Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde


auteur: D.M. Bakker en G.R.W. Dibbets


bron: D.M. Bakker en G.R.W. Dibbets, Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde. 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 23]

2. Grammaticale geschriften uit de zestiende eeuw
G.R.W. Dibbets

2.0. Inleiding

Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw verschijnen er in de Nederlanden grammaticale geschriften over de volkstaal. Hiertoe rekent men gewoonlijk- vergelijk Hellinga 1938: 36-40 en Kossmann 1944-1946: 171-194 - ook die werken die alleen handelen over de orthografie, de spellingen uitspraakleer. Daarnaast staan dan de spraakkunsten, waarin nagenoeg steeds de vier klassieke onderdelen van de grammatica aan de orde komen en waarin de moedertaal het object is; hierbij neemt men de grenzen gewoonlijk ruim, zodat zelfs een werk als Hoofts Waernemingen (vgl. par. 3.2) ertoe behoort. Als derde categorie kan worden beschouwd de groep twee-of meertalige spraakkunsten, waarin ook het Nederlands wordt behandeld. Deze drie categorieën zullen in de volgende twee hoofdstukken worden onderscheiden, waarbij de belangrijkste vertegenwoordigers uit de tweede groep de meeste aandacht zullen krijgen. Etymologische studies, zoals die van Goropius Becanus, Schrickius en anderen, blijven hier buiten beschouwing.

2.1. Orthografie

In heel West-Europa worden in de loop van de zestiende eeuw boeken op het gebied van spelling en uitspraak van de volkstaal gepubliceerd. Valentin Ickelsamer bijvoorbeeld geeft voor het Duits in 1527 Die rechte weiss auffs kürtzist lesen zu lernen uit, en rond 1535 de Teutsche Grammatica, en Fabian Franck in 1531 de Orthographia Deutsch. In Frankrijk verschijnt in 1542 Traité touchant le commun usage de l'escriture Françoise van Louis Meigret en in 1550 de Dialogue̸ de̸ l'orthographe̸ e Prononciation Françoȩse van Jacques Peletier. Tot de eerste orthografieën van het Engels moet gerekend worden De recta et emendata linguae Anglicanae scriptione uit 1568 van Thomas Smith en Booke at large, for the amendement of orthographie for English speech uit 1580 van William Bullokar.

De eerste orthografie van het Nederlands verschijnt in 1550 te Gent, waar Joos Lambrecht de Néderlandsche spellijnghe uitgeeft, een boekje van 72 bladzijden, geschreven in de vorm van een dialoog tussen leerling en meester. Lambrecht was tevoren in aanraking gekomen met taalkundige geschriften:

[p. 24]

op zijn drukkerij kwamen tot stand een driedelige Latijnse grammatica van Christiaen Masseeuw (1543), het Dictionariolum rerum maxime vulgarium in communem puerorum usum (1544) van Joannes Paludanus (vgl. p. 206), La maniere d'escripre, par abbreviations: avec un petit traicté de l'orthographie Françoyse van Pierre Haschart (1544) en Partes orationis Latinae vernaculo sermone digestae van Jean Otho (1546). Mogelijk was bij Lambrecht de belangstelling voor de moedertaal ontwaakt toen hij nog schoolmeester was te Oudenburg; in elk geval drukte hij in 1546 zijn bekende woordenboek, het Naembouck (vgl. p. 208), en in 1550 De cleyne colloquie int Vlaemsche en Franchois, een gesprekboekje.

De Néderlandsche spellijnghe is bedoeld voor het basisonderricht in het Nederlands, en Lambrecht zegt in zijn inleiding met het schrijven ervan begonnen te zijn omdat hij geen uniformiteit in spelling waarnam bij schoolmeesters, schrijvers en boekdrukkers in de verschillende Nederlandse gewesten, wat soms tot misverstand van tekst leidde. De meeste plaats ruimt Lambrecht in zijn boek in voor de genetische beschrijving van de spraakklanken, waarvan de lettertekens immers de ‘betekening’ zijn. Hij streeft niet naar een algemeen beschaafd geschreven en gesproken Nederlands, maar naar een uniform spellingsysteem voor de verschillende Nederlandse dialecten: dezelfde klank moet overal met hetzelfde letterteken worden weergegeven; zo mogen Brabander en Vlaming ja schrijven omdat ze een heldere a uitspreken, terwijl de palataalsprekende Zeeuw jae dient te spellen. Lambrecht bezigt in zijn spellingsysteem enkele tot dan toe in het Nederlands ongebruikelijke tekens, om zoveel mogelijk klanken een eigen tekensymbool te geven. Hij blijkt onder Franse invloed te staan, met name van Dolet, Meigret, Peletier en Montflory.

In 1576 drukt Joannes Masius te Leuven De orthographia linguae Belgicae, een boekje van 64 bladzijden, geschreven in het Latijn door de Mechelse jurist Antonius Sexagius. Op praktische gronden zou naar de mening van de auteur de spelling van het Nederlands moeten worden aangepast aan die van het Latijn; met name voor het onderwijs zou dat een grote verbetering betekenen. Zo zou Sexagius de beginklank van het Nederlandse wijn en het Latijnse vinum - in beide woorden gerealiseerd als bilabiale w - met hetzelfde teken, een omgekeerde F, willen noteren. Evenmin als Lambrecht blijkt Sexagius voldoende te hebben aan de lettertekens die tot dan toe bij de spelling van het Nederlands gebruikt werden.

