Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 149]

Oudwoude

Oudwoude ligt op de noordelijke rand van de Wouden, waar dit landschap overgaat in het landschap van de voormalige kwelders. De dorpsplattegrond bestaat uit twee onderdelen, namelijk een gedeelte van de oost-west lopende Zomerweg en de Wijgeest, waaronder het noordelijk deel van de uitloper van de zandgronden in de klei vanouds bekend staat. Het aan de Zomerweg gelegen deel heeft de kenmerken van de meeste andere wouddorpen: lintbebouwing aan een weg die de opstrekkende verkaveling ongeveer loodrecht snijdt. Dit patroon is ontstaan met de ontginning in de 11e-12e eeuw.

Het onderdeel ‘geest’ uit de naam Wijgeest betekent: complex akkerland omringd door laaggelegen klei- of veengrond (Moerman, 70, 71; Inleiding). De landschappelijke ligging van de Wijgeest vertoont daarin overeenkomst, met het naburige Westergeest en het zeer oude Rinsumageest in Dantumadeel. In het algemeen kennen de ‘geesten’ dan ook een oudere bewoning dan de aangrenzende, deels met veen bedekte zandgronden. Voor Oudwoude is dit verder niet te bewijzen; van de (niet bijzonder oude) kerk aan de Zomerweg is geen voorganger op de Wijgeest bekend. De situatie wordt verder gecompliceerd doordat Oudwoude, op grond van een hogere ouderdom, kennelijk kon worden onderscheiden van jongere ontwikkelingen in de Wouden.

Tot in de 19e eeuw bleef de bewoning tot de twee, los van elkaar gelegen onderdelen beperkt, daarna zijn ze ‘aan elkaar gegroeid’. De toename en verdichting van de bebouwing was voornamelijk niet-agrarisch van aard.

De ‘geest’ zelf kent niet meer het oorspronkelijk gebruik als akkerland maar bestaat, evenals de omgeving uit grasland. In landschappelijk opzicht levert de aanwezigheid van houtsingels rond de percelen en de wat hogere ligging van het terrein nog een duidelijk contrast op met de aangrenzende kleigronden. Voorts laat de luchtfoto een duidelijk afwijkende verkaveling ten opzichte van het omringende gebied zien. Ten oosten van de Wijgeest, daarvan gescheiden door een recent aangelegde verkeersweg, liggen de Zandwielen, een drietal ronde poelen, ontstaan door uitspoeling van de bodem ten gevolge van een dijkdoorbraak (Rienks en Walther, 59). Deze dijk die de zeedijk langs het Dokkumer Diep verbond met de hoger gelegen gronden van de Wouden geldt als een der oudste dijken in de gemeente en is op onbekend tijdstip, mogelijk in of voor de 13e eeuw aangelegd. Met de aanleg van een nieuwe dijk via Kollumerpomp en Warfstermolen raakte de Zandwielsterdijk zoals de dijk langs de Wijgeest bij Schotanus genoemd wordt, overbodig en is later afgegraven. Sporen van een dijklichaam zijn in het huidige landschap niet meer aanwezig.

[p. 150]



illustratie

Afb. 251. Kopie van het kadastrale minuteplan omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


[p. 151]



illustratie

Afb. 252. Luchtfoto. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 152]

Kerkelijke gebouwen

+ De Hervormde kerk ligt evenwijdig aan de weg aan de westzijde van het dorp. Kerk en dakruiter zijn eigendom van de Hervormde gemeente (afb. 253, 258-262, 264-270).

 

+ Benef. 235; r.v.g.o. 184; Charterb. i, 526; Andreae '85, ii, 2; Wumkes i, 208, 347; W.H. Keikes, Verleden van Frieslands Noordoosten, Dokkum 1968, 55.

+ Kerkvoogdijrekeningen 1645-1971 in streekarchivariaat te Dokkum; uittreksel archiefdienst Noordoost Friesland.

 

+ De oudst bekende vermelding van Oudwoude is in 1444, wanneer de ‘meente’ genoemd wordt als medeondertekenaar van een verbond met de stad Groningen (Charterb. i, 526). Andreae noemt dit stuk als gedateerd 1443. In de 16e eeuw waren te Oudwoude naast patroons- en pastoriegoederen nog prebendegoederen aan te geven. Keikes vermeldt, dat er in 1545 nieuw hout en een nieuwe klok in de toren komen. In de jaren 1689-1690 komen betalingen voor aan Bonne Alberts timmerman wegens hout voor het klokhuis. Voorts koopt men herhaaldelijk pannen, in 1683 te Dokkum, in 1690 en 1694 worden ze Enkhuizer pannen genoemd; in 1691 worden 2000 stenen verwerkt ‘tot de kerkringmuur’ en wordt de ‘benecouw’ (knekelhuis) afgebroken. Vele kleine reparatieposten geven geen aanwijzingen voor ingrijpende veranderingen aan het kerkgebouw. Slechts twee posten van 1743 lijken op ingrijpende werkzaamheden te wijzen: er wordt drank geschonken aan de arbeiders om de balken uit en in de kerk te helpen dragen of hijsen en Bernt Mijnders krijgt 20 gld., ‘van de zolder te maeken’. In 1764 worden alle pastoriegoederen van Oudwoude en Westergeest te koop aangeboden; in 1786 verkoopt men de ringmuur om het kerkhof. Andreae meldt nog dat de zuidelijke muur ‘voor enige jaren’ wit bepleisterd is en dat de toren in de 18e eeuw werd afgebroken en door een dakruiter vervangen. In 1965 is het kerkje gerestaureerd onder leiding van arch. A. Baart jr. te Leeuwarden. De uitwendige bepleistering werd weggenomen evenals de klimop tegen de westmuur; de toegang die aan de oostzijde was ingehakt werd gedicht. De houten ramen met indeling in kleine ruiten en vorken in de kop werden gehandhaafd. Ter plaatse van moeten daarvan zijn de steunberen herbouwd. Het torentje is vernieuwd met gebruikmaking van enig hout uit de bestaande spits. De kokkestoel is van aangevoerd oud hout gemaakt. De drie westelijke trekbalken zijn vernieuwd evenals de korte balken in de koorsluiting.

