schrijver kunnen volstaan met, even als Gesenius, in het algemeen te zeggen, dat kamets in eene gesloten syllabe, die niet den toon heeft, als illustratie luidt; terwijl hij hier nog

[p. 227]

het geval met makkeph over het hoofd heeft gezien als bijv. illustratie In § IX bl. 26 komt de schrijver mij inconsequent voor door de letters illustratie als vroegere vocalen aan te geven, welke meening hij in § II heeft bestreden en getracht te weêrleggen.

De algemeene noodzakelijke regels over de gutturales zijn duidelijk in het kort uiteen gezet. Van tweeklanken vind ik geene vermelding. Regel B, bl. 32 had wel wat duidelijker uitgedrukt kunnen worden. Over de syllaben § XII had de Leeuw kunnen volstaan met twee soorten te noemen, daar de 3e soort zeer gemakkelijk tot de 2e. kan gebragt worden; of, zoo hij in modificatiën had willen treden, ook de syllaben met scevata (Gesen. halbsylben) moeten melden. De regels over het verwisselen der vocalen zijn goed en duidelijk uitgewerkt. Bij de pronomina zou men kunnen opmerken, dat de verdeeling tusschen interrogativa en het pronomen interrogativum niet heel duidelijk noch hun verschil scherp is afgeteekend, verg. § XVI en XIX. § XX over het artikel daarentegen is zeer duidelijk.

Vooral het regelmatige verbum is in het boekje goed en naauwkeurig beschreven. De 10 §§ XXI-XXXI geven ons alles wat wij voor de vervoeging der onderscheidene species en voor de kennis van hare beteekenis behoeven. Ook de gutturale stammen zijn duidelijk behandeld. Bij de verba ultima illustratie is vergeten melding te maken van den onregelmatigen infinitivus op illustratie en bij ulta. illustratie - de afwijking van den gewonen uitgang van den infin in de species hiphil en hophal. Op § XXXVI bl. 71 valt aantemerken, dat er ook infinitivi zijn als illustratie (Gesen.). Het verbum geminatum, het verbum ulta. illustratie; - het laatste behoudens de straks genoemde aanmerking en in evenredigheid van de overigen misschien wat te uitgebreid - zijn goed en duidelijk voorgesteld; vooral ook is het onregelmatige belangrijke illustratie niet vergeten.

Jammer dat de schrijver de verba media illustratie volstrekt niet heeft aangeroerd behalve in het opschrift boven de § XXXVI. § XXXVII. Wat hier voorkomt over het verwisselen der soorten onderling is zeer duidelijk en gemakkelijk even als het verschil der verba geminata en media illustratie op bl. 76 en 77.

Wat betreft de substantiva en adjectiva, deze zijn kort doch klaar en duidelijk behandeld; ofschoon een paradigma van een substantief met suffixen het nog duidelijker en aanschouwelijker zou

[p. 228]

gemaakt hebben; vooral bij de pluralia zijn de suffixen wat kort behandeld. Ook geeft Schrijver hier niet veel over het veranderen der vocalen bij het bijkomen van nieuwe syllaben, zoo als Roorda doet. Bij de telwoorden is de regel van het femin. na 3 bij het masc. subst. vergeten.

Wat over de praepositiones is gezegd, is in verband met vroegere regels, voldoende. De syntaxis is kort maar helder. Hactenus.’

Over het geheel kan ik die consideratiën van mijn jeugdigen vriend als de mijne overnemen. Enkele bedenkingen op de volledigheid en naauwkeurigheid zou ik er kunnen bijvoegen. Zoo b.v. op § 28 bl. 62, waar bij de illustratie conv. fut. aangemerkt had mogen worden dat hij het accent terugtrekt, waardoor dan eo ipso de laatste syll. compos. eene korte vocaal bekomt.

De schrijver noemt, zoo als gewoonlijk geschiedt, 7 soorten van onregelmatige werkwoorden; zou dat getal, ter vereenvoudiging, niet tot 3 kunnen teruggebragt worden:

1o.verba prima illustratie met inbegrip van illustratie;
2o.- geminata;
3o.waarvan een of andere radicaal een illustratie, of illustratie, eene zwakke letter is? De gutturalia zou ik niet onder de verba defectiva rangschikken. Bl. 107 lees ik dat ‘illustratie een suffix aannemende, den vorm van den plur: verkrijgt.’ Dit gaat niet altijd door; Spr. 31:11 vindt men ook illustratie Bl. 129 bij illustratie onder kon gedacht zijn aan: in plaats van (Zie de geschiedenis van de opvolging der koningen). Eene beteekenis, misschien daaruit te verklaren dat onder niet meer onder blijft, zoodra wat daar boven is wegvalt.

Doch ik erken, die bedenkingen zijn wel wat kleinlich en van zeer ondergeschikt belang. In het algemeen kan ik mij ten volle vereenigen met de conclusie, die in het advies van mijn propaedeuticus wel niet is uitgesproken, maar daaruit toch gemakkelijk kan worden afgeleid dat n.l. het boekske zich aanbeveelt door duidelijkheid; eene eigenschap waarom het eerstbeginnenden vooral mag worden aanbevolen. Of men er nu genoeg aan heeft en andere grammatica's kan missen? Zeker niet, en de Leeuw zelf, door gedurig op andere werken te wijzen, beantwoordt die vraag ontkennend.

De slotsom van deze beoordeeling is gunstig. En nu aan het einde van mijn verslag durf ik zeggen, dat ik niet gedacht had

[p. 229]

tot zulk een resultaat te zullen komen. Waarom niet? Ach, van die rudimenta ken ik er die de taal als een ledepop behandelen, pronomina suffixa enz. als mouwen er aan hechten, armen en beenen er aan zetten en dan is Kees klaar; zonder dat aard en geest der taal in aanmerking komen. Zou dit boekske ook een uit die klasse zijn?...Dit was vooroordeel en werd aanvankelijk niet weggenomen, maar zonk als een verdikte nevel op mij neder bij het inzien van de opdragt. Hoe aardig ik de inleiding vond, zoo onaardig kwam mij die opdragt voor. Ik wil noch kan beoordeelen, uit wat geest en door welke aanleiding die ietwat geanimeerde toon te verklaren is. Maar die opdragt in het Nederduitsch achter een Latijnsch uithangbord beviel mij niet. En, wat mij daarin nog minder beviel, was, dat de schrijver, ondanks eigene verklaring van zwakheid in die taal, het Latijn toch bezigt hier en daar en vele malen. Het minst van alles beviel het mij, dat hij zegt zulks te hebben gedaan, omdat hij alleen voor studenten en in de verste verte niet voor Israëlieten zijn boekje bestemd heeft. Jammer, want zonder dat Latijn kon het werkje nog in uitgebreider kring verspreid worden.

Ik ben blijde dat ik niet met die opdragt maar met het boekske zelf te doen had en ook blijde om mijzelven dat die min aangename indruk, eerst verwekt, op mijne beoordeeling van het werkje zelf geen nadeeligen invloed geoefend heeft.

 

Van Hebr. gramm. gesproken: ik heb daar voor mij uitgespreid naar orde van jaren:

Joh. Buxtorffii Epitome Gr. Hebr. 1645,
Alb. Schultens, korte schetsen, 1750,
Nic. Guil. Schroeder, Institutiones etc. ed. 3a 1810,
T. Roorda, Gr. Hebr. 1831,
Valeton, Schets etc., 1850,
H. Ewald, ausführl. Lehrb. 1855,
C.W. Ed. Nägelsbach, Hebr. Gr. 1856,
Wilh. Gesenius, Hebr. Gr. 18e aufl. 1857,

om nu van Vosens Kurze Anleitung, waaruit de Leeuw nog al veel geput heeft, van Lissauer, Burger en anderen niet te spreken.

Wanneer ik de genoemde schriften zoo eens vlugtig doorloop en met elkander vergelijk, dan meen ik gaandeweg meer duidelijkheid en naauwkeurigheid te vinden. Niet vreemd.

[p. 230]

Het eerst de baan te breken is het moeijelijkst, voor die volgen de taak gemakkelijker. Buxtorff's boek is, wat de pagina's betreft, regt orientalisch a dextero ad sinistrum, maar het Latijn gansch natuurlijk en tegelijk gansch inconsequent a sinistro ad dexterum. Schultens korte schets door een ander uit 's mans Latijnsch werk in het Nederduitsch getrokken, is vrij uitvoerig. Opmerkelijk dat achter het rijmpje, waarin de figuur van ieder letter omschreven wordt, eene noot is gevoegd van 's mans eigen hand - of van die des vertalers? - zeker althans uit die dagen en van dezen inhoud: ‘Ziet een lierdeuntje voor de kinderen, waar voor 't alleen gemaakt is; hoewel zich aan de zaak zelve, als of ze van een' goddelijken oorsprong was, groote mannen schuldig gemaakt hebben.’ Opmerkelijk, daar lateren, zooals Gesenius onder anderen, daaraan nog blijven hechten. Men zou in onzen tijd eerder het omgekeerde verwacht en gedacht hebben, dat nam. het eertijds voor waarheid gehoudene nu voor fabel verklaard was geworden. Wat de zaak zelve aangaat, het komt mij ontwijfelbaar zeker voor, dat het allereerste schrift de voorwerpen zelve zal hebben zoeken weder te geven, doch tevens dat, bij verwijderden afstand en verwisselend letterschrift, de sporen van die gelijkenissen, zoo al niet geheel verdwenen, dan toch minder duidelijk en meer onkenbaar zullen zijn geworden.

Van Schroeder's institutiones zal ik zwijgen omdat ik zelf daarmede ben opgevoed in dat tijdvak, waarboven met zwarte kool geteekend werd: miserrime neglectum.1) Mag ik omtrent Roorda en Gesenius een vergelijkende beoordeeling geven, dan geef ik den eersten de voorkeur 1o. omdat zijne gramm. in het latijn is geschreven en de jongelieden wel niet meer voor de Prov. Kerkbesturen maar toeh, althans te Utrecht, nog in die taal voor de facult. der letteren worden geëxamineerd en dit hun m.i. moeijelijk zou worden gemaakt, indien zij vooraf daarover slechts in hoog- of nederduitsch hadden kunnen hooren en moeten spreken. Maar 2o. zou ik ook om de meerdere volledigheid Roorda prefereren; terwijl mij daarentegen Gesenius minder duister en breedsprakig, duidelijker en beknopter voorkomt.

[p. 231]

Valetons schets schijnt mij uitmuntend toe mits die - waartoe zij ook bestemd is - worde opgehelderd door den docent. Zoo op zichzelve in handen van den leerling, zonder het oog van den meester, dunkt mij daarin de zaak te weinig duidelijk en aanschouwelijk voorgesteld. Ewald ga ik met stilzwijgen voorbij, aangezien diens werk meer op diepere studie berekend en hier alleen sprake is van elementair onderrigt; Nägelbach's Hebr. Gr. zocht vooral in de syntaxis het, naar zijn oordeel, min volledige van Gesenius aan te vullen.

Op het gevaar af van gruwelijk pedant genoemd te worden, moet ik met de hand op het hart verklaren, dat de een wel meer, de ander wel minder, maar dat niet een van die leerboeken, welke ik ken, mij geheel en al voldoet.

Het komt mij voor dat, ja voor ons en onzen tijd, het Hebreeuwsch eene doode taal moet genoemd worden, maar dat zij in zichzelve daarom niet dood is; zij heeft een innerlijk leven, haar als eene dochter van het oosten eigen, en van dat der westersche spraken zeer verschillend. Men wil haar in het keurslijf van eene gewone spraakkunst knellen, maar kan met alle moeite het haar niet van pas maken en...door alle voegen en naden breekt zij uit. Ik weet geen betere methode, maar zou aan meer bevoegden in bedenking geven of men niet eenige beginselen in plaats van regels op den voorgrond zou kunnen zetten en die laten doorwerken en alle verscheidenheden als ontwikkeling daarvan aanwijzen, daartoe terugleiden; kon men hiermede niet volstaan en bleven er bijzonderheden en uitzonderingen buiten dien ontwikkelingskring overig, welnu, men kon die later opzamelen, rangschikken en had intusschen in hoofdtrekken den aard en gang der taal doen kennen. Mij dunkt, dat zou ter vereenvoudiging strekken en het eindeloos wederkeeren afsnijden van regels die, hoewel zij nieuw heeten en noodzakelijk gerekend worden, toch in den grond niets anders zijn dan het voortwerken van een en hetzelfde principe. Een paar voorbeelden:

1.Het karakter der gutturales blijft zich overal gelijk. Wanneer men nu dat karakter eenmaal kent en weet dat ze het nimmer - nog minder dan een Engelschman op het vasteland zijn volksaard - afleggen, permitteer haar dan zich om anderen niet te geneeren, al moeten die anderen dan ook voor haar uit den weg gaan. Dan hebt gij niet noodig bij letter en punt en dagesch en verbum en substantiva telkens weêr, tot vervelings toe, op dat onbuigzame karakter opmerkzaam gemaakt en er tegen gewaarschuwd te worden
[p. 232]
2.De vorm van het woord naar het uitwendige staat min of meer in verband met zijne innerlijke kracht en beteekenis.1) Ewald breidt dit zelfs uit tot de accenten. Bij al den tact die de masorethen bezaten, zijn ze toch hier wel wat minutieus. Die accentenleer, ook na dat Ewald daarover gesproken heeft, is mij nog onklaar. Wàt gewigt en òf er gewigt aan te hechten zij, zou ik gaarne zien opgehelderd. Ik zonder hiervan uit, behalve de zoogenaamde pausantes, de oorspronkelijke reeds vóór de masora in de continua scribendi ratione der m.m. ss. gevondene ' en :, die weêr geheel anders, dan wij gewoon zijn, den zin verdeelden. Zie b.v. Ps. I:11, illustratie gelukkig de mensch die. Hier breekt de zin die, naar onze manier, moest doorloopen. Doch de Hebr. dichter had eene andere manier en zijne ' (phesick) is een soort van aandachtstreep, zalig is de man die....wat? Hoort verder en geeft acht! niet wandelt enz.
Ik geef slechts vlugtige wenken. Mogt iemand anders, daartoe beter dan ik in staat, zoo hij ze juist vindt en gewigtig genoeg, die eens nader uitwerken. Het best zou zijn, ten einde zoo veel mogelijk, alles te aanschouwen te geven, een boom te teekenen.

Tot hiertoe hebben wij van dien aard nog niets dan de radix. Doch zou er uit die twee- of drieletterige radix geen stam kunnen oprijzen, ter zijde van dien stam takken zich uitbreiden, het woord zich als een blad uit den knop ontwikkelen of, waar de pronomina zich van buiten daar aan hechten, moesten deze niet daarop geënt kunnen worden? Zou niet de syntaxis gerepresenteerd kunnen worden door iemand die den boom snoeit, leidt, aanbindt of de vrucht er van verzamelt, sorteert - alles met voorbeelden, op wortel, stam, tak, blad en vrucht duidelijk geschilderd? Doch laat het eindigen met mijn visioen. Tot dat die boom uit de radix groeit, wil ik om de radix te vinden, het volgende tot besluit nog ten beste geven.

 
Abjice serviles et tres si forte supersint
 
Radicem vocis noveris esse tuae;
 
Sin' tantum remanere duas conspexeris, adde
 
Nun vel jod capiti, vel dato vau medio,
 
Aut heh postponas, aut conduplicato secundam
[p. 233]
 
Nun vel thau calci rite memento dare.
 
Unica si remanet, servilibus ante remotis,
 
Littera, quae radix, die Age, vocis erit?
 
Nun da principio, vel jod superaddito fronti
 
Heh tergo, radix inde petita venit.

April 1865.

