Dispereert niet. Deel 2


auteur: A. Algra en H. Algra


bron: A. Algra en H. Algra, Dispereert niet. Twintig eeuwen historie van de Nederlanden. Deel 2. Uitgeverij T. Wever, Franeker 1978 (achtste druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 277]

8. Het grof muzijk der kartouwen

De Zeven Provinciën.

Het schip De Delfland had niet voldaan en in de scheepslijst van 1666 komt het niet meer voor. In het voorjaar van dat jaar ging De Ruyter aan boord van zijn nieuwe vlaggeschip, De Zeven Provinciën. Het was een kloek schip, gebouwd op de Maaswerf te Rotterdam en De Ruyter was er zeer mee ingenomen. Hij stond er echter op, dat zijn matrozen zoveel mogelijk mee overgingen op het nieuwe schip. De Ruyter had graag vertrouwd volk om zich heen.

Vierdaagse Zeeslag.

Het werd begin juni, voor de vloot in 1666 zee kon kiezen. De laatste weken, voor dat kon gebeuren, zijn in de correspondentie van de raadpensionaris, de admiraliteiten en de bevelhebbers geladen met een eigenaardige spanning. Er zit altijd een zeker avontuur in het geval. Want wie waarborgt, dat de verschillende admiraliteiten hun eskaders tijdig klaar zullen hebben? Ze zullen allicht een deel van de schepen alvast sturen met de boodschap, dat de rest volgt. En als de verschillende eskaders hun rendezvous hebben bereikt, dan zullen de kapiteins met klachten komen: nog te weinig kruit aan boord, geen voldoende reservemateriaal; misschien geen naaigaren om zeilen te repareren.... En dan is er in de havensteden werk aan de winkel voor allerlei leveranciers; dan moet de Oost-Indische Compagnie uit haar reserves nog voorschieten. En eindelijk komt het dan klaar. Aan boord van het admiraalschip waait de witte vlag, die de opperofficieren aan boord roept voor de zitting van de krijgsraad, de orders van Heren Hoogmogenden worden gelezen, allerlei tactische problemen besproken. En nu gaat het naar de Engelse kust, om de vloot van de vijand op te zoeken, te ruïneren, als het kan; in elk geval van de zee te verdrijven. Dat is de strategische taak van de vloot.

Vrijdag voor Pinksteren kregen de beide vloten elkaar in zicht en de Engelse onder Albemarle begon de aanval. De vijanden hadden de wind in de rug, en daarvan wensten zij te profiteren, hoewel zij de zwakste partij waren. Het eskader van prins Rupert was nl. in het Nauw van Calais geposteerd om de bewegingen

[p. 278]

der Fransen, onze bondgenoten, te observeren. De eerste aanval brak los tegen onze voorhoede onder Kees Tromp, maar zonder succes voor de vijand. In de namiddag wist De Ruyter met de middentocht en de achterhoede zo te manoeuvreren, dat de vijand tussen twee vuren kwam. De commandant van de Engelse voorhoede sneuvelde en zijn schip werd genomen. Cornelis Evertsen bracht de Engelse schout-bij-nacht zo in het nauw, dat hij de tijd gekomen achtte, de tegenstander kwartier aan te bieden. Maar de Engelsman weigerde en gaf nog eens de volle laag, waarbij Cornelis Evertsen werd gedood.

Tot 's avonds tien uur duurde de strijd; toen hielden de vloten af. De slag was onbeslist.

De volgende morgen werd de strijd voortgezet. Cornelis Tromp, met zijn voorhoede vermetel in de vijandelijke linie ingebroken, raakte in de knel, maar werd door De Ruyter ontzet. Evenals de vorige dag moest Tromp overgaan op een ander schip, om daar zijn vlag te hijsen; het schip, waarop hij 's morgens de strijd begon, werd beide malen reddeloos weggesleept uit de slag.

Toen kwam de derde dag, Pinksterzondag. De wind was gedraaid naar het Oosten en zwakker geworden; de onzen hadden nu het voordeel van de wind. Maar de Engelsen trokken zich al vechtende terug naar de mond van de Theems. Zij riskeerden het daarbij over een zandbank, de Galloper, heen te varen en dit werd het grootste schip van de vloot, de Royal Prince, met de viceadmiraal Ayscue aan boord, noodlottig. Hij raakte vast. Vergeefs seinde de vice-admiraal aan de terugtrekkende Engelsen om hulp; reeds naderde Tromp en gaf het schip de volle laag; twee branders dirigeerde hij er heen, om het schip in brand te steken. Toen streek Ayscue vlag en wimpel en gaf zich gevangen. De Ruyter gaf last, het veroverde schip in brand te steken, tot ergernis van Tromp, die het grootste schip van de Engelse marine graag als buit naar de Maas had zien slepen. Maar de opperbevelhebber vond het te riskant; er schenen nieuwe gevechten voor de deur te staan.

‘Dus verging dat Koningklyk schip, het allergrootste, voornaamste en weerbaarste der gantsche Engelsche vloote, en vloog, toen 't vuur aan 't kruidt quam, met syn tweëntnegentig metaale stukken in de lucht. Dus hadden de Nederlanders het geluk, dat ze op den zelven dagh, den dertienden van Junius, op welken in 't verleeden jaar hunnen L.-
[p. 279]
Admiraal de Heer van Wassenaar, met het schip d'Eendraght, ongelukkig in de lucht vloogh, een Admiraal van geen minder naam gevangen kreegen, en syn Admiraalschip, de Royale Prins, de glorie der Engelsche vloote, met hunne eigen handen in de brandt staaken, en deeden opvliegen.’

