Louis Couperus. Een biografie


auteur: F.L. Bastet


bron: F.L. Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Em. Querido's Uitgeverij B.V., Amsterdam 1987  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 255]

Derde hoofdstuk

i 1901-1902

Babel herschreven. Imperia. Het Medelijden. ‘Trilogie’ van vier boeken: De boeken der kleine zielen uit geldnood geschreven. Charles van Deventer contra van Deyssel. Vertalingen. Berthemont. Sprookjes uit Over lichtende drempels. Testament van papa. Carnaval. De zonen der zon en Jahve. Met Van Nouhuys in Genève: Groot-Nederland opgericht.

 

ii 1902-1903

De wereld der kleine zielen. G.L. Baud. De Haagse Surinamestraat. Nunspeet, Baarn. Krankzinnigheid van zijn oudste broer. Theosofismen. Lichtsymboliek in God en Goden en Het heilige weten. Noodlot en reïncarnatie.

 

iii 1903-1904

Met Ram in Rome. Extatische gedichten: Dionysos als verlosser. Vijf beelden van Pander. Terug in Nice. Dionyzos, Endymion. Melancholie van Elisabeth. Opnieuw Venetië. In de bergen. Geldzorgen. L'ngonie van Jean Lombard. Met Trudy in Rome, Den Haag en Amsterdam. De grote transactie met Veen. Parijs, Barbizon, Nice. Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... Lot en Elly.

 

iv 1904-1906

L.S.A.M. von Römer. Weer in Rome. De berg van licht. Prospectus. Bij Cyriel Buysse. Parijs, Nice en vergeefse plannen voor Egypte. Vernietigend Gidsartikel door de Scharten Antinks. Sonnetten. Vertrek uit Villa Jules. Bagni di Lucca. De drie Italiaanse vriendinnen Garzes / Lodomez. Verloren brieven. ‘Orlando?’ Aan den weg der vreugde. Twintig jaar Jonger.

[p. 256]

v 1906-1908

Laatste bezoek aan Ouida. Palazzo Niccolini, Florence. Dr. H.M.R. Leopold. Dr. Gisbert Brom en het Nederlands Instituut te Rome. Luigi Siciliani. Assisi. Met Ram naar Napels en Capri. Bezoek uit Indië. Nogmaals Venetië. Ernstige moeilijkheden met Veen. Artistieke impasse en geldzorgen. Ziekte van Elisabeth. Pensionplannen in Nice. Korte verhalen. De lof van de leugen. De Orlandojaren.

[p. 257]

I [1901-1902]

Het elegante Nice gaf Couperus volop gelegenheid zich als dandy uit te leven. Enerzijds was hij, in het verborgene, de harde werker. Anderzijds toonde hij zich aan de wereld als de quasi oppervlakkige flaneur. Het een wisselde het ander af. Zijn zwager Gerard Valette heeft hem later eens als volgt beschreven, in een literair portret dat het artikel in de Éclaireur goed aanvult:1 ‘Steeds een man van zijn huis, niet wat in de dagen van wijlen Alexander VerHuell ook in ons land een “viveur” heette. Vergist u om Godswil niet! Geen man van chambrecloack en pantoffels; misschien liet hij zich liever geeselen. Hij is, ook tehuis en op welk uur van den dag men hem tegen komt, met zorg gekleed, met coquetterie. Zijn coin de feu is delicieus van snit en kleur. Zijn marokijnen huisschoenen zijn gevolgd naar een elegant renaissance-model. Hij moet tweemaal daags flaneeren, - neen, niet buiten! - in drukke straten met schittierend winkels, over een boulevard, langs een Jetée, een Promenade des Anglais, met mooie, chic getoiletteerde vrouwen en mannen met het uiterlijk cachet van den gentleman. Hij heeft er behoefte aan als aan lucht en licht. Wanneer het dreigt te gaan regenen op zijn wandeluren, voelt hij zich, - neen echt, diep ongelukkig. Hij kán er niet tegen. Het carnaval, drukte en vroolijkheid van feest, hij is er dol op, flirt er met de grandes dames, die hij in half Europa leerde kennen en met een vriendelijke uitgelaten midinette, die voorbijkomt. Grandes dames, naaisters, hoedenmaakstertjes, ze vinden hem allen charmant. “Et puis”, verzekerde mij in Nice een Parisienne, “il ne tombe jamais amoureux de vous, Louis. C'est épatant.”’ Deze dame moet haar naïeve kanten gehad hebben...! Valette tekende dit portret kennelijk uit zijn herinneringen aan een verlofperiode. Maar het is kenmerkend voor Couperus' hele verblijf in Nice.

Aan de Rivièra voelde hij zich thuis en in alle opzichten in zijn element. Dit was voor hem een noodzakelijke voorwaarde tot creativiteit. Even

[p. 258]

hard nodig waren een zekere evenwichtigheid en, vooral, zelfverzekerdheid. Ook die had hij bereikt. Levensproblemen meende hij overwonnen te hebben. Met zijn afwijkende seksualiteit had hij zich ten enen male verzoend. De huwelijkssituatie met Elisabeth, die aan hem vooral ook economisch gebonden was - Couperus bezat het kapitaal, Couperus verdiende het geld; Elisabeth voegde er zelf maar zelden iets aan toe met haar vertalingen - was voor hem een heel gelukkige. Zij kenden elkaar door en door en wisten wat zij aan elkander hadden. Zolang Elisabeth niet met fysieke of andere moeilijkheden kampte, was zij tevens zijn secretaris die zijn werk in het net overschreef, opdat de zetters het goed konden drukken en Couperus niet geplaagd werd door van fouten wemelende drukproeven. Verder deed zij het huishouden, beheerde de financiën, zorgde voor alles en schreef waarschijnlijk ook de meeste brieven naar de familie in Indië en in Nederland. Dit maakte het Couperus mogelijk prettig te leven en te werken. Geldproblemen waren er wel steeds. Maar met de hoge honoraria die hij bedong en kreeg, en het overlijden van zijn vader in het toch wel nabije vooruitzicht, waren zelfs die niet wérkelijk zorgwekkend. Het zachte klimaat deed er verder het zijne toe.

Ondanks dit alles wilde het met Babel, waar Couperus in oktober aan begonnen was in de weken van aanpassing aan de nieuwe omstandigheden, niet erg vlotten. Over de tamelijk beknopte tekst heeft hij bijna vijf maanden gedaan. Het is een der weinige boeken die door hem herschreven zijn, toen het verhaal hem na eerste voltooiing niet voldeed. Op 24 januari 1901 deelde hij Veen mee:2Babel was al een maand geleden af... Maar ik ben er niet tevreden over en heb het heele verhaal overgewerkt en nu wordt het goed. Mocht ge het dus in het voorjaar willen uitgeven, dan kan dat [...]. Het is iets als een droom, een cauchemar, maar anders erg braaf geschreven.’ Tien dagen later noemde hij het nog steeds ‘een moeilijk ding’, en pas op 12 februari kon hij met een zucht van verlichting zeggen:3Bibel is klaar.’

Intussen was hij in december begonnen aan ‘een mysterie-spel van de vijf zonden’, met als titel Imperia.4 De naam van dit satanische wezen zou hij later overdragen op zijn poes. Het mysteriespel zelf is afwisselend in poëzie en proza geschreven. Hoewel hij er aanvankelijk in zwolg, heeft hij het drakerige stuk nooit voltooid. Halverwege vatte hij ineens heel andere plannen op, voor een groot, nieuw werk, dat niet alleen meer inhoud beloofde maar tevens meer geld.5 Imperia kunnen wij een apocalyptische

[p. 259]

fantasmagorie noemen. Dat het niet meer dan een torso is gebleven, zij het dan nog altijd een torso van flinke afmetingen, hoeven wij nauwelijks te betreuren. De invloed van Flauberts La tentation de Saint Antoine is onmiskenbaar, maar dat werkt allerminst ten voordele, wat immers ook had gekund. Imperia mist ten enen male de geserreerdheid van het Franse voorbeeld. Figuren als Satan, Dis, Gog en Magog, Bel, naast motieven als heksensabbat, reien van engelen en zonden die als personificaties optreden, dit alles stamt in zijn algemeenheid uit het decadente repertoire van de late negentiende eeuw waar Couperus zich, althans wat een deel van zijn werk betreft en al naar gelang zijn luimen stonden, graag door liet beïnvloeden. Het resultaat bevredigde noch de lezers van Groot-Nederland, noch hemzelf, noch ook de moderne lezer, die zich verbaast over zoveel rimram.

