Louis Couperus. Een biografie


auteur: F.L. Bastet


bron: F.L. Bastet, Louis Couperus. Een biografie. Em. Querido's Uitgeverij B.V., Amsterdam 1987  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

II [1902-1903]

In zijn grote romancyclus heeft Couperus veel ervaringen en beelden verweven die met elkaar het Den Haag van rond de eeuwwisseling op onvergetelijke wijze oproepen. Natuurlijk is alles wat hij er aan toegevoegd heeft belangrijker dan welk aan de werkelijkheid ontleend element ook. De liefde en warmte waarmee hij de viermaal twee boeken geschreven heeft, zijn psychologisch inzicht, zijn talent voor dramatische handeling, zijn superieure hantering van de taal, de ideeënwereld op zichzelf, staan voorop. De schildering van het milieu dat hij zo goed kende draagt het kenmerk van sterke authenticiteit. De uiterlijke wereld is tot een innerlijke geworden op superieure wijze.1

Het is een weerspiegeling van Haags leven in de kringen der hogere bourgeoisie. Wat er in de lagere milieus omging had zijn interesse niet en bij gebrek aan vertrouwdheid daar mee zou hij dat ook nooit hebben kunnen beschrijven. Couperus had echter genoeg zelfinzicht om zich daar ook niet aan te wagen. Wat hem wezensvreemd was liet hij liggen. Zijn wereld was die van een elite. Zijn gezichtshoek was die van iemand die zelf nooit in vaste dienst werkzaam is geweest en eigenlijk ook nauwelijks besefte wat dat betekende. In de wereld van de werkende man was hij een

[p. 279]

buitenstaander. Wat hij het beste kende waren vrouwen in haar beschermde omgeving, de kringen van oudere heren die niet meer werkten of nooit serieus gewerkt hadden, waarbij zijn inlevingsvermogen zich vooral richtte op hun gevoelens. Couperus benaderde zijn figuren sterk intuïtief. Dit verhinderde niet dat hij de voosheid van dit milieu perfect observeerde en weergaf. Eigen waardeoordelen relativeerde hij overigens steeds weer. ‘Het is alles om niets,’ denkt Addy aan het eind van De kleine zielen. De cyclus had dit wel als motto mee kunnen krijgen. Wat Couperus bezielde was een groot medelijden met dat deel van de samenleving waar hij zelf een onlosmakelijk deel van uitmaakte. Niet voor niets was reeds de Cyrus uit Babel van hoogmoed tot nederigheid geraakt. Cyrus was met open handen afgedaald van zijn verhevenheid en had zijn ziel geopend om te kunnen ontvangen en teruggeven. Juist dit was het geweest waar Astarte zich aan het slot zo over verheugd had. Couperus zag dit als zijn eigen opdracht.

Veel Haagse elementen zijn ontleend aan de realiteit. Het huis in de Alexanderstraat was in werkelijkheid het huis Sophialaan 12. Zoals Constance van der Welcke was ook hij daar uit getrouwd. De serre waar de tantes Rien en Tien plachten te zitten - ongetwijfeld familiefiguren, al kennen wij ze niet meer - bestaat nog altijd.

In dit huis ook heeft het grote portret gehangen dat als een symbool van vroegere grootheid was: de overleden vroegere gouverneur-generaal. In werkelijkheid betrof het een portret van de oud-minister van Koloniën G.L. Baud,2 Couperus' oom en Elisabeths grootvader. Het laat Baud zien in ministeriële galakledij, met ordetekenen en gouden borduursels. Het is even star en officieel als het schilderij uit de roman. G.L. Baud was een neef van J.C. Baud, die van 1833 tot 1836 het hoge ambt ad interim bekleed heeft. Couperus' eigen grootvader Reynst was eveneens waarnemend gouveneur-generaal geweest. Het portret had dus meer dan alleen maar symbolische waarde. De vroegere ‘grandeur’ in de familie berustte op werkelijkheid.

Daar komt bij dat G.L. Baud tot tweemaal toe op een haar na werkelijk gouverneur-generaal is geworden. Hij heeft een indrukwekkende carrière gemaakt, voor een deel in Indië. Reeds op tweeëndertigjarige leeftijd werd hij resident van Kediri, en vijf jaar later, in 1838, resident van Semarang. In 1845 vertrok hij naar Nederland. Zijn neef J.C. Baud was toen minister van Koloniën. Zij hadden echter geen goede relatie. Van 1848 tot

[p. 280]

1849 werd G.L. Baud zelf minister van Koloniën. Het is in 1850 geweest, dat hem het gouverneur-generaalschap werd aangeboden. Maar hij trok zich terug toen hem bleek dat een aantal van zijn voorwaarden niet gehonoreerd zouden worden. Hij werd toen, tot 1858, lid van de Raad van State.