Inderdaad kregen de Engelsen tegen de avond versterking, doordat prins Rupert met zijn eskader zich bij de vlag kwam voegen. Dus begonnen zij op Pinkstermaandag vol moed opnieuw de aanval. Driemaal passeren de schepen elkaar onder hevig geschutvuur: ‘het werck staet dangereus, dat men nauwelycks kon sien aen wat syde dat de victorij soude wesen, ofte wie dat het veldt soude behouden’, de bloedvlag wordt gehesen, het sein tot de algemene aanval, ‘wij breecken wederom in de vijandt, drie of vier Schepen van haer gepasseert sijnde, werden bij de onze genomen, ende vijandt van malkanderen gescheurt sijnde, treckt aen 't loopen met alle Zeylen bij’.

Het scheen, dat de Engelse vloot op de vlucht geheel geruïneerd zou worden, maar plotseling kwam een dikke mist op, zodat men geen scheepslengte zicht meer had. Toen werd de vervolging gestaakt, want de vervolging op de tast voortzetten, dat zou leiden tot verstrooiing van de eigen vloot. God zond deze mist, aldus De Ruyter, omdat Hij de vijand alleen voor diens hoogmoed wilde tuchtigen, niet diens ondergang voltooien. Het was een grote tactische overwinning, geen strategische beslissing. Maar de vreugde in het land was groot; Lowestoft was gewroken. Drieduizend gevangenen werden naar onze havens gebracht, waaronder de vice-admiraal Ayscue; zes Engelse schepen waren veroverd en zeventien vernield. In geestdriftige woorden huldigde een rij van dichters onze zeehelden. Vondel vooraan:

 
Askue, nu lang verlaeten,
 
Brengt op 't hof der Vrye Staeten
 
Zelf de tijding uit den slagh,
 
En de witte koningsvlagh
 
Wort in 't hofgewelf gehangen.
 
Tromp, met volle vreught ontfangen,
 
Tuight hoe Stuarts Waterroos.
 
Zonck in 't water voor altoos.

Dat laatste was een schromelijke vergissing, maar de lof van Tromp was wel verdiend.

[p. 280]
‘Dat inloopen in 't dikste van de vyanden, en 't veranderen van schip, reis op reis, met nieuwe stoutheid, zich in 't gevaar stortende, maakte zulk een schrik onder de vyanden, dat veelen de scheepen, daar ze syn vlagh saagen vliegen, niet aan boordt dorsten koomen, maar, soo veel hun moogelyk was, daar van afweeken: ook seit men, dat eenige, syn vlag t' elkens op andere scheepen siende, vraaghden, om 'er dan vijf of ses Trompen in de vloot waaren?’

Niet geringer was de lof, De Ruyter toegezwaaid, de man van het voorzichtig beleid, die in tegenstelling met Wassenaar van Obdam tijdens de slag het geheel bleef overzien, de eskaders leidde en te hulp kwam, waar dit nodig was. ‘Hij was de handt, die de maat sloeg in 't grof muzijk van zoo veel duizenden kartouwen.’

Reeds in juli waren de Engelsen opnieuw gereed, maar De Ruyter was eveneens in zee. Johan de Witt drong er sterk op aan, dat men nu zou proberen het Koningsdiep binnen te varen, dat hij het vorige jaar gepeild had. De Ruyter had bezwaren. Maar, zo redeneerde De Witt, ge zijt verleden jaar de Wester-Eems binnengelopen zonder loods, en dat is nog gevaarlijker water......

In elk geval, De Ruyter deed het niet; hij vond het nog te gewaagd.

Begin augustus liep de Engelse vloot de Theems uit en spoedig daarop raakte zij slaags met De Ruyter. Het is met deze slag zeer ongelukkig verlopen. Onze drie eskaders - de voorhoede onder de oude Johan Evertsen, na de dood van zijn broer weer als luitenant-admiraal in functie, de middentocht onder De Ruyter, de achterhoede onder Cornelis Tromp - lagen te ver uit elkaar. De voorhoede kreeg het hard te verduren, Johan Evertsen sneuvelde, Tjerk Hiddes de Vries werd dodelijk gewond, en eerst na uren kon De Ruyter zelf ingrijpen. Cornelis Tromp zag hij de gehele dag niet weer; die was met zijn eskader op de Engelse achterhoede ingestormd, had haar uiteengeslagen en achtervolgd tot de Engelse kust.

Het was slechts een fractie van de vloot, die De Ruyter de volgende dag bij zich had. De voorhoede was gevlucht, en Tromp was nog niet terug. Nooit is onze grote admiraal zó door pessimisme overmand geweest als toen. Zijn onderbevelhebber Aert van Nes, zijn persoonlijke vriend, kwam bij hem aan boord. ‘Wat

[p. 281]

komt ons over! Ik wou, dat ik dood was’, barstte hij uit. Waarop Van Nes laconiek antwoordde: ‘Ik wou 't insgelijks, maar men sterft juist niet, als men 't wenscht.’ Ze besloten, elkaar tot het einde toe bij te staan, en zich lopende te verweren. De ongelijke strijd werd voortgezet. Weer kreeg de Zeven Provinciën de volle laag van het ene schip na het andere te incasseren. ‘O God, hoe ben ik zoo ongelukkig’, klaagde De Ruyter. ‘Is er nu onder zooveel duizenden kogels niet een, die mij wegneemt?’ Zijn schoonzoon De Witte vatte hem bij dit woord: ‘Laten wij dan in 't midden van de vijanden inloopen, en ons dood vechten.’ Toen veerde het vertrouwen en het verantwoordelijkheidsgevoel weer op bij de admiraal. Neen, niet sterven, maar redden van de vloot, wat er te redden viel. En inderdaad, hij slaagde met de hem omringende schepen er in, zich terug te trekken achter de Vlaamse banken en zo de Wielingen te bereiken. Door alle deskundigen wordt deze terugtocht als een meesterstuk geprezen.

