Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 3]

Birdaard

Het dorp is gelegen in het kleigebied noordelijk van de Wouden dat in landschappelijk opzicht aansluit bij Ferwerderadeel. Als Breitenfurt komt de naam van de nederzetting voor in de tweede goederenlijst van het klooster Fulda, die gedateerd wordt op het jaar 945 (Dronke, c. 37).

Van oorsprong was Birdaard een terpdorp waarvan de terp zuidelijk van de Ee lag. De eerste editie van de Schotanuskaart (1664) geeft echter al lintbebouwing langs de zuidelijke oever van de Ee aan, alsook een brug over het water. Op de tweede editie van deze kaart (1718) heeft deze bebouwing zich verder uitgebreid, terwijl ook aan de noordelijke oever inmiddels bebouwing is verschenen. Dit gedeelte van de nederzetting, gelegen in Ferwerderadeel, stond tot 1973 onder de naam Wanswerd aan de Streek bekend. Nadien kreeg het de naam Birdaard. Onder deze naam is de noordelijke oever van het dorp beschreven in deel 1, Ferwerderadeel.

Het ontstaan van bebouwing langs het water hing nauw samen met de functie van de Ee als vaarweg tussen Leeuwarden en Dokkum. Het belang daarvan zal sterk zijn toegenomen na een slatting van de vaart en de aanleg van een trekweg langs de noordelijke oever in 1647. De vaart maakt na het graven van de Strobossertrekvaart ten zuidoosten van Dokkum deel uit van de belangrijke route van Leeuwarden naar Groningen.

Het landverkeer via het dorp zal zijn toegenomen toen de weg van Rinsumageest naar Oudkerk langs de Ee werd aangelegd, waarvoor in 1649 octrooi werd verleend (Charterb. v, 519). In het begin van de 19e eeuw was de brug blijkens de oudste aanwijzende tafels (o.a.t.) bij het kadastraal minuutplan nog in particuliere handen. Een wegverbinding tussen Dokkum en Birdaard werd in 1915 aangelegd. Het zwaartepunt van het dorp heeft, wegens de daar aanwezige terp en kerk, altijd aan de zuidzijde van de Ee gelegen. In de loop van de 19e en 20e eeuw verdichtte de bebouwing zich verder.

De ligging van de bebouwing aan het water doet zich in verschillende vormen voor: aan de noordzijde is de bebouwing van het water gescheiden door de voormalige trekweg, op de zuidelijke oever gedeeltelijk door een pad. Voor een ander deel grenzen de huiserven direct aan het water en oostelijk van de brug grenzen overtuinen aan het water.

De belangrijkste nog aanwezige bedrijfsgebouwen aan de zuidkant van de Ee zijn die van de inmiddels vervallen zuivelfabriek ‘Concordia’, gebouwd in 1897. Deze fabriek is tot 1969 in bedrijf geweest.

De dorpsterp ten zuiden van de Ee blijkt nauwelijks in de groei van de bebouwing langs de vaart te hebben gedeeld en is schaars bebouwd gebleven. Van de voor Noordoost-Friesland vaak typerende kenmerken in de plattegrond zijn hier een tweetal paden naar de kerk en sporen van een radiale verkaveling op de terp in het kaartbeeld van 1830 terug te vinden. Een kromming in de weg naar Rinsumageest markeert nog het beloop van de terpvoet. Rond de eeuwwisseling zijn de onbebouwde delen van de terp afgegraven. De nog aanwezige bebouwing op de terp bestaat uit recent gebouwde huizen.

[p. 4]



illustratie

Afb. 1. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1820. Schaal 1:7500.


[p. 5]



illustratie

Afb. 2. Luchtfoto schaal 1:6250. Opname 1977.


[p. 6]



illustratie

Afb. 3. Anonieme ontwerptekening voor een nieuwe kerk te Birdaard, 1850. Archief Waterstaat R.A. Leeuwarden.


Het kerkgebouw

+ De Hervormde kerk staat op een door een boomsingel omgeven ruim kerkhof, dat op de terprest ligt. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente (afb. 3, 4, 7-10).

 

+ r.v.a. 1, 198; Benef. 203; r.v.g.o. 178; Wumkes ii, 244.

+ Het bij Berns en Faber-Obreen genoemde rekeningboek van de kerkvoogdij sedert 1768 is niet meer te achterhalen.

+ Kaart van Occo Jansz Bockebloet in r.a. Groningen (afb. 7).

