Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 285]

Ee

De tamelijk uitgestrekte dorpsterp van Ee is over de gehele oppervlakte bebouwd; op de eerste editie van de Schotanuskaart (1664) wordt deze situatie reeds aangegeven. Rond het centraal op de terp gelegen kerk- en kerkhofterrein loopt de ‘bovenste’ ringweg, die hier wat vierkant van vorm is. Op elk van de vier zijden van het kerkhofterrein komt een haaks daarop gelegen toegangspad uit, een opbouw die in overeenstemming is met de omschrijvingen betreffende de dorpsplattegrond zoals die bekend is uit het 12e- en 13e-eeuwse Schoutenrecht (Spahr van der Hoek, Undersyk, 78).

De verdere opdeling van het terpterrein door middel van enkele paden is minder systematisch en in de percelering zowel op als buiten de terp is een straalsgewijze ordening niet te herkennen. Wel is er een tweede ringweg met een onregelmatig beloop aan de voet van de terp aanwezig. De noordwestelijke en zuidoostelijke toegangsweg tot de kerk vertonen op de gedetailleerde, uit 1718 stammende editie van de Schotanuskaart een tamelijk aaneengesloten bebouwingsbeeld, dat waarschijnlijk uit woonhuizen heeft bestaan.

Elders op de dorpsterp is ook tegenwoordig het agrarisch element nog wel aanwezig. Ee vormt dan ook een schaars voorbeeld van een groot terpdorp waar nog verscheidene boerderijen in de dorpskom aanwezig zijn.

Op de Schotanuskaarten ligt bijna de hele bebouwing binnen de ringweg aan de voet van de terp. Rond 1830 blijkt daarbuiten, aan de doorgaande route naar Metslawier en Engwierum, lintbebouwing te zijn ontstaan. Van recente datum is een woonwijk aan zuidoostelijke zijde van de dorpsterp.

Ten zuiden van het dorp liggen aan het Grootdiep de bedrijfsgebouwen van de in 1915 gebouwde coöperatieve zuivelfabriek ‘Ee en Omstreken’ (Spriensma, 18).

De fabriek is eind 1977 buiten gebruik gesteld.

 

Op ongeveer een kilometer ten noordoosten van Ee ligt het gehucht Tibma, dat onder de naam Tippencheim in de Fuldalijst uit de tweede helft van de achtste eeuw wordt genoemd (Dronke, c. 7, c. 37). Het vormt de enige nederzetting in Oostdongeradeel die in de oudste Fuldalijst vermeld wordt, en is in Noordelijk Oostergo een zeldzaam voorbeeld van een naam waarvan de bijbehorende nederzetting niet met een kerkdorp is verbonden, of zo men wil niet tot een kerkdorp is uitgegroeid.

De nederzetting vertoont een merkwaardige structuur en bestaat uit enkele dicht bijeen liggende, nu onbewoonde en in 1896 en volgende jaren deels afgegraven huisterpen en een grotere, wel bewoonde terp. Dit geheel kan worden geïnterpreteerd als de ontwikkelingsfase van de nederzetting waarbij de individuele woonheuvels nog niet aaneengegroeid zijn tot een dorpsterp.

 

Enkele honderden meters ten oosten van Tibma ligt de Oude Terp, een niet bijzonder hoge maar wel zeer uitgestrekte, vrijwel onbebouwde terp. Opvallend is dat deze terp slechts voor een gering deel is afgegraven, hetgeen mogelijk verklaard wordt door het ontbreken van een opvaart naar de terp toe, waarlangs de terpaarde gewoonlijk werd afgevoerd. De bebouwing heeft blijkens het kaartmateriaal nooit

[p. 286]



illustratie

Afb. 440. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


uit meer dan enkele huisjes en een boerderij bestaan, gelegen aan de voet van de terp, waarlangs gedeeltelijk een pad liep. De tegenwoordige weg, die in de tweede helft van de vorige eeuw is aangelegd, loopt dwars over de terp.

[p. 287]


illustratie
Afb. 441. Luchtfoto, schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 288]



illustratie

Afb. 442. Kopie van het kadastrale minuutplan van Oude Terp, omstreeks 1832, schaal 1:7500.


[p. 289]



illustratie

Afb. 443. Luchtfoto van Oude Terp, schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 290]



illustratie

AJb. 444. Kopie van het kadastrale minuutplan van Tibma, omstreeks i 832, schaal i :7500.




illustratie
Afb. 445. Luchtfoto van Tibma, schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 291]



illustratie

Afb. 446. Kopie van het kadastrale minuutplan van Dijkshorne. Omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


[p. 292]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De kerk ligt op een verhoogd kerkhof in het midden van het dorp. De kerk behoort aan de Hervormde gemeente, de toren sedert 1877 aan de burgerlijke gemeente (afb. 447, 451-473).

Litteratuur

Tegenwoordige Staat ii, 24; r.v.a. i, 160; Benef. 165; r.v.g.o. 121; Van Buijtenen, Achtkarspelen, 34; Keikes, Verleden, 49; Van den Berg, Oostdongeradeel, 121 e.v.

Bronnen

Rekeningboek Kerkvoogdij 1731-1964, ter plaatse, uittreksel archiefdienst N.O. Friesland; Rapport omtrent den toestand van den toren te Ee, raadsnotulen Oostdongeradeel 1867, Gem. archief Oostdongeradeel; Acte van aanbesteding en bestek 1867, ib.; Historisch-bouwtechnisch rapport W.J. Berghuis, archief r.d.m.z.

Afbeeldingen

Tekening door J. Stellingwerf in coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 452). Volgens Wumkes (Dorpskroniek i, 302) zou K. Sannes de kerk van Ee in 1750 getekend hebben; in de daarbij genoemde Almanak van 1778 komt deze tekening niet voor: uitgave J. Smit, Dit is een seltsaam almanak, Leeuwarden 1973 (Magnus rige nr. 11). Schetsboek Mulder, archief r.d.m.z. nr. 43.

Naamheilige

Volgens de naamlijst van Friese priesters (h.s. Van Burmania, p.b. Leeuwarden, geciteerd in r.v.g.o. 121) zou de kerk gewijd zijn aan de H. Jariglulfus, terwijl er een prebende was ‘ad altare S. Petri’. Aangezien de kerk aan de abdij van Dokkum behoorde, die in 1170 door Mariengaarde was overgenomen, zou een Praemonstratenser heilige in aanmerking kunnen komen, in casu abt Jarich, die zalig verklaard is (Fr. von Sales Doyé, Verzeichnis von Heiligen und Seligen, Leipzig 1929, i, 547). Dr. Van Buijtenen (vriendelijke mededeling) suggereert echter dat er een verschrijving heeft plaatsgevonden van de naam S. Gangulfus, die in het noorden ook in Visvliet en Eelde voorkomt en een bij de adel geliefde heilige aanduidde.