Toen De Ruyter zijn uiteengeslagen vloot ten oosten van Vlissingen verzamelde, kwam Tromp opdagen, zegevierend.

En toen barstte de spanning bij de Ruyter los in een hevige scheldkanonnade tegen de luitenant-admiraal, waarbij deze tenslotte van de Zeven Provinciën werd gejaagd. Ook de onderbevelhebbers kregen de wind van voren, in tegenwoordigheid van het scheepsvolk. Op ‘harde en seer onbetamelijke wijse’ was De Ruyter opgetreden, aldus Johan de Witt.

De Ruyter gaf de schuld van de nederlaag aan Tromp, die hem in de steek had gelaten. En Tromp van zijn kant beschuldigde de opperbevelhebber van wandevoir. Een samenwerking tussen deze twee driftkoppen scheen, nu de jaloezie zo de verhoudingen verscheurde, niet meer mogelijk. Dus moest de mindere wijken. Cornelis Tromp kreeg zijn ontslag; hij mocht Den Haag niet verlaten en ook niet met iemand op de vloot correspondentie voeren.

Terwijl de vloot in de Zeeuwse wateren werd gerepareerd, waren de Noordelijke zeegaten ongedekt en de Engelsen maakten daarvan gebruik. Met een aantal lichte schepen drongen zij het Vlie binnen, en verbrandden er honderdenvijftig koopvaardijschepen. Terschelling werd geplunderd. Een voormalig Nederlands scheepskapitein, Laurens Heemskerk, die zich na de nederlaag van Lowestoft niet meer had laten zien, had de Engelsen de weg gewezen. Een schade van 12 millioen, grote vreugde bij de Engelsen, verbittering in Amsterdam, waar een volksmenigte het huis van De Ruyter dreigde te vernielen.

[p. 282]

Een maand na deze Tweedaagse Zeeslag was de Nederlandse vloot al weer in zee. De bedoeling was, zich te verenigen met het eskader, dat Frankrijk, onze bondgenoot sedert 1662, zou zenden, maar het liet zich het ganse jaar niet zien. Praktisch zijn de Fransen gedurende de verschillende zeeslagen belangstellende en soms ook leergrage toeschouwers geweest.

Kolonel Van Gendt.

Een merkwaardige figuur was de opvolger van Cornelis Tromp, Willem Joseph baron van Gendt. Een adellijk heer, en dus, zou men vrezen, weer een politieke benoeming als die van Wassenaar van Obdam. Toch niet. Aan boord van oorlogsschepen bevonden zich behalve matrozen, die voor de zeilage en de bediening van het geschut zorgden, dikwijls een aantal soldaten. Hun taak was het o.a. door musketvuur zo mogelijk het dek van de tegenstander schoon te vegen. Ook bij landingsoperaties werden zij gebruikt. Maar in 1665 vielen er klachten, dat zij niet voor hun taak berekend waren, en in de slag tachtten te profiteren van de vele schuilhoeken, die een oorlogsschip bood. Daarom werd in het najaar van 1665 een afzonderlijk korps mariniers gevormd onder bevel van Willem Joseph, baron van Gendt. Hij was op de marine geen onbekende; de expeditie naar Funen onder De Ruyter had hij meegemaakt en ook de tocht naar Bergen, om de Indische retourvloot te ontzetten. De Staten waren van oordeel, dat de hoofdofficieren van het korps mariniers niet aan de wal moesten blijven, als de vloot uitvoer, en daarom kregen zowel kolonel Van Gendt als de beide andere hoofdofficieren, luitenant-kolonel Palm en majoor graaf van Hoorn (in die tijd sprak men nog van ‘sergeant-majoor’, als men de ‘groot-majoor’ bedoelde) ‘een bequaem schip van oorloge, om daermede haer eygen eer ende reputatie soowel als den dienst vant Landt te connen waernemen ende betrachten’. In Van Gendt bleek een goed marine-officier te steken, die er ook slag van had, met de matrozen om te gaan. Wassenaar was altijd een vreemdeling op de vloot gebleven; Van Gendt werd er populair. En toen hij in de plaats van Cornelis Tromp als luitenant-admiraal optrad, viel hij zo bij de bemanning in de smaak, dat het verdwijnen van de populaire Tromp geen aanleiding tot moeilijkheden gaf op de schepen. De enige, die bezwaar maakte, was Van Gendt zelf: hij achtte zich voor zulk een verantwoordelijke post niet ervaren

[p. 283]

genoeg. Maar de Staten van Holland besloten, dat Van Gendt zou worden ‘verzocht, aangemaand en des noods precies gelast’, zonder uitstel zijn ambt te aanvaarden, en - Kees Tromp spoorde hem evenzeer daartoe aan. Zo werd Van Gendt luitenantadmiraal.

Brand te Londen.