In de Nederduitse orthographie (112 pp.), gedrukt in 1581 bij Plantijn in Antwerpen, wenst de auteur, Pontus de Heuiter, evenals Sexagius een groter overeenkomst tussen Nederlands en Latijn in het systeem van klanken en tekens. Zover als Sexagius, die zelfs in het Nederlands onbekende tekens wilde invoeren, gaat De Heuiter niet, en zelfs het hierboven gememoreerde voorstel omtrent gelijke spelling van Nederlandse w en Latijnse v

[p. 25]

is De Heuiter te extreem, zelfs wanneer er geen onbekend teken gebruikt zou worden, omdat het te veel afwijkt van de Nederlandse spellingtraditie en dientengevolge geen reële kans van slagen heeft. Naast verbetering van de spelling is een doel van De Heuiter de gesproken taal te verfraaien en te zuiveren. Evenals zijn voorgangers wil hij de platste dialectklanken uit de verschillende streektalen bannen, maar daarnaast propageert hij - en daarmee gaat hij verder dan Lambrecht en Sexagius - een algemeen beschaafd gesproken en geschreven Nederlands, ‘gesmeet uit Brabants, Flaems, Hollants, Gelders, en Cleefs’, waarbij het fraaiste uit die dialecten zou moeten verenigd worden tot een welluidende taal. Die taal zou niet ontluisterd mogen worden door woorden die aan vreemde talen zijn ontleend; met name doordat hij zich ook tegen ontleningen aan het Duits verzet, vormt De Heuiter een uitzondering binnen het puristisch streven dat te signaleren valt in de tweede helft van de zestiende eeuw.

Naast de hier besproken spellingboeken, die alle bewaard zijn gebleven, hebben er nog meer bestaan. Pontus de Heuiter vermeldt in zijn Nederduitse orthographie dat hij van de Brugse schoolmeester Adriaan vander Gucht een ‘korte Orthographie’ kent, waarin Vander Gucht ook nog de publikatie van een ‘grote Orthographie’ aankondigt; één van deze beide door De Heuiter genoemde werken zal bedoeld zijn in het privilege van Vander Guchts Cijfer bouck, een rekenboek uit 1569, waarin hem toestemming wordt verleend om onder andere te drukken ‘De Vlaemsche Orthographie, by de welcke men alle Nederlandsche talen op haerlieder natuerlicken wt-gangh ofte pronunciatie magh leeren spellen, schrijven, pronunciëren ende stellen, als oock daer van diveersche brieven leeren ordonneren’. En in 1627 verwijst Richard Dafforne in de Grammatica ofte leez-leerlings steunsel naar de Onder-wyzinghe des fondaments der Neder-duytscher orthographie van Jasper Françoys dat in 1591 te 's-Hertogenbosch verschenen zou zijn. De titels van de boekjes van Vander Gucht en Françoys kunnen erop wijzen dat deze orthografieën, evenals de overgeleverde spellingboeken van Lambrecht, Sexagius en De Heuiter, allereerst bedoeld waren voor het onderwijs. Veel gezag schijnt er niet van te zijn uitgegaan: alleen de Nederduitse orthographie zal in de zeventiende en achttiende eeuw in grammaticale geschriften een aantal malen worden geciteerd, maar dan ook nagenoeg steeds met grote instemming.

2.2. Grammatica

In veel landen raakt men er in de zestiende eeuw van doordrongen dat men over een grammatica dient te beschikken van de volkstaal, die immers op verschillende gebieden de functie van het Latijn gaat overnemen en onder invloed van hervorming humanisme en renaissance gebruikt gaat worden

[p. 26]

als taal van de kerk, van de literatuur en van de wetenschap. Nadat John Palsgrave in 1530 met Esclarcissement de la langue Françoyse en Gilez du Wez met Introductorie for to lerne, to rede, to pronounce and to speke French ten behoeve van Engelsen die Frans wilden leren, een eerste poging hadden gewaagd, schreef Jacques Dubois in 1532 In linguam Gallicam isagoge, een inleiding in het Frans, en verscheen in 1550 van de hand van Louis Meigret een Tretté de la grammere Françoeze. In de Duitse gebieden publiceerde Laurentius Albertus in 1573 Teutsch Grammatik oder Sprach-kunst, Albertus Ölinger eveneens in 1573 Underricht der Hoch teutschen Spraach, en Johannes Clajus in 1578 de Grammatica Germanicae linguae, ex bibliis Lutheri Germanicis et aliis eius libris collecta, een grammatica dus van het Duits, gebaseerd op de Duitse geschriften van Luther. Dit laatste werk, dat evenals de beide voorgaande in het Latijn was geschreven, werd verscheidene malen herdrukt en had grote invloed, ook op Nederlandse grammatica's. In Engeland verscheen in 1586 William Bullokars Pamphlet for grammar, waarna in 1594 van Paul Greaves de Grammatica Anglicana volgde.

 

De Latijnse term literatura, vertaling van het Griekse γραμματіκή, werd in de betekenis ‘spraakkunst’ vanaf de zestiende eeuw tot in de achttiende in het Nederlands dikwijls, ook in de woordenboeken, weergegeven met letterkonst, letterkunst, letterkunde; in de vorm spraec-konst werd onze benaming voor het eerst aangetroffen in de titel De Nederduytsche grammatica ofte spraec-konst uit 1625 van Christiaen van Heule (vgl. p. 43), die in zijn Aen den lezer nadrukkelijk vermeldt een aantal bestaande Nederlandse termen uit de grammatica door nieuwe te hebben vervangen.