Geschiedenis

Volgens een door Van Buijtenen gepubliceerde oorkonde uit 1374 in het archief van Oudmunster, behoorde de kapel van Ee aan de abdij van Dokkum en erkende de abt in dat jaar de jurisdictie van de proost van Oudmunster. Uit de kerkvoogdijrekeningen valt op te maken dat er in 1753 voor 265 gulden aan de kerk vertimmerd is volgens bestek en tekening door Jan Tjebbes. In 1794 is een uitgave van 400 Carolusguldens gedaan aan A. Gruisen voor het orgel, benevens een som aan Jan Yges voor het snijwerk aan de ‘lammersering’, waarschijnlijk te lezen als balustrade van het orgelbalkon en aan de vleugels van het orgel. In 1795 is 1042 gulden betaald aan Jan Pieter, meester-timmerman. In 1796 zijn twee sommen van tesamen 553 Carolusguldens verworven ‘ter bouwing van de toren’, is boelgoed gehouden van het oude hout van de toren en is 753 gulden uitgegeven wegens werk aan de toren volgens aanbesteding en reparatie. Ook wordt een betaling gedaan voor een tekening van een spits op de toren. In 1806-07 wordt opnieuw een groot bedrag besteed aan de kerk: 110 Carolusguldens voor hout, kalk en pannen, 4 vrachten duinzand, 335 Carolusguldens arbeidsloon, het ‘schulpen van een oude kerkbalk’ (d.i. overlangs doorzagen) en boelgoed van oud hout en steen. Waarschijnlijk is toen de driezijdige oostelijke sluiting van de kerk gebouwd. In 1867 is 648 gulden besteed aan K. Ozinga te Dokkum voor een nieuwe preekstoel en doophek en 30 gulden voor een ijzeren raam in de kerk en in 1869-71 1000 gulden als bijdrage voor de nieuwe torenbouw.

In 1872-73 zijn er nieuwe pannen op het dak gelegd en nieuwe goten en gootblokken gemaakt. In 1910 zijn een kapgebint en een nieuwe makelaar op 't eind der kerk aangebracht.

In 1843 verzocht de raad de architect Th. Romein te Leeuwarden over de toren te rapporteren (Raadsnotulen). Deze had geen tijd en men benaderde op zijn aanraden architect Stoett uit Leeuwarden, die een plan maakte, dat echter niet uitgevoerd werd; in 1867 toen de zaak opnieuw urgent werd, werd dit geraadpleegd. Uit het rapport blijkt dat de oude toren uit baksteen bestond, waarschijnlijk gietwerk vertoonde in de ongeveer één meter zware muren en topgevels had. Volgens de Raadsnotulen ging men de toren van Suameer bezichtigen om die tot voorbeeld te nemen. De kerk van Suameer heeft een kleine ingebouwde toren, die slechts in zoverre met die van Ee overeenkomt, dat ook die half is ingebouwd. Uit het bestek van 1869 voor de nieuwe toren blijkt dat men de klokkestoel uit de oude toren heeft behouden en deze slechts iets verplaatste. De toren is in 1971 met rijkssubsidie gerestaureerd. Volgens de Tegenwoordige Staat, in

[p. 293]

navolging van Schotanus, zou de kerk een koorafscheiding hebben gehad met voorstelling van ‘mensenhoofden met monnikskappen en ezelsoren’.

Beschrijving

De kerk bestaat uit een ruim, eertijds overwelfd schip, waarvan de rechte koorsluiting waarschijnlijk in 1807 door een driezijdige vervangen is. De westgevel is in 1869 vernieuwd, gelijktijdig met het bouwen van een nieuwe toren.

Materiaal

Het oude muurwerk bestaat uit donkerkleurige baksteen, 28,5-29,5 × 9-9,5 cm, 10 lagen 104 cm, in lagen van twee strekken, een kop toegepast en met veel versinterde koppen. Voor de toren is machinale steen gebruikt. Voor de aan de westmuur grenzende stukken noord- en zuidmuur is het oude materiaal opnieuw toegepast. Ook de koorsluiting bestaat uit het oude materiaal, opnieuw toegepast, en enige lagen rode steen van 28-29 × 7-7,5 cm, waarmede ook de oude ingangen dichtgezet zijn. Op de plaats waar men de oude oostelijke hoeken kan verwachten lagen op het kerkhof tot voor kort zwerfkeien met specieresten; thans ligt één van deze aan de zuidzijde op het kerkhof.

Toren

In de toren is de oude klokkestoel opnieuw toegepast; deze heeft de vorm van een hoge afgeknotte piramide en is aan de onderzijde ingekort. De telmerken wijzen op de 17e eeuw; waarschijnlijk is de klokkestoel gemaakt toen de klok van 1642 werd opgehangen.

Schip

De muren, waarvan de dikte omstreeks een meter bedraagt, hebben naar aan de noordzijde duidelijk te zien is, op regelmatige afstanden telkens twee smalle flauw spitsbogige vensters bevat (afb. 451, 453). Het meest oostelijke, niet gedichte venster vertoont een rechthoekig profiel, met een kraal in de hoek. Aan het andere nog aanwezige venster is de moet van de kraal nog duidelijk te zien; als dorpel is na inkorting een plaat rode Bremersteen opnieuw toegepast met profiel en vierkante uitholling, een voormalige altaarsteen dus. Eén laag boven de toppen van deze vensters loopt een rij consoles, samengesteld uit staande bakstenen, in welks benedenste helft vóór het bakken der stenen diverse maskers zijn geboetseerd (afb. 456). Op de voorzijde van de bovenste helft is dikwijls nog een ornament aangebracht. De maskerstenen dragen vierkante profielstenen van diverse vormen. Daarboven zijn enige lagen jonger metselwerk. Ook aan de zuidzijde is de consoleserie te vinden, zij het verstoord door toppen van aldaar ingehakte brede vensters, die spitsbogig gesloten zijn, met uitzondering van het vierde van het westen gerekend, dat jonger is en rondbogig gesloten. Deze vensters vervangen de oorspronkelijke, die tegenover die in de noordmuur hebben gestaan. Men kan sporen vinden ten westen van het eerste, in de dam tussen het tweede en derde en ten oosten van het laatste jongere venster. In de bremerstenen dorpels van het eerste, derde en vijfde en in de bakstenen dorpel van het tweede venster zijn aanzetten van montants te zien.

Ingangen en gedichte laagzittende vensters

Beneden het eerste gedichte venster aan de zuidzijde is in de laatgotische periode een segmentbogig gedekte ingang aangebracht binnen een geprofileerde spitsboog; het geheel staat in een uitgemetseld veld. Onder het tweede venster zuidzijde is de boog te zien van de oorspronkelijk brede rondbogige ingang; op dezelfde plaats aan de noordgevel vindt men een soortgelijke moet. Ten oosten van het derde paar gedichte vensters in de noordgevel is een gedichte rondbogige doorgang te zien; op de overeenkomstige plaats aan de zuidgevel is deze dichting eveneens te zien.

Ten slotte is in de noordmuur onder het eerste gedichte venster een klein gedicht rondbogig venster laag bij het maaiveld te zien. In de oostelijke sluitmuur is een inwendig gedichte ingang, die gelijktijdig met die muur is aangebracht.