Mutatis mutandis geldt voor Babel hetzelfde, maar hier is meer aan de hand. Dit boekje wordt gekenmerkt door een strekking die in Couperus' ontwikkeling past. Het bouwen aan de toren van Babel is het centrale gegeven. Steeds weer is er sprake van bouwmeesters en hun handelingen. Dat er in Couperus' familie zeer veel vrijmetselaars vallen aan te wijzen, lijkt in Babel zijn sporen te hebben nagelaten, ook al was hij zelf nimmer lid van een loge.6 Een manlijke en een vrouwelijke hoofdgod. Baäl en Astarte, beheersen proloog, epiloog en de ontwikkelingen van het verhaal daartussen. In een delirerende stijl vertelt dit hoe de toren oprijst. Een koningszoon, Cyrus, die van een herderlijke onschuld is maar door hoogmoed gedreven wordt eraan mee te bouwen, weigert de slaven die het eigenlijke werk moeten doen af te ranselen. Halverwege wankelt zijn hoogmoed, hij weet niet meer of hij hoger moet stijgen tot de godheid of af moet dalen om de lijdende mensheid bij te staan. Een opperbouwmeesteres, Idonia, tracht hem er toe te verleiden zijn opwellend medelijden met de zwoegers te verguizen. Hij doodt haar echter en keert terug naar de aarde. In de epiloog balsemt Astarte dit Medelijden met haar tranen en zij smeekt Baäl het niet te verschroeien.

Cyrus - en hier hebben wij weer met een woordspel te maken: de naam Couperus is maar weinig langer! - wendt zich, zo zegt de tekst,7 ‘tot de honderdduizenden, millioencn, milliarden... hij gaat en zijn handen zijn open, zijn ziel is open, om hen te ontvangen!’ Babel dankt zijn ontstaan zoals gezegd aan een bouwwerk dat Couperus zelf in Nice zag verrijzen. We kunnen vaststellen dat het minder dit gebouw is geweest, dat hem zo

[p. 260]

geboeid heeft, dan het zware werk van de zich afbeulende arbeiders. Couperus zag hun tragische rol. Babel is daarmee een symbolisch verhaal van sociale bewogenheid geworden, geschreven door een auteur die voor alles door medelijden werd gedreven. Couperus voelde zich verwant aan deze slaven. Zijn eigen werk zag hij niet anders. Op vergelijkbare wijze zou hij zich jaren later vereenzelvigen met de grootste zwoeger in de antieke mythologie, Herakles.

De Cyrus van Babel heeft Couperus intensief beziggehouden. In de onmiddellijk hierna geschreven romancyclus De boeken der kleine zielen zou hij eveneens, zoals wij zullen zien, één ideale figuur door de hele historie heen centraal stellen. Dat is niet Constance van der Weclke, maar haar zoon Addy. Niet voor niets heeft hij deze, aan het begin van de twintigste eeuw, letterlijk ook ‘De man der eeuw’ willen noemen.8 Dat hij van die ongelukkige titel is afgestapt doet aan de betekenis ervan niets af.

Babel is daarmee in zekere zin te beschouwen als een proloog tot de nog uit te werken romancyclus. Op 3 februari 1901 schreef Couperus aan Veen:9 ‘Plannen, ja plannen zijn er: voor een Hollandsche familie-roman, een soort trilogie, in 3 deelen misschien, maar met afzonderlijke titels, zoodat ge ieder deel apart kunt uitgeven... Maar het zijn nog maar plannen, want eerst moet Babel af en goed zijn.’ Hoe sterk hij zich intussen al op de cyclus concentreerde, blijkt uit de mededeling die daar dan onmiddellijk op volgt: ‘Misschien is er i deel van de trilogie met het najaar wel af, want ik heb toch een 8 maanden om het te schrijven, maar natuurlijk kan ik U niets vasts belooven.’

In een brief van 12 februari,10 waarin hij meedeelde dat Babel voltooid was - hij voegde er als suggestie aan toe dat Jan Toorop er misschien wel een band voor zou willen ontwerpen; inderdaad heeft deze de opdracht gekregen en uitgevoerd11 -, vertelde hij tevens iets meer over de te schrijven cyclus, die hij ditmaal aanduidde met ‘grote roman’. Niet dat hij iets naders losliet over de inhoud, die hem toen nog maar vaag voor ogen stond. Voorlopig ging het hem vooral om een berekening van het honorarium. Couperus zat maar steeds te cijferen. Vele jaren later zou hij aan Henri Borel opbiechten dat De boeken der kleine zielen in allereerste instantie geschreven zijn om het geld dat hij er mee hoopte te verdienen.12 Dit klopt met wat de brieven aan zijn uitgever laten zien. Allerlei financiële voorstellen aan Veen werden op 26 maart gemotiveerd met de verklaring:13 ‘Indische reis, ziekte der vrouw, installatie, dat heeft het hem alles

[p. 261]

gedaan; en gaarne zou ik dit jaar zoo min mogelijk bij Scheurleer toucheeren, om niet heelemaal in de war te komen. Nu gaat het leven rustigjes voort: verstand en gezondheid komen terug; de meubels staan er; de vrouw geniet na haar lange ziek zijn van haar eigen home, en de herinneringen aan de reis naar haar geboorteplek; en de financiën zullen in 1½ jaar ook heel wat beter staan. Maar dien tijd is het nog krabben. Gelukkig is het leven te Nice - niet als vreemdeling, maar als inwoner - niet duur, en we leven als kluizenaars. Ziedaar de bekentenis!’

Hij dacht nu niet zozeer meer aan een trilogie, als wel aan een boek in twee forse delen. De roman zou De familie en de kennissen moeten gaan heten, eventueel met twee afzonderlijke ondertitels:14 ‘eén in najaar 1901, éen in voorjaar 1902., voor ƒ 5000,-, elk boek berekend op een omvang groote-roman (± 200 bl. van mijn copie). [...] Ik werk geregeld voort aan De Familie en de kennissen naar het voorbeeld van Meester Zola: Nulla dies sine linea. Het is prettig werken als men er geregeld in blijft; in Indië werd het schrijven telkens onderbroken, en was ik er telkens uit. Het boek speelt in Den Haag, als ge wilt genre Eline Vere, maar rijper; in côterieën half Indisch, half Hollandsch, een meer werkelijke maatschappij, dan die van Eline, die nog gezien werd door den humbug heen der jongere jaren! Helaas, ze zijn weg, die jaren!’

Tien dagen later had hij ineens een andere titel bedacht, die de definitieve zou worden:15 ‘Ik zal de boeken noemen met den algemeenen titel: De Boeken der Kleine Zielen. Het eerste werk heet dan: De Familie en de Kennissen. Er zijn een 80 bladzijden van geschreven en mijn vrouw - de strengste recensent, die ik heb - was zeer tevreden over dat begin. We zullen dus hopen, dat het iets moois wordt.’ Deel twee zou De late liefde moeten gaan heten. Maar deze wat banale titel werd weldra veranderd in Het late leven.