+ De zes traveeën diepe eenbeukige kerk is van afbraakmopsteen opgetrokken, formaat 29,5-30,5 × 7,5-8 cm, 10 lagen 96 cm. Aan de zuidzijde zijn aan de drie westelijke traveeën dikkere voegen toegepast zodat 10 lagen 100 cm meten. Westelijk van de vierde steunheer tekent zich een loodvoeg af. De westgevel is bekleed met kleine steen 20,5 × 4,5 cm, 10 lagen 52 cm. Inwendig meet de steen daar 19,5-20 × 5 cm

+ Behoudens een ingekort venster en een ingang in de meest westelijke travee is de gehele noordzijde gesloten. Aan de zuidzijde staan in elke travee, met uitzondering van de eerste, spitsbogige vensters met steensbrede rollagen langs de kop. De houten ramen zijn binnen de dagsteen geplaatst. In de eerste travee is een segmentbogig gedekte ingang gevat in een hoogopgaande rijkgeprofileerde nis, die sinds de restauratie door een rechtomgevoerde waterlijst wordt omgeven. De waterlijst is niet over de beren noch onder de vensters aanwezig. De onderdorpels eindigen in het vlak van de muur. Boven de ingang stond voorheen een kort venster. De beide westelijke hoeksteunberen bestaan uit hetzelfde materiaal van de westgevel. De beren aan het koor waren voor de restauratie in verzwaarde afgeschuinde vorm aanwezig.

+ Het enige venster aan de noordzijde en het daartegenoverstaande aan de zuidzijde zijn gevat binnen een hoogopgaande nis met ongeprofileerde dagkanten. Onder de overige vensters staan lage nissen waarvan de korfbogige sluiting een afgeschuinde kant heeft. Aan de zuidoostzijde is tot de restauratie een ingang geweest; na dichting daarvan is de nis daar niet hersteld. Aan de noordzijde zijn tegenover de vensters van de zuidzijde eveneens nissen aanwezig. De muren zijn verankerd door trekbalken, die tot de restauratie door een schrootjesplafond waren weggetimmerd. De kap bestaat boven de westelijke twee en een halve travee uit eikehout, voor het overige uit grenehout. De vierde tot en met zesde eiken spanten zijn gemerkt doch zij staan niet in de juiste volgorde.

+ Het gebruikte materiaal en de vorm en plaatsing van de vensters wijzen op een

[p. 153]



illustratie

Afb. 253. Hervormde kerk. Plattegrond. Getekend 1987 naar opmeting H. van der Wal 1943 en eigen waarnemingen.


herbouw in de gotische periode (15e eeuw) met materiaal, afkomstig van de vorige bakstenen kerk. Daar de ingang op ongebruikelijke wijze in de meest westelijke travee staat, nemen wij aan, mede op grond van een getuigenis dat er vrij ver westelijk van de tegenwoordige westelijke sluitmuur zwaar puin in de grond gevonden wordt, dat de toren een travee verder westelijk gestaan heeft. Daar de westmuur uitwendig uit hardgebakken drielingen bestaat, zou deze gehele operatie wel eens door Bonne Alberts eind 17e eeuw kunnen zijn uitgevoerd. Ook de overkapping zou dan hersteld zijn, waarbij de eerste vier spanten herplaatst werden, doch in gewijzigde volgorde. De wijzigingen in de 18e eeuw kunnen een orgelbalkon betroffen hebben. Het oostelijk gedeelte werd opnieuw bekapt met grenen spanten. De schijnbaar 16e-eeuwse omlijsting van de ingang is eerst bij de restauratie aangebracht.

+ De kerk bezit:

+ Een eenvoudige eiken preekstoel met paneelwerk als te Westergeest, xviii; bijbehorend achterschot en klankbord.

+ In 1856 is een nieuw orgel aangeschaft, gebouwd door Van Dam te Leeuwarden (Talstra 1979, 57).

+ Een overhuifde herenbank waarvan de overhuiving op vier dunne Dorische kolommetjes rust, xviii.

Een niet overhuifde drievoudige bank van paneelwerk geverfd en eenvoudige mans- en vrouwenbanken, xix.

+ Drie eenvoudige psalmborden, xix.