J.J. Metzlar.

M. van Lier. Specimen antiquarium inangurale de inscriptionibus Salpensana et Malacitana. Prijs ƒ 1.50.

Als bladvulling in eene oude studentenalmanak heb ik eens, op het woord dissertatie gelezen.

 
Wie man Geld und Zeit verthan
 
Zeigt das Büchlein lustig an.

Deze bladvulling was een teeken des tijds. De publieke opinie was niet gunstig voor de dissertaties. Er was toen vooral bij de juristen eene groote minachting voor deze soort van producten, welke vooral daaraan was toe te schrijven, dat men ze voor een vasten prijs fabriekmatig liet vervaardigen en met geleende vederen pronkte, indien dit nog pronken kon heeten, daar de geheele wereld wist, dat de vederen geleend waren. Het ontbrak toen zelfs niet aan processen tusschen fabriekanten en verbruikers van dissertaties. Ieder gevoelde, dat het noodig was hierin verbetering aan te brengen. En wat is er geschied? De juristen hebben de vergunning gekregen om zonder dissertatie, op enkele theses te promoveren. Hierop was waarlijk toe te passen wat een fransch heelkundige van het kiezentrekken zeide: arracher n'est pas guérir, c'est détruire. Nu de vergunning om zonder dissertatie te promoveren gegeven was, maakten ook velen daarvan gebruik, die anders zelf hunne dissertatie zouden geschreven hebben; want de mensch is van nature geneigd om den gemakkelijksten en goedkoopsten weg te kiezen. Zoodra dezelfde vergunning ook aan andere faculteiten gegeven wordt, zullen de dissertaties bijna geheel verdwijnen. Intusschen zouden wij dit ten hoogste bejammeren, en het is onze wensch, dat ook voor de juristen bij eene reorganisatie van het hooger onderwijs de vergunning om op enkele theses te promoveren worde ingetrokken. Het schrijven toch eener dissertatie heeft eene groote nuttigheid. Het geeft een prikkel tot studeren en eene aanleiding om zich te oefenen ten einde de resultaten zijner studie zamen te vatten en duidelijk uit te spreken. Ook is het

[p. 234]

allerheilzaamst, wanneer jonge geleerden genoodzaakt zijn hunne opmerkzaamheid geruimen tijd op één onderwerp te vestigen en dit van alle zijden te bezien, want het geeft een tegenwigt aan de veelzijdige oppervlakkigheid, die onvermijdelijk ontstaat, wanneer men zich voor examina, die over vele vakken loopen, moet voorbereiden. Het non multa sed multum geldt vooral in de wetenschap, maar als, gelijk misschien wel in den geest des tijds ligt, de vakken der examina vermeerderd worden, en het tegenwigt, dat het schrijven eener dissertatie daaraan geven kan, wordt weggenomen, dan kon dit wel eens omgekeerd en de polyhistorie in de hand gewerkt worden.

Deze overwegingen zijn in ons opgewekt door de voor ons liggende dissertatie, die als een bewijs voor de nuttigheid van zulk een arbeid kan gelden. Het is hier de plaats niet om ze uitvoerig te bespreken, maar toch willen wij kortelijk opgeven, wat er eigenlijk in gevonden wordt. De titel klinkt voor menigeen zeker als arabisch, en wie weet of sommigen niet daarbij aan iets als Salmagundi of iets dergelijks gedacht en den schrijver van kwakzalverij beschuldigd hebben. Dit is echter geenzins het geval. Het onderwerp der dissertatie is allergelukkigst gekozen. Zij handelt over twee in Spanje gevonden inscripties, namelijk koperen platen, waarop de wetten van twee oude spaansche steden, van Malaca en Salpensa, gevonden worden. Deze inscripties zijn uit een letter- en oudheidkundig oogpunt zeer belangrijk en hebben reeds herhaaldelijk de opmerkzaamheid der geleerden getrokken, zoodat onder anderen Mommsen en Zumpt hierover eenen geleerden twist gevoerd hebben. Een onderwerp, waarover zulke manmen hebben gehandeld, is waarlijk wel de opmerkzaamheid waard en zeer geschikt om in eene monographie behandeld te worden. De schrijver heeft dit onzes inziens zeer gelukkig gedaan. Eerst heeft hij de verschillende gevoelens van Mommsen en Zumpt tegen elkander gewogen, en vervolgens elk der beide inscriptiën afzonderlijk beschouwd, om na te gaan, wat daaruit voor de kennis van den juridischen toestand der Romeinsche municipia te leeren is. Aan zijne dissertatie heeft hij nog twee uitslaande platen toegevoegd, waarop de inscripties zijn afgedrukt, hetgeen voor hen, die de dissertatie willen lezen en de inscripties niet bij de hand hebben, een groot voordeel oplevert. Wij juichen dus deze dissertatie én om het onderwerp én om de wijze van behandeling zeer toe, en noodigen den schrijver uit om de ingeslagen baan te

[p. 235]

blijven bewandelen, en voort te gaan met het ruime veld der inscripties ten voordeele van de studie der Romeinsche antiquiteiten te exploiteren.

D. Burger.

Mr. H.E. Moltzer. De nieuwe richting in de Taalkunde, Prijs 50 cent.

Het is nu ongeveer een twintigtal jaren geleden dat Dr. Jonckbloet een krachtigen aanval deed tegen de oude richting bij de beoefening onzer Nederlandsche taalwetenschap, eene richting, die hij niet ten onrechte brandmerkte als schuldig aan een allerjammerlijkst liefhebberen, dat ‘zonder bepaald doel, beuzelend, zonder overtuiging’ te werk ging. Die aanval, met al de warmte eener vaste overtuiging gedaan, moest velen ergeren die aan hetzelfde euvel mank gingen, en het jonge Holland van die dagen moest het dan ook niet weinig ontgelden, dat het den strijd dorst aan te gaan met mannen, die zich van hunne grijze haren als een schild zochten te bedienen, om de wetenschappelijke kaalheid te dekken. Menigeen haalde gewis met een verachtelijk stilzwijgen de schouders op over dat ontzachlijke tuighuis van geleerdheid, waarover de vijand te beschikken had, en uit traagheid ignoreerde hij maar liefst die nieuwe richting, waarvoor het jonge Holland ten strijde toog. Met een beminnelijke naïveteit verhaalt Hoffmann von Fallersleben, hoe het hem een aantal jaren vroeger, omstreeks 1825, verging, toen hij na volbrachte academische studiën naar Holland ging, niet om fortuin te zoeken, maar om een deel zijner duitsche taalstudiën, en meer bepaaldelijk de studie van het Nederlandsch, voort te zetten. Hij kwam ook te Utrecht, en zie hier wat hem wedervoer: ‘Ich besuchte die Bibliothek und einige namhafte Gelehrte. Leider fiel dieser erste Versuch nicht eben ermuthigend aus. Herr S(imon) sah mich sehr verwundert an, als ich ihm von meinem Vorhaben erzählte. Er wuszte nichts darauf zu antworten, als: “Aber es ist nicht Gebrauch in unserm Lande eine litterarische Reise zu machen.” Da er nun, obschon Professor der holländischen Litteratur, bald im Laufe des Gesprächs zeigte, dasz er vom Altniederländischen gar wenig wuszte, so hatte ich mich über den wunderlichen Empfang bald getröstet.’ Hoe diep beschamend dit avontuur, aan een reeds toen warmen voorstander der nieuwe richting in Duitschland overkomen, voor onze hoogleeraren mocht zijn, de toestand werd er niet beter door;

[p. 236]

men liefhebberde maar door of men ignoreerde, en het was eerst in, 1846 dat het jonge Holland, in den persoon van Jonckbloet, met zware mokerslagen het waggelende gebouw der oude richting deed ineenstorten en den herbouw voor goed onmogelijk maakte.

Hadden al de voorstanders der nieuwe richting jaren lang gearbeid, werden hunne pogingen om de nationale schande af te wisschen in Duitschland reeds gewaardeerd; in eigen vaderland was een krachtig protest als dat van Jonckbloet noodig, om de oude richting, sints lang tot een suffende en beuzelende kindschheid vervallen, ten grave te doen dalen. Mocht in het eerst door velen het anathema tegen hem worden uitgesproken; mocht men den voorstanders der nieuwe richting het als een verwijt aanrekenen, dat de grijze haren bij hen brillaient par leur absence; meer en meer won die richting veld, vooral toen aan de Hoogeschool te Groningen en het Athenaeum te Deventer mannen als de Vries en Jonckbloet haar een krachtigen stoot konden geven. Hare zege was van dat oogenblik verzekerd. Werd de studie der taal om haar zelve, de studie der taal in al hare vertakkingen, in al de tijdperken harer geschiedenis soms nog miskend, en vooral door enkele philologen, dien alleen de taal en letteren van Griekenland en Latium aan 't harte lagen, met zekere geringschatting bejegend, zacht en onmerkbaar drong zij door, en er is geen twijfel aan, of het licht, dat zij over wording en ontwikkeling der taal dagelijks meer verspreidt, zal evenzeer geschat worden als de vooruitgang in de studie der natuurwetenschappen.

Als onderwerp voor zijne inaugureele oratie, als programma van hetgeen men van hem te verwachten heeft, is door den heer Moltzer ‘de nieuwe richting in de taalkunde’ gekozen. Kan de richting, waarvan hij natuurlijk een warme voorstander is, nog wel de nieuwe geheeten worden? Of school er ook ietwat ondeugendheid bij den jongen Hoogleeraar, om in Groningen, waar al wat naar moderne leer zweemt, althans bij velen, in zeer slechten reuk staat; waar de ketters van voorheen ketterjagers zijn geworden, de banier der moderne richting kloek en krachtig omhoog te heffen? Is dit het geval, wij brengen dan hulde aan den man, die het zoo ferm uitspreekt, dat ‘men de naaktheid zijner onmacht te allen tijde heeft trachten te bedekken met den mantel der verdachtmaking, een kleed waarmede nog heden ten dage velen zich omhangen, al is het van wege de gaten doorzichtig geworden.’

[p. 237]

Doch met het volste recht mag ook nog heden die richting de nieuwe richting heeten, al is een Grimm er in vergrijsd, al heeft een Wilhelm von Humboldt met zoo velen haar steeds getrouw gediend. Ze mag de nieuwe heeten, omdat dagelijks nieuwe bouwstoffen worden aangevoerd tot het reuzengewrocht, dat zijne voltooiing in lange nog niet genaderd is. Met flinke trekken schetst de Hoogleeraar de trapsgewijze ontwikkeling dier richting, haar karakter en oorsprong. Overal, in alle wetenschappen, ontwaart men dien frisschen adem, die de dorre geraamten met nieuw leven aanblaast; natuurwetenschappen en historische kritiek, en last not least de taalwetenschap. De taal niet meer als vroeger de dienaresse der philologie, niet meer middel, maar doel van studie. De Alexandrijnsche philologen en de Romeinsche taalkundigen, de taaloefenaars in de Middeneeuwen en de Renaissance worden in hun streven kort herdacht, de wetenschappelijke verdiensten gehuldigd van Herder en Hamann, van onzen landgenoot Lambert ten Kate en anderen, als de wegbereiders op de baan der nieuwe richting. Het licht evenwel buiten mijn bestek eene ontleding te geven van het werk van den Heer Moltzer. Het is moeilijk over den oorsprong, de methode, de ontwikkeling der nieuwe richting in een vijftigtal bladzijden zooveel te zeggen, dat het tafereel niet onvolledig is, - in enkele bladzijden het behandelde te condenseeren zoude nog zwaarder taak zijn. Hij die belang stelt in de studie der taalkunde, bijzonder in die onzer vaderlandsche taal heeft met Moltzers arbeid reeds kennis gemaakt, voor hem zoude eene zoodanige ontleding overbodig zijn. Elken beschaafden en ontwikkelden mensch, die belang stelt in de moderne richting ook op taalkundig gebied, durven wij de lezing gerustelijk aan te bevelen. 't Is geene dorre studie, die hij onwillig uit de hand zal laten vallen; maar een boeiend tafereel, verlevendigd door enkele vermakelijkheden der oude school, eene mijn die trouwens overrijk en gemakkelijk te exploiteerenis.

De laatste bladzijden eener inaugureele oratievallen niet in de termen der kritiek, tenzij onwaardige vleitaal ze bezoedelt. Maat bij de officiëele aanspraken, waartoe men verplicht is; warmte zonder verblindende schittering, waar het hart versnelder klopt, zijn dáár het meest te waardeeren. De schrijver betoont zich een vijand van die wederzijdsche plichtplegingen, die gelijk zijn aan ‘een vuurwerk, waarvan men eerder de moeite en de kosten bejammert dan het nut en de duurzaamheid waardeert.’

[p. 238]

De studie der taalkunde aan Groningens hoogeschool zal aan goede handen zijn toevertrouwd, de vaderlandsche wetenschap er door gedijen, waar het de leuze blijft van den Hoogleeraar: ‘Eendrachtig streven naar hooger, altijd hooger, excelsior!

V.

Lief en leed eener moeder. Door Mrs. Wood. 2 Deelen. Uit het Engelsch. Deventer, A. Ter Gunne, 1865. Prijs ƒ 6.55.

Wie met den schrijftrant der begaafde Schrijfster van Het huisgezin der Channings, Een misstap uit jalouzij, Het verdwenen Codicil en andere werken bekend is, zal ook naar het boven aangekondigd boek gretig de hand uitstrekken en zich voorzeker niet teleurgesteld vinden. Romanlezers van professie mogen door den eenvoudigen titel zich niet aangetrokken gevoelen, zij daarentegen, die het romantisch verhaal niet slechts ter hand nemen, om hun verbeelding te prikkelen en in een wereld van idealen te zweven, zullen, door dien titel niet afgeschrikt, weldra ontdekken, dat hun hier een degelijke lectuur wordt aangeboden.

Op den titel afgaande zou men het er voor kunnen houden, dat de Schrijfster haar boek inzonderheid voor hare sexe bestemd had. En inderdaad: de vrouw, die den eervollen rang van moeder bekleedt, vindt haar grootsche bestemming hier nadrukkelijk aangewezen en treft hier een schat van opmerkingen en een rijkdom van teregtwijzingen aan, die haar den tijd niet zullen doen beklagen, aan de lezing van dit boek gewijd. Maar het is inzonderheid de moeder die het rouwkleed moet dragen om het verlies van een dierbaren echtgenoot, die hier een wegwijzer vindt op haar met tranen doorweekt levenspad, een wijzen raadgever op den lijdensweg dien zij te bewandelen heeft, en een moedvollen trooster in den strijd des levens of bij de worsteling met ontbering, ramp en onheil. Doch niet alleen voor de vrouw en moeder heeft het boek hooge waarde. Allen, aan wie de zorg der opvoeding van kinderen is toevertrouwd; kinderen, die het geluk hebben door zorgvolle ouders te worden opgevoed en ook zij, die het ongeluk hebben door een verwaarloosde opvoeding verzuimd te zijn, kunnen hier veel goeds en behartigingswaardigs leeren.

De gevolgen eener goede en gebrekkige opvoeding worden in dit boek aanschouwelijk en op de meest onderhoudende wijze voorgesteld. We zouden hiervan treffende proeven kunnen geven,

[p. 239]

door een overzigt te leveren van de geschiedenis der familiën Halliburton en Dare, die de hoofdrollen vervullen in dezen roman, doch het zou een te dor schema zijn bij de levendige voorstelling waaraan de Schrijfster haar beste krachten gewijd heeft.