Het oorspronkelijke concept heeft Couperus vervolgens, terwijl hij dit tweede deel aan het schrijven was, ineens aanmerkelijk uitgebreid. Op 15 juni 1901 kon hij Veen triomfantelijk meedelen:16 ‘De Familie en de kennissen zijn gereed en worden geleidelijk overgeschreven, en aan Het Late Leven ben ik begonnen.’ Zo vlug ging dat, als hij tijd en rust had en zich goed voelde. Maar tevens verblufte hij zijn uitgever met dit nieuws: ‘De Boeken der Kleine Zielen zullen in vier romans geschreven worden; dus met iii en IV [waarvoor Couperus op dat moment nog geen titels bedacht had] kom ik later bij U aan.’ Hij voegde er nog aan toe: ‘Mijn vrouw, - streng-

[p. 262]

ste recensent, die ik heb - was zeer tevreden over De Fam. en de kennissen en vond in het begin van Het Late Leven veel moois. In boek iii gebeuren de groote tragedies; in boek iv is mijn kleine held, nu 13 Jaren, een man. - Zoo ge kans ziet i en ii tegelijkertijd in Nov. a.s. te geven, zoudt ge, “als God het wil”, iii en iv voor het volgende jaar hebben...’

Hier zijn we getuige van Couperus' bijna ongelooflijke werkkracht, van zijn niet uit het lood te slaan evenwicht, als het er op aankwam, en zijn doorzettingsvermogen. Al schrijvende moet hij steeds meer mogelijkheden zijn gaan zien in de stof die hij onder handen had. Hij begreep dat een organische ontwikkelingsgeschiedenis van de kleine held - Addy van der Welcke - bovendien om een langer tijdsverloop binnen de roman vroeg dan hij aanvankelijk overwogen had. Dit betekent dat Couperus slechts van een zeer summier opgesteld concept kan zijn uitgegaan. Naarmate hij vorderde, heeft hij het bijgesteld. Dat zijn boek daarmee ten dele een toekomstroman zou kunnen worden, namelijk zodra hij Addy een te hoge leeftijd zou laten krijgen, heeft hij niet helemaal voorzien.17 Hij trachtte dit probleem wel enigszins te ondervangen door het begin van het eerste deel niet op een exact jaartal te fixeren, of het door een vaststaande contemporaine gebeurtenis die in het boek genoemd wordt - zoals de aardbeving op Ternate in De stille kracht - anderszins nauwkeurig te dateren. Bij Eline Vere waren problemen van deze aard nog enigszins te overzien geweest, en ze zijn daar ook bevredigend opgelost. Bij een zo omvangrijke cyclus lagen echter heel wat meer gevaren op de loer.

Eind juni wijzigde hij ter elfder ure bovendien de titel van het eerste deel:18 ‘De titel F. en K. bevalt mij in eens niet bizonder: ook zie ik Haverschmidt, Familie en Kennissen!!!’ Hij stelde Veen nu voor dit te wijzigen in De kleine zielen, wat het uiteindelijk ook geworden is. Het late leven liet hij. Wat de laatste twee delen betreft: ‘Voor iii en iv zit ik mij ziek te denken, hoewel ik precies weet hoe de boeken worden, vind ik nog geen ondertitels. Wij zoeken nog... [...] Het late leven vordert goed en wordt... heel mooi, al zeg ik het zelf. Ook de andere boeken zullen goed worden, zullen we hopen. Mijn vrouw heeft het directrice-schap der Copie weêr aanvaard: gelukkig! Ik dicteer: zoo blijven de oogen gespaard.’ - Voor het vierde deel overwoog hij op 28 juni als titel19 ‘...misschien: De Man der Eeuw... maar dat is nog onzeker... Dat is dus mijn kleine held van toen...’ Pas op 3 oktober kwam hij met de definitieve titels:20 ‘Zielenschemering (Boek iii.) Het Heilige Weten (Boek iv.)’

[p. 263]

Strikt biografisch genomen is dit jaar 1901 weinig interessant. Couperus leefde sterk met en voor zijn werk, en bovendien ook in zijn werk. Voor enige opwinding zorgde Charles van Deventer, eerst met een waarderende bespreking in De Locomotief van De stille kracht21; toen Van Deyssel daarop in maart 1901 een schotschrift tegen deze roman publiceerde, klom Van Deventer nogmaals in de pen. Van Deyssel namelijk, die in één moeite door ook Langs lijnen in de vuilnisbak meende te moeten deponeren, gewaagde van ‘geaccidenteerde, lagere belangstelling gaande makende would-be-symbolistische en -mystische romans’, die hij als kunst of literatuur ellendig vond. De heer Couperus, die volgens Van Deyssel reeds in de koningsromans proza van verkouden kappers en vervoerde Panopticum-beeldhouwers had geloosd, was naar zijn mening nu geheel verworden tot ‘een gewone hedendaagsche dandy, die liefhebbert in kunst’. Hij meende dan ook zeker te weten,22 ‘dat als over honderd jaar iemant met verstand van Literatuur in Nederland de geschiedenis van dézen tijd zal schrijven, hij zal schrijven dat er ook nog een mindererangsche feuilleton- of romanschrijver, genaamd Couperus, leefde, die in zijn jeugd echter wel wat goeds heeft gemaakt.’ Een nu volstrekt vergeten roman van G. van Hulzen daarentegen, kwalificeerde de Amsterdamse criticus als23 ‘koel en zuiver evenals drinkwater, na al de laffe en wee geparfumeerde Couperuslikeur’.

Wederom in De Locomotief nam Van Deventer het op 10 mei op briljante en overtuigende wijze in een regelrecht tegen Van Deyssel gericht betoog voor Couperus op.24 Van Deyssels benepen kritiek op juist een boek als De stille kracht noemde hij, en niet ten onrechte, ‘een schande voor u, een schande voor uw tijdschrift [het Tweemaandelijksch Tijdschrift], een schande voor de literatuur en uw land. Gij, die Couperus verwijt op den lageren smaak van het publiek te werken, gij zijt zelf als dat lagere publiek.’ Van Deventer eindigde zijn verdediging met de boutade dat Van Deyssel een zeer onbetrouwbaar en waanwijs criticus was gebleken, die getoond had niet in staat te zijn het grote van een ongemeen boek te zien. - Nog in september van hetzelfde Jaar werd Van Deventers artikel herdrukt in Veen's Nieuws, en wel op aanraden van... Couperus zelf, die het, zoals hij het uitdrukte, een genereuze verdediging vond.25 Overigens had hij persoonlijk Van Deyssels aanval al quasi-achteloos met een geringschattend ‘allermakst artikeltje, vind ik’ afgedaan. Hij had wel interessantere dingen om zich mee bezig te houden.

[p. 264]

Majesteit bij voorbeeld - door Van Deyssel ook nog weer eens onder de nodige schimpscheuten van stal gehaald - zou in het najaar nu toch eindelijk een geïllustreerde herdruk beleven. Veen had zoals wij zagen W.F.A.S. Vaarzon Morel daartoe een opdracht gegeven. (Het zou echter tot 1904 duren.) Goed nieuws, maar dan van heel andere aard, kreeg hij verder van een Duitse vertaler uit München, Georges Khnopff, die het plan had opgevat alle werken van Couperus in het Frans te vertalen.26 Honoraria zouden zij samen delen. Helaas is het bij een illusie gebleven. Aan vertalingen van zijn werk heeft Couperus nooit veel verdiend. De Italiaanse bewerking van Wereldvrede door Dina gravin Di Sordevolo bleek tamelijk goed van kwaliteit te zijn maar leverde financieel nauwelijks iets op: de contessa zond Couperus in het begin van 1902 honderd lire.27

Toch bleef hij opgewekt. Na een niet zo zonnige winter als hij gehoopt had - ‘wij hebben drie maanden lang gehad donkere luchten, en regen, en daarvoor zit je nu in Nice!’28 - braken voorjaarsachtige dagen aan. Veen, in Amsterdam, annonceerde hem de geboorte van zijn eerste kind, Maria Theresia, in de wandeling Mica. De Jonge vader kreeg prachtige bloemen van de Rivièra gestuurd en bedankte er Couperus hartelijk voor. Pijnlijk genoeg moest deze hem echter bekennen dat noch hij noch Elisabeth op die aardige gedachte waren gekomen. Later bleek dat kennissen van Veen, op doorreis in Zuid-Frankrijk, er voor bedankt hadden moeten worden. Met Sint-Nicolaas heeft Couperus toen maar een doos gekonfijte vruchten gestuurd, waar Mica overigens niets van kreeg: Veen en zijn vrouw aten alles zelf op.

