Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 171]

Triemen

Het gehucht Triemen vormt sinds 1940 een zelfstandige eenheid binnen de gemeente, voordien viel het onder het noordelijk gelegen Westergeest. Als ‘up der treme’ komt de nederzetting in 1467 voor het eerst in de bronnen voor (Pax Groningana, nr. 19). Evenals in de meeste andere wouddorpen wordt de ruimtelijke structuur bepaald door een bewoningsas die de noord-zuid lopende verkaveling ongeveer loodrecht snijdt. Deze bewoningsas ligt tussen die van Oudwoude/Kollum aan de noordzijde en die van Kollumerzwaag en Veenklooster aan de zuidzijde. De as waar Triemen aan ligt heeft een geringe lengte en strekt zich, in tegenstelling tot de twee andere assen, niet over de volle breedte van de pleistocene gronden uit. Ter plaatse van Triemen lijkt derhalve sprake te zijn geweest van een kleine, afzonderlijke ontginning, die pas laat werd voltooid. Op de Schotanuskaart loopt deze as in oostelijke richting nog niet tot de Munnekenweg door, maar buigt iets daarvoor in zuidelijke richting af.

Opmerkelijk is voorts de bajonetvormige knik in de weg, waarvan het beloop mogelijk beïnvloed is door de bodemgesteldheid van het terrein. Blijkens Schotanus lag Triemen juist op de grens van bouwland en grasland, ofwel van drogere en vochtiger gronden. De Eekhoffkaart geeft tussen de bewoningsas en de trekvaart naar Stroobos enkele percelen water aan. Waarschijnlijk zijn dit petgaten, ontstaan door het beneden de grondwaterstand wegbaggeren van veen ten behoeve van de turfwinning (Van der Bij, Veenstra, 19). Vanouds kende de nederzetting een verspreide bewoning langs de bebouwingsas, blijkens het oude kaartmateriaal. Ondanks enige verdichting sinds het midden van de vorige eeuw is dit kenmerk nog steeds aanwezig.

[p. 172]



illustratie

Afb. 290. Kopie van het kadastrale minuteplan omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


[p. 173]



illustratie

Afb. 291. Luchtfoto. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


Gebouwen

+ Everhard Ulrich van Hanecrooth kocht in 1725 van Juliana Dorothea van Schratenbach-van Aylva ‘sekere somerhuis, schuire, hovinge, boomen en plantagie mitsgaders de singel’ (Andreae '85, ii, 48 en O. Vries in n.n.o.f. 5 sept. 1975). In 1727 verkocht zijn broer aan hem een sate en landen ‘te Westergeest’ die hij ten geschenke had gekregen van dezelfde Juliana Dorothea, waardoor hij mogelijk zijn landgoed kon uitbreiden. Terecht merkt Andreae op, dat het hier waarschijnlijk gaat om het goed Bunlatiro, aangezien er een tekening bestaat van J. Stellingwerf, waarop een landhuis wordt afgebeeld en die als onderschrift draagt: ‘Het huijs Bommelatijer te Westergeest in Kollumerlandt behoort Douwe Feije van Aylva grietman aldaar’ (afb. 292). Juliana Dorothea immers was een dochter van Douwe Feije van Aylva. Andreae localiseert het goed ten onrechte bij Zandbulten. Een goed Bunlatiro komt voor in de floreenkohieren van 1700 en 1708, terwijl het in 1738 en 1748 Bondelatiere heet. Mogelijk heeft het goed Buon-latero geheten = goede zijde.

[p. 174]

De tekening uit 1723 geeft een rechthoekig huis weer onder zadeldak en met ingang aan de lange zijde. Het huis is onderkelderd en de ingang is via een hoge stoep bereikbaar. Met de kleine vensters en de getrapte topgevels ziet het huis er vroeg 17e-eeuws uit. Haaks erachter is een tweede vleugel gebouwd. Terzijde ziet men een formeel aangelegde tuin, die nog slechts kort geleden aangeplant is.

Het huis is in 1748 door een neef van Hanecrooth, die het geërfd had, verkocht en daarna niet meer bewoond. Volgens de schoolmeestersaantekeningen zou het in 1782 of 1783 afgebroken zijn.