Wat ons bijzonder in haar werk heeft aangetrokken, is de frissche levensbeschouwing, die wij schier overal aantreffen op het gebied van het huiselijk en maatschappelijk leven, der philanthropie en der innere Mission. Het lief en leed wordt overal op de regte waarde geschat. De waarheid, dat het lijden geduldiger en met meer onderwerping gedragen wordt, als men het onbevreesd in de oogen durft zien, treedt in een helder licht te voorschijn, terwijl er nadrukkelijk op wordt gewezen, dat men tot den waren troost bij velerlei rampen des levens dàn het best komt, als men de oorzaken, den aard, den duur en de bedoelingen van aardsche rampen zich zoo helder mogelijk voor den geest stelt, en ze in het licht van Gods oneindige liefde beschouwt.

Dat rijkdommen niet altijd een voorregt zijn bij de opvoeding, wordt ons duidelijk voor oogen gesteld. Wij kunnen ons niet weêrhouden hier een enkele bladzijde af te schrijven, die deze opmerking zoo juist doet uitkomen. Op bladz. 254 van het 2de deel vinden we: ‘Hoe vol kracht is die veronderstelling! (dat namelijk de zonen van de weduwe Halliburton even goed waren opgegroeid als of zij er jaarlijks schatten aan besteed had en misschien nog beter). Zouden velen uit de geschiedenis der jonge Halliburton's geen nut kunnen trekken? Menig student, door de fortuin in deze wereld kariger bedeeld dan hij meent te verdienen, kan er leering in vinden. Dat men haar toch niet als een tafereel der verbeelding ter zijde legge; dat men haar werkelijkheid trachte te maken. Op eene loopbaan, waarin men zoo werkt als zij deden, moet een goede uitslag volgen. “Och!” denkt men, “ik ben arm; ik mag niet hopen, dat mij iets goeds te beurt vallen zal.” Arm! En wat waren zij dan? Of misschien zegt men: “er zijn zoo vele moeijelijkheden aan verbonden.” Zeer waar - er doen zich meestal moeijelijkheden op, wanneer men iets goeds bereiken wil; maar die zijn alleen daar, opdat men ze overwinnen zou. - - - Wat ook uw doel in het leven zij, werk u, ter wille daarvan, voorwaarts. Het zij gij een hertogdom te beërven hebt of slechts dagelijksch zwoegen u beschoren is, een doel moet gij hebben; wie dat niet heeft, is het ellendigste wezen op aarde. Duld manmoedig en draag de kroon weg. Valle

[p. 240]

de arbeid u ook al zwaar, hij zal ligter worden naarmate gij vordert; maken de hindernissen u ook al moedeloos, ze zijn niet onoverkomelijk; doen de ontberingen u al smarte, gij nadert den overvloed; bestormt u ook al de beproeving der traagheid, der loomheid, van dat veelhoofdig monster, de zonde, - zij zullen u geen duim breed doen wijken van uw pad, tenzij gij er aan wilt toegeven. Wees slechts vastberaden, zie steeds vol vertrouwen op het einde, en arbeid voort, - het zal gewisselijk komen. Al schijnt die toekomst ook zoo ver verwijderd, dat zelfs de hoop van haar te bereiken u een ijdel droombeeld schijnt, het komt er niet op aan: ga hoopvol voort, en de afstand zal met iedere schrede zigtbaar verminderen. Nimmer is iets goeds in deze wereld bereikt, zonder dat men er voor arbeidde. Nimmer werd iets wezenlijk goeds, naar ik vast geloof, verkregen, tenzij Gods zegen op de pogingen daartoe rustte. Maak God tot uw vriend. Doe dat, baan u strijdende een pad, betracht uw pligt, en gij zult uw doel bereiken. - -’

Wij zouden de Schrijfster echter wel willen vragen, of zij niet een weinig overdreven heeft door de voorstelling, dat bij al de kinderen van de weduwe Halliburton de gevolgen der goede opvoeding zoo rijk gezegend waren, terwijl bij al de kinderen der Dare's de heillooze gevolgen eener gebrekkige opvoeding zich zoo treurig openbaarden.

We zijn overigens hoog ingenomen met dit levensboek. En laat de vertaling hier en daar ook te wenschen over, wij hopen, dat het in veler handen kome, omdat wij overtuigd zijn, dat het bij een aangename ook een hoogst nuttige lectuur oplevert.

H.

De bijenjagers. Schetsen uit de Prairiën. Naar het Fransch van Gustave Aimard, door G. Jansen Jr. Amsterdam, de Wed. D. Kunst. 1864. Prijs ƒ 3.00.
Edelhart. Naar de vierde Fransche uitgave van Gust. Aimard. Leiden, Firma van den Heuvell en van Santen. 1865. Prijs ƒ 1.90.

Eene eerzame oude juffer heeft me eens in een vertrouwelijk oogenblik verklaard, dat ze wel van romans hield, als 't maar niet van ‘die heel sterke’ waren. Op mijne vraag, wat zij onder heel sterke romans verstond, antwoordde zij: ‘Och, ik meen daarmeê die boeken, waarin de menschen òf zoo ontzettend ver-

[p. 241]

liefd zijn, òf zulke krasse dingen doen, en zoo wonderbare avonturen hebben.’ Verder deze boeken besprekende, merkte de goede dame op, dat de laatstgenoemde soort bijzonder in den smaak van de jongens valt, en meende, dat er onder zijn, die men den gymnasiast in handen zou kunnen geven, mits men zich eerst behoorlijk overtuigd heeft, dat het werk niet tot de eerstgenoemde soort van sterke romans behoort, en dus te veel over 't beminnen bevat. In het laatste geval wilde zij het boek als contrabande beschouwd hebben, waarop men, uit liefde voor de jeugd, ten strengste had te letten.

Aan dit gesprek moest ik onwillekeurig denken bij het lezen van de boeken van Aimard. Want waarlijk, die Bijenjagers en die Edelhart, het zijn sterke romans, daar de helden dezer geschiedenissen wonderbare avonturen hebben en forsche toeren doen. De jongens zijn er dan ook verzot op, en, daar de erotische passages in deze bladen dun gezaaid zijn, zoo zou ik ze dan maar eens hun gang laten gaan, ofschoon 't eigenlijk geen boeken zijn bepaaldelijk voor jongens opgesteld, en de schrijver althans ze niet voor veertienjarigen bestemd heeft, zooals blijkt uit de beschrijving van Hermosa's ontluikende liefde en de daarmeê gepaard gaande duizeling, welke duizeling ‘het meisje deed gevoelen, dat zij vrouw werd.’ (Zie Bijenj. p. 135.)

Men bemerkt uit den toon dezer aankondiging, dat wij met de boeken van Aimard niet dweepen.

Neen, dweepen doen we er niet meê! Maar al beantwoorden ze niet aan ons ideaal van jongens-lectuur, dewijl de knaap er te weinig goeds uit leeren zal, zoo willen wij ze toch lang niet verwerpen, daar hij er ook geen regtstreeksch kwaad uit halen en daarenboven zich dol meê amuseren zal. Dit laatste zegt nog al zoo iets. Amusante en te gelijkertijd onschadelijke boeken - kom, met zulke epitheta moet men voorshands tevreden zijn. En amusant, ja, dat zijn ze.

De schrijver laat u ronddolen onder het digte loverdak der maagdelijke wouden van het prachtig avondland, waar de boomen, in 't wild opgeschoten, de takken verward dooreenstrengelen en de lianen zich slingeren om den bemosten stam. Over den oneffen bodem voortstrompelend, klauterend over oude, neêrgestorte boomen, of wadende door slijkerige moerassen, bereikt gij den oever van ‘naamlooze rivieren, welke op hunne stille wateren slechts zwarte zwanen wiegelen, die zich achteloos door den stroom

[p. 242]

laten medevoeren, terwijl aan de oevers rooskleurige flamingos, met een schuldeloos voorkomen en half geslotene oogen, hun middagmaal wijsgeerig uit het water opvisschen.’ Is de rivier doorwaad en de overzij bereikt, dan ontdekt ge modder-poelen, waarin de alligator zich wentelt, of ge ziet de schuilplaats, waar de jaguar zich ophoudt, en de kronkelende paden, waarlangs de bison zich, van eeuwen her, naar zijne drinkplaats begeeft. Dreigt dat bosch, ondanks zijn geheimnissen en verschrikkingen, wat stil en eentoonig te worden, dan wordt een gedruisch gehoord, en een rooverbende komt opdagen. Voegt daarbij, dat de handelende personen inderdaad handelende personen zijn, dat zij zelden te voet gaan, maar meest op ontembare paarden voortrennen, dat zij dapper en wreed, of dapper en edelmoedig, maar nooit zeurend of soeperig zijn, en ik behoef u niet te vragen, of onze jongelui ook sympathie voor dat slag van volkje koesteren. En dan wordt er bijna onophoudelijk geschoten, de menschen staan met den vinger aan den trekker, of zij zijn bezig met laden, en, als eens voor een oogenblik de kruiddamp optrekt, dan zien wij het zwaard in de hand der dapperen of het pas gewette mes in de vuist der sluipmoordenaars flikkeren. Veldslagen op groote schaal worden behoorlijk afgewisseld door gevechten tusschen kleinere groepjes of worstelingen tusschen enkele personen, ja, er wordt zoo veel bloed vergoten, dat de schrijver zich eenmaal (Edelhart p. 283) verontschuldigt, dat het er zoo bont toegaat. In ‘Edelhart’ is dat wezenlijk ook wat heel erg, ge gaat er, om zoo te zeggen, tot over de enkels door 't bloed, en ware het niet, dat de beschrijving van al dat moorden nog al goed is, dan zouden wij zeggen, dat het niet fatsoenlijk meer is. Over 't algemeen echter is de vorm, waarin die slagtingen worden voorgedragen, niet kwaad, maar het begin van ééne dier beschrijvingen is niet in den haak.

‘De slag van Cerro-Pardo was ééne dier bloedige dagen, wier geheugenis’ enz. Zoo lezen wij in ‘Edelh.’ (p. 68) Een slag is geen dag; 't scheelt maar een paar letters wel is waar, maar toch, 't is niet precies hetzelfde. In ‘de Bijenjagers’ wordt meer en petit comité, minder op groote schaal gevochten en doodgeschoten; een enkele maal zelfs vindt ge daar een strijd op leven en dood, zonder bloedvergieten, zonder vuurwapens, degens of dolken.

Twee doodvijanden ontmoeten elkander; zonder omwegen bekennen zij, elk op zijn beurt, dat zij niet rusten kunnen, voordat

[p. 243]

ze elkander, op de eene of andere manier, verraderlijk of royaal, hebben omgebragt.

Enfin, zegt de een, daar moet een eind aan, de sluipmoordenaars, die we huren, zijn knoeijers, laat ons even onder ons de zaak afmaken. Hier is een spel kaarten; laat ons gaauw even harten-azen. Die 't verliest, schiet zich zelven oogenblikkelijk voor 't hoofd.

Goed. De kaarten worden geschud, rond gedeeld, en de heer die verloren heeft, zet zich, volgens afspraak, den tromp van de pistool tegen de regterhoofdslaap, maar zijn vijand verleent hem juist op 't oogenblik, dat hij zal losbranden, uitstel van executie, onder voorwaarde, dat hij, daartoe aangezocht, ten allen tijde gereed zal zijn, de geladen pistool weêr aan de hoofdslaap te zetten en dan de zaak te effectueren.

Voor diegenen, die aan dit staaltje van ‘de sterkte’ dezer romans niet genoeg hebben, deelen wij nog een proefje mede uit ‘de Bijenjagers,’ namelijk eene ontmoeting tusschen een onbekende en een geheimzinnig persoon, terwijl we later nog een vreemdeling op het tooneel zien komen. De onbekende, met een zacht uiterlijk, maar met leeuwenmoed in 't hart, met blanke fijne handen, maar met spieren van staal, rijdt op zijn mustang heel op zijn gemak tusschen twee heuvelketens. Achter eene rots ligt inmiddels een geheimzinnig persoon in hinderlaag, die den onbekende ziet naderen, hem met aandacht opneemt, en, na gedaan onderzoek, op hem schiet. De ruiter springt op in den zadel, laat de stijgbeugels los, en, de armen uitbreidende, valt hij in het gras, waar hij na eenige stuiptrekkingen, onbewegelijk blijft liggen. Ofschoon er voor den moordenaar geen twijfel overbleef, of hij had den onbekende gedood, zoo bleef hij echter zeer bedaard op zijn plaats, ging niet naar zijn slagtoffer en ook niet op de vlugt, maar rookte, gedurende anderhalf uur, de eene cigaar voor, de andere na. Inmiddels begonnen de Zolipoten en Condors, ongetwijfeld door de lijklucht aangetrokken, in uitgestrekte kringen boven den onbekende rond te draaijen. Geen twijfel dus meer, de man was dood. Nu gaat de moordenaar op den verslagene toe, bukt bij hem neêr en vat hem bij den regter schouder, met het plan, om hem voor de securiteit nog een doodelijke wonde met zijn mes toe te brengen. Maar op dat oogenblik rigt de gewaande doode zich eensklaps op, en grijpt den ontstelden moordenaar bij de keel.......Een oogenblik daarna zitten

[p. 244]

de beide heeren heel fideel met elkaâr te keuvelen. De moordenaar is nog wel wat uit zijn humeur, dat hij zich zoo heeft laten foppen, en niet eerder bemerkt heeft, dat die man daar in 't gras eigenlijk niet dood was, maar die man kon ook zoo ontzettend natuurlijk een doode nadoen, ja wist zelfs, schoon volmaakt gezond, een lijklucht van zich te geven, en dus de Zolipoten en Condors bij den neus te hebben. Tegen zoo veel list was geen mensch bestand. De onbekende is dapper en edelmoedig, hij schenkt den moordenaar het leven, niettegenstaande deze hem gezegd heeft, dat hij hem later eens beter hoopt te raken. Nu gaat elk zijns weegs en de onbekende, na zijn paard, dat na het schot voortgehold en uit het gezigt verdwenen was, terug geroepen te hebben, rijdt het bosch in, waar hij weldra een vreemdeling ontmoet, wiens dochter door een slang gebeten is. De wond is doodelijk, maar de onbekende weet raad, en de schoone wordt in een ommezientje van de ongeneeslijke wonde genezen. Veel pleizier heeft ze echter niet van de herkregen gezondheid, want een uurtje daarna valt ze, met hare familie, in handen van een raren sinjeur, rooverkapitein van beroep, en, van wege zijn verregaanden bloeddorst de ‘Tijgerkat’ geheeten. De receptie in het hol van dit monster was echter allezins comfortable, en den volgenden morgen worden ze door een wonder uit zijn klaanwen gered.

Over 't algemeen laten ‘de Bijenjagers’ zich gemakkelijker lezen dan ‘Edelhart’, maar dit mag wel daaraan liggen, dat ‘Edelhart’ een vervolg is op een ander boek, 't welk men eigenlijk eerst moest gelezen hebben, om 't regte genot van deze historie te smaken. Men mag hierop van te voren wel bedacht wezen. ‘De Bijenjagers’ zijn bij het einde niet uit, en ‘Edelhart’ begint niet met het begin. De schrijver verwijst in laatstgenoemd werk dan ook naar ‘de Gids der Prairiën.’

Op de vraag, of deze boeken, die voor jongens zoo amusant zijn, ook als lectuur voor volwassenen aanbeveling verdienen, antwoorden wij, dat Aimard prettig vertelt, en ofschoon hij, als een echte Franschman, oppast, dat hij niet te solide wordt, zorgt hij ook altijd fatsoenlijk te blijven - en dit kan men lang niet van alle fransche romanschrijvers zeggen.

