begin  verderprepost
[p. 5]

Inleiding tot C. Barlaeus, Mercator sapiens

Het Athenaeum illustre, de Doorluchtige schole, van Amsterdam opende zijn poorten op 8 januari 1632 met een inaugurele rede van Gerard Vossius De historiae utilitate.+ De volgende dag hield Caspar Barlaeus zijn intree-rede, getiteld Mercator sapiens, sive oratio de conjungendis mercaturae et philosophiae studiis.+

Hoewel Vossius de eerste hoogleraar was, niet alleen gerekend naar de datum van zijn benoeming maar ook in de waardering van het stadsbestuur, en hoewel hij ook typisch de geleerde is geweest, beroemd door zijn publikaties in binnen- en buitenland, toch heeft de rede van Barlaeus de meeste indruk achtergelaten. Barlaeus is meer de orator geweest, die zijn gedachten aantrekkelijk wist te formuleren, die bovendien in zijn oratie een onderwerp aansneed, dat tot de verbeelding sprak. Hij presenteerde een aantal principes, die ook in latere jaren telkens de belangstelling hebben getrokken.

De rede van Vossius is geheel in het vergeetboek geraakt,+ die van Barlaeus keerde als een karakteristiek thema steeds weer terug, en men heeft zijn rede door alle tijden heen kenmerkend geacht voor het wezen van het Amsterdamse Athenaeum. Het is niet bekend of het stadsbestuur met de stichting van het Athenaeum tevens de intentie had er een bepaald geestelijk en cultureel stempel op te drukken. De resolutie waarin op 31 december 1629 tot het oprichten werd besloten baseerde zich uitsluitend op de opvoedkundige wen-

[p. 6]

selijkheid van eendergelijke inrichting:+ ‘Deselve Heeren [de burgemeesters] hebben den rade voorgedraghen de veelvoudighe klachten, henluiden voorgekomen, soo van de scholarchen als van andere particulieren, dat de kinderen, die alhier de Latynse scholen frequenteren, meestendele te vroeghe, voordat sy de beginselen der philosophie, nodigh tot het vervolgen van hare studiën, ghevat hebben, op de academien raecken, dat oock eenighe van deselve door hare jongheyd, ende doordien sy uytten ooghen van haren ouderen zynde, gheen ontsagh aldaer onderworpen syn, tot de desbauches gheraecken. Ende midtsdien de voorseide Raed in bedencken ghegheven, off sy tot voorkominghe van dien niet achten souden nodigh ende dienstigh te wesen, dat mit communicatie van de voorseide scholarchen door de Heeren Burghermeesters alhier beroepen werde een bequaem persoon om lessen te doen in philosophie ende historien, opdat se door dat middel alhier ter stede te langher ghehouden ende mit meerder bequaemheyt tot de academien gepromoveert moghen worden. Twelck geventileert wesende, zyn de Heeren Burghermeesters geauthoriseert om naer een gheleerd ende habil persoon te dispicieren ende dien alhier te instaeleren op sodanighe wedde ofte salaris, als hare Edele goedduncken sal, midtsgaders een bequaem auditorium tot het doen van de voorschreven lessen te prepareren’.

Het is een wat nuchter en praktisch begin. Het duurde overigens nog een jaar voordat er in de resolutiën+ weer sprake is van het Athenaeum. Het voorstel had meer vorm gekregen en in plaats van één ‘geleerd en habil’ persoon werden er twee benoemd. Ook hier was het een praktische overweging die aan het raads-

[p. 7]

besluit ten grondslag lag: ‘is bij den Heeren Burghermeesters by maniere van advis voorgheslaghen, off niet goed soude wesen in plaetse van een twee sodanighe te beroepen ende aen te nemen, opdat by indispositie van een alleen tgeheele werck niet en behoeve stille te staen’.

 

Om het vervolg kort samen te vatten: in de personen van Vossius en Barlaeus werd een bijzonder goede keus gedaan. De Agnietenkapel werd in gereedheid gebracht. Allerlei tegenwerking op hoog niveau werd overwonnen. En er was grote vreugde toen de Illustere school haar lessen kon aanvangen.

