De moderne architectuur is een programmatische architectuur geweest. Zij stelde principes voorop en vond haar overtuigingskracht in rationele, om niet te zeggen, rationalistische overwegingen. In feite waren die niets anders dan expressies van enkele grote persoonlijkheden die ze consistentie konden geven door er achter schuil te gaan. Maar eenmaal als principe voorgesteld, bezitten die overwegingen ook de neiging om tot absolute en simplistische stelregels te ontaarden. Zoals in alle leerstellige systemen kreeg men ook in de moderne architectuur de verholen heerschappij van enkele pontifices die het anonieme leger van de ‘toepassers’ van gemakkelijk te hanteren voorschriften hun wet oplegden. Die tijd is nu voorbij. We beleven er nog enkele late uitlopers van.
De architectuur van vandaag, de levende architectuur, wordt niet meer beheerst door enkele groten die men op de vingers van één hand kan tellen. Zij wordt gemaakt door een betrekkelijk groot aantal jongeren en ouderen met een bescheiden, maar uitgesproken vrije en boeiende persoonlijkheid. De vraag naar de grootste onder hen wordt niet meer gesteld. Allen dragen op hun eigen wijze bij om de architectuur van de jaren zestig tot een ongemeen boeiend panorama uit te bouwen. Buiten elke leerstelligheid of vooropgezet programma om laten ze zich inspireren door de concrete opdracht. Al is die slechts een olifantenkooi.
De olifantenkooi waar ik aan denk staat in de zoo van Regent's Park te Londen. Ze werd gebouwd door het verdienstelijke Britse architectenbureau Sir Hugh Casson en partners. ‘Kooi’ is een nog weinig passend woord bij deze architectuur. En die taalkundige ongeschiktheid van het traditionele woord is al een belangrijke aanduiding voor de oorspronkelijkheid waarmee de architecten hun opdracht hebben aangepakt. Een niet gemakkelijke opdracht: een verblijf bouwen voor dieren in gevangenschap (dat de indruk van gevangenschap zoveel mogelijk moet wegnemen). En wat voor soort dieren! Olifanten en neushoorns. Twee diersoorten die zich nogal van de gewone menselijke schaal distantiëren en iets van de prehistorische proporties hebben bewaard.
Voor een principieel moderne architect - ik gebruik hier het woord modern in zijn historische betekenis - zou het al een heel probleem zijn voor dieren in gevangenschap te bouwen. Dat strookt immers niet met zijn rigoristische humanitaire instelling. Hij had, indien hij daartoe de consequentie en de moed bezat, moeten ijveren om de olifanten terug de wildernis in te sturen. De architect van nu - ik zei reeds dat hij niet meer zo principieel is - voelt zich niet meer geroepen als sociaal hervormer. Hij staat te midden van het
dagelijkse leven en het dagelijkse volk en laat zich vooral daardoor inspireren. Hij kan bijvoorbeeld ook met een zekere curiositeit naar olifanten (in gevangenschap) kijken en zijn genoegen zal erin bestaan van de kooi waarin zij verblijven en waar de mensen hen bezoeken iets te maken.
Nu is dat laatste niet zo eenvoudig. Ook als men zich niet principieel verzet tegen dieren-in-gevangenschap, toch blijft het een feit dat deze dieren zich in een onnatuurlijke situatie bevinden en dat de verhouding tot de mens die er komt niet vanzelfsprekend is te noemen. Ik sprak reeds van het schaalverschil. We moeten ook denken aan de veilige afstand die tussen mens en dier - voor het goed van de een en van de ander - noodzakelijkerwijze moet bewaard blijven. En tenslotte het voor de architectuur meest bepalende accent: in welke verhouding staat de Zoo-bezoeker ten overstaan van het te bekijken dier. De relatie tussen mens en dier in het oerwoud is duidelijk. Zij blijft duidelijk ook in het geval van de maharadja die zich op een olifanterug laat rondrijden. Zij blijft het nog in het circus waar mens en dier zich broederlijk lenen tot de show. In een dierentuin wordt die verhouding ineens veel complexer. De olifant in de dierentuin is niet die van het circus. En ook het publiek is niet hetzelfde.
Deze enkele aanduidingen kunnen volstaan om even de denkwijze van de hedendaagse architect te laten aanvoelen, die niet rneer georiënteerd is op een aprioristisch vormelijk systeem dat hem voor alle gevallen onmiddellijk oplossingen aan de hand doet, maar die door de concrete menselijke benadering van een fenomeen - het heeft ook wel iets gemeens met de fenomenologie - de vorm telkens nieuw laat ontstaan. Die vorm zal natuurlijk ook een persoonlijke vorm zijn. Men kan immers op de fenomenologische vraagstelling meer dan één vormelijk antwoord geven. Mies van der Rohe bijvoorbeeld zou ook een goede olifantekooi kunnen bouwen. Het gaat in deze beschouwingen niet zozeer om de uiteindelijke vorm, maar over de houding van de architect ten overstaan van zijn opdracht.
