terug  begin  verderprepost

Kloeke, G.G.

Kloeke, Gesinus Gerhardus * 10 juli 1887 Schagen; † 5 november 1963 Leiden, taalgeograaf en historisch taalkundige, hoogleraar te Leiden.

 



illustratie

Kloeke was de zoon van een onderwijzer in Schagen. In 1892 verhuisde het gezin Kloeke naar Haarlem waar Kloeke in 1905 het einddiploma hbs behaalde. Zijn verdere studiepad liep over Duitsland en het Duits: twee jaar toehoorder op een Duits gymnasium (Witten Westf.), in 1908 acte M.O.A Duits, in 1911 via universitaire studie in Groningen M.O.B Duits, intussen twee semesters studie te Leipzig, o.a. bij Eduard Sievers, in 1914 promotie te Leipzig en in 1922 promotie op hetzelfde proefschrift aan de Universiteit van Amsterdam. Ook zijn carrière liep (voor een deel) over Duitsland en het Duits: in 1912 wetenschappelijk assistent te Hamburg, tussen 1914 en 1919 leraar Duits te Winschoten en Alkmaar, daarna in Leiden (met een onderbreking in 1922-1923 voor o.a. een lectoraat Nederlands in Bonn), van 1917 tot 1922 privaat-docent aan de Universiteit van Amsterdam in de Nederduitsche taal- en letterkunde, in 1925 lector, later hoogleraar Nederlands te Hamburg, in 1934 hoogleraar te Leiden, in 1956 emeritaat. In 1926 is hij in het huwelijk getreden met de neerlandica M.J. van Lessen.

Ontwikkeling en karakterisering

Reeds het proefschrift waarop Kloeke promoveerde, was dialectologisch van aard: Der Vokalismus der Mundart von Finkenwärder bei Hamburg (Hamburg, 1914). Hierin kwamen het Duits en het Nederlands samen: van Finkenwärder, een eiland in de Elbe, werd wel aangenomen dat de bewoners uit Holland afkomstig waren en Kloeke wilde nagaan of het dialect daar nog de sporen van droeg. Tijdens zijn leraarschap in Winschoten begonnen de befaamde dialecttochten per fiets die hij jaren lang volhield en waarop hij een groot aantal gegevens verzamelde. Deze gegevens vulde hij later aan door middel van enquêtes via krant en tijdschrift. Aan zijn Winschotense periode hield Kloeke een bijzondere belangstelling voor de oostelijke dialecten over. Zijn eerste publicatie op het gebied van de Nederlandse taalgeografie had betrekking op de apocoperingsisoglosse in Groningen en Drenthe. Later verschoof zijn belangstelling naar het westen, via het Zuiderzeegebied naar Holland, maar tegen het einde van zijn loopbaan keerde hij naar de oostelijke dialecten terug met twee grote publicaties: Het taallandschap van onze noordoostelijke provinciën (Amsterdam, 1955) en Een oud sjibboleth: de gewestelijke uitspraak van ‘heeft’ (Amsterdam, 1956).

De ontdekking van oostelijke isoglossen die in een kring rond Amsterdam heen leken te lopen, bracht hem tot de idee van de Hollandse expansie. Hierover handelt zijn beroemdste boek: De Hollandsche expansie in de zestiende en zeventiende eeuw en haar weerspiegeling in de hedendaagsche Nederlandsche dialecten ('s-Gravenhage, 1927). In de inleiding van dit boek zet Kloeke zijn ideeën over taalverandering uiteen: taalverandering is voor een belangrijk deel een kwestie van overname (ontlening) waarbij de richting door prestige (status) wordt bepaald. Dat de verandering van boven naar beneden gaat, blijkt treffend uit het verschijnsel van de hypercorrecties. Het blijkt ook (zie hoofdstuk 2) uit de taalgeschiedenis van het Bildt: daar wordt nu een Hollands en niet een Fries dialect gesproken niet omdat de Hollanders er bij de inpoldering (16e eeuw) in de meerderheid waren maar omdat ze de meest invloedrijke groep vormden.