Vondel schreef zijn bekend gelegenheidsgedicht,+ opgedragen aan de oud-burgemeester Herman van der Poll, die zoveel voor de tot standkoming had gedaan. In een poëtische ontboezeming gaf hij uitdrukking aan zijn hoge verwachtingen:

 
De Poëzy, het goddelykst van al,
 
Spant keel en snaar op sluizenwaterval,
 
En trippelt op Fluweelen Burregwal,
 
die krielt van zwanen.
 
Ze dompelt Baerles kop in d'Amstelbron,
 
Ze schept door hem, in Holland Helicon.
 
Ik kwinkeleer, beschaduwd voor de zon
 
In lindelanen.
 
O goude lettereeuw! o wyze lent!
 
O lucht vol geurs, na 's onweers dreigement!

Ook P.C. Hooft zag grote perspectieven en hoopte dat men Hugo Grotius, die toen voor enkele maanden in Amsterdam verbleef, als hoogleraar zou aanstel-

[p. 8]

len.+ Dat heeft niet zo mogen zijn. Op hoog bevel van de Staten moest Grotius het land verlaten.

Concreter dan beide dichters is Barlaeus over de doelstelling van de school. Hoewel zijn oratie niet als een beginselprogramma is opgesteld, heeft hij toch zowel door hetgeen er wél als wat er niét in staat het Athenaeum een bepaald stempel willen geven, of als men een groot woord wil gebruiken er een ideologische fundering voor trachten te leggen.

Om dit iets duidelijker toe te lichten is het noodzakelijk stil te staan bij het leven en de lotgevallen van Barlaeus.+

Hij heeft namelijk tot aan zijn verblijf in Amsterdam vrijwel voortdurend geleefd onder de dreigende wolken van godsdienstvervolging, hetzij in de verte, hetzij in zijn nabijheid.

Caspar van Baerle werd geboren 12 februari 1584 te Antwerpen, als eerste kind uit het huwelijk van Caspar van Baerle, griffier van de stad Antwerpen, en Cornelia Eerdwijns. Kort daarop vond de belegering en verovering van de Scheldestad plaats en de Van Baerles moesten wegens hun protestantse geloofsopvatting met vele anderen de Zuidelijke Nederlanden verlaten. Zij vestigden zich 1586 te Leiden, dat in 1588 verwisseld werd voor Zaltbommel, waar Casp. van Baerle sen. tot rector der Latijnse school werd benoemd. De jonge Van Baerle heeft hier tot zijn 10de jaar gewoond. Zijn vader stierf namelijk in januari 1595. Onder de uitgebreide Van Baerle-familie in ballingschap bestond een goede verstandhouding en een oom, Jacob van Baerle, rector der Latijnse school in Den Briel, nam de opvoeding van zijn neef op zich. De jongen was begaafd, zijn oom noemde

[p. 9]

hem eens in een brief ‘geboren voor de letteren en de studie’.

Die studie werd de theologie. In het najaar 1600 werd Caspar Barlaeus te Leiden ingeschreven als theologisch student. Hij onderging hier vooral de invloed van de Arminiaansgezinde subregent van het Statencollege prof. Petrus Bertius.

In 1606 was hij beroepbaar als predikant, maar het duurde nog tot einde 1608 voor hij beroepen werd in Nieuwe Tonge. Hij trouwde Barbara Sayon, afkomstig uit Brugge, en het is wel duidelijk dat hij voortdurend verkeerde in de kringen van de Vlaamse ballingen, die om hun geloof een toevlucht hadden gezocht in de Noordelijke Nederlanden.

In Nieuwe Tonge kwamen de eerste moeilijkheden op theologisch gebied voor Ds. Barlaeus. Hij had in 1610 de Remonstrantie+ ondertekend en haalde zich daarmee het ongenoegen van zijn zeer rechtzinnige gemeente op de hals. Hij mocht sindsdien de vergaderingen van de classis niet meer bijwonen zonder dat er een ouderling van de gemeente meeging.