Reeds dacht men er over, de vloot maar weer naar huis te roepen, omdat die Fransen toch nooit kwamen, toen er berichten uit Londen kwamen over een ontzettende brand, waarbij ‘the bonfire’ van Terschelling, waarover de Engelsen zo jubelden, maar kinderspel was. Terwijl een hevige storm uit het Noordoosten woedde, brak er een brand uit, die vier vijfde van de stad in de as legde. Negentig kerken, waaronder St.-Pauls Cathedral, werden door de vlammen verzwolgen. Sarcastisch schreef een Nederlands ooggetuige:

‘Den Coninck, den hertog van Jorck en veele van de Grooten waren seer besigh, maar de brandt luysterde na dese hooge personagien niet.’

Maar hij besloot met een nabetrachting, die hier veel weerklank vond:

‘die 't inder waerheydt wel in sien, houden 't voor een straffe van de Goddelijcke handt, hebbende gelijck een Hemels vuyr gheweest, dat niet en konde gheblust werden, voor de Goddelijcke wraecke voldaen was.’

Direct werd er bericht aan De Ruyter gestuurd: nu moest men trachten, de Engelsen ter zee aan te pakken; kregen zij nu maar een ‘halve neep’, dan zouden zij dat bezwaarlijker kunnen verzetten dan een dubbele schade in een andere tijd. De Witt zelf kwam weer op de vloot. De Ruyter was ziek, en werd in een ‘krabbe’ over boord getakeld in een snelzeilend fregat, dat hem naar huis bracht. Van Nes werd opperbevelhebber, met De Witt aan zijn zijde. De Engelse vloot kwam in zicht, alles werd voor de slag in gereedheid gebracht, maar de vijand wilde niet ‘aenbijten’. Teleurgesteld ging De Witt naar huis. De campagne van 1666 was voorbij.

Karel II Stuart.

Wat doet de koning? Als de Engelsen in deze tijd het vroegen,

[p. 284]

was het antwoord misschien: hij speelt met de honden, of: hij tekent caricaturen van zijn ministers, of: hij voert de eendjes in het park. In elk geval wist de vrager bijna zeker, dat hij niet zou horen: de koning bemoeit zich met de zaken. Het werd hem eenmaal vlak in zijn gezicht gezegd, dat de zaken slecht gingen, en dat er maar één man was, die dat veranderen kon, Karel Stuart, maar die gaf zich over aan minnekozerijen, alsof hij niets anders had te doen.

Het was de harde waarheid, en - de koning lachte er om. Hij lachte om de ernstige debatten in het Parlement. Hij lachte, toen zijn broer hem waarschuwde, dat hij wel eens vermoord kon worden. ‘Dat doen ze nooit,’ antwoordde hij, ‘mij vermoorden, om jou koning te maken.’ Zijn broer, de sombere hertog van York, was inderdaad de meest impopulaire man in Engeland.

De koning genoot van zijn spel en zijn liefdesavonturen. De laatste beleefde hij met schaamteloos cynisme en verschillende hertogelijke geslachten in Engeland danken hun ontstaan aan zijn Venusdienst. Hij geloofde alleen in het egoïsme als reële menselijke eigenschap. Deugd was een handigheid van knappe huichelaars om eenvoudigen te bedriegen.

Het leven van deze koning kostte veel geld. Hoe verheugde het hem, dat het Parlement grote sommen beschikbaar wilde stellen voor de ‘navy’ in de strijd tegen de grote concurrent. Heel het jaar 1666 was the Board of Navy in de grootste geldnood en tastte de koning in een goedgevulde beurs. En toen het hopeloos vastliep, was hij bereid, de vredesonderhandelingen te beginnen. Het was mei 1667, toen de onderhandelaars in Breda aankwamen. De Engelse vloot lag onttakeld in de rivierhavens, want de koning verwachtte niet, dat er nog een nieuwe zeecampagne zou komen.

Naar de Medway.

Maar De Witt had er wel op gerekend. Een sterke vloot beschouwde hij als de beste gevolmachtigde voor de vrede. En nu moest eindelijk het grote plan worden uitgevoerd, dat afkomstig was van Tromp uit de Eerste Engelse Oorlog, en dat De Witt met zulk een taaiheid telkens weer bij de onwillige vlagofficieren van de vloot ter sprake had gebracht: de onderneming op de ‘riviere van Londen’. Het was een hard gelag voor de raadpensionaris, dat hij zelf niet mee kon. In zijn plaats ging zijn broeder Cornelis de

[p. 285]

Witt, ruwaard van Putten, regerend burgemeester van Dordrecht, een dapper man als zijn broer, maar bekrompen en baatzuchtig. Het irriterende wachten op de verschillende eskaders werd ditmaal aan De Ruyter bespaard, want de vloot vertrok, toen er nog maar één Fries schip en geen enkel uit Zeeland was verschenen.

De ‘tocht naar Chatham’ heeft op de verbeelding een diepe indruk gemaakt en is in de herinnering blijven voortleven als het grootste wapenfeit van onze marine. En ook in Engeland maakten de gebeurtenissen een diepe indruk, toen en later. Zij werden smartelijk gevoeld als een beschaming, als een openbaring van Engelands machteloosheid, een gevolg van slecht bestuur. Scherp is die Engelse stemming weergegeven door Kipling in zijn gedicht over de Nederlanders op de Medway.

Kipling is de Engelse dichter, die zijn volk het scherpst de waarheid zegt, als het door sloomheid zijn eer verspeelt.