+ In het koor liggen enige 17e-eeuwse zerken waarvan de wapens zijn afgehakt. Anno 1632 voor Binnert Saeppema gedep. Staat; Anno 1672 voor Doetti Sapma huisvrouwe van Haie Liewes; Anno 1635 voor Wytske Liewedr. huisvrouw van Binnert Sae(p)ma. Voorts zerk met opschrift ‘Ao 1662 den 1 augusto sterff de Eerbare Siouck Fogelsang dochterke van dr. Hylarius van Fogelsang olt sijnde een half jaar. Anno 1674 den 16 februari is in den Heere ontslapen d'eerwaerde ende eerbare vrouw Rijckien van Rosema echte huisvrouwe van de E'. Here Doctor/Hylarius van Fogelsangh secretaris over Collumerlandt ende 't Nieuwe Cruyslant oldt in haer 32 jaar en leyt alhier begraven./defuncta loquitur: Jesu min mijn gewin’. Een tekening in de coll. Fries Museum uit 1920 geeft fragmenten van grafzerken weer waarop een wapen en de naam Alma te lezen zijn.

+ Zes gebeeldhouwde en twee geschilderde rouwborden. De geschilderde borden zijn ruitvormig.

1.Het oudste uit 1675 geeft het wapen Van Doma weer met dekkleden, helm en kroon, uitkomend twee korenaren en een klaverblad (afb. 268). Op een cartouche eronder: ‘Den Ed. Vermogenden heer/Pibo van Doma/Raad ordinaris in den Hove van Friesland/oud in sijn lxi jaar overleed/den xii febr. des jaars/m d c l xx v’;
2.Ruitvormig bord voor Gaius van Broersma (afb. 269). Onder het gekroonde wapen cartouche met opschrift: ‘De Heere Gaius van Broersma/Aetatis 51 Obiit den 5 Decemb: 1678’;
3.Gebeeldhouwd rouwbord omlijst door twee omrankte kolommen die een gebogen fronton dragen (afb. 259). Eronder: m d c xc iiii. Onder een kroon het wapen Broersma. Opschrift ‘De Heer Gaius Broer/sma mede Gecommitteerde in/de Reken-
[p. 154]
camer van Vrieslandt en /ontvangen (sic) Generaal van Collemer/landt en het Nuyw Cruyslandt Obiit/den 21 Februarij 1694/oud 39’;
4.Gebeeldhouwd rouwbord in rococolijst waarin het jaartal mdcclv en obiit iv april (afb. 260). Op het veld onder een kroon het door adelaars gehouden wapen Van Heemstra. Op een rocococartouche het opschrift: ‘De Hoog Wel Geboren Heer Jr. Vincent van Hiemstra geboren den 30 Augustus 1737 overleden te Franeker den 4 april 1755 's avonds ten 8 uur in den ouderdom van 18 jaren 7 maanden 5 dagen en den 15 april bijgezet in de Famiellie Kelder te Collum’;
5.Gebeeldhouwd rouwbord omlijst met rococosnijwerk aan de hoeken; op het gebogen fronton naar beneden gerichte fakkels en vlampotten (afb. 261). Onder het fronton: mdcclxii. Geheel onderaan: Obiit den vii april 1762. Op het veld onder een kroon het door eike- en lauwerloof omrankte wapen. Op cartouche opschrift: ‘Hoog Wel Geb Vrouw Mevrouw Wija Catherina van Glinstra Huisvrouw van den Wel Geb Heer Willem Hendrik van Hiemstra Grietman over Collumerland & Nieuw Kruisland etc etc etc Obiit den 7 april 1762 oud 26 jaar Rust te Collum in de grafkelder’;
6.Gebeeldhouwd rouwbord (afb. 264). De lijst met gesneden lisbladen langs de zijden en treurende putti onderaan; op de bovenhoeken zandlopers. Boven de lijst m d cc l xxv. In het veld onder een kroon tussen grote rococoranken gehouden wapenschild. Op lambrequin het opschrift: ‘De Wel Edele Gestrenge Heer Cornelius van Scheltinga in Leven Gecommitteerde Staat te Landsdage Geboren den Eersten Februarius 1718 Overleden den 2 Decem. 1775 is alhier op den 12 december roustatlijk bijgeset’;
7.Gebeeldhouwd rouwbord in gemarmerde geschilderde lijst met gebeeldhouwd lofwerk aan de hoeken (afb. 265). Boven in de lijst m d cc l xxx iii. Op het veld het van helmteken en kroon voorziene wapen Heemstra gehouden door adelaars. Op het lambrequin eronder: ‘Hoog Wel Geb. Heer de Heer Jr. Hector Livius van Hiemstra Historieschrijver van Friesland etc. etc. Geb. te Veenklooster den 8 Aug 1740 overleden te Leeuwarden den 25 Feb. 1783 en bijgezet in de Famielliegrafkelder te Collum den 7 Maart 1783’;
8.Gebeeldhouwd rouwbord in gesneden lijst met terzijde en bovenop in snijwerk vlaggen, wimpels en kanonlopen (afb. 266). Onderaan in een lauwerkrans een degen en een piek. Bovenaan op de lijst m d cc x ciii onderaan Obiit den 15 Maart. Op het veld tussen lofwerk het gehelmde wapenschild Bouricius. Op een lambrequin: ‘De Wel Geboren Heer Willem Livius van Bouricius Colonnel en Capetain bij het College ter Admiraliteit in Friesland en Commanderende 's Lands Hulck de Dwinger Geankerd op de Rhede van 't Vlie Overleden den 15 Maart 1793 in den ouderdom van 46 Jaaren en ruim vijf maanden’.

Op de zolder liggen resten van een rouwbord met opschrift: ‘De Heer Livius van Scheltinga oudt in het sestiende jaar sijns Ouderdoms Obiit de 2 Mart 1.6.’.