In 1612 begon een geheel nieuw hoofdstuk in het leven van Barlaeus. Hij werd door Bertius' toedoen in 1612 benoemd tot subregent van het Statencollege te Leiden, waar hij enige jaren tevoren zelf zijn opleiding had genoten. Hier kwam hij tegelijk in het heftige en welhaast beruchte strijdperk der vaderlandse theologie. In deze tijd begint immers de strijd pro en contra Conr. Vorstius, die tot hoogleraar te Leiden was benoemd, maar op verdenking van onrechtzinnigheid het ambt nooit heeft bekleed. Barlaeus heeft het voor Vorstius opgenomen en is in enkele geschriften fel van leer getrokken tegen diens tegenstanders. Typerend

[p. 10]

voor de opvattingen van Barlaeus is bijvoorbeeld hetgeen hij heeft geschreven tegen Matthaeus Sladus, rector van de Latijnse school te Amsterdam en bibliothecaris van de Stadsbibliotheek. Sladus had een aanval gedaan op de denkbeelden van Erasmus, en Barlaeus strafte dit aldus af:+ ‘Dit alleen wil ik de studenten in der Godtheyt vermaent hebben, indien zy een ernstich ende mannelyck oordeel van de heylighe dinghen begeeren te kryghen, dat zij met Erasmo te rade gaen, syne boeken vlytelyck lesende, ende ick wil voor een loghenspreecker ghehouden zyn, indien sy niet haest met my sullen oordeelen dat een groot deel van onse Theologie maer kamerspeelders werck is, ende dat het suyvere woordt des Evangeliums niet weynich bedorven is, door de schoolsche spitsfindicheden; dat het Christen gheloove overladen is met al te grooten pack van Articulen ende Confessien; ende dat de Kercke haer uyterste gront-bederf nergens eer van en heeft te verwachten, als van die laetdunckende ende opgeblasene lust, om int midden van syne broederen te heerschen’.

Niettegenstaande het duidelijke standpunt dat Barlaeus innam, werd hij toch in december 1617 tot hoogleraar in de logica te Leiden benoemd. Maar het zou niet lang duren.

Op 13 november 1618 kwam de nationale Synode te Dordrecht bijeen om te oordelen over de godsdienstige geschillen. Barlaeus was als toehoorder op de zittingen aanwezig en hij heeft achter de schermen de Remonstranten met raad en daad terzijde gestaan. Zoals bekend tevergeefs, want de opvattingen der Remonstranten werden in 1619 veroordeeld en tegen de aanhangers werden strenge maatregelen genomen.

[p. 11]

Barlaeus behoorde ook tot de slachtoffers. 20 juli 1619 werd hij als onderregent van het Statencollege ontslagen en 31 augustus van datzelfde jaar tegelijk met Vossius afgezet als hoogleraar. Vossius mocht in 1620 weer terugkeren als lector in de rhetorica, en hij werd twee jaar later opnieuw tot hoogleraar benoemd, maar Barlaeus was brodeloos gemaakt. Hij moet het met zijn gezin (4 kinderen) niet gemakkelijk hebben gehad. Waarschijnlijk heeft hij meteen begrepen dat er in de theologie geen toekomst meer voor hem zou liggen. Hij heeft zich omgeschakeld op de medicijnen, ‘zoals een schipbreukeling zich aan een plank vastklampt’, en te Caen heeft hij in minder dan twee jaar zijn graad behaald.

In Leiden teruggekeerd heeft hij echter nooit de medische praktijk uitgeoefend. In een brief aan Bartold. Nyhusius schreef hij,+ dat hij er een afschuw van had ‘deels omdat ik te zeer wordt aangedaan door de ellende van anderen, deels, omdat ik inzie, dat die wetenschap voor een groot deel op gissingen berust’.

Hij heeft in Leiden in het onderhoud van zijn gezin voorzien door het geven van bijlessen, verder door het in huis nemen van studenten, en, daar hij een zekere faam als dichter had, door het maken van Latijnse gelegenheidsgedichten op belangrijke personen en gebeurtenissen. Men heeft hem dit dichten voor geld wel verweten, maar het was een harde noodzaak. Overigens kon hij er met een zekere zelfspot over spreken. Toen hij op de dood van Koning Gustaaf Adolf een rouwdicht had gemaakt, werd hij korte tijd later bij de Zweedse gezant Oxenstierna uitgenodigd, die ‘de tranen, die ik het vorig jaar vergoten heb om de dood van Koning Gustaaf, met een gouden doek heeft

[p. 12]

gedroogd. Het zou bepaald voordelig zijn als koningen dikwijls zo voor mij stierven’.+

Ofschoon er verschillende pogingen werden gedaan om Barlaeus van gedachten te laten veranderen en zijn vroegere geschriften te herroepen is hij standvastig gebleven in zijn opvattingen. Hij is nooit een militant Remonstrant geworden, maar liet toch af en toe zijn stem horen op niet mis te verstane wijze. Zich laten omkopen voor een professoraat deed hij niet, maar hij werd ook geen voorvechter van het Remonstrantisme.

