Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1909


auteur: [tijdschrift] Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde


bron: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1909. Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1909


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 90]

Een paar versjes van Vondel opgehelderd
door Gustaaf Segers.

Het komt gepast voor, om redenen later te verklaren, Vondels gedicht in zijn geheel mede te deelen.

Uitvaert van mijn dochterken.

 
De felle Doot, die nu geen wit magh zien,
 
Verschoont de grijze liên.
 
Zij zit omhoogh, en mickt met haren schicht
 
Op het onnozel wicht,
 
En lacht, wanneer in 't scheien,
 
De droeve moeders schreien.
 
Zij zagh er een, dat, wuft en onbestuurt,
 
De vreught was van de buurt,
 
En, vlugh te voet in 't slingertouwtje sprong;
 
Of zoet Fiane zong,
 
En huppelde in het reitje,
 
Om 't lieve lodderaitje:
 
Of dreef, gevolght van eenen wackren troep,
 
Den rinckelenden hoep
 
De straten door: of schaterde op een schop:
 
Of speelde met de pop,
 
Het voorspel van de dagen,
 
Die d' eerste vreught verjagen:
 
Of onderhiel, met bickel en bonket,
 
De kinderlijcke wet,
 
En rolde en greep, op 't springend elpenbeen,
 
De beentjes van den steen;
 
En had dat zoete leven
 
Om gelt noch goet gegeven:
 
Maar, wat gebeurt? terwijl het zich vermaackt,
 
Zoo wort het hart geraackt,
 
(Dat speelzieck hart) van eenen scharpen flits,
 
Te dootlick en te bits.
 
De Doot quam op de lippen,
 
En 't zieltje zelf ging glippen.
[p. 91]
 
Toen stont helaas! de jammerende schaar
 
Met tranen om de baar,
 
En kermde noch op 't lijck van haar gespeel,
 
En wenschte lot en deel
 
Te hebben met haar kaartje,
 
En doot te zijn als Saertje.
 
De speelnoot vlocht (toen 't anders niet moght zijn)
 
Een krans van roosmarijn,
 
Ter liefde van heur beste kameraat.
 
O krancke troost! wat baat
 
Die groene en goude lover?
 
Die staatsi gaat haast over(1).

De beteekenis, of beter de zin van het eerste vers: ‘De felle Doot, die nu geen wit magh zien’, werd tot hiertoe niet op voldoende wijze verklaard.

 

Indien ik het waag daarover mijn oordeel uit te brengen, zal men begrijpen, dat ik mij slechts met de grootste schroomvalligheid op een veld begeef, waar zoovele, oneindig beter toegeruste reizigers op het dwaalspoor zijn geloopen. Ook haast ik mij het getuigenis af te leggen, dat ik insgelijks vrees het zoo vurig betrachte oord niet gevonden te hebben.

 

De uitlegging van Van Lennep: ‘Die nu geen wit magh zien: die met geen witte haren (grijze liën) te doen wil hebben’, is hoogst waarschijnlijk verkeerd. De uitdrukking: iemand niet mogen (kunnen zien) in de beteekenis: met iemand geenen omgang, geene betrekking van welken aard willen hebben, is in de volksspraak, algemeen in gebruik. Doch, volgens den tekst van het gedicht is daar niet aan te denken. Daarbij geloof ik niet, dat wit hier grijze haren, oude lieden, kan beteekenen: vooreerst, omdat deze beteekenis nogal ver gezocht; vervolgens, omdat ze bij Vondel ongewoon is, en ten slotte, - hoewel de tegenstelling tusschen de witte haren en het onnoozel wicht wel degelijk bestaat, - toch niet zoo scherp uitkomt, als wanneer men eene andere beteekenis voor wit aanneemt, welke ik waag later voor te stellen.

[p. 92]

Een oogenblik heb ik gedacht dat het woord wit, doel, doelwit zou kunnen beteekenen; te meer daar Vondel het woord in dien zin dikwijls gebruikt. De dichter zou dan bedoeld hebben: De Dood, die nu niet juist weet wie te treffen, verschoont enz....