In 1861 werd hem opnieuw de portefeuille van Koloniën aangeboden. Baud weigerde echter. Bijna is hij in 1866 alsnog gouverneur-generaal geworden. Allerlei intriges hebben dit verhinderd, zo heet het. Aan zijn Indische tijd bewaarde hij een wonderlijk souvenir... In Kediri was indertijd op hem een aanslag gepleegd. De muiteling, Sindergo, werd onmiddellijk gedood, en men offreerde de gewonde doch geredde resident als aandenken diens schedel. Baud heeft die tot zijn dood toe zuinig bewaard. Een tijdgenoot tekent ons deze oom van Couperus als een statige man, op negentigjarige leeftijd nog volledig bij de pinken en kaarsrecht van houding.3

Het is maar zeer ten dele waar dat Couperus, zoals wel eens gezegd is, in Den Haag min of meer aan de zelfkant van de aristocratie geleefd zou hebben. Mogen er ook kringen niet zeer toegankelijk voor hem zijn geweest, en mag zijn eigen moeder er misschien ‘ontoonbaar’ Indisch hebben uitgezien, dit nam niet weg dat de families Baud, Reynst en Couperus aanzien genoeg genoten. Dat er inderdaad sprake was van een ‘grandeur déchue’ doet daar niet veel aan af. Ook dit was trouwens maar betrekkelijk. Couperus' eigen broer John Ricus heeft het tot resident van Djokja gebracht, een positie die allerminst van grandeur gespeend was. Papa John Ricus is zelf op zijn oude dag bijna nog een keer minister geworden: in 1867 werd hem, zo zagen wij al, de portefeuille van Koloniën aangeboden.

In de romancyclus moeten vele verhalen van Couperus' moeder verwerkt zijn. Wij horen van Constances herinneringen aan haar meisjestijd, doorgebracht van haar twaalfde tot haar zeventiende in Buitenzorg. Als dochter van de gouverneur-generaal was de gouden pajong haar een begrip. Wanneer de familie binnenkwam werd het Wien Neêrlands Bloed gespeeld. Constance genoot ook van alle andere eerbewijzen. - Couperus' eigen moeder was vijftien jaar oud toen J.C. Reynst waarnemend gouverneur-generaal werd. Zij heeft al deze dingen uiteraard goed gekend, en zal er vaak genoeg over gesproken hebben. Bijna al haar kinderen waren in Indië geboren. Den Haag was voor haar maar Den Haag. Zij miste er

[p. 281]

alles wat het vroegere leven in Indië - een land waar de familie maatschappelijk wérkelijk tot de top behoorde - aan weelde, gemakken en genoegens te bieden had gehad.

Wat de verdere carrière van Constance betreft, haar Romeinse jaren bracht zij ook al op hoog niveau door. Het hofbal dat Couperus zelf in Romein 1895 bijwoonde bewijst wel dat hij daar over goede introducties beschikt heeft. Ook die kringen kende hij. Constance ‘vond in Rome de hofbals glanzender dan de raôuts in Den Haag; zij maakte kennis met allerlei groote namen’. Zo ook Couperus, die er echter weinig mee deed.

Lokaties als het huis van Karel en Cateau in de Oranjestraat, de woning van Gerrit in de Bankastraat, de wisselende pensions van Dorine (Couperus kende ze!), het Hôtel des Indes waar Constance tijdelijk verblijft, het deftige huis van de Van Naghels in het Bezuidenhout, het kleine huis van de Van der Welckes aan de Kerkhoflaan, het appartement van Ernst op de Nieuwe Uitleg en dat van Paul in de Houtstraat, dit alles speelt mede een rol. Op vele van deze adressen zal Couperus kennissen hebben gehad. Hun namen kennen wij helaas niet meer.

Anders staat het met huis en straat van de Van Saetzema's. De kleine zielen deel 11 opent met de beschrijving van een hoekhuis dat ‘niet in de lengte der huizenrei [sic] stond, maar in de breedte, en de straat half afsloot, als een hofje van groote huizen. De straat strekte zich vrij lang uit en, ook aan haar andere einde, sloot een huis ze ten deele af, en maakte waarlijk van ze een hofje, van gegoede lui.’ Couperus noemt de straat niet met name, en hij had daar redenen toe. Tot die gegoede lui behoorden namelijk zijn eigen ouders. De straat is fotografisch duidelijk de Surinamestraat, gezien en beschreven vanuit het haaks geplaatste huis nummer 42. Wellicht heeft de familie Couperus de bewoner ervan gekend, de rijksbouwmeester G.H. Peters die het huis van 1880-'81 tot 1920 bewoonde. In de gevel zien wij nog een steen die aan diens beroep herinnert, naast een reliëf met de door Couperus zo vereerde Venus van Botticelli.