Met veel zelfkennis heeft hij zich later vergeleken met een haas. Pieter Cornelisz. Hooft had hem eens een haas, later enige patrijzen laten bezorgen. En Barlaeus bedankte hem daarvoor in deze woorden: ‘Met de U aangeboren scherpzinnigheid zondt Ge destijds niet toevallig een haas, en nu niet zo maar patrijzen. Gij wilt mijn karakter aanduiden, dat veel met een haas, maar ook veel met patrijzen gemeen heeft. De haas wordt gewoonlijk niet gerekend tot de wilde dieren, die geboren zijn tot strijd. Ook ik laat mij niet opnemen onder de Atriden, de Peliden of de Lapithen. De natuur heeft mij een zachtaardige inborst geschonken, en wat ik niet alleen met de haas, maar ook met de grote Achilles gemeen heb, is dit, dat ik zeer snelvoetig ben, vooral als de punt van het staal met de zaak gemoeid is’.+

Het is echter niet alleen deze karaktertrek, die hem afkerig gemaakt heeft van het theologiseren en de theologie. Men krijgt de indruk dat hij zich in de vaderlandse vorm van het Christelijk geloof niet meer thuis voelde. Zoals de eveneens ontslagen en schandelijk behandelde prof. Bertius zich aan de Leidse sfeer ont-

[p. 13]

trok, naar Frankrijk ging en daar Rooms-katholiek werd, zo is Barlaeus de andere kant uitgedreven en hij heeft zijn troost gevonden in het klassieke humanisme en de humanistische filosofie.

Toen Episcopius hem min of meer verweet dat de Remonstranten hem als helper en bondgenoot verloren hadden, gebruikte hij een voorzichtige formulering om zijn standpunt aan te duiden, ‘ego citra Christianismum stans’, ‘ik die binnen de grenzen van het Christendom sta’. Maar veel meer was het ook niet! En iets verder in die zelfde brief zei hij: ‘eens ben ik van dichter een theoloog geworden, nu van een theoloog een dichter’.+

Het leven moet in de Leidse tijd allesbehalve rooskleurig voor hem geweest zijn. Toen er sprake van was dat hij benoemd zou worden tot hoogleraar aan het Athenaeum te Amsterdam, schreef hij aan Const. Huygens de trieste woorden:+ ‘Ik ben gelijk een stuk land, dat, daar het geen eigenaar heeft, toekomt aan de eerste de beste die er zich op neer zet’.

Financieel was het een uitkomst voor hem en zijn gezin, toen hij definitief werd aangesteld. De werkelijke reden van zijn overkomst naar Amsterdam heeft hij kort en bondig in een brief aan Uytenbogaert+ met de volgende woorden uitgedrukt: ‘Ik snak naar de lucht van een vrijere bodem’. ‘Anhelo ad liberioris soli auram’. Mooier compliment had hij Amsterdam niet kunnen maken!

Hoewel Barlaeus vooral in het begin nog wel eens terug verlangde naar zijn goede vrienden en naar de rust in de Sleutelstad en hij ook enigszins bevreesd was voor de deftige Amsterdamse kooplieden, toch voelde hij er zich al spoedig volkomen op zijn plaats.

[p. 14]

Ook na de overkomst van Barlaeus naar Amsterdam was het echter nog geenszins zeker dat het Athenaeum er zou komen. Leiden trachtte de opening op hardnekkige wijze te verhinderen. Van het standpunt der Leidenaren gezien niet geheel ten onrechte. Amsterdam mocht dan wel zeggen, dat het niet de bedoeling had de Illustere school uit te bouwen tot een academie, maar de mogelijkheid zat er vroeger of later toch in. Materieel zou het inderdaad voor Leiden een slag zijn geweest als er te Amsterdam een volledige academie gevestigd zou worden. Maar vooral godsdienstig en geestelijk gezien achtte men het Athenaeum, en wat er uit kon groeien, een gevaar. De magistraat te Amsterdam was zeer liberaal. Joden, Luthersen, Remonstranten konden, zij het met enige beperkingen, hun godsdienst op eigen manier belijden. Dat de nieuwe stichting een centrum van geheel andere signatuur dan de Leidse academie zou worden, stond door de benoeming van Vossius en Barlaeus wel vast, en dit werd het grootste gevaar geacht. Dat is het ook waartegen de in het geweer geroepen Zwitserse academies zich richtten.+ Zij vreesden, dat de school nergens ‘anders toe dienen zal, dan tot eenen snoodsten winkel, niet van regtzinnigen, maar eerst van Arminianen, en daarna van Sociniaenen, en vervolgens eene kweekschool worden van de gedrogtelykste gevoelens, welke die looze menschen zig, tot hiertoe geschaamd hebben te openbaaren’. Maar Amsterdam kreeg de toestemming en de hoogleraren konden in januari 1632 hun inaugurele rede houden.

