Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 87]

Holwerd

De oudste vermelding van de dorpsnaam heeft betrekking op de kerk van ‘Holeuurt’, die blijkens een 11e-eeuwse kerkenlijst tot de toenmalige bezittingen van de Abdij Echternach behoorde (Blok, Echternach, 180, 181).

In de later bekende plattegrond van het dorp heeft de kerk een opvallende ligging, namelijk oorspronkelijk buitendijks op een eigen terp, los van de langwerpige dorpsterp die zich ten zuidoosten daarvan bevindt. De huidige zeedijk dateert uit 1580 en ligt ruim een kilometer ten noordwesten van het dorp. Voordien sloot de laatmiddeleeuwse zeedijk aan weerszijden op de dorpsterp aan, waardoor de kerk buitendijks gelegen was. Deze dijk is nog ten oosten en ten westen van het dorp als verhoging in het landschap aanwezig en wordt gemarkeerd door de op het dijklichaam gelegen weg naar respectievelijk Ternaard en Leeuwarden. In 1511, bijna 70 jaar voor de nieuwe bedijking, blijkt al volop buitendijks land bij het dorp in agrarisch gebruik te zijn (r.v.a. i, 114-117).

De hierboven geschetste ligging van de kerk ten opzichte van de dorpskom en de zeedijk is de oudst bekende uit het kaartmateriaal. De aanwezigheid van een ringweg rond het kerkhof en van enkele paden die daar naar toe lopen, suggereren een oorspronkelijk centraal in de dorpskern en op de kruin van de terp gelegen kerkgebouw. De veranderde ligging van de bewoning ten opzichte van de kerk zou dan geïnterpreteerd kunnen worden als een verplaatsing landinwaarts ten gevolge van wateroverlast. De hoofdstraat in het dorp, tevens de verbinding met de kerk, kan worden opgevat als een verlengd en uitgegroeid oorspronkelijk kerkpad. De gedeeltelijk buitendijkse ligging voor 1580 heeft een haven- en marktfunctie voor het dorp mogelijk gemaakt. Holwerd ontvangt met een enkel ander dorp (Harich, Kornwerd) naast de Friese steden het marktrecht in 1453. De ‘vermaarde jaar- en paardenmarkt’ die Van der Aa (v, 715) in 1834 voor het dorp vermeldt is daar vermoedelijk een overblijfsel van (Van Buijtenen, Marktrechten, 54).

Van der Aa vermeldt voorts dat voorheen vijf jeneverbranderijen in het dorp gevestigd waren en in het begin van de 18e eeuw tevens drie bierbrouwerijen. Tot 1750 zou de visserij van belang zijn geweest, terwijl ten noorden van het dorp het veer op Ameland is gelegen. De aanwezigheid van niet-agrarische bedrijvigheid in het dorp is van invloed geweest op de plattegrond en het bebouwingsbeeld. De langgerekte en tamelijk dichtbebouwde dorpskern bestaat voor een belangrijk deel uit woonhuizen; deze situatie is al op de oudste editie van de Schotanuskaart uit 1664 herkenbaar.

Tevens was een tweetal states, Brandstede en de stins in 't Gebuurte, respectievelijk tot circa 1752 en 1804 in het dorp gelegen. Brandstede wordt door Schotanus weergegeven aan de westzijde van de Hogebuurt, waar deze de voormalige zeedijk kruist. Ten zuiden daarvan zou Stins in 't Gebuurte hebben gelegen. Vóór de afbraak van dit gebouw is hierin vermoedelijk nog een van de reeds ter sprake gebrachte jeneverbranderijen gevestigd geweest. De precieze ligging van beide gebouwen valt in de indeling in percelen van het kadastrale minuutplan echter nauwelijks aan te geven (zie voorts de beschrijving van states, hieronder).

Het kadastrale minuutplan laat verder zien dat langs de hoofdstraat, de Hogebuurt, zich een vrijwel aaneengesloten bebouwing bevindt, terwijl de noordoostelijke

[p. 88]



illustratie

Afb. 122. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1832.
Schaal 1:7500.


[p. 89]



illustratie

Afb. 123. Luchtfoto's van Holwerd. Schaal 1:6000. Opname 1971.




illustratie
Afb. 124. Luchtfoto's van Holwerd. Schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 90]

flank van de terp een veel minder dichte bebouwing kent door de aanwezigheid van enkele boerderijen. Dit contrast tussen het agrarische en het niet-agrarische deel van het dorp is ook nu nog duidelijk aanwezig.

In de eerste helft van de 19e eeuw blijken drie ‘dobbes’ in het dorp te zijn gelegen. Van de vijver bij de Hogebuurt is bekend dat deze omstreeks 1870 werd gedempt. De luchtfoto van het dorp (afb. 123) laat zien dat de dobbe ten zuidwesten van de kerk na demping in 1950 grondsporen heeft achtergelaten (Berichten r.o.b. 1950, nr. 21, 2).

De terp waarop de kerk staat is ten tijde van het kaartmateriaal verder nauwelijks bebouwd geweest; grote delen van de heuvel zijn dan ook circa 1891 afgegraven (Wumkes ii, 543).

De typerende stoepen voor de huizen aan de Hogebuurt zijn blijkens gemeenteverslagen in de jaren zeventig van de vorige eeuw ontstaan nadat het straatniveau aldaar ongeveer 0,75 meter werd verlaagd om de helling van de straat over de terp geringer te maken (Keikes, 77). Op het kadastrale minuutplan ligt het grootste deel van de dorpsbebouwing nog op de dorpsterp. Vooral in deze eeuw is het dorp aanzienlijk uitgebreid in zuidoostelijke richting.

Vlak na de eeuwwisseling werd door de Friesche Lokaalspoorweg Maatschappij de lijn Leeuwarden-Dokkum aangelegd waarvan het tracé ten zuidoosten van het dorp liep. Tot in de jaren dertig vond er personenvervoer plaats, in 1974 werd ook het goederenvervoer opgeheven. Het stationsgebouw is, zij het in sterk verbouwde vorm, nog aanwezig; het baanvak is door de verwijdering van rails en biels al nauwelijks meer herkenbaar.

[p. 91]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De Hervormde kerk en toren staan aan het noordelijke uiteinde van het dorp op een beschermd terprestant en in een ruim omheind kerkhof, buiten de oude zeedijk, doch binnen de dijk van 1580-84 (afb. 125, 129-147).

Litteratuur

r.v.a. i, 114; Benef. 178; r.v.g.o. 89; Muller, Rekeningen i, 418, nr. 14; Tegenw. Staat ii, 200; Voorl. Lijst, 335-336; W.H. Keikes, Kerkbouw te Holwerd, Extract kerkvoogdijrekeningboek Ned. Herv. Gemeente te Holwerd, periode 1776-1781 (stencil), Dokkum 1964; Van Buijtenen, Achtkarspelen, 33; S. Algra, Rond de kerkrestauratie te Holwerd, z. pl. 1968; Keikes, Verleden, 21; Blok, Echternach, passim.

Bronnen

Kerkvoogdijrekeningen 1719-1946, gemeentearchief Westdongeradeel; Berns 15, cc. Historisch-bouwtechnisch rapport W.J. Berghuis z.j., archief r.d.m.z. Zeist.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf, 1723, coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 130).

Geschiedenis

In een 11e-eeuws sacramentarium van Echternach, dat in de Parijse Bibliothèque Nationale wordt bewaard, wordt een kerkenlijst van Echternach gegeven, waarin de kerk van Holwerd voorkomt als toenmalig eigendom van de abdij, door Willibrord gesticht. Dat de kerk van Holwerd aan Willibrord gewijd was vermeldde Reitsma reeds; zijn bron blijkt te zijn het Register van Recessen 1525-1528 (Berns, 15 cc), waarin de tekst: ‘Her Rytske Jarsma, praebendarius ecclesie sancti Willibrordi in Holwert... van Vrieslant geboren duer resignaci Martini Alberti, heeft in possessie geweest negen jaer. Fiat praesentacio.’ De betekenis van dit patrocinium is met de 11e-eeuwse bron nu duidelijk.

Volgens oorkonden uit 1333 en 1374 had vervolgens de abt van Dokkum te Holwerd de institutierechten, maar hij moest die in 1374 delen met de proost van Oudmunster. Het kapittel van Oudmunster echter had vanouds relaties met Echternach (Kok, 1959).

Mogelijk is hier een verband Echternach-Utrecht-Dokkum te speuren, hoewel Dokkum inmiddels aan de Praemonstratensen was overgegaan. Van de rechten van Dokkum getuigt nog de opgave van 1580 van de geestelijke goederen, wanneer te Holwerd van twee heren gesproken wordt: een witte benoemd door de abdij van Dokkum en een zwarte. Naast de twee pastorieën en de patroonsbezittingen was er in 1580 nog een prebende of vrijleen.

Volgens de Tegenwoordige Staat is de torenspits in 1661 gebouwd. Ook een gedicht van de Ternaarder schoolmeester Jan Sikkes, gehuwd in 1663, spreekt van de meiboom op de toren ‘nu een wijl geleen’ tijdens de kermis te Holwerd (Keikes, Verleden 51; Berns 51 Q (Weesboeken 1662). De kerkvoogden leenden 1662 1600 carolusguldens ‘tot noodwendige reparatie van onse kercke tot Holwert ende opbouwinge van de toren daarbij staende.’

Uit de 18e-eeuwse bouwrekeningen blijkt, dat de middeleeuwse kerk uit tufsteen bestond en met leien gedekt was: er werden grote hoeveelheden (ongeveer 1500 ton) tufsteen en zogeheten balstenen (grote keien) verkocht, evenals de Avondmaalstafel. De rekeningen bevatten voorts onder meer de volgende gegevens: de bouwmeester Claes Balk maakte het bestek voor de verbouwing van de toren in 1739. De bouwmeester Willem Douwes werd betaald voor plannen en bestekken voor de herbouw van de kerk in 1776, evenals voor vloerstenen. De stenen poort, het bordes, de pijlers en vensterbanken zijn betaald aan Jelle Agema. Blauwe steen voor de vloer en een wapen zijn geleverd door D. Emderveld. De laatste wordt nader omschreven als ‘aan de graftombe’. G. Pytters werd betaald ‘wegens de serkenwapens in de kerk te plaatsen’. Het snijwerk aan de preekstoel en doophekspijlen werd uitgevoerd door Yge Rintjes in 1778, de knoppen door Foeke Rinsma, het stukadoorswerk door Jan Philippes en I. George Hinpel. De koperen lezenaar, een standaard en de zandlopers leverde Lieuwe Geerts, die ook de windwijzer maakte. Een nieuwe doopschaal was reeds in 1767 aangeschaft, evenals tekstborden in 1774. Voorts blijkt in 1740 een klok van 2757 pond te zijn verkocht aan de kerkvoogden van Deinum.

In 1784 is de torenspits opnieuw met leien gedekt en zijn nieuwe knollen, kroon, pijnappel en weerhaan aangebracht. Aan I. de Wal wordt dan bovendien een betaling gedaan voor tien zilveren lepels. Aan de financiering van de herbouw van de kerk werd voor f 6000,- bijgedragen door grietman Eyso de Wendt en voor f 7000,- door de weduwe E. van Kleffens.

[p. 92]

In het archief berusten voorts bestek en ‘conditiën wegens het doen van eenige reparatiën’ aan de toren te Holwerd uit 1835. In 1853 bezon men zich echter opnieuw over de toestand van de toren en het blijkt, dat de aanbesteding niet doorgegaan is bij gebrek aan middelen. In 1855 ten slotte werd de reparatie goedgekeurd. Blikseminslag veroorzaakte in 1911 wel schade maar de spits kon behouden blijven. Het uurwerk werd in 1912 vernieuwd (gem. archief Westdongeradeel, inv. nr. 725a).

Een grote restauratie van kerk en toren ving in 1967 binnen het werkverruimingsplan aan en werd in 1973 beëindigd met het herstel van de toren. Naast technische verbeteringen werden de vensters voorzien van houten ramen met een middenmontant, zoals in het oorspronkelijke bestek beschreven staat: ‘In alle glasgaten die er in de kerk komen, in de midden met een eiken stijl, met twee ronde takken voorzien’.