Inwendig

De kerk wordt thans gedekt door een gedrukt houten tongewelf op een brede kooflijst. In 1886 was volgens een aantekening van architect Ad. Mulder het gewelf reeds blauw en de balken zwart geverfd met witte biezen. De trekbalken hebben eenvoudig geprofileerde sleutelstukken; alleen een der meest oostelijke sleutelstukken is nog gotisch geprofileerd. In de muren zijn sporen te zien van de opleggingen van vier brede gewelven. De nog geopende vensters in de noordmuur vertonen in de koppen een kraal in de rechthoekig verdiepte omlijsting. De kap is laatgotisch, behoudens het gedeelte boven de nieuwe oostelijke sluiting.

Bouwgeschiedenis

De negen meter brede, eenbeukige kerk is blijkens aanwijzingen in het inwendige overwelfd geweest in vier brede vakken, waarin telkens twee flauw spitsbogige vensters stonden, omlijst met kraalprofiel aan binnen- en buitenzijde. Deze indeling plaatst de kerk van Ee in de romano-gotische serie kerken, waarvan Groningerland er een aantal bewaard heeft. De kerk kan daarmede in het tweede kwart van de 13e eeuw gebouwd zijn. Aangezien de kerk in de 14e eeuw stellig, en waarschijnlijk reeds eerder, aan de

[p. 294]



illustratie

Afb. 447. Hervormde kerk en toren. Plattegrond en details. Getekend 1981 naar opmeting 1950.


abdij van Dokkum behoorde, kan de verzorgde architectuur onder de Dokkumer Witheren tot stand gekomen zijn. Het aanzienlijke aantal roodzandstenen zerken, dat deels in de vloer, deels als dorpel toegepast is, kan mede op het belang van de kerk wijzen in een vroeg stadium.

In de 16e eeuw zal het muurwerk verhoogd zijn en een nieuwe kap zijn aangebracht. De koorsluiting met een ingang in de oostelijke sluitmuur, blijkbaar ten behoeve van de bezitters van een bank, dateert waarschijnlijk uit 1807. Het rondbogig gesloten venster in de zuidmuur kan eveneens in 1807 gemaakt zijn; de gietijzeren venstervulling is dan gebruikelijk. De vullingen van de koorvensters zouden in 1867 vervangen kunnen zijn, daar ze de dan gebruikelijke neogotische vorm vertonen. Het houten gewelf dateert mogelijk uit 1795.

De gang van zaken van de herbouw van de toren is onder ‘geschiedenis’ vermeld.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een preekstoel die blijkens de kerkvoogdijrekeningen in 1867 is gemaakt en geleverd is door K. Ozinga te Dokkum, samen met het doophek dat versierd is met een gietijzeren bovenzone (afb. 457). Het schoolmeestersboekje uit 1856 (p.b. Leeuwarden) vermeldt dat op de oude preekstoel het wapen Meckama-Van Aebinga Humalda was aangebracht.

Orgelbalustrade

Aan de westzijde is boven een afscheiding waarin tussen Ionische pilasters twee met snijwerk versierde deuren zijn gevat, een orgelbalustrade gebouwd van vijf panelen tussen pilasters, bekroond door een opengewerkte zône met vazen in Lodewijk xvi-vormen. In het midden een medaillon waarin muziekinstrumenten zijn uitgebeeld, een en ander gesneden door Jan Yges, en behorende bij het orgel door Gruisen, dat in 1794 door de familie Meindersma geschonken was, en waarvoor in de kerkvoogdijrekening 100 gulden is genoteerd. Het orgel is in 1923 naar Klazienaveen verkocht en vandaar in 1945 naar Burgh op Schouwen vervoerd, waar het in 1960 verbrandde. Het nieuwe orgel bevat één pijp met stichtingsopschrift uit het orgel van 1794, dat wat betreft de dispositie is nagevolgd. De luiken zijn beschilderd door D. Osinga in 1957.

Banken

Dubbele herenbank met spijlenfriezen, hoekvullingen en knoppen, xvii. Drievoudige herenbank met opzetstuk waarin alliantiewapen: halve adelaar met drie klaverbladen paalsgewijs (afb. 458; Jacobs?) en halve adelaar met drie klaverbladen twee en een, waaronder een roos, tesamen onder een kroon met drie fleurons, xviiib. Dergelijke bank met gezwenkte gesneden bekroning xviiic (afb. 459). Tegen de oostwand eenvoudige banken met vaasvormige knoppen.

[p. 295]

Epitaaf

In de laatste travee van de noordwand tegen de aanzet van de jongere koorsluiting is een epitaaf bevestigd van zwart marmer in wit albasten lijst voor Snelliger Meckama, gestorven 1627 (afb. 461). Het aedicula-vormig epitaaf wordt geflankeerd door putti wijzend op een omgekeerde flambouw en een urn. In het midden groot Latijns opschrift door H.A. Gerrizma.

Dit opschrift luidt als volgt:

 
anno 1627
 
 
 
epitaphium
 
nobilissimi iuvenis viri d.s. snelliger a mekhama
 
electi a deo opt max quod aprecor amici sui
 
intimi xv cal decemb mdcxxv
 
dure tenor fati nullo discrimine fortem
 
mekhama ceu lassum nestor a falce metis
 
eheu iam cecidit phrisiorum gloria primus
 
flosq iuventutis nobilitatis honos
 
grandia promititebat enim indole (credo) superstes
 
laudibus illustres vel superasset avos
 
prhisia moesta gemit tecum tua regna cupido
 
testes flent iuvenum virgineiq chori
 
gallia quem tenuit quem bis britannus et inde
 
febre venenosa corde latente redit
 
quem styga crediderant annis terrere charontis
 
cymbam sed dic quis fata movere potest
 
si genus et pietas hebe iunonia rerum
 
experientia opes culta minerva venus
 
ingenium virtus saevarum stamina retro
 
parcarum sistant non moriturus erat
 
snelliger an citior debebat abire coaevis
 
divinum cernis nomen ut omen habet
 
si quis abit cuius ferit altum fama booten
 
atque dei empyrio mens sedet alta throno
 
lugens et moestus scribebat
 
 
 
h.a. gerrizma.’

Vertaling

‘Het jaar 1627

 
Grafschrift
 
ter ere van de weledelgeboren heer Snelliger van Mekhama,
 
zijn innigste vriend, uitverkoren door de algoede en
 
almachtige God, zoals ik bid, 17 november 1625.
 
Hardvochtige gang van het noodlot, gij velt met uw sikkel
 
zonder enig onderscheid de wakkere Mekhama als was hij een vermoeide Nestor.
 
Ach, gevallen is nu de roem der Friezen
 
en de eerste bloem der jeugd, het sieraad van de adel.
 
Want door zijn aanleg was hij veelbelovend. Was hij in leven gebleven,
 
dan zou hij (geloof ik) zelfs zijn vermaarde voorvaderen in roem overtroffen hebben.
 
Het bedroefde Friesland klaagt; met U, Cupido, treurt Uw rijk.
 