Beziet men de Mercator sapiens van Barlaeus in zijn algemeenheid, dan is een van de opmerkelijkste facetten, dat er geen enkele Bijbeltekst in voorkomt, daar-

[p. 15]

entegen wel een kleine 150 namen uit de klassieke oudheid. In het gebed voorafgaande aan de rede worden uiteraard enkele algemeen Christelijke termen gebruikt, maar het is tot het uiterste beperkt gebleven. Vossius wijdt in zijn rede nog een zestal bladzijden aan de belangrijkheid van het Christendom. Het enige wat Barlaeus doet is de opvattingen van Gregorius, Chrysostomus, Augustinus en Cassiodorus verwerpen!+

Er is nog een negatief gegeven, namelijk wanneer hij met instemming de ketterij van Erasmus citeert, die Cicero een plaatsje tracht te geven in de Christelijke hemel. Barlaeus' angst voor het officiële Christendom van zijn dagen is, na alles wat hij meegemaakt heeft, zo groot, dat hij er telkens uitdrukkelijk aan toevoegt: ‘dat zegt Erasmus, niet ik’.

Er is in de rede geen enkel aanrakingspunt meer met het Christendom. Dit is des te opvallender, omdat zelfs een uitgesproken liberale denker als Dirk Volkertsz Coornhert in zijn vergelijkbaar geschrift over De koopman+ zich voortdurend baseert op het Christelijk geloof. In de titels van vele hoofdstukken wordt telkens nadrukkelijk de ‘Christelijke koopman’ met name genoemd, en zijn gehele betoog is volledig op het Christendom gegrond. Zie ik het goed, dan is de rede van Barlaeus een poging om de Christelijke ondergrond van cultuur en maatschappij te vervangen door een humanistische. Vooral als men niet te zeer de nadruk legt op de mercator sapiens. Want Barlaeus heeft mijns inziens de koopman als kapstok gebruikt om er zijn algemene denkbeelden (voor het grootste gedeelte aan Cicero ontleend) aan op te hangen. In wezen spreekt hij over de homo sapiens, want wat voor de mercator geldt, geldt voor ieder mens. En als hij het

[p. 16]

in de ondertitel heeft over de band tussen koopmanschap en filosofie, dan heeft dit de veel verdere strekking van de band tussen beroep en filosofie. Daarbij moet tevens opgemerkt worden, dat hij onder filosofie verstaat, wat wij thans meer gedetailleerd wetenschap, cultuur en wereldbeschouwing zouden noemen. Het is een heel andere vraag - en dat moet hier buiten beschouwing gelaten worden - of zijn poging geslaagd is. Het opzienbarende is, dat hij kennelijk de noodzaak van een vervanging heeft ingezien en hier een poging tot substitutie heeft gedaan. Dat geeft de rede een bijzonder belangwekkend aspect.

Wat de titel Mercator sapiens betreft, deze is misschien nog de enige reminiscentie aan het Christendom. Wiarda vermoedt, dat de woorden afkomstig zijn van Coornherts De koopman, of ingegeven zijn door Cicero's De officiis.