 

+ De parochie komt in de oudste gedrukte bronnen uit de 16e eeuw voor. De patroon van Roodkerk heeft er onder andere bezittingen. Over de middeleeuwse kerk zijn ons overigens geen gegevens bekend. In 1851 wordt de afbraak van de oude en het bouwen van een nieuwe kerk aanbesteed. Op de kadastrale minuut staat dus nog de oude kerk afgebeeld, die daar ongeveer 11 × 26 meter groot is en rondgesloten. De enig bekende afbeelding is een aanduiding van Birdaard op de kaart, die Occo Jansz Bockebloet in 1646 maakte van de waterwegen van Leeuwarden en Dokkum naar Groningen (vlg. W.H. Keikes, Verleden van Frieslands Noordoosten, Streekarchivariaat Dokkum 1968, 54). De kerk staat daarop afgebeeld met een zadeldaktoren.

Het ontwerp van de nieuwe veel kleinere kerk kwam niet zonder discussie tot stand, daar de Hervormde gemeente in die jaren tot de noodlijdende kerken behoorde. Wij ontlenen dat aan de correspondentie, die bij twee ontwerptekeningen bewaard wordt in het Waterstaatsarchief, thans in het Rijksarchief te Leeuwarden. De hoofdingenieur van de district keurt daarin het aanvankelijke ontwerp (afb. 3) af, daar het veel te ruim zou zijn voor de gevraagde 146 zitplaatsen buiten het doophek en de kraak. Gelijktijdig vroeg de Hervormde Synodale Commissie bij schrijven van mr. A. Telting toestemming tot het bouwen van een kerk ‘op de Heide’ bij Surhuisterveen, waarvoor een veel eenvoudiger ontwerp was ingezonden met een begroting ‘door den architect Wietsema’ (afb. 4). De hoofdingenieur stelt nu voor dit ontwerp ook te Birdaard uit te voeren. In hetzelfde dossier bevindt zich een brief van architect F. Stoett (waarschijnlijk aan

[p. 7]



illustratie

Afb. 4. Ontwerp door architect Wietsema voor een nieuwe kerk te Surhuisterveen, 1850. Archief Waterstaat; R.A. Leeuwarden.


mr. Telting gericht), waarin deze zegt dat beide plannen zuinig zijn opgesteld en ingaat op de opmerkingen over de fundering, die door de Hoofdingenieur zijn gemaakt. De uiteindelijk te Birdaard gebouwde kerk heeft wel een driezijdige sluiting, zoals het eerste ontwerp vertoont, maar is aan de westzijde van een stenen uitmetseling voorzien als doorlopende westzijde van een forse stenen vierzijdige dakruiter. Mogelijk heeft deze dakruiter, die verwant is met die te Akkerwoude uit 1850 ooit een koepelvormige bekroning gehad, zoals in het eerste ontwerp en zoals ook voor Surhuisterveen (thans Boelenslaan geheten) is uitgevoerd. In 1887 was er in ieder geval reeds een spits, zoals Ad Mulder schetst (schetsboekje xliii, archief r.d.m.z.). Het lijkt er overigens op, dat men in 1851 na de teleurstelling over de ingezonden plannen bij de provincie, bij het nabije Akkerwoude te rade is gegaan en een versoberde uitvoering van die kerk verkozen heeft boven het voorstel van de provincie.

+ Het muurwerk is versierd met een eenvoudige uitgemetselde lijst ter hoogte van de tooggeboorte van de spitsbogige vensterkoppen. De lijst loopt door over de voorgevel, waar twee kleine verdiepingsvensters boven de rondbogige ingang op de lijst aanvangen. Ter wille van de forse uitmetseling in de westmuur zijn de vensters ter zijde smaller dan die in de zijgevels. Door schoudervormige verbreding van de voorgevel maakt deze een forse indruk, die met sobere architectonische middelen verkregen is. Mogelijk heeft men na de afkeuring door de provincie zich te goed geacht voor eenzelfde kerkje als op de armoedige heide bij Surhuisterveen en heeft architect Stoett de hand gehad in de oplossing voor de voorgevel.

Het inwendige is na 1960 gemoderniseerd: de banken met middenpad zijn verwijderd ten behoeve van doorgaande banken met zijpaden; twee overhuifde herenbanken vooraan zijn verdwenen.

+ De kerk bezit:

+ Kansel uit de bouwtijd met snijwerk aan de panelen, stijlen, achterschot en rozet van het klankbord. Aan de kanselkuip gesneden houten lezenaar in de vorm van een grote voluut (afb. 9).