De eerste poging tot het schrijven van zo'n letterkonst werd ten onzent, voor zover we weten, door Dirck Volckertsz. Coornhert ondernomen. In zijn voorrede op de hieronder nog te bespreken Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst uit 1584 zegt deze in ballingschap begonnen te zijn met het schrijven van een grammatica van het Nederlands, die echter ten gevolge van de omstandigheden niet werd voltooid. Coornherts ballingschap vangt aan in de zomer van 1568, en waarschijnlijk bezitten we in de Voorreden van de noodich en nutticheyt der Nederduytscher taelkunste een deel of het totaal van Coornherts spraakkunstige arbeid ten tijde van zijn verblijf in het Kleefse.

Veel van wat Coornhert in 1568 schrijft, vinden we bij andere schrijvers uit de laatste helft van de zestiende eeuw terug, onder andere bij De Heuiter; ongetwijfeld worden we bij het lezen van Coornherts tekst geconfronteerd met opvattingen die in breder kring gehuldigd werden.

Zo zijn Coornhert en De Heuiter beiden de mening toegedaan dat hun moedertaal grote rijkdom bezit, maar dat die nog onontgonnen is. Met hun studies willen ze dan ook een bijdrage leveren aan de exploitatie

[p. 27]

van die verborgen schatten, waarbij De Heuiter ‘tswaer schriven des gemeen mans’ wil vergemakkelijken, terwijl Coornhert de gewone man óók wil bevrijden uit zijn geestelijke armoede: ‘ic meine den schlechten [eenvoudige], ongheleerden lyeden te hulpe te comen, die de macht noch tyt niet en hebben om andere talen te leeren, opdat sy eenighen smaak moghen hebben, ende mede eenige krummelkens op lecken, van de soeticheyt die voor hun upghesloten, ende den hoochgeleerden alleene open is.’ De Heuiter zal die geleerden verwijten dat ze nauwelijks een bijdrage hebben geleverd aan de cultivering van het Nederlands; Coornhert doet hetzelfde, maar hij neemt hen tegelijkertijd in bescherming: wie wetenschappelijk zou willen publiceren en zich daarbij zou bedienen van een grammaticaal en stilistisch fraai Nederlands, zou om zijn taalgebruik door zijn taalgenoten worden bespot, terwijl zijn werk door zijn vakgenoten niet gelezen zou worden met de redenering: kan er in die volkstaal iets belangrijks geschreven worden? En zal De Heuiter met instemming naar zijn buitenlandse voorbeelden verwijzen, ‘die t'zuverste hunder talen niet juist in dit of dat lant [gewest] stellen, maer inder verstandihsten en meest der geleerden gewente [gewoonte], ende ooc ufenijnge [praktijk] des Edeldoms,’ ook Coornhert duidt een aantal taalgroepen aan, als bewoners van het platteland tegenover stedelingen, onder welke laatste groep ‘de gheleerde ende opperste gemeenlijken meer beset [nauwgezet] sijn in haerlieder sprake, dan de ambachtslyeden: want sy boven de groote conversacie meest met haers ghelyken verkeeren, ende sy hebben de reghelen gheleert, ende sy oeffenense meer dan anderen, met daghelycks handelen van sware saken, daer d onderscheydt van woorden moet gaa geslagen worden, ende sonderlijken [vooral] de gheleerde oeffenen hen [zich] niet alleen in spreken, maer ook int schryven.’

 

In het slot van het fragment geeft Coornhert zijn benamingen van de woordsoorten, waarna van een aantal ervan nog de (vooral op semantische criteria gebaseerde) definities en voorbeelden volgen. Zoals de meeste grammatici uit de zestiende tot en met de achttiende eeuw onderscheidt Coornhert negen woordsoorten: naamwoord (zelfstandig en bijvoeglijk), lidwoord, voornaamwoord, werkwoord, bijwoord, deelwoord, voegwoord, voorzetsel en tussenwerpsel, waarin we de klassieke Latijnse achtdeling terugvinden met toevoeging van het, ook in de Griekse grammatica bekende, lidwoord. Deze toevoeging van het lidwoord als afzonderlijke categorie in nagenoeg alle Nederlandse spraakkunsten is opmerkelijk: zowel onder de Duitse als de Engelse en Franse grammatica's uit de betreffende periode zijn er verschillende waarin we het lidwoord opgevat zien als deel van het zelfstandig naamwoord; dit voorbeeld vinden we gevolgd in een aantal grammatica's die in de paragrafen 2.3 en 3.3 genoemd zullen worden.

[p. 28]

Voorzien van een zeer lovende Voorreden van de zoëven genoemde Coornhert verschijnt bij de Leidse Plantijndrukkerij in 1584 een werk van 16 + 112 pagina's, de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst, ófte vant spellen ende eyghenscap des Nederduitschen taals, ‘uytghegheven by de Kamer In Liefd Bloeyende 't Amstelredam’, een spraakkunst, geschreven in de traditionele onderwijsvorm van de dialoog (= tweespraak), gevoerd door Gedeon en Roemer, met wie twee voorname leden van de Amsterdamse kamer, Gedeon Fallet en Roemer Visscher, bedoeld zullen zijn. De Twe-spraack zal in 1585 worden gevolgd door Ruygh-bewerp vande redenkaveling, ófte Nederduytsche dialectike en Kort begrip des redenkavelings en in 1587 door Rederijck-kunst, waarmee de Amsterdammers een reeks doen verschijnen die het gehele trivium omvatte. Na een gezamenlijke uitgave in één band te Amsterdam in 1614 waarin elk der delen van het trivium zijn oorspronkelijke titel behield, verscheen in 1649 te Wormerveer een editie onder de verzameltitel Kort begrip, leerende recht Duidts spreken, oóck waarheit van valsheit te scheyden. Hoewel in geen van deze drie drukken Hendrik Laurensz. Spiegel als de auteur wordt genoemd, wordt hij toch, al sedert de zeventiende eeuw, als zodanig beschouwd. In de twintigste eeuw zijn verschillende argumenten aangevoerd die deze traditie steun verlenen. Wie bij het lezen van dit materiaal niet overtuigd raakt van Spiegels auteurschap, zal tenminste moeten concluderen dat Spiegel een groot aandeel heeft gehad in de totstandkoming van de Twe-spraack.