Bij de restauratie is gebleken, dat de kerk deels ter plaatse van de middeleeuwse kerk staat wegens een keienfundering die onder de zuidwestelijke toegang en onder de noordermuur en in het verlengde daarvan is aangetroffen. Als men de tekening van Stellingwerf mag geloven, zou het koor aan de westzijde gestaan hebben, aangenomen dat hij de toren op de juiste plaats tekent.

Toren

De forse bakstenen toren gaat geheel onversneden op een draagt een hoge naaldspits (afb. 125, 130 en 134).

Materiaal

De baksteen is tot ongeveer halverhoogte lichtgekleurd, daarboven frisrood. Beide soorten zijn 31 × 8,5-9 cm groot, 10 lagen 98 cm, in het benedenste deel 100 cm; het rode materiaal is in het algemeen verwerkt in verband met twee strekken afgewisseld door een kop. De westzijde is in 1739 met kleine steen bemetseld. De nis aan de westzijde bestaat uit materiaal van 24 × 6,5-7 cm, 10 lagen 73 cm.

Beschrijving toren

Het muurwerk is alleen door de rondbogig gesloten galmgaten onderbroken, aan elke zijde één, behalve aan de zuidzijde, waar er twee zijn. De ingang bevindt zich thans aan de westzijde. Hogerop zijn aan die zijde nog twee kleinere jongere vensters aangebracht, een midden boven de ingang en een meer zuidelijk. Aan de noordzijde, waar, naar inwendig te zien is, de oorspronkelijke toegang geweest is, bevindt zich beneden het galmgat dicht bij de westelijke hoek een kleine opening, die evenals de galmgaten rondbogig gedekt is en omlijst door een halfsteens rollaag met een platte laag erover.

Aan de muren zijn geen sporen te zien van een verbinding met de kerk, zodat aangenomen moet worden dat de toren steeds vrij van de kerk gestaan heeft. Aan de oostzijde is waar te nemen dat die gevel aanvankelijk puntvormig beëindigd was en dat de toren dus aanvankelijk waarschijnlijk een zadeldak heeft gehad. Dit dak liet aan de zuid- en noordgevel een spoor na in de vorm van een ondiepe tandlijst en een laag afgehakte koppen. Boven de eenvoudige ingang aan de westzijde staat een herdenkingssteen met opschrift: ‘H.D.E. van Aylva Grietman van Westdongeradeel etz. etz. heeft deze toren laten repareren met de kerkvoogden Sake Minnes en Jan Sjoerds in t jaar mdccxxxix’ (afb. 133).

Inwendig toren

Inwendig blijkt de toren aan de noordzijde een rondbogige toegang te hebben gehad, die door een sluitboom afgegrendeld kon worden. De kokers daarvoor bevinden zich juist onder het tegenwoordige vloeroppervlak en zijn bij de restauratie zichtbaar gemaakt. Het oorspronkelijk vloerniveau lag dus ongeveer een meter dieper. Over de begane grond is blijkens de nog aanwezige opleggingen een gewelf geweest. De verdieping boven het gewelf moet aanvankelijk van buiten af bereikbaar zijn geweest door een smalle toegang in de oostwand, die later gewijzigd en uitwendig gedicht is. Een gedichte lichtspleet in de noordzijde is inwendig kepervormig gedekt. De tegenwoordige toegang aan de westzijde staat in de gedeeltelijke dichting van een hoge rondboognis, die niet dieper doorloopt dan het tegenwoordige vloerniveau. Dit ligt hoger dan het maaiveld, zodat de toegang van buitenaf langs een stoep van drie treden bereikbaar is. De ingang is omlijst met 18e-eeuwse steen waarmede de westmuur bemetseld is; de doorgang door de gedeeltelijke vulling van de nis bestaat uit grote steen in tweede toepassing.

De eerste vloer rust op een forse versnijding, die aan de noord- en zuidzijde in twee sprongen verdeeld is. Ter hoogte van de tweede vloer is in de noordwand aan de westzijde een brede door drie sprongen geprofileerde nis uitgespaard, waarin terzijde en ter halverhoogte de kleine opening (zie boven) staat, die door een sluitbalk voor een luik of rooster gesloten kon worden. Daar deze opening zich aan de zeezijde bevindt kan men aan een functie van baken voor zeevarenden denken.

[p. 93]

Klokkestoel en spits

De dubbele klokkestoel rust op de tweede balklaag en bestaat uit vier evenwijdige jukken. Onder het rooster, waarop de houtconstructie van de spits rust, bevindt zich een ouder rooster van eikehout, dat met lange muurstijlen en korbeels met het muurwerk verbonden is. De spits bestaat uit grenehout en is opgebouwd uit vier achtzijdige jukken, op het bovenste waarvan de zogenaamde makelaar rust.

Gevelsteen Beyert

Bij de restauratie is in de oostelijke torenwand een lange smalle gevelsteen met jaartal 1715 gemetseld, laatstelijk afkomstig van het ten oosten van de toren staande huis en oorspronkelijk van de Beyert, die waarschijnlijk identiek is met het in de rekeningen genoemde langhuis, waarvan ‘kamers’ werden verhuurd (afb. 152). Er zijn twee wapens afgebeeld: het mannenwapen Baerdt; het vrouwenwapen gedeeld: links de halve adelaar, rechts boven een schelp (?), onder een ster (zie ook Beyert).

Kerk

Het muurwerk van de kerk bestaat uit kleine baksteen, 20,5 × 4,3 cm, 10 lagen 51 cm, en is geleed door brede lisenen. Alleen de ingangsgevel is door een top beëindigd. De gevels aan de dorpszijde dragen een forse kroon- en gootlijst met trigliefen en modillons. Aan de zuidzijde eindigt deze als bekroning van de pilaster, die op de hoek van de gevel staat. De pilaster aan de zuidoostzijde van de frontgevel draagt eveneens een fragment van een lijst, hoewel deze niet omgaat aan de oostzijde van de kerk.

De hoofdingang van de kerk is bereikbaar langs een brede stoep van zes treden (afb. 131). De ingang is omlijst door een zandstenen poort en gedekt door een segmentvormig fronton, dat op een architraaf rust met trigliefen en modillons onder de lijst, als aan de kroonlijst van het gebouw. Er is dan ook geen reden deze poortomlijsting niet uit de bouwtijd van de kerk te dateren. In het fronton zou tot 1795 het wapen van Eyso de Wendt, grietman van Westdongeradeel in 1781 gestaan hebben, aan de voet de namen van J.A. Hiddema, doopsgezind kerkvoogd en Scipio Halbertsma, predikant (Leeuw. Crt. 14 aug. 1903). Direct boven het fronton vangt een groot venster aan dat rondbogig gesloten is en sedert de restauratie van 1967 een houten middenmontant heeft met een vork. De overige vensters zijn lager en segmentvormig gedekt en bij de restauratie eveneens opnieuw van een middenmontant met vork voorzien. In de meest westelijke travee staan de vensters niet in het midden van de travee, maar westelijker, alsof deze travee ooit is ingekort of het in de bedoeling lag dat hier een aansluiting kwam met een andere westelijke beëindiging. Deze gevel bleek ook bijzonder slecht gebouwd te zijn. Het dak is belegd met leipannen, in het bestek van 1771 als ‘blauwe tegels’ aangeduid. De westelijke travee bevat aan de zuidzijde een herplaatste 17e-eeuwse ingang met rijk gedetailleerde omlijsting (afb. 135 en 138). In het cartouche zou volgens overlevering (Leeuw. Crt. 14 aug. 1903) een opschrift naar Gen. 28:17 gestaan hebben, dat wederom aangebracht zal worden.

Naast de hoofdingang komen nog twee herinneringsstenen. Eén heeft in de westgevel gestaan en was volgens de Voorlopige Lijst voorheen achter het orgel ingemetseld (afb. 139). Het opschrift was schriftelijk overgeleverd (Algra, p. 15) als: ‘Octostichon indicans quo anno quo auctore quo/Grijtmanno quibusque fundatoribus agger/uterque ad ortum et occasum templi sui/primus in littore sit congestus hic /Ao 1580 ille 1584/. Virginis a puro partu annis millo(sic!) per actis/Quingentisque datis rursum octogesimus annus/ut fuit Ernestus Grijtmannus nobilis Aylva/Existens auctor cinxerunt prata coloni/Holverdani Templi Eurum versus Zephyrumque/Aggere Littoreo struxit fundamina Paulus/Gellus hujus at illius fundamina primo/nobilis exstruxit Regnerus cespite Ringe’.

Dit vermeldt dat in 1580 en 1584 de dijken respectievelijk westelijk en oostelijk van deze kerk zijn opgeworpen, onder leiding van Ernst van Aylva, terwijl Paulus Gellus en Regnerus Ringia de fundamenten legden.

Rechts van de ingang staat een steen waarvan de bovenste helft met de familiewapens is uitgekapt; alleen de eenhoorn als helmteken (Aylva) in de lijst is gespaard (afb. 132). Op het cartouche de tekst: ‘op den 15 Junij 1776 heeft de Jonkheer Baron Sicco Douwe van Aylva etc. etc. colonel onder 't Lijfregement Oranje Friesland mede gecommiteerde Staat ten landsdage de eerste steen aan deze kerk gelegd.’

Inwendig

De muren zijn verankerd door trekbalken. Op de overgang van het houten tongewelf en de muren loopt een breed gestuct fries met trigliefen onder een verbrede voorlijst die met uitgegronde modillons is versierd (afb. 144). Aan de westzijde is van de aanvang af een kraak geweest; in 1852 is deze vergroot ten behoeve van het nieuwe orgel. Eén

[p. 94]



illustratie

Afb. 125. Hervormde kerk en toren. Plattegrond en doorsnede toren. Getekend in 1981 naar opmeting uit 1950 (toren) en 1967 (kerk).


[p. 95]

trekbalk werd toen vervangen door een trekstaaf. Bij de restauratie in 1967 zijn nieuwe balkkoppen aangelast en onder de lassen sleutelstukken aangebracht (afb. 144 en 147). Op een balk in de kap zijn de namen van de gebroeders Pytters, timmerlieden gekapt. Zij komen in de rekeningen voor; een van hen was in 1776 opzichter van het werk. Bij het uitnemen van het 17e-eeuwse ingangspoortje kwam een kleine halfronde afgepleisterde nis te voorschijn met in de bodem, die belegd was met tegels, een afvoerpijpje.

Bouwgeschiedenis

Het oudste onderdeel van het gebouw is thans de 13e-eeuwse bakstenen toren op de zuidoostelijke hoek van het kerkhof. Deze moet zoals de Tegenwoordige Staat vermeldt, vrij van de tufstenen kerk gestaan hebben, die ter plaatse van het oost-west gerichte gedeelte van de 18e-eeuwse kerk stond. Gezien de slechte fundering van de westgevel en een relaas over grafstenen die nu aan de westzijde buiten de kerk waren komen te liggen (Leeuw. Crt. 13 aug. 1903) lijkt het niet onwaarschijnlijk, dat het koor op het westen stond.

De toren had aanvankelijk een bescheiden ingang op het noorden, die in de 15e of 16e eeuw vervangen werd door een ingang binnen een grote nis aan de westzijde, nadat het gewelf over de begane grond was uitgebroken en het vloerniveau aanzienlijk was opgehoogd. Een zadeldakvormige beëindiging is later door een spits vervangen. De tegenwoordige spits kan van 1661 dateren. Aan het rooster onder de spits te zien, zou er voordien nog een andere spits geweest kunnen zijn. Ten slotte zijn verbeteringen aangebracht als onder ‘geschiedenis’ vermeld.

De gegevens over de kerkbouw van 1776 zijn bij ‘geschiedenis’ vermeld, behoudens het feit, dat men blijkbaar een poortomlijsting die in de 17e eeuw was aangebracht behouden heeft, evenals de herinneringsstenen aan de dijkaanleg van 1580. Ook de oude grafstenen zijn ontzien en het grafmonument moet opnieuw zijn opgesteld.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een preekstoel uit de bouwtijd van de kerk met bijbehorende trap, achterschot en klankbord (afb. 141 en 144), volgens de kerkvoogdijrekening met snijwerk door Yge Rintjes. Op de panelen zijn bloemen en kransen gesneden. Om de balusters van de trap slingeren zich twijgen met eikeblad en eikels.