+ In 1973 is het orgel vervangen door één afkomstig uit Kuinre in een 19e-eeuwse kast.

[p. 8]



illustratie

Afb. 5. Plattegrond van de boerderij Groot Wijtsma uit 1792 naar K. Uilkema, voor 1930. Schaal 1:300.


Het is gemerkt Adema Leeuwarden en verbouwd en vergroot door Wilh. Boegen te Amstelveen.

+ Op een nieuw voetstuk staat een koperen doopschaal, xviii-xix.

+ In de consistorie berust een kanselbijbel met illustraties, uit 1748, gedrukt bij Goetzee te Gorinchem.

+ In het torentje hangt een klok met opschrift: ‘Int jaer m d c xxx viii heeft mij Jacob Noteman in Leeuwarden gegoten/Bidt en waeckt d'uure naeckt/dat Godt compt met cracht/te ordelen 's menschen geslacht’.

+ Op de kadastrale minuutkaart ligt de pastorie ten noordwesten van de kerk op een langgerekt terrein, dat tot bijna aan de Ee reikt en mogelijk een van het rechthoekig aangrenzende terrein afgescheiden gedeelte vormt, dat waarschijnlijk tot Wijtsma heeft behoord. In de 18e eeuw is er bovendien een proces over renten uit Wijtsma aan de pastorie (zie onder Groot Wijtsma). In de 19e eeuw had de pastorie voorts een overtuin op het driehoekig gedeelte aan de overzijde van de weg naar de brug. De weg evenwijdig aan de Ee bestond nog niet, slechts een oprit naar de boerderij Groot Wijtsma (afb. 1).

Stins en states

+ In 1417 droeg Eteke, zuster van broeder Gossa, een aandeel in ‘Sirdma gued a Berdawird, stenhuus ende statha ende lond’ over aan het klooster Klaarkamp (Sipma i, 21). Ook Wilke en Beike ‘in de Swarte walda’ onder Hallum verkochten in hetzelfde jaar hun aandeel in ‘Syrsma gued a Berdawerthe, steenhuus enda statha’ aan voornoemd klooster (ib. 22). Het volgend jaar draagt een niet met name genoemd persoon land ‘in Syrdsma guthe’ over aan het klooster (ib. 26) en tenslotte schonken ‘Jaen en Atta al Syerthma gued’ te Birdauwert (ib. 35) dit goed aan Klaarkamp. Geschillen tussen het klooster en Jeppa, Rinka en Bua Wpkazoen Inthinga te Marrum over ‘den sextendeel fan Sidirsma guede to Berdawerth stens ende statha’ werden in 1428 beëindigd (ib. 46). In 1511 is dit goed niet meer als zodanig vermeld onder het bezit van Klaarkamp en is ook overigens niet meer te vinden in gedrukte bronnen. Mogelijk is het identiek met het volgende.

[p. 9]

+ Ten noordoosten van de kerk lag volgens Schotanus Groot Wijtsma. De kadastrale minuutkaart geeft aan, dat de opvaart tot daar reikte. Waarschijnlijk lag Groot Wijtsma op de terp. Thans staat aan de voet van de terp een boerderij van het stelptype, gebouwd omstreeks 1930 en ongeveer noord-zuid gesitueerd. Volgens de kadastrale minuutkaart en de o.a.t. behoorden elf percelen beginnend direct ten oosten van de kerk tot deze boerderij; zij waren toen eigendom van Boersma, landbouwer te Birdaard.

+ In 1511 wordt als eerste grondeigenaar in Birdaard genoemd Oene Wijtsma, die verreweg het meeste land in eigendom heeft (r.v.a. 1., 198, 199). Uit de sententieboeken kennen we Gerrijt, die in 1538 uit zelfverdediging een doodslag had gepleegd (Berns, 18 ww 21) en op Wijtsma woonde. Zijn zoon was in 1578 grietman over Dantumadeel, maar moest wegens het behouden van het oude geloof in 1580 de wijk nemen (Conscriptio Exulum). In ballingschap werd zijn zoon Gerrit geboren, die na terugkeer slechts kort op de state heeft kunnen wonen; hij stierf in 1616 ongehuwd, waarna zijn zuster, gehuwd met Bave van Roorda, de state erfde. Zij waren R.K. en eigenlijk Spaans gezind. Een van Bave's zonen Oene was zelfs kolonel in dienst van de koning van Spanje in 1657.

Na de dood van de laatste zoon van Bave verkochten diens erfgenamen ‘Old Wijtsma State, de adelijcke huizinge, plantagie, swannejacht ende watermullen inbegrepen’ in 1676 aan Jacob Claesen Waelwijck (Berns 64, k 5 f. 211).