De borden 1 t/m 3 zijn afkomstig uit de kerk van Kollum. Ook de nummers 4, 5 en 7 moeten gelijke herkomst hebben volgens de teksten.

De Heer O. Vries was zo vriendelijk mij opmerkzaam te maken op een bericht in de Kollumer Courant van 10 januari 1914 over gevonden ‘wapenschilden’ op ‘slot Veenklooster’, die daar lagen ‘van de tijd van de Franse overheersing af’ en uit de kerken van Oudwoude en ‘Lutjewoude’ afkomstig zouden zijn. Zij zouden worden opgeknapt en opgehangen.

+ De klok van na 1945 vervangt een in 1914 te Midwolde gegoten exemplaar, die op zijn beurt een in 1845 hergoten klok verving.

 

+ Ten oosten van de kerk staat aan het einde van een korte oprijlaan de pastorie, die volgens Potter kort na 1800 vernieuwd zou zijn. In de achtergevel bevindt zich, thans direct boven het maaiveld ingemetseld, de oude stichtingssteen (afb. 263). Het opschrift luidt: ‘1806 Den 26 Maij zijn de eerste Stenen aan dit gebouw gelegd door Louw Eeuwe Siegers oud in 't 15 jaar, en Berber Hendriks Siccama oud in 't 14 jaar, toen kerkvoogden waren Eeuwe Sigers en Hendrik Jans Siccama, Voorsien dit Huis, dit nieuw gebouw/ Met Leeraars die altoos getrouw/ Met Lust en vlijt hun dienst betragten/ Voor ons en voor ons nageslagten’. Deze steen zal aanvankelijk boven de ingang gestaan hebben, totdat deze, waarschijnlijk in het begin van deze eeuw, verfraaid is en een balkon erboven kreeg. Potter roemt de bijzonder grote tuin.

[p. 155]

+ Verder oostwaarts is in het vernieuwde schoolgebouw de rococo-stichtingssteen herplaatst (afb. 271). Het opschrift luidt: ‘Anno 1775/is dit schoolgebouw alhier, op Ordre van/de Hoog wel Geboren Heer Jr. Willem/Hendrik van Hiemstra, Grietman over Collumerland & Nieuwkruis/land gestigt en sijn daar aan op/den 12 Juli des gemelden Jaars/door twee van Desselvs/Kindskinderen Jr. Cornelis/Scheltinga van Hiem/stra en Freule Cecilia/Johanna van Hiemstra/de eerste steenen gelegd.’ Erboven een blindgehakt gekroond wapenschild tussen voluten.

 

+ Onder het tegenwoordige Oudwoude stond het Kollumer Verlaatshuis aan de Trekvaart, zie Kollum Openbare Gebouwen.

States en buitenhuizen

+ Ten oosten van de Wijgeest lag Allema State (afb. 254, 276-277, 280). Het terrein is te herkennen daar het omgracht is geweest en hoger gelegen dan de omringende terreinen. Op het hornleger staat thans een boerderij, aan het voorhuis waarvan mopsteen is toegepast benevens delen van 15e- of 16e-eeuwse kruiskozijnen. Andreae kende er nog hekpijlers met schildhoudende leeuwen; de schilden droegen de wapens Allema en Phaesma.

 

+ Andreae '85, ii, 12; Genealogysk Jierboekje 1970, 70 e.v.; id. 1974, 40.

 

+ Volgens Andreae zou de state gesticht zijn door Redmer Allema, die in 1495 voorkomt als kastelein van Oostbroeksterland, een aanduiding van Kollumerland in die tijd. In het begin van de 16e eeuw kent hij er Louw Allema en zijn vrouw Wijts, wier zoon Aebo Heer Allema, een geestelijke was, evenals Eesk, rechter van Kollumerland en vader van Ede, substituut grietman. Ook Jeldt Allema was een zoon van Louw; deze was de vader van Sije, die volgens Andreae voorkomt als eigenaar van Allema State. In 1614 kwam volgens dezelfde auteur het achterhuis van Allema State aan Sije Hayes, wiens moeder een dochter was van bovengenoemde Sije. Het andere gedeelte behoorde waarschijnlijk aan een oom van hem, wiens dochter Sjuw met Harmen Arendts Idema huwde en de moeder werd van Edo en Ennius Idema, die in 1640 de state deels bezaten (over de Idema's vgl. Nederlandse Leeuw 1984, 329-344). In 1655 kochten zij het andere deel erbij (Procl. boek q 77) en in 1698 waren de zonen van Ennius eigenaar, van wie Hermanus Idema, dorpsrechter, er woonde. Andreae vermoedt, dat hij de laatste bewoner geweest is en dat er sindsdien slechts een boerenhuis gestaan heeft. Tot 1733 bleef het eigendom in deze familie, maar in 1748 is Vrouwe Van Scheltinga eigenaresse in welke familie het goed tot in deze eeuw bleef (W.H. de Bruin in Kollumer Courant 21, ii, 1973).

+ De boerderij bestaat uit een lang deels onderkelderd voorhuis met een lagere westelijke aanbouw. Achter deze eenheden is een brede schuur gebouwd.