Scharen van jonge mannen en jonge meisjes, hiervan getuigen, bewenen
 
hem, die zich in Frankrijk ophield en tweemaal in Engeland en van daar
 
terugkeerde, terwijl een venijnige koorts zich schuil hield onder zijn leden.
 
Men had gemeend dat hij de Styx (en) Charons boot door zijn (jonge)
 
jaren zou afschrikken, maar zeg, wie vermag de lotsbeschikkingen te keren?
 
Indien afkomst en vroomheid, jeugdige leeftijd, ervaring,
 
rijkdom, wetenschapsbeoefening, liefde, verstand en
 
dapperheid de draden van de grimmige Schikgodinnen
 
konden omkeren, zou hij niet gestorven zijn.
 
Moest gij, Snelliger, sneller heengaan dan Uw leeftijdgenoten?
[p. 296]
 
Ziet gij hoe zijn naam een goddelijk voorteken inhoudt?
 
Als iemand heengaat, wiens roem reikt tot de hoge sterren
 
en wiens ziel hoog op een troon zetelt in het lichtrijk van God.
 
Treurend en bedroefd geschreven door
 
 
 
h.a. gerrizma.’

(Naar Hermeneus, xxix, 1958, blz. 17, 18, met wijzigingen in regel 5 en 10 van de hand van prof. dr. G.M. Bartelink).

 

Onderaan het epitaaf staan de stamwapens Meckama, Starkenborg, Unia, Juckama, Howarda, Bolta, Terborch en Lougen (portret van Sn. Meckama in Fries Museum). Een zuster van Snelliger was Ebel van Meckama, gehuwd met Frans van Humalda en begraven in de grafkelder in dezelfde kerk.

Zerken

Twee trapeziumvormige roodzandstenen voormalige altaarstenen met vijf kruisjes in het oostelijk deel van de kerk.

Tegenover de preekstoel trapeziumvormige roodzandstenen zerk met opschrift: ‘In t jaer ons herē mccccxciv des woensdach na heilighe... ge dach do starf Teet Humald bijdd... siele.’ Wapen: pelikaan met jongen, waarboven helmteken en afhangende koorden met kwasten. In de hoeken de evangelistensymbolen (afb. 460).

Zerk waarop in het midden een wapencartouche is gehakt met in de lijst slanke figuren verbonden door dunne bloemslingers. Op de hoeken medaillons met afgehakte alliantiewapens. Tekst: ‘Ao... dē. decembris sterf / dē edelē en̄ eerēvestē Frans Abinga vā Humalda/Ao 1559 dē 17 aprilis sterf die/eerbare juffrou Anna vā Feytsma syn wijf’ (afb. 468).

Oostelijk van de preekstoel zerk met renaissance-ornament. Beschadigde alliantiewapens onder een boog; aan weerszijden Spes en Fides en bekroond door Caritas. Beneden een cartouche met afgesleten memorie. Randschrift: ‘Ao 1560 den 3 aprilis sterf die deugsame juffrouw Bets vā Humalda 22 jaer oldt Botto Herbranda Wijf’ (afb. 464). Voor de preekstoel grote zerk met in de hoeken alliantiewapens. Opschrift: ‘Ao 1608 den 20 octobris sturf de eedele eerentrycke juffrouw Tiemck van Osinga de huisfrou van joncker Frans van Humalda en is hier begraven. Anno 1642 den 26 May sturf de eedele Juffer Tiemck van Humalda dochter van Jr. Frans van Humalda out 34 jaer en leit hier begraven’. In ovaal cartouche van beslagwerk alliantiewapens: Humalda en onbekend. De steen is in 1763 behakt met de namen van Lisbert Reitses Iepma en Jacob Ypes Humalda en in 1823 van Jacob Ypes Humalda.

In het oosten van de kerk grote zerk, deksteen van een grafkelder. De steen is fraai behakt met een aedicula, waarin alliantiewapens Humalda-Meckama. In de top een Caritasfiguur, aan weerszijden Spes (vernield) en Fides met kruis (afb. 470). De alliantiewapens links boven en rechts beneden zijn onbeschadigd. Randschrift: ‘Anno 1621 de 3 augusti sterf de Ed. Erentfeste Jr. (Francisc)us vā (Humalda) Nassauische Regiments hopman oud 41 jaer Anno 1662 den 3 Ianr... vrouw Ebel [van Meckama Huisvr. des Hooged. Ge... ga van] Humalda alt int 74 jaer’ (voor hen ook rouwborden, zie beneden). In het midden alliantiewapen waaronder in cartouche het gedicht: ‘Quam mihi dum vixi requiem fortuna negavit/Hac ego nunc saltem post mea fata fruor/Inveni portum, spes et fortuna valeto/Spiritus aethereae gaudia lucis habet’. Hetgeen vertaald wil zeggen: ‘Ten slotte geniet ik nu na al mijn wederwaardigheden de rust, welke het lot mij in het leven onthield. De haven heb ik bereikt. Vaarwel, hoop en fortuin, mijn geest kent de vreugden van het hemelse licht’.

Voor de preekstoel zerk met randschrift: ‘Anno 1624 den 15 decembris sturf die eedele Eerzame Juffrou Tet van Emingha huisfrou van Lieuwe van Wytsma en leit al hier begraven. Ao 1619 den 4 dec. sturf den eedele erntphest J Lieuwe van Wytsma en leit begraven 't Loeven in Brabant in die Minnebroeders kercke’. In de hoeken alliantiewapens in rolwerkcartouches. Oostelijker ligt een zerk voor Offke van Bauwema (overl. 3 juli..., xviia) met alliantiewapens in rolwerkcartouches.

Voorts vele 17e- en 18e-eeuwse zerken met in de hoeken leeftijdskoppen en behoudens de namen van de begravenen rijmen over leven, dood en opstanding.

Rouwborden

Negen ruitvormige rouwborden voor:

‘Vrou Catharina van Hottinga anders Humalda obiit den 16 Jan 1615’ (afb. 462);
‘Jr. Ofke van Wytsma Obiit 21 september 1651’ (afb. 463);

[p. 297]

‘Iu Byuck van Bauwema Obiit den 21 september 1652’ (afb. 465);
‘Jr. Gerardus van Wytsma Obiit den 14 oct.(?) 1652’ (afb. 466);
‘Iu Thecla a Witsma Obiit 18 juni 1653’ (afb. 467);
‘Jr. L. van Wytsma Obiit den 28 april 1655’ (afb. 469);
‘Vrouw Ebel van Meckema Obiit den 3 Jan. 1662’ (afb. 471);
‘Jonr. Siuck Abinga van Humalda Obiit den 19 april 1679’ (afb. 472);
‘Juff. Remcke van Hymalda overlēn den 26 mei 1685’ (afb. 473).

Baar

Volgens het schoolmeestersboekje zou er een baar geweest zijn die voor en achter was beschilderd met het gekoppelde wapen van Aebinga van Humalda en van Meckama, xvii.

Psalmborden

Vier gezangborden met de evangelisten in de bekroning.