Men moet echter deze beteekenis laten vallen, indien men op de volgende verzen let. ‘Zij (de Dood) zit omhoog, en mikt met haren schicht op een onnoozel wicht’, enz. De dood had dus wel degelijk een doel, en zag het zeer goed. Inderdaad, zij mikte met haren schicht op het onnoozel wicht en trof het.

 

In de Kempen, en waarschijnlijk ook elders, zijn de uitdrukkingen: ‘'t Is wit tusschen die twee menschen; hij heeft bij den pastoor een witten vort; hij staat met hem op witten voet’, zeer veel in gebruik. Ze beteekenen: deze personen zijn met elkaar nauw ‘bevriend’, er heerscht eene oprechte genegenheid, ware hartelijkheid tusschen hen. Ook te Amsterdam wordt de uitdrukking in dezen zin gebruikt. In mijne geboortestreek reikt de beteekenis zelfs verder. Wanneer de vriendschap zoover gaat, dat zij tot uitwendig praalvertoon, tot speelsche dartelheid (dit woord in den goeden zin) gaat, zegt men: ‘'t is al te wit’. Het woord zwart roept de denkbeelden ernstig, somber, treurig vóor den geest.

Ge moogt dit zoo zwart niet inzien’, voor: ge moet dit licht schikken, is van dagelijksch gebruik. Wel is waar heb ik de uitdrukking: iets wit inzien nog niet gehoord: doch zeer opmerkelijk was het antwoord eener Kempische vrouw, toen ik haar vroeg of zij verstond wat het beteekende: ‘Zij kan geen wit zien’, mij zegde: ‘zij kan niet verdragen, dat men vroolijk is’.

Wonder, Vondel gebruikt deze uitdrukking in een ander gedicht, in zijn algemeen gekend Harpoen, dat in 1630, drie jaar vóor den dood van Saartje verscheen.

Harpoen is, gelijk men weet, opgedragen aan ‘Jonckheer Landeslot, Heer van Vrijburgh’, onder welken naam de dichter 's Lands overheden verstaat.

Vondel schetst er het beeid van ‘Godefried’, een Predikant, gelijk die naar zijn meening behoort te zijn, geen twistzoeker, noch kettermeester, maar een, die vrede in Goddelijke Zaken houdt’(1).

[p. 93]

Zichier hoe de dichter zijnen held opvoert:

 
‘Ick heb, heer Landeslot, doorreysend uw gebied,
 
Daer menighmael vernacht, en veel van Godefried,
 
Den preker van uw vleck, de boeren hooren roemen,
 
Wiens lof sy met geen' kunst behoefden te verbloemen.
 
Wie vond in deeghlijckheyd oyt sijns gelijeken meer?
 
Gode offerde hy sijn dienst, sijn' trou aen sijn' landsheer,
 
En bragt dat woeste volek tot deughdige bekeering,
 
Door voorgang eer dan door sijn ongetoyde leering.
 
Sijn woord was eveneens als een gesegend saed.
 
Hy was der sielen sout. Noyt moeyde hy sich met staet
 
Of weerlijcke heerschappv. Het licht blonck wt sijn leven,
 
Al wat de bybel leert, stont in sijn hart geschreven:
 
Ja, sijn godvruchtigh hart, dat was der deughden kerck.
 
Wat drempel hy betrad, daer bleef een heiligh merck.
 
Sijn mond was troostelijck den aengevochten bedde.
 
Wat onlust reesser, dien hij niet met wijsheyd redde?
 
Baldadigheyd nam af, so ras hy trad op stoel,
 
Gereghtigheyd die groeyde en pleyters werden koel.
 
De kroegen stonden leêg. Geen mes werd wtgetrocken.
 
d'Opreghtigheyd des mans klonck luyder als de kloeken.
 
Hy was vernoeght in 't kleen, gewilt by arm en rijck,
 
En stondse bey ten dienst. Sy golden hem gelijck.
 
Men sagh hem selden aen der rijcke lieden disschen:
 
Wel moght hy wit sien, maer vermyde d'argernissen.
 