+ Waarschijnlijk ter plaatse van Bunlatiro staat een sterk vernieuwd woudboerderijtje onder rieten dak. De voorgevel heeft de oude indeling nog met twee vensters, die wegens de bedstedenwand tegen de noordgevel onsymmetrisch in de gevel staan. In de top, die langs de zijden beitelingen heeft, twee kleine vierkante vensters. Forse topschoorsteen en nokanker met het jaartal 1773. In 1970 is bij grondwerkzaamheden bij dit pand een gemetselde put gevonden, ‘mogelijk van steen van het slot Buma’ (Bull. k.n.o.b. 1970, 33*) (afb. 294).

+ In 1543 is er sprake van een ‘heert van Sije Bumana opt Ffeen, dar wont Buma’ (Beneficiaalboeken, 235). Bumastate lag volgens Andreae ('85, ii, 46) ten zuiden van de herberg ‘de Bonte hond’ ‘aan het zuideinde van de thans nog onder die naam bekend staande Hanecroothsingel’, voorheen Bumalaan geheten. In 1552 waren er te Westergeest twee leden van het geslacht Buma in het bezit van een ‘rustingh’ (monstercedul). Zij zullen afstammelingen geweest zijn van Sije Bouwema, die in 1467 bij het verbond van Kollumerland met Groningen voorkomt (Pax Groningana 19). Een Sije Buma is begraven in de kerk van Westergeest en stierf volgens de zerk in 1551. In 1653 verkoopt Wijtske Jans Buma, vrouw van Taeke Minnolts Jousma, Bumastate op de Triemen onder Westergeest aan Dirck Wessels te Kollum (q 5, 27; n.n.o.f. 5 sept. 1975).

+ Ongeveer in het midden van het rechte gedeelte van de weg, waarlangs Triemen gebouwd is, staat een voormalig schoolgebouw onder breed schilddak met gootlijst op blokken, gebouwd in 1885. Thans pakhuis.

+ Sober woonhuis zonder verdieping onder schilddak met hoekschoorstenen. De ingang in het midden is in een ondiep risaliet geplaatst, waarboven een houten dakkapel. De gebogen strekken boven de vensters en de ingang geven een datering omstreeks 1860 aan. Mogelijk is dit pand de schoolmeesterswoning geweest (afb. 293).

+ Keuterijtje als woning opgeknapt, xixb (afb. 295).

 

+ In 1563 komt in een proces (Hof van Fr. iii, 3, 220) land voor waarop een tichelwerk staat ‘op Ost by de Tremen’. Ook in het Protocol Cleuting van 1564 komt een tichelwerk voor onder nr. 332: ‘zekere lanckhuys staende op Tichelwerk in dendorpe van Westergeest, welcke van den grooten wynt onlanckx omgewayt was’. Voorts komt in 1625 in het Proclamatieboek grond voor ‘bij het olde tichelwerk aen de Triemen opt veen’ (28 mei 1625). Ook in 1629 (dl. iii, 621) wordt dit genoemd maar heet dan ‘aen 't olde pannewerck’. In 1648 (7 december, Proclamatieboek deel iv, 644) heet bouwland: ‘het tichelwerk gelegen op de Triemen op de Oostercant van Triemsterwegh’. De pannen moeten gebakken zijn van de aanwezige leem met behulp van de eveneens aanwezige brandstof veen. De leem werd aan de westzijde van de Triemsterlaan gedolven, waar een uitholling in het landschap bestaat. In 1974 is een opgraving verricht, waarbij een oven gevonden werd met een middellijn van 4,50 m. Mogelijk is het tichelwerk uit 1564 te Westergeest toch nog een andere steenoven geweest (n.n.o.f. 5 april 1974, Vr. meded. dr. O. Vries).

[p. 175]



illustratie

De Triemen. Voorzichtig zoeken naar resten van het tichelwerk. Opname 1973.


[p. 176]



illustratie

Afb. 292. Het huis ‘Bommelatijer’ getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 293. Het schoolmeestershuis de Triemen 33. Opname 1986.




illustratie

Afb. 294. Woudboerderij aan de Triemen 11, met nokanker 1773. Opname 1987




illustratie

Afb. 295. Gerestaureerd woudhuisje Triemsterloane 1. Opname 1988.