Zilver

Avondmaalsbeker, 14,2 cm hoog, diam. 10,5 cm. In de voet gegraveerd: ‘Die beker des Avontmaels van die kerke tot Ee’. Merken: Dokkum d van 1655, meesterteken van Paulus Sakes. Zie Voet, 114.

Doopbekken met geschulpte rand. Op de voorzijde is gegraveerd: ‘E gremio Ecclesiae quae est in pago Ee’. Op de achterzijde: ‘J. Beilanus pastor. Tjepke Alberts afgaande Minne Brinks aanblijvende Mintje Geerts nieuwverkorene ouderlingen Tjerk Tjommes afgaande Minne Jansz aanblijvende Klaas Jans nieuwverkorene Diakenen’. Merken: Leeuwarden groot keur, jaarletter gekroonde a van 1778, meesterteken van Hendrik Dauw. Zie Voet, 504.

Klok

De klok van 1642, diam. 112 cm, is in 1943 opgeëist; het opschrift luidde: ‘Int jaer onses heeren mdcxlii heeft mij Jacob Noteman in Leeuwarden gegoten voor t dorp Ee. jr. Sjuck Abinga van Humalda, Ds. Bartholdus Huysmannus Eccelesiasticus Thomas Crabb, Lieuwe Rypama, Douwe Tziaerds.

Ick luyd de Luyden aen haer werck/Ick nood de Christenen tot Gods Kerck/Ick Brom de Frueght en Drofenis uut/Ick luyd noyt of ick wordt geluydt’. (Ontkenning van de legende, dat een klok spontaan zou gaan luiden bij aankomst van relieken).

Voormalige school

De schoolmeester (h.s. uit 1857 in p.b.) weet te melden dat aan het kerkhof een voormalige bierbrouwerij in 1830 werd aangekocht om als school te dienen en daarna tweemaal vergroot werd, het laatst in 1856.

Pastorie

In de achtergevel van de pastorie staat een stichtingssteen met opschrift: ‘Twee Eelkes hebben hier den eerste steen gelegd, de stam van Meindersma mogt beiden 't aanzien geven. Maak op den levensweg O Heer hunne paden regt en schenk dees kerk gemeente een u getrouwen knecht die haar bestendig sticht door voorbeeld leer en leven. 1834’. (vgl. Tibsterweg 1-3).

Bebouwing in het dorp

Direct ten oosten van de kerk staat op de hoek met de ‘Haven’ geheten straat een pand onder zadeldak met aan de noordzijde een aankapping; de westelijke topgevel was in ankers ‘1634’ gedateerd en had aan de voet van de geveltop een bakstenen fries met vlechtwerk (afb. 477). Deze gevel met aangrenzend gedeelte is kort na 1965 vernieuwd. De topgevel was doorbroken door een turfluik; bij die gelegenheid zal ook de aanbouw onder aankapping ontstaan zijn, aangezien vlechtingen langs de gevelkanten daar gewijzigd waren.

Omgong 4-5 (Omgang)

Noordelijk daarvan staat een pand met ingang in het midden, en aan weerszijden opkamers aan de voorzijde boven een hoge kelder, die vensters aan de voorgevel hebben. Het pand dateert na 1830, daar het niet op de kadastrale minuut voorkomt (afb. 475).

Omgong 11

Aan de westzijde van de omgang staat een boerderij uit omstreeks 1860, met dwars gebouwd voorhuis onder schilddak met twee hoekschoorstenen en stenen kapel boven de ingang in het midden (afb. 476). De kadastrale minuut geeft hier nog een boerderij met een kort vooreind.

Omgong 7-8

Aan de zuidoostzijde van de kerk staat in de dorpskom een grote boerderij van het kop-hals-romptype. De achtergevel van de schuur is versierd met pilasters, evenals Tibsterwei 1-3, doch hier met lijstkapitelen.

In ankers is het bouwjaar 1815 aangegeven (afb. 481-483).

Lytse Loane (Kleine Laan)

Ten zuiden van de kerk is een buurtje, dat vanouds uit dicht opeen gebouwde panden bestond, die merendeels een zadeldak tussen topgevels hadden (afb. 474, 480) en waarschijnlijk omstreeks 1800 gebouwd zijn. Een zijgevel, Lytse Loane 7, is door middel van ankers gedateerd ‘1818’.

Ook aan de randwegen van het dorp vindt men overwegend dit type woningen, soms

[p. 298]



illustratie



illustratie

Afb. 448. Boerderij Tibsterweg 1-3. Opgemeten en getekend door G. Daan en S. Sipma in 1978 voor Stichting Historisch Boerderij Onderzoek te Arnhem. Wegens de afmeting van de boerderij is een sterkere verkleining toegepast.


[p. 299]



illustratie

Afb. 449. Boerderij Tibsterweg 1-3. Opgemeten en getekend door G. Daan en S. Sipma in 1978 voor Stichting Historisch Boerderij Onderzoek te Arnhem. Wegens de afmeting van de boerderij is een sterkere verkleining toegepast.


[p. 300]

voorzien van een brede opbouw midden voor de langsgevel (afb. 479).

Uniastrjitte 22 (Uniastraat)

De door Ids Wiersma getekende herberg is waarschijnlijk het nog bestaande café Woudstra aan de Uniastraat 22, al is de voorbouw verdwenen (afb. 486).

Uniastrjitte 13

Nog vrij gaaf is het pand tussen topgevels Uniastraat 13.

Achterwei 25 (Achterweg)

Aan de Achterweg staat een kleinere boerenwoning, waarschijnlijk ontstaan uit een gardenierswoning. De topgevel aan de zuidzijde met zeer kleine ontluchtingsopeningen is later van een ingang voorzien.

Achterwei 23

Achterwei 21

Achterwei 19

Noordelijk daarvan staat een kleine stelphoeve, een gardeniershuis met dwars gebouwd voorhuis aan de zuidzijde en op nr. 19 een kleine kop-hals-rompboerderij evenwijdig aan de weg. Tegen de terphelling staat een stelphoeve, die in de achtergevel, aan de Achterweg, in ankers ‘1818’ is gedateerd.

Focke Sjoerdsstrjitte 9 (Focke Sjoerdsstraat)

In het langgerekte gebouwtje is een museum van het vlas ondergebracht; het zou een zogenaamd braakhok geweest zijn (voor het braken van vlas).

Voormalige industriemolen

Volgens de lijst van niet rendabele en af te breken molens uit 1639, opgesteld in opdracht van de Friese Staten, moest de molen te Ee verdwijnen. Op de kaarten van Schotanus uit 1664 en 1718 komt echter toch een molen te Ee voor. Ook geschreven bronnen uit 1650 en 1687 vermelden hier een molen. Het eigendomsrecht van de molen is in de 18e en 19e eeuw te volgen. In 1809 stonden te Ee echter vier windmolens: twee koren- en tevens pelmolens en twee zaagmolens. Kennelijk zijn tussen 1842 en 1855 de zaagmolens en één van de korenmolens gesloopt. Volgens de lijst van molens in Oostdongeradeel uit 1855 en volgens Eekhoffs kaart uit datzelfde jaar stonden er toen in deze gemeente nog slechts drie molens, waarvan één te Ee.