De perken in het midden met hun kastanjebomen, de gevels met hun vele imposante vlaggestokken - nog altijd -, de grillige balkons, erkers en puntdakjes: geen enkele andere Haagse straat is in dit boek door Couperus zo nauwkeurig geobserveerd en beschreven. Het is daarmee de Haagse straat par excellence geworden. Couperus noemt ook de ouderdom ervan, ‘ongeveer twintig jaar’. De jaartallen in sommige gevels bevestigen dejuistheid daarvan, evenals het bouwjaar van papa Couperus' eigen huis.

[p. 282]

Curieus is de vermelding dat de vlaggestokken slechts tweemaal per jaar dienst hoefden te doen: als er gevlagd werd voor de koningin en voor haar moeder. Dit bepaalt het tijdstip waarop de roman begint na 1890, toen Willem iii gestorven is. Daar de heer Van Vreeswijck bovendien in dienst blijkt te zijn van de koningin-regentes - hij is kamerheer - hebben wij als terminus ante quem 31 augustus 1898.4

Ook buiten Den Haag heeft Couperus hem bekende lokaties beschreven. In Zielenschemering bij voorbeeld vertrekt de geesteszieke Ernst naar Nunspect. Bij dokter Van Heuvel zal hij zijn intrek nemen in een kliniek voor zenuwzieken. Van Heuvel en diens vrouw wonen er zelf in een ‘lieve villa’. Addy van der Welcke gaat zijn zieke oom daar een bezoek brengen. Het huis ligt van de weg af, in een schaduwrijke tuin. De kamer van Ernst is lief, ‘het uitzicht vroolijk... dokter Van Heuvel en zijn vrouw zijn hartelijke, eenvoudige menschen... Het zal zelfs geen isolatiekuur zijn.’ Vermoedelijk is hier dr. Jan Versteeg geportretteerd, die tussen 1879 en 1906 in Barneveld een dergelijke particuliere praktijk uitoefende.5 Hij woonde er in de Schoutenstraat. Op het nabij gelegen buitengoed Duinkerken opende hij in 1893 een inrichting voor zenuwpatiënten. In oktober 1897 heeft Minta Baud daar verblijf gehouden.

Dat Couperus een verschuiving van Barneveld naar Nunspeet toepaste deed hij niet zonder reden. Nunspeet immers kende hij zelf bijzonder goed, sinds hij daar met de Vlielander Heins bij herhaling 's zomers gelogeerd had. De villa die de oude mevrouw Van Lowe in Nunspeet huurt, is dan ook ongetwijfeld een reminiscentie aan het huis dat Couperus' zuster Catharina en haar echtgenoot Benjamin daar plachten te betrekken. In geïdealiseerde, om niet te zeggen geromantiseerde vorm heeft dit eerder al gestalte gekregen als De Horze in Eline Vere. Niet zomaar installeert mevrouw Van Lowe er zich ‘met Adeline en haar blonde troepje’, ook Catharina had daar altijd met haar kinderen gelogeerd.

Veel van Couperus' Veluwse ervaringen en herinneringen had hij al in zijn jeugdroman verwerkt en hij kon die moeilijk nogmaals gebruiken. Daarom concentreerde hij zich ditmaal op de tragische scènes waar de zenuwzieke Ernst een hoofdrol in speelt. Er is geen twijfel aan of in deze figuur heeft hij zijn krankzinnige broer Petrus Theodorus ten tonele gevoerd, die misschien ook wel eens daarbuiten bij de familie is geweest, in betere perioden. Met enige zekerheid valt daar overigens niets over te zeggen.

[p. 283]

Tenslotte is er Baarn, waar Bertha gaat wonen na de dood van Van Naghel. Financieel kan zij het dan niet goed meer bolwerken. Zij trekt zich in de roman in Baarn terug, samen met haar beide nog niet getrouwde dochters Louise en Marianne. In de kleine villa, waar in het boek sprake van is, woont zij spoedig met Marianne alleen. - De parallel met Couperus' tante Wilhelmina Baud en haar dochter Minta dringt zich op. Letterlijk was het de situatie die Couperus kende in de tijd dat hij zelf in Hilversum woonde: in Villa Minta. Meermalen ging hij zelf in Baarn logeren. Tante Wilhelmina Baud-Couperus - zij zou in 1899 komen te overlijden, in de tijd dat Couperus in Indië was - had er de villa Mon Repos betrokken. ‘Telkens als een trein aandreunde, hetzij ophield, hetzij doorstoomde in een nauwlijks verminderden vaart, beefde de kleine villa...’6 Het is een situatie die Couperus goed gekend moet hebben.