De Twe-spraack werd, blijkens de Toe-eyghenbrief waarin het boek wordt opgedragen aan ‘Den eerzamen wyzen ende deftighen Burghermeesteren ende Raden des Stads Amstelredam’, geschreven om ‘tót ons zelfs ende onzer nakomelingen nut, het Duyts op te helpen, vercieren ende verryken’ en om ‘onze taal uyt haar zelfs grond in ghoede schicking, door haar eyghen natuurlyke buyghing ende vervoeghing te brenghen’. Na de Toeeyghenbrief en de Voorreden van Coornhert die in het eerste katern zijn opgenomen, volgen zeven hoofdstukken waarin de vier klassieke onderdelen van de grammatica aan de orde worden gesteld. Het eerste hoofdstuk bevat een pleidooi voor taalzuivering en levert een ‘bewijsvoering’ van het feit dat ‘onze taal verre d'oudste ende ryckste is’ onder de talen; hiermee wordt in het spoor getreden van de ook bij name genoemde Joannes Goropius Becanus (Jan van Gorp van Hilvarenbeek), een Antwerpse medicus, die in Origines Antwerpianae uit 1569 en de postuum uitgegeven Opera omnia van 1580 hetzelfde ‘aantoonde’, onder andere met de redenering: onze taal wordt duytsch genoemd; welnu: duytsch = douts = de outste: de naam van onze moedertaal zegt het zelf al. De hoofdstukken ii-iv van de Twe-spraack handelen voornamelijk over de orthografie, hoofdstuk v behelst de prosodie, vi de etymologie en vii de syntaxis.

Vijfendertig procent van de 112 pagina's wordt besteed aan de

[p. 29]

orthografie, aan de spelling- en uitspraakleer, waaraan bovendien aan het slot van de Toe-eyghenbrief nog aandacht wordt geschonken. Orthografie, met name de spelling, wordt daarin het voornaamste onderdeel van de grammatica genoemd, waarna beschreven wordt hoe de verderop gepropageerde spellingvoorstellen tot stand zijn gekomen: ‘Nópende onze spelling, die is met de ghewoonlyke niet heel ghelyckstemmigh, nóchtans de zelve naarder ghelyckende als eenighe andere des spellings niewe herstellingen [verbeteringen]. Dóch de wyl een ghoede eenpaartighe [uniforme] spelling, als een grondvest is van een welgheboude spraack, ende dat in onze ghewoonlyke wyze misbruyck van elck daar iet oplettende ghevonden word, hebben wij raadspleghende met verscheyden luyden hem dies verstaande, zó in zonderlinghe [afzonderlijke] steden van Hólland, als in Braband ende Vlaanderen, óóck op heel oude ende verscheyden niewelyck [onlangs] veranderde spellinghen scherpelick lettende, zulcken voet ghenomen die de ghemeen spelling zó na komt als doenlyck, ende nochtans in zich selven eenpaartigh en ghelyckformigh is; zó elck int overlezen van deze twespraack zien magh: ende an ons vorighe ghedruckte tafelkens heeft moghen mercken, die wy hier ende daar naast een jaar herwerts verspreyt hebben, op dat wy verscheyden opspraack ende verstandighe berispingh hórende, uyt alles t' beste moghten kiezen: daar in wy zonder styfzinnicheyd ófte pertyschap, ten lesten dit besloten hebben.’

Uit dit citaat blijkt dat de Amsterdamse kamer bij het opstellen van de spellingregels uit de Twe-spraack niet over een nacht ijs is gegaan: recente spellingboeken werden bestudeerd (ongetwijfeld ook De Heuiters Nederduitse orthographie (vgl. par. 2.1), waarvan in de periode november 1581-januari 1583 tien van de eenenvijftig achterhaalde exemplaren aan Amsterdamse boekverkopers werden geleverd), er werd over de spelling gesproken met mensen uit de steden van verschillende gewesten, er werd rekening gehouden met de spellingtraditie, en de voorstellen werden in 1583, vóórdat ze in boekvorm verschenen, ter kritisering rondgezonden. Ook lezen we hier de grondslagen van deze spellingregeling: ze houdt zo veel als mogelijk is vast aan de bestaande traditie en is ‘eenpaartigh en ghelyckformigh’, is dus niet louter fonologisch.