Doophek

Het bijbehorend doophek dat eveneens door Rintjes is gesneden, is bij de restauratie anders opgesteld.

Koper

Zowel op de preekstoel als op het doophek staat een rijk bewerkte koperen lezenaar, de laatste op een standaard (afb. 145). Zij zijn met de koperen zandloperhouder op arm geleverd door Lieuwe Geerts te Leeuwarden. Een lezenaar op het doophek is gemerkt ‘L. Geerts 1776’. De zandloperhouder wordt door een koperen hand gedragen. Op de preekstoel nog twee koperen lichtarmen (volgens rekeningen daterend uit 1825; Algra blz. 31). Aan de trap koperen arm met een doopbekken (afb. 146), dat volgens de kerkrekening uit 1767 dateert (‘betaelt aan de weduwe van H. Maessen’).

Bord

Naast de preekstoel een bijbehorend houten collectezakkenbord.

Orgel

Het grote orgel, dat op een balkon aan de westzijde van de kerk staat, is in 1852 opgeleverd naar een nog aanwezig bestek uit 1850 en gebouwd door de Zwolse firma J.C. Scheuer en Zonen (afb. 144). De klaviatuur is in 1907 van de achterzijde naar de zijkant verplaatst en een aantal andere wijzigingen werd gelijktijdig uitgevoerd. Dispositie bij M. Seybel i, 104.

Bank

In de noordoosthoek is de overhuifde Heringabank opgesteld; de kap wordt gedragen door omrankte zuilen, xviiid-xixa (afb. 147).

Voormalig grafmonument

Tegen de oostelijke wand heeft, naar moeten van bogen in de muur aantoonden, een grafmonument gestaan op een nog aanwezige hardstenen sokkel. De knielende figuren berusten sedert 1901 in het Fries Museum en staan daar te boek als afkomstig uit de kerk te Holwerd, hoewel zij toen van de boerderij Noord-Kleffens te Raard kwamen en ook reeds in een boomgaard te Oostrum gestaan zouden hebben (Leeuw.Crt. 14 aug. 1903, afb. 140). In de rekening voor de nieuwe kerk komt een post voor aan Dirk Emderveld voor de wapens aan de graftombe. Waarschijnlijk is de tombe voor de familie Aylva geweest. De kledij van de beelden wijst op het midden van de 17e eeuw en zij zouden, gezien de krijgsmansdracht, Hessel van Aylva (1608-1660) kunnen voorstellen, gehuwd met Elisabeth von Althan (1597-1663), die op Brandstede woonden, of Ernst van Aylva (1610-1665) en Jacqueline van Loo (geb. 1669) die op Hania woonden.

[p. 96]

Zerken

Zerk, binnen het gotisch randschrift gemerkt b.g. 1553 (afb. 137). In de hoeken vierpassen waarin zwaar beschadigde evangelistensymbolen met banderollen. In het midden Renaissance-architectuur waarin een allegorische vrouwefiguur drie ruitvormige wapenschilden presenteert, waarvan de wapenfiguren, hoewel beschadigd, te lezen zijn als van links naar rechts: een lelie (Bonga), gevierendeeld en over de vierdeling een versmald kruis met in elke arm twee verdikkingen (Stania) en een lelie boven, vergezeld van twee sterren en beneden een wassenaar (Roorda van Tzummarum). Beneden houden putti een kleed waarop een slecht leesbaar Latijns memorie staat. Gotisch randschrift: ‘Int jaer ons herē m vc en̄ xviiixxvi novēbris sterf die eerbare Auck Stania en̄ ao m vc en̄ xxxixiii mar... sterf die eerba... Si... da xvc xlvii de iii marcij sterf die eerba Reynts Roerda Syd Bū wijve’ (volgens Stamboek Fr. Adel (1, 371) is Auck van Stania in tweede echt verbonden geweest met Sijds van Buwinga en volgens ib. 1, 310 is Rints Roorda in derde echt met hem verbonden).

Zerk waarvan het midden gevuld is door een Renaissance aedicula, waarbinnen alliantiewapens gedragen worden door putti (afd. 142). Randschrift met alliantiewapens in vierpassen. De wapens zijn alle gedeeld, heraldisch rechts de halve friese adelaar; de ‘meubelen’ in de linkerhelft zijn later weggehakt. Wel is te zien dat de wapens aan de linkerzijde van de steen in de linkerhelft doorsneden zijn. Eerste randschrift: ‘Int jaer ons Herē m vc en̄ xii de xxi dach May sterf dē eersamē Heerscip Ulbe vā Tziessens Int jaer ons Herē m vc en xxxv de xxviii dach Marty sterf die eerbare Syts Hanie sȳ wijf’. Binnenrandschrift: ‘Int jaer ons Herē...lviiiv dach octobis sterf dē eersamē Heersch. Woerp van Tziessens Anno m vc en̄ lxxiixvi dach desēbris sterf dē eersame Heerscap Sicke vā Tzessens’. Buitenrandschrift: ‘ao 1627 dē 26 May sterf de ... We. vā Tziessens olt 61 jaren. ao 1627 dē 27 Juny sterf de edele dughdentrig Jonge... ske vā Tziessens’. Midden op: ‘Anno 1581 den 18 Januari sterf die e..e..e..Eerbare joffer Tziest van Galma die Wedu van Worp Tzesens’. Terzijde van het middenornament staan eigendomsmerken ig en ii.

De datering van de zerk roept vragen op. De oudste sterfdatum, 1512, is moeilijk te rijmen met het ornament midden op de steen. Bij het ornament behoren voorts niet de gotische vierpassen in de hoeken, wel het lettertype van beide randschriften. Mogelijk is een bestaande steen met gotische vierpassen in de hoeken, in 1562 of 1568 van renaissance-ornament voorzien.

Zerk bovenaan gemerkt ‘d 1605 l’. Opschrift in de buitenrand: ‘Ao Dni 1560 den 2 octobris sterf dē erentphestē Sake van Ringia in zij tijdē Grietman vā West Dongeradeel Ao 1577 dē 15 9bris sterf de deughtsame J. Romck vā Jaersama zij wijf’. In de binnenrand: ‘Ao 1618 dē 26 febri sterft dē erentfestē Ritske vā Ringi(e) Grietman over West Dong (eradeel) Ao 16.. de 19 octobr sterf die (seer) deughtsame J. Rints vā Mockama huisfrou vā Ritske vā Ringie’. In de hoeken beschadigde wapens in cirkels, in de buitenrand alle met halve friese adelaar in de rechterhelft. In de hoeken van het binnenste opschrift dergelijke wapens, waarvan één rechts onderaan onbeschadigd met in de linkerhelft twee sterren boven elkaar. In het midden een cartouche waarin een alliantiewapen waarvan beide rechterhelften een halve friese adelaar bevatten. Daaronder een slecht leesbaar Latijns epitaaf en ‘Ao 16.. de 12 septembrs sterf de erbr Jr. Fedke vā Ringie wedve van Siverd Sae...a’.

Zerk met eerste opschrift in gotische minuskels en met hoekwapens in gotische vierpassen (afb. 136). Eerste randschrift: ‘Int Jaer Ons Heeren dusent vijffhondert en̄ dre en̄ vijfftich den xxix dach Maiy... Gerck Tzessens Worp Tjessens ende Tjiets Galama soen’. Binnenrand: ‘ao 1608 de feb. sterf de Eedlē ende deughsame juffr Geelf vā Heringhe die Wedu vā Salighe Sicko vā Tsessens ao 1608 dē 5 Janū sterf die Erent... Werp Tsessens de Jonghe’. In het midden Renaissance aedicula met beschadigde alliantiewapens en initialen ‘b.i.’ en ‘1608’. Voorts ingehakte merken ‘Tsessens Heringha’ en grote merken ig en ii.

Buitenom is nog gehakt: ‘ao 1625 de... sterf den edelen Er. Jor. Luitenant Sick vā Tziessens ao 1622 dē 14 novembris sterf de edele Er Jor. Iw vā Tzie(ssens)’.

Zeer grote zerk links van de preekstoel, in bovenrand gemerkt ‘p.c.f.’ en ‘1628’ (afb. 143). Binnen het enkelvoudige randschrift zijn onder twee geblokte arcaden twee allianties door wapens weergegeven. In het midden een allegorische figuur, Fides die een wapencartouche draagt; de wapens zijn beschadigd. Randschrift: ‘Anno 1638 den 8 Augusti sterf den... Erenfesten... Douwe vā Aylva Grietman over Westdongeradeel out

[p. 97]

59 jaer Anno 1630 den 24 Juny sterf de edele eerbare Juffrou Lucia van Meckama sȳ Huisfrou out 45 jaer en leggen hier begraven’. Onder de arcaden ‘Memento mori’ en de namen van hun zeven tussen 1607 en 1624 overleden kinderen.

Voor de preekstoel zerk met alliantiewapens in de hoeken voor Siverdt van Jaarsma (overl. 1511) en Juffr. Froeck vā Housema (overl. 1536); Aeltze vā Jaersama (overl. 1574); Rixt vā Roorda (overl. 1585); Maria vā Wiselle ut Brabant (overl. 1613); Sipke vā Jaersama (overl. 1628); Aeltze vā Jaersama (overl. 1620); Maria vā Jaersama (overl. 1636); Ciprianus Feio vā Jaersma (overl. 1636).

Zilver

In de toren zerk voor Claes Tziepkes toe Munckehus (overl. 1686).

Beker op voet, hoog 19 cm, diam. 11 cm. Inscriptie langs de bovenrand: ‘De Beeker van de Geref. Gemeente in Holwert’; eronder ‘Sursum Corda’. Onderop ‘Jacobo Revio pastore’ (afb. 149 en 150). Merken: Leeuwarden, H van 1659 en meesterteken van Jan Melchers Oostervelt; zie Voet, 385. Beker, repliek van de voorgaande. Onderop ‘Pastore L. Napjus ao 1803’. Merken: Friesland, Leeuwarden, l van 1803 en meesterteken van Omius Oomkes van Dijk; zie Voet, 532. Schenkkan en bekers met opschrift ‘13 junij 1878’ (afb. 148).

Klokken

Een klok uit 1600, diam. 94 cm, is in 1943 verloren gegaan. Het opschrift luidde.

‘Henrick Wegewaert maeckte mi in der stadt Campen anno 1600. Holwort’. Het Fries Museum bezit afgietsels van de ornamenten en foto's (Fehrmann, Kamper, 313). De tweede klok, diam. 145 cm, heeft het opschrift ‘Jurien Balthasar me fecit in Leeuwarden Ao 1653’. Op de mantel wapens Aylva en medaillons met musicerende engelen en Abrahams offer.

Beijert

In een woonhuis ten oosten van de Hervormde kerk heeft tot de afbraak daarvan in 1970 een gevelsteen gestaan van de Beijert. Deze is thans in de toren aangebracht (zie aldaar) (afb. 152). De steen was in 1868 in het huis geplaatst blijkens het opschrift: ‘Tot in gedachtenis houden der oude Beyer hier geplaatst 1868-1715’. De Beijert zal dus van 1715 gedateerd hebben. De afbeelding van Stellingwerf uit 1722 geeft een gebouw weer met twee ingangen en beganegronds vier maal twee smalle vensters, zodat er beganegronds minstens vier wooneenheden waren (afb. 151). Hoewel de tekening een voor die tijd ouderwets gebouw voorstelt, zal dit toch de Beijer of Armhuis van 1715 zijn.

Op de zg. Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel die omstreeks 1832 bij de kadastrale opmeting gemaakt is, staat het Diaconiehuis aan de Voorstraat tegenover de Leeuwarderweg, thans genummerd 2.

Schoolgebouw

Het langgerekte gebouw direct ten zuidoosten van de toren aan de weg in de richting van de tegenwoordige dorpskern, was volgens de kadastrale aanwijzingen toen het schoolgebouw.