R. Koopmans van Boekeren.

[p. 245]

II. Godgeleerdheid en Wijsbegeerte.

Bijdragen ter inleiding op de Johanneïsche schriften des N.T., door A.D. Loman, hoogleeraar te Amsterdam. 1ste Stuk: het getuigenis aangaande Johannes in het fragment van Muratori Amsterdam, Loman en Verster. 1865. VIII en 152 blz. 8o. Prijs ƒ 1,50.

Met geen ander doel dan om door een voorbeeld te toonen, hoe slecht het latijn geschreven werd in de kloosters der middeneeuwen, deelde de beroemde archivaris van den hertog van Modena, Lodovico Antouio Muratori, in 1740, een gedeelte mede van een handschrift dat, uit het schotsche klooster te Bobbio afkomstig, in het bezit geraakt was der ambrosiaansche bibliotheek te Milaan. Hij noemde het een fragment. Niet geheel ten onrechte, in zoover 't een opstel is waaraan eenige regelen ontbreken. Minder gelukkig evenwel met het oog op de omstandigheid, dat deze benaming een der redenen is geweest waarom aan deze vondst langen tijd minder aandacht geschonken is dan ze verdiende. Het opstel behelsde namelijk een lijst der nieuw-testamentische geschriften welke, tegen het einde der tweede eeuw onzer jaartelling, in een invloedrijk deel der christelijke kerk, om een uitdrukking van onzen tijd te bezigen, als kanonisch, als gezaghebbend golden, en had derhalve, als bijdrage tot de kennis der waardering van die boeken op dat tijdstip, zijne eigenaartige belangrijkheid. Maar de meening, dat het ‘slechts een fragment’ was, bracht het hare toe om 't in dit opzicht niet hoog te doen stellen. ‘Want,’ zoo oordeelde men, om het met Prof. Lomans eenigzins gewijzigde woorden te zeggen: ‘kunnen wij al uit dezen katalogus opmaken, dat deze en gene boeken, die nu in onze bijbels ontbreken, niet lang na het midden der tweede eeuw, zeker kanonisch gezag hadden in een deel der westersche kerk, wij hebben daarom nog geen zekerheid aangaande het aldaar destijds niet aangenomene: omdat niemand ons zeggen kan welke de inhoud geweest zij van 't gedeelte der lijst 'twelk verloren ging.’

Deze grief echter heeft veel van haar kracht verloren, sedert naauwkeuriger onderzoek geleerd heeft, dat men in dat stuk iets meer heeft dan wat gewoonlijk met den naam van ‘fragment’ bestempeld wordt. 't Is nl. niet een klein brokstuk van een groot geheel, maar omgekeerd een samenhangend geheel waaraan

[p. 246]

slechts kleine brokstukken ontbreken: een paar regels van het begin, en een of twee woorden aan het slot.

Toen eenmaal deze ontdekking was gemaakt, en men het handschrift dus als een tamelijk volledig opstel begon te beschouwen, veranderde, uit den aart der zake, de waardering van het belang der daarin vervatte lijst voor de hoogere bijbelkritiek. Met name voor het brandend vraagstuk: of het vierde euangelie al dan niet door den apostel Johannes geschreven was? Er bestond reden om te meenen, en de scherpzinnige duitsche geleerde Credner sprak het uit: ‘dat dit boek op dezen catalogus der orthodoxe kerk niet voorkomt als het werk van den apostel, maar aan eenen anderen Johannes wordt toegeschreven.’

Als men nu weet dat de inwendige bewijzen, de bewijzen uit het boek zelf ontleend, voor den apostolisch-johanneïschen oirsprong van het vierde euangelie ganschelijk ontbreken, juister uitgedrukt: dat op inwendige gronden meer tégen dan vóór die afkomst te zeggen valt, terwijl de uitwendige, de van elders aangebrachte, getuigenissen wier waarde boven allen twijfel verheven is, hoogstens uitmaken dat dit boek omstreeks het jaar 170 bestond, en aan den apostel Johannes werd toegekend, - behoeft het geene aanwijzing, van welk belang voor deze quaestie de omstandigheid wezen moest dat 10, hoogstens 20 jaren later, van rechtzinnige zijde, een voor het geloof aan de echtheid van dat boek zoo ongunstige verklaring was gegeven.

De hoogleeraar Loman, die sinds lang het voornemen gekoesterd had, een werk uit te geven over de herkomst van het vierde euangelie, maar van de uitvoering van dat plan teruggebracht is door de verschijning van Prof. Scholtens jongsten arbeid (Voorr. blz. VII), en het in dier voege gewijzigd heeft, dat hij het door hem over het johanneïsche vraagstuk versamelde van tijd tot tijd in ‘bijdragen ter inleiding op de johanneïsche schriften des N. Ts.’ het licht wil doen zien, toetst, in dit eerste stuk daarvan, Credners meening aan het document zelf. Ook het afwijkend gevoelen van Volkmar, die Credners Geschichte des N. Tschen Kanons, in 1860, na des schrijvers dood, heeft uitgegeven, wordt daarin behandeld.

In 't kort samengedrongen komen zijne slotsommen hierop neder: dat de lijst, die voortaan kortheidshalve met den, verkeerden maar geijkten, naam van fragmentum Muratorii zal worden aangeduid, zeker niet vóór het jaar 190, maar ook stellig

[p. 247]

niet veel later, is opgemaakt door een lid der westersche (waarschijnlijk afrikaansche) kerk; - dat de schrijver op tamelijk gezagvoerenden toon, als in naam der gemeente spreekt; - dat zijn opstel een beredeneerden catalogus bevat van geschriften toenmaals in kerkelijk gebruik, vervaardigd met het kennelijk doel om de in des schrijvers kring gevolgde gedragslijn ten aanzien van den kanon te rechtvaardigen; - dat het vierde euangelie en de dusgenaamde eerste brief van Johannes daarin breedvoerig besproken worden ten einde ze als echt-apostolische geschriften te handhaven; - maar dat de wijze zelve dier bespreking de zwakheid verraadt van het verdedigd gevoelen.

Meer wordt daaraan toegevoegd, en wat hier met enkele woorden als resultaat wordt aangeduid is evenmin langs een gemakkelijken weg door den schrijver saâmgegaard, als op lichtvaardige wijze vastgesteld. ‘Omzichtigheid, niet vermetelheid, is een deugd bij den criticus,’ luidt zijne schoone leuze, en wat hij leverde, bewijst zijn recht om haar te voeren. Wat hij gaf getuicht van rijke wetenschap, ernstig wikken en wegen, bedachtzaamheid in het formuleren zijner meeningen, mannelijke oprechtheid in het uitspreken van wat hij voor zich zelven heeft vastgesteld. Wie na de verschijning van Scholtens kritisch-historisch onderzoek over het euangelie naar Johannes nog de zijde willen houden dergenen, die in het vierde euangelie een geschrift van den apostel meenen te moeten erkennen, kunnen uit Lomans werk zien, hoe reeds in de tweede eeuw dienaangaande twijfel werd gevoed niet slechts, maar ook hoe de verdedigers van dat gevoelen hun toevlucht nemen moesten tot de treurigste wapenen: zoutelooze legenden, holle declamatie, verwringing der schrift en een toon van gezag. Maar tevens zullen zij, en evenzeer hunne tegenstanders in dit opzicht, gelegenheid vinden om de beminnelijke zijde op te merken van het charakter des geleerden die, na de feilen der redenering van den schrijver des fragments te hebben aangetoond, het zelfvertrouwen leert begrijpen, waarmede een wanhopige zaak bepleit wordt, en den ijver die daartoe drijft volkomen ten goede houden. Van zulk een zijde zullen verdedigers en bestrijders der echtheid van 't vierde euangelie meer willen hooren, en 't zal geen wonder zijn indien de volgende stukken dezer ‘Bijdragen ter inleiding op de johanneïsche schriften des N.T.,’ met verlangen worden te gemoet gezien. Hoe weinig ze, ook na het verschijnen van Scholtens arbeid, gemist kunnen

[p. 248]

worden blijkt, èn uit het punt in deze aflevering behandeld, èn, bij eenige opmerkzaamheid, reeds uit den titel des werks. Deze belooft niet slechts meer licht over het boek door den leijdschen hoogleeraar ter sprake gebracht, maar ook over de nieuwtestamentische apokalypse en de drie zoogenaamde algemeene zendbrieven van Johannes, en aan die belofte is reeds aanvankelijk in dit eerste stuk voldaan. Veel geven is de vader van veel vragen. Twee zaken zullen het genot van Lomans arbeid kunnen verhoogen. Daar is iets zwaars, iets omslachtigs in den gang van zijn betoog, en tevens iets dat zou kunnen doen denken, dat zijne resultaten, hoe lang overwogen, niet tot volkomen rijpheid gekomen zijn. Van het eerste vind ik een proeve in het onderzoek naar den leeftijd des schrijvers van het fragment, vooral van blz. 20 af, en wat over Miltiades en Arsinoüs wordt gezegd. Van het andere in de gissingen ten opzichte van het laatstgenoemde woord. ‘Eerlijkheid’, verklaart de geleerde schrijver, gebiedt hem nt. 4 blz. 123 een bedenking in te brengen tegen wat hij nt. 3 blz. 120 vv. ten aanzien van den naam Arsinoüs had opgemerkt. En van een zeer naauwgezette eerlijkheid geeft werkelijk die toevoeging, of ze dan retractatie zij of aanvulling, een zeer krachtig bewijs. Maar die gaarne en volmondig uitgesprokene erkenning neemt niet weg dat, toen Loman eenmaal op het denkbeeld gekomen was in nt. 4 neêrgelegd, nt. 3 eene geheele omwerking had gevorderd, 't zij dan dat de meening blz. 120-123 ontwikkeld hare plaats geruimd had aan die welke blz. 123 v. wordt voorgedragen, 't zij dat deze terstond aan gene was toegevoegd en in één noot verwerkt. Vorm mag zeker niet boven inhoud gaan. Maar ce qui vaut la peine d'être dit vant la peine d'être bien dit: en een arbeid als deze is te degelijk en te belangrijk, dan dat iemand ook slechts een voorwendsel zou mogen gelaten worden, om zich met de uitvlucht: ‘de vorm is zoo stroef!’ wegens 't niet kennis nemen van den inhoud te ontschuldigen.

De uitgevers hebben dit begrepen. Zelden verschijnen studiewerken in ons vaderland in zoo royalen druk en op zulk voortreffelijk papier. Slechts ware eenige meerdere naauwlettendheid in de correctie ter drukkerij zeer wenschelijk. Een auteur heeft volle aanspraak op zijn C.C.B.L. Maar de corrector van den drukker mag geen Schleyermacher, grosticisme, montamisme over het hoofd zien, al brengen ze geen eenigzins belezene van den

[p. 249]

weg, noch een LIRRUM voor LIBRUM, - waar dat woord in de aanhaling uit een codex voorkomt, - al is de overeenkomst der letters groot en gevaarlijk.

Alkmaar, Maart '65.

van Heijst.

Woorden van Troost en besturing in dagen van droefheid en rouw. Leerredenen van Bernard ter Haar. Tweede vermeerderde druk. Amsterdam, Gebroeders Kraay 1864. Prijs ƒ 190.

Wanneer we zoeken naar eene formule, die eene voldoende beschrijving zou kunnen geven van het ideaal der toekomst, dan geloof ik dat we - voor zoover 't mogelijk is dit met weinige woorden uit te drukken - niet geheel en al zouden mistasten, als we deze kozen: innige vereeniging van hemel en aarde, de afstand tusschen die beide weggenomen, die beide in hoogere eenheid opgelost. We weten, dat deze formule niet verwachten mag zoo aanstonds als de eenig ware te zullen worden aangenomen, daar de gewone opvatting van 't leven met haar in lijnregte tegenspraak is. - ‘Die beide vereenigd zou vereeniging van het eeuwig onvereenigbare zijn’, zoo wordt er beweerd. ‘Aarde en hemel, dat is: smart en vreugde, ellende en zaligheid, zonde en reinheid, vleesch en geest, vergankelijkheid en eeuwigheid, stof en God, zwakheid en kracht, zelfzucht en liefde. Aarde en hemel één? Dit is immers onmogelijk. Wèl bestaat er eenig verband tusschen die beide maar ten hoogste slechts dit: de aarde is de plaats van voorbereiding voor den zaligen hemel. Iets anders te leeren zou tot stofvergoding aanleiding geven. We moeten tusschen die beide eene keuze doen en ons ideaal voor de toekomst is dit: de aarde vernietigd, voorbij het leven aan deze zijde van 't graf, en dan een eeuwige rust in Gods vaderhuis. Onze materialistische eeuw wil van de smarten en het onvoldoende dezer aarde niet meer weten; het heden moet verheerlijkt worden en de eeuwigheid verlaagd tot een droombeeld der fantasie. Maar ze zullen eens bedrogen worden de wijzen dezer aarde; de Heiland heeft immers gezegd: werkt niet om de spijze die vergaat?’

Deze voorstelling is eerbiedwaardig door ouderdom, en zoo we ons op gezegden uit den Bijbel willen beroepen, geloof ik dat we haar met een tal van bewijzen zouden kunnen staven. - Men vergete evenwel niet dat de bijbelsche wereldbeschouwing, uit den

[p. 250]

aard der zaak, eene geheel andere is dan de onze. ‘Ik en de Vader zijn een’ is de beschrijving van onze overtuiging, en vereeniging van het schijnbaar tegenstrijdige, oplossing van het gescheidene in eene hoogere eenheid is in zekeren zin het probleem, tot welks oplossing we telkens nader komen. Welnu, die eenheid ook in het leven te vinden moet ons streven zijn. Daarom houden we ons - ondanks alle bedenkingen - voorloopig nog aan onze formule; wij kunnen van geen van beide afstand doen. De aarde alleen te beschouwen als een soort van vreemdelingschap en haar alleen waarde toe te kennen, voor zooverre ze tot voorbereiding voor een verre toekomst kan dienen, is miskenning van de grootste gave der eeuwige goedheid; en dit niet alleen, neen, daardoor wordt de mensch ook voor dit leven ongeschikt. Men moest inzien welke noodlottige gevolgen die wereldverachting na zich sleept; de kracht, de energie worden verlamd en ten laatste ontwikkeling en vooruitgang onmogelijk gemaakt. Neen, we moeten het leven der aarde begrijpen, we moeten leeren inzien dat we 't hier reeds goed kunnen hebben. Dan zullen we vrede hebben met ons lot, dan zullen we met blijden moed arbeiden aan onze levenstaak en onder blijde en droeve ervaringen voorwaarts gaan op den weg eener eindelooze ontwikkeling. Hieruit volgt niet dat we geen hooger ideaal kennen dan dit leven. Neen, ‘van die vereenvoudiging houden we niet’; ons oog blijft ook gerigt, hoopvol gerigt op een zaliger en volmaakter toestand, maar tot levensverachting, maar tot een treuren en klagen over 't leven der aarde mag deze hoop geen aanleiding geven of ze wordt verderfelijk en noodlottig. Hier den hemel te vinden, hier vrede te hebben met ons lot, hier altijd blijmoedige vreugde in 't hart te gevoelen, dat is het schoonste, dat is het beste middel tot volmaking.

Kan dat wel? - Of is onze beschouwing van 't leven, onze ideële vereeniging van hemel en aarde niet eene oppervlakkige, geboren uit gebrek aan levenservaring? Is dat beweren niet 't gevolg van die levensbeschouwing die òf de smart des levens niet kent, òf daarvoor moedwillig de oogen sluit? - We antwoorden, dat er zoo heel veel levenswijsheid niet toe behoort om levensraadselen te ontdekken, - de aankondiging van dat geschrift, welks titel we hier boven afschreven, zou ons van zelf wel aan de rampen van dit leven doen denken. Neen, we kennen het droeve dezer aarde maar blijven toch gelooven, -

[p. 251]

en dat geloof is ons zaligheid - dat hier de hemel wonen kan; voor ons is dat geloof de eenige bron van troost in ‘dagen van rampspoed en rouw.’