Soo lang sijn leven duurde, hing 's volleex hart aen God,
 
En 't was gehoorsaem sijnen vrijheer Landeslot.

Hier verklaart 's dichters commentatator: wil sien: ‘vroolijk, opgeruimd wezen’, en er is inderdaad niet aan te twijfelen. Godefried was een vrome priester; doch geen vijand van boert of scherts, van het oogenblik, dat het geene verergemis wekte.

In Uitvaert van mijn Dochterken zal de uitdrukking dezelfde beteekenis hebben. Stellig is wit de kleur der onschuld, der reinheid, der vreugde, ook in de Kerk. Het is wit, roept het denkbeeld, vroolijkherd, opgeruimdheid, voor den geest,

 
De felle Doot, die nu geen wit magh zien,
 
Verschoont de grijze liên,

zou dus beteekenen: de dood, die nu geene vroolijkheid, geene onschuld, geen dartel spel, geen blijden lach, de kinderjaren eigen, kan verdragen, verschoont, enz....

[p. 94]

In dit geval zou de tegenstelling zeer goed volgehouden zijn, aangezien Vondel door geheel het gedicht den zorgeloozen aard, de joligheid, de liefde van zijn dochterken tot het spel doet uitkomen, en vooral op het verdriet drukt, dat haar dood op de kameraadjes te weeg bracht.

Ik verklaar hier op de uitdrukkelijkste wijze, dat ik deze gissingen, want het zijn niets anders dan gissingen, mededeel voor hetgeen ze waard zijn, en er slechts gering belang aan hecht.

 

De moeilijkheid der verklaring van de verzen:

 
En huppelde, in het reitje,
 
Om 't lieve lodderaitje.

is, m.i., nog grooter dan de vorige.

De nota ‘Hier, schijnt het, wordt gezinspeeld op een rondedans, waarbij een in 't midden stond, een soort van “Patertje langs den kant”; Lodderaitje is blijkbaar van lodder, 't welk weelderig, aantrekkelijk beteekent’, is onvoldoende. Het lodderaitje is Saartje niet; aangezien zij in het reitje om het lodderaitje huppelt.

Joos in zijn ‘Waasch Idioticon’, blz. 408, geeft het nw. loeder, boosaardige lomperik, ook lodder, loeder, lompe vlegel; bij Kiliaan, homo veneris.

Cornelissen en Vervliet kennen aan de woorden dezelfde beteekenis toe; zij kennen insgelijks het woord in den zin van versleten lom, lap, flarde, die van een kleedingstuk hangt (710).

Volgens Weiland(1) komt het woord lodder bij Karel Van Mander voor in den zin van eenen dartelen wellusteling. - Bij Kiliaan, scurra, homo venerius, iemand die uit minnebrand vriendelijk lonkt. - Van hier het zamengest.: loddergezigt, lodderoog, lodderoogen, lonken; lodderoogig, lodderzoet, bij Hooft. Voorts, lodderig, vriendelijk lonkend; loddrige oogjes, Smits. Wijders, lodderlijk, iemand, die in de beweging van oogen en ligchaam, zijne minnedrift met teederheid toont: het lodderlijcke volck; Vondel. - Lodderlijcke trecken; Hooft. - Lodder-

[p. 95]

lijck gesicht; J. Cats. Het woord lodder, is in de Kempen algemeen in gebruik in den zin, dien Joos er aan geeft; doch ook in eene zwakkere beteekenis. Een lodder van een jongen; een vlegel, een luie, lompe jongen, met het bijdenkbeeld, iemand die nalatig, slordig is op zijne kleederen.

Het woord lodderlijk, loddelijk heeft ook dezelfde beteekenis, als bij Weiland; doch insgelijks een weinig zwakker. Zij beziet hem zoo loddelijk, met een loddelijk oog, wordt wel van een minnend meisje gezegd; doch ook van een kind. Het heeft zulke loddelijke oogskens; het kan u zoo minzaam, met zulke kinderlijke reinheid bezien.

Aldus ook Vondel in zijn

Kinder-lijck.
 
Constantijntje, 't zaligh kijntje,
 
Cherubijntje van omhoogh,
 
D'ydelheden, hier beneden,
 
Uitlacht met een lodderoogh.