In de tuin begonnen met grote overdaad de rozen te bloeien. Couperus liet zich door die weelde echter niet van de wijs brengen en werkte met alle discipline die hij zich aangewend had aan zijn romancyclus voort. Elisabeth, die zich wat beter voelde, wilde nu ook graag iets te doen hebben, naast haar huishoudelijke bezigheden. Zij overwoog van S. Meresjkowsky La mort des dieux (1896) te vertalen, of, toen iemand anders daar al mee bezig bleek te zijn, een boek van Sienkiewicz.29 Stuk voor stuk schitterende romans, gaf Couperus als zijn commentaar: ze konden zelfs voor jongensboeken doorgaan mits men in de tekst dan maar rigoureus een aantal ál te wrede passages schrapte (!). Het kwam er echter niet van. Elisabeth, die werkelijk buitengewoon scheel was, tobde chronisch met haar ogen. Nu eens deden die het wel, dan weer niet. Nu eens ko-

[p. 265]

pieerde zij dus het nieuwe werk van haar echtgenoot, dan weer weigerde zij hem alle diensten. Zij maakte dan grève, zo drukte Couperus het uit.

Tegen de te verwachten zomerhitte zagen zij nogal op. Op Java hadden zij de warmte slecht verdragen. Voor Elisabeths gezondheid beloofde het niet veel goeds. Zo werd het plan geboren om gedurende de maanden juli en augustus de koele bergen op te zoeken. Veel zin had Couperus er eigenlijk niet in, maar het moest. Daar de Alpes Maritimes zo nabij waren, kon hij gelukkig tamelijk dicht bij huis blijven en een al te dure reis ontlopen. De keus viel op Berthemont, in de Vallée de la Vésubie.

Nog voor zijn vertrek liet Couperus een exemplaar van Babel aan Johan Ram sturen, per adres Zeist, waar diens vader woonde. Hij wist namelijk niet precies waar Ram, nu kapitein der grenadiers, op dat ogenblik gedetacheerd was.30 Wel was zijn vriend toen al teruggekeerd uit Zuid-Afrika: op 15 december heeft hij voor de Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap een lezing over zijn ervaringen in de Transvaalse Oorlog gehouden.31 Hun relatie was, hoewel niet verkoeld, toch in een wat minder vertrouwelijke fase aangeland. Couperus' huwelijk en hun beider ook verder zo uiteenlopende levens waren oorzaak dat zij onvermijdelijk uit elkaar groeiden. Het bleef bij nu en dan eens een brief zonder veel diepgang. Veel kunnen het er zelfs niet geweest zijn. Couperus beklaagde zich er wel eens over dat Ram ‘een luie briefschrijver’ was. Een en ander verhinderde niet dat Ram een der zeer weinigen is geweest die Babel ten geschenke heeft gekregen. Hij deelde die eer voornamelijk met Elisabeths moeder in Indië. Couperus vond namelijk dat zijn kennissen hem van lieverlede te weinig erkentelijkheid begonnen te betuigen voor zijn attenties. Hij wenste nu maar eens met al die presentexemplaren op te houden. Hij zou dat de mensen zelf wel even laten weten. - Wat de band van Toorop betreft, de dame die vermoedelijk Astarte moest voorstellen kon zijn goedkeuring niet erg wegdragen. Toorop verviel langzamerhand in clichés, meende hij:32 ‘hij kan dat nu zoo en ik weet dat hij het zoo kan’. Veen antwoordde hem dat Toorop het te druk had gehad met een tentoonstelling. Het was al eindeloos trekken geweest om dat bandontwerp van hem los te krijgen.

 

Einde juli, later dan hun oorspronkelijke plan, vertrokken Couperus en Elisabeth naar Berthemont, waar zij hun intrek namen in Hotel Tarelli. Een ideale vakantie werd het niet bepaald. Elisabeth was, zo schreef Cou-

[p. 266]

perus zijn uitgever,33 ‘nog al souffrant, voet verstuikt, koorts etc. en dat als men van de frissche berglucht wil profiteeren. Het is hier wel wat te koud, wij zitten soms tusschen de wolken.’. Om zich wat te verstrooien schreef Couperus, die blijkbaar eens even afstand van de Kleine zielen wilde nemen, nog in juli voor de verandering een sprookje, De prinses met de blauwe haren.34 Daar dit over een kranke koningsdochter gaat die bezig is weg te kwijnen, heeft het er veel van dat hij het Elisabeth als een spiegel voorhield: de prinses geneest zodra zij zich haar liefde voor een jonge tovenaar bewust wordt. Deze bemint haar zeer en dient haar met goede raad. Had Elisabeth opnieuw een depressie te verwerken, zoals het jaar tevoren in Den Haag, toen haar benen zelfs dienst weigerden en zij behandeld moest worden met hypnose vanwege haar ‘nerfjes’?

Magnifiek was rondom de natuur. In het hotel logeerden wat Couperus noemde mooie geestige vrouwen. Elisabeth trok een beetje bij en kreeg in de loop van augustus in Hotel Tarelli nog twee andere sprookjes te verwerken. Het ene, Van de kristallen torens,35 vertelt over een dochter van Merlijn die opgesloten wordt in een toren, van waaruit zij liefde opvat voor een eveneens in een toren opgesloten jongeman. Deze is weliswaar haar broeder, maar tevens voorbestemd haar echtgenoot te worden. Ook dit was een verwante situatie. Niet de lichamen maar de zielen huwen elkaar tenslotte. De twee bereiken elkaar, bevrijd uit hun torens, in het licht van een ster: symbool reeds van het zielehuwelijk, dat in Metamorfoze gesloten werd tussen Hugo/Louis en Emilie/Elisabeth. - Het andere sprookje, Van dagen en seizoenen36 gaat over de dood, die het hele leven opeist eer het werkelijke leven bereikt wordt. Aan deze zijde van het graf is alles eindig - Couperus gebruikt onder meer het beeld van een klein jongetje dat de door hem gevangen vlinders dood ziet gaan in zijn handen - maar als alle dagen en seizoenen eenmaal zullen zijn ingeleverd, is de schuld betaald en breekt het ware leven aan dat duizenden jaren duren zal. Couperus heeft het theosofische verhaal duidelijk voor zichzelf geschreven. Elisabeth kon het echter eveneens zonder bezwaar op zichzelf betrekken.

De weken in Berthemont gingen vlug voorbij. In september, terug in Nice, zette Couperus zich vrijwel meteen aan het schrijven van Zielenschemering, het derde deel van De boeken der kleine sleten. Het werk vorderde vlot. Met ijver en plezier zag hij onder zijn handen het weefsel groeien. Maar de sprookjes lieten hem nog niet helemaal los. Ze brachten hem zelfs

[p. 267]

op een tamelijk curieus idee. Hij wilde ze bundelen, er duizend gulden voor hebben en dit bedrag dan als een aangename verrassing schenken aan haar die er zo nauw bij betrokken was: Elisabeth natuurlijk. Die zou er, zo meende hij, erg blij mee zijn, niet zozeer om de inhoud als wel omdat de bodem van de echtelijke schatkist - die zij beheerde - opnieuw duidelijk te zien was. De duizend gulden zouden als bij toverslag (Couperus voelde zich zelf een beetje Merlijn) een ‘kleine moeilijkheid, die haar en mij op het oogenblik doet rekenen en rekenen’ doen verdwijnen.37 Royaal stelde hij Veen voor, er tegen het genoemde bedrag - dat hij als voorschot eigenlijk maar vast meteen wilde hebben; kon het dezer dagen even overgemaakt woorden? - desnoods nog een paar verhaaltjes aan toe te voegen. Die moesten dan snel even geschreven worden!