De laatste korenmolen te Ee, een achtkant met stelling op een gemetselde hoge voet, verbrandde op 3 september 1962. Blijkens een foto (afb. 484) had de molen rond 1900 gepotdekselde delen aan de voet. Deze zijn later vervangen door een gemetselde voet met behoud van het achtkant; ook maakte het oudhollandse wieksysteem plaats voor zelfzwichting (afb. 485).

Litteratuur

Wijnja, Windmolens, i.v. Ee; Keune, Molens, 31-32, afb. p. 28, tijdens de brand; Molens van Friesland, 31.

Overige terpen en de bebouwing daarop

Tibma

Ten noordoosten van Ee ligt de beschermde terp Tibma (afb. 444, 445), waar de wegen vanouds omheen voerden. Volgens Schotanus lag er een vogelkooi op Tibma.

Fellingsreed
(Vellingsweg)
Roersma State

Van Tibma zuidoostelijk loopt de Fellingsreed, mogelijk genoemd naar hoge bouwlanden, die slechts licht geploegd behoeven te worden. De weg voert langs een aantal terpen en boerderijen op omgrachte terreinen, waarvan de eerste, Roersma State, op de kaart van Halbertsma een stinswier naast het bebouwde terrein had.

Wygara State

Ook bij Wygara geeft Halbertsma een stinswier. De boerderij van het kop-hals-romptype is in 1848 herbouwd, blijkens de stichtingssteen in de achtergevel: ‘1848/den 24 mei is Hier/den eersten steen gelegd/door/Willem Idses/Idsardi’.

Oude Terp

Ten oosten van Tibma ligt de beschermde terp Oude Terp, die in de 7e eeuw ontstaan kan zijn en tegen welks noordflank Obbema State ligt (afb. 442, 443). De Schoolmeester meldt dat de Oude Terp toen (1857) bebouwd werd.

Geschiedenis

In de 16e eeuw is Obbema bezet door Saksische troepen; Poppe Obbema kwam bij de belegering van Mockema-stins om (Tegenwoordige Staat ii, 213). In de loop van die eeuw kwam het huis in handen van de Wijtsma's, die katholiek gebleven waren. Lieuwe Wijtsma en Tet van Eminga gingen daarom in 1580 in ballingschap. Na hun terugkeer vertoefden ze ook veel in hun stadshuis te Dokkum. Tet is begraven in de kerk van Ee, Lieuwe te Leuven (zie ‘Zerken, Herv. Kerk’). Hun zoon huwde in 1599 Biuck van Bawema. Na hun dood in 1652 zou het slot aan een zoon komen, die echter inmiddels overleden was, waardoor de dochter Maria Clara het huis in koop moest verwerven van haar schoonzuster. De omschrijving luidt dan: ‘het stins, toorn, huysinge, schuyr, schip- en wagenhuys, watermolen, zingel, gracht, zingelopreed en tuyn’ (Berns 55, m 3 f 207).

Maria Clara verkocht in 1677 ‘Obma State te Outterp’ met ‘de adellijke stins’ aan Tierck Hendricks, burger te Leeuwarden, onder beding dat de graven in de kerk die tot de state behoorden in haar eigendom zouden blijven. De kaart van Schotanus-Halma geeft

[p. 301]



illustratie



illustratie



illustratie

Afb. 450. Boerderij op Dijkshorne. Opgemeten en getekend door W. van der Zweep in 1965 voor Stichting Historisch Boerderij Onderzoek. Situatietekening met Zuiden naar beneden.


nog een adellijke state weer, maar gegevens zijn er sinds 1677 niet meer.

Thans staat er een grote stelphoeve uit omstreeks 1860; de kadastrale minuut geeft nog een boerderij van het kop-hals-romptype weer.

Dijkshorne

Aan de voormalige Lauwerszeedijk ligt Dijkshorne, een inspringende hoek in de dijk. Hierbuiten is later een gebied ingepolderd, te weten de Ezingepolder en de Ganzepolder, die onder Anjum valt. Door de polderdijken werd de kustlijn, die kennelijk ooit was doorgebroken, weer enigszins hersteld (afb. 446). De juiste data van de inpolderingen zijn onbekend; de Grote Ganzepolder komt reeds voor op de kaart van Schotanus van 1664, de kleine pas op die van 1693 (Rienks en Walther 75, 100).

Boerderij

De zeedijk van voor de inpolderingen loopt om een terp heen, die uit de 12e of 13e eeuw dateert en beschermd is. Op de terp heeft tot omstreeks 1970 een kleine boerderij gestaan, die wegens zijn vorm de aandacht van oudheidkundigen heeft getrokken (afb. 450).

Langs het woongedeelte was ons inziens echter later een gang aangebracht. Bij vergelijking

[p. 302]

met de plattegrondvorm op de kadastrale minuutkaart, waar een normale kop-halsrompboerderij wordt getekend, lijkt het aannemelijk dat de schuur sindsdien aanmerkelijk was verkleind, waarbij ook de indeling van het halsgedeelte geweld was aangedaan.

Humalda

Ten noorden van Ee ligt de beschermde terp Humalda.

Geschiedenis

Van Hessel Humalda is bekend, dat hij met Botte Jarla voor 1440 ‘mit herra helperim’ gestreden heeft op de mieden van het Klooster Sion om de eer van een medestander (Sipma i, 79). In 1453 komt een Buwe Humalda voor, die zegelt voor Gerk Herbranda (Ib. ii, 34). In 1488 is ‘Hessel Humalda huys toe Ee’ het toneel van een strijd tussen Sydts Bottinga's knechten en Gabbe Jaerla, die daar het leven laat (Tegenwoordige Staat ii, 212). Hessel werd dan ook gedwongen vrede te sluiten met de stad Groningen (Pax Groningana, 49). Zijn dochter Beyts huwde eerst met Jarich van Popma en na diens dood met Siverdt van Aebinga. Haar zoon uit het eerste huwelijk en haar tweede echtgenoot worden in 1511 genoemd als eigenaars van 114 pondemaat grond en 3 steden in de Buren (r.v.a. i, 163). Een zoon van Siverdt, Frans Aebinga van Humalda, woonde er tot zijn dood in 1557. Zijn dochter Geel en Frans Canter worden in 1567 als bewoners genoemd (Berns 18, yy; Quaklappen, 7, 311); in 1580 is dat haar broeder Sjuck.

‘Sjuck Humalda heerschap’ was van 1582 tot 1586 grietman over Oostdongeradeel; in 1580 neemt hij het zilverwerk van de kerk in bewaring (r.v.g.o. 122). Zijn zoon Frans was in 1614 hopman van een Fries regiment (Berns 55, m i, 197); hij overleed vóór 1623. Zijn weduwe Ebel van Meckema woonde in 1648 nog te Ee. Haar zoon Siuck Aebinga van Humalda woont in 1670 te Ee (Berns 55, m 5, 16) en was onder meer curator van de Hoogeschool te Franeker. Het stemkohier van 1698 geeft Frans Binnert Glins van Aebinga van Humalda als eigenaar; in 1728 was dit Petrus Bergsma, die er ook woonde en het goed in 1710 gekocht had van Erens Binnert (Berns 55, m 8, f57). Er wordt daarbij niet van een herenhuizing gesproken. Hij was op Bergwegen onder Engwierum geboren, was fiscaal van Oostdongeradeel en woonde te Dokkum, waar hij later ook notaris was. Uit de tekst van de Tegenwoordige Staat is niet duidelijk of het huis toen nog bestond. De kaart van Schotanus-Halma geeft nog wel een herenhuizing op Humalda. Oostelijk van het terrein ligt thans een 19e-eeuwse boerderij van het kophals-romptype, Klein Humalda.