 

Naast deze decors hebben ook Couperus' familieleden en kennissen dus hun steentje aan de romancyclus bijgedragen, zij het dat het zelden portretten in de letterlijke zin zijn. Er is veeleer sprake van contaminaties. Zo is Bertha niet zo oud als tante Wilhelmina in werkelijkheid was. Van Naghel is minister, een ambt dat oom Baud vele jaren eerder bekleed had. Het geschilderde staatsieportret, zo zagen wij al, herinnert aan meer dan één illuster familielid van Couperus.

In de familie zelf bestond de overlevering dat Karel en Cateau gebaseerd waren op Minta's zuster en zwager Schuurbeque Boeye-Baud.7 Daar G.L. Baud en zijn vrouw in totaal veertien kinderen hebben gekregen, waarvan er in Couperus' jeugd nog negen in leven waren, moeten de bijeenkomsten in de Sofialaan inderdaad ware ‘familietaferelen’ geweest zijn. Elisabeth woonde ze bij als was zij een jongste zuster. Couperus stond genealogisch met al deze volle neven en nichten op dezelfde lijn. Vijf waren getrouwd, en brachten dus ook nog weer echtgenoten en kinderen mee. Wie van al deze mensen Couperus allemaal in zijn roman onderdak heeft verleend zal wel nooit meer kunnen worden vastgesteld.

Maar niet alleen familieleden spelen mee. Ritmeester Gerrit heeft, afgezien van vrouw en kinderen, veel van Gerrit Jäger en Johan Ram meegekregen, zowel wat zijn karakter als zijn ziekelijke hypochondrische neigingen aangaat. Ditmaal betreft het dus vrienden van Couperus. De zelfmoord door verdrinking van Gerrits vriendin Pauline in het Ververschingskanaal, berust ongetwijfeld op de identieke suïcide, in 1894, van Jäger.

[p. 284]

In Zielenschemering mag de beschrijving van Ernsts krankzinnigheid wel een van de aangrijpendste passages genoemd worden. Het is in 1893 geweest, dat in Het Vaderland bijna onzichtbaar verstopt een kleine bekendmaking heeft gestaan: ‘21 April 1893 is Petrus Theodorus Couperus op grond van krankzinnigheid onder curateele gesteld.’ Als curator trad Couperus' zwager op. Benjamin Vlielander Hein. Hiermee was de ernstige geestesziekte van Couperus' oudste broer niet langer een door de familie geheim gehouden feit. Heel Den Haag heeft er kennis van kunnen nemen. Hoe hard dit gevoelsmatig moet zijn aangekomen, blijkt uit de roman maar al te duidelijk. Het is Ernsts moeder, de oude mevrouw Van Lowe, die als eerste het woord krankzinnig uitspreekt.

Merkbaar zelf ontroerd, heeft Couperus het leed van zijn eigen moeder als volgt beschreven: ‘En schril klonk het woord, dat nog niemand tegen haar had uitgesproken - hoewel zij de beteekenis geraden had - door de duisterende kamer, waar verschrikt, om den schrillen klank van de snerpende stem der oude vrouw, plotseling alle fluisteringen zwegen. Alles zweeg er en om het woord voer een huivering door de kamer. De kinderen zagen elkander aan, omdat mama het woord had uitgesproken, het woord, dat zij niet hadden gezegd - ook al hadden zij, stil, het gedacht. Het woord, dat mama zoo schril uitsprak, bijna schreeuwende tegen Constance, in de onweerhoudbare pijn van haar verdriet, sloeg hen allen met een plotsen schrik - omdat het, uit mama's mond, klonk als de openlijke bevestiging van wat zij wel allen wisten, maar niet bevestigen wilden, dan in groot geheim tegen elkaar.’ Zo diep werd dit leed gevoeld, en zo groot was het taboe dat er op rustte, dat zelfs lang na Couperus' dood zijn weduwe er in het geheel niet over heeft willen spreken. In Van Boovens biografie wordt het volkomen verzwegen. Petrus Theodorus, krankzinnig gebleven tot zijn dood, is oud geworden. Pas op 7 maart 1928 stierf hij te Zeist.