Ik acht het niet onmogelijk dat Barlaeus gedacht heeft aan de parabel van de koopman,+ die schone paarlen zocht (Matth. 13 : 45, 46), gecombineerd met de wijze man uit het slot van Matth. 7, die als hij de woorden van de Bergrede hoort en er naar doet, zijn huis op een rots gebouwd heeft, of wellicht de sapiens architectus, de wijze bouwmeester, die de fundamenten heeft gelegd en waarmee Paulus zich vergelijkt (1 Cor. 3 : 10). Over de wijze koopman, zoals Barlaeus deze schildert, is in de loop der jaren heel wat gezegd en geschreven. Een zeer uitgebreide documentatie daarvan geeft Prof. J. Wiarda+. Onder hen, die de Mercator sapiens als uitgangspunt voor een beschouwing namen, moeten genoemd worden R. Fruin, in zijn Welkomstgroet aan de Universiteit van Amsterdam, bij gelegenheid harer feestelijke opening, 1877; H. Brugmans in zijn inaugu-

[p. 17]

rele oratie Het belang der economische geschiedenis, Amsterdam 1904; I.J. le Cosquino de Bussy in zijn rectorale rede 1905 De koopman uit een zedekundig oogpunt; J. Offerhaus, in zijn inaugurele rede Geschreven en ongeschreven handelsrecht, Amsterdam 1941, om alleen bij enkele Amsterdamse hoogtepunten te blijven.+

Overigens, vele ontboezemingen over de Mercator sapiens als ‘schutspatroon’ van de Amsterdamse Universiteit vinden weinig of geen grond in de rede zelf, en evenmin in de historie van de universiteit. Het grondigst heeft De Bussy daarmee afgerekend: ‘De koopman, die de wetenschap eert en beschermt; haar eert en beschermt hetzij om het practisch nut, dat hij voor zijn bedrijf, of de maatschappij voor haar stoffelijke belangen uit haar onderzoekingen trekken kan, hetzij om de weldaden, die de wetenschap aan het geestelijk bestaan der mensheid brengt, de mercator-Maecenas, deze voorstelling heeft niet meer dan een glimp van waarheid’. Maar het onderwerp heeft niettemin een grote aantrekkingskracht bezeten. Voor onze tijd lijkt die weldoende, wijze koopman een anachronisme geworden, en deze figuur spreekt ons nauwelijks meer aan.

Ik geloof overigens; dat wij niet uitsluitend op die koopman moeten letten, maar meer op de motieven, die Barlaeus aanvoert om het belang van een Athenaeum te onderstrepen. Die zijn o.m. de volgende:

Een grote en rijke gemeenschap moet niet alleen denken aan welvarende bedrijven, grote gebouwen, havens e.d., maar ook aan het belang van geestelijke waarden, en daarom moet de stad zorgen voor een inrichting van onderwijs, waar de jeugd tot een hoger niveau kan worden opgevoed.

[p. 18]

Een beroemde stad is voorts aan zichzelf verplicht om een centrum van filosofie en wetenschap te kunnen tonen, als monument van eeuwige roem. De Illustere school, de Universiteit, is dus een ‘status symbool’.

Het Athenaeum is eveneens van groot belang voor de enkeling, zowel voor de gevestigde inwoner van de stad, als voor de vreemdeling, die er tijdelijk vertoeft. Want de zakenman zal na de harde arbeid en na de zorgen van het zakendoen troost en innerlijke rust vinden in de filosofie, die er gedoceerd wordt. Het nuttig effect van die innerlijke rust is bovendien dat men beter zaken kan doen. Barlaeus wijst er verder op, dat de wetenschap, die er onderwezen wordt, nuttige kennis verschaft, die inspireert om zakelijk nieuwe wegen te durven inslaan. En tenslotte, kan men rijkdom en welvaart beter savoureren met een filosofische ondergrond.

Het zal ons ongetwijfeld wat vreemd in de oren klinken. Maar vat men het enigszins gemodelleerd samen, dan zou men kunnen zeggen, Barlaeus heeft getracht een levende band te leggen tussen de stad en de academie, en hij heeft een verband gelegd tussen beroep en wetenschap. Ook acht hij het van groot belang dat de school een bijdrage levert tot de geestelijke vorming van student en burgerij.

De rede mocht zich in een grote belangstelling verheugen. Er zijn twee volledige vertalingen van verschenen, in 1641 en 1662, met een herdruk van de laatste in 1689.+ De latijnse rede is nog driemaal herdrukt in de bundel van Barlaeus' oraties.+ Directe reacties, positief of negatief, bleven evenwel uit. Men ging blijkbaar over tot de orde van de dag.

Barlaeus raakte geheel ingeburgerd in Amsterdam, en

[p. 19]

hij kon zich als hoogleraar, orator en dichter volledig ontplooien, o.m. werd hij een actief lid van de Muider Kring, en in het algemeen heeft hij veel bijgedragen tot de roem van het Athenaeum.