Dit woord lodderoog gebruik ik des te liever, daar lodderaitje waarschijnlijk hetzelfde beteekent. Het woord aitje is inderdaad misschien het Eng. woord eye, oog. Ik weet echter niet of het ook in onze taal bestaat, of vroeger bestaan heeft. Lodderaitje zou dus een vroolijk, schalksch, snoepig meisje, een gichelaarstertje beduiden; doch daarmede is Vondels vers nog niet verklaard, aangezien het lieve lodderaitje hier blijkbaar Saartje niet is; het is een ander meisken, dat in het midden van den kring stond, waar Vondels dochterken met de andere speelmaatjes om danste.

 

Het is intusschen meer dan tijd, dat ik dit pad verlate, dat al te glibberig voor mij is.

Ik herinner mij overigens, dat wij in de Commissie van onderwijs en niet in eene commissie van taalkunde zijn. Oefeningen op den oorsprong, op de afleiding der woorden, philologische beschouwingen, al leiden ze tot geene vaste uitslagen, indien ze door meesters van het vak gedaan worden, acht ik, in een wetenschappelijk opzicht, zeer belangrijk, zeer nuttig.

Doch, bij het verklaren van leesstukken, van poëtische werken vooral, zijn zij, in het lager- en middelbaar onderwijs althans, niet op hunne plaats. Zij zijn echter nog al te veel schering en

[p. 96]

inslag. De leeraar dogmatiseert; hij weidt uit over de eigenlijke en figuurlijke beteekenis der woorden; over mythologie en geschiedenis, over folklore; in éen woord, het ontleden van een gedicht is voor hem een voorwendsel om spraakkundige, philologische, historische oefeningen te doen; het beste middel om de poëtische schoonheden te doen verloren gaan, om de leerlingen afkeer voor de poezie in te boezemen. Ik heb wel hooren zeggen, dat de meesterstukken der klassieke oudheid grootendeels zoo weinig gelezen worden, zelfs door hen, die eene uitmuntende klassieke opvoeding hadden genoten, omdat men in de school, bij het verklaren dezer meesterstukken, schier alleen op spraakleer, afleidkunde enz. had gelet, en geene oogen voor de verheven poëzie had gehad.

 

Ziehier hoe een meester der pedagogie zich daarover uitdrukt:

 

‘Bij de verklaring der leesstukken, is de hoofdzaak, dat men ze in hun geheel op de leerlingen late werken en om deze werking te verhoogen, zal het noodig zijn, dat de leeraar ze eerst goed voorleest. De werking mag dan echter niet verzwakt worden door een grammatisch ontleden en uiteenrukken van het leesstuk: want het is iets anders of men de spraakkundige moeilijkheden, die het verstaan van een leesstuk belemmeren, uit den weg ruimt, of dat men bij een leesstuk allerlei grammatische oefeningen doet, waarbij de zin van het lied, de sage enz. geenszins in aanmerking komt. De geest van het stuk is de hoofdzaak; de vorm kan slechts voor zooverre in aanmerking komen, als de geest daarin ligt opgesloten en op zijne bevrijding wacht.

Diesterweg schrijft: ‘Voor een gebrek en pedagogische zonde, die meer en meer algemeen dreigt te worden, voor het aan stukken trekken “vor der Zerstückelung und Zerpflückung”, hoeft op het ernstigste gewaarschuwd. Het is, evenals alle voorbarige kritiek, een heilloos werk. Zeker, ook ik ben een vriend van juiste begrippen; ik haat de duisternis en de donkerheid, doch ik beken openlijk: met het oog op poëtische stukken, wanneer deze overigens slechts goed zijn, phantazij en gemoed aandoen, voor het edele en schoone begeesteren, heb ik die liever dan de verstorende ontleding, en schoolmeesterachtige haarklieverij(1)’.

[p. 97]

Uitvaart van mijn Dochterken is een meesterstuk van eenvoud, wáar gevoel en schilderachtige voorstelling. Ik acht het zeer geschikt om in eene middelbare onderwijsinrichting, zelfs in eene volksschool te worden ontleed.