De prosodie wordt in het vijfde hoofdstuk (‘Van de Maatklanck ende Uytspraack’) summier behandeld. In Liefde Bloeyende constateert dat voor dit onderdeel van de grammatica de dichtende tijdgenoten in de Nederlanden nauwelijks belangstelling koesteren, zulks in tegenstelling tot de Fransen. Ook de Amsterdammers blijken er nog maar weinig kijk op te hebben: ze zijn van mening dat de regels van de prosodie voor het Nederlands andere dienen te zijn dan die voor het Latijn, maar ze weten er geen te formuleren en wijzen op de gedichten van Colijn van Rijssele die misschien het uitgangspunt zouden kunnen vormen bij het schrijven van een prosodie

[p. 30]

van het Nederlands. Nadat enkele rijmvormen besproken zijn, wordt waardering uitgesproken voor de jambe. Weliswaar wordt gepleit voor vaste regellengte in ‘Reviereinen, Balladen, Rondelen, Liedekens, ende zulcke ghedichten’, maar in andere dichtvormen wordt de dichters de vrijheid gelaten.

In het zesde hoofdstuk (‘Vande Oorsproncklyckheid [etymologie], Deling ende Buighing der namen [naamwoorden] ende wóórden [werkwoorden]’) wordt de etymologie, de leer van de woordsoorten, aan de orde gesteld, ‘na den voet der Latynen ende Griecken’ en op basis van het ‘oude alghemene ghebruick’; opnieuw verklaren de Amsterdamse rederijkers dat ze rekening willen houden met de traditie (‘oude’) en dat ze zich niet op taalparticularistisch standpunt stellen (‘alghemene’).

Negen woordsoorten zien we onderscheiden; bij de definities ervan worden meestal slechts semantische criteria gehanteerd, die in sommige gevallen duidelijk overeenkomst vertonen met de formuleringen in Donatus' Ars maior en Ars minor (vgl. par 1.1), met Cornelius Valerius' Grammaticae institutiones uit 1550 en in andere gevallen met die in Franse grammaticale werken als het Tretté de la grammere Françoeze van Meigret en het Traicte de la grammaire Françoise (1557) van Robert Estienne. Wanneer wat verderop in het hoofdstuk nader op de verschillende woordsoorten wordt ingegaan, zien we aan enkele categorieën ook morfologische en - sporadisch - syntactische eigenschappen toegekend, terwijl bovendien wordt gewezen op de grote (morfologische) tegenstelling tussen woorden met en zonder verbuiging of vervoeging. Bij de naamwoorden worden in navolging van het Latijn ook voor het Nederlands drie geslachten en - volgens semantische criteria - zes naamvallen onderscheiden. De driedeling van de zelfstandige naamwoorden naar woordgeslacht (tegenover de onzijdige naamwoorden die alle het lidwoord het voor zich kunnen krijgen, staat bij de resterende de-woorden een groep waar een schoon voor kan staan: de mannelijke, naast een groep met een schone: de vrouwelijke) berustte op een realiteit in het taalgevoel en -gebruik die in het Noorden nog flauw, in het Zuiden nog duidelijk aanwezig was. Het naamvallensysteem echter dat door de Twe-spraack en verschillende latere grammatica's gepropageerd werd, was kunstmatig, aangezien in geen van de Nederlandse dialecten een dergelijk systeem bestond.

Voor de verbuiging van het lidwoord van bepaaldheid en het zelfstandig naamwoord kunnen we aan de hand van gegevens uit de Twe-spraack het volgende paradigma opstellen, waarin de sterke overeenkomst voor de drie geslachten opvallend is:

[p. 31]

mannelijk vrouwelijk onzijdig
     
sg. 1 de heer/here de vrouw/vrouwe het dier
2 des heers des vrouws des diers
3 den here den vrouwe den diere
4 de/den heer/here de/den vrouw/vrouwe het dier
5 ho heer/here ho vrou/vrouwe ho dier
6 vande/vanden heer/here vande/vanden vrou/vrouwe van het/vant dier
     
pl. 1 de mannen de vrouwen de dieren
2 der mannen der vrouwen der dieren
3 den mannen den vrouwen den dieren
4 de/den mannen de/den vrouwen de/den dieren
5 ho mannen ho vrouwen ho dieren
6 vande/vanden mannen vande/vanden vrouwen vande/vanden dieren

Aanzienlijk gelukkiger-in onze ogen-zijn de Amsterdammers bij de conjugatie van de werkwoorden, waar ze, uitgaand van de stamvocaal in de verschillende tijden, een indeling in vijf klassen voorstellen; eerst na het geven van een aantal voorbeelden uit elk van deze klassen wordt, geheel los van het voorafgaande, geconstateerd dat de werkwoorden van de eerste vervoeging (globaal overeenkomend met onze zwakke werkwoorden) een voltooid deelwoord hebben dat op t eindigt, de andere nagenoeg alle een deelwoord op en. Het is niet uitgesloten dat een Duitse grammatica (in elk geval één grammatica van het Duits moet de auteur(s) van de Twe-spraack bekend zijn geweest, gezien het begin van dit zesde hoofdstuk: ‘De Hóóghduitschen hebben naast korte jaren in zulx wetten in druck laten uyt ghaan’) hier als bron heeft gediend.

Het zevende hoofdstuk behandelt de ‘T'Samenvoeghing ende Ryckheyd des Taals’. Een aantal tamelijk losse opmerkingen (vooral betreffende de overeenkomst en de samenstellingen) vormt wat in de klassieke grammatica als de syntaxis aangeduid werd. In het grootste gedeelte van het hoofdstuk wordt vervolgens de grootheid van de natie en van de moedertaal verkondigd, waarbij opnieuw aan uitspraken van Goropius Becanus wordt herinnerd. In aansluiting daarop lezen we een pleidooi voor het gebruik van Nederlandse woorden die in onze taal in onbruik geraakt zijn, maar in verwante talen bewaard zijn gebleven: ‘Int verryken onzes taals, zoud ick verstaan datmen uyt elcke verscheyden Duytsche spraack, ia uyt het Deens, Vries, ende Enghels, de eyghentlyckste [meest eigen] wóórden behóórde te zoecken, van de welcke de ene deze, de ander de andere alleen int ghebruyck ghehouden hebben.’