Het is in het hoofdstuk daarna, dat Couperus alle smarten van zijn moeder opsomt, in de termen van de roman: de dood van haar dochtertjes, verdriet om wat Constance overkomen is, droefheid om de dood van Van Naghel, en dan: ‘Was het dan niet genoeg... dat een harer kinderen... gek was... het vreeslijkst wat zijn kan immers?’ - De advertentie met de datum 21 april mag gezien worden als de zware sluitsteen van een proces dat zich al een tiental jaren had voortgesleept. De oude mevrouw Couperus-Reynst heeft het niet verwerkt. Twee maanden voor het in de open-

[p. 285]

baarheid kwam is zij, op 15 februari 1893, overleden. Haar oudste zoon zat toen al voorgoed in de inrichting waarvan thuis het woord niet mocht worden uitgesproken: ‘het vreeslijke woord, dat aanduidde het huis van schande, familie-schande.’ Als krankzinnigheid door de familie zó werd ervaren, dan vraagt men zich in gemoede af, of Louis Couperus in dit Haagse milieu uit de negentiende eeuw zich ooit over zijn eigen, seksuele problematiek zal hebben durven uiten. Tenzij...

Wat is ‘Constance’ eigenlijk overkomen? Waarom heeft mama ook al zo hevig moeten lijden om wat genoemd wordt ‘Constance's schande’? Wie is eigenlijk ‘Constance’? - Haar tragedie is die van de sociale paria, uitgestoten uit haar kring omdat zij zich niet heeft gehouden aan de voorgeschreven gedragscode ván die kring. Als zodanig kon Couperus zich gemakkelijk mee haar vereenzelvigen, en zonder twijfel heeft hij in deze figuur ook veel van zichzelf gegeven. Overigens was het verschijnsel ‘gescheiden vrouw’ in de familie Couperus niet onbekend. Papa's eigen zuster Gesina Rica (1822-1892) is driemaal getrouwd geweest. De eerste keer werd zij weduwe. De tweede keer scheidde zij, van Constantijn L. Scheidler List, zoon van een minister van Oorlog. De derde keer trouwde zij, in 1865, met de dertien jaar jongere jhr. Gerard F. van de Poll. Het is niet uitgesloten dat deze tante van Louis Couperus - zuster en schoonzuster dus ook van de Bauds in de Sophialaan - in eerste instantie voor Constance model heeft gestaan, te meer daar de naam van haar eerste echtgenoot, De Sturler, maar weinig afwijkt van De Staffelaar uit het boek. Meer valt hier bij gebrek aan gegevens niet over te zeggen. De oorzaak van de echtscheiding is niet bekend, noch ook weten wij veel over jhr. Van de Poll. Diens moeder was een baronesse Van Heerdt uit Arnhem. Wellicht heeft de jonkheer model gestaan voor Henri baron Van der Welcke?

Wel degelijk bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat Couperus' moeder heeft geweten wat er met haar jongste zoon eigenlijk aan de hand was. In dat geval is ‘Constance's schande’ tevens een equivalent van Couperus' eigen ‘schande’. De romancyclus zou dan ten dele in een ander licht komen te staan. Alleen familiebrieven hadden hier de ontbrekende inlichtingen kunnen verschaffen.

De figuur Paul vormt nauwelijks een probleem. Voortdurend geeft zijn geestelijke vader hem dandyachtige Couperustheorieën in de mond. Hij is als het ware een wat karikaturaal uitgevallen zelfportret van de wat

[p. 286]

oudere Couperus die, na de huid van Hugo Aylva te hebben afgelegd, in die van de badinerende poseur is gekropen en graag de draak steekt met zijn eigen kokette eigenaardigheden. De poseur was echter een quasi-poseur. Het was een rol die Couperus goed lag. Achter dit masker school hij weg. Geheel afgelegd heeft hij het nimmer, en velen heeft hij er mee misleid. Tegen het einde van Het heilige weten laat hij Paul overigens terloops nog iets zeggen dat voor Couperus' eigen psychische gesteldheid onthullend is:8 ‘Liefde... dat is wel vreemd. Ik heb dat nooit gevoeld... Hij voelde zich rillen, en zei: - Het is koud, vandaag, Constance...’

Couperus' gevoelens konden zich inderdaad nog altijd niet richten op één persoon. Zijn liefde voor Elisabeth was iets anders, van familiaire aard, geslachtsloos. In De boeken der kleine zielen overstraalt zijn warme menselijkheid velen, om niet te zeggen iedereen: zonder uitzondering, want zelfs de tantes Rien en Tien, het kreng Adolfine en de zelfingenomen Karel en Cateau delen uiteindelijk in zijn mededogen. Jaren later heeft Couperus het eens aldus uitgedrukt:9 ‘Zet niet tusschen je zelf en een ander de fopspiegels van sympathie of antipathie! Het komt er per slot zoo weinig op aan hoe ik die medemensch vind - als kunstenaar moet het mij oneindig meer interesseeren hoe die ander is.’ Deze aan het naturalisme ontleende stelregel paste Couperus ook in de praktijk van het dagelijks leven toe.