Na zijn dood, 14 januari 1648, en na het overlijden van Vossius kort daarop, 27 maart 1649, verbleekte de glorie van het Athenaeum meer en meer. De naam van Barlaeus werd echter niet door het stof der eeuwen bedekt, en vooral zijn rede over de Mercator sapiens vond voortdurend belangstelling. Het mag dan zijn dat de oratie dikwijls is geromantiseerd en niet altijd juist is gelezen en gebruikt, zijn poging een plaatsbepaling te geven van het Athenaeum en het wetenschappelijk onderwijs heeft die rede dikwijls tot uitgangspunt gemaakt voor nieuwe bezinning. Vooral de beklemtoning van het feit dat er een samenhang moet zijn tussen de stad en de universiteit en een samenhang tussen het beroep (of de praktijk) en het wetenschappelijk onderwijs, evenals zijn suggestie dat dat onderwijs niet alleen maar gericht moet zijn op feitelijke kennisoverdracht, maar ook materiaal voor een geestelijke achtergrond en karaktervorming moet bevatten, is van eminent belang.

Tenslotte, Barlaeus vermeldt met instemming in zijn oratie dat het Stadsbestuur de burgers een bibliotheek ter beschikking heeft gesteld. Een bibliotheek, waar, zoals hij het formuleerde, een schat aan uiteenzettingen en gedachten is opgetast. De boekerij was sinds de alteratie in 1578 als Stadsbibliotheek gehuisvest in de Nieuwe Kerk. Bij de stichting van de Illustereschool werd de bibliotheek ondergebracht op de zolder van het Athenaeum,+ boven de hoofden van docenten en studenten. Op de symboliek daarvan zullen we maar

[p. 20]

niet ingaan! Een ding is echter zeker, ook de bibliotheek voelt zich verbonden met Barlaeus en zijn algemene richtlijnen in de Mercator sapiens gegeven en wil met deze publikatie ter gelegenheid van de opening van haar nieuwe gebouw daarvan gaarne getuigen.

