Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Lof der heyligher Vrouvven.

 
NU wel op, met soete toon
 
Die mijn ziele zijt gewoon
 
Te vermaken met uw' sangh,
 
Oock wel heele daghen langh,
5
Wilt nu op een nieuwe wijs
 
Singhen van der vrouwen prijs,
 
Laat de mannen sterck end koen
 
Hooren wat een Vrouw kan doen.
 
Sara Abrahams gemaal
10
Heeft met nederighe taal
 
Haren man ghenaamt haar Heer
 
Tot haar eyghen lof, end eer.
 
Oock soo is Rebecca loos
 
By Gods volck vermaart altoos,
15
Om dat sy een middel vant
 
Waar door Iacobs ruyghe hand,
[p. 214]origineel
 
Alhoewel sijn eyghe stem,
 
Isacx seghen nam tot hem.
 
Debora, die kloecke vrouw,
20
Bracht des vyands heyr in rouw,
 
End haar mannelick ghemoed
 
Heeft gansch Israël behoed.
 
Jaël met een stoute sin
 
Smeet door 'thooft een naghel in
25
Van haar vyand, die vervaart
 
Lagh verborghen onder d'aard.
 
Hester heeft door haar ghebed
 
'sKonings gramschap af gheset,
 
End' doen hangen aen het hout
30
Haman op-gheblasen, stout.
 
Iudith vol hooghmoedigheyd
 
Haar by Holofernes leyd,
 
Iudith met een stout bedrijf
 
Slaat hem 'thooft af van sijn lijf.
35
Anna, vol van Godes geest,
 
Bad den Heer doen aldermeest,
 
Doen sy hare lipkens teer
 
Sonder klanck hief op, end neer.
 
Onder al het vrou-gheslacht
40
Isser niemand soo geacht
 
Als Maria die vermaart
 
Selfs haar Schepper heeft ghebaart:
 
God, end mensch die waren tsaam
 
Wonderlick in haar lichaam,
45
Om als mensch te vallen neer,
 
End als God te rijsen weer.
 
Stelt hier by Elizabeth,
 
Gansch onstrafbaar in Gods wet,
 
Die Maria dede groet,
50
Doen sy haar quam int ghemoet.
 
Anna Phanuelis kind
 
Al haar lust int bidden vint,
 
Inden Tempel nacht end dagh,
 
Vasten, bidden, men haar sagh.
55
'tCananeesche vrouken meê
 
Moet hier hebben oock haar steê,
 
Haar gheloof sal t'aller stond,
 
Klincken door eens yders mond.
 
Wie en sal oock loven niet
60
Die Mariam, die met vliet
 
Hoorde Christi woorden aan,
 
Om het beste deel t'ontfaan;
 
Die ons met haar sorghe wijs
 
Heeft gheleert dat dranck, end' spijs
65
Moeten gansch niet zijn geacht,
 
Alsmen naar den hemel tracht.
 
Daar is oock een Magdaleen,
 
Wiens daat men sal uyt verbreen
 
Also lang als Christi leer
70
By zijn volck sal zijn in eer:
 
Tranen als een water vloed
 
Storte sy op Christi voet,
 
End met haar ontvlochten hayr
 
Maackte sy die weder klaar.
75
Koomt nu oock ghy Vroukens hier
 
Die beweegt door geest, end vier
 
Balsem, myrrh', end wieroock koopt,
 
End naar 't graffeer haastig loopt,
 
Om te salven uwen Heer
80
Tot dat hy verrijse weer:
 
Uw' gheloof, uw' liefde sterck,
 
End' uw' yver, end' uw' werck,
 
Salmen loven over al
 
Daarmen Christum preken sal.
85
Lydia die purper kocht
 
Moet hier oock nu zijn bedocht,
[p. 215]origineel
 
In haar wooningh, op dat pas,
 
Paulus doe ontfanghen was.
 
Wie sal hier niet vougen by,
90
Al die vrouwen op een ry,
 
Die als Martelerssen zijn,
 
Om Gods woord, ghebracht in pijn?
 
D'een gehangen, d'een versmoort,
 
D'een gedolven, d'een vermoort,
95
D'een gheworght, end d'een onthooft,
 
D'ander van haar goed berooft.
 
D'een vermaart door vierigheyd,
 
D'ander door stantvastigheyd:
 
D'een wel-sprekend' in de wet,
100
D'ander vast in hoop geset.
 
Daarom seg ick ick dat een wijff
 
Oock is kloeck in haar bedrijff,
 
Beter als een man die doet
 
Minder als een vrouws gemoed.