Cyrus uit Babel, Addy uit De kleine zielen, ze zijn elkaar verwant. In de laatste figuur heeft Couperus het ideaalbeeld geschapen van hoe hij zelf het liefst had willen zijn. Wat Addy werkelijk bezielt, komt sterk tot uiting op het ogenblik dat hij in Nunspeet de krankzinnige Ernst tracht te helpen. Het wordt hem dan ineens duidelijk dat hij arts wil worden. Addy is een idealist, hij cijfert zichzelf weg, vervuld als hij is van het grote medelijden dat hij voelt voor iedereeen die hij op zijn weg tegenkomt en die om zijn hulp vraagt. In de realiteit heeft Couperus dit zo niet nagestreefd. Het lag niet in zijn vermogen. Zich geven kon hij alleen via de droomwereld van zijn kunst. Daarin deed hij het dan ook geheel.

Tenslotte zijn er dan nog de in de cyclus gebruikte namen. Vele daarvan gaan terug op zijn eigen familie. Adèle Lowe heette een nichtje, dochter van papa's oudste broer Henry. In de families Couperus, Baud, Reynst en Vlielander Hein komen wij verder als voornamen tegen: Adriaan, Bertha, Cateau (Catharina), Constance, Emilie, Frans, Geertrude, Geertruida, Henri, Johan, Karel, Louis(e), Marie, Mathilde, Paul, Paulina, Piet, et

[p. 287]

cetera. Tijdens het schrijven moet Couperus er een hele administratie aan gehad hebben. Dat hij zich met de leeftijden van al deze bijfiguren wel eens vergist blijkt te hebben, is niet te verwonderen.

Bij dit alles missen wij, zovele ontleningen ten spijt, heel sterk de weerspiegeling van één familielid - zoals ook al in Metamorfoze - dat nu juist voor zijn ontwikkeling van zoveel belang is geweest: papa Couperus. Er is in de cyclus geen enkele figuur die wij met enige overtuigingskracht kunnen vergelijken met Couperus' vader. De afrekening met zijn jeugd, of liever met zijn Haagse verleden, bleef daarmee onvolledig. Couperus lijkt dat zeer goed te hebben beseft. Niet voor niets schreef hij Veen, nog geen drie weken na de begrafenis van zijn vader, dat hij een nieuw romanonderwerp had gevonden: Oude Menschen. Wij zullen zien dat in De boeken der kleine zielen al elementen aanwezig zijn die in de pas in 1904 geschreven roman Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan... nader worden uitgewerkt. Voor de oude heer Takma zelf gaat dat echter niet op. Zijn vader heeft Couperus volledig ‘in reserve’ gehouden. Wat er van hem in de Takma-figuur doordringt, zal echter blijken van ontroerende menselijkheid te zijn. Ook voor papa Couperus gold, dat zijn zoon vooral getracht heeft te begrijpen.

Veen blijkt Couperus voorgesteld te hebben nog een vijfde deel aan de romancyclus toe te voegen.10 Een onbegrijpelijk voorstel: de eenheid van de vier delen, afgesloten door de dood van de oude mevrouw Van Lowe, is Veen dus volkomen ontgaan. Hoe onvergeeflijk die op zichzelf ook is, Couperus lijkt Veens suggestie toch goed in het oor geknoopt te hebben. Een vijfde deel heeft hij natuurlijk geen seconde overwogen. Wel heeft bij het voorstel op een andere manier beantwoord: na de dood van zijn vader wilde hij nog een állerlaatste Haagse roman schrijven, autobiografisch getint, waar hij stof genoeg voor had overgehouden. Van oudi menschen zou het schitterende sluitstuk worden van Couperus' Haagse tijd.

 

Voorlopig echter occupeerde hij zich met iets heel anders. De zonen der zon was toen zijn vader stierf al bijna voltooid. Begin november 1902 heeft hij de laatste hand gelegd aan dit wat hij noemde11 ‘grooter symbolistisch verhaal’. Hij had de idee ervan al in zijn gedachten ‘gecaresseerd’ toen hij nog met Het heilige weten bezig was. Dat er een verband moet zijn ligt voor de hand. Het zou moeilijk te vinden zijn, als Couperus ons niet zelf de sleutel had aangereikt.