We hebben - voor eene aankondiging - eene wèl wat àl te uitvoerige inleiding laten voorafgaan, doch hebben daarmede dan ook ons oordeel over dit geschrift van den Utrechtschen Hoogleeraar uitgesproken.

Vertroosten zouden wij 't liefst aldus omschrijven: den hemel op aarde brengen, den mensch hier tot hemeling vormen. Moeten we duidelijker zijn? Welnu: vertroosten is de raadselen van 't leven verklaren, en aanwijzen hoe juist iedere smart, iedere beproeving een middel is om ons te heiligen en te volmaken. Liefst stel ik me 't aldus voor: we bewandelen onzen levensweg, en hebben ons levensdoel uitgekozen. Maar eensklaps wordt op dien weg een sluitboom gesteld, we kunnen niet verder, en het land van genot dat we bijna bereikt hadden, verdwijnt in de verte. We bewandelen onzen levensweg met vrienden en geliefden, in hun gezelschap willen we verder gaan, maar eensklaps verlaten ons de onzen en we moeten verder, maar nu alléén. We bezitten - en genieten en verheugen ons in dat bezit, maar eensklaps wordt ons alles ontnomen. We zullen niet verder gaan. ieder vulle het aan. Nu is de vraag: hoe zullen we ons troosten? Door te zeggen: ‘'s Heeren wegen zijn ondoorgrondelijk?’ Laten we eerlijk zijn voor ons zelven. Die troost baat niet, en zoo ze ons vertroost dan is het omdat er - zij het ook onbewust - reeds iets anders met ons geestelijk leven heeft plaats gehad, dat ons bevredigt. Door te denken: ‘God zal wel zorgen?’ Maar dat moet ik weten, of anders rust mijn hart niet; hier helpt geen gezag, zelfs het hoogste niet. Neen, dit is troost: te peinzen over ons leven, intekeeren tot ons zelven en dan te onderzoeken, waartoe dit of dat met ons geschieden moest, wat er in ons moet veranderen. Laat dan alles ons begeven, we gaan gemoedigd ook het zijpad in: iedere weg, ook de hobbeligste, leidt tot zaligheid. Dus, we moeten bij ervaring Gods liefde kennen; ervaring moet hier de leermeesteresse en troosteresse zijn? -

Er bestaat evenwel ook eene andere opvatting. Zij wil ook volstrekt niet weten van het verachten dezer aarde; zij heeft uitwendig oneindig veel met de onze gemeen; maar goed beschouwd bestaat er tusschen die beide een zeer groot verschil. Er zijn er - en 't is de gewone leer - die zich beroepen op Gods liefde,

[p. 252]

maar het verre van zich achten eenig bewijs te leveren; ze gebruiken de schoonste uitdrukkingen, maar 't zijn holle klanken, en - ze kunnen wèl de wonde bedekken, doch heelen, genezen kunnen ze niet. Telkens komt weêr de twijfelmoedige vraag: waarom? En 't antwoord is altijd weêr dat eene: ‘God is liefde, op den grooten dag der vertroosting zal het alles heerlijk worden verklaard.’ Wij hebben met dien troost geen vrede, aan dien troost nooit genoeg. God heeft ons inniger lief dan die troostredenaars. Hij wil niet alleen de klagt doen verstommen door te spreken van zijn wijsheid; hij bewijst zijn liefde: zijn schepping, ons hart, de geschiedenis der menschheid levert tal van bewijzen, die we begrijpen kunnen en die vrede geven en rust.

De heer ter Haar heeft in dit twaalftal leerredenen een schat van troost neêrgelegd en dat dit werkje een tweeden druk beleeft is geenzins bevreemdend. We vermeten ons niet die leerredenen uit een homiletisch oogpunt te beoordeelen. De auteur is daartoe te ver boven ons verheven. Daarbij beamen we ten volle het door hem geschrevene: voorrede bl. VIII. ‘Slechts aan weinigen, die niet zelven in de school des lijdens onderwezen en geoefend zijn, is het gegeven, zich geheel in den toestand van treurenden te verplaatsen,’ en daaruit volgt dat hij de beste vertrooster kan wezen omdat het lijden hem niet vreemd is gebleven. In dit boekske spreekt de bedroefde zoon, echtgenoot en vader, en dat op zijn wijze, dat in zijn taal, met zijn diepte van religieus gevoel. Kan dit boekje anders dan een bron van heerlijke vertroosting wezen? - Toch beantwoorden wij die vraag, slechts ten deele bevestigend. We hebben in de voorgaande bladzijden gezegd wat voor ons vertroosting is; - en prof. t.H. staat op een geheel ander standpunt. Schoone woorden baten weinig, en veelal blijft het hier bij liefelijke klanken. We beweren daarmede geenszins dat deze leerredenen zonder degelijken inhoud zouden zijn, - maar ons kwam bij 't lezen, - en ik stel me voor dat het den hoorder evenzoo ging - wat van dat ‘waarom’ op de lippen. Laat ik mijne bedoeling met één enkel voorbeeld ophelderen. De eerste leerrede over Matth. V: 4 begint aldus: ‘Wat maakt wel het eigenaardig karakter der gezegende Godsdienst uit, die wij belijden, in onderscheiding en tegenstelling van zóó vele godsdiensten, als vóór haar bestaan hebben, of nog nevens haar bestaan? - Is het niet M. H! dat de Godsdienst van Jezus Christus eene Godsdienst der vertroosting is?’ - Tot dusverre

[p. 253]

stemmen we den prediker gaarne alles toe. De godsdienst van Jezus is de godsdienst der vertroosting, maar waardoor? De hoogleeraar beantwoordt die vraag door te wijzen op 't geen Jezus sprak, en geen wonder, de menschenzoon was de trooster bij uitnemendheid. Maar wij vragen weder, van waar had Jezus die woorden van eeuwige en heerlijke troost? En het antwoord op die vraag is alles afdoende. Welnu! dit antwoord wordt hier niet gegeven, of slechts als in 't voorbijgaan. Dat hadden we op den voorgrond geplaatst: en dan zouden wij dit antwoord geven: ‘omdat Hij aan den boezem des Vaders rustte’, omdat Hij hier in 't Vaderhuis was. Jezus geloofde niet aan Gods liefde, maar kende die bij ervaring. Jezus geloofde niet aan eeuwig leven, maar had eeuwig leven: voor Jezus waren hemel en aarde één. Daarom is Jezus' godsdienst die der vertroosting, omdat ze ons hier God doet vinden, omdat ze ons doet rusten aan zijn vaderhart. We hadden onder dat twaalftal leerredenen zoo gaarne eene gevonden die dat laatste meer op den voorgrond plaatste, ja - en ziedaar vrijmoedig een bedenking die het geheele werkje betreft - we hadden dat gaarne overal gezien. Mij dunkt, dan ware de vertroosting die het aanbiedt meer bevredigend, en 's sprekers zielvolle taal zou werkelijk ‘tranen droogen’.

Zullen we het schoone aanwijzen dat hier op elke bladzijde gevonden wordt? Dat zou meer ruimte vorderen dan ons voor eene aankondiging is toegestaan. - Onze aanmerkingen betreffen de geheele zienswijze van den Hoogleeraar. - Onze eeuw is die der ervaring, en men moge dat veroordeelen, men moge daarop uit de hoogte nederzien, den tijdgeest te miskennen is eene miskenning der leidingen Gods. Het Christendom zal de godsdienst der menschheid worden, juist omdat het aan al de behoeften van ons geslacht voldoet, en niet met klanken speelt, maar geest en leven ademt. We hebben daarom een wensch op 't hart en willen er mede eindigen: er kome een einde aan magtspreuken, - men overtuige! Dit moet ook van toepassing zijn op hem die treurenden vertroost. Men bewijze de waarheid van 't groote woord: God kastijdt zijne liefste kinderen, want beproeving staalt den wil, heiligt de kracht, wijst den weg ten hemel. - Dit zij dan het doel waarnaar wij allen, ieder voor zich zelven, streven. Dit zij het doel dat de christelijke prediker vooral beoogt: het wegnemen door den Christus van de scheidsmuur tusschen hemel en aarde, het openen van 't Vaderhuis hier in dit leven, - eens

[p. 254]

volmaakt, hier ten deele. - Zoo zij dit koninklijke woord van den discipel de inhoud onzer prediking, het leidend beginsel van ons leven, het troostwoord voor alle bedroefden, de juichtoon van alle stervenden: ‘die in den Zoon gelooft heeft eeuwig leven!’

Colmschate.

A.S. Carpentier Alting.

III. Regtsgeleerdheid en Staatswelenschappen.

Het koloniale vraagstuk in de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Eene studie door Dr. W.J.A. Jonckbloet, lid dier Kamer. Amsterdam, P.N. van Kampen. 1865. Prijs ƒ 2.25.

Elk tijdstip onzer parlementaire geschiedenis heeft zijne bijzondere vraagstukken gehad. Of zij allen behoorlijk opgelost zijn, ligt op het oogenblik buiten het bereik mijner beschouwing. Dit is evenwel zeker, dat men naar eene oplossing gezocht heeft en menig product van wetgeving kan als bewijs voor dat streven aangehaald worden.

Wij hebben echter in de laatste jaren geen vraagstuk gehad van meer omvattenden aard, meer ingrijpende in de publieke en particuliere belangen, en tevens moeijelijker ter behandeling, dan het koloniale. Wij hebben ter oplossing daarvan een tal van ministers zien opstaan en verdwijnen, zonder dat hun dikwijls de gelegenheid gegeven werd, om hunne denkbeelden en plannen mede te deelen; wij hebben ten gevolge daarvan kamerleden zien strijden tegen vroeger met kracht voorgestane rigting en beginselen, om zich te scharen aan de zijde van hen, die zij vroeger op het vurigst bekampten; wij hebben eindelijk bij de bespreking van dit vraagstuk in de pers en bij het publiek eene Babylonische spraakverwarring zien heerschen, zoo groot, dat men zich dikmaals genoopt gevoeld heeft te vragen, hoe bij zulk een stand van zaken het bedoelde vraagstuk immer tot oplossing zou kunnen geraken.

Het is onnoodig en misschien ook minder gemakkelijk het juiste tijdstip aan te geven, waarop voor het eerst de koloniale quaestie meer bijzonder op den voorgrond trad. Men zou, welligt eenigzins met regt, kunnen beweren, dat zij gedurig en bij herhaling tot een onderwerp van overweging verheven werd, toen de vroegere afgevaardigde uit Almelo, tegenwoordig lid van den Raad van State, de heer van Hoëvell, in de Tweede Kamer zitting nam. Meer bepaald werden de koloniale zaken in de Kamer en bij het publiek ter sprake gebragt, toen aan de groene tafel plaats nam een zoogenaamd gematigd liberaal ministerie, dat daarom

[p. 255]

alleen reeds water- en melkachtig van aard kon genoemd worden, aangezien daarin mannen van nog al wijd-uiteenloopende inzigten eendragtig naast elkander zaten. Terwijl nu de oud-gouverneurgeneraal Rochussen in dat kabinet de portefeuille van koloniën verkreeg, was het natuurlijk, dat de koloniale quaestie van zelf meer op den voorgrond kwam. Van dien tijd zijn de Staten-Generaal en de natie van dat vraagstuk bij herhaling gesaisisseerd geworden. Niet, dat het vraagstuk zelf daardoor tot nog toe tot eene behoorlijke oplossing gebragt is; dit toch kon niet bij het vormen van ministeriën, welke meestal uit de minderheid voortkwamen, en men kan niet beweren, dat het zoogenaamd gematigd liberaal ministerie Rochussen - van Bosse uit de meerderheid kwam. Nu had misschien de heer Rochussen het nog eenigen tijd langer gered, bijaldien hij zich aan zijn wachtwoord ‘gematigd liberaal’ gehouden had. Maar weldra werd door den minister van koloniën de banier der reactie omhoog geheven, hetgeen weder aanleiding moest geven tot het optreden van een kabinet uit de minderheid, waarvan de heer van Hall het hoofd was. Men had dan ook reeds sedert eenigen tijd den heer Rochussen aan de zijde van den heer van Hall gezien, en men kon daaruit tevens reeds dadelijk het besluit trekken, dat de dagen van den minister van koloniën geteld waren. En toen de heer Rochussen zich weinig gelegen liet liggen aan de votum's der Tweede Kamer, waarbij sommige zijner handelingen zeer sterk afgekeurd werden, verwierp de kamer eindelijk het budget van koloniën. Toen werd de heer Cornets de Groot door den heer van Hall geroepen, maar door diens aftreden, veroorzaakt door al te groote geneigdheid voor den presidialen zetel in den ministerraad, geraakte natuurlijk het geheele kabinet uit elkander en de heer Cornets de Groot vond niet eens de gelegenheid, om zijne beginselen mede te deelen. Sommige leden evenwel bleven en plaatsten zich onder de leiding van den heer van Zuijlen van Nyevelt, om eene tweede editie te geven van een gematigd-liberaal ministerie; alzoo weder een kabinet uit de minderheid. Maar de heer Loudon, aan wien de portefeuille van koloniën opgedragen werd, bleek geheel te verschillen in denkbeelden met den ministre-orateur van het kabinet, die in zijn programma gesproken had van ‘dwangjuk van beginselen’ van ‘liberaal in Nederland en behoudend in Indië’ en dergelijke curiositeiten meer. Het gevolg was eindelijk, dat de heer van Zuylen met zijne verrukkelijke phrases alleen bleef

[p. 256]

staan en zijne portefeuille ter beschikking moest stellen. Natuurlijk moest daarvan weder het gevolg zijn, dat de overige leden van het kabinet eindelijk ook aftrokken en zoo kwam, door bemiddeling van den heer Loudon, het tweede ministerie Thorbecke, waarin de heer Uhlenbeck, iemand van uitnemende talenten en uitgebreide werkzaamheid, maar die als staatsman onbekend was en als minister weinig bewijzen van parlementaire geschiktheid gaf, het departement van koloniën op zich nam. Intusschen had men nu een kabinet, uit de meerderheid voortgekomen, en de Tweede Kamer nam, onder groote oppositie evenwel, de begrooting van koloniën aan. Niet alzoo dacht de Eerste Kamer er over: na een breedvoerig debat, verwierp zij met overgroote meerderheid het budget van den heer Uhlenbeck, en verklaarde daarbij en later nog weder uitdrukkelijk, dat zij met haar votum de koloniale politiek van het ministerie bedoelde te treffen. De heer Thorbecke echter expliceerde dat votum op eene andere, op zijne eigene wijze; het ministerie bleef en van ontbinding was geen sprake. Nu trad als minister van koloniën op het nog jonge lid van de Tweede Kamer, de heer Fransen van de Putte, die jaren in Indië verkeerd had en daarenboven blijken had gegeven, de koloniale toestanden zeer goed te kennen. De pas opgetreden minister van koloniën gaf al spoedig bewijzen, dat de portefeuille in goede handen was, en dat de liberale koloniale politiek in hem een uitnemenden verdediger gevonden had. De liberalen wenschen wel dat de minister voor het vervolg zijne bezoeken bij den heer van Hall stake, zoo als ons onlangs de Arnhemsche Courant mededeelde. De heer van de Putte kent de Indische zaken te goed, dan dat hij onderigt noodig zou hebben van eene jeugdige Indische specialiteit, zooals de heer van Hall indertijd heette.