 

Terugblikkend constateren we dat de eerste renaissance-spraakkunst van

[p. 32]

het Nederlands alleen wat de orthografie betreft enigermate gedetailleerd is, wat we zeker mogen toeschrijven aan het feit dat juist dit onderdeel van de grammatica tevoren al een aantal malen voorwerp van studie en beschrijving was geweest, terwijl daarenboven de Amsterdamse rederijkers zich ter nadere oriëntatie en ter kritisering voor dit deel van hun spraakkunst met anderen hadden verstaan. Voor wat de overige drie onderdelen betreft kon men niet over voorstudies van het Nederlands beschikken. Men hield het oog op de klassieke grammatica gericht, kon zich verder laten leiden door Franse en Duitse voorbeelden (die eveneens de klassieken imiteerden). Voldoende houvast om een uitgewerkt beeld van de Nederlandse taal te geven bood dit alles niet, en In Liefde Bloeyende liet het dan ook bij een ‘ruygh bewerp’, een ruwe schets met ongeveer dezelfde onvolkomenheden als de grammaticale werken van het Duits, het Frans of het Engels, die in de zestiende eeuw verschenen.

 

Van twee andere zestiende-eeuwse Nederlandse grammatica's is de titel bekend, dank zij Richard Daffornes Grammatica ofte leez-leerlings steunsel (1627), waarin de Neder-duytsche letter-konst (Middelburg 1588) van de Goese schoolmeester Pieter de Bert wordt genoemd en geciteerd; eveneens wordt er het Onderwys in de letter-konst van C.Dz. van Niervaert vermeld, waarvan men wel aanneemt dat het rond 1600 werd gepubliceerd (de oudste bekende druk van dit werkje dat in de zeventiende en achttiende eeuw verschillende malen werd herdrukt, is die van 1670). Ook moet er hier op gewezen worden dat Hendrik Stevin, zoon van de in zijn moedertaal zo geïnteresseerde ingenieur Simon Stevin, in zijn voorwoord op de uitgave van zijn vaders Materiae politicae. Burgherlicke stoffen (1649) ook melding maakt van een ‘Nederduytsche Dichtconst, ghegront op de Françoysche Dichtconst, die daerom eerst beschreven wort. En is hier by gevought een verhael van Letterconstige geschillen. Het 1 geschil van de spelling. Het 2 vant geslacht der Namen. Het 3 op seker e, en, en der. Het 4 vande buyging en vervouging.’ Het is evenwel niet uitgesloten dat deze, waarschijnlijk verloren gegane, taalkundige verhandeling van Simon Stevin in de zeventiende eeuw werd geschreven.

2.3. Vreemde talen

In de Nederlanden valt in de zestiende eeuw groei te constateren in de belangstelling voor vreemde talen, waarbij het Duits niet als vreemde taal, maar als zustertaal werd beschouwd. In verschillende Noord- en Zuidnederlandse steden werd door ‘Franse schoolmeesters’ onderwijs gegeven in de Franse taal. Bij het aanleren van zo'n vreemde taal werd graag gebruik gemaakt van twee- of meertalige gesprekboekjes, waarvan het veertiende-eeuwse Li-

[p. 33]

vre des mestiers, Bouc vanden ambachten van een onbekende schoolmeester uit Brugge een vroeg voorbeeld is; het boekje bevat, naast jargon uit verschillende beroepen, ook woorden en zinnetjes in het Nederlands en het Frans die op het dagelijks leven betrekking hebben. Rond 1530 - de oudste bekende editie is die van 1536 - publiceerde Noël van Berlaimont, ‘Walsche schoolmeester’ te Antwerpen, zijn tweetalig Vocabulare (vgl. p. 205), waarin naast een drietal gesprekken ook voorbeelden van brieven, een woordenlijst, regels betreffende de uitspraak van het Frans en enkele gebeden in Frans en Nederlands zijn opgenomen. In de uitgave van 1568 werd een deel van het oorspronkelijke Vocabulare vervangen door de Coniugaisons, règles et instructions, waarin de vervoeging van de werkwoorden in Frans, Italiaans, Spaans en Nederlands gegeven werd, en de Corte instructie inhoudende de maniere om wel te leren prononceren ende te lesen, een beknopte uitspraakleer van de genoemde vier talen; beide toegevoegde delen waren tien jaar tevoren uitgegeven door de Antwerpse schoolmeester Gabriel Meurier. Het Vocabulare werd in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw tal van malen herdrukt, ook wel onder de titel Dictionarium of Colloquia: Verdeyen 1925-1935 registreerde ruim tweehonderd edities, die niet alleen afkomstig zijn uit Nederlandse drukkerijen, maar onder andere ook uit Bazel (1586), Genève (1591), Frankfort (1593), Venetië (1606), Leipzig (1611), Warschau (1646). In deze verschillende uitgaven werden naar behoefte wijzigingen aangebracht, terwijl het aantal talen varieerde van twee tot acht. Ook Een forme ende maniere der coniugatien in Nederduytsch ende Fransoys, een boekje van 88 pagina's van de uit Gent afkomstige Pierre Anastaise Hyperphragme (ook De Zuttere geheten) dat in 1576 te Rotterdam verscheen, sluit nauw bij Meuriers gedeelten van het Vocabulare aan; het geeft niet alleen de vervoeging van Nederlandse en Franse werkwoorden, maar bevat onder andere ook de verbuiging van naamwoorden, een lijst van onveranderlijke woorden die volgens woordsoort zijn gerangschikt, en een beknopte uitspraakleer van het Frans.