Het was 19 juni 1667, 's morgens om 11 uur. Na ernstige besprekingen in de krijgsraad werd het grote plan uitgevoerd. Van Gendt, die als commandant der mariniers het eerst in aanmerking kwam voor de leiding van een operatie, waarbij landingstroepen een rol moesten spelen, kreeg het bevel over de vloot van lichte schepen, die de rivier moesten binnendringen. Bovendien had hij reeds een generale repetitie gehouden, door in mei 1667 de rivier van Leith in Schotland binnen te dringen en ‘Hun Hoog Mogende vlagge te laten beschouwen van het kasteel van Edinburg’, d.w.z. zover de rivier binnen te dringen, dat men van de tinnen van dat kasteel onze vlag kon zien. De actie werd geen volledig succes door wandevoir van de commandeurs van de branders, maar verwekte wel grote consternatie in Schotland.

Terwijl Van Gendt nu naar binnen drong, bleef De Ruyter met de zware schepen geposteerd aan de ingang van de rivier, om de expeditie te dekken in de rug. Van Nes kruiste op zee, want het was lang niet uitgesloten, dat uit het Kanaal of uit het Noorden Engelse eskaders zouden komen opdagen. Zonder een behoorlijke kaart is de rest van het verhaal niet te volgen (zie pag. 286).

De eerste dag drong Van Gendt de Theems binnen en kwam tot Holhaven, op weg naar Tilbury Hope, waar hij een aantal koopvaarders dacht in te pikken. Maar eb en ongunstige wind beletten hem, voldoende op te schieten, zodat de schepen de wijk konden nemen in de richting van Londen. De volgende dag zakte hij de rivier weer af. Nu zou het de Medway gelden. De 21ste juni, vóór het aanbreken van de dag, gingen 800 soldaten onder kolo-

[p. 286]

nel Dolman over tot een aanval op het fort Sheerness, op het eiland Sheppey, dat de toegang tot de Medway dekte. Het werd in een vlotte bestorming genomen. Het eiland werd niet geplunderd, hoewel de herinnering aan de op Terschelling gepleegde wandaden wel de lust tot weerwraak deed opkomen. Men kòn ook geen vrijheid tot plundering geven: dat zou het zekerste middel zijn, om de zozeer nodige discipline te doen verdwijnen. De matrozen waren dan niet meer te houden. Toen er in de vroege morgen enkelen met sloepen op het eiland landden, was het dadelijk mis. Aanstonds hebben zij ‘tot zes off acht huysen in den brandt ge-

illustratie

Situatieschets van de tocht naar Chatham. (Ondiep water is aangegeven door arcering.)


stelt ende uitgeplundert schietende doot alle 't vee’. Ze waren met geen mogelijkheid weer aan boord te krijgen, ‘drincken haerselven onbequaem ende als beesten’, zodat de vrijheid tot embarkeren, aan deze mensen gegeven, ‘het eenichste ende gewenschte middel voor de Coning van Engelandt soude sijn, om de vlote van den Staet genoechsaem te ruineren ende van bootsvolck te ontbloten; het schijnt ongeloofflijck, dat diergelycke menschen in de wereldt gevonden connen worden; evenwel bevinde ick Jan Hagel soodaenich geconditionneert’. Het is de hooghartige Cornelis de Witt, die het in deze termen aan zijn broer schrijft.

Het fort Sheerness, dat onvoltooid was en zich niet leende voor een duurzame bezetting door de Staatse troepen, werd verwoest; een grote buit aan scheepsmaterialen werd aan boord gebracht.

[p. 287]

En toen ging het de Medway op. Dit scheen een bijna onmogelijke taak. Van de mond tot Chatham hadden de Engelse oorlogsschepen gewoonlijk acht of meer dagen nodig, ‘synde deselve riviere sóó crom loopende, dat bynaer het compas soude moeten rondt worden gezeylt’. Bovendien werd het vaarwater hoe langer hoe nauwer; het was nòg nauwer gemaakt, doordat de Engelsen schepen hadden laten zinken. Drie forten bestreken de rivier en een zware ketting was van oever tot oever gespannen. Toch werd het geprobeerd. Niet tevergeefs had Johan de Witt al maar weer gepredikt, dat men, om grote dingen te doen, wat moest wagen. Geen twee schepen konden naast elkaar opereren en vóór de ketting lag het grote fregat Unity met twee kleinere oorlogsschepen. Toen is Jan van Brakel met zijn ‘slecht en licht gemonteerd fregat’ vooropgegaan. De vorige dag was hij in hechtenis genomen, omdat hij tegen de orders een sloep aan wal had gezet. Daar gaat zijn kleine fregat vooruit; zij, die het in de kruitdamp zien verdwijnen, lezen op de spiegel de naam: De Vreede ...... o ironie! De batterijen aan weerskanten van de ketting geven salvo op salvo; Van Brakel zeilt voort. Nu is hij vlak bij de Unity gekomen; hij geeft het schip de volle laag, enkele seconden later kraakt boord tegen boord en springen de Hollandse matrozen over. De Engelsen springen in het water en bergen zich; de vlag gaat neer. Maar daar glijdt een volgend schip de rivier op, de brander Pro Patria met Jan Danielsz. van den Rijn als commandeur. In volle vaart gaat het tegen de ketting aan, er doorheen, en dan haakt hij vast aan een groot oorlogsschip achter de ketting; het staat spoedig in vlammen. Nu komen er meer branders opdagen, en wéér gaat de brand in een der Engelse schepen; het bleef de ganse dag smoken en vloog de volgende nacht in de lucht. Een volgend schip verging het niet beter. Toen was de Royal Charles aan de beurt, het admiraalschip van Albemarle, dat in de strijd honderd stukken voerde en in de Tweedaagse Zeeslag tegen De Ruyter had geduelleerd. Albemarle heeft er aan gedacht, met vrijwilligers zijn geliefd schip te verdedigen, maar het was onmogelijk. De vermetelheid van de aanvallers groeide, onder de verdedigers werd de vrees tot een paniek. De bemanning van de Royal Charles sprong over boord; de sloepen van Tobiasse en De Liefde bemachtigden het schip. Op dezelfde manier roeiden er sloepen naar de Royal Prince en het Slot van Honingen. Het laatste schip was uit de retourvloot van Pieter de Bitter door de Engelsen weggekaapt.