Doch, de voorschriften van Richter en Diesterweg dienen streng nageleefd. Men zou, niet alleen over de historische beteekenis der woorden kunnen uitweiden; men zou de verschillende spelen, waarmede het meisje zich vermaakte, kunnen bespreken; men zou over het historisch en sociaal belang der spelen kunnen spreken, gelijk Van Lennep dit doet, die te dezer gelegenheid eene zeer belangrijke nota van Halbertsma aanhaalt. Maar, zelfs in de veronderstelling, dat men de juiste beteekenis der betwiste uitdrukkingen vinde, en dit zal in het onderhavige geval wel moeilijk zijn, vrees ik, hebben dergelijke besprekingen in het onderwijs weinig waarde; ja, zij zijn, in zekeren zin, hinderlijk. Waar ging het met dergelijke methode overigens naar toe? Zou Vondels Uitvaert geene gansche les, misschien twee, drie vergen? Wat zou, op zulke manier, van het voordragen van gedichten en prozastukken, zoo onontbeerlijk voor de esthetische opvoeding, voor het louteren van het taalgevoel, van de spreektaal, geworden?

Men weet, dat in Pruisen de leerplicht acht jaar duurt, van het zesde tot het twaalfde jaar. Deze schooltijd is verdeeld in 3 Stufen, Unter-, Mittel- en Oberstufe. De Mittelstufe duurt 2, de Unter- en Oberstufe ieder 3 jaar. De preussischen Allgemeine Bestimmungen van 15 October 1872, schrijven wekelijks in de Unterstufe 11, in de Mittelstufe 10, in de Oberstufe 8 uren les van Duitsche taal voor.

Kehr, in leven bestuurder der Normaalschool van Erfurt, geeft in zijne Praxis der Volksschule, de titels der dicht- en prozastukken op, welke in de Oefenschool, aan dit gesticht toegevoegd, - aldus eene lagere school - uitgelegd, van buiten geleerd en uitgegalmd worden. In de Unterstufe tel ik er 39, in de Mittelstufe 37, in de Oberstufe 52. Onder deze laatste wijs ik o.a. op Roland Schildträger en Des Sängers Fluch van Uhland; Die deutschen Ströme en Muttersprache van Schenckendorf; Erlkönig en Der Fisscher van Goethe; Der Taucher en Das Lied von der Glocke van Schiller. Een bewijs, dat men bij onze oosterburen er niet voor terugschrikt de meesterstukken der nationale dichters in de volksschool te bestudeeren; doch dat men bij die studie de

[p. 98]

methode volgt, welke alleen tot den gewenschten uitslag kan leiden.

De beteekenis, de zin der woorden moet verklaard worden; dat spreekt van zelf. Doch, zou men durven beweren, dat Vondels gedicht, indien Van Lenneps verkeerde verklaring van den tweeden versregel gegeven werd, niet zou kunnen genoten worden? In dit geval zou men er uit moeten afleiden, dat Van Lennep zelf, dat talrijke leeraars en letterkundigen, die geene voldoende verklaring van dezen regel kunnen geven, geen poëtisch genot bij het lezen smaken.

Naar aanleiding van Vondel's Uitvaert van mijn dochterken, vs. 1,
door Willem de Vreese.

De verklaring, door den heer Segers van het eerste vers van Vondel's Uitvaert van mijn dochterken gegeven, is niet onbekend. Men vindt ze reeds bij Lulofs, Joost van den Vondel (Groningen, 1838), blz. 96/97. Lulofs heldert daar den Harpoen op met behulp van de Uitvaert, zooals ons geacht Medelid hier de Uitvaert opheldert met behulp van den Harpoen. Ook ons buitenlandsch eerelid Prof. Dr. J.W. Muller schijnt deze opvatting te huldigen: zie zijn oratie, De taak der Nederlandsche Philologie (Utrecht, 1902), blz. 10.

