Volks-liedjens, uitgegeeven door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (5 delen)


auteur: anoniem Volks-liedjens van het Nut


bron: Volks-liedjens, uitgegeeven door de maatschappij: Tot nut van 't algemeen (vijf delen). Harmanus Keijzer en anderen, Amsterdam 1789-1807  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 3]

De Lijdende Jezus.

 
Wijze: waarheen? mijn Ziel! waarheen?
 
 
 
Aanschouw, mijn Ziel! aanschouw!
 
Hoe menschenliefde en trouw
 
Uw Heilland heeft bewogen;
 
Daar Hij, als 't offer-lam,
 
Uit teder mededogen,
 
Mijn zonden op zich nam.
 
Ach! hoor zijn bange beê,
 
In 't droef Gethzemané!
 
Zie hoe, door 't angstig strijden,
 
Zijn droefheid sterker groeit;
 
Zijn zweet, aan alle zijden,
 
Als bloed op de aarde vloeit.
 
 
[p. 4]
 
Wat smart wat felle smart
 
Treft zijn gevoelig hart!
 
Een kus moet hem verraaden,
 
Van zijn' ontrouwen vrind;
 
Hem, in wiens woord of daaden,
 
Men nummer ontrouw vindt.
 
Daar valt men de onschuld aan!
 
Zie hem ter slagtbank gaan,
 
Zijn waardste vrienden wijken.
 
Die met hem sterven zou,
 
Voelt thans zijn moed bezwijken,
 
Bij 't vraagen van een vrouw.
 
 
 
Hij staat, en zwijgt... hij staat,
 
Daar ieder Hem verlaat,
 
Beschuldigd, en beloogen,
 
Gegeesseld, en bespot,
 
Versmaad, veracht, bespogen,
 
Geduldig in zijn lot;
 
Met doornen wreed gekroond.
 
Ten spot aan 't volk vertoond;
 
Veröordeeld, en geslagen,
 
(Vond dit ooit wedergaê!)
 
Moet Hij zijn kruis nog dragen,
 
Naar 't aaklig Golgotha.
 
 
[p. 5]
 
't Geween, het droef geween
 
Der Vrouwen om hem heen,
 
Wekt nog zijn mededogen...
 
Hij nadert... Zie, hoe wreed
 
Wordt daar voor aller oogen,
 
Mijn Heilland naakt ontkleed;
 
Op 't kruishout uitgestrekt,
 
't Gemarteld lijf gerekt;
 
Ach! hoor de hamerslagen!
 
Dat knarst door hand en voet,
 
En nog geen woord te klagen....
 
Bezef, wat liefde doet!
 
 
 
Dat treft! ô God! dat treft!
 
Zie, hoe men 't kruis verheft,
 
Waar aan hij, vast geklonken,
 
Nog voor zijn beulen smeekt,
 
En 't hart, in rouw verzonken,
 
Als Midd'laar, zalig spreekt.
 
Nog deelt zijn teder hart,
 
In 's Moeders stille smart.
 
't Word nacht!... dit doet mij beeven!
 
Hoe klimt zijn angst en wee!
 
Zou God Hem nu begeven?
 
Neen! Hij verhoort zijn beê.
 
 
[p. 6]
 
Met kragt, met groote kragt,
 
Roept Jezus: 't is volbragt!
 
Hij komt zijn sterfuur nader...
 
Nu roept Hij onbevreest:
 
In uwe hand, ô Vader!
 
Beveel ik mijnen geest!
 
Hij buigt zijn hoofd, en sterft;
 
Die 't leven ons verwerft,
 
Hij, wien ons onheil griefde,
 
Legt, dragende onze straf,
 
Uit onbegrensde liefde,
 
Vrijwillig 't leven af.
 
 
 
Hoe groot! hoe Godlijk groot!
 
Toont zelfs in smart en dood,
 
Vorst Jezus al zijn waarde?
 
Mijn Heilland! laat voordaan,
 
Al wat gij leed op aarde,
 
Mij steeds voor oogen staan,
 
Gij sterft dan ook voor mij,
 
Uw lijden maakt me vrij.
 
Aan uwen dienst geheiligd,
 
Verlost van schuld en straf,
 
Zie ik, door U beveiligd,
 
Gerust op dood en graf.
 
 
 
Ma.V.H.



illustratie