Nu ik me toch de naam van Mies van der Rohe heb laten ontvallen, wil ik maar die enigszins onverwachte associatie van Mies met een olifantekooi doortrekken. Zij wijst immers zeer duidelijk op het gevaar waaraan architectuur als deze, waarover we het hebben, blootstaat. Laten we ons even een Miesiaanse olifantekooi voorstellen. Ik ga die hier niet beschrijven. Maar één ding staat buiten alle twijfel: zij zou de olifant volledig olifant laten zijn. Zij zou met het dier niet in concurrentie treden. En zelfs nog meer. Zij zou de kooi misschien een module hoger maken dan normaal, maar de schaal zou niet worden aangepast. Dat wil m.a.w. zeggen dat de architectuur van een Mies van der Rohe de problemen van de opdracht reeds bij voorbaat heeft opgelost, en wel eenvoudig door ze principieel links te laten liggen.
Mies van der Rohe kent de problemen niet die een architectuur van Casson laat vermoeden. Architectuur is voor hem een (in uiterste verfijning) zo neu-
traal mogelijk scherm waartegen het leven geprojecteerd kan worden. Sir Casson en zijn vele medestanders over de gehele wereld willen echter van de architectuur een zeer bepaald geïndividualiseerd environment maken. Een olifantekooi in een Londense zoo heeft niets gemeens met een appartement in Kensington. En dit geldt niet alleen op het niveau van het programma, maar ook op dit van de vorm. De individualiteit moet naar buiten worden getoond in een indrukwekkend, duidelijk afleesbaar beeld. Of dergelijke individualisering uiteindelijk niet leidt tot een nog grotere eenvormigheid en anonimiteit is de grote vraag.
In het geval dat ons bezighoudt kunnen we verschillende bezwaren naar voren brengen. Ik som er slechts enkele op, met het antwoord dat er kan op gegeven worden:
1. De schaalaanpassing van deze architectuur neemt voor een goed deel het imposante van de dieren die erin thuishoren weg. Hier tegenover kan men stellen dat het gebouw zelf dit imposante op de bezoeker laat neerkomen.
2. Afgezien van die schaalvergroting, waardoor de afmetingen van de dieren worden gereduceerd, wordt de aandacht van de bezoeker gedeeltelijk van de dieren afgewend en op de architectuur zelf overgedragen. Maar dat brengt met zich mee dat door het boeiende van de architectuur ook een zwaarder accent wordt gelegd op het uitzonderlijke van deze diersoorten.
3. Iets spitser wordt de kritiek tegen het toneelmatige van de binnenkooien, dat bijzonder nadrukkelijk wordt door het bovenlicht dat zo scherp contrasteert met de gedempt gehouden wandelruimte voor de bezoekers. De architect kan hier tegen aanvoeren dat bovenlicht tot de opdracht hoorde. Wij moeten daarenboven erkennen dat het toneelmatige waar wij het tegen hebben, toch altijd een grote waardigheid behoudt en gedeeltelijk inherent is aan de onnatuurlijke situatie die een zoo op zichzelf inhoudt.
4. Een kritiek waar ik geen antwoord op vind is de gelijkschakeling die de dienstlokalen - het verblijf voor menselijke wezens - in deze architectuur met de dierenkooien ondergaan. Ergens had men naar de geest zelf van deze architectuur een duidelijker differentiatie verwacht.
Tot zover de kritiek op dit schitterend gebouw. Het formuleren van de kritiek is belangrijker dan het aanduiden van de kwaliteiten. Die spreken immers voor zichzelf. Van het algemene silhouet in het Regent's Park tot het laatste detail van de afwerking heerst eenzelfde rijke fantasie, eenzelfde beheersing van de technische middelen, volkomen homogeniteit van de visie. Zoals J.M. Richards in zijn kritiek over dit gebouw schreef, liggen het functionele en het fantastische hier niet meer uiteen. Het fantastische wordt opnieuw een element van het dagelijkse. Het bloeit er plotseling uit op als een misschien wel verrassend maar toch natuurlijk element.
De vormgeving trouwens, ook al wordt die nooit helemaal door het programma gedicteerd, blijft binnen haar nadrukkelijke eigenheid consequent functio-
neel. Nergens wordt ze gratuit. Het silhouet bijvoorbeeld verkrijgt zijn vreemde vorm door de uitwerking van de bovenlichten. De verluchtings-schachten zijn op een natuurlijke wijze als lichtopeningen verwerkt, worden zwaartepunten van de prachtige houten dakconstructie én centra waarrond de circulatie is georganiseerd. Alle functionele eisen worden met een uitzonderlijke vindingrijkheid omgebogen tot boeiende architectonische elementen. De bekwaamheid hiertoe vindt haar diepste grond in de bereidheid de opdracht buiten elk vooropgesteld vormensysteem aan te vatten. Juist daarin ligt de wezenlijke vrijheid die deze architectuur ademt. Niet een vrijheid om willekeurige grillen in te volgen, maar een absolute en veeleisende trouw om de werkelijkheid van het leven te realiseren. Maar die trouw vindt haar begrensdheid precies in de nadrukkelijkheid waarmede zij dat aanpakt en waardoor een olifantekooi iets krijgt van een tempel. Wij willen echter veel op de koop toe nemen voor een gebouw van zulk een rijke innerlijke existentie. De olifanten van de Londense zoo moeten wel zeer inspirerende dieren zijnā”