Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 17]

Brantgum

De Schotanuskaart van de grietenij en de kadastrale minuut geven een identieke situatie van de dorpsplattegrond weer: de ringweg met een niet geheel regelmatig rond verloop op de voet van de terp, waaraan vrijwel de gehele bebouwing gelegen is. Een geringe concentratie van niet-agrarische bebouwing bevindt zich op de noordoostelijke helling van de terp, waar de opvaart het dorpsgebied bereikt. Centraal in de plattegrond op de ruim zes meter hoge kruin van de terp, ligt de dorpskerk van waaruit de indeling in percelen naar buiten toe uitwaaiert en zich plaatselijk buiten de ringweg voortzet. De hier beschreven situatie, die in het begin van de vorige eeuw nog werd aangetroffen, benadert het ‘ideaaltype’ van het terpdorp in sterke mate (zie Ferwerderadeel, 30). De opbouw van de plattegrond onderging sterke wijziging toen in de jaren zestig van de vorige eeuw de wegverbinding tussen Holwerd en Dokkum werd verbeterd. De oude bochtige en onverharde weg liep buiten het dorp om; het nieuwe, rechte en verharde tracé wordt over het midden van de dorpsterp gelegd en vormt de scheiding van de historische dorpsstructuur in twee helften. De verbreding van de weg in de jaren zestig van deze eeuw betekende een verdere aantasting van de structuur.

Ten zuidwesten van de verkeersweg heeft het dorp vrij sterk het agrarische aanzien behouden. Wel is hier plaatselijk de dorpsterp afgegraven rond de eeuwwisseling. Aan de andere zijde van de verkeersweg is het agrarische element meer naar de achtergrond verdrongen; een vergelijking tussen het kadastrale minuutplan en de kaart van Ids Wiersma die de toestand van 1853 weergeeft (afb. 22) laat zien dat in de ongeveer twintig tussenliggende jaren een verdichting van de dorpsbebouwing is opgetreden. In deze eeuw verandert het beeld verder door het verschijnen van naoorlogse woningbouw aan de ringweg.

Het straatje dat van de kerk in noordoostelijke richting naar de ringweg loopt geeft met de naam Roosterweg aan dat in de straat bij de toegang tot het kerkhof vroeger een rooster heeft gelegen om het vee van het kerkhof te weren. In het volksgeloof heette het, dat de duivel, lopend op hoeven, door het rooster van het kerkhof kon worden geweerd.

[p. 18]



illustratie

Afb. 21. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 22. Invulling met bebouwing van het dorp in de jeugd van Ids Wiersma. Tekening coll. Fries Letterkundig Museum, Leeuwarden.


[p. 19]



illustratie

Afb. 23. Luchtfoto, schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 20]

Het kerkgebouw

Hervormde kerk

De Hervormde kerk ligt op de vrij hoge beschermde terprest in een omheind en van een keermuur voorzien kerkhof, in het midden van het dorp. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (afb. 24-33).

Litteratuur

r.v.a. i, 134; Benef. 173; r.v.g.o. 95; Tegenw. Staat ii, 126; Wumkes ii, 128 en 142; W.T. Keune, Kerk en dorp van Brantgum, 1972; Nieuwsbulletin k.n.o.b. 1973, 49.

Bronnen

Rekeningen Kerkvoogdij 1826-1930, gem. archief Westdongeradeel; Historisch-bouwtechnisch rapport W.J. Berghuis 1974, Archief r.d.m.z. Zeist.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf in coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 26).

Geschiedenis

In 1511 bezit te Brantgum alleen de pastorie goederen. In 1543 en 1580 daarentegen worden naast pastoorsopkomsten ook patroonsopkomsten en goederen van een prebende of jongerenleen vermeld, dat in het eerstgenoemde jaar gesticht was en waar in 1580 een schoolmeester uit bekostigd werd. In 1543 vermeldt men beleningen ter dekking van kosten van ‘timmeringe aan de kerk’.