+ De noordgevel is 75 cm dik en bestaat uit bleekrode mopsteen van 30,5-31,5 × 8-9 cm, 10 lagen 100 cm in onregelmatig verband, merendeels strekken afgewisseld door een kop. De tweesteens westgevel bestaat uit afbraak kloostersteen (dezelfde als de noordgevel). Van hetzelfde materiaal, doch wat regelmatiger verwerkt is de westelijke aanbouw. De oostgevel bestaat uit kleine rode steen van 21,5 × 4,5 cm, 10 lagen 53 cm en is dan ook dunner; alleen onderaan komt afbraak kloostersteen voor. De schuur bestaat grotendeels uit bonte steen van 22,5-23 cm × ongeveer 5 cm 10 lagen 60 cm, aan de oostzijde op een plint van afbraak kloostersteen. De noordgevel van de schuur daarentegen bestaat uit paarsbruine steen van 21 × 4,5-5 cm, 10 lagen 53 cm in kruisverband verwerkt.

+ De noordgevel heeft in het midden op een meter boven het tegenwoordige maaiveld een ingang gehad, die een meter breed was en segmentvormig gedekt. Erboven is een verticale sleuf geweest, die een schietgat gevormd zal hebben. De ingang is dichtgezet met afbraak kloostersteen van gelijke verwerking als aan de westmuur. Aan weerszijden van de ingang stonden vensters, waarvan na dichting met afbraak kloostersteen de dagkanten te herkennen zijn en natuurstenen oorstukken. In tegenstelling tot de opgezette kanten van de ingang zijn de dagkanten van de vensters onregelmatig; zij kunnen aangebracht zijn nadat de ingang gedicht was. Wel correspondeert het niveau van de ingang met dat van de vensterhoogte, zodat ze ook gelijktijdig in gebruik

[p. 156]

geweest kunnen zijn. Van de overige vensters is de zuidelijk dagkant van het tweede venster aan de oostgevel origineel. In het achterste vertrek van het voorhuis bevindt zich een toegang tot een kelder, waarvan slechts een gedeelte vrij is. Daar is te zien, dat de muren ervan 64 cm dik waren en uit kloostersteen bestaan. In de zuidwand is een doorgang in het midden van de muur, die daar wegens de gemetselde trap 4 m breed is. Zuidelijk van deze doorgang was eveneens een kelder, die volgestort is. Ook verder noordwaarts moet de kelder doorgelopen hebben doch is door de vorige bewoner volgestort.

+ Uit de bovengenoemde gegevens kan men slechts opmaken, dat er op dit terrein een stenen huis gestaan heeft met muren van 75 cm dik, waarvan de noordmuur over is. Dit huis zal in de vroege 16e eeuw of in 1495 herbouwd zijn, mogelijk op de oude fundering. Deze zou dan reeds de vorm van een zogenaamde zaalstins gehad hebben en daarmede 14e-eeuws gedateerd moeten worden (M.W. Meijer, Stinsen in Leeuwarden in: De stenen droom, Zutfen 1988, 261). Men trok nieuwe west- en oostmuren op van afbraak kloostersteen. Daarvan is in de kelder een gedeelte van de oostelijke en de aangrenzende zuidelijke muur te zien. Wij denken, dat de gemetselde trap daartoe behoord heeft en ook onder de westmuur deze muurbreedte aanwezig is. Het terrein is aanzienlijk opgehoogd, waardoor de fundering zelfs in de kelder niet aan het licht komt. Daar men toen waarschijnlijk tevens vensters in de noordmuur heeft aangebracht, is de verdedigbare functie voorbij geweest en werd het steenhuis bewoonbaar gemaakt. De doorgang in de zuidwand die in de kelder zichtbaar is, wijst erop dat er ook daar nog ruimten aanwezig waren, die hebben moeten wijken voor de 18e-eeuwse landbouwschuur. Zo kan men zich de deling voorstellen van eigendommen in een voor- en een achterhuis, zoals in 1614 vermeld wordt. Nadien is de oostmuur eens herbouwd, bij welke gelegenheid de vensters in de noordmuur gedicht werden en er vensters in de oostzijde kwamen. Veel later is de ruimte inwendig in twee vertrekken verdeeld en werd er weer een gedeelte van de westmuur vernieuwd met aangrenzende noordmuur van de schuur. Toen was de state reeds lang een boerderij geworden, doordat de zuidmuur en aangrenzende gedeelten vernieuwd waren als halsgedeelte met aan de westzijde een aangebouwde melkkelder. Mogelijk is het muurwerk van de state toen verlaagd, waardoor er weer kloostersteen beschikbaar kwam, waaruit de melkkelder bestaat.

 

+ Aan de Trekweg ten zuiden van Strobosser Trekvaart staat bijna op de hoek van de Mûntsewei naar Veenklooster een boerderij van het kop-hals-romptype (afb. 278). De schuur is rietgedekt, het voorhuis thans met golfplaten. Het heeft een doorlopende nok gekregen. Het vooreind is nog vrij gaaf met twee schoorstenen, beitelingen langs de zijden van de topgevel en ruitvormige lichtopeningen in de top, xix. Het huis is Huis ter Noord genoemd, naar het Huis van die naam dat op de hoek van de Munnekeweg stond en in de 17e eeuw voorkomt. Ook een café in de vorm van een boerderij met dwarsgebouwd voorhuis (xix), dat in 1957 is afgebroken, droeg deze naam.