[p. 288]

Het heilige weten gaat over een bepaalde intuïtie. Volgens Couperus is er12 ‘een heilig weten voor onszelf... zoo heilig, dat wij het weten alleen... wanneer de toekomst geworden is’. Deze woorden staan aan het einde, als bijna alle hoofdfiguren met hun mislukkingen geconfronteerd zijn. In de laatste regels worde dan, bij de dood van de oude moeder, over haar verteld:13 ‘Het hoofd rustte achterover, wit in het witte haar omlijst. Zij wist véle heilig weten en haar oude mond glimlachte er om, bemoedigend...’ Er is dus, ondanks alles, sprake van een positief einde. De mens moet in zijn toekomst vertrouwen. Uiteindelijk zal de lijn omhoog gaan.

In 1915, toen hij De zonen der zon in Den Haag heeft voorgedragen, schreef Couperus een inleiding die het in veler ogen duistere prozagedicht moest verhelderen.14 De kwintessens vatte hij aan het slot als volgt samen: ‘Wat is de wereld? Wat is de mensch? Waaruit ontsproten beiden en waarheen gaan beiden heen... Op deze ontzettende vragen antwoordde ik mijzelven alleen met dit prozagedicht, dat mij voldeed, omdat ik mijzelven kleine eischen stelde, antwoordde ik mij alleen met te dichten:

 
De wereld was een doovende zon...
 
De mensch een onterfde zonneling.
 
God was Licht en uit Duisternis schiep hij het heelal.
 
Onze zonde zal steeds zijn het ondoordringbaar geheim.
 
Maar nooit zal blijven wat werd,
 
En alles, eenmaal, zal weder terugvloeien in
 
Licht, zelfs de Duisternis zelve,
 
Tot alles verzoend zal zijn, en eeuwig.’

De lezing waarop hij dit als zijn overtuiging naar voren bracht vond plaats met op de achtergrond een prachtig Boeddhabeeld. Het stond daar niet voor niets. Boeddha is de ontwaakte, verlichte, tot inzicht gekomene. Het bestaan, zo leert het boeddhisme, is lijden. Door de levensdrang, die gegrond is op onwetendheid, zal dit lijden blijven. Het kan alleen overwonnen worden door de onwetendheid te overwinnen. Inzicht kan de levens-dorst vernietigen en de kring der causaliteit verbreken die van existentie naar existentie voert. Dan alleen bereikt men het nirwana. De weg daarheen betekent concentratie (samādhi), een proces van onthechting van het aardse. Deze concentratie bestaat uit vier trappen. Na de vierde, volgt dan het tot verlossing leidende inzicht.

[p. 289]

De nadruk in Het heilige weten ligt op het niet-weten van de kleine zielen. Addy's vrouw Mathilde drukt het duidelijk uit:15 ‘O, hoe moet het worden, hoe moet het worden... Juist... dat weet Addy ook niet... Weet ik het - weet ik het...? Neen... o God... ik ook niet...’ De enige die het grote geheim weet, is in de laatste regel van het boek de oude mevrouw Van Lowe. Als zij volslagen kinds is geworden en niets meer met dit aardse leven te maken heeft, bereikt zij het Heilige Weten. Dat dit na vier boeken gebeurt kan niet op toeval berusten. Couperus heeft daarmee ongetwijfeld de weg naar de verlossing in vier trappen willen aangeven. De moederfiguur is de enige die, na vier boeken strijd, inzicht bereikt. - Terwijl de oude vrouw sterft is rondom de duisternis toegenomen. Maar, heel symbolisch: daarop draait iemand de lamp hoger.

Het slot van De boeken der kleine zielen wordt door het prozagedicht De zonen der zon als het ware toegelicht: eenmaal zal alles terugvloeien in het licht, zelfs de duisternis, tot in eeuwigheid voor ieder mens afzonderlijk verzoening bereikt is. Daarom kan de oude mevrouw op het ogenblik van haar dood bemoedigend glimlachen. Zij gaat immers het nirwana in.

Couperus had zelf een hoge dunk van dit prozagedicht. Nimmer heeft hij het verloochend, hij heeft het integendeel altijd tot zijn allerbeste werk gerekend.16 Dit kan alleen verklaard worden uit het feit dat er een voor hem zeer wezenlijke idee achter stak. Waarom hij dit voor zijn denken zo essentiële werk in een dermate gekunstelde taal heeft geschreven blijft dan weer, als zo dikwijls bij Couperus, een beminnelijk raadsel. Wij mogen er ons echter niet door laten verblinden.

God en goden, waar het deel van uitmaakt, is ontegenzeglijk een vrijwel onleesbaar boek. In Couperus' eigen tijd al heeft hij zijn lezers met deze extreme vorm van woordkunst afgeschrikt. Het boek was jaren lang zo weinig populair, en dientengevolge onopgemerkt gebleven, dat nog in 1915 de boekverkopers - volgens zijn eigen zeggen - aan hun klanten verklaarden:17 ‘Mevrouw, of meneer, die roman is nog niet verschenen...’ Zijn eigen pogingen dit stiefkind beter tot zijn recht te laten komen door het in voordrachten nadrukkelijk te pousseren hebben daar weinig verbetering in gebracht. Evenals in Babel heeft Couperus zijn oorspronkelijke bedoelingen dusdanig versluierd weergegeven, dat men aan de wezenlijke religieuze kern nauwelijks toekwam.