Veen ging er op in. Nog in september fabriceerde Couperus daarop Van de onzalige erfenis38 een vreemd verhaal waarin een heks zich van de ziel meester maakt die haar nolens volens wordt afgestaan door een rijke erfgenaam. Aan het slot wordt deze toch nog gered door een maagdelijke blanke jonkvrouw. - In december zou Couperus tenslotte het vijfde en laatste verhaal produceren waar de bundel, die eerst De astrale dood had moeten heten, zijn uiteindelijke titel aan ontleent: Over lichtende drempels.39

Oktober brak aan, met wisselvallig weer. Op de zeventiende verzond Couperus een brief aan Ram, wiens adres hij nu wist omdat Ram hem natuurlijk voor Babel bedankt had. Hij vertelde hem.40 ‘Ik schrijf, schrijf, schrijf maar. Wat wil je, het is het eenige wat ik kan (en nog maar misschien...; laten we niet al te zelfbewust zijn). Toch werk ik alleen maar een paar uren's morgens, maar dat met een regelmaat, beste Johan, die prijzenswaardig is, in een anders zoo losbandig mensch als ik. Je weet, dat de Kleine Zielen aan de kimmen dagen... Na de Kleine Zielen volgt Het late leven, daarna Zielenschemering (waaraan ik nu bezig ben); in de toekomst zal Het heilige Weten den cyclus voltooien. Onderwijl schrijf ik kleine sprookjes, Van de Prinses met de blauwe Haren om vriend Gids te vriend te houden, anders worden ze boos op mij, want Veen heeft hun alle de Kleine Zielen afgetroggeld, er blijft er geen een voor hen over.’ - Inderdaad had Couperus in de loop van een reeks onderhandelingen afgezien van voor-publikaties in het tijdschrift waar hij al zo lang aan had meegewerkt. Met hoge honoraria van Veen had hij de financiële nadelen daarvan echter uitstekend kunnen compenseren. Vooral een sprookje dat spoedig zou

[p. 268]

verschijnen in De Gids recommandeerde hij Ram: Van de kristallen torens. ‘Maar om het te lezen, moet je op dat oogenblik... van een kristallijnen ziele-onschuld zijn,’ voegde hij er veelbetekenend aan toe. Wat Ram hier uit Den Haag, waar hij op de Denneweg kamers had betrokken, op geantwoord heeft is helaas niet bekend.

Eind november verscheen het eerste deel van de cyclus, De kleine zielen, met de fraaie band van Theo J.J. Neuhuys.41 Veen stuurde het Couperus toe, die het pakje zenuwachtig openmaakte als was het zijn eerste roman. Bijzonder ermee in zijn schik was hij zeker. Niettemin constateerde hij geprikkeld dat de een of andere drukker zich op het laatste ogenblik toch weer allerlei eigendunkelijkheden had gepermitteerd, en argwanend informeerde hij bij zijn uitgever:42 ‘Ik vraag mij af, hoe kan dat gebeuren! Is dat weêr de corrector die in de Lijnen al mijn mannelijke salons, neutraal maakte?’ In dezelfde brief, gedateerd 22 november 1901, deelde hij mee bezig te zijn aan het slot van Zielenschemering. Elisabeth hielp gelukkig weer met kopiëren. Vijf dagen later was ook dit derde deel voltooid. Couperus las het zijn vrouw voor, die er diep melancholiek van werd. Het heilige weten zou vrolijker worden, beloofde hij. In januari 1902 hoopte hij er aan te beginnen.

 

Een dag voor hij deze brief schreef werd zijn broer Frans In Indië getroffen door een gevoelige slag. De kleine Louise kwam namelijk te overlijden. De dood van dit vijfjarige kindje, in Oengaran, moet vooral Couperus' vader wel getroffen hebben, die in 1862 immers ook zijn eigen kleine Louise, toen elfjaar oud, verloren had. Louis Couperus, zijn jongste zoon, droeg haar naam. - Papa zelf werd nu wel heel oud. Hij tobde met zijn gezondheid. Prostaatklachten, in die tijd nog niet zo gemakkelijk te verhelpen als nu, maakten hem het leven niet bepaald aangenamer.43 Zijn huishouding werd door Marie Vlielander Hein goed verzorgd. De trouwe meid Anna assisteerde haar daar bij. Door zijn geregelde correspondentie met Marie bleef Couperus in Nice goed op de hoogte van wat er zoal in de familie gebeurde. In de Surinamestraat had papa zijn werkkamer op de eerste etage aan de voorkant. Hij sliep aan de achterzijde, waar het grote huis een rustige, zij het niet uitgestrekte tuin had. Soms kon men hem in zichzelf horen praten. Om hem heen was het stil geworden. Van zijn eigen broers en zusters was niemand meer in leven. Wel had hij veel klein- en achterkleinkinderen, wie hij zeer genegen was.

[p. 269]

Op 20 juli 1901, vijfentachtig jaar oud, heeft papa voor het laatst bij de familienotaris Eikendal op het Noordeinde zijn testament bijgesteld. Een extra legaat zou na zijn overlijden naar zijn kleinzoon en naamgenoot John Ricus gaan, de oudste zoon van Frans, die hij als zijn stamhouder beschouwde. Ook Johanna en Marie Vlielander Hein werden bedacht, omdat zij hem zo goed hadden verzorgd. Van deze kleindochters hield hij heel veel. En dan was er nog de dochter van Johanna in Wiesbaden. Zij mocht eveneens een legaat verwachten, omdat zij de voornamen droeg - zij het in andere volgorde - van wijlen zijn echtgenote, Catharina Geertruida Reynst. Zij was al getrouwd, en heette nu mevrouw Advocaat-Fayan Vlielander Hein. Voor het overige mochten zijn eigen kinderen ten volle op hun legitieme portie rekenen. Ook Petrus Theodorus, de oudste zoon, die voorgoed in de psychiatrische inrichting verpleegd werd. Velen in de familie waren gestorven. Maar zij bleef groot en breidde zich telkens weer uit. Wie er wegvielen waren Couperussen, wie er bijkwamen daarentegen kinderen van de neven en nichten Baud en Vlielander Hein. De meisjes brachten allerlei nieuwe, vreemde namen in de familie.

Hoe hebben al deze mensen opgekeken toen het eerste van de vier delen Boeken der kleine zielen eind 1901 verscheen? Het zou boeiend zijn te weten wie zich in wie herkende. Het lijdt immers geen twijfel of Couperus heeft zich in belangrijke mate, zoals ook al in Eline Vere, laten inspireren door mensen en situaties uit zijn eigen nabije omgeving. Niet voor niets had hij eerst als titel De familie en de kennissen bedacht. In het verre Nice maakte hij zich hier echter allerminst druk over. Hoewel het boek in de jaren vlak voor 1900 speelt - de roman begint vermoedelijk in 1897 of 189844 - ontleende Couperus zijn materiaal, evenals hij dat bij De stille kracht gedaan had, ten dele aan een verder terugliggend verleden. - Presentexemplaren gingen traditiegetrouw naar zijn vader en naar zijn schoonmoeder Baud in Indië. Ook jhr. Johan Ram op de Denneweg kreeg het boek. ‘Dat is genoeg,’ liet Couperus zijn uitgever weten.45 Geen tantes, geen nichtjes, geen Netscher meer. Voorgoed ontbreken deed ook Jan ten Brink, die in 1901 te Leiden was overleden. Couperus' reactie op het heengaan van zijn leermeester, die hij zo bewonderde en aan wie hij omgekeerd zoveel te danken heeft gehad, kennen wij niet.

Precies op i januari 1902 wilde hij aan Het heilige weten beginnen. De maand december, een interval, gebruikte hij om de al genoemde novelle De astrale dood te schrijven.46 Iets theosofisch, zo omschreef hij het verhaal.