De naam Ter Noord is kennelijk van Fogelsangh uit gedacht; het ligt aan het einde van de Munnekeweg en bij het begin van de opvaart uit de Strobosservaart. Bij Schotanus komt het huis voor als Huys ten Oort, maar dat moet een verschrijving zijn van ter Noord. Andreae vermeldt het huis namelijk bij de verkoop van Fogelsangh aan Pibo van Doma in 1666. Andreae denkt dat het om een voormalig Tolhuis gaat, dat in 1662 genoemd wordt ‘Tolhuis onder Oltwolde’ (Andreae '85, ii, 28). Op de kaart van Th. Hoen van 1668 wordt een bouwsel aangegeven ten oosten van de Munnekeweg; maar noch Tolhuis noch Huis ter Noord komen in de legenda voor. In het Proclamatieboek komt het Huis ter Noord in 1695 voor (q 7, f. 142), Wumkes (i, 374) vermeldt dat in 1793 900 eiken werden verkocht ‘op de westerse singels van het Huis ter Noord te Veenklooster’.

+ Een beurtvaartdienst die aanvankelijk vooral de opbrengst van de boerderijen van het landgoed Veenklooster vervoerde en materiaal aanvoerde, zou ook van Huis ter Noord+ af gevaren hebben. Sedert 1899 werd de melk verwerkt in de melkfabriek, die dezelfde naam kreeg (vgl. J. de Boer, Griemmank út Aldwâld's forline, Aldwâld 1983, 31).

 

+ Volgens Andreae lag op de Wijgeest onder meer Eysmastins, die in de 15e eeuw genoemd wordt (vgl. Kollumerzwaag, states). Bennert Eysma komt voor onder de

[p. 157]



illustratie

Afb. 254. Allema State. Plattegrond en aanzichten. Getekend 1986 naar eigen opmetingen in hetzelfde jaar.


[p. 158]

edelen, die zich verzetten tegen het verbond met Groningen van 1467. Zijn stins wordt het volgend jaar vernield. In 1571 komt de plaats voor als Eysmahiem.

+ Tegen de grens met Kollum heeft van ongeveer 1785 tot 1877 een landhuis Vaartzicht gestaan (afb. 272). Het is volgens Andreae ('85, ii, 9) gebouwd door Lucia Catherina van Scheltinga nadat zij weduwe geworden was van Hector Livius van Heemstra, met wie zij op Fogelsangh gewoond had. Dit huis was aan haar dochter Cecilia gekomen. Voor haar is het eind 18e eeuw verfraaid (zie aldaar). De moeder trok zich terug op een bescheiden huis, dat volgens de tekening die A. Martin er voor de afbraak van maakte slechts aan weerszijden van een brede ingang een vertrek met twee vensters had. De ingang was door geornamenteerd lijstwerk omgeven en langs een hoge stoep bereikbaar, daar het huis ruim onderkelderd was. Evenals aan het oude Fogelsangh werden aan weerszijden van het hoofdhuis dienstgebouwen opgericht, die door lage muurtjes met het hoofdgebouw verbonden, de tuin afschermden. Aan de achterzijde gaf het huis kennelijk uitzicht op de Trekvaart en had daar mogelijk een theehuis en aanlegsteiger. Na Lucia Catherina van Scheltinga woonden er een dochter van Martinus van Scheltinga gehuwd met Van Limburg Stirum. Zij verhuisde later naar Nijenburgh. Na haar woonden er mr. Bolman en mr. Hopperus Buma en diende het huis als zomerverblijf voor O.E.G. van Limburg Stirum. Tenslotte werd het huis eigendom van baron van Pallandt, die het liet afbreken.

Woningen en bedrijfspanden

+ Fraai in de as van de Jan Binneswei gesitueerde boerderij met dwars geplaatst woongedeelte onder schilddak met hoekschoorstenen (afb. 283). De flauw gebogen bovendorpels van de vensters wijzen op een bouwtijd in de tweede helft van de 19e eeuw. Het gebouw vervangt een kop-hals-rompboerderij, die volgens de kadastrale minute evenwijdig met de weg lag.

+ Boerderij met dwarsgeplaatst woonhuis onder laag schilddak met hoekschoorstenen (afb. 281). Het ontbreken van de borden op de schoorstenen en van een dakkapel en enige omlijsting rond de ingang geeft dit voorhuis minder aanzien, hoewel het met de hanekammen boven de vensters en de omlopende gootlijst evenzeer aandacht verdient. Het is wellicht ouder dan nr. 35, doch is blijkens de kadastrale minutekaart na 1823 gebouwd ter vervanging van een kleinere opstal op dit terrein.

+ Keuterij, die in 1968 opgemeten is door de Stichting Historisch boerderij-onderzoek (afb. 255). Het pand is gesitueerd tegenover de fraaie nrs. 30 en 32. Het is niet ouder dan 1823, daar het op de kadastrale minute nog niet voorkomt en heeft inmiddels een nieuw voorhuis gekregen en was in 1968 reeds niet meer als boerderij in gebruik. De doorsnede A - A geeft een goed beeld van het toen nog aanwezige bedschot.

+ Boerderij Klein Vaartzicht van het type stelp met ingebouwd dwarshuis (afb. 273) (vgl. Friese Straatweg 11 onder Burum). De voorgevel is geleed geweest door pilasters, twee op de hoeken en twee om een middengedeelte aan te geven. Daar is nu een erker uitgebouwd. De naam wijst op het in 1877 afgebroken huis Vaartzicht aan de overzijde. De boerderij vervangt een vroeger op dit perceel staande rechthoekige opstal; mogelijk is het dwarshuis er omstreeks 1870 vóór gebouwd. De achtergevel ziet er althans ouder uit.