[p. 288]

Terwijl deze strijd in zijn laatste fase was gekomen, verscheen De Ruyter zelf. Cornelis de Witt, die er altijd op zijn neus bij was geweest, had de admiraal bericht, tot ergernis van Van Gendt, dat men zijn persoon daar noodich hadde. Hij en Van Gendt schreven die avond hun rapporten in de staatsiekajuit van de Royal Charles.

De volgende dag nam De Ruyter zelf de leiding. Hoger de rivier op had een aantal schepen dekking gezocht achter het kasteel Upnor. Onze fregatten bombardeerden dit kasteel en intussen drongen de branders verder op, om de schepen aan te tasten.

‘De L. Admiraal de Ruiter sprong te dies tydt self in een sloep, om by 't werk te syn; en de Ruart (= Ruwaard) dat siende, vraagde waar hy heen wilde? Hy antwoordde, Ik sal gaan sien hoe 't ons volk daar zal maaken; en de Ruart daar op, Ik sal u dan vergeselschappen, en voer toen met hem derwaarts. Waar op de Ruiter een van de branders aanvoerde, en ordre gaf hoe hy 't soude aanleggen.’

De grootste Engelse oorlogsschepen lagen iets boven het kasteel Upnor, maar, ‘sonder den donder van 't geschut en den haagel der musketten t' ontsien’, zeilden onze branders voort. En de Engelse schepen gingen verloren, de Royal James, de Royal Oak, de Loyal London, de grootste en weerbaarste schepen van Engeland, ze brandden af tot op het water. De hertog van York, de hertog van Albemarle en generaal Monk konden het aanzien van de oever, dat de glorie van de Engelse scheepsmacht, onlangs nog zo ontzaglijk, voor hun ogen in rook en vlammen verging. Dat was nog iets anders dan de brand op Terschelling.

Des avonds werden bij Chatham door een landingscommando nog een aantal magazijnen in brand gestoken, en toen keerde de vloot de volgende middag naar de mond van de Medway terug. Cornelis de Witt vond er zijn lijfgarde, 30 schippers en zakkendragers uit Dordrecht, in een fraaie plunje gestoken, die pas waren aangekomen om voor 15 gld. in de maand hun burgemeester te bewaken.

In Londen bleef de angst. Velen verlieten de stad, uit vrees, dat De Ruyter na zijn succes op de Medway het opnieuw op de Theems zou proberen.

‘In den raad werd ernstiglijk voorgesteld, den Tower te ontruimen, wanneer de vijand nader mocht komen. Groote volksdrommen liepen in de straten bijeen, uitroepende, dat Enge-
[p. *61]


illustratie
97. Karel II in de vergaderzaal der Staten van Holland en West-Friesland.




illustratie
98. ‘'t Vertreck van Carolus Stuart de II... van de Hollantsche kust tot Schevellingen na Engelant op den 2 Junii. Anno 1660.’ Gravure van P.H. Schut. Portret en randwerk zijn van C. van Dalen Jr.


[p. *62]


illustratie
99. Michiel Adriaensz. de Ruyter, naar een schilderij van J. Lievensz.




illustratie
100. Mr. Coenraad van Beuningen, naar een schilderij van Caspar Netscher (Rijksm.).


[p. *63]


illustratie
101. De slag in de Sont.




illustratie
102. De inneming van Nyborg op het eiland Funen, 25 november 1659. Gravure van D. Stoopendaal.


[p. *64-*65]


illustratie
103. Krijgsraad aan boord van de ‘Zeven Provinciën’, het vlaggeschip van Michiel Adriaansz. de Ruyter, aan de vooravond van de Vierdaagse Zeeslag. Grisaille van Willem van de Velde de Oude (Rijksmuseum).


[p. *66]


illustratie
104. De ‘Royal Prince’ in de Vierdaagse Zeeslag. Schilderij van Willem v.d. Velde de Jonge (Rijksmuseum).


[p. *67]


illustratie



illustratie
105. Situatieschets van de tocht naar Chatham, uitgegeven door M. Doornick.


[p. *68]


illustratie
106. Willem Joseph, baron van Gendt, naar een schilderij van J. de Baen (Rijksmuseum)




illustratie
107. Voorstelling van het zeegevecht bij Chatham. Links de fraaie spiegel van de ‘Royal Charles’, in het midden een sloep met De Ruyter en Cornelis de Witt. Rechts op de voorgrond is nog een gedeelte van de stukgevaren ketting zichtbaar.


