Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Quem res plus nimio delecta vere secunda, Mutatae quatient.

 
Wanneer de maan in ons gesicht
 
Ontfanghen heeft haar volle licht,
 
Dan zijn de oesters in de zee,
 
De mossels, end de boomen meê,
5
Vervult van sap, van mergh, van nat,
 
Want elck alsdan sijn voetsel vat;
 
Wanneer de stralen van de maan
 
Allenxkens meer end meer vergaan
 
Soo zijn de oesters mager, teer,
10
Haar sap is wegh, end 't oude smeer.
 
Soodanigh is de mensche mal,
 
Die niet en weet hoe dat hy sal
 
Hem draghen of in teghenspoed,
 
Of als hy is verrijckt van goed;
15
Wanneer hy is van weelde prat,
 
En van sijns herten lusten sat,
 
Dan is hy in sijn wapens hoogh,
 
Dan treed hy als een pauw int oogh,
 
Dan is hy vol van pracht, end eer,
20
Dan draagt hy hem gelijc een heer;
 
Doch als de kans hem tegen slaat,
 
End' al sijn voorspoet haast vergaat,
 
Wanneer sijn naam, end eere breect,
 
End dat hy in ellende steect,
25
Soo vallen al sijn spillen neer,
 
Hy is een slaaf, wegh is de Heer,
 
Sijn goet, sijn moet, sijn trotse geest,
 
Sijn hoogheyd isser al gheweest,
 
Sijn sap is wegh, om dat de maan
30
Van voorspoed niet meer vol wil staan.