Overige terpen

Aan de Groenweg dicht bij Oostrum liggen drie verhoogde woonplaatsen uit de 12e-13e eeuw. Aan de Groot Schaapweg ligt een verhoogde woonplaats die uit de 5e-7e eeuw kan dateren.

Het Hoog

Een even oude woonplaats is de terp 't Hoog, dicht bij het Dokkumerdiep ten zuiden van de voorgaande. Andreae meldt dat het huis ‘het Hoog’ een zeer grote kelder had en op omgracht terrein stond.

Halbertsma geeft nog terpen aan te Klein Medhuizen en zuidelijk daarvan, waar Eekhoff de naam Hayema plaatst. Voorts twee stinswieren, één bij Groot Medhuizen en één bij Holdinga.

Overige states

Medhuizen

Aan de weg naar Metslawier liggen enige boerderijen bij elkaar.

Mockema

Hier ook lag de state Mockema, een van de huizen van het geslacht van die naam. Op genealogische gronden kan men aannemen dat Taecke Mockema hier in 1470 gewoond zal hebben; zijn weduwe hertrouwde namelijk Taecke van Helbada, die zich daarna Mockema noemde. Diens zoons Popcke en Gerbrandt moesten wegens anti-Saksische gezindheid een beleg van het huis verduren, dat met de slechting daarvan eindigde (Worp van Thabor v, 40). In 1511 bestonden de landerijen uit 96 pondemaat. Het huis blijkt hersteld te zijn en werd in 1578 bewoond door Taecke van Mockema (Reg. Personele impositie). Het vererfde op een broer Sieds. In 1640 behoort het eigendom aan Sicco van Grovestins en de kinderen van Idsard van Burmania (stemkohier) en kort voor 1700 aan Ernst Mockema van Harinxma. In 1700 verkocht hij de state ‘met 't oud stins’ aan de bewoners, Jacob Mackes en echtgenote (Berns 55 m 7 f71). Het stins stond waarschijnlijk op de vermelde stinswier. In de verkoopakte wordt ook vermeld dat Ernst het gestoelte in de kerk van de stad Dokkum, Mockema-gestoelte genaamd, aan zich hield. Op de kaart van Schotanus staat reeds een boerderij ter plaatse.

Thans staat er op het terrein noordelijk van Mockema een boerderij van het kop-halsromptype uit 1841, blijkens ankers in de achtergevel en een stichtingssteen in de

[p. 303]

voorgevel met opschrift: ‘den 3 april 1841 werd door Pieter/en Douwe Fetzes Meindersma/de eerste steen gelegd./De tijd vergrijst het licht verdwijnt/Ook dit verblijf valt eens in puin/Uw oog zie dus naar 's hemels kring/Bewoon dit huis als vreemdeling’. De achterste travee bevat een huishoudkelder. De vensters en de toegangsdeur in de hals hebben alle een licht gebogen strek en in 1965 waren er nog blinden met een sierrand aan de bovenzijde. Op de schuur staan uileborden met paardjes. De zijgevels van de schuur zijn in 1923 uitgelegd.

Op het achterste erf, oostelijk van het Mockema-terrein, staat een boerderij van het kop-hals-romptype, die in 1907 geheel is herbouwd door de familie Meindersma: ‘De eerste steen gelegd/door P. Fetzes Meindersma/31 Julij 1907’.

Overige boerderijen

Old Holdinga

Noordelijk van Groot Medhuizen aan de weg naar Metslawier ligt Holdinga. In 1511 was dit een pachtboerderij van Wilke Holdinga, waar Hidde Holdinga woonde (r.v.a. i, 162). In 1640 heet het goed in het stemkohier Old Holdinga; het wordt in 1643 door Doedt gelegateerd aan haar zoon Wilcke Holdinga thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg (fam.-archief Schwartzenberg, r.a. Leeuwarden, portef. v, rood). Later stond er een grote 19e-eeuwse boerderij met dwars voorhuis, waarbij geen land meer behoorde en die tot woonboerderij was verbouwd.

In 1980 is zij echter door brand vernield (afb. 492).

Hayema

Deze naam komt mogelijk in 1511 voor, wanneer vermeld wordt dat Tjerk Haijna kloostereigendom van Weerd pacht. In 1582 komt zij voor in de Weesboeken (Berns 54 j 1, 181) en ook later wordt de boerderij als pachtboerderij genoemd.

De plaats is thans onbehuisd.

Voormalig Tyaarda

Te Medhuizen moet ook nog een Tyaarda-sate gestaan hebben, die in 1600 door Eesck Mockema verhuurd werd en die een huis, een schuur en een hooiberg bevatte (Berns 54 j 2, 523). Dit zal de plaats zijn van de rond 1500 genoemde state, waar Hybbo Tyaerda woonde, die de zoen met Groningen van 1491 ondertekende. In 1511 wordt deze state opgegeven als eigendom van Pybe en verpacht aan Sypke Tiaerden. Het goed was 66½ pondemaat groot.

Voormalig Wattema

Ook in 1491 worden genoemd Hessel en Rydske Wattema, ‘gebroeders en hoefftlingen toe Ee’. In 1511 bezit Jeltie Wattema met haar kinderen 25 pondemaat land, die in 1578 nog voorkomen als Wattingha (Personele impositie). De Wattinga's woonden toen reeds in Kollum. In 1597 komen Riverdt en Rinnert Petersz voor die ‘Toe Watma’ heten (Berns 54 j 2, 75 en 113), naar de plaats waar zij wonen. De kaarten van Schotanus en Eekhoff kennen geen Watma onder Ee.

In de Tioegen

In 1511 pachtten Wyttie en Alle ‘in de Tioegen’ respectievelijk 20 en 73 pondemaat land. Bij verkopingen van Ripema State in de Tioegen in 1677 en 1692 wordt melding gemaakt van een singel, gracht, poort en homei. In 1640 en gedurende de gehele 17e eeuw is de boerderij bezit van het geslacht Rijpma. De Tioegen duidt op de oever, in dit geval van het Dokkumerdiep, waar het goed van die naam nog ligt.

Aebinga

Aan de weg naar Metslawier tegenover de Groeneweg ligt de grote kop-hals-rompboerderij, door Eekhoff Aebinga State genoemd (afb. 487-488).

Geschiedenis

In het Register van Aanbreng komt Aebinga niet voor. In 1640 behoort het aan Ebel van Meckama, weduwe van Frans van Humalda; zij gebruikt de sate zelf. In 1698 woont er een meier op. In 1728 is de sate eigendom van Regnerus van Wijckel.