[p. 289]
land verkocht en verraden was. De huizen en de rijtuigen der ministers werden door het gepeupel aangerand; en het scheen te vreezen, dat het bestuur, in hetzelfde oogenblik, met een volksopstand en met een vijandelijken inval te doen zoude krijgen.
Men verhaalde, dat de koning den dag dier groote vernedering met de dames in zijn serail in vroolijkheid doorbracht, en zich in de eetzaal met het najagen eener mot vermaakte. Toen liet men eindelijk aan de nagedachtenis van Cromwell eene spade gerechtigheid wedervaren. Overal roemde men zijne dapperheid, zijn genie, zijne vaderlandsliefde.’
(Macaulay)

Schrik in Londen.

In de junidagen van 1667 woonde in Londen een ambtenaar bij het departement van Marine, Samuel Pepys (uitspr. Pieps), die een dagboek hield in geheimschrift, waarin hij alle belevenissen, stoornissen in de spijsvertering evenzeer als politieke zaken, galante avonturen en verslagen van de zondagmorgenpreek, in bonte rij aaneenreeg. Het dagboek is bewaard gebleven, de sleutel lag er bij, en in de 19de eeuw is het uitgegeven. Het is dikwijls vermakelijke en altijd leerzame lectuur.

Over de tocht naar Chatham vindt men er o.a. in:

‘3 Juni. In Deptford geruchten, dat de Hollanders met 80 oorlogsschepen en 20 branders buitengaats, en de Franschen met 20 schepen en 5 branders in het Kanaal, terwijl wij geen schip in zee! Dat heeft ons de zorgeloosheid van een vorst bezorgd, die de macht en het geld en de menschen zou gehad hebben, als hij op zijn zaken had gepast. Zoover ik kan beoordeelen, zullen het koninkrijk en zijn glorie ondergaan, ondanks den roem, dien het land geoogst heeft door den rebel, die zijn voorganger was. (= Cromwell!)
5 Juni. Naar de Commissarissen van de schatkist; na lang wachten vond ik ze bij elkaar zitten, Duncomb hing in een stoel met zijn beenen op een anderen stoel. Kapitein Perriman bracht het bericht, dat de bemanning van de Happy Return, het schip, dat den Portugeeschen gezant naar Holland moet brengen, weigert te varen, voordat het betaald wordt; door hun voorbeeld muiterij op nog twee of drie schepen, en dat, terwijl er een zoo groote menigte vijandelijke

[p. 290]

schepen zich triumphantelijk vertoonen op zee ...
9 Juni. Lord Barkeley naar Harwich, om de militie te inspecteeren; daar is ook de hertog van Monmouth, en met hem een groote menigte Hectors, Lord Chesterfield, my Lord Mandville, en anderen; maar ik vrees, met weinig ander resultaat, dan dat zij de landrneisjes in die buurt zullen molesteren.
12 Juni. De hertog van Albemarle schrijft, dat de groote schepen veilig zijn tegen iederen aanslag, achter een ketting, waar alles goed versterkt is; dit bericht gaf mij groot genoegen. Even later vertelde een klerk mij, dat de Hollanders de ketting hadden gebroken; het was een steek in mijn hart. Aan het hof keek ieder alsof hij zou gaan huilen.
13 Juni. Vanmorgen bevestigd, dat de Royal Charles door de Hollanders is genomen; zij maken het schip klaar om er mee weg te varen. De Koning en de Hertog van York zijn sinds vanmorgen vier uur bezig schepen in de Theems te doen zinken, om de Hollanders te beletten, hooger op te komen. Het maakte mij zoo bezorgd, dat ik mijn vader en mijn vrouw terstond naar het platteland heb gezonden, met £ 1300 in goud in een nachtzak. God geve, dat zij goed overkomen en zorg dragen, het goed te verstoppen.
Honderden naar de banken om hun geld; als dat zoo doorgaat, zullen de banken springen. De bankiers probeeren tijd te winnen, stellen de betaling uit, tellen langzaam, maken, dat de rekening niet klopt, om tijd te winnen. Nooit was het volk in Londen zoo verslagen als vandaag; men sprak van verraad; dat wij al verkocht en betaald zijn. De menschen brengen hun gezinnen en bezittingen naar de City. Vanavond kwam mijn buurman uit Chatham terug met de mededeeling, dat hij de Royal James, de Oake en de London heeft zien branden, dat de vijandelijke branders waren gedekt door twee oorlogsschepen, die zich van de batterijen van Upnor Castle niet meer aantrokken dan van een vlieg......
14 Juni. Mr. Ganden, die onze schepen heeft zien verbranden, vertelt, dat er aan boord van de Hollandsche schepen veel Engelsche deserteurs waren, die schreeuwden: vroeger vochten wij voor tickets, nu voor rijksdaalders (de Engelsche marine betaalde in die tijd altijd te laat; de matrozen kregen een ticket, en konden daar later hun geld op halen, maar later was een rekbaar begrip). Ja, er waren er, die bij

[p. 291]

de verovering van de Royal Charles tien tickets toonden, en zeiden: wij zijn gekomen, om ze in te wisselen. De toestand van het koninkrijk en de vloot is het best te vergelijken met de paniek in de City in de dagen van de grooten brand. Beneden Woolwich heeft men schepen laten zinken, maar in de verwarring ook de Franakin, geladen met scheepsbehoeften en verscheidene met groote kosten tot branders ingerichte schepen naar den kelder gestuurd.
22 Juni. Vanavond vertelde een kapitein mij, hoe de Royal Charles werd genomen; de Hollanders namen haar met een boot, bemand met negen man; één man klom in het want en streek de vlag; een trompetter blies “Johanna's rokje is gescheurd” (een populair wijsje uit die tijd). Ze hebben het schip naar buiten gebracht met een tij en een wind, waarop de beste Chathamloods het niet klaargespeeld zou hebben; ze hadden het op één zijde gehaald, opdat het minder diepgang zou hebben. Sir W. Pen vertelde mij, dat men aan het hof al weer begonnen is te schelden op de Hollanders en ze lafaards noemt, en men op zichzelf en de zaken al weer even weinig past als vroeger, wat een droeve historie is.’