Het concrete onderwerp van De Hollandsche expansie is de uitspraak van huis en muis: grosso modo met ui of daaruit ontstane klanken in het Hollands-Brabantse middengebied, met uu in het zuidwesten en ook in oostelijke gebieden en met oe aan de oostelijke periferie. De verklaring voor dit kaartbeeld zocht Kloeke in de gebeurtenissen van de 16e eeuw. Terwijl in die tijd, vooral na de val van Antwerpen in 1585, de prestigieuze ui door zuidelijke immigranten naar Holland werd gebracht, brachten schippers e.d. de oudere uu vanuit Amsterdam naar noordelijke en oostelijke streken. De bewoners van deze streken ruilden hun oude oe voor de voor hen meer prestigieuze uu in: de Hollandse expansie. De 16e eeuw vertegenwoordigt een omslag in de taalgeschiedenis van Nederland; terwijl daarvoor de vormen van zuid naar noord gingen, gaan ze vanaf die tijd van west naar oost, wat zijn weerspiegeling in de isoglossenstructuren vindt. Ook de kaart van het oude pronomen du laat zien dat het vanuit het westen naar de oostelijke periferie is teruggedrongen. Verder nam Kloeke ook voor de vormen van het diminutief Hollandse expansie aan.

Dat bij de overname frequentie een rol speelt, blijkt bijv. uit de verbreiding van huus en muus in Overijssel: huus komt meer naar het oosten toe voor dan muus omdat eerstgenoemd woord meer gebruikt wordt. Dit voorbeeld van lexicale diffusie was moeilijk te verenigen met de neogrammatische visie waarin een klankverandering zich in alle woorden tegelijkertijd heet te voltrekken. Toch heeft Kloeke elders beklemtoond dat de klankontwikkeling primair via regelmatige klankwetten verloopt.

De Hollandsche expansie maakt Kloekes werkwijze duidelijk: hij probeerde de geografische spreiding van taalverschijnselen door historisch onderzoek (o.a. van oude grammatica's) te verklaren en omgekeerd historisch-taalkundige hypothesen door taalgeografisch onderzoek te bewijzen. De ondertitel van zijn boek drukt dit duidelijk uit: Proeve eener historisch-dialectgeographische synthese.

Kloekes ideeën over taalverandering vinden we ook in latere werken terug. Zo probeert hij in Herkomst en groei van het Afrikaans (Leiden, 1950) aan te tonen dat het Afrikaans op het Zuid-Hollands teruggaat, niet omdat de Zuid-Hollanders aan de Kaap in de meerderheid waren maar omdat ze de meest prestigieuze groep vormden. Het boek is overigens om de vele dialectkaartjes minstens even belangrijk voor het Hollands (en het Utrechts) als voor het Afrikaans. Ook in Gezag en norm bij het gebruik van verzorgd Nederlands (Amsterdam, 1951) komt de rol van de elite naar voren: Kloeke schat het aandeel van potentiële standaardtaalsprekers (‘beschaafden’) in de totale Nederlandse bevolking op nauwelijks 3%. Hij wijst ook op de sterke invloed van de schrijftaal op de gesproken standaardtaal. Standaardisering ziet hij als een voortdurend streven. Zijn belangstelling voor de normproblematiek kwam al aan het licht in zijn inaugurele rede over Deftige en gemeenzame taal (Groningen, 1934).

Behalve met taalkundige hield Kloeke zich ook met letterkundige onderwerpen bezig. Op het eind van zijn leven richtte Kloeke zich op de uitgave van oude spreekwoordenverzamelingen.

Ten slotte moet gewezen worden op de organisatorische kanten van Kloekes werkzaamheid. Vanuit Hamburg (1926) was hij al begonnen met de organisatie van de Nederlandse taalgeografie. Dat werk zette hij als hoogleraar in Leiden voort. Hieruit resulteerde een taalatlas die later door het Dialectenbureau in Amsterdam werd voortgezet. Belangrijk is zijn samenwerking met de vlaming L. Grootaers waaruit de Handleiding bij het Noord- en Zuid-Nederlandsch Dialectonderzoek ('s-Gravenhage, 1926) voortkwam. Hierin bevindt zich Kloekes grondkaart die (met aanvullingen) nog altijd gebruikt wordt.