In 1842 beraadslagen floreenplichtigen over het ‘afbreken van de oude toren en het plaatsen van een spits op de kerk aldaar’; de ‘nieuwe spits met bintwerk’ wordt in 1826 aanbesteed (Wumkes). Volgens Keune was de dakruiter met blauwe en witte strepen geverfd. In 1877 werd hij vervangen door een stenen toren op vier houten staanders in de westelijke travee van de kerk. Blijkens een staat van kerken en torens uit 1843 in het archief van de gemeente verving de toren van 1826 een westtoren aan de kerk, die van een huisdak was voorzien. De Tegenwoordige Staat daarentegen spreekt van een spitse toren, terwijl de toren die Stellingwerf weergeeft eerder een klokhuis lijkt.

Tegelijk met de nieuwe spits van 1826 werden de zoldering en kap van de kerk verbeterd. In 1858 wordt ‘het binnenste der kerk’ vernieuwd, waarbij kennelijk de ramen gewijzigd zijn. In 1876 werd vervolgens aan P. Helder te Aalsum opdracht gegeven het inwendige en uitwendige te ‘vertimmeren’. Inwendig komt er een gepleisterd gewelf, worden de muren gestuct en krijgt de kerk een houten vloer. Uitwendig komt er een nieuw lager dak met ‘gladde geribde pannen’ en worden de muren bepleisterd. Tijdens het werk worden de trekbalken vervangen door ijzeren trekstangen en kwam er een nieuw voorportaal en een kraak. Na het bouwen van de toren in 1877 besloot men een orgel aan te schaffen, dat door de orgelbouwer Hardorff te Leeuwarden geleverd werd.

Restauratie

De bepleistering aan de buitenzijde werd in 1973 verwijderd, waarbij de romaanse detaillering van het westelijk gedeelte van het schip aan het licht kwam. Tijdens de daarop volgende restauratie onder leiding van het bureau Van Manen en Zwart te Drachten werd bodemonderzoek uitgevoerd. Dit bracht de fundering van een tufstenen westmuur aan het licht ruim twee meter westelijk van de tegenwoordige en rustend op een grondverbetering van lagen tufgruis en klei met op de hoeken zwerfkeien. Nog vier meter verder westelijk lag bovendien een brede fundering van baksteenpuin, afgewisseld met lagen klei, ter breedte van het schip. Vlak voor de tegenwoordige westgevel lag bovendien een tufsteenbed.

Beschrijving

De vrij diepe eenbeukige kerk bestaat uit een tufstenen schipgedeelte en een twee traveeën diep bakstenen koorgedeelte dat driezijdig gesloten is. Het koorgedeelte is door steunberen geschoord waarvan vóór de restauratie alleen de meest oostelijke versnijdingen hadden. Die op de koorhoeken waren sterk verzwaard en de vier overige waren vernieuwd in afgeschuinde vorm. De beren tegen het schipgedeelte bleken na ontpleistering uit tufsteen te bestaan, doch op een bakstenen fundering te rusten.

Materiaal

Tufsteen verwerkt in blokken van 30-40 cm lengte, 8-9 cm dikte, 10 lagen 97 cm. In de westelijke travee en aan de beren is aangepast secundair verwerkt tufmateriaal gebruikt van iets kortere streklengte, aan de schiptravee inwendig vermengd met rode baksteen van 29 × 9 cm. De koortravee en de sluiting bestaan uit afbraak mopsteen van 9-9,5 cm dikte, 10 lagen 96 cm. Ook de omlijsting en het veld van de gedichte zuidelijke ingang bestaan daaruit.

Schip

De tweede en derde travee van het schip bestaan uit tufstenen muurwerk, versierd met een vrij hoog aangebracht doorlopend spaarveld, afgesloten door een rondboogfries, zoals aan de noordzijde te zien is (afb. 28). In de tweede travee is de oostelijke dagkant van een met tufsteen gedicht rondboogvenster te zien, waarvan de boog door het fries doorsneden wordt. Boven de boog loopt een platte laag. De dichting gaat over in het

[p. 21]



illustratie

Afb. 24. Hervormde kerk en toren. Plattegrond met gevonden westelijke fundering van de 12e-eeuwse tufstenen kerk met zwerfkeien op de hoeken (a), 15e-eeuwse westmuur (b) en fundering van een toren (c). Getekend in 1980 naar opmetingen van 1950 en 1972-73 en gegevens r.o.b.


aansluitende muurwerk, dat zich over de meest westelijke travee voortzet. De tufstenen beren vormen een geheel met dit latere tufsteenwerk en zijn in het oude werk met zorg aangeheeld. Het oude werk eindigt bij de aanzet van het bakstenen koor met een rechte kant, waarin tijdens de restauratie aan de noordzijde twee dakmoeten boven elkaar te zien zijn geweest (afb. 30). De benedenste helde niet meer dan 30 graden. Dicht bij deze beëindiging is een laaggeplaatst venstertje, een zogenaamde hagioscoop, ingehakt geweest en thans met baksteen gedicht.