In 1698 was Gerrit Hexenius eigenaar, doch woonde er niet. In 1706 was diens weduwe in een proces gewikkeld met de plaatselijke predikant wegens langdurig achterstallige rente uit Wijtsma aan de pastorie (Berns 17, ss 117, 17; vgl. r.v.a. 1., 199). Ook zijn dochter Titia, eigenaresse tot 1788, heeft de state niet bewoond.

+ Volgens een schets door Uilkema van de boerderij Groot Wijtsma (coll. s.h.b.o. Arnhem) was deze 1792 gedateerd. Mogelijk is de state kort na 1788 afgebroken en vervangen door de boerderij, die in deze vorm ook op de kadastrale minuut voorkomt (afb. 1 en 5). Deze boerderij, die omstreeks 1930 vervangen is door de tegenwoordige, stond reeds aan de voet van de terp. De terp zou dan rond 1790 reeds vergraven zijn. De situering van de state direct ten oosten van de kerk pleit ervoor, dat deze state een hoge ouderdom had. Om die reden zou het mogelijk zijn dat de geschiedenis van het hierboven vermelde steenhuis haar vervolg vindt in die van Wijtsma State. Mogelijk heeft de grote rechthoekige kavel tussen de boerderij en de Ee, zoals die op de kadastrale minuut wordt afgebeeld, in de 17e en 18e eeuw als tuinen bij de state gefungeerd (vergelijk ook ‘pastorie’).

 

+ Schotanus geeft ten zuiden van het dorp Klein Wijtsma, daar waar Eekhoff het enige hem bekende Wijtsma aangeeft. In de stukken komt slechts één Wijtsma voor. Het is niet duidelijk hoe Schotanus aan twee adellijke huizen in Birdaard komt. De kadastrale minuut geeft aan de zuidelijke rand van de terp wel een bebouwd terrein aan, door een singel omgeven. Mogelijk lag vanouds hier de boerderij van Wijtsma. In de o.a.t. zijn het terrein en de opstal eigendom van P.S. de Groot, landbouwer te Bornwerd, die geen overige eigendommen in Birdaard heeft.

 

+ Aan de Ee ten westen van de dorpskern ontstond in de 18e eeuw het buiten van de gebroeders Bourboom. De kaart van Schotanus van 1718 geeft het terrein nog als stemmende plaats, het floreenkohier van 1748 noemt voor het eerst burgemeester Jacob Bourboom, Petrus Bourboom en Everardus Bourboom de gezamenlijke eigenaars van een ‘boerderij’. We worden voorts pas weer ingelicht over de buitenplaats als deze verkocht wordt in 1781 (Wumkes i, 321, 323). De ‘zeer vermaakelijcke buitenplaats’ bestaat dan uit ‘een heerenhuizinge, boerewoning met schuure, hovingen, bomen en plantagien’ tezamen ‘leggende in zijn singels en grachten’. Een latere advertentie voegt nog toe dat de hof ‘met kostelijke vrugtboomen’ was beplant en dat er ‘een schoone keukentuin’ bij was en dat op het erf een zomerhuis stond. In 1791 kocht notaris Fr. Bavius uit Leeuwarden alleen de ‘heerenhuizinge’ (Berns 64 k 16, 235), doch in 1798 bood hij deze weer te koop aan (Wumkes i, 429). De o.a.t. noemen Brouwer, boekverkoper te Leeuwarden, als eigenaar van de vier percelen binnen de gracht. In 1828 worden afbraakmaterialen aangeboden (grauwe drielingen en schuifkozijnen), herkomstig van het Slot aan de Ee bij Birdaard, ‘alwaar men dagelijks is aan het afbreken (Wumkes ii, 152). In 1845 wordt er nog bomenboelgoed gehouden op Bourboom (Wumkes ii, 207),

[p. 10]

waarna in datzelfde jaar een nieuwe voorhuizing wordt aanbesteed door Petrus Sinnema (ib. 208) en het buitengoed dus tot boerderij is geworden.

Thans staat er een zeer grote met pannen gedekte schuur, waarin een luxe woonboerderij is getimmerd.

+ Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels bij de kadastrale minuutkaart was de brug toen eigendom van de bakker, die het perceel aan de zuidzijde van de brug bewoonde, dat ook op de tekening van Gardenier Visscher te zien is (afb. 6). Waarschijnlijk bestond er dus verband tussen de brug en een