|
|
|
| |
Naturae sequitur semina quisque suae.
GElijck de kruyden zijn van aard
Verscheyden die de aarde baart,
Soo sietmen dat groot onderscheyd
Is tusschen mensch, end mensch geleyt,
5
End dat sy volghen elck het zaat
Daar yders een natuer op slaat.
De eene van natuere draaft
Naar hoogheyd, d'ander altijd slaaft,
De een wil sterven in het veld,
10
Een ander tot de vrede helt,
De een moet reysen, d'ander sal
Steeds blijven als een koe op 't stal,
De een wil wesen Medicijn,
De ander wil een Leeraer zijn,
| | | |
15
De derde word een Advocaat,
Eens anders lust naar 't Coopen gaat,
De eene die wil zijn een boer,
De ander haat hem als een loer,
Een yder in sijn werck soo leeft
20
Nadat hy lust, of onlust heeft.
Een lust; of onlust die sich streckt
Naar dat hem sijn Natuere treckt.
|
|
|