Boerderij

De voorgevel van het binhús heeft een groot venster in de top, zoals gebruikelijk rond 1800 in deze streek. De jaartalankers noemen 1805 als bouwjaar. De ‘binnengevel’ had aanvankelijk slechts de ‘bruids- en lijk’-deur; deze is thans in een venster gewijzigd.

Tibsterweg 1-3

Boerderij van het kop-hals-romptype met pilasters met Ionische kapitelen tegen de achtergevel, die door ankers 1796 is gedateerd (afb. 448, 449, 489-491). Het binhús draagt een stichtingssteen in de voorgevel: ‘In den Jaare 18 hondert men/Vier Laagen Douwe en Fetse/Eelkes Den eersten Steen Alhier’; in de top een jaartalsteen 1796. De ‘buitengevel’ van het binhús is in het midden van de 19e eeuw vernieuwd. Een opkamer tegen de ‘binnengevel’ vervangt thans de bedsteden boven een huishoudkeldertje.

[p. 304]



illustratie

Afb. 451. De Hervormde kerk uit de 13e eeuw en de toren van 1807 van de noordzijde gezien. Opname 1972.




illustratie

Afb. 452. De kerk getekend door J. Stellingwerf in 1723. Opname 1982.




illustratie

Afb. 453. Per gewelfveld stonden aanvankelijk twee vensters dicht naast elkaar. Boven de vensters bakstenen consoles van een verdwenen boogfries. Opname 1972.


[p. 305]



illustratie

Afb. 454. Kerk en toren van de zuidwestzijde gezien. Opname 1972.




illustratie

Afb. 455. De driezijdige sluiting, waarschijnlijk in 1807 gebouwd ter vervanging van het middeleeuwse koor. Opname 1972.




illustratie

Afb. 456. Detailopname van de gesneden maskerconsoles. Opname 1981.


[p. 306]



illustratie

Afb. 457. Het inwendige van de kerk naar het oosten gezien. Opname 1972.




illustratie

Afb. 458. Drievoudige 18e-eeuwse herenbank tegenover de preekstoel. Opname 1972.




illustratie

Afb. 459. Dubbele herenbank met rococo snijwerk, derde kwart 18e eeuw. Opname 1972.


[p. 307]



illustratie

Afb. 460. Roodzandstenen zerk voor Teet Humalda, gestorven 1494. Opname 1975.




illustratie

Afb. 461. Marmeren epitaaf voor Snelliger Meckama, gestorven 1627, met 18e-eeuwse putti (na 1795?). Opname 1972.




illustratie

Afb. 462. Rouwbord voor Catharina van Hottinga, 1615. Opname 1972.




illustratie

Afb. 463. Rouwbord voor Ofke van Wijtsma, 1651. Opname 1972.


[p. 308]



illustratie

Afb. 464. Zerk voor Bets van Humalda, 1560. Opname 1972.




illustratie

Afb. 465. Rouwbord voor Biuck van Bauwema, 1625. Opname 1972.




illustratie

Afb. 466. Rouwbord voor Gerardus van Wijtsma, 1652. Opname 1972.




illustratie

Afb. 467. Rouwbord voor Thecla van Wijtsma, 1653. Opname 1972.


[p. 309]



illustratie

Afb. 468. Zerk voor Frans Aebinga van Humalda en Anna van Feijtsma, gestorven 1559. Opname 1975.




illustratie

Afb. 469. Rouwbord voor L. van Wijtsma, 1655. Opname 1972.




illustratie

Afb. 470. Grote Renaissance-zerk voor Frans van Humalda, overleden 1627, en zijn vrouw Ebel van Meckema, overleden 1662. Opname 1975.




illustratie

Afb. 471. Rouwbord voor Ebel van Meckema, 1662. Opname 1972.




illustratie

Afb. 472. Rouwbord voor Sjuck A(e)binga van Humalda, 1679. Opname 1972.




illustratie

Afb. 473. Rouwbord voor Remcke van Humalda, 1685. Opname 1972.


[p. 310]



illustratie

Afb. 474. Gezicht in de dorpskern van Ee naar de kerk. Opname 1967.




illustratie

Afb. 475. De bebouwing rond het kerkhof noordoostzijde, Omgang 4-5. Opname 1967.




illustratie

Afb. 476. De bebouwing rond het kerkhof zuidwestzijde, Omgang ii. Opname 1967.




illustratie

Afb. 477. Het pand Haven 2, waarvan de gevel aan het kerkhof uit 1654 dateerde. Opname 1951.


[p. 311]



illustratie

Afb. 478. Het pand Uniastraat 13 onder zadeldak tussen topgevels. Opname 1965.




illustratie

Afb. 479. Woning aan de Uniastraat met topgevel voor de langsgevel. Opname 1965.




illustratie

Afb. 480. Het buurtje ten zuiden van de kerk, Lytse Loane. De woning links is in muurankers 1818 gedateerd. Opname 1974.


[p. 312]



illustratie

Afb. 481. Achtergevel van de boerderij Omgang 7-8. Het middelste anker draagt het jaartal 1815. Opname 1974.




illustratie

Afb. 482. Het voorhuis van de boerderij Omgang 7-8 ten zuidoosten van de kerk. Opname 1965.




illustratie

Afb. 483. Zogenaamde ‘gardenierswoning’ aan de Achterweg 25. Opname 1965.


[p. 313]



illustratie

Afb. 484. De korenmolen die aan het begin van de Tibsterweg stond rond 1900.




illustratie

Afb. 485. De met hout beklede voet van de molen is later vervangen door een gemetselde voet.




illustratie

Afb. 486. De herberg met opschrift ‘Logement en stalling’ getekend door Ids Wiersma in 1918.


[p. 314]



illustratie

Afb. 487. Boerderij Aebinga-state op omgracht terrein gelegen en blijkens jaartalankers in 1805 in deze vorm gebouwd. Opname 1981.




illustratie

Afb. 488. De voorgevel van het binhús van Aebinga-state en de vrijwel gesloten gevel aan de binnenzijde van het gebouw. Opname 1981.


[p. 315]



illustratie

Afb. 489. Boerderij aan de Tibsterweg 1-3, blijkens ankers in de achtergevel in 1796 gebouwd. De pilasters hebben Ionische kapitelen. Opname 1965.




illustratie

Afb. 490. De stichtingssteen in de voorgevel van Tibsterweg 1-3 waarin hetzelfde jaartal genoemd wordt. Opname 1982.




illustratie

Afb. 491. Het voorhuis van Tibsterweg 1-3 met oorspronkelijk keldervenster aan de binnenhoek van het complex. Opname 1982.


[p. 316]



illustratie

Afb. 492. De boerderij Old Holdinga, omstreeks 1860 in deze vorm gebouwd. Opname 1977.




illustratie

Afb. 493. De boerderij op het Mockematerrein, in 1841 in deze vorm gebouwd door Pieter en Douwe Fetses Meindersma. Opname 1965.