Doopsgezinde kerk

De Doopsgezinde kerk aan de Stationsweg is in 1850 gebouwd, blijkens een jaartal in de gevel en een stichtingssteen (afb. 154 en 155).

Litteratuur

Blaupot ten Cate, Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, 1839, passim; Wumkes ii, 237, 242; B.K. Homan, Vermelden en vermanen, Holwerd 1964 (stencil).

Geschiedenis

De Doperse gemeente zou in de 16e eeuw te Holwerd gesticht zijn; in 1563-65 doopte Leenerd Bouwens te Holwerd. Verschillende richtingen van Doperse gemeenten verenigden zich in 1731. In het gebouw waarin men tot 1850 bijeen kwam zou een gebrandschilderd raam gestaan hebben met een stichtingsdatum 1692, afkomstig van een ouder kerkgebouw (zie ‘Koningsstraat 6’). In 1850 werd een onderdeel van de oude preekstoel meegenomen naar het nieuwe gebouw; het is gemerkt ‘a.h.’ en ‘r.k.’ aan weerszijden van een passer. De gemeente was in de 18e eeuw gecombineerd met Blija en Ternaard-Vischbuurt. In 1850 scheidde Ternaard-Vischbuurt zich af als zelfstandige gemeente en bouwde men te Holwerd een nieuwe kerk. Over de bouwmeester van de tegenwoordige kerk worden geen gegevens vermeld; in 1868 vroeg men advies aan de Leeuwarder stadsarchitect Th. Romein, die aanraadde de gevel te pleisteren. Het gebouw is dus aanvankelijk in baksteen ontworpen, mogelijk door G.P. Keuning, die de Doopsgezinde kerk van Ternaard ontworpen zou hebben en ook architect was van de Hervormde kerk van Hiaure.

Beschrijving

De kerk bestaat uit een brede zaal met aan de straatzijde een voorbouw met verdieping en pannen-gedekt dak. De zaal heeft uitwendig nog ongepleisterde muren van donkerrode

[p. 98]

baksteen. De voorbouw is glad gepleisterd en afgesloten door een zware kroonlijst. Een ondiep middenrisaliet, dat door een fronton bekroond wordt, bevat de ingang, geflankeerd door Ionische zuilen die een architraaf en fronton dragen.

Op de verdieping is een groot rondbogig gesloten venster met glasroedenverdeling, die tot 1972 bovenaan een cirkel vormde. De zijvensters zijn beneden en boven door glasroeden in gotiserende vormen ingedeeld. Onder de dorpels terra-cotta consoles. Op de hoeken van het dak twee grote windvanen.

Een stichtingssteen vermeldt: ‘Aan deze kerk zijn/op den 15 juni 1850/de eerste stenen ge/legd door Hessel Jans/Hesseling en Jan Gerlofs/Jensma’. Als toegang een bijpassend smeedijzeren hek.

Inwendig

Het inwendige is door een laag houten gewelf overkapt. In de dammen tussen de halfrond gesloten vensters en in de middenas van het gebouw achter de preekstoel zijn pilasterparen opgesteld met gestucte bladkapitelen. De driezijdige gesloten laatste travee was tot ongeveer 1970 van de overige ruimte gescheiden door een doophek met gietijzeren vulling in de panelen. De preekstoelkuip is eveneens met gietijzeren ornamenten versierd.

Zilver

Zes avondmaalsbekers op standring met spiraalband, hoog 13,3 cm, diam. 10,1 cm, genummerd 1 t/m 6 (afb. 153). Merken Leeuwarden grote keur, jaarletter e van 1782, meesterteken van Aene Feenstra. Blijkens inscripties geschonken door de Hervormde gemeente als dank voor het gebruik van de Doopsgezinde kerk tijdens het bouwen van de nieuwe Hervormde kerk (Vrije Fries, 1969, 126); thans in bruikleen aan het museum Admiraliteitshuis te Dokkum.

Inscripties:

1.‘Aan de Doopsgezinde. Gemeente./van Jesus. Christus in Holwerd./: O Chrissten die zoo ijverig pleit/voor Liefde en voor verdraagzaamheid/Wat kweet Ge U braaf van, deeze Plichten/Toen Gij mij; Welk een gunstgenot!/Den Eerdienst aan mijn, lieven Godt, Liet in Uw Beedehuis verrichten/terwijl in plaatze van mijn oud, een Nieuw voor mij wierde opgebouwt’.
2.‘Uw Reklijkheid, die mij bekoort/Uw Daad, dien Gij mij prijzen hoort/Moet in Elks oog vol luister blinken/Ses Beekers van het blankste Metaal/om bij des Heilands Avondmaal/Met God = gewijden wijn te drinken/Schenk ik U voor dit heusch gedrag,/waar door 'k mij graag verplichten zag.’
3.‘God kroon nog meer dat Liefde werk/Hij Zeegene en behoê uw Kerk/Steeds bloei' de Vrijheid van Geweten/vervolgzucht, die hij haat en doemt/In elk die Zigh een Christen noemt,/Dies, Spreekt d'hervormde Erfgezeeten/van Holwerd Schuw van Dwinglandij/Baar nimmer Ramp aan U nog mij: Petrus Steenwijk Pastor/in Holwerd, 1781.’
4.‘Ter Gedachtenisse/Dewijl de hervormde Gemeente van Holwerd toen in Plaatze/van de oude een nieuwe kerk gebouwd wierde, Haaren/Godsdienst in de Kerk der Doopsgezinden/Mogte Oefenen, in welken tijd, begonnen/d.7 Jannuarij 1776 en geëindigt in nov. 1778. Daar drie en dartig Paar/Menschen getrouwt, en sestig kleine/Kinderen in Menno's Kerke gedoopt zijn.’
5.‘Zoo hebben de Eedele Erfgezeetene van Holwerd/op voorstel Van den Hoog Wel Gebooren Heer/Jr. S:D van Aylva, Grietman over Westdongeradeel Ex/den 13 July 1781 bij de Kerke Reekening gedaan/Ses zilveren Beekers voor, voor die/Vergunninge, aan de Doopsgezinde Gemeente Aldaar/Geschonken.’
6.Welke de thans Administreerende Kerkvoogd/I. Reinders Bleinsma, aan Haar behandigd heeft/Aan de Meede Leeraren in de gecombineerde/Doopsgez. Gemeenten van/Holwerd Blija en de/Visbuurt-’.

Voormalige Doopsgezinde kerk, Koningsstraat 6

Tegen de oostelijke helling van de terp loopt de Koningsstraat. Op de hoek met de Bloemsteeg staat op de kadastrale minuut een kerkgebouw aangegeven, waar toen de Doopsgezinde gemeente kerkte (afb. 156). Het gebouw bestaat uit een voorbouw met verdieping onder schilddak met hoekschoorstenen en een lagere achterbouw, en heeft aan de zuidgevel een ouder muurgedeelte. De vensters, die rondbogig gesloten zijn, hebben aan de noordgevel een dagsteen en hadden dus aanvankelijk houten ramen.

Thans staan er ijzeren ramen in van een vorm die in 1850 gemaakt kan zijn. De twee vensters in de achtergevel hebben geen dagsteen. Mogelijk dateert het gebouw uit 1731, toen verschillende Doperse stromingen zich verenigden te Holwerd. De voorbouw met

[p. 99]

de gietijzeren ankerrozetten zou dan een latere toevoeging zijn, bij welke gelegenheid de vensters van nieuwe eveneens gietijzeren harnassen voorzien zijn.

Voormalige Doopsgezinde pastorie

Ten zuiden van het kerkgebouw staat een breed woonhuis, thans genummerd Bloemstraat 12, dat als Doopsgezinde pastorie gefunctioneerd heeft (afb. 158). De ingang is door een eenvoudig door groeven versierd kozijn gevormd; de erin passende deur met snijwerk wordt thans inwendig gebruikt, xviiid (afb. 157).

Ds. Potter vertelt in zijn ‘Wandelingen en Kleine Reizen’ van 1808 dat de Doopsgezinde pastorie nieuw is en uitzicht over de velden heeft. Ook de Hervormde pastorie zou volgens dezelfde bron aan deze straat gelegen hebben, doch meer ‘oostwaarts’; bedoeld wordt denkelijk noordwaarts.

States in het dorp

Brandstede

Op de zuidwestelijke hoek van de dijk en de Voorstraat lag volgens de kaart van Eekhoff de stins Brandstede, die haar naam mogelijk ontleende aan de grote brand, die Holwerd in 1421 teisterde.

Litteratuur

Tegenw. Staat ii; Berns 49, d (Recesboeken) 2a, 52; Wumkes i, 1.

Afbeelding

Tekening J. Stellingwerf in coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 159).

Geschiedenis

Volgens de Tegenwoordige Staat zou het ‘trotse gebouw’ in 1572 bewoond zijn door Ruurd Roorda. De beide ons bekende personen van die naam woonden echter in Hennaard en in Menaldum; deze tak wordt ‘Roorda met de baar’ genoemd. Wel ligt er in de kerk een zerk voor Reynts Roorda (overl. 1547), de derde echtgenote van Syds van Buwinga die echter van Tzummarum kwam. In 1640 (stemkohier) bezat Hessel Meckema van Aylva jr. de ‘landen van Brandstede’. Met zijn vrouw Elisabeth van ‘Althama’ had hij een oud huis ten westen van de ‘stins’ gekocht (Recesboek). Hessel was in 1637 kolonel van een Fries regiment en in 1635 commandant van Leerort, later van Emden.

Volgens de Tegenwoordige Staat, die Hessel ten onrechte ‘van Burmania’ noemt, zou hij het huis herbouwd hebben met een zware toren. De registratie van verkoop van overige boerderijen door Hessel kan mogelijk samenhangen met zijn bouwactiviteiten. Voor hem en zijn vrouw is waarschijnlijk ook het grafmonument opgericht geweest in de kerk van Holwerd (zie aldaar).

Hessels dochter Luts huwde Wolf Sigismund van Schratenbach, ritmeester. Na diens dood werd het huis bewoond door haar broer Hans Willem van Aylva, luitenant-generaal van het Friese vlooteskader, dat voor Chatham streed. Wegens zijn moedig optreden in 1672 kreeg hij de bijnaam ‘de ontzaglijke’. Een portret van hem hangt op het gemeentehuis te Ternaard (zie aldaar).

De tekening van Stellingwerf geeft het huis weer, zoals het eruit zag onder Willem Frederik van Schratenbach, die het in 1700 bezat (Wumkes i, 1), doch in 1723, de datum van de tekening, reeds overleden was. Volgens de Tegenwoordige Staat liet zijn dochter Juliana, gehuwd met W.S. van Unia, het huis in 1735 grotendeels afbreken. Het reëelkohier van Westdongeradeel over 1752 noemt drie onderdelen: twee kamers, stal en de tuin, een hof ‘het gewesen groot hof genaamd’. Op de kadastrale minuut is er niets meer van te bespeuren.

Het Huis

Zoals het Huis door Stellingwerf wordt getekend, ziet het eruit als een niet te groot huis uit de eerste of tweede kwart van de 17e eeuw, hetgeen overeenkomt met de vermelding in de Tegenwoordige Staat van herbouw door Hessel van Aylva. Mogelijk is het torentje midden boven het dak de bekroning van wat de Tegenwoordige Staat een toren noemt. Al was het defensieve karakter niet meer nodig, toch bouwde men juist in die tijd ook in Holland soms een middeleeuws aandoende toren bij een huis.

Het stins int gebuirte

Ten zuiden van Brandstede lag ‘het stins inde gebuire’. In 1631 wordt in het belastingkohier het gebouw omschreven als een ‘stens huijs ende langhuijs’; het eigendom strekte zich uit ‘van de strate tot achter aen de schipvaert’. Vóór 1631 was het eigendom van het geslacht Tjessens en in dat jaar werd het verkocht aan Cornelis Vermees, destijds grietenijsecretaris (Berns 49 d 1a,14). Ook de opvolgende secretarissen Zacharias Huber, Gerlacus van Scheltinga en in de 18e eeuw Claes Jilles Hulshuijs woonden er.