Kloeke was een creatief taalgeleerde, een voortvarend organisator en een inspirerend docent die flink wat promoties op zijn naam heeft gebracht. Hij was een man van grote concepties maar verliet daarbij nooit de vaste empirische bodem. Voor het laatste kan ook op zijn behandeling van het Ingweoons gewezen worden. Modern was hij in zijn hypothese-toetsende methode. Hij had bovendien een zeer leesbare stijl van schrijven. Niet in de laatste plaats door hem heeft de taalgeografie enige decennia lang de neerlandistiek beheerst.

Invloed

Het werk van Kloeke en in het bijzonder De Hollandsche expansie is belangrijk op zichzelf maar ook om de discussie die het heeft opgeroepen: moeten we overname of autochtone ontwikkeling aannemen? Aan deze discussie zijn de namen verbonden van J.J. Salverda de Grave en W.Gs Hellinga (voor Holland), van W. de Vries (voor het noorden) en van W.A.F. Janssen (voor de hoek bij Nijmegen). De blijvende betekenis van Kloeke is behalve in zijn manier van werken daarin gelegen dat hij het belang onderkende van ontlening en van de rol die prestige (status) daarbij speelt. Dat we heden ten dage wat genuanceerder tegen prestige aankijken en ook ter dege rekening houden met veranderingen vanuit de lagere klassen van de maatschappij, doet aan die betekenis niets af.

 

Cor van Bree
[14 november 2003]

Voornaamste geschriften

‘De dialecten en de klankwetten’. In: De nieuwe taalgids 15 (1921), p. 194-202. Ook in: Verzamelde opstellen, p. 41-48.
‘De ondergang van het pronomen du’. In: De nieuwe taalgids 20 (1926), p. 1-10. Ook in: Verzamelde opstellen, p. 52-59.
‘Ostniederländische Diminutiva’. In: Niederdeutsches Jahrbuch 55 (1929), p. 1-24. Ook in: Verzamelde opstellen, p. 69-96.
‘Zum Ingwäonismenproblem’. In: Niederdeutsche Studien. Festschrift für Conrad Borchling. Neumünster, 1932, p. 338-366.
‘De Noordnederlandse tegenstelling West-Oost-Zuid weerspiegeld in de a-woorden, een dialectgeografische excursie om de Zuiderzee’. In: De nieuwe taalgids 27 (1933), p. 241-256, 28 (1934), p. 64-85. Ook in: Verzamelde opstellen, p. 185-215.
Verzamelde opstellen. Assen, 1952.

Belangrijkste secundaire literatuur

Jo Daan: ‘In memoriam’. In: Orbis. Bulletin international de documentation linguistique 13 (1964), p. 622-629.
C.B. van Haeringen: ‘Herdenking van Gesinus Gerhardus Kloeke (10 juli 1887 - 5 november 1963)’. In: Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1963-1964 (1964), p. 467-475.
K. Heeroma: ‘Ter herdenking van Gesinus Kloeke. Schagen 10 juli 1887 - Leiden 5 november 1963’. In: K. Heeroma en J. Naarding (red.): Oostnederlands. Bijdragen tot de geschiedenis en de streektaalkunde van Oost-Nederland. 's-Hertogenbosch, 1964, p. 77-88.
M.J. Kloeke-van Lessen: G.G. Kloeke. Bibliografie en dagboekfragment. Amsterdam, 1968.
M.C. van den Toorn: ‘Kloekes expansietheorie na vijftig jaar’. In: De nieuwe taalgids 70 (1977), p. 1-13.
Jo Daan: Geschiedenis van de dialectgeografie in het Nederlandse taalgebied. Rondom Kloeke en het Dialectenbureau. Amsterdam, 2000.

Locatie archief

Bibliotheek van de Maatschappij van de Nederlandse letterkunde (Universiteitsbibliotheek Leiden): o.a. dagboekfragmenten (zie M.J. Kloeke-van Lessen hierboven).

Meertens-Instituut Amsterdam (o.a. schetskaarten).

Locatie brievencollecties

Zie CEN.

prepostterug  begin  verder