[p. 270]

De Gids, waar het speciaal voor bestemd was, heeft geweigerd het te publiceren. Voor Couperus was dat een geheel nieuwe ervaring. De redactie beweerde het té theosofisch en vooral ook onzedelijk te vinden. Nu had men De stille kracht al achter de rug, en de vraag mag dus wel gesteld worden of dit de ware reden is geweest. Over lichtende drempels, zoals de definitieve titel is geworden, is geschreven in een bui van artistieke dwaling. Couperus moet het, vermoeid van zoveel kleine zielen, tijdelijk met zijn kunstenaarsgeweten op een akkoordje hebben gegooid. Soms had hij daar verrassend weinig moeite mee. Zoals indertijd het wel zeer dubieuze Een ster onmiddellijk na Eline Vere ontstaan is - de inkt van Elines schitterende overlijdensscène nog maar nauwelijks droog -, zo liet Couperus zich nu na het prachtige slot van Zielenschemering probleemloos gaan in een noch qua taal, noch ook inhoudelijk aanvaardbaar proza. Het onderwerp alleen al! Een moeder sterft. De jongste dochter blijkt het kind van haar minnaar te zijn. De vader komt er achter, tracht het slachtoffer in een bordeel te dumpen, doet daarna een poging het te vermoorden - want deze niets dan goudstukken tellende bankier is q.q. natuurlijk een slecht mens (Scheurleer ten spijt) - maar wordt steeds weer tegengewerkt door de geheimzinnige geesteskrachten die mama en haar ‘boel’ vanuit het hiernamaals op hem laten inwerken. Eind goed al goed. Waarna deze geesten eindelijk definitief rust vinden in wat door Couperus een astrale dood genoemd wordt. Eventuele invloed van Maeterlinck heeft hier tot een twijfelachtig resultaat geleid... Tenzij men brood op de plank zo niet noemen wil.

In sneltreinvaart ging het daarna in januari verder met Het heilige weten, het laatste deel van de cyclus dat Couperus, doordat hij zich in de loop van het eerste deel op 1897-'98 had vastgelegd, noodgedwongen in de toekomst heeft moeten laten spelen. De lezer van nu merkt dit echter niet onmiddellijk. Couperus heeft getracht de stof zo tijdloos mogelijk te behandelen. ‘Waarlijk ik schrijf mij er dood aan,’ deelde hij Veen al spoedig mee.47 Een zekere vermoeidheid kenmerkt dan ook hier en daar dit sluitstuk, dat De man der eeuw had moeten heten omdat het over Addy van der Welcke als modern arts in de twintigste eeuw gaat. Wat in Babel al was voorbereid, culmineert in het werk van deze dokter: het begrip medelijden, dat ook in de eerdere delen van de romancyclus als motief reeds naar voren komt. Zo leert Constance het kennen door haar vriend Brauws, de voor de vrede strijdende wereldverbeteraar in Het late leven:48 ‘niemand

[p. 271]

wist, dat zij, aristocrate, voelde het groote Medelijden voor haar werelden-tijd, het had leeren voelen van hèm... door hèm... alles, alles, geheel haar late leven...’ Een alter ego van Couperus, de figuur Paul in het boek, verklaart in Zielenschemering:49 ‘wat is er mooier en heerlijker en nieuwer dan het medelijden... het heusche Medelijden voor al het menschelijkellendige... Ik, ik voel het ook, al kom ik niet van mijn divan.’ Overigens voegt hij er aan toe: ‘Maar even als ik het voel en niet van mijn divan kom, zoo voelt de heele wereld de nieuwe idee van Medelijden en komt niet van zijn divan...’!

Het heilige weten, waarin de gedachte van het medelijden geconcretiseerd wordt, heeft Couperus nogal wat moeite gekost. Bij herhaling heeft hij het werk ook moeten onderbreken, aanvankelijk omdat hij grote stukken van de eerder geschreven delen voor de drukker moest overschrijven - Elisabeth maakte blijkbaar weer eens grève -, vervolgens omdat hij er door anderen van af gehaald werd. Enkele nieuwe kennissen hebben hem kennelijk overreed zich eens wat te ontspannen.

Het beroemde carnaval van Nice bood daartoe alle gelegenheid. Toen dit uitbundige feest in alle hevigheid losbrak, liet Couperus er zich helemaal door meeslepen:50 ‘...we zijn allemaal gek, en komen's avonds niet voor drie uur (dan is het vroeg) op ons bed! Het werk ligt er onder plat op den grond! Nog een week zoo, en ik ben dood! [...] Het Heilige Weten vordert niet, faute aan Carnaval!! Enfin, later, spoedig gaan we weêr aan het werk, want ik mis het erg, als ik niet geregeld werk.’ Steeds maar weer dronk hij champagne. Mee wie? Zijn latere vriend Orlando was toen nog niet in zicht. Waarschijnlijk moeten wij het onder meer in de kring van zijn mondaine huisarts zoeken. Leden van diens thee-koortje vallen stellig in de termen. En verder was er dan nog mevrouw Scheurleer, die al sedert geruime tijd in Hôtel Beau-Rivage verbleef. (Of bepaalde verhalen van haar iets met het bankiersdrama Over lichtende drempels te maken kunnen hebben? Het is niet meer dan een suggestie.) Hoe dan ook, Couperus heeft Het heilige weten niet in Nice kunnen voltooien. De laatste regels zou hij in Wiesbaden schrijven, tussen 10 en 14 juni, toen hij daar zijn zuster Johanna weer was gaan opzoeken.

Hoe oordeelde hij nu zelf over de cyclus van De boeken der kleine zielen in zijn geheel, in de dagen dat hij deze - onbetwistbaar een van zijn meesterwerken - vrijwel voltooid had? Een bijzonder aardige brief van 27 mei 1902 licht ons daar over in.51 Couperus heeft hem nog uit Nice aan zijn

[p. 272]

nicht Marie Vlielander Hein geschreven, de nimmer getrouwde, toen eenendertig jaar oude schilderes die zich nog steeds in hoofdzaak met de verzorging van zijn vader bezig hield (maar lang zou dat niet duren): ‘Lieve, beste Mies! Eindelijk eens een brief van je! Nu, ik had ook wel eens kunnen schrijven, maar heusch, veel brieven dat gaat niet, ik heb al zooveel te pennen, zooveel proeven na te zien, altijd letters en nog eens letters: alleen, als ik een brief krijg, dan antwoord ik plichtmatig dadelijk, dus... als je wat hooren wil, moet je wel schrijven!! Het is niet lief van me, maar de litteratuur is er de schuld van.

Ik vind het zoo gezellig als je uitweidt over mijn laatste boeken. Het is een heel werk, zoo een serie van vier Boeken, ik had niet gedacht dat het zoo moeilijk was! In ons vak blijft er ook altijd nog te leeren en kan je eigenlijk ook nooit iets - zooals de schilders zeggen. Het eerste Boek vind ik als expozitie wel geslaagd, in sommige opzichten veel beter dan het Late Leven: dat vind ik après coup te novellistisch opgevat, niet in het kader passen van de anderen, hoewel het psychologiesch wel juist het eerste vervolgt en zich er aan sluit. Het is ook zoo verbazend moeilijk!! Ik geloof dat de volgende Boeken: Zielenschemering en Het Heilige Weten de mooiste zijn, dat denk ik ten minste nu. De laatste scène van het Heilige Weten pakte mij erg aan: jammer, dat ik het boek niet afkrijg voor 1 Juni - dan gaan wij weg, maar het heeft niet mogen zijn: nu zullen wij maar zien op reis. Het doet me pleizier dat je de storm hebt opgelet - je bent soms zoo vatbaar voor détails, dat vind ik zoo leuk: ik heb de Hollandsche lucht en de Hollandsche wind door het heele werk, hoop ik, vastgehouden, ook al kan ik niet anders dan het symbolistisch doen: Constance en de storm is b.v. wel heel erg symbolistisch - het groote leven, dat binnen wil waaien in het kleine huis, en waarvoor haar jongen haar beschermen moet - maar zoo ben ik nu eenmaal. Een kritiek heeft verteld, dat er zulke Italiaansche luchten en tinten van oude Italiaansche meesters in mijn boek waren!! En dat, als je al je moeite doet de atmosfeer grauw en Hollandsch te houden!! Ach, wij arme auteurs! Nu en dan lacht ook de zomer of schittert de sneeuw even er door heen, de sneeuw als doodsbeklemming op het einde van het Derde Boek, maar meestal zijn het de wind en de regen en de groote wolkluchten.