In 1640 was er reeds een ‘olde huijsinge ten westen van de stins’ bijgekocht en in 1647 kocht Huber een ‘hoff, tuin, bomen en plantagie’ ten zuiden van zijn huis, ten noorden begrensd door eigendom van Hessel van Meckema. Bij de koop van het huis in 1645

[p. 100]



illustratie

Afb. 126. Bonga State, thans Stationsweg 21. Plattegrond en doorsneden van restant van het laatmiddeleeuwse steenhuis.
Getekend en opgemeten in 1982.


was dit omschreven als ‘seeckere stins en huijsinge, sampt koecken terzijde met de plaets ende hovinge daer bij zijnde’ en aandeel aan de ‘put ende steige’. Eind 18e eeuw verkocht een nazaat van Cl.J. Hulshuijs de ‘stins inde buuren’ aan Jacob Reinders Bleinsma. Het huis bestond toen uit drie beneden- en drie bovenkamers, waaronder een ‘grote zaal en een vertrek met een schoonen Sweedse vloer van wit albasten steenen’. Onder de Bleinsma's is het gebouw in verval geraakt en gebruikt als jeneverstokerij, die in 1806 nog bestond (reëelkohier).

De aanduiding ‘met aandeel in de steeg en de put’ en de omschrijving ‘met een keuken terzijde’ geeft aanleiding te vermoeden dat de stins gestaan heeft, waar nu het pand nr. 7 staat. Dat heeft nog steeds een aanbouw terzijde en grenst aan de andere zijde aan de steeg. Van middeleeuwse funderingen is momenteel geen spoor zichtbaar.

Bonga State

Langs de vroegere heerweg van Holwerd naar Dokkum lag even buiten de kom van het dorp Buwinga of Bonga State. De kadastrale minuut geeft een boerderij op een omgracht terrein. De gracht is in de jaren vijftig van deze eeuw gedempt. Een gedeelte van het voorhuis is nog aanwezig: Stationsweg 21 (afb. 126 en 160).

Geschiedenis

Syds Buwinga tekent in 1474 voor zijn zoon Syola een akte over geschillen die de laatste en zijn vrouw Jetthie Romckadochter Doijnghia (Donia) had met Haije Heringa, hoofdeling op Ameland en te Leeuwarden (Sipma, iv, 40 en 42). Hessel Buwinga, denkelijk een zoon van Syola, komt voor in de verdragen met de stad Groningen in 1487 en 1491. In 1511 gebruikt Syds Buwinga 70 pondemaat land. Hij was Gelders gezind en zijn goederen werden geconfisqueerd en vielen in handen van Sythie Humalda (Aylva) (Charterb. 11, 318). In de kerk ligt een grafzerk voor de tweede en derde echtgenote van Syds Buwinga.

Toch komt de familie terug te Holwerd, want van 1560-1567 was Johan van Bonga grietman over Westdongeradeel (Nieuwe Naamlijst van Grietmannen). Daar hij het verbond der Edelen tekende werd ook hij verbannen en afgezet. Hij stelde zich te weer tegen de Spanjaarden door raids op de Friese kusten en Ameland. Zijn huis stak hij in brand in 1570. Volgens Winsemius en Schotanus brandde hij ook andere Spaansgezinde

[p. 101]

huizen neder. Daar hij geen nakomelingen had, kwam het huis na zijn dood aan de Aysma's. In een sententie uit 1630 (Berns 18 ww 20, 343) is sprake van ‘de gehele olde en halve nije huijsinge’ van Bonga State. In 1632 verhuurde Johan van Aysma de state aan Hein Jansz (Berns, 52, bb 4 f329). Apart werd overeengekomen, dat wanneer de verhuurders ‘het oud voorhuis, d'erfgenamen van jr. Worp van Tjessens toebehorende niet souden connen leveren’, de huurders een lagere huur konden betalen. Schotanus' kaart geeft abusievelijk de naam Bolta.

Vóór 1886 werd de schuur van het toen boerderijvormige huis afgebroken en in 1910 op het achterste gedeelte van het terrein een villa gebouwd.

Gebouw

Het gebouw bestaat uit twee haaks op elkaar staande eenheden, waarvan de kap over het gedeelte evenwijdig aan de weg het oudste is. Dit komt overeen met de traditie, die vermeldt dat het oudere gedeelte, haaks daarop staande in de 19e eeuw met een verdieping verhoogd is. Daar woonde toen de functionaris die als officier van Justitie optrad. Dit gedeelte is onderkelderd; het achterste gedeelte van de kelder is overwelfd en heeft muren van middeleeuws karakter. Waarschijnlijk is hier inderdaad een gedeelte van de stins bewaard, waartegen een kop-hals-romp-boerderij is gebouwd.

Woonhuizen

Aylvawal 1-2

Langgerekt complex, oorspronkelijk in een bocht van de Holwerdervaart aan de loswal, volgens de overlevering als accijnshuis gebouwd. Omstreeks 1842 was er een smederij gevestigd (o.a.t. kadaster). Naar traditionele trant, doch waarschijnlijk eerst omstreeks 1800 ontstaan (afb. 167). Thans tot woningen verbouwd. De naar de vaart gerichte gevel is vernieuwd en had mogelijk evenals de gevel aan de dorpszijde een topgevel. Hij zal de ingang bevat hebben naar de kantoorruimte, waarachter opslagruimte was. Thans nog bevat het huis een grote doorlopende zolder.

Bloemstraat 12

Zie voormalige Doopsgezinde pastorie.

W. Dijkstrastraat 19

Op de kadastrale minuut heeft dit gebouw de vorm van een boerderij met dwarsgebouwd voorhuis, waartegen een frontgevel is gebouwd in het hart van de Voorstraat (afb. 168 en 169). Deze gevel is op de dakkapel gedateerd ‘1720’; de klokvormige zijgevels kunnen uit die tijd dateren, evenals de ingangsomlijsting. De grote houten dakkapel heeft door toegevoegde ornamenten een 19e-eeuws uiterlijk gekregen. De oorspronkelijke schuur is als pakhuis vernieuwd.

Hogebuurt

De Hogebuurt is bebouwd met woningen zonder verdieping, de meeste met zadeldak haaks op de straat en voorschild boven de gevel (afb. 161, 164 en 165). Aan de westzijde echter en aan de oostzijde, althans het eerste gedeelte van de dorpskern af gerekend, zijn het dwarshuizen onder zadeldak evenwijdig aan de rooilijn. Waarschijnlijk zijn deze ouder dan de overige en dateren zij nog uit de 18e eeuw.

Klokstraat 2

Pand met verdieping onder zadeldak tussen topgevels met vlechtingen langs de zijden en topschoorstenen (afb. 162). In de lange straatgevel staan op de verdieping halfrond gesloten 19e-eeuwse vensters, wat op een bedrijfsfunctie kan wijzen. Mogelijk heeft het pand als pakhuis gediend bij het pand op hetzelfde kavel aan de Voorstraat.

Koningsstraat 6

Zie voormalige Doopsgezinde kerk.

Voorstraat 1

Oorspronkelijk vijf traveeën breed woonhuis met ingang in een weinig voorspringend middenrisaliet, waarboven dakkapel. Smalle hoeklisenen en forse kroonlijst; stoeppalen.

Voorstraat 3

Vier traveeën breed woonhuis onder laaghellend schilddak met twee hoekschoorstenen met borden. Midden boven de gevel houten dakkapel; stoeppalen xix (afb. 171).

Voorstraat 5

Drie traveeën breed woonhuis onder zadeldak haaks op de straatrichting. Boven het voorschild houten dakkapel, xviii-xix (afb. 171).

Voorstraat 7

Fors pand van stadse allure met volledige verdieping boven voor- en achterhuis, waardoor het van verre boven de bebouwing oprijst (afb. 127, 128, 171, 172, 173). Voor- en achterbouw door een omgaand schilddak met hoekschoorstenen gedekt. In de voor- en rechter zijgevel zesruits-vensters en halfrond gesloten dakkapel, in de achtergevel vensters met verdeling in vijftien ruiten en rechte dakkapellen met negen ruiten, oorspronkelijk met gezwenkte houten klauwstukken.

Voor de verbouwing tot postkantoor in 1907 was er een lange doorgaande gang van voor tot achter, links waarvan achter in het voorhuis een dubbele trap opging; daarachter was de keuken. De achterste vertrekken dienden waarschijnlijk als wacht- en behandelkamer naast de stalling.

Op de verdieping vond men daarboven een vier vensters breed vertrek en vijf kleinere

[p. 102]



illustratie

Afb. 127. Aanzichten en doorsnede van het voormalig doktershuis Voorstraat 7, naar verbouwingstekening uit 1907 in archief Gemeentewerken Westdongeradeel. Driemaal verkleind.


kamers. Het pand heeft slechts een smalle kelder aan de westzijde; onder de keuken was een grote regenwaterbak; achter de achtergevel en onder de rechterkamer van het achterhuis waren welputten.

Het huis moet begin 19e eeuw ontstaan zijn, toen empireramen in aanzien stonden en voor de achtergevel nog wel kleine ruiten konden worden toegepast. Mogelijk was dit eens de plaats van de ‘Stins in het gebuurte’, maar daarvan is niets meer te bespeuren. Ds. Potter vermeldt er in 1808 niets van in zijn reisverslag (‘Wandelingen en korte reizen’). Van de states ziet hij alleen nog Hania. Naar de andere zoekt hij slechts als hij van de toren af Holwerd overziet. In 1832 was het huis eigendom van heelmeester Teenstra, telg van een ondernemend Gronings geslacht te Oldenhove. Het huis werd verreweg het zwaarst aangeslagen in de belasting.

Voorstraat 9

Van nr. 9 af maakt de rooilijn een aanzienlijke sprong na een steegje, dat oorspronkelijk in de richting van de vaart liep (afb. 171). Ook dit pand heeft een volledige verdieping en is gedekt door een schilddak met hoekschoorstenen, doch het is bescheidener van

[p. 103]



illustratie

Afb. 128. Plattegronden van het voormalig doktershuis Voorstraat 7, naar verbouwingstekening uit 1907 in archief Gemeentewerken Westdongeradeel. Driemaal verkleind.


afmetingen dan nr. 7. Het is slechts drie traveeën breed en heeft de ingang terzijde, omlijst door Ionische pilasters. Op de verdieping zesruitsvensters, xix a.

Voorstraat 11

Woonhuis zonder verdieping onder hoog zadeldak met voorschild, waarvoor een brede houten dakkapel, die tot omstreeks 1970 aardig gedetailleerd was in de smaak van omstreeks 1860 (afb. 170, 171).

Voorstraat 15

Woonhuis met verdieping onder zadeldak haaks op de straatrichting. Grote schoorsteen boven het voorschild en eenvoudige houten dakkapel, omstreeks 1820 (afb. 174).

Voorstraat 2

Oorspronkelijk deftig, vijf traveeën breed woonhuis met een weinig voorspringend middenrisaliet, dat door de kroonlijst heen oprijst en een stenen dakkapel omvat, waarin twee lichtvensters (afb. 163). Laaghellend schilddak met hoekschoorstenen, waarop borden, midden 19e eeuw. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels van 1832 (Kadaster) was dit pand eigendom van de Diaconie; mogelijk stond hier het Armhuis of de Beyert.

Voorstraat 4

Vier traveeën breed woonhuis onder laaghellend schilddak met twee hoekschoorstenen waarop borden. Midden boven de gevel houten dakkapel. Stoeppalen, midden 19e eeuw (afb. 163).

Voorstraat 6

Omstreeks 1970 afgebroken pand onder zadeldak haaks op de rooilijn en topgevel met vlechtingen aan de straat, gemetseld in kruisverband. Een cijferanker ‘5’ was nog aanwezig; midden 18e eeuw (afb. 175).

Voorstraat 8

Vier traveeën breed diep pand onder zadeldak haaks op de straatrichting, boven de gevel afgeschuind met voorschild, waarboven een forse schoorsteen staat (afb. 176). Dit voorste gedeelte is voor de rooilijn uitgebouwd en rust op gietijzeren kolommen, aldus een overdekt terras aan de straat vormend voor het café, onder de voor de rooilijn uitgebouwde verdieping.