Maar aan welke bekwame handen nu ook de portefeuille van koloniën toevertrouwd is, ook met het ministerie, uit de meerderheid voortgekomen, wacht het koloniale vraagstuk nog steeds zijne oplossing. Het is wel mogelijk, dat men met dit ministerie zoover komen zal, maar het is ook mogelijk, dat het kabinet op die quaestie valt, en al houdt men het er teregt voor, dat het heengaan van het kabinet het begin van zijn weder optreden zijn zal, omdat het ministerie Thorbecke voor het oogenblik het eenig mogelijke is, de oplossing van het koloniale vraagstuk moet onder al die wederwaardigheden wachten, en het blijft dan toch altijd de vraag, of het kabinet ooit

[p. 257]

zoover zal komen, dat het met de Eerste Kamer, zoolang dat ligchaam als op het oogenblik geconstitueerd is, deze quaestie regele. In elk geval is het koloniale pleit volstrekt niet beslecht door het bij herhaling aannemen der begrootingen van koloniën van den tegenwoordigen minister, evenmin door het vaststellen van de Indische comptabiliteit door de wetgevende magt. Ik verschil ten aanzien van dit punt in gevoelen van vele liberalen in den lande, en geloof veeleer, dat de koloniale quaestie niet eerder beslecht zal zijn, dan wanneer ook onze Eerste Kamer ten opzigte der door het gouvernement in te dienen wet, regelende de gouvernements- en particuliere cultures op Java, eene beslissing genomen zal hebben. Ik kom op dit punt nog terug.

Nadat ik nu reeds zooveel betrekkelijk het koloniale vraagstuk ter neder schreef, wordt het tijd te onderzoeken, wat men daarmede bedoelt. Wat verstaat men door het koloniale vraagstuk? Mij dunkt, de vraag, hoe op de voor koloniën en moederland meest doelmatige wijze de koloniën beheerd zullen worden. Die vraag wordt sedert eenigen tijd in al hare bijzonderheden in het publiek behandeld, en, aangezien ons Oost-Indie de eerste plaats in de rij onzer koloniale bezittingen inneemt, is het natuurlijk, dat de vraag vooral met betrekking tot die gewesten behandeld wordt. Naarmate men zich op liberaal of conservatief standpunt plaatst, naar die mate wordt het antwoord op die vraag zeer verschillend gegeven. Wij hebben een tal van boekwerken en brochures gehad, waarin men de koloniale quaestie behandeld heeft; wij hebben een Engelschman (Money) ons koloniale stelsel usque ad coelum zien verheffen en wij hebben een landgenoot van groot talent (Multatuli) ons koloniaal beheer zoo sterk mogelijk zien veroordeelen. Intusschen blijft het wenschelijk, dat eene alle uitersten vermijdende pers het publiek blijve voorlichten, en hij, die de pen opneemt, om de quaestie toe te lichten, heeft aanspraak op erkentelijkheid.

Onder de jongst verschenen studiën over het koloniale vraagstuk komt voor eene van den heer Dr. W.J.A. Jonckbloet, maar, ik voeg er aanstonds bij, het koloniale vraagstuk, zoo als het in de Tweede kamer der Staten Generaal behandeld werd. Nu is het wel waar, dat het vraagstuk ook in die vergadering behandeld is, eenigermate althans, in den boven door ons bedoelden zin, maar de heer Jonckbloet stelde zich minder voor, om naar zijne inzigten de vraag te beantwoorden, als wel, zoo als hij zelf

[p. 258]

zegt, ‘om een overzigt van het jongste debat in de Kamer te geven.’ In het geven van zulk een kritiesch resumé is de schrijver, naar mijne bescheiden meening, volkomen geslaagd. De tegenwoordige koloniale oppositie wordt er in alle hare kleinheid ten toon gesteld, en volkomen duidelijk komt het uit, dat het haar bij de behandeling der koloniale zaken minder om beginselen dan om personen te doen is. Treffend acht ik het bewijs, dat de heer Jonckbloet daarvan bladz. 172 en 173 aanhaalt, alwaar twee redevoeringen van den heer van Zuylen van Nyevelt onder elkander geplaatst worden, waarin die afgevaardigde zich zelven na een tijdsverloop van twee dagen letterlijk tegenspreekt. Maar nu beweer ik, dat daarmede het koloniale vraagstuk niet eene enkele schrede nader aan zijne oplossing gekomen is, omdat dit nooit à fonds in de Staten Generaal behandeld is, en ik zal dit later aantoonen. Daar zijn in die vergadering wel enkele détails van koloniaal beheer besproken, maar het vraagstuk zelf, zoo als het gesteld behoort te worden, bleef onaangeroerd, en daarom geloof ik al verder, dat de heer Jonckbloet met deze zijne studie slechts een middelmatig succes behalen kan. Ik erken zeer de goede zijde dezer studie; ik beaam zelfs het betrekkelijk wenschelijke, dat er in gelegen is, om den strijd op koloniaal gebied in het juiste licht te stellen en de uitkomsten van dat onderzoek ook aan anderen voor te leggen. Maar, salva reverentia, vorder ik van den heer Jonckbloet, wanneer hij eene dergelijke quaestie behandelen wil, méér; ik verlang door hem het vraagstuk zelf behandeld te zien en ik laat mij niet afschepen met het op bladz. 10 ter neder geschrevene: ‘dat tot het uiten van een wezenlijk bruikbaar advies dieper studie van het veelomvattende vraagstuk vereischt wordt dan die, waartoe de schrijver tot op dit oogenblik in de gelegenheid was;’ want moest het geven van een wezenlijk bruikbaar advies tot een volgend jaar uitgesteld worden, ook deze studie had tot dat tijdstip achterwege kunnen blijven, terwijl dan door den schrijver aan een overzigt van het debat in de Staten-Generaal eene behandeling van het vraagstuk zelf verbonden had kunnen worden.

Straks heb ik in het algemeen aangegeven, wat eigenlijk het koloniale vraagstuk is; ik heb daarbij gezegd, dat onze Oost-Indische bezittingen daarbij vooral meer op den voorgrond treden, en ik voeg er nu nog bij, dat aangezien Java wederom de eerste plaats inneemt, het er bijzonder op aankomt de gestelde vraag

[p. 259]

met betrekking tot dit eiland te beantwoorden. De straks gebezigde algemeene uitdrukking laat zich tot de volgende formule herleiden: Java moet beheerd worden naar een stelsel van bestuur, dat de inlandsche bevolking de grootst mogelijke mate van morele en materiële welvaart verzekert en daarbij aan de directe en indirecte belangen van het moederland bevorderlijk is. Bereikt men dit doel, door aan Java constitutionele instellingen te geven, of, - want ik meen het er voor te kunnen houden dat deze stelling voor het oogenblik zelfs niet verder aangeroerd behoeft te worden, - zal men het land laten onder het vaderlijk beheer der autokratie met gebruikmaking van den magtigen arm der inlandsche hoofden? Zal men in het laatste geval door een stelsel van dwang of door vrijheid, zooveel mogelijk, besturen, ten gevolge waarvan in het eerste geval de opvoeding der bevolking aan den tijd overgelaten wordt, en in het laatste het koloniaal bestuur daaraan krachtig medewerkt? Zal men den inlander verpligten tot produceren, of zal men hem daarin vrij laten? Anders gezegd, het is de vraag - en ziedaar wat de cardo quaestionis op koloniaal gebied kan geacht worden - komt men tot het doel, hetwelk men zich ter bereiking voorstelt, door een stelsel van verpligten of door een van vrijwilligen arbeid? De tegenwoordige koloniale oppositie houdt zich stijf en strak aan het cultuur- d.i. het dwangstelsel; de liberale partij wil langzamerhand komen tot vrijen arbeid. Ik stem toe, dat het koloniale vraagstuk, binnen die grenzen besloten, niet geheel volledig aangeduid is, maar men bedenke dat, - aangezien Java wel de eerste onzer koloniale bezittingen heeten kan zoodat aan hare morele en materiële welvaart die onzer Oost-Indische bezittingen en het welzijn van het moederland naauw verknocht zijn, aangezien verder die welvaart alleen door arbeid te verkrijgen is, - natuurlijk het koloniale vraagstuk in het parlement en bij het publiek tot de quaestie van verpligten of vrijen arbeid teruggebragt wordt.

Het cultuurstelsel is onder een tweeledigen vorm op Java ingevoerd. De inlandsche bevolking namelijk arbeidt regtstreeks voor het gouvernement, of voor het gouvernement met tusschenkomst van een contractant. In het eerste geval arbeidt zij onder het algemeen toezigt van Europesche ambtenaren; in het tweede geval werkt het cultuurstelsel door contracten, d.w.z. het gouvernement gaat eene overeenkomst aan met Europesche industriëlen, waarbij de contractant ter eener zijde (het gouverne-

[p. 260]

ment) zich onder meer verbindt om ter beschikking van den contractant ter andere zijde (den fabrikant) te stellen een toereikend beloop van onbezoldigden arbeid, en de fabrikant daarentegen zich sterk maakt, om eene zekere hoeveelheid van de opbrengst van de op de Europesche markt gewilde voorbrengselen tegen zekeren prijs aan het gouvernement te leveren. In beide gevallen ontvangt het gouvernement direct de waarde van de op zijn last geteelde producten. Ziedaar en gros het cultuurstelsel zoo als het door den generaal van den Bosch in 1830 op Java ingevoerd is. Naast dat stelsel van verpligten arbeid staat de vrije cultuur, waarbij de inlandsche bevolking geheel vrijwillig met den fabrikant onderhandelt, en deze laatste in geene betrekking tot het gouvernement staat.

Nu beweert men van de eene zijde (de eonservative) dat door het invoeren van het cultuurstelsel het koloniale vraagstuk opgelost is. Men wijst op de immense schatten, welke dat stelsel voor het moederland afgeworpen heeft. Men haalt jaren aan, waarin het koloniaal batig slot (het zuiver overschot zoowel van de souvereine inkomsten van den staat als van den verkoop der producten) bedroeg eene som tot een bedrag van ƒ 38 tot 45.000.000. Men voegt daarbij, dat de handel en het fabriekwezen hier te lande ten gevolge van het cultuurstelsel zich tot eene ontzaggelijke hoogte ontwikkeld hebben. Men rigt onze blikken naar het aan het cultuurstelsel naauw verwante consignatie-stelsel, volgens hetwelk de producten voor de Europesche markt voor het grootste gedeelte door het gouvernement, en wel door middel van de Handel-maatschappij, hier te lande aan de markt gebragt worden. Men geeft hoog op van de groote morele en materiële ontwikkeling, welke dat stelsel aan de inlandsche bevolking gebragt heeft. Het heeft den Javaan geregelde arbeidzaamheid geleerd en daarenboven zijne maatschappelijke positie oneindig verbeterd. Men verwijst ons eindelijk naar de grondwet van Nederlandsch-Indië, naar art. 56 van het Oost-Indische regerings-reglement, waarvan de eerste alinea den gouverneur-generaal voorschrijft, om de op hoog gezag ingevoerde cultures, zooveel doenlijk in stand te houden.

Van de andere (de liberale) zijde verwacht men de beantwoording van de koloniale quaestie van den vrijen arbeid. Men zegt, dat het gouvernement direct en indirect door de vrije cultuur oneindig meer dan door de gedwongene gebaat wordt:

[p. 261]

de koffij-productie in Buitenzorg o.a. beliep onder de werking van het stelsel van verpligten arbeid 2500 picols, en toen die gedwongen teelt in 1856 opgeheven werd, klom de productie tot 20,000 picols, welke cijfers respectivelijk eene waarde van ƒ 75.000 (gedwongen teelt) en ƒ 339,200 (vrije cultuur) vertegenwoordigen. De inlandsche planters ontvingen voor hun gedwongen arbeid ƒ 25,000, terwijl zij onder de vrije cultuur voor de 20.000 picols ontvingen eene waarde tot een bedrag van ƒ 250.000, en nadat de landheeren de hun nog overblijvende 12.000 picols verkocht hadden, bleef er voor den planter nog eene verdienste van ƒ 250.000 over. De productie van de thee over het geheele eiland klom in 10 jaar van 928.000 tot ruim 2.000.000 pond, waartoe de particuliere nijverheid slechts 18 fabrieken en 2563 bouws behoefde, terwijl de gouvernementsambtenaren 100 fabrieken met 4594 bouws noodig hadden, en dat wel voor de helft geproduceerde thee. De productie van den tabak klom van 2.000.000 tot 12.000.000 pond, terwijl de inlandsche planter ruim het dubbele van hetgeen de gedwongen cultuur hem zou hebben opgeleverd verdiende. De handelswaarde van den uitvoer naar onze markt werd alleen op de beide laatstgenoemde artikelen met ƒ 7 à 8.000.000 verhoogd. De particuliere cultuur in de vorstenlanden vermeerderde in 5 jaar de productie van de indigo van 50.000 tot 450.000 pond, ƒ 1500 in waarde. De ingezetenen van Soeracarta en Djocjocarta leveren p.m. 60.000 picols koffij, 40.000 picols suiker en 4 à 500.000 pond indigo voor de Europesche markt. 45.000 bunders woeste gronden zijn aan particulieren verhuurd, welke boven de 100.000 picols rijst, 50.000 picols suiker en even zooveel koffij leveren. Aan particulieren zijn bovendien ruim 1.200.000 bunders gronds in eigendom afgestaan ter aangeslagen waarde van ƒ 34.500.000, waarop meer dan een millioen menschen leven, die welvaart en voorspoed genieten, terwijl de landbezitters ruime winsten maken. Die particuliere ondernemers leverden in 1863: 137.818 picols koffij, 389.965 picols suiker en 206.646 ponden indigo, ter waarde van omstreeks ƒ 12.000.000. 35 à 40 schepen konden bevracht worden met deze vruchten van den vrijwilligen arbeid der Javanen, die daarbij zooveel verdienden, dat zij niet alleen goed in hun levensonderhoud voorzien konden, maar bovendien nog voor 8 à 9 millioen gulden meer dan vroeger van de producten der Nederlandsche nij-

[p. 262]

verheid konden koopen, waardoor zoowel de belastingen als onze invoeren van jaar tot jaar stegen. In 1861 bedroeg de invoer uit Nederland ƒ 18.816.448 tegen ƒ 7.956,476 in 1850. Tegenover die voordeelen van den vrijen arbeid staan nu, volgens de liberalen, de nadeelen van de gedwongen cultuur. Men heeft aangetoond, dat in 1859/60 3 à 400.000 bouws rijstvelden braak bleven liggen, waarvan bij eene behoorlijke bewerking voor eene waarde van ƒ 18 à 20.000.000 aan rijst had kunnen geoogst worden, terwijl de bevolking desniettegenstaande sedert 1840 met 400.000 zielen toegenomen was. Volgens officiële regerings-verslagen werden in 1861 261.000 picols koffij minder geoogst dan in 1851. Het monopolie van het indigo-product werkte zoo nadeelig, dat in 1840 op Java 728 indigo-fabrieken werkten met eene productie van 2.032.097 pond indigo, terwijl er in 1860 nog slechts 273 fabrieken werkten en de productie 407.672 pond beliep; 400.000 menschen moest men bovendien van de gedwongen indigo-teelt ontheffen, omdat zij te gelijk met den grond uitgeput geraakten. De gedwongen aanplant van suikerriet, indigo, tabak enz. ging met 16.439 bouws tusschen de jaren 1851 en 1861 achteruit, terwijl toch de bevolking in dat tijdvak met 2½ millioen zielen toegenomen was. De planter verdiende in 1861 ± ƒ 8.000.000 minder dan in 1851. Van de 37 tabaks-contracten (gedwongene cultuur) met 3687 bouws waren er in 1861 11 met 1498 bouws overgebleven, en deze leverden slechts ¼ van het vroegere product. Bij de gedwongen thee-cultuur verloor het gouvernement in 15 jaren 2½ millioen gulden. Toen er van 1840 tot 1850 nog weinige particuliere ondernemers op Java waren en het gouvernement 55 pct. grond méér met suiker, indigo en tabak deed beplanten ging de invoer uit Nederland van ƒ 13.239.247 in 1840 tot ƒ 7.956.476 in 1850 terug. De heer v. Hoëvell, de groote voorstander van den vrijen arbeid, geeft den normalen toestand volgenderwijze aan: onder de werking van het cultuurstelsel worden er meer dan drie millioen bunders met verschillende producten beteelde gronden door particuliere ondernemers en Javanen vrijwillig, voor eigen rekening, zonder tusschenkomst van het gouvernement, jaarlijks beplant, waarvan de oogstwaarde zich niet laat bepalen. Tegenover dezen normalen toestand worden er, buiten de koffij, slechts 50.000 bunders voor rekening van het gouvernement door gedwongen arbeiders beplant en dus naauwelijks 1/60 van het geheel. En niet alleen is die

[p. 263]

vrije cultuur voordeelig voor het gouvernement, maar de liberale partij meent ook, gelijk ik reeds met een enkel woord boven opmerkte, dat de inlander daardoor grootelijks meer dan door het gouvernements-cultuurstelsel moreel en materieel bevoordeeld wordt. Jaarlijks toch bebouwt hij vrijwillig, den rijstaanplant niet medegerekend, een aanzienlijk, doch niet bekend getal bunders met tabak, suikerriet, indigo, katoen, oliezaad, aardvruchten, groenten, tafelvruchten enz., waardoor de handel verlevendigd en de markten allerwege ruim voorzien worden, terwijl hij meer dan 17 millioen klapperboomen heeft geplant en onderhoudt, ongerekend de vorsten- en particuliere landen. Alleen de cocosnooten leveren een jaarlijkschen oogst ter waarde van ƒ 35 à 40.000.000.