Aan de zuidzijde is de westelijke dagkant van een met tufsteen gedicht venster waar te nemen ten westen van het later ingehakte brede spitsboogvenster in de derde travee. In de tweede travee zijn segmentvormig gedekte ingangen geweest, waarvan de zuidelijke in een bakstenen spitsboog gevat was, met een klein beeldnisje in het veld van de boog. Westelijk van deze ingang was een klein segmentbogig gesloten venster. Aan de noordzijde is de ingang omlijst met afwisselende lagen tuf en baksteen, waaruit ook de binnenzijde van de muur van deze travee bestaat.

Koor

Het bakstenen koormuurwerk gaat zonder versnijding of waterlijst op en bevat in elke travee aan de zuidzijde, in de eerste travee noordzijde en aan de koorsluiting ongeprofileerde scherp spitsbogige vensters met een steensrollaag langs de kop. De zijmontants staan geheel aan de binnenzijde van de dagkant (afb. 25). De steunberen zijn bij de restauratie hersteld met twee versnijdingen zoals zij aan het koor aanwezig waren. De vier koorsteunberen, die voor de restauratie grotendeels uit kleine steen bestonden, zijn niet weer aangebracht.

Inwendig

Inwendig zijn de muren afgestuct in velden tussen dunne pilasters, waarschijnlijk ter plaatse van muurstijlen van een voormalige gotische kapconstructie. Ook het gewelfde plafond is gestuct. In de eerste travee, dus in de voorkerk, waar geen gestuct plafond is, ziet men tegen de noordmuur een fragment van een opschrift in gotische letters: ‘....erside der phasens....’ (afb. 33).

Bouwgeschiedenis

Uit de gevonden tufstenen westmuur en de oostelijke beëindiging van het opgaande muurwerk valt een zaalkerk van ruim 7 × 14 meter te reconstrueren, die in de 12e eeuw ontstaan zal zijn. Van de oostelijke afsluiting is slechts te zeggen, dat deze smaller was en twee fasen gekend heeft, waarvan de eerste een zeer flauwe dakhelling had. Het diepe driezijdige gesloten koor kan uit het tweede kwart van de 16e eeuw dateren, dat wil zeggen kort voor 1543 (zie ‘geschiedenis’). De westelijke helft moet reeds eerder herbouwd zijn, waarbij het muurwerk door beren geschoord werd en het schip werd ingekort tot op de fundering die tegen en onder de tegenwoordige westmuur ligt. De plaats van de ingangen, die gotische details vertonen en tegelijk met het opgaande muurwerk zijn aangebracht, wijst daar ook op. De brede westelijke bakstenen fundering kan dan op een westtoren wijzen, zoals bij voorbeeld ook in Wanswerd gebouwd is. In Brantgum zal deze niet verder dan de eerste geleding tot stand zijn gekomen; daarop werd een houten bovenbouw gezet, zoals Stellingwerf weergeeft.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Tegen de oostwand staat de bij de restauratie wit geverfde eiken preekstoel met achterschot en klankbord; aan de hoeken van de kuip gecanneleerde, deels geornamenteerde pilasters, xviic (afb. 32).

Doophek

Doophek en doopboog 1858 (?) (afb. 31).

[p. 22]

Orgel

Orgel door Hardorff in 1877 geleverd.

Klok

In de toren hangt een na 1945 hergoten klok, diam. 86 cm, met opschrift: ‘Jurien Balthasar heft mij ghegooten anno 1660/Joannes Brunsvelt/predicant aldaer/Pieter Janse Minnerda/Pieter Willems kerckvoogden in Brantinghem’.

Uurwerk

In de toren is een gesmeed ijzeren uurwerk, xvii. Volgens Van Borssum Waalkens zou er nog een zeer oude klok zonder opschrift zijn (Vrije Fries 1886).