Verder zuidelijk nog enige deftige 19e-eeuwse dorpswoningen.

Industriemolen

Molen De Hoop

Aan de Molenweg ten zuiden van het dorp, staat een achtkante stellingmolen, gebouwd als koren- en pelmolen. Sinds 1963 is de molen eigendom van de gemeente (afb. 177).

[p. 104]

Litteratuur

Keune, Molens, 43-46; Molens van Friesland 27 en 125; Fries Molenboek 117-118; Wijnja, Windmolens i.v. Holwerd.

Geschiedenis

Een molen te Holwerd wordt reeds genoemd in de rekeningen van Albrecht van Beieren, omstreeks 1400 (Keune). In 1511 wordt de molen ook vermeld (r.v.a. i, 116 ‘bij de Moelen Werf’); in de 18e eeuw in de reëelkohieren. De kaart van Eekhoff geeft te Holwerd echter geen molen aan. Waarschijnlijk dateert de tegenwoordige molen dus uit de tweede helft van de 19e eeuw en is het jaartal 1873 op de bovenas het bouwjaar van de gehele molen. De molen is in de jaren 1966-71 gerestaureerd. Toen werden de eternietplaten, waarmede de voet bekleed was, vervangen door gepotdekselde delen; ook werden onder meer de gehele staart en een groot deel van de kap vernieuwd en werd het wieksysteem gewijzigd en een Engels kruiwerk aangebracht. In 1977 vonden opnieuw herstellingen plaats en sinds 1980 werkt men aan het wederom aanbrengen van een pelwerk.

Het staande werk

De molen is gefundeerd op stiepen; in plaats van radiaal geplaatst, wat normaal is, lopen zij evenwijdig aan de middellijnen van het achtkant. Dit kwam wel voor bij de oudere Noordhollandse achtkante poldermolens (men verkreeg hierdoor meer ruimte tussen de penanten voor de waterlopen), maar niet in het noorden. Zowel de voet als het bovenachtkant is van grenenhout en gebouwd volgens het algemene systeem. De voet van twee bintlagen is gedekt met gepotdekselde delen, het bovenachtkant van drie bintlagen met riet. In de velden van het bovenachtkant bevinden zich van boven naar beneden één dubbel en twee enkele kruisen; de enkele zijn zwaarder van afmeting. Ter hoogte van de steenzolder bevinden zich in de stijlen kepen, die erop kunnen wijzen dat ook hier dubbele kruisen gezeten hebben. Het verhaal gaat dat de molen over enkele kilometers verplaatst is; bij die gelegenheid zouden de kruisen gewijzigd kunnen zijn. De voet is verstijfd met dubbele paren kruisen, lopend over de gehele hoogte. De basis van de kap en de spanten zijn van eiken. Lange spruit als middelbalk, tevens gebruikt als ijzerbalk. Kruisysteem, z.g. Engels kruiwerk, staart met kruilier.

Het gaande werk

Wieksysteem: buitenroe, voorheen oudhollands met stroomlijnneus en remklep, binnenroe idem met zelfzwichting. Thans zijn beide uitgevoerd volgens het oudhollandse systeem. Roeden van staal, vlucht 23,10 m. Doorboorde gietijzeren bovenas, gegoten in 1873 door de firma L.I. Enthoven & Co. te 's-Gravenhage; aan het eind verzwaard met een betonnen manchet, dit tegen het oplichten van de as. Bovenwiel met een Vlaamse vang.

Van het gaande werk ontbreken met uitzondering van één incompleet koppel stenen op de stellingzolder, de bovenbonkelaar en de koningsspil, het spoorwiel, de rondsels, de steenspillen en de steenkoppels. De molen is tevens als pelmolen in gebruik geweest; sporen van dit werk zijn in het achtkant terug te vinden. De pelstenen, evenals een koppel maalstenen, lagen op de eerste zolder in de voet. Volgens een kohier uit 1750 zijn de ‘rogstenen’ toen uit de molen verwijderd.

Tjessens

Ten zuidoosten van Holwerd, tegen de grens met Waaxens, ligt een beschermd restant van de terp Tjessens, waarop het huis Tjessens gestaan heeft (afb. 179).

Litteratuur

r.v.a. i, 114; Wumkes i, 1, 135, 358, ii, 82, 440, 567, 586.

Bronnen

Berns 18, ww (Civ. Sententies) 16, 230; Familie-archief Harinxma, r.a. Leeuwarden.

Afbeelding

Volgens Teunissen in Het Noorderland i, 1942, 346 zou er een tekening door Stellingwerf bestaan hebben, voorstellende het slot Tjessens in 1723.

Geschiedenis

Onder de grootgrondbezitters die in 1511 direct na het kerkelijk bezit genoemd worden, staat vooraan Uulbet Tziessens; zijn bezit is 62 pondemaat groot. Waarschijnlijk is hij identiek met Olbert, die de Saksische reversaalbrief mede ondertekende. Hij overleed in 1512; zijn zerk ligt in de kerk van Holwerd. Zijn zoon Worp was in 1551 volmacht van Westdongeradeel en stierf volgens zijn zerk in de kerk in 1558. Diens zoon Sicke speelde een rol in het begin van de opstand tegen Spanje; zijn poging Dokkum te hulp te komen mislukte en vrij kort daarna in 1572 stierf hij. Ook hij is in de kerk van Holwerd begraven. Zijn zoon Worp werd nogal eens belaagd door schuldeisers. Hij was het die in 1626 zijn zoon op het koor van de kerk te Holwerd liet begraven, doch veroordeeld werd tot herbegraving elders in de kerk.

[p. 105]

Na Worps dood werd Tjessens nog enige tijd door enkele van zijn kinderen bewoond, onder andere Tietscke, die met Hendrick van Zuchten, een Pools edelman was getrouwd. Laatstgenoemden verkochten in 1652 de helft van de state met inbegrip van de ‘huisinge, schuer, poorte, gracht ende cingel’ aan Albert van Loo. Omstreeks 1670 woonde Arend van Loo er, heer van Hodenpijl. Naderhand kwam het in handen van drie eigenaars, tot in 1699 Tjaard van Aylva, grietman van Wonseradeel de beide ontbrekende derdedelen voor 9000 carolusguldens kocht. De state werd toen omschreven als ‘een heerlijke state’ met ‘'t slot ofte adelyke huisinge ende schuire daerop staende, poorte, gracht, singel, hinxtewad, tuijn’ enz.

Van 1716 tot 1722 werd het slot bewoond door een dochter van Tjaard van Aylva, die met de grietman Hans Willem van Aylva gehuwd was. Na de zeer vroege dood van Hans Willem betrok het gezin van Albert A. Coenders het slot. Albert was brigadier en later generaal van de ruiterij. In 1754 kwam het slot onder de hamer. In de verkoopbrief (r.a., arch. Harinxma thoe Slooten 280-283), wordt het als volgt omschreven: ‘een deftige heerenhuijsinge met elff manifique kamers voorsien met een exelente kelderinge mitsgaders koetshuijs en stalling voor elff paarden en wijders met sijn tuijnen, vrugthovingen, singels.’ Koper werd Johan Sippo van Harinxma thoe Slooten, die er tot 1799 woonde met zijn gezin. Johan Sippo was generaal-majoor en luitenant-generaal-kwartiermeester.

In het laatst van zijn leven woonde zijn zoon, Pieter Edserd, grietman van Westdongeradeel ook op het slot. Om zijn patriottische gevoelens tijdens zittingen van de Staten van Friesland (1787) werd hij korte tijd gevangen genomen. Na zijn vroegtijdige dood (1793) kwam zijn eveneens ongehuwde broer Albertus naar voren. Hij werd vrederechter in het kanton Holwerd.

Een ongetrouwde broer van Johan Sippo, Willem Hendrik van Sytzama heeft als grietman over Westdongeradeel een tijdlang op Tjessens gewoond. In 1825 werd hij als grietman opgevolgd door zijn neef, Johan Sippo van Harinxma thoe Slooten. In 1818 bezocht de nieuwe koning behalve de hoofdstad van Friesland slechts de douairière Harinxma en de Scheltema's te Heerenveen. Op het terrein werden erepoorten opgericht. Tjessens kwam na de dood van Johan Sippo aan Pieter Albert Vincent van Harinxma. Een studiegenoot van laatstgenoemde, C. Riedel, schrijft aan de nieuwe bewoner in verschillende brieven (Fam. archief van Harinxma) over de ‘grote veranderinge’ en de ‘gehele omvorming van het oude Tjessens’. Evenals van andere states bekend is zal hier de bovenverdieping van het huis afgebroken zijn, want Riedel spreekt er zijn vertrouwen over uit, dat het ‘nog ruim genoeg’ zal zijn, en in september 1853 dat het ‘nu wel reeds in de nieuwe vorm bewoonbaar’ zal zijn. De nieuwe vorm is te zien op een 19e-eeuwse foto van het Huis (afb. 179). Pieter Albert Vincent was kantonrechter te Holwerd. Toen hij in 1855 overleed, waren de dagen van het slot geteld. In 1880 was er reeds sprake van afbraak; in 1893 wordt er nog eenmaal van het Huis uit te Waaxens begraven en in 1896 wordt de afbraak van het hoofdgebouw met stalling aanbesteed (Wumkes). Ook werd er toen veel hout verkocht. Blijkens een bericht van 30 maart 1898 (Nieuw Advert. Blad) stond er toen nog een ruïne. De laatste bosschages zijn in de jaren 1940-45 als brandstof gebruikt. De stenen toegangsdam in de gracht is thans het enige dat aan het oude slot herinnert.

Westelijk van de moderne verkeersweg ligt de Sathe Tjessens, die de oude naam nog draagt, een boerderij uit 1888, zie ‘Waaxens’.

Hania State

Ten zuidwesten in de onmiddellijke nabijheid van het dorp lag Hania State.

Litteratuur

r.v.a. i, 114; Tegenwoordige Staat ii, 201; Wumkes i, 318, 341, 356, 426, ii, 28, 38, 39, 40, 162.

Bronnen

Berns, 52 bb (Hypotheekboeken) 6 f235, 236, 248, 259; Sipma ii, 34 en 155.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf in coll. Fries Museum Leeuwarden, ten onrechte van de naam Tjessens voorzien (afb. 180).

Geschiedenis

In de 15e eeuw worden op Hania genoemd Binnert Haijnghe (1453) en Worp, mogelijk zijn zoon (1485). In 1511 bezat Rijtske Hanijgen negen pondemaat buitendijks en 50 pondemaat binnendijks land, dat eigendom was van de kinderen van Sypt. Gegevens ontbreken verder tot 1578, wanneer Ernst van Aylva bewoner is. Zijn moeder was

[p. 106]

weliswaar een Hania, doch uit het Pingjummer geslacht van die naam, dat een ander wapen voert. Als grietman van West- en later van Oostdongeradeel geeft hij veel gedaan voor de aanleg van de dijken (vgl. opschriftsteen aan de kerk). Ook was hij gedeputeerde van Friesland, onderhandelaar over een bestand met de Spanjaarden en afgevaardigde naar de Synode van Dordrecht. De laatste jaren van zijn leven woonde hij op Herwey te Ternaard, waar hij in 1627 overleed.