Men meene nu evenwel niet, dat de liberale partij op de boven aangevoerde gronden van stonden aan de gedwongene door de vrije cultuur wenscht vervangen te zien. Men heeft dat wel van de zijde der behoudende partij beweerd, maar het tegendeel is waar. De liberaal erkent zeer de goede zijde van het cultuurstelsel; hij ontkent volstrekt niet, dat door dit stelsel kolonie en moederland uitnemend gebaat zijn. Hij beweert echter, dat de overdrijving daarvan groot nadeel aangebragt heeft, en daarenboven dat, hoe uitnemend het gewerkt moge hebben, het nu niet meer in staat is de productie te verhoogen en men eenen anderen weg behoort in te slaan. Hij wenscht het behoud van het cultuurstelsel, maar hij wenscht andere grondslagen. Hij wil vrijen in plaats van gedwongen arbeid, om eindelijk te komen tot een toestand, waarbij alle gouvernements-tusschenkomst ophoudt en de directe voordeelen, welke het gouvernement tot nog toe geniet, plaats maken voor meer indirecte. Daarbij beroept hij zich op artikel 56 van het regerings-reglement, maar hij ziet bij het lezen der eerste alinea de zesde niet voorbij, welke luidt als volgt: ‘dat moet worden voorbereid eene regeling, steunende op vrijwillige overeenkomsten met de betrokken gemeenten en personen, als overgang tot eenen toestand, waarbij de tusschenkomst des bestuurs zal kunnen worden ontbeerd.’

Zietdaar dan verschillende wijzen, waarop men tracht te komen tot eene oplossing van het koloniale vraagstuk. Ten gevolge daarvan doen zich nu de volgende vragen ter beantwoording voor: Is het cultuurstelsel op den duur bij magte, om den inlander dien trap van morele en materiële ontwikkeling te doen bereiken, waartoe wij als koloniale mogendheid hem de gelegen-

[p. 264]

heid moeten aanbieden? Verder, zullen de millioenen van het koloniaal batig slot door dat stelsel immer even ruim als dit in sommige jaren heeft plaats gehad in de schatkist blijven vloeijen, en daarbij, zullen handel en industrie door het cultuurstelsel eene steeds hoogere vlugt kunnen nemen? Eindelijk: meent men deze vragen in bevestigenden zin te kunnen beantwoorden, kan men dan met artikel 56 van het Oost-Indiesch regerings-reglement in de hand beweren, dat het cultuurstelsel het begin en het einde der koloniale quaestie is, gezwegen nu daarvan, welke groote wijzigingen dit stelsel reeds sedert zijne invoering ondergaan heeft? Of moet dan artikel 56 gewijzigd worden? In de tweede plaats: Is het mogelijk en zoo ja, wenschelijk voor de inlandsche bevolking, dat zij zich door vrije cultuur ontwikkele? Zal het moederland direct en indirect ten gevolge van vrijen arbeid dezelfde, wat meer zegt, meer vruchten uit zijne koloniën trekken kunnen?

Het ligt voor het oogenblik niet op mijnen weg, om te trachten naar eene beantwoording dezer vragen, maar, ik herhaal het, ik had de behandeling daarvan met een resumé van het koloniaal debat in de Staten-Generaal van den heer Jonckbloet verwacht.

Men heeft in de Staten-Generaal wel gesproken over de door ons boven gestelde quaestiën, maar men kon ze niet grondig behandelen, zoolang de regering niet ingediend had het ontwerp van wet, dat de gouvernements- en particuliere cultuur regelen moet. Het schijnt, dat de aanbieding van dit ontwerp eerlang te wachten is. Ik kan mij nog niet goed verklaren, waarom de indiening zoolang achterwege moest blijven, want van de eindbeslissing betrekkelijk dit onderwerp hangt de toekomstige welvaart van kolonie en moederland af. Mij dunkt, daar zijn sedert het optreden van de tegenwoordige regering vrij wat minder urgente zaken afgedaan, en de cultuurwet zelve moest toch wel eindelijk in staat van wijzen zijn.

Ik heb, ik erken het volkomen, veel gesproken naar aanleiding van de studie van den heer Jonckbloet, weinig daarentegen over het boek zelf, en ik heb mijne redenen daarvoor opgegeven. Was de heer Jonckbloet met zijne studiën over de koloniale quaestie nog niet gereed, hij hadde gewacht met het uitgeven van een boek, dat, zoo als het nu daar ligt, slechts ten halve voldoet en bevredigt.

Ten slotte heb ik nog iets met den schrijver af te doen naar

[p. 265]

aanleiding van het op de laatste bladzijden van zijn boek voorkomende. De heer Jonckbloet schijnt van meening te zijn, dat de regering te regt na het verwerpen door de Eerste Kamer van de begrooting des heeren Uhlenbeck, niet afgetreden is, en evenzeer te regt de Eerste Kamer niet ontbonden heeft. Het eerste beaam ik ten volle: daar was geen enkele reden voor het kabinet, dat de meerderheid in de Tweede Kamer voor zich had, om af te treden, zelfs al neemt men aan, dat die meerderheid op koloniaal terrein nog niet gebleken was, omdat de meerderheid voor het hoofdstuk koloniën uiterst klein was. Of men evenwel regt gehandeld heeft, door de Eerste Kamer, die met ontzagverwekkende meerderheid het hoofdstuk van den heer Uhlenbeck verwierp, niet te ontbinden, of de regering de zaak goed inzag, toen zij verklaarde, dat de Eerste Kamer met hare afstemming had veroordeeld een stelsel, dat het stelsel van het ministerie niet was, niettegenstaande de Eerste Kamer én bij gelegenheid van de beraadslaging over het budget van koloniën én later uitdrukkelijk verklaarde, dat zij met haar votum de koloniale rigting van het kabinet had willen veroordeelen, of de regering eindelijk constitutioneel handelde, toen zij, in weêrwil dat de heer Uhlenbeck herhaaldelijk verklaard had, dat zijn stelsel de rigting op koloniaal gebied van het gouvernement uitdrukte, den heer Uhlenbeck te laten afmarcheren en zich niets hoegenaamd te laten gelegen liggen aan de stemming der Eerste Kamer, - ziedaar vragen, welker beantwoording ik, wat mij betreft, niet voor twijfelachtig houd. De heer Jonckbloet schijnt voldaan te zijn met hetgeen het kabinet na de stemming over het hoofdstuk koloniën deed. Hij neemt aan, ‘dat de Eerste Kamer in den heer Uhlenbeck een stelsel veroordeelde, dat het stelsel der regering niet was.’ Ik moet hierop antwoorden, dat de Eerste Kamer uitdrukkelijk bij monde van sommige harer leden verklaarde, dat zij het stelsel van de regering op koloniaal gebied had willen treffen.

Al verder beroept zich de heer Jouckbloet, met het oog op de vraag, of de minister van koloniën zoo gescheiden kon of mogt worden van het kabinet waarin hij zitting had, op den heer van Bosse, die meende, dat hij in der tijd alleen te doen had met de inzigten van den minister van kolonien Uhlenbeck in 't bijzonder en niet met de koloniale politiek van het kabinet in zijn geheel, aangezien hij bij ondervinding wist, dat men bij de zamenstelling van een kabinet wel een groot beginsel in het al-

[p. 266]

gemeen aannemen, maar onmogelijk de toepassing van elk beginsel in al zijne onderdeelen onder elkander regelen en bespreken kon. Vooreerst antwoord ik hierop, dat ik met allen eerbied voor de rijke ervaring van den heer van Bosse toch in zoo verre een kind van mijn tijd meen te mogen genoemd worden, dat geene autoriteit van wien ook mij in mijn vrij en zelfstandig oordeel belemmeren kan, terwijl ik het volste vertrouwen koester, dat ook de heer Jonckbloet regt zal laten wedervaren aan de lessen der kritiek. Ten tweede moet ik aanmerken, dat de heer van Bosse sprak over de onmogelijkheid, om de toepassing van elk beginsel in al zijne onderdeelen bij de formatie van een kabinet onder elkander te regelen en te bespreken. De heer van Bosse gaf evenwel toe, dat men een groot beginsel in het algemeen kon aannemen, waarover trouwens niet de minste twijfel kon bestaan. Maar nu stemde de Eerste Kamer juist het beginsel in het algemeen, d.i. de algemeene koloniale politiek van de regering af, want over de toepassing van dat beginsel in al zijne onderdeelen kon nog geene sprake zijn. Een beroep dus op de woorden van den heer van Bosse komt in het voordeel van hem, die meent, dat de regering zich de stemming van de Eerste Kamer wel had behooren aan te trekken, niet in dat van den heer Jonckbloet, die het tegendeel beweert.

Maar, zegt men misschien, wat had eene ontbinding gebaat; welligt was dezelfde Eerste Kamer teruggekomen. Misschien, maar misschien ook niet. Wanneer toch de Provinciale Staten behoorlijk op de hoogte gebragt waren omtrent de oorzaak der ontbinding, dan was er, dunkt mij, nog wel eenige reden, om aan te nemen, dat deze collegiën, welke dan toch direkt gekozen worden, evenzeer als de overgroote meerderheid der natie, het kabinet in een allerbelangrijkst punt van regeringsbeleid zouden ondersteund hebben. Maar al geef ik eens toe, dat misschien eene ontbinding weinig effect gesorteerd had, ik beweer vooreerst, dat daardoor een constitutioneel geschil op constitutionele wijze beeindigd was geworden, en ten andere geloof ik, dat de meerderheid van de Kamer, die eigenlijk niet wist wat zij veroordeelde, toen zij de koloniale politiek van de regering wilde treffen, voor de tweede maal tegen zulk een heroiek middel zou opgezien hebben.

Men begrijpt, dat ik met het bovenstaande in de verste verte niet het votum der Eerste Kamer over het budget van den heer Uhlenbeck heb willen verdedigen. Ik hoop integendeel, dat het

[p. 267]

der tegenwoordige regering gegund moge zijn, om het koloniale vraagstuk tot eene voor koloniën en moederland bevredigende oplossing te brengen.

11 April 1865.

C. Duymaer van Twist.

IV. Genees- Werktuig- Wis- en Natuurkunde.

Neerlands plantentuin. - Af beeldingen en beschrij vingen van sierplanten voor tuin en kamer. - Opgedragen aan H.M. de Koningin. - Onder redactie van Dr. C.A.J.A. Oudemans, Hoogleeraar in de Plantkunde aan het Athenaeum illustre te Amsterdam; en onder vaste medewerking van de Heeren: C. Glym, bloemist te Utrecht, J.B. Groenewegen, bloemist te Amsterdam, J.H. Krelage, bloemist te Haarlem, en H. Witte, hortulanus aan 's lands kruidtuin te Leiden. - Aflev. 1-2. - (Te) Groningen, (bij) J.B. Wolters 1865. Prijs per jaargang van 18 platen met daartoe behoorenden tekst ƒ 7.50.

De ontvangst der eerste en tweede aflevering geeft ons aanleiding, over het doel en de inrigting van dit nieuwe tijdschrift hier beknopt te spreken.

Het doel, gelijk het door den redacteur in zijn voorberigt omschreven wordt, is: allen, die liefhebberij in bloemen hebben, 't zij voor den tuin, 't zij voor de kamer, deze bloemen nader te doen kennen, door ze te schetsen in bouw, levensverschijnselen, eigenschappen of wat een nadenkend liefhebber meer van zijne bloemen zal willen weten.

Daartoe zullen jaarlijks 18 platen door den redacteur in overleg met zijne vaste medewerkers gekozen worden en deze zullen het uitgangspunt zijn der mededeelingen. Bijna geheel zal men zich tot tuin- en kamerplanten (d.i. die tot versiering van bloemt afels strekken) bepalen. Mededeelingen omtrent den bouw en het leven der gewassen in het algemeen, of omtrent horticultuur, zullen mede nu en dan gegeven worden.

Dat de heer Oudemans de taak van redacteur op zich heeft genomen en door praktische bloemkweekers wordt bijgestaan, mag ons het beste van dit tijdschrift doen verwachten. Een blik op de verschenen afleveringen stelt de verwachting niet te leur. De platen, van Stroobant te Gent en Severeyns te Brussel, zijn fraai, schoon no. 3 wel bewijst dat no. 2 nog fraaijer had kunnen wezen; de zeer nette uitvoering van den tekst doet ons het boek met genoegen ter hand nemen.

[p. 268]

Op de eerste plaat is afgebeeld Begonia Lapeyrousii. De Heer Oud. geeft hierbij eene beschrijving van het algemeen voorkomen en de groote verscheidenheid der Begonia's en deelt verder het merkwaardigste van de afgebeelde soort mede. De Heer Groenewegen voegt hierbij zijne opmerkingen over het kweeken en de behandeling der Begonia's.

De tweede plaat stelt de Japansche Pruim met gevulde witte bloemen voor en wordt mede door de HH. Oud. en Groenew. toegelicht.

De derde plaat bevat eene afbeelding van Cyclamen vernum. De hr. Oud. bespreekt daarbij de Cyclamens in het algemeen en daarna de afgebeelde soort: waarop de Hr. Krelage zijne opmerkingen over de behandeling laat volgen.