- Brauws, ja, is misschien wel wat vaag van teekening, voor anderen: ik zie hem wel. - Over Constances geheele ontwikkeling, de vier boeken door, ben ik wel tevreden. Betty heeft een liefde voor... van der Welcke

[p. 273]

opgevat. Er zijn scènes in het Eerste Boek - van Fine en Cateau - die mijzelf altijd weêr doen grinniken van pleizier!! De laatste scène van Boek i was heel heel lastig en is, geloofik, wel goed geworden. Maar ik ga mezelf niet verder ophemelen. Er ontbreekt o, zoo een boel aan, en dat novellistische in Het Late Leven ergert me telkens. De twee laatste boeken zitten solider in elkaâr. Heel moeilijk in Het Late Leven was de dubbele liefde, terwijl van geen der vier personages éen woord van liefde tot de ander geuit werd!!! Enfin, het is een moeilijk boeltje geweest, en de leek, die misschien zegt: Couperus maakt er zich nu eens gemakkelijk van af - gewoone menschen, gewoone woorden - en niet meer tooveratmosfeer en schitterende Psyche-frazes, weet er niets van!!

Als de serie af is, om te verstrooien van die daagschheid der kleine zielen, ga ik iets heel anders schrijven, me baden in de symboliek en me dompelen in schittering van stijl!! Het boek zal heeten: De Zonen der Zon, maar vertel er nog maar niets van. Ik heb al eenige beginscènes, maar werk er eerst aan, als de Zielen af zijn.’

Het verhaal dat Couperus toen al weer in zijn hoofd had, zou hij nadat hij het voltooid had combineren met een bijpassend stuk proza, Jahve. Als God en goden is het een van zijn onleesbaarste doch tevens, wat zijn eigen voorkeur aangaat, dierbaarste boeken geworden. Niet de eerste paradox waar wij bij hem op stuiten. - Wat de brief aan Marie (Mies) betreft, het slot ervan vertelt iets over de situatie in zijn huis kort voor zijn vertrek naar Duitsland. Het is amusant genoeg om hier eveneens te citeren: ‘We zitten op een puntje in Betly's boudoir, een bed hebben we ook nog, maar anders is alles ingepakt in couranten, alle stoelen verbeeld je, overal naftaline, voor de motten! O, die ellendige beesten, Mies, er is niets aan te doen, ons tapijt is er al vol van, en à grands frais heb ik het verleden zomer overal laten opnemen en aan den behanger gegeven om te bewaren, maar tegen de motten van Nice is niets te doen! Ook de zon ruïneert hier gordijnen en tapijten: van Deurses eikenhout springt en kraakt; het is alles het klimaat, dat de boel aangrijpt. Betty zegt, als het de meubels aangrijpt, wat zal het dan mij (haar) aangrijpen: ze is bang hier gauw oud en ratatinće te worden!

Wij gaan eerst naar Wiesbaden en hopen ergens sneeuw en ijs te vinden; in Augustus denken wij wat in Zwitserland te scharrelen. Wij zijn geen zomerreizigers, maar het zou niet goed zijn hier iederen zomer te blijven!

En nu adieu, beste meid: ik heb veel met mama gecorrespondeerd...

[p. 274]

over iemand, die ons beiden zeer aan het hart ligt. Vraag er maar eens naar, als er een moment voor is. Heel veel liefs van Betty, schrijf me nu eens weêr vóor Zielenschemering uitkomt, hoor! Yours Louis.’

Het is niet moeilijk te raden wie hem en zijn zuster Cateau zo na aan het hart lag, maar wiens naam hij in deze brief aan Mies niet wilde noemen: zijn vader. Misschien was hij bang dat deze hem onder ogen zou kunnen krijgen. Wat de correspondentie met Cateau betreft, die lijkt verloren te zijn gegaan. Een betreurenswaardig feit. Hoe graag zouden wij niet wat meer willen weten over juist de relatie tussen Couperus en zijn vader, in het laatste jaar van diens leven. Van Booven weet te vertellen dat John Ricus senior reeds in de zomer van 1902 zijn einde voelde naderen.52 De kinderen in het buitenland zouden dit niet geweten hebben. Voor Couperus kan dat overigens nauwelijks opgaan, daar zowel Cateau als Marie Vlielander Hein hem en Elisabeth op de hoogte moeten hebben gehouden.

Een week voor Couperus op 2 juni naar Wiesbaden vertrok, kreeg hij bericht van zijn uitgever dat diens vrouw van een tweede kind was bevallen, een zoon ditmaal. Het jongetje, dat helaas maar kort te leven had, werd naar zijn vader Lambertus Jacobus genoemd. ‘Van harte onze beste wenschen met den stamhouder!’ zo reageerde Couperus nog op 1 juni uit Nice.53 ‘Hoera! Dat zijn rijke-luis-wenschen vervuld, een meisje en een jongen! Wij zijn in onze schik dat alles zoo goed afliep. Hulde aan de moeder!!’

Een dag later reisde hij mee Elisabeth af naar Wiesbaden, om er voorlopig weer zijn intrek in het Promenade Hotel te nemen. Van daar berichtte hij Veen, die geïnformeerd had hoe het nu toch met Elisabeth ging - hij had er belang bij het te weten, daar Couperus anders weer zelf al zijn manuscripten zou moeten overschrijven, waarmee kostbare tijd verloren ging - dat deze het wel goed maakte. Zowel zij als hijzelf waren echter aan rust toe, na een erg drukke winter.54

Couperus nam het er een beetje van. 's Morgens en 's avonds ging hij uit. De middag hield hij open om wat te werken. Hoewel hij dus weinig uitvoerde, was dit toch nog juist zoveel dat hij op 14 juni kon melden:55Het Heilige Weten is af: de vrouw heeft er om geweend!’ De voltooiing van de cyclus met zijn respectabele omvang was daarmee een feit. Dat hij dit sluitstuk in Wiesbaden geschreven heeft, blijkt overigens niet uit de signatuur, die hij gewend was aan het eind van zijn boeken te plaatsen. Wij

[p. 275]

lezen daar namelijk: ‘Nice, Jan.-Aug. 1902’ Ook na Wiesbaden heeft hij er dus nog aan verbeterd, waarschijnlijk bij het overschrijven.

Dit keer is Couperus langer dan gewoonlijk in de koele, plezierige badplaats gebleven. Spoedig verwisselde hij het dure hotel voor een wat eenvoudiger pension: Rheinstrasse 20, bij een zeker Fraülein Grattenauer. Intussen waarschuwde hij Veen in Amsterdam dat de revisie van Zielenschemering nog aan Johan Ram gezonden moest worden,56 ‘om hem te laten zien of ik domheden doe met mijn ritmeester!’ Dit is een aanwijzing dat hij de figuur van Gerrit van Lowe behalve op Gerrit Jäger ook ten dele op zijn vriend Ram zal hebben gebaseerd. Niet alleen moet het Ram zijn geweest, die hem beroepshalve op de hoogte bracht van de faits et gestes van een ritmeester in het Den Haag van rond de eeuwwisseling. Tevens zal vermoedelijk het gecompliceerde karakter van Gerrit, met zijn tegenstrijdige gevoelens en eigenschappen, door Couperus aan Ram ontleend zijn. Gerrit valt er in de roman zozeer aan ten prooi, dat het zijn ondergang wordt. Hiermee heeft Couperus dan het toekomstig lot voorspeld van Ram, die in 1913 een einde aan zijn leven zou maken door zich een kogel door het hoofd te schieten. - Met zelfmoord heeft Couperus zich in de loop van zijn leven bij herhaling geconfronteerd gezien. Het was niet zomaar een, in zijn werk frequent voorkomend, literair motief.