+Ger. Joannis Vossius, De historiae utilitate oratio. Habita cum publicam historiarum et politices professionem ordiretur, vi Id. Jan. Amstelodami, apud Henr. Laurentii, typ. Ravesteinianis 1632.
+Casp. Barlaeus, Mercator sapiens, sive oratio De conjungendis mercaturae et philosophiae studiis. Habita in inaugurationem Illustris Amstelodamensium scholae, v Id. Jan. Amsterdami, ex typographia Guil. Blaeu 1632.
+Paul Scholten in de Inleiding van het Gedenkboek van het Athenaeum en de Universiteit van Amsterdam, 1632-1932. Amsterdam 1932, blz. vii, zegt er van: ‘in deze lofspraak op de historie ontbreekt datgene, wat ons het eigenlijke in de geschiedeniswetenschap voorkomt’.
+Vroedschapsresolutiën van Amsterdam, 15, fol. 135 v.
+Vroedschapsresolutiën van Amsterdam, 15 d.d. 11 dec. 1630, fol. 174 v.
+Een ex. van de oorspronkelijke uitgave bevindt zich in de u.b. Amsterdam. Over Herm. van der Poll, zie J.E. Elias, De vroedschap van Amsterdam 1578-1795. Amsterdam, 1903, 1905,onder nr. 68.
+O.a. in Gedichten van P.C. Hooft, uitgeg. door F.A. Stoett, 2de dr. bew. door P. Leendertz Wz. Dl. I. Amsterdam 1899, blz. 302.
+Het uitvoerigst beschreven door J.A. Worp in Oud-Holland, nieuwe bijdragen der Nederlandsche kunst, letterkunde, nijverheid enz., iii (1885), blz. 241-265; iv (1886), blz. 24-36, 172-189, 224-261; v (1887), blz. 93-126; vi (1888), blz. 87-102, 241-275; vii (1889), blz. 89-128.
+Zie, De Remonstrantie, op haren driehonderdsten gedenkdag, 1610-14 Januari-1910, in den oorspronkelijken vorm uitgegeven, afgebeeld en toegelicht door H.IJ. Groenewegen. Leiden 1910.
+C. Barlaeus, Dissertatiuncula, in qua aliquot patriae nostrae theologorum ac ecclesiastarum malesana consilia, et studia justa orationis libertate reprehenduutur. Lugduni Bat., 1616. In hetzelfde jaar verscheen een vertaling onder de titel Discours oft vertoogh van Caspar Barleus, onder-regent van 't Collegie der Godtheyt tot Leyden, waer in met een rechtveerdighe vrymoedicheyt van spreken bestraft worden de ondengende raedtslaghen ende betrachtingen van sommige theologanten ende predicanten onses vaderlandts. Het hier geciteerde gedeelte op p. C 2
+C. Barlaeus, Epistolarum liber. Amstelodami, apud Joan. Blaeu 1667. Het hier geciteerde in brief nr. 12, p. 117.
+Epistolae celeberrimorum virorum, etc. Ex scriniis Jani Brantii. Amstelaedami 1715, p. 127, 128. Het is echter een uitlating uit zijn Amsterdamse tijd, nl. 1634. Hij kon zich toen permitteren een sarcastische opmerking te maken over zijn inkomsten.
+C. Barlaeus, Epist. p. 579, 579.
+C. Barlaeus, Epist. p. 273, 275, gedateerd 5 Non. Febr. 1629.
+Een weggelaten gedeelte van de brief Epist. 313, opgenomen in Worp, Oud Holland iv (1886), blz. 248, noot 9.
+De brief is als bijlage X opgenomen in Worp, Oud Holland iv (1886), blz. 260.
+Missive van de Leeraers ende professoren der Ghereformeerde Kercken, academien ende Hooghe Scholen, der vier steden Zurich, Bern, Basel ende Schafhuysen, mitsgaders by die van Geneven, gheschreven aan de... Professoren der H. Theologie tot Leyden enz. Z. pl. en naam v. dr. 1630. De Latijnse tekst bij L. van Aitzema, Historie of verhael van saken van staet en oorlogh, in, ende outrent de Vereenigde Nederlanden. 's Gravenhage 1657-71. Dl. 1, blz. 1023.
+p. 46 in de Lat. versie, blz. 83 in de Ned. vertaling.
+Het verscheen in 1630 in Dieryck Volckertsz Coornhert Wercken waer van eenige noyt voor desen gedruct zyn. Deel ii. Amsterdam 1630, fol. 377-393. Het geschrift zelf is, blijkens het voorwoord, van 1580.
+De Vulgata heeft negotiator, maar in de Latijnse vert. van de humanist Seb. Castellio wordt in Matth. 13 : 45 mercator gebruikt.
+J. Wiarda, Noten bij de rede uitgesproken bij de plechtige opening van het academisch jaar aan de Rijksuniversiteit te Groningen op 16 september 1963, noot 46.
+De toespraak van R. Fruin o.a. in Verspreide geschriften ix, 's Gravenhage 1904, blz. 375-380; de rede van H. Brugmans is afzonderlijk uitgegeven, evenals die van J. Offerhaus; de rectorale rede van I.J. le Cosquino de Bussy in Jaarboek der Universiteit van Amsterdam (1905), blz. 1-25.
+De vertaling van 1641 is van de hand van Wilh. Ant. Buyserius, Casparis Barlaei Verstandighe coopman, of oratie handelende van det' samen-voeginghe des koop-handels ende der philosophie. Enkhuysen 1641.
+De tweede vert., waarschijnlijk van de hand van de uitgever Jan van Duisburgh komt voor in de nederlandse uitgave van de gezamenlijke oraties, en is getiteld Casper van Baerles Wyze koopman, ofte oratie van de koophandel en wysheit, leerende hoe nootzaeckelyck het is, dat deze twee oeffeningen elckanderen vergezelschappen en bywonen, in: Oraties en blyde inkomst van Maria de Medicis. Amsterdam 1662. De derde uitgave van 1689 is gelijkluidend aan die van 1662.
Er is voorts een getypte vert. (1948) van Drs. N. van der Blom, aanwezig in de Centr. Boekerij van het Kon. Inst. voor de Tropen. De verzamelde latijnse oraties in: Casparis Barlaei Orationum liber. Amstelodami 1643, 1652 en 1661.
+H.C. Rogge, Geschiedenis der Stedelijke boekerij van Amsterdam, Amsterdam 1882, blz. 3, 5.
prepost  begin  verder