+ Op de hoek van de Jan Binnesweg staande boerderij van het kop-romptype met zijkamer. In het voorhuis was tegen de noordgevel het bedschot aangebracht (afb. 256, 275). Blijkens de rollagen langs de schuine kanten van de gevels is de boerderij omstreeks 1860 gebouwd en blijkens de kadastrale minute op een onbebouwd terrein. De vijf vensters van het voorhuis hebben alle nog de zesruitsindeling, evenals de kleinere vensters in de topgevel. Omgaande bakgoot en bord op de schoorsteen. Volgens gegevens s.h.b.o. zou de stookhut voor de melkkelder aan de noordzijde gestaan hebben. Voor beide gevels leilinden.

+ Op de kadastrale minute staat op de plaats reeds een boerderij van het kop-romptype, zodat het nokanker 1763 geloofwaardig is (afb. 257, 279). Het pand wordt thans als woonboerderij gebruikt. De lichtruiten in het schuurdak waren voordien reeds aanwezig. Het voorhuis is van gele steen opgetrokken en heeft vier vensters met zes ruiten elk. Het bedschot staat hier aan de schuurzijde van de voorkamer aan weerszijden van een toegang tot dat vertrek. De zoldervensters waren klein en langs de zijden van de topgevel moet men oorspronkelijk waarschijnlijk vlechtingen denken.

[p. 159]



illustratie

Afb. 255. Boerderij Foarwei 41. Plattegrond, doorsneden en aanzichten gereconstrueerd. Tekening W. van der Zweep 1968 voor S.H.B.O., Arnhem.


[p. 160]



illustratie

Afb. 256. Boerderij Foarwei 30. Plattegrond, doorsneden, aanzichtensituatie, gereconstrueerd. Tekening W. van der Zweep 1968 voor S.H.B.O., Arnhem.


[p. 161]



illustratie

Afb. 257. Boerderij Foarwei 32. Plattegrond, doorsneden en aanzichten situatie, gereconstrueerd. Getekend 1968 door W. van der Zweep voor S.H.B.O., Arnhem.


+ Waarschijnlijk omstreeks 1860 herbouwde boerderij van het kop-hals-romptype (afb. 274). Het lange voorhuis heeft twee schoorstenen en een (latere) kapel op het zuidelijke dakvlak. Langs de voorgevel rollagen waarop dekplanken. De vensters hebben nog luiken en schuiframen met kleine roedenverdeling. Ook de vensters in de hals hebben deze indeling evenals het venster in de achtergevel. De boerderij is eigendom van de Fogelsanghstate geweest, wat mogelijk tot deze vensterindeling geleid heeft, die in 1850 niet modern was. Achtergevel gaaf met kippeloopje en smalle zijlichten naast de toegang tot de veestallen.

+ Breed woongebouw onder zadeldak evenwijdig aan de rooilijn van de straat (afb. 284). Links van de ingang drie vensters, rechts een blind muurgedeelte, waarin een keldervenster gestaan heeft en twee vensters. In de topgevel, die beitelingen langs de zijden heeft, een turf- of hooiluik. De woning komt nog niet voor op de kadastrale minutekaart en moet dus na 1823 gebouwd zijn. Een soortgelijke woning stond te Kollumerzwaag, Foarwei 173, zie aldaar.

[p. 162]

+ Keuterijtje van halfsteensmuren onder een pannen dak met gave zesruitsvensters met luiken in het voorhuis (afb. 289). De topgevel met beitelingen en dekplanken heeft zeer kleine lichtopeningen in de top, xixa.

+ Als woonboerderijtje herstelde keuterij (afb. 282). Het woonvertrek aan de voorzijde had links de bedstedenkastenwand, waarover het rietendak is doorgetrokken. Het stalgedeelte is vernieuwd waarbij de ingang in de achtergevel kwam ter vervanging van de ingang in het voorhuis terzijde.

+ Boerderij van het kop-hals-romptype met regelmatig verdeelde brede vensters in de voorgevel, die door een brede uitgemetselde rollaag omstreeks 1860 te dateren is (afb. 286). De bedsteden hebben kennelijk tegen de binnengevel van het voorste vertrek gestaan, die dan ook geen vensters heeft. Zeer brede schuur met pannen gedekt; in de achtergevel halfrond gesloten venster.

+ Kleine boerderij als woning in gebruik (afb. 287). Het vooreind, dat smalle vensters heeft, draagt in een topanker het bouwjaar 1807.

+ Boerderij met lang voorhuis onder zadeldak tegen topgevel met beitelingen en dekplanken, xviii-xixa (afb. 288). In de top de oorspronkelijk smalle vensters. In de ‘binnengevel’ zijn vensters gebroken omdat tegen de buitengevel een aanbouw is opgetrokken. De boerderij komt als kop-hals-rompvorm voor op de kadastrale minute van 1823.

Voormalige industriemolen

+ Bij de Trekvaart aan de Mûntsewei tegenover Huis ter Noord heeft een korenmolen gestaan (afb. 285).