Wij kunnen de onderneming niet anders dan toejuichen; de bloemliefhebbers zullen, door een werk als dit geleid, zich niet vergenoegen met hunne planten om vorm of kleur te bewonderen; zij zullen ze met meer opmerkzaamheid dan vroeger beschouwen, het zamenstel der bloemen beter begrijpen, een blik in het leven der planten werpen, in de geschiedenis der bloemencultuur ingeleid worden, de aanwijzingen voor de behandeling zich ten nutte kunnen maken. De heer O. heeft dan ook de gelegenheid niet verzuimd om bij de Begonia's en Cyclamens het zamenstel der bloem op te helderen; bij de Japansche pruim spreekt hij over het ontstaan der dubbele en gevulde bloemen. Wij mogen uit deze afleveringen opmaken, dat het zijne bedoeling is, telkens van opmerkelijke bijzonderheden partij te trekken, om het zamenstel der planten toe te lichten, b.v. bij bloemen die voor het onderzoek zeer geschikte of van den gewonen vorm afwijkende meeldraden bezitten, over deze deelen meer uitvoerig handelen. Dan kunnen ongevoelig de bloemliefhebbers nader ingewijd worden in het zamenstel hunner kweekplanten; langzamerhand verzamelen zij zich de bouwstoffen, waaruit de hr. O voor hen een geheel kan vormen; dàn zal hij waarschijnlijk die mededeelingen geven over den bouw der planten in het algemeen, waarvan hij in zijn voorberigt spreekt. Zoo kan inderdaad dit tijdschrift veèl toebrengen, om de beminnelijke wetenschap der planten meer bij allen bekend en bemind te maken en grondige kennis mede te deelen. Eén wensch kan ik echter niet onderdrukken, dat de hr. O. de eenvoudigste en gebruikelijke wetenschappelijke uitdrukkingen kieze en ze steeds dadelijk

[p. 269]

opheldere; met het woord eijerhouder of eijerdoosje kan ik niet ingenomen zijn, waarom niet vruchtbeginsel? waarom eitjes in plaats van zaadknopjes? waarom van helmknopjes en stuifmeel, van een centralen zaaddrager gesproken, zonder die uitdrukkingen dadelijk te verklaren?

Doch ik meen genoeg gezegd te hebben, om den geest van dit tijdschrift te doen kennen, waaraan ik eene ruime ondersteuning toewensch. Eene beoordeeling van de wijze, waarop de redactie aan hare zoo wèl begrepene en opgevatte taak voldaan heeft, wil ik tot later, als er meerdere afleveringen verschenen zijn, uitstellen.

Bgd.

V. Opvoeding en Onderwijs.

Driemaandelijksch tijdschrift voor Onderwijs, uitgegeven van wege de algemeene onderwijzers-vereeniging, gevestigd te Rotterdam, onder redactie van J.C. Neurdenburg, Hoofdredacteur, S. Gille Heringa, Dr. N.W.P. Rauwen hoff, Schoolopzieners in het 6e en 11e distriet van Z.-Holland, T.C. Delfos, H.W. Harten, P. Molenbroek en F.W. Muls, Hoofdonderwijzers. 1e Jaargang. 1e Stuk. Te Rotterdam, bij D.J.P. Storm Lotz. 1864. (Prijs ƒ 2. - per jaargang, voor 4 afleveringen elk van 4 vellen druks.)
Idem. 2e Stuk.

Het ‘woord aan allen, die met ons de handen in een willen slaan, of ons door hunne deelneming wenschen te steunen,’ achten wij ook tot ons gerigt. En waarlijk! het zoude wonder zijn, indien de verjongde, doch tevens zoo oude ‘Vaderlandsche Letteroefeningen,’ eene der jongste harer zusteren met onverschilligheid begroette. Op de deelneming der Letteroefeningen in het bevorderen van het doel van het Tijdschrift voor Onderwijs, dat is: het bevorderen van de paedagogische wetenschap, kan de redactie gerust rekenen. Wij stellen ons voor, van tijd tot tijd, misschien wel jaarlijks, iets over deze nieuwe ‘Quarterly,’ in 't midden te brengen, doch meenen thans, nu de beide eerste nummers daarvan in 't licht zijn verschenen, niet te moeten wachten met onze aankondiging, zal ze het door ons beoogde. doel - om dat Tijdschrift algemeen bekend te maken - bereiken.

Wij willen hiertoe onze lezers den hoofdinhoud der beide eerste afleveringen van 't bedoelde tijdschrift mededeelen.

In de 1e aflev. volgt op het inleidende ‘woord aan allen’ enz.

[p. 270]

Een woord voor strijdlustigen,’ welk stuk, gegoten in den vorm van een brief van een der redacteuren aan een zijner vrienden, een dorpsonderwijzer, als een tweede voorberigt kan gelden. Van strijdlust is er echter al zeer weinig sprake. Hierop volgt een vrij uitvoerig rapport van eene door de rotterdamsche onderwijzers-vereeniging benoemde commissie, welke de vraag heeft behandeld: ‘Zal de wet de ouders verpligten hunne kinderen ter school te zenden?’ De argumenten der voor- en tegenstanders van de wettelijke schoolpligtigheid worden door de commissie opgesomd, welke hierna tot de slotsom komt: dat zij ‘wettelijke schoolpligtigheid, als geschikt middel tot wegneming van het schoolverzuim niet wenschelijk kan keuren, maar het ten sterkste ontraden moet.’ Voorts tracht de commissie de vraag: ‘Wat is er dan tegen het schoolverzuin te doen?’ te beantwoorden, doch blijft zich daarbij wel wat op het terrein der ‘loci communes’ bewegen. Dit is echter misschien minder de schuld der commissie dan van de door haar gestelde vraag. Behartigingswaard is het woord van den wakkeren utrechtschen inspecteur mr. Farncombe Sanders, waarmede de commissie haar rapport eindigt: ‘....zoo ergens dan is 't hier, dat door den staat weinig, door het individu veel moet worden verrigt. Volksverlichting en volksbeschaving, 't is geene plant, die, in officiëele broeikassen gekweekt, den volke van boven af toebedeeld en nog veel minder opgedrongen moet worden. 't Is eene kostbare bezitting, die met veel moeite en veel inspanning door de natie voor zich zelve, niet door de regering voor de natie, moet worden veroverd, opdat zij haar kenne, en liefhebbe, en geniete, zooals men alleen de vrucht van eigen arbeid en eigen inspanning kennen, genieten en liefhebben kan.’

In een stuk getiteld ‘Verscheidenheid en overeenstemming,’ vertelt de heer N. op quasi-geestige wijze, wat naar aanleiding van het zooeven genoemd rapport in de ‘Vereeniging’ in 't midden werd gebragt. Daaraan worden een tiental bladzijden gewijd, doch daar wij nog later zullen moeten vernemen hoe het met het rapport afliep, zullen wij al de wijsheid, waaraan in de ‘Vereeniging’ lucht werd gegeven, voor 't oogenblik niet napluizen.

Met het verslag der commissie, in Junij 11. belast met het afnemen der examens voor het Middelbaar onderwijs, en met eene korte boekbeschouwing eindigt dit 1e stuk.

Het 2e stuk begint alweder met een rapport, getiteld: ‘Tafels

[p. 271]

van Werkzaamheden,’ en opgemaakt door eene commissie uit de Vereeniging naar aanleiding van eene missive van den Heer Inspecteur van het L.O. in Z.-Holland aan de HH. Schoolopzieners, met uitnoodiging een drietal exemplaren van een ‘Leerplan, verdeeling van den leertijd en leermiddelen voor de scholen van gewoon lager onderwijs, in het 2e district van Z.Holland, en naschrift van den Schoolopziener,’ ter kennis te brengen van de onderwijzers-gezelschappen te Rotterdam, bepaaldelijk van de Algemeene onderwijzers-vereeniging, om niet eene kritiek op bedoeld leerplan te leveren, maar het onderwerp in hunne kringen vrij te behandelen en eenig verslag van de gevoerde besprekingen aan den Heer Inspecteur te doen toekomen. - Die gevraagde beoordeeling zonder kritiek leverde der commissie wel wat bezwaar op, hetgeen echter niet verhinderd heeft dat zij zich goed van hare taak heeft gekweten en een zeer lezenswaardig stuk over de indeeling van den leertijd heeft geschreven. Wij zouden de voor ons bestemde ruimte over schrijden, zoo wij over elk artikel eene beschouwing leverden, en vergenoegen ons dus met de enkele vraag of de vereeniging van het onderwijs in geschiedenis en aardrijkskunde wel zulk eene sterke afkeuring verdient als de commissie vermeent? -

Vormleer?’ Onder dezen titel wijdt de heer N. 32 bladz. aan eene uitvoerige bespreking van dat vak, hetwelk voor menig onderwijzer nog zoovele moeijelijkheden oplevert. De heer N. beschouwt de vormleer in hare tegenwoordige opvatting als geheel ongeschikt voor den kinderlijken leeftijd en zet breedvoerig de motieven uiteen, welke hem tot die uitspraak leiden. Hij meent ‘dat de opvatting van het begrip vorm door de voorstanders der vormleer, zooals zij tot nu toe begrepen wordt, zeer bekrompen en daardoor zeer onjuist is.’ De heer N. wil echter geen slooper zijn, hij wil opbouwen; welk gebouw hem voor den geest staat zal hij ons in een ‘Vervolg’ ontwikkelen. Daar wij dit stuk met de meeste belangstelling gelezen hebben, zien wij het vervolg met verlangen te gemoet.

Na dit artikel laat de heer N. volgen: ‘Enkele opmerkingen naar aanleiding van de verslagen der commissiën van examen voor acten van middelbaar onderwijs;’ waarin hij onder andere de vraag doet: ‘Zou het examen niet met beter gevolg zijn afgenomen, het personeel voor de middelbare school niet gemakkelijker te vinden zijn geweest, indien bij de wet bepaald was, dat eerst

[p. 272]

na een tijdsverloop, b.v. van drie jaren, het eerste examen zou worden afgenomen; zoo intusschen de vereischten voor deze soort van onderwijzers nader omschreven waren, en ook het openen van inrigtingen voor middelbaar onderwijs tot een later tijdstip ware uitgesteld?’

Eene vraag die men zeker bevestigend kan beantwoorden, doch die ook aanleiding geeft tot de vraag of dan niet nog veel meer onderwijzers, die thans, afgeschrikt door de strenge examina, nuttig werkzaam blijven bij de lagere scholen, ontevreden met hunne betrekking zouden geworden zijn en alleen bij het middelbaar onderwijs heil zouden gezien hebben.

Eindelijk vinden wij nog in dit 2e stuk, behalve een ‘Verslag van den staat en de werkzaamheden der algemeene onderwijzersvereeniging, gevestigd te Rotterdam, op den 9 Julij 1864’ en een Verslag over de ‘Jaarlijksche bijeenkomst der onderwijzers in Drenthe,’ nog ‘Eene stem uit den vreemde over schoolpligtigheid’ zijnde eene vertaling van een uittreksel uit het werk van den heer Delapalme getiteld: ‘Le premier livre du Citoyen.’

En hiermede meenen wij genoegzaam tot aankondiging van het Driemaandelijksch Tijdschrift voor Onderwijs gedaan te hebben; moge het door velen, niet alleen door onderwijzers, maar ook vooral door ouders, door leden van het schooltoezigt en door allen, die slechts vermoeden welk eene levenskwestie het onderwijs voor eene beschaafde maatschappij is, gelezen worden. Met den wensch dat het der redactie moge gelukken de klippen van langdradigheid en gezochte aardigheden te ontwijken, roepen wij haar scheepje van harte toe: goede reis!

Monitor.

Nederlandsch tijdschrift voor de praktische beoefening van de fransche, de engelsche en de hoogduitsche taal en letterkunde. Nieuwe serie. Zevende jaargang. No. 3 en 4. Tiel. Wed. D R. van Wermeskerken. 1864. Prijs ƒ 3. - per jaargang bij inteekening, voor 4 nummers elk van 4 à 5 vel druks.

Reeds 10 jaargangen van dit tijdschrift hebben het licht gezien, waarvan de 4 eerste den titel dragen van ‘Hedendaagsche en Hoogere Beoefening van de fransche, de engelsche en de hoogduitsche taal’, welke voor de bezitters van de nieuwe serie verkrijgbaar zijn voor ƒ 3, terwijl een ieder het geheele werk kan koopen voor ƒ 14. - Bij het tijdschrift behoort een bijblad

[p. 273]

waarin men vragen en opgaven en boekbeoordeelingen vinden kan, terwijl het tijdschrift zelf een ‘mixed pickle’ van fransch, engelsch en duitsch bevat. Het zou te veel plaats nemen, en zou voor de lezers der Letteroefeningen weinig interessant zijn, zoo wij elk artikel, in deze afleveringen vervat, wilden beoordeelen. Liever geven wij een paar opmerkingen van algemeenen aard ten beste en drukken in de eerste plaats aan de inzenders op het hart, om, wanneer zij geen eigen werk leveren, toch vooral te vermelden waar zij het door hen ingezondene gevonden hebben, - men denkt anders zoo ligt aan de fabel van de kraai, die zich met paauwenveêren sierde; - ook moesten er in een dergelijk tijdschrift geene vragen gedaan worden, die door elk goed woordenboek beantwoord worden. Wij vestigen de aandacht der redactie op een paar staaltjes van plunderingen, door sommige inzenders begaan. De meeste der ingezondene synoniemen zijn niet het werk van de heeren wier voorletters of namen daaronder staan, doch zijn woordelijk, of althans met zeer geringe wijzigingen, overgenomen uit:

A.L. Sardou. Nouveau dictionnaire des synonymes francais;

of uit: Synonymes francais par l'abbé Girard;

of uit: Eberhart, Deutsche Synonymen.

Ook komen sommige dezer synoniemen reeds in no. 1 van den 3en jaargang voor.

In dien zelfden 3en jaargang vindt men ook een stuk, getiteld: ‘Contradictions dans la grammaire de M. Chapsal.’

Men zou natuurlijk meenen dat dit eigen werk was van den onderteekenaar ‘C.J.P.’ - Volstrekt niet. Wie de moeite nemen wil om op te slaan: bonneau, Récréations grammaticales, ou les 190 barbarismes, etc., contenus dans la grammaire de M. Chapsal. Paris 1851, - zal vinden dat alles wat in het stuk van C.J.P. voorkomt, uit dat boek genomen is (dat woord is wat zachter dan gestolen); somtijds zijn geheele volzinnen woordelijk overgeschreven.

Hetzelfde stelsel is gevolgd door den inzender der ‘Etymologie’ (7e jaargang no. 3 bl. 163), die een druk gebruik schijnt te hebben gemaakt van de dictionnaire nationale van Bescherelle.

Wanneer de redactie dergelijke misbruiken streng tegengaat, zal zij de deugdelijkheid van haar tijdschrift zeer bevorderen. Dat tijdschrift is overigens zeer bruikbaar en nuttig, vooral tot zelfoefening.

monitor.

[p. 274]
T.S. Velsing. a. Klassikale rekenoefeningen voor de hoogste klasse der volksschool. Te Groningen, bij F. Folkers. Prijs 10 et. 22 bl.
b. Vervolg op de klassikale rekenoefeningen, enz..Prijs 12½ cent, 26 bl.

De heer Velsing, hoofdonderwijzer te Tjalleberd, heeft een paar bruikbare en aanbevelenswaardige rekenboekjes gemaakt; natuurlijk hebben wij al zijne sommen niet nagerekend, doch moeten ter loops de opmerking maken dat de Tjalleberder schooljeugd bijzonder goed moet kunnen rekenen, zoo haar sommige der opgaven van haren hoofdonderwijzer niet wat te hoog gaan; hij beproeve het slechts met de volgende sommen: 1. stukje: § 13, opg. 2; § 17, opg. 5, § 19, opg. 6; § 20, opg. 8, 9. - 2. stukje: § 6, opg. 2; § 13, opg. 5; § 14, opg. 6; § 20 opg. 4. Of al de antwoorden goed zijn, weten wij niet; het antwoord op § 16, opg. 8 k, moet echter niet 61, maar 81 zijn.

Terwijl wij den heer Velsing verzoeken bij eene andere gelegenheid zijn voorberigt niet al te vlug ter neer te schrijven, hopen wij dat zijne verzameling door zijne medeonderwijzers gunstig moge ontvangen worden.

Monitor.