Vijf jaar eerder, in 1571, had de Antwerpse schoolmeester Peeter Heyns bij Plantijn in Antwerpen Cort onderwys van de acht deelen der Françoischer talen laten verschijnen, ‘tot voorderinge ende profijt der Duytscher ioncheyt’. Het boekje werd zeker herdrukt in 1581, 1597 en 1605, terwijl mag worden aangenomen dat er in de periode 1571-1597 nog andere edities tot stand zijn gekomen. Alleen van de Zwolse druk van 1605 (‘van nieus oversien, vermeerdert ende verbetert’) schijnt een exemplaar bewaard te zijn gebleven; het berust in de bibliotheek van de universiteit van Rostock en telt 112 pagina's.

Cort onderwys, waarin de invloed van Tretté de la grammere Françoeze van Meigret en Traicte de la grammaire Françoise van Estienne duidelijk valt waar te nemen, neemt in de uitgave waarin wij het kennen een

[p. 34]

merkwaardige positie in ten opzichte van de hierboven besproken Twe-spraack: enerzijds blijkt Heyns afhankelijk van het Amsterdamse werk als hij bij het indelen van de werkwoorden verwijst naar het voorbeeld van ‘het Consten-rijc Eglentierken t'Amsterdam’, terwijl anderzijds de Amsterdammers bekend moeten zijn geweest met een van de vroegere drukken van Heyns' werk, omdat in de Twe-spraack geciteerd wordt uit een lofdicht op Cort onderwys. Zolang ons niet een exemplaar van Heyns' Franse spraakkunst ter beschikking komt dat vóór de Twe-spraack is gedrukt, is de vraag wie de ander tot voorbeeld diende, niet te beantwoorden.

Wie Cort onderwys bestudeert, wordt geconfronteerd met een schoolboek dat primair de rededelen van het Frans behandelt, maar daarnaast veel gegevens bevat over de moedertaal. Ter vergelijking met het hierboven gegeven paradigma met gegevens uit de Twe-spraack (vgl. p. 31 ) ontlenen we aan Heyns' werk het onderstaande; we treffen alleen de eerste drie naamvallen aan, omdat Heyns voor zijn onderricht in het Frans de drie overige kon missen.

mannelijk vrouwelijk onzijdig
     
sg. 1 de heere de vrouwe het cruyt
2 des heeren des vrouwen des cruyds
3 den heere der vrouwen den cruyde
     
pl. 1 de heeren de vrouwen de cruyden
2 der heeren der vrouwen der cruyden
3 den heeren den vrouwen den cruyden

Ongetwijfeld heeft het verschillende malen gedrukte werk van Heyns zijn gebruikers niet slechts inzicht in het Frans verschaft, maar ook in het Nederlands. Het verdient grotere bekendheid bij de bestudering van de grammaticale traditie in Nederland, ook al omdat de Franse invloed er zo duidelijk in is waar te nemen.

 

Ook het Engels komt in de tweede helft van de zestiende eeuw in de belangstelling te staan. In 1576 treffen we het voor het eerst aan in een uitgave van het hierboven genoemde Vocabulare van Van Berlaimont. Wanneer in 1585 Leicester met zijn troepen in de Nederlanden verschijnt, geeft de Leidse boekverkoper-drukker van Engelse komaf Thomas Basson zijn Coniugations in Englishe and Netherdutche uit (Leiden 1586), dat op Meuriers Coniugaisons teruggaat. Basson schrijft in zijn voorwoord dat Engelsen en Nederlanders belangstelling hebben gekregen voor elkaars taal: ‘Het is menich man wel kennelick [bekend] (goede Leser) wat een moeyte dat is geweest tusschen d'een Natie ende d'ander, sedert de comste van zijn Excel, in dese

[p. 35]

landen, deur dat die een den anderen niet en can verstaen. Ende hoe begheerlick dat sommighe zijn om te leeren malcanders sprake, blijct by den arbeyt die sy doen in het ondersoecken van den naesten wech, om t'selve te vercrijghen.’

Basson gaf onderricht in Engels aan de Leidse schout F. van Brouchoven, aan de Leidse stadssecretaris Jan van Hout, aan Jan van de Does jr. en aan Jacob Walraven. Deze laatste liet, eveneens te Leiden in 1586, een Engels-Nederlandse vertaling verschijnen van George Whetstones The honourable reputation of a souldier. Ook dit boek wilde een hulpmiddel zijn voor Engelsen die Nederlands, voor Nederlanders die Engels wilden leren. Het opmerkelijke is dat Walraven zich rekenschap gaf van syntactische verschillen tussen Nederlands en Engels; deze verschillen liet hij door benummering uitkomen, zoals:

 
Om dat ick 2mildelijck 1hebbe beloont
 
den genen die 3mi 2gedient 1hebben.
 
 
 
for that I have liberally rewarded
 
those which have served mee.

Echte grammatica's kan men de werken van Basson en Walraven niet noemen. Het boek van laatstgenoemde is taalkundig echter interessant door zijn comparatistische inslag en doordat het ons de mogelijkheid biedt een aantal syntactische regels te formuleren die naar het taalgevoel van Walraven in het Nederlands bestonden.