 

+ Keune, Korenmolens, 26-27; Wijnja, Windmolens i.v. Oudwoude

 

Begin 1857 verzocht D. Kooi uit Kollum Gedeputeerden om te Oudwoude ‘aan de Trekvaart nabij Huis ter Noord’ een koren- en pelmolen te mogen bouwen. Het College van b. en w. adviseerde gunstig, echter onder voorbehoud, dat de molen zover mogelijk van de Trekvaart verwijderd zou komen te staan. Voorjaar 1858 ving men aan met bouwen van de hoge gemetselde voet, waarop het achtkant met stelling moest komen en in juli van dat jaar was de molen gereed. In de loop van de jaren twintig van deze eeuw werd een dieselmotor aangebracht, doch omstreeks 1950 werd het bedrijf gesloten en de molen die voorzien was van zelfzwichting boven de eerste verdieping van de voet gesloopt.

 

+ Binnen het gebied van het dorp Oudwoude ten noorden van de Nieuwe Zwemmer komen op de kaart van Halbertsma zeven terpen voor, vijf ten zuiden van de oude Zwemmer en twee ten noorden daarvan, op de noordelijke daarvan ligt de boerderij Walddijk nr. 19 (zie aldaar), op de zuidelijke de vernieuwde Lubmaheerd. Bij een der zuidelijke heeft men mogelijk in 1902 de vondst gedaan van een zestigtal Karolingische munten (Vrije Fries xx, 65).

[p. 163]



illustratie

Oudwoude. De kerk en het kerkhof van de noordwestzijde. Opname 1976.


[p. 164]



illustratie

Afb. 258. Hervormde kerk gezien van het zuidwesten. Opname 1976.




illustratie

Afb. 259. Rouwbord voor Gajus van Broersma, overleden 1694. Opname 1976.




illustratie

Afb. 260. Rouwbord voor Vincent van Hiemstra, overleden 1755. Opname 1976.




illustratie

Afb. 261. Rouwbord voor Wija Catherina van Glinstra huisvrouw van Willem Hendrik van Hiemstra. Overleden 1762. Opname 1976.


[p. 165]



illustratie

Afb. 262. Repro naar luchtfoto van de situatie van kerk en pastorie voor 1965.




illustratie

Afb. 263. Stichtingssteen van de Hervormde pastorie uit 1806, thans in de achtergevel op maaiveldhoogte. Opname 1986.




illustratie

Afb. 264. Rouwbord voor Cornelius van Scheltinga, overleden 1775. Opname 1976.




illustratie

Afb. 265. Rouwbord voor Hector Livius van Hiemstra, overleden 1783. Opname 1976.




illustratie

Afb. 266. Rouwbord voor Willem Livius van Bouricius, overleden 1793. Opname 1976.


[p. 166]



illustratie

Afb. 267. Hervormde kerk inwendig gezien naar het oosten. Opname 1976.




illustratie

Afb. 268. Geschilderd rouwbord voor Pibo van Doma, overleden 1675. Opname 1976.




illustratie

Afb. 269. Geschilderd rouwbord voor Gaius van Broersma, overleden 1678, Opname 1976.




illustratie

Afb. 270. Zilveren avondmaalsbeker van Oudwoude in 1854 te Leeuwarden gemaakt door J.J. Oosterbaan. Opname 1987.




illustratie

Afb. 271. Stichtingssteen voor het vroegere schoolgebouw. Opname 1976.


[p. 167]



illustratie

Afb. 272. Het landhuis Vaartzicht getekend door A. Martin voor 1877.




illustratie

Afb. 273. Boerderij Klein Vaartzicht aan de Foarwei 6. Opname 1987.




illustratie

Afb. 274. Boerderij van het kop-hals-romptype Foarwei 48. Opname 1987.




illustratie

Afb. 275. Boerderij van het kop-romptype Foarwei 30. Opname 1986.


[p. 168]



illustratie

Afb. 276. Restant van Allema State tot boerderij verbouwd. Oostzijde. Opname 1987.




illustratie

Afb. 277. De oostgevel van het stinsrestant van Allema State. Opname 1987.




illustratie

Afb. 278. Boerderij Husternoard 12 ongeveer ter plaatse van het voormalige Huis ter Noord. Opname 1986.


[p. 169]



illustratie

Afb. 279. Kleine boerderij Foarwei 32 blijkens het nokanker in 1763 gebouwd. Opname 1987.




illustratie

Afb. 280. De noordgevel van het woongedeelte van Allema State met sporen van de voormalige toegang en de vensters. Opname 1987.




illustratie

Afb. 281. Dwarsgebouwd woongedeelte van de boerderij Foarwei 39. Opname 1986.




illustratie

Afb. 282. Hersteld woudhuis aan de Wijgeest 55. Opname 1987.




illustratie

Afb. 283. Boerderij Foarwei 35 met 19e eeuw dwarshuis. Opname 1987.




illustratie

Afb. 284. Woning aan de Jan Binneswei 10. Opname 1987.


[p. 170]



illustratie

Afb. 285. Voormalige korenmolen aan de Mûntsewei.




illustratie

Afb. 286. Negentiende eeuwse boerderij van het kop-hals-romptype Dellenswei 4. Opname 1987.




illustratie

Afb. 287. Kleine boerderij aan de Dellenswei 5 blijkens jaartalanker in 1807 gebouwd. Opname 1987.




illustratie

Afb. 288. Boerderij Walddijk 19 met twee topgevels en schoorstenen aan het vooreind. Opname 1986.




illustratie

Afb. 289. Woudhuisje aan de Jan Binneswei 47. Opname 1987.