Gedurende de maand juli werd het handschrift van Het heilige weten door Couperus te Wiesbaden bij een Duitse vriend in de brandkast gedeponeerd.57 Uit niets valt op te maken wie dit geweest kan zijn. Waarschijnlijk betreft het een kennis van zijn zuster Johanna. Niet alleen dit manuscript had hij in zijn koffers uit Nice meegenomen, ook de beginscènes van De zonen der zon, waar hij op 27 mei in zijn brief aan Marie Vlielander Hein al over gerept had, vergezelden hem op reis. In het pension haalde hij ze voor de dag. ‘Ik ben begonnen aan een grooter symbolistisch verhaal (sprookje als je wilt, maar het wordt grooter dan Babel) De Zonen der Zon,’ schreef hij aan Veen.58 Haast maakte hij er niet mee, hij wilde eigenlijk alleen maar wat omhanden hebben: ‘Ik werk hier heel rustigjes: een uurtje per dag, om niet heelemaal te verzomeren.’

Begin augustus zei hij Wiesbaden vaarwel. Het is wel vreemd dat hij niet naar Holland is doorgereisd, al was het maar voor korte tijd. Heeft hij de toestand van zijn vader toch onderschat, zoals hij indertijd ook was weggegaan kort voor het overlijden van zijn zieke moeder? Of zag hij er om andere redenen de noodzaak niet van in? - Hoe dit ook zij, Elisabeth en

[p. 276]

hij reisden naar Luzern, waar zij afstapten in Pension Felsberg. (Van Booeven vergiste zich toen hij schreef dat Couperus deze gehele zomer in het warme Nice zou zijn blijven werken.59 In dit geval liet hij zich door Couperus zelf misleiden, die De zonen der zon inderdaad abusievelijk heeft voorzien van de datering ‘Nice, Juni-November 11.’)

Van Luzern ging het echtpaar naar Genève - pension Coupier - om pas de eerste september naar Nice terug te keren. De hitte aldaar was nog steeds groot. Toch speet het Couperus allerminst nu weer rustig thuis te zijn. In zijn eigen kamer kon hij prettig werken. Incognito als het ware: van zijn kennissen was officieel nog niemand terug.

Toen pas biechtte hij Veen op wat hij in Genève eigenlijk had bekokstoofd.60 Het betrof een plan dat zowel voor De Gids als voor Couperus zelf belangrijke gevolgen heeft gehad. W.G. van Nouhuys is hem daar namelijk komen bezoeken om hem een voorstel te doen. Enthousiast als Van Nouhuys was over Couperus' jongste werk en zijn literaire ontwikkeling in het algemeen, beschouwde hij hem als de bij uitstek aangewezen persoon om deel uit te maken van de redactie van een nieuw tijdschrift dat hij stichten wilde. Zo is de geboorte van Groot-Nederland in zijn werk gegaan. Per 1 januari 1903 zou het maandblad zich presenteren, met als redactie W.G. van Nouhuys, Cyriel Buysse en Louis Couperus. Het zou een tijdschrift op coöperatieve grondslag worden. De redactie werd derhalve mede-eigenaar.

De vraag wat Couperus bewogen heeft mee te doen is niet moeilijk te beantwoorden. Hij bevestigt dit antwoord trouwens zelf. Was zijn redacteurschap van De Gids geen succes geweest - de korte duur ervan nog daargelaten - nu leken zich meer perspectieven te openen: ‘Ik heb er lang over nagedacht,’ schreef hij Veen; ‘als het een toekomst heeft, kan het echter finantieel wel iets zijn. [...] Ook verlaat ik de Gids, het geen mij wel aan het harte gaat. Maar de geldduivel overheerscht dikwijls in 's menschen hart.’ - Speelt hier enige rancune mee vanwege het feit dat Van Hall de ‘onzedelijke’ draak Over lichtende drempels had durven weigeren?

Couperus was in de wolken en heeft in een in memoriam bij Van Nouhuys' dood in september 1914 hun overeenkomst met liefde herdacht.61 ‘Ik herinner mij steeds de avond in Genève, op het balkon van mijn kamer,’ schreef hij toen. ‘Gij waart daarheen gekomen, in opdracht van onze uitgevers, mij te verzoeken deel uit te maken van de Redactie van het op te richten Tijdschrift. Ik weigerde eerst, niet waar, mij veront-

[p. 277]

schuldigende, dat mijn afwezigheid eene verhindering zoû zijn voor mijn redacteurschap. Maar gij hieldt aan, en ik gaf toe. Gij wist mij te vleien, met het weldadig aandoende woord, dat méer is dan vleierij, dat inhoudt de kracht ingietende sympathieke fluïde. En terwijl wij elkander de hand gaven, zag ik de vreugde, dat gij geslaagd waart met het doel uwer reis, maar zag ik ook de vreugde om uw reis zelve. Het zachtblauwe meer onder den zomer-starrelucht, de verre, vage Mont-Blanc-karteling daar tegen, de stad zelve tintelend van dutzende lichten, die neêr tinkelden diep in het water, riepen uwe verrukking op. En ik was blijde u die beide voldoeningen te geven, maar gij gaaft mij méer ten zelfden tijd: zelfvertrouwen en kracht.’

En uitzicht op betere financiën...! - Voor Veen had het nieuwe tijdschrift consequenties die Couperus minder interesseerden. Al zijn toekomstig werk zou nu voortaan eerst in Groot-Nederland moeten verschijnen. Het maandblad wilde natuurlijk blijvend kunnen rekenen op vaste bijdragen van meer dan gemiddelde kwaliteit. Betekende dit voor Couperus de zekerheid van een bepaald kwantum harde Hollandse guldens, voor Veen had het andere gevolgen: nimmer zou hij Couperus' werk meer als ‘inédit’ kunnen uitgeven, zoals dat met De boeken der kleine zielen nog gebeurd was. De verrassing van de primeur ging daarmee verder voorgoed zijn neus voorbij.

Inderdaad bestemde Couperus meteen de tekst van De zonen der zon voor Groot-Nederland. (Wat de twee mederedactieleden van nu juist dit proza in hun nieuwe tijdschrift gevonden hebben, is helaas niet overgeleverd. Een ‘publiekstrekker’ was het nu niet bepaald.) Veen zag zich voor een fait accompli geplaatst. Wat heeft hij gedacht bij Couperus' troostwoorden: ‘Groot Nederland zal in den eersten tijd wel minder gelezen worden dan de Gids; dus ge profiteert er nog bij’(!?)

 

Zielenschemering was nog niet verschenen maar wel al in druk. De twee eerste delen van De boeken der kleine zielen zijn daarmee het laatste proza dat papa John Ricus nog van zijn jongste zoon heeft kunnen lezen. Of was hij daar al te ziek voor? - Op 13 oktober ontving Veen een vierregelig briefje van zijn auteur. Niet uit Nice, zoals hij waarschijnlijk verwachtte, maar uit Den Haag. De inhoud vermeldde, behalve iets over drukproeven:62 ‘Ik ben hier, om treurige redenen, mijn vader is stervende.’

De hoogbejaarde man, wiens lange leven bijna de gehele negentiende

[p. 278]

eeuw had bestreken, was op zesentachtigjarige leeftijd eindelijk heengegaan. - Louis Couperus, nu ruim negenendertig jaar oud, had voortaan geen ouderlijk huis meer. Surinamestraat 20 zou spoedig in andere handen overgaan.

Op woensdag 15 oktober 1902 werd mr. John Ricus Couperus op de Algemene Begraafplaats te Den Haag naast zijn echtgenote begraven, in de grafkelder van de familie Reynst.

Minder dan een week later reisde Couperus terug naar Nice. Elisabeth, die niet mee was gegaan, wachtte hem daar in de Villa Jules. Op 6 november schreef hij Veen:63 ‘Mijn grootere roman voor het volgende jaar zal zijn Oude Menschen.’

De dood van zijn vader had hem op een nieuw onderwerp gebracht. De afrekening met het Hollandse, Haags-Indische verleden, gerealiseerd in De boeken der kleine zielen, zou in een laatste familieroman voorgoed voltooid worden.