Sarcofaagdeksel

Tijdens werkzaamheden aan de toren in 1979 is een roodzandstenen sarcofaagdeksel, die als dorpel diende, uitgegraven en in het voorportaal van de kerk gelegd. De zerk meet 173 × 93 en 78 cm. In de hoeken staan zeer kleine kruisjes, waarbij men zich afvraagt of dit wel wijdingskruisen zijn voor gebruik als altaarsteen.

Overige terpen

Terp

Halbertsma kent nog een terp aan de noordoostelijke grens van het dorpsgebied, waar Eekhoff de naam Minnerda plaatst.

Boerderij Minnerda

Op de terp staat een in 1920 aanzienlijk verbouwde boerderij van het stelptype. Volgens de eigenaar is in 1920 de achtergevel, die uit kleine gele steen bestaat, naar achteren verplaatst. Er staan 19e-eeuwse rondboogvensters in met roeden, zoals de meeste bouwboerderijen in deze streek bezitten.

Litteratuur

W.T. Keune, Kerk en dorp van Brantgum, Brantgum 1972.

Geschiedenis

Uit de opgaven van 1511, 1543 en 1580 en de latere belastingkohieren noemt Keune een aantal eigenaren van bedrijven in dit gebied. In 1511 wordt na de pastoor het eerst Adzeert Minnerda genoemd. In de 17e eeuw is Minnerda nog de tweede sate van het floreenkohier.

Overige bebouwing

Montzema State

Aan de weg naar Hantum staat een grote boerderij van het kop-hals-romptype op omgracht terrein, xixc, met een gesmeed ijzeren toegangshek aan gietijzeren palen (afb. 35-36). In 1511 wordt Kempe Montie genoemd met het grootste bezit, dat hij evenwel pacht van ‘Heer Laes met zijn susteren, Remmert op Spriens, Peter Hayens en de pastoor’ (r.v.a. i, 135). Tussen 1575 en 1579 komt Monsma voor in de decretale verkopen (Berns, 21, iii; Gen. Jierboekje 1978/79, 93). Het huis ‘op Montyema’ wordt in 1615 als volgt beschreven: ‘een huis, bestaande uit een voorhuijs, keucken, dorschhuijs ende achterhuijs’, samen 17 vak lang (Weesboeken). In 1700 vormt de boerderij van 100 pondematen nog het grootste bedrijf en behoorde het aan de gebroeders Lieuwes (Keune).

[p. 23]



illustratie

Brantgum van Waaxens uit gezien. Tekening door Ids Wiersma.


[p. 24]



illustratie

Afb. 25. De grotendeels 16e-eeuwse kerk na de restauratie. Toren van 1877. Opname 1974.




illustratie

Afb. 26. De kerk van Brantgum naar tekening door J. Stellingwerf, omstreeks 1722.


[p. 25]



illustratie

Afb. 27. De kerk met bijgeschuinde steunberen; ‘gladde geribde pannen’ en pleisterlaag van 1876. Opname 1959.




illustratie

Afb. 28. Na ontpleistering in 1973 bleek een gedeelte van het schip uit tufsteen te bestaan met 12e-eeuwse detaillering; de 15e-eeuwse steunberen zijn aan dit gedeelte van afkomend tufsteenmateriaal gemetseld. Opname 1974.


[p. 26]



illustratie

Afb. 29. Schip en koor na de restauratie; ontbrekende steunberen zijn niet weer opgebouwd. Opname 1974.




illustratie

Afb. 30. Oostelijke beëindiging van het tufstenen schip met flauw hellende kapmoet van het verdwenen smallere koorgedeelte. Opname 1972.


[p. 27]



illustratie

Afb. 31. Gietijzeren doopboog, waarschijnlijk uit 1858. Opname 1974.




illustratie

Afb. 32. Het inwendige van de kerk sedert 1876. Opname 1974.




illustratie

Afb. 33. Middeleeuws opschrift aan de binnenzijde van de 15e-eeuwse noordmuur van het schip: ‘[west]erside der Phasens...’. Opname 1973.


[p. 28]



illustratie

Afb. 34. Een ‘gardenierswoning’ of keuterij bij Brantgum naar tekening door Ids Wiersma.




illustratie

Afb. 35. 19e-eeuws toegangshek van de boerderij Montzema State. Opname 1981.




illustratie

Afb. 36. 19e-eeuws toegangshek van de boerderij Montzema State. Opname 1981.