Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 7


auteur: A.J. van der Aa


bron: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 7. J.J. van Brederode, Haarlem 1862


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

[Dirk Janszoon de Graeff]

GRAEFF (Dirk Janszoon de), de cerste die wij hier noemen van een geslacht. dat gedurende een geruim aantal jaren niet alleen aan de hoofdstad des rijks eenige hoogst bekwame regerings personen geleverd heeft, doch waaruit ook mannen ontsproten, die eene belangrijke rol hebben gespeeld in de gebeurtenissen van hunnen tijd. Dirk de Graeff, wiens naam ook enkel Graeff geschreven wordt, werd in 1529 geboren. Wij vinden hem niet eerder genoemd, dan in den aanvang der Spaansche beroerten, toenmaals wonende op het Water tusschen den Dam en de Papenbrug, in zeker huis genaamd de Keizer. Het was bij de Graeff dat Prins Willem I vertoefde, wanneer hij Amsterdam bezocht, en ten huize van dezen zijnen vriend de belangen van stad en land vertrouwelijk met hem besprak. Lang, zeer lang duurde het, eer de Graeff

[p. 346]

besluiten kon de Amstelstad te verlaten, waar hij zulke gewigtige betrekkingen te vervullen had; en toch, hooger en hooger steeg het gevaar. Eindelijk verliet hij met zijne gade, Agnes van Neck, ook genaamd Nies of Nyes Pieters, dochter van Pieter van Neck, en zijne vijf kinderen de stad en begaf hij zich naar Emden, werwaarts zijn boezemvriend en naastbestaande Cornelis Boelensz. reeds met een groot deel van zijn vermogen was heengereisd. Eene langdurige ziekte sleepte zijne levensgezellin daar ten grave, en een fraai gebeiteld grafgesteente in de kerk te Emden verkondigt nog haar naam aan de nakomelingschap.

Bij het zegevieren van de zaak der vrijheid keerde ook de Graeff in het vaderland weder. Aan den wensch van Prins Willem werd voldaan, en hij zag zijn vriend in 1578 tot Burgemeester aangesteld. Als zoodanig was hij met ijver werkzaam en zag zich ook in vele andere betrekkingen geroepen, waarin hij zich altijd de werkzame man betoonde, die rust en genoegen veil had voor zijne medeburgers. De last, op zijne schouderen gelegd, werd hem echter bij het klimmen zijner jaren te zwaar, doch zonder gevolg waren zijne aanzoeken om verligting, weshalve hij besloot zijne woonplaats naar Haarlem over te brengen, om daardoor aldus zich zelven van al zijne ambten te ontheffen. Ter naauwernood aldaar gevestigd zijnde, werd hij, door eene bezending der voornaamste Amsterdamsche burgers, op eene dringende wijze uitgenoodigd, om weder naar zijne vaderstad weder te keeren. Hij liet zich, na het maken van eenige bepalingen, overreden, was nog gedurende eenige jaren tot groot heil der burgerij werkzaam, totdat hij den 25sten Julij 1589 overleed. Nog in 1581 had hij de eer genoten dat Prins Willem I gedurende drie dagen ten zijnen huize zijn intrek nam. Na den dood zijner eerste gade was hij hertrouwd met Teeuwe Jans, dochter van den Burgemeester Jan Claesz Kat, bij wie hij geene kinderen verwekte. Een zijner zonen uit het eerste huwelijk volgt. Zijne afbeelding ziet het licht.

 

Zie Wagenaar, Vaderl. Hist. D. VII. bl. 209; Koning, Het huis te Ilpendam, bl. 7, 10-14, 42, 67; Arend, Algem. geschied. des Vaderl. D. II. St. VI. bl. 252, 372; Muller, Cat. van Portrett.