[p. 36]

Bibliografische aantekeningen bij hoofdstuk 2

2.0.

Vooral in de twintigste eeuw kwam het onderzoek van de vroegere grammatica's van de grond. Eijkman 1923 hecht nauwelijks geloof aan de informaties op het gebied van de fonologie die de oude grammatici hem verschaffen, en conformeert zich daarmee aan de houding van De Vooys 1917, 1920-1921, die met zijn opstellen overigens een eerste duidelijke aanzet gaf tot het onderzoek op het gebied van de oude grammatica's. Kloeke 1927 wil ‘de oude grammatici wat in bescherming nemen’ en Hellinga 1938 citeert voor de bewijsvoering dikwijls met instemming de oude grammatici. Duidelijke vernieuwing bracht Caron 1947 waar het gelijk en niet het ongelijk van de vroegere spraakkunstbeschrijvers vooropstaat. Dezelfde opvatting vinden we in de redes waarmee Caron zijn hoogleraarschap aan de vu te Amsterdam aanvaardde, resp. neerlegde: Caron 1952, 1971. Carons werk op dit terrein werd gebundeld: Caron 1972. Met J. Wille en G. Kuiper zette hij verder de reeks Trivium op, waarin heruitgaven verschijnen van geschriften op het terrein van grammatica, dialectica en retorica. Vgl. ook H. Lausberg, Handbuch der literarischen Rhetorik. 2 dln. München, 1960.

Veel informatie over Nederlandse en buitenlandse grammatica's uit de zestiende eeuw is te vinden in Van den Branden 1956, waar ook veel secundaire literatuur wordt vermeld. Voor het Frans zijn te raadplegen Thurot 1881-1882, Livet 1959, Brunot 1927. Een opgave van ook zestiende-eeuwse Franse grammatica's vindt men bij Stengel 1890a en 1890b. Voor het Engels raadplege men Kennedy 1927 en vooral Alston 1965, terwijl Michael 1970 in appendix VIII verschillende andere informatieve werken opsomt evenals Vorlat 1975:454-459. De ontwikkeling van de Duitse grammatica werd beschreven in Jellinek 1913-1914. Verschillende grammaticale werken werden in het buitenland heruitgegeven. In dit verband moeten worden genoemd de Neudrücke frühneuenglischer Grammatiken (Halle 1905 e.V.), de reeks English linguistics (Menston 1967 e.v.) en Bertelsen 1915-1929.

2.1.

De consonantspelling vanaf het Middelnederlands tot in de twintigste eeuw werd beschreven in Gledhill 1974a, waar de spellingvoorstellen van de grammatici worden getoetst aan de spellingpraktijk van literatoren etc.

Van Lambrechts werk verscheen een heliotypisch facsimile, uitgegeven door de Maatschappij der Vlaamsche bibliophilen (1882). Muller 1890 besprak de inhoud van de Néderlandsche spellijnghe, en De Keyser 1928 wees er de bronnen van aan. Goemans 1899-1901 herdrukte het werk van Sexagius ‘met inleiding en aanmerkingen voorzien’; later volgden nog enkele detailbesprekingen in Goemans 1934, 1946 en Kooiman 1953. Uitvoerige aandacht kreeg Sexagius ook in Dibbets 1968, waar overigens het accent op De Heuiter valt, evenals in De Vooys 1918. Dibbets 1972b behelst een tekstuitgave van De Heuiters werk.

[p. 37]

2.2.

Over de vroegere benamingen voor spraakkunst handelt Weijnen 1971.

Muller 1919 bezorgde een uitgave van Coornherts (?) tekst, ‘voorzien van een inleiding en van commentaar’; het afschrift van J.T. Bodel Nijenhuis dat aan deze uitgave ten grondslag ligt, is verloren gegaan.

Kooiman 1913 verschafte een heruitgave van de Twe-spraack, met uitvoerige toelichting en bronnenonderzoek. Recenter is de heruitgave in Caron 1962, waarin echter de commentaar ontbreekt. Veel is er geschreven met betrekking tot het auteurschap van dit werk: Geerts 1965 valt Kooiman 1913 en Caron 1962 aan; Kooiman 1967 bestrijdt Geerts 1965 en krijgt steun van Strengholt 1969. Dibbets 1975 behandelt de enquête die in 1583 voorafging aan de spellingvoorstellen van de Twe-spraack. Door Kuiper 1941 wordt een aantal bronnen van de Twe-spraack aangewezen, en Kuiper 1947 vergelijkt dit werk met een Engelse grammatica en een drietal Duitse grammatica's uit die tijd.

2.3.

Gessler 1931 gaf het Livre des Mestiers uit met een inleiding, en Verdeyen 1925-1935 deed hetzelfde met de Colloquia van Van Berlaimont naar een editie van 1616. Riemens 1929 stelt de verschijningsdatum van de eerste druk van de Colloquia op 1625.

Sabbe wees op het bestaan van de druk van Heyns' boekje en Dibbets 1970a legde de relatie ervan met de Twe-spraack.

Een overzicht van Engels-Nederlandse en Nederlands-Engelse grammatica's is te vinden in Scheurweghs 1960 en Alston 1964. Bassons werk is besproken in Dibbets 1969, 1970b, terwijl Dibbets 1972a de taalkundige waarnemingen van Walraven beschrijft. Vergelijk ook Van Dorsten 1961, 1962 en Osselton 1973.