In Holwerd volgde hem als grietman in 1618 zijn zoon Douwe d'Olde op. Diens zoon Ernst van Aylva woonde in 1651 met zijn vrouw Jacomina van Loo op Hania. Tussen 1655 en 1663 namen zij grote sommen gelds op (Hypotheekboeken), mogelijk voor verbouwing van het huis. Nadat hun dochter Hester Lucia er korte tijd gewoond had met haar man Maurits Lodewijk van Isselsteijn, kwamen na diens dood in 1675 haar nichten Helena en Elisabeth van Aylva, dochters van Scipio Meckema van Aylva op het huis wonen. Elisabeth huwde Ulbo van Aylva, die volgens Stellingwerf omstreeks 1723 eigenaar van het huis was en grietman van Oostdongeradeel werd. Zijn schoonzoon A. Ae. Lamoral van Rengers volgde hem in 1725 als zodanig op. Na diens dood kwam de state aan de Ternaarder tak van de Aylva's en woonde Hessel Douwe Ernst er lange tijd. Hessel en zijn zoon Sicco Douwe waren grietman over Westdongeradeel. De laatste bleef het na een korte onderbreking wegens patriottische gezindheid tot 1807. De erfgenamen vonden geen koper meer voor de State en de inboedel werd grotendeels bij boelgoed verkocht (Wumkes). Daartoe behoorden ook een fraai ijzeren hek, 23 voet breed met vier stenen pilaren en een fraaie stenen met beelden uitgehouwen vaas, ruim drie voet hoog, en een zonnewijzer op stenen voet. In 1805 wordt er houtboelgoed gehouden onder hovenier Victor Clerfont. De plantage wordt ook in de Tegenwoordige Staat als merkwaardig vermeld. Potter ziet er op zijn wandelingen de ‘uitgestrekte bossen en plantages’ in 1808 en merkt met spijt op dat ze ‘ook wel zullen verdwijnen’.

Het huis

Op de kaart van Schotanus-Halma zien we het huis in een groot rechthoekig terrein gelegen. De tekening van Stellingwerf laat zien dat het op een omgracht terrein lag, dat toegankelijk was door een poortgebouw over de gracht, zoals zovele Friese States hadden. Het huis lijkt te bestaan uit een langgerekt gebouw, dat aan de linkerzijde door een trapgevel is afgesloten. De rechterhelft kan later met een verdieping verhoogd zijn, waarbij de middenpartij is opgehaald en van een tympaan is voorzien, met een fries, waarin mogelijk de familiewapens stonden. Het hoge dak geeft een datering in de jaren veertig van de 17e eeuw. Het is niet onmogelijk dat de geldleningen van 1655 tot 1663 nodig zijn geworden voor het bekostigen van deze verbouwing.

De situatie van twee rechthoekige terreinen omlijst door langgerekte kavels is op de kadastrale minuut nog waar te nemen; van bebouwing is dan reeds geen sprake meer.

Hemminga State

Ten oosten van Hania lag Hemminga State.

Litteratuur

r.v.a. i, 114; Sipma iv, 131, 132, 166.

Geschiedenis

In de 16e eeuw komt Hemminga State voor, waar in 1502 (Sipma iv, 131) Gerck van Tjessens, zich noemende Hemminga woont. In 1511 bezit hij 36 pondemaat buitendijks en 50 pondemaat binnendijks land. Hij kiest de zijde der Bourgondiërs en moet daarom in ballingschap. Zijn dochter huwt Epo van Martena en woont in Leeuwarden. Hemminga wordt dan reeds een boerderij waarop een meier woont.

Jarichsma of Jaarsma

Westelijk achter Hania lag Jarichsma State.

Litteratuur

r.v.a. i, 114; Sipma i, 5; ii, 333.

Geschiedenis

Jarichsma werd in 1390 genoemd als woonplaats van Riowrd Jarichsma, grietman over de beide Dongeradelen (Sipma i, 5). Een akte betreffende jaarmarkten in 1452 werd mede bezegeld door Offa Jurgijsma. Taecko ondertekende mede de Saksische reversaalbrief en werd in 1511 vermeld als eigenaar van 44 pondemaat binnendijks en 8 pondemaat buitendijks land. Zijn zoon Siverdt woonde een tijd te Hantum maar werd in de kerk van Holwerd begraven. Hij komt voor in een akte van 1526, waarbij hij het bezit van L. Hoytsma te Hantum krijgt (Sipma ii, 333). Hun dochter huwde Saecke van Ringia die als grietman in 1575 Jarichsma bewoonde. Zij zijn in de kerk begraven. Ook hun zoon

[p. 107]

Ritske was grietman over Westdongeradeel. Op de Schotanuskaart van 1664 wordt Jarichsma nog als edele State weergegeven; op de uitgaven van 1718 komt het niet meer voor. Thans staat er een 19e-eeuwse boerderij van het kop-hals-romptype (afb. 181).

Signaeda State

Ten noordwesten van Tjessens bij de Holwerdervaart lag Signaeda State.

Litteratuur

r.v.a. 1, 115; Berns 49, d (Recesboeken), i, q (Weesboeken) 5,172 en 7,87.

Geschiedenis

Nogal achteraan in de opgave van goederen in het Register van 1511 staat Bennert Synaeden met achttien pondemaat buitendijks en 40 pondemaat binnendijks, die hij in gemeenschap met twee Heemstra's en een derde eigenaar bezit. Omstreeks 1620 wordt het goed gebruikt door een meier en de woning wordt gekenschetst als een ‘voorhuys staande op een kelder’. In 1623 komen daar nog bij een ‘singel en porte’. Schotanus geeft in 1664 nog een edele state, maar voor 1700 was het hornleger geruimd. Het komt dan ook niet meer voor op de Schotanus-Halma-kaart van 1718.

Overige terpen

Haakma

Ten oosten van Tjessens ligt de beschermde terp Haakma, waarop een langgerekt woongebouw, nr. 7, staat (afb. 185). In 1511 pachtte Jacob Hakema 43 pondemaat land van het ‘clooster to Dockum’, waarop hij gerst verbouwde (r.v.a. 1, 115).

Bawerd

In de Holwerder en Blijaerpolder ligt westelijk van Brantgum de beschermde terp Bawerd.

Dienwerd

Halbertsma tekent een grote terp, Dienwerd, direct ten zuidwesten van het dorp.

Medwerd

Voorts ten zuiden van het dorp de terp Medwerd (= middelste terp), die in de goederenlijsten van Fulda (Dronke c.7) vermeld wordt. In 1511 pacht Reijntie to Medwert 40 pondemaat van Janco Unema en Gerk Tjessens (r.v.a., 1, 114 en 151). Syttie to Metwert bezit er ook grond.

Aan de noordelijke helling staat een grote gemoderniseerde boerderij, Medwerd, van het kop-hals-romptype. Ten westen daarvan een oudere boerderij, nr. 5, van het kop-hals-romptype met in de nok van het voorhuis het nokanker 1838 (afb. 187).

Noordoostelijk van Medwerd geeft Halbertsma ten oosten van de Holwerdervaart een niet met name genoemde terp aan.

Overige boerderijen

De Monnikhuizen

Een oude geschiedenis wat betreft het grondbezit hebben ook de boerderijen Groot en Klein Monnikhuis aan de Leeuwarderdijk (Mol, 91).

Geschiedenis

Klaarkamp bezat te Holwerd meer dan 300 pondematen grond, waarvan een groot gedeelte buitendijks. De naam Monnikshuis geeft Eekhoff op zijn kaart van 1853 ten westen van Holwerd. Daar het bezit van het klooster Dokkum ten oosten van Holwerd lag, moeten deze ‘Monnikhuizen’ op het bezit van Klaarkamp wijzen; zij zullen een uithof gevormd hebben. In 1615 worden de opstallen op Groot Monnikhuys als volgt beschreven: ‘'t Huys, lang 33 vack, rontsomme met steen, die schuijr, groot 4 gollen, molckcamer groot 5 vack, een zes roeden en een vijf roeden hoyberch.’ Verder wordt nog nader aangegeven: ‘een nieuwe camer, de opcamer, de keucken, de cleine camer en de molckencamer.’ Er werden toen 175 pondematen land gebruikt.

Klein Monnikhuis

Middeleeuwse vondst

Thans bestaat nog Klein Monnikhuis, een 19e-eeuwse stelphoeve. In 1978 is op het terrein van deze boerderij een koperen kruisje gevonden met sporen verguldsel en ingelegd met glasemail, waarin een gekruisigde Christus te herkennen valt (afb. 184). Het kruisje is thans in het Museum Admiraliteitshuis te Dokkum. Het gelijkt op een exemplaar uit Beers in het Fries Museum te Leeuwarden, dat wegens vondstomstandigheden door Boeles eind 9e eeuw gedateerd wordt (Jaarverslag 1978 Streekmuseum Admiraliteitshuis Dokkum, Boeles afb. 81, blz. 458).

Witmonnikshuis

Aan de Witmonniksweg ligt de boerderij Witmonnikshuis.

Geschiedenis

De abdij te Dokkum der witmonniken bezat te Holwerd veel grond, waarop onder meer in 1511 Marten to Minckhuijs en Otte en Abba to Ulsmahorn boerden. Aangezien de witte monniken de Praemonstratensers zijn, moet het Witmonnikhuis verband houden met dit bezit, dat waarschijnlijk een uithof geweest is (Mol, 98).

Boerderij

Blijkens een stichtingssteen in de schuurgevel is de boerderij, die een stelpvorm heeft, in 1877 gebouwd: ‘de eerste steen gelegd door Willem Abes Hiddema jr. den 14 juni 1877’.

[p. 108]

Dijkslobbe

Bij de grens met Ferwerderadeel staat de boerderij Dijkslobbe van het kop-hals-romptype.

Geschiedenis

‘Brongher to Dickx Lobbe’ wordt in 1511 aangeslagen voor 19 pondematen binnendijks en 16 pondematen ‘sch(i)er op Blieworp’ (r.v.a. 1, 117), dat aan Sypt Hanie behoort. In 1576 vinden we Anna to Dijcxlob in de leveranties aan Klaarkamp vermeldt (a.a.u. 1930, 333).

Boerderij

De moeilijk leesbare stichtingssteen in de voorgevel vermeldt: ‘Den 20 april van den jare 1822 heeft Lieuwe Goffes Wiersma in de hoogen ouderdom van 92 jaar en 13 weken den eersten steen gelegd. Gesticht door Hessel Jans Hesseling en Ytske Lieuwes Wiersma’. In de voorgevel van de schuur twee halfrond gesloten vensters van de voormalige melkkelder. Het lange binhús heeft in het midden nog het venster van het opkamertje boven de voormalige kelder (afb. 186).

Medwerderweg 4

Op de hoek van de Leeuwarderdijk staat een grote boerderij met dwarsgebouwd onderkelderd voorhuis, midden 19e eeuw (afb. 183). Op oudere kaarten heeft de boerderij nog de kop-hals-rompvorm. Eekhoff plaatst hier de naam De Rode Schuur.

Boerderij

Het voorhuis heeft de ingang in het midden, bereikbaar langs een gietijzeren trap. In de hoek van de schuur is een toegang ingebouwd naar het dagelijks verblijf; de hoek van het schuurdak rust op een gietijzeren kolom. In de achtergevel van de schuur is een gekleurde gevelsteen opgenomen met een wapen van Cammingha (afb. 182).

Drie boerenhuizen

Een van de drie huizen is Groot Ulsmahorn, dat reeds in 1511 voorkomt als Ulsmaherne, waar Abbe en Otte wonen, die grond pachten van het klooster te Dokkum (r.v.a. 1, 116). Ook bezitten zij zelf 5 pondemaat grond onder Ternaard (r.v.a. 1, 121). Een van de huizen te Ulsmahorn wordt in 1617 beschreven als ‘'t huijs, 4 fack, binnenhuijs rontsom met steen, schuijre 2 gollen met zijn uutlenen, rontom met steen’ en ‘een cleijn huijs t'oosten vant groot huijs’ (Weesboeken). De boerderij is in 1914 herbouwd met een (gepleisterd) woonhuis. Westelijk daarvan ligt Bleinsma, van het kop-hals-romptype, blijkens stichtingssteen in 1855 herbouwd door T.R. Bleinsma en G.E.L. Hartmans (afb. 188).

Boerderij-opmeting

In de collectie opmetingstekeningen van de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek in het Openluchtmuseum te Arnhem berusten twee tekeningen, die elkaars spiegelbeeld vormen en een boerderij te Holwerd zouden voorstellen. De oudste is die in de collectie Gallee, nr. 52 (afgebeeld als fig. 9 in het tekstdeel). Van der Kloot Meyburg geeft een kopie daarvan met belettering. Het is niet duidelijk welke boerderij opgemeten is en of deze nog bestaat. Het betreft een boerderij van het kop-hals-romptype met bedsteden en kleine kelder in het midden van het voorhuis en een lange gang langs de ‘binnengevel’; de gang lijkt slechts bereikbaar via de woonkeuken in de hals.