Ik had aanvankelijk een andere opvatting. De gedachtenwisseling met den heer Segers heeft mij tot nieuw onderzoek genoopt, en ik erken gaarne dat door den uitslag van dit onderzoek die - trouwens nog niet volkomen vaststaande - opvatting weer aan 't wankelen is gebracht, zoodat in dezen vreedzamen strijd de palm der overwinning voorloopig en wellicht voor altijd aan den heer Segers toekomt.

Wit komt inderdaad voor in allerlei uitdrukkingen, die een gunstige gezindheid, een opgeruimde stemming en derg., te kennen geven. Het is wit, een witten voet (een wit voetje) bij iemand hebben zijn algemeen bekend. Witjes lachen beteekent in Holland: stil, vergenoegd voor zich zelven lachen, en in de 17de

[p. 99]

eeuw komt die uitdrukking reeds voor. Vondel zelf besluit zijn bekend Raetsel op Willem Kalff en Neeltje Pluvier met deze verzen (ed. Van Lennep 10, 161; ed. Unger 30, 369):

 
Nu raet eens om, al lachtge wit,
 
Wat Kalf, wat Velt-Pluvier is dit?

En Huygens, sprekende van Koning David, zingt (ed. Worp 1, 276):

 
Op het uyterst oversnaren
 
Van sijn heyligh-droeve lied
 
Docht hem (wat gedaente baren
 
Omgeroerde Herssens niet?)
 
Dat den Hemel witter lachte,
 
Dat de Sonn die klaerer scheen
 
Ongehoôpter maren brachte
 
Dan syn' wielen lang bereên.

Bij dezelfde dichters vindt men witte dag = gelukkige, blijde, gezegende dag. Vondel noemt den dag van het laatste oordeel voor de gelukzaligen een drymael witten dagh (ed. V. Lennep 1), 302; ed. Unger 30, 399); en Huygens besluit zijn bekende Mis-luckte Muydsche Reyse aldus (ed. Worp 1, 305):

 
dat huijlen en dat pruijlen,
 
En dat hagelijck beclach,
 
Zal ick noch een' witter dach
 
Met een heuchelijck onthalen
 
Achterstell en all, betalen.

Merkwaardiger wijze komt de eigen uitdrukking (geen) wit mogen zien ook in de 18de eeuw nog voor. In het spectatoriale tijdschrift De Denker, in een stuk dat wellicht door Betje Wolff ingezonden werd, leest men:

Een vent, die geen wit zien magh, die onze vroolijkheid scheen te wraken, 6 (1770), 12. Ik ben niet tegen de vreugd, ik mag zoo wel wit zien als een ander, 6, 39.

En in Wolff en Deken's Brieven van A. Blankaart (1787-1789), 1, 39:

Ik mag wel wit zien en veel inschikken van jonge maats.
[p. 100]

Tegenover deze en dergelijke plaatsen lijkt het me voorshands moeilijk, den heer Segers, Lulofs en Muller niet bij te vallen. Maar evenals deze laatste, vraag ik nog: wat beteekent dan nu in het bewuste verband? Als het waar is, dat de twee eerste verzen van de Uitvaert beteekenen: ‘de dood, die thans geen vroolijkheid kan verdragen, verschoont de grijsaards,’ dan wil dat tevens zeggen, dat de dood in gewone omstandigheden de grijze lieden tot haar slachtoffers kiest, omdat ze dan de vroolijkheid der kinderen wél mag lijden.

Maar is dat rationeel gedacht? De dood kan immers nooit vroolijkheid lijden; ze zal niemand verschoonen, om hem in zijn vroolijkheid niet te moeten treffen; ze kiest haar slachtoffers in den blinde. Dat is de gewone voorstelling. Is het niet gewaagd een vrij wel onlogischen gedachtengang toe te schrijven aan Vondel, die werkelijk een logische geest was?

Op de overige beschouwingen van den heer Segers wensch ik voor het oogenblik niet in te gaan; het zij genoeg er de aandacht op te vestigen, dat lodderaitje met eng. eye niets te maken heeft, en dat, zooveel ik weet, nog nooit iemand heeft beweerd, dat de historische taalstudie wél in de ‘volksschool’ thuis hoort.

 

19 Januari 1909.