Hoe graag had Johan de Witt gezien, dat er méér gebeurde; dat de aanvallen op de werven en arsenalen werden voortgezet. Hij klaagde over het gebrek aan resoluutheid bij de hoofdofficieren, ‘de swaermoedige consideratiën van den heere De Ruyter’, en dreef telkens aan tot nieuwe actie. Waarom de Theems niet weer op? Waarom geen aanval op Harwich? Zo zijn de brieven vol plannen en aanwijzingen. Maar in een brief aan De Ruyter geeft hij toch weer toe, dat men alleen ter plaatse de mogelijkheden voldoende kan beoordelen.

De rivier van Virginië.

In dezelfde week, dat De Ruyter op de Medway was, voer de Zeeuwse commandeur Abraham Crijnssen de rivier van Virginië op in Noord-Amerika. Hij was door de Staten van Zeeland uitgezonden met acht scheepjes - vier kleine fregatten, een jacht, een hoeker, een fluit en een snauw - om ‘den vyant de smerten van den oorloge te doen gevoelen, en daardoor in hem te meer gedachte van vrede te verwecken’. Met deze kleine macht is Crijnssen naar Zuid-Amerika gegaan, heeft er Suriname en Brits Guyana veroverd; bij de Antillen leverde hij slag met de

[p. 292]

Engelsen, zeilde toen naar Noord-Amerika, drong er de rivier van Virginië met vijf scheepjes binnen, overviel er de Engelsen onvoorziens, en heeft

‘vooreerst gerinueert en verbrandt een klouck Engels oorloghschip genaempt de Elizabeth, gemonteert met 46 stucken geschut; noch sijn verbrandt 3 volgeladen en 1 leedich fleutschip, veroverd 9 fleutschepen, volgeladen met taback, 1 kits met suicker, en noch 1 schip ten oorloch seer bequaem, connende voeren in de 40 stucken......’.

Een van de buitgemaakte schepen gaf Crijnssen cadeau aan Robert Conway, wiens schip hij op weg naar Virginië na twee uur hard vechten had veroverd, omdat hij deze Conway respecteerde als de enige Engelse zeeman, die zijn plicht had gedaan. Met 10 veroverde schepen en 5000 okshoofden tabak als buit voer Crijnssen naar huis.

Blokkade.

Niet alleen deze ‘smerten van den oorloge’ presten de Engelsen tot de vrede. Veel meer werkte daartoe mee de blokkade van de Engelse havens. Want al kwam ervan verdere rechtstreekse aanvallen niet veel, de Engelse kustplaatsen werden voortdurend verontrust. Zo had Johan de Witt geadviseerd:

‘Het innemen van eenige stedekens, al soude men die aenstondts wederom moeten verlaeten, houd' ick voor dienstich, maer het verbranden van deselve meyne ick mede nevens Uw Ed. ondienstich ende oock onchristelijck te wesen; ter contrarie sal het buyten twyffel van goedt ende groot effect sijn, dat men de Presbiteriaensche leeraeren ende ingesetenen in deselve alle faveur bewyse ende goedt tractement aendoen.’

De blokkade had inderdaad een goed effect. Er kwam schot in de onderhandelingen te Breda en de 13de augustus wist De Ruyter, dat het vrede was. Maar omdat men de schepen in volle zee moeilijk ir enkele dagen kon waarschuwen, bepaalde art. 7 van het vredesverdrag, dat de vijandelijkheden in het Kanaal en de Noordzee op 5 september zouden eindigen, van het Kanaal tot St.-Vincent (Portugal) op 5 oktober, vandaar tot de linie op 2 november en in de rest van de wereld op 24 april 1668. En zo

[p. 293]

kon Abraham Crijnssen in februari 1668 Suriname, dat de Engelsen na zijn vertrek in 1667 hadden teruggewonnen, voor de tweede keer veroveren en nu voorgoed.

De vrede.

De vrede van Breda werd gesloten naar de regel ‘uti possidetis’ (gelijk gij bezit), d.w.z. ieder der partijen behield, wat hij bij het sluiten van de vrede had. Alle oude kwesties waren opgeruimd. En de Akte van Navigatie was verzacht: zij gold niet meer voor waren, die uit Duitsland de Rijn afkwamen.

Groot was de dankbaarheid en blijdschap, nu ‘Batavier en Brit beide weer adem konden halen’. En de eer van de overwinning werd gedeeld door Cornelis de Witt, De Ruyter en Van Gendt. Zij ontvingen ieder een ‘gouden kop, daarop het exploit en de verkreege victorie ten beste uitgebeelt’, en er werd door de Staten bij bepaald, dat dit niet beschouwd mocht worden als een vergoeding, maar alleen als een gedenkteken voor de familie en het nageslacht. De beker van De Ruyter is te zien in het Rijksmuseum te Amsterdam, die van Van Gendt is geërfd door een buitenlandse familie. De nakomelingen van Cornelis de Witt hebben hun erfstuk versjacherd aan een buitenlandse opkoper, ‘omdat ze er zoo buitensporig veel geld voor konden maken’. Dit stuk is na veel omzwervingen terechtgekomen in een museum in Parijs.