Poldermolen

Poldermolen

Aan de Miedweg in de Holwerder- en Blijaërpolder staat een achtkante molen gebouwd in 1855. De molen is eigendom van de stichting de ‘Fryske Mole’ (afb. 189).

Litteratuur

Molens van Friesland, 129; Fries molenboek, 125-126.

Geschiedenis

In 1962 werd een 40 p.k. elektromotor geïnstalleerd en werd de nog gave houten vijzel vervangen door een stalen (de houten vijzel werd in de provinciale loods te Bergumerdam opgeslagen). Tevens werd de betonnen vijzelkom aangebracht. Verder vonden enige herstellingen plaats in 1966. Bij herstellingen in 1978 werden onder andere de roeden en de staart vernieuwd.

Het staande werk

De molen is geheel gebouwd volgens het in deze streek gangbare type. Dus: een te lood opgaand onderachterkant waarin de stiepen van de fundering als pilasters op de hoeken omhooggaan, de tussenliggende ruimten opgevuld met veldmuren. Een laag geplaatst ondertafelment, dat voor de twee toegangen is onderbroken. Een met riet gedekt grenen achtkant met twee bintlagen, gelast volgens volgens de algemeen in ons land toegepaste bouwwijze; dit ondanks het feit dat het formaat van de molen het in het noorden gangbare systeem van drie bintlagen zou kunnen toestaan. De onderste bintlaag is zuiver volgens dit systeem gebouwd, de korbelen van de bovenste bintlaag zijn echter iets naar buiten, ten opzichte van de ‘werk- of binnenzijde’ verschoven, een molenbouwkundig weinig verantwoorde toestand.

Het achtkant is later verstevigd met extra korbelen; bij de onderste bintlaag zowel bij het vaste als bij het losse bint, bij de bovenste bintlaag alleen bij het losse bint. De basis

[p. 109]

van de kap en de spanten zijn van eiken. De lange spruit (een stalen I-profiel, in het hart verzwaard ten behoeve van de koningsspil) als middelbalk die tevens dienst doet als ijzerbalk. Kap kruibaar op slepers; staart met kruilier.

Het gaande werk

Wieksysteem: zelfzwichting met oudhollandse voorzoom, vlucht 20,77 m. Roeden van staal, een voor de zelfzwichting doorboorde gietijzeren bovenas, gegoten door J.M. de Muinck Keizer Buurma, Oudeschans 1911. Verder een normale overbrenging; stalen vijzel in een betonnen vijzelkom. In de kap bevindt zich een bijzondere constructie ter beveiliging tegen blikseminslag, een constructie die elders in Nederland voor zover bekend niet meer voorkomt, maar die op vele molens te vinden zal zijn geweest.

[p. 110]



illustratie

Afb. 129. De Hervormde kerk ter plaatse van de middeleeuwse ten noorden van het tegenwoordige dorp, oorspronkelijk buitendijks gelegen. Opname 1966.




illustratie

Afb. 130. De middeleeuwse kerk zoals die er volgens de tekening door J. Stellingwerf in 1723 uitzag.




illustratie

Afb. 131. De ingangspartij aan de dorpszijde van het nieuwe kerkgebouw van 1776. Opname 1975.


[p. 111]



illustratie

Afb. 132. Herinneringssteen van het nieuwe kerkgebouw met helmteken Aylva boven het afgekapte wapen van Sicco Douwe van Aylva, die de eerste steen legde in 1776. Opname 1975.




illustratie

Afb. 133. Herinneringssteen boven de ingang van de toren naar aanleiding van de reparatie in 1739. Opname 1981.




illustratie

Afb. 134. De 13e-eeuwse toren van het zuiden gezien. Opname 1975.


[p. 112]



illustratie

Afb. 135. De kerk van 1776 uit het noordwesten gezien vóór de restauratie. Opname 1966.




illustratie

Afb. 136. Renaissance zerk voor Auck van Tjessens (gestorven in 1553) en diverse nakomelingen; gehakt door ‘b.i.’ in 1608. Opname 1975.




illustratie

Afb. 137. Renaissance zerk gehakt door B(enedictus) G(erbrands) in 1553 voor Auck van Stania (overleden 1518), Sijds Buwinga (overleden 1531), en voor Sijds' derde echtgenote Reynts Roorda, overleden 1547. Opname 1975.


[p. 113]



illustratie

Afb. 138. Ingangsomlijsting uit de eerste helft van de 17e eeuw, opnieuw gebruikt aan de kerk van 1776. Opname 1975.




illustratie

Afb. 139. Herinneringssteen naar aanleiding van de aansluiting van de nieuwe dijken op de kerkterp in 1580 en 1584. Opname 1975.




illustratie

Afb. 140. Gebeeldhouwde figuren van een grafmonument, dat in de kerk van Holwerd heeft gestaan. Thans in het Fries Museum. Opname 1981.


[p. 114]



illustratie

Afb. 141. De preekstoel uit 1776 met snijwerk door Yge Rintjes en koperen lezenaar door Lieuwe Geerts, beide uit Dokkum. Opname 1975.




illustratie

Afb. 142. Zerk met gotische vierpassen voor Ulbe Tjessens (overleden 1512) en zijn nakomelingen, waarschijnlijk in 1562 of 1568 van Renaissance ornament voorzien. Opname 1975.




illustratie

Afb. 143. Zeer grote zerk, in 1628 gehakt door ‘p.c.’ voor Douwe van Aylva en Lucia van Meckema en hun kinderen. Opname 1975.


[p. 115]



illustratie

Afb. 144. Interieur van de Hervormde kerk naar het zuiden gezien. Opname 1975.




illustratie

Afb. 145. De koperen voorzangerslezenaar, door L. Geerts gegoten in 1776.




illustratie

Afb. 146. De koperen doopbekkenarm uit 1767. Opname 1975.


[p. 116]



illustratie

Afb. 147. Het interieur van de kerk naar het oosten gezien vóór de restauratie. Opname 1965.




illustratie

Afb. 148. Zilveren avondmaalskan en beker uit 1878. Opname 1976.




illustratie

Afb. 149. Zilveren avondmaalsbeker uit 1659. Opname 1976.




illustratie

Afb. 150. Op de onderzijde is gegraveerd ‘Jacobo Revio pastore’. Opname 1976.


[p. 117]



illustratie

Afb. 151. De ‘Beijert’ of Diaconiehuis, getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 152. Gevelsteen uit 1715, volgens geschilderd opschrift herinnerend aan de ‘Beijert’, thans in het torenportaal ingemetseld. Opname 1981.




illustratie

Afb. 153. De zes zilveren bekers die door de Hervormde gemeente in 1782 aan de Doopsgezinde gemeente werden geschonken als dank voor het gebruik van haar kerkgebouw tijdens het bouwen van de nieuwe Hervormde kerk. Opname circa 1970.


[p. 118]



illustratie

Afb. 154. De nieuwe Doopsgezinde kerk uit 1850 aan de latere Stationsweg. Opname 1981.




illustratie

Afb. 155. Het inwendige van de Doopsgezinde kerk uit 1850. Opname 1981.


[p. 119]



illustratie

Afb. 156. De voormalige Doopsgezinde kerk aan de Koningsstraat, mogelijk uit 1731. Opname 1965.




illustratie

Afb. 157. Toegangsdeur van de voormalige Doopsgezinde pastorie, thans inwendig toegepast. Opname 1982.
Afb. 158. De voormalige Doopsgezinde pastorie aan de Bloemstraat, eind 18e eeuw. Opname 1982.


[p. 120]



illustratie

Afb. 159. Tekening uit 1723 door J. Stellingwerf van het Huis Brandstede in Holwerd.




illustratie

Afb. 160. Bonga State aan de Stationsweg. Opname 1981.




illustratie

Afb. 161. De Hogebuurt, zuidzijde. Opname 1965.


[p. 121]



illustratie

Afb. 162. Klokstraat 2, mogelijk een 18e-eeuws bedrijfspand bij een woonhuis aan de Voorstraat. Opname 1965.




illustratie

Afb. 163. Voorstraat 2-4. Deftige 19e-eeuwse dorpshuizen, nr. 2 waarschijnlijk uit 1868. Opname 1965.




illustratie

Afb. 164. Hogebuurt, noordzijde. Opname 1965.




[p. 122]



illustratie

Afb. 165. Hogebuurt, noordzijde richting dorp gezien. Opname 1965.




illustratie

Afb. 166. Het voormalige pand Bosma's plein 2. Opname 1965.




illustratie

Afb. 167. Aylvawal 1-2, mogelijk gebouwd als Accijnshuis, aan het einde van de Opvaart met lange bergzolder tussen twee topgevels. Opname 1965.




[p. 123]



illustratie

Afb. 168. Zijgevel van W. Dijkstrastraat 19, in 18e-eeuwse klokvorm. Opname 1982.




illustratie

Afb. 169. W. Dijkstrastraat 19 met 1720 gedateerde doch later gewijzigde dakkapel. Opname 1965.




illustratie

Afb. 170. Voorstraat 11 met genormaliseerde dakkapel. Opname 1966.




illustratie

Afb. 171. Voorstraat 3-11 in 1965.


[p. 124]



illustratie

Afb. 172. Achtergevel van Voorstraat 7, hoog oprijzend uit de overige bebouwing. Opname 1981.




illustratie

Afb. 173. Voorstraat 7, begin 19e eeuw als doktershuis gebouwd met inrit voor een koets aan de noordzijde. Opname 1965.




illustratie

Afb. 174. Voorstraat 15, woonhuis uit omstreeks 1820. Opname 1965.




illustratie

Afb. 175. Het voormalige Voorstraat 6 met 18e-eeuwse topgevel aan de straatkant. Opname 1965.




illustratie

Afb. 176. Voorstraat 8, logement en café met op gietijzeren kolommen uitgebouwde zaal op de verdieping. Opname 1965.


[p. 125]



illustratie

Afb. 177. Korenmolen De Hoop, waarschijnlijk in 1873 aan de zuidwestzijde van het dorp gebouwd bij de spoorbaan. Opname 1977.




illustratie

Afb. 178. Boerderij aan de Stationsweg bij het begin van de W. Dijkstrastraat met nu vervangen dwars gebouwd voorhuis en ingang onder het schuurdak, midden 19e eeuw. Opname 1965.


[p. 126]



illustratie

Afb. 179. Wat er na 1853 overbleef van het Huis Tjessens. Repro naar opname uit omstreeks 1896.




illustratie

Afb. 180. Het Huis Hania in welstand getekend door J. Stellingwerf, omstreeks 1722.


[p. 127]



illustratie

Afb. 181. Boerderij Jaersma-state ten zuidwesten van Holwerd. Opname 1982.




illustratie

Afb. 182. Wapensteen in de achtergevel van de schuur van Medwerderweg 4. Opname 1981.




illustratie

Afb. 183. Boerderij Medwerderweg 4, vroeger de Rode Schuur geheten. Dwarsgebouwd voorhuis uit de tweede helft van de 19e eeuw. Opname 1981.


[p. 128]



illustratie

Afb. 184. Het uit de 9e eeuw daterende koperen kruisje, dat in 1978 bij Klein Monnikshuis gevonden werd. Ware grootte. Opname 1982.




illustratie

Afb. 185. De opstal op de terp Haaksma. Opname 1981.




illustratie

Afb. 186. De boerderij Dijkslobbe, blijkens gevelsteen gesticht in 1822. Opname 1982.


[p. 129]



illustratie

Afb. 187. Boerderij uit 1838 aan de westzijde van Medwerd. Opname 1981.




illustratie

Afb. 188. Een van de ‘Drie Boerehuizen’, aan de zeedijk ten oosten van Holwerd, gesticht in 1855. Opname 1965.


[p. 130]



illustratie

Afb. 189 (op pag. 130). De in 1855 gebouwde poldermolen in de Hantumer en Blijaerpolder ten zuiden van Holwerd. Opname 1977.