Toch is De zonen der zon belangrijk. Latere werken worden er duidelijk in voorbereid. Dat geldt ook voor Jahve, ontstaan onmiddellijk nadat

[p. 290]

Couperus in november 1902 zijn eerste prozagedicht had voltooid. In een al weinig minder hoogdravende taal, door Querido niet geheel ten onrechte geridiculiseerd,18 creëerde hij ditmaal een theosofisch getinte kosmogonie die nauw bij De zonen der zon aansluit. In God en goden liet hij Jahve voorop gaan. Couperus stelt hier dat er in den beginne een eeuwig Geheim was. Als eerste vorm schept Adem uit het Licht de god Jahve. Uit het Licht ook schept op zijn beurt Jahve engelen en zonnen. Iedere engel doet bij zijn eigen zon een sfeer ontstaan. Wederom uit het Licht worden de manlijke en vrouwelijke elementen gemaakt. Liefde, het uiteindelijke doel, ontstaat aldus. Zo ook de mens en de tijd, met heden, verleden en toekomst. De grote Jahve waant zich almachtig, maar is het niet: boven hem. draait eeuwig als een wiel het Geheim rond. Ook hij is onderworpen aan het noodlot.

Een engel meldt dan dat op aarde de ‘starrelingen’ tot aanbidding overgaan: zij scheppen zich eigen goden. Baäl en Astarte, Isis en Osiris, Kronos en Zeus worden aanbeden in Azië, Egypte en Griekenland. In een laatste fase treden echter ook heilige middelaren op. Aan hun symbolen herkent de lezer zowel Boeddha als Christus. Als hoogste macht blijft boven dit universum, altijd het Geheim wentelen. Het draagt het oerlicht, waar alles uit ontstaan is. in zich. God, goden en mensen smeken dit om ontferming.

Volgens de theosofische gedachten, waar Couperus hier bij aansluit, is het universum een groot organisch geheel.19 De Geest houdt alles samen, is eeuwig en onveranderlijk. Dit goddelijk leven manifesteert zich als materie. Doel van het wereldproces, waar de mens deel van uitmaakt, is geestelijke bewustwording. Deze komt tot stand door herhaaldelijke reïncarnatie in talrijke existenties. Steeds dichter kan de mens zo naar zijn doel toe groeien. Daarna zal zijn individuele bewustzijn uiteindelijk in het universele opgaan. Slechts enkele uitverkorenen - Boeddha, Jezus - volgen een kortere weg, die tevens een moeilijkere is. De menselijke ontwikkelingsgang zelf is slechts een onderdeel van een macrocosmische ontwikkeling. Ook het zonnestelsel is aan evolutie door reïncarnatie onderworpen. Eenmaal zal het opgaan in de wereldgrond.

Couperus heeft werkelijk in reïncarnatie geloofd. Hij meende voorbestaan te hebben in de klassieke oudheid, die hij, zo zou hij later eens getuigen, ervoer als een wereld die hij herkende. Belangrijk is het vast te stellen dat hij allerminst het christendom verwierp - men heeft hem dat wel verweten, vooral van katholieke zijde - maar dat hij het alleen geen

[p. 291]

centrale plaats gaf. Voor hem stond het op dezelfde lijn als het boeddhisme. Zo konden zijn Haagse en zijn Indische achtergronden zich met elkaar versmelten. In de verdere loop van zijn leven zijn Couperus' religieuze opvattingen niet wezenlijk meer veranderd. Hij geloofde in een groot, eeuwig wereldverband. Zichzelf zag hij als een nietig atoom: ‘Ik ben een mier, in 't midden mijns gemijmers,’ heeft hij badinerend eens verklaard, zijn schouders ophalend over de bekende woorden van Kloos.

Als oerprincipe zag hij het Licht. Hierin zal alles eenmaal terugvloeien. In God en goden heeft hij dit, op de drempel van de nieuwe eeuw, nadrukkelijk onderstreept. Dat hij Jahve zo kort na de dood van zijn vader heeft geschreven - terwijl hij in Het heilig weten juist ook sterk met de dood van zijn moeder bezig is geweest - is dus niet vreemd. Met hun heengaan en van de aarde verdwenen zijn kon hij zich geheel verzoenen. Hun zielen waren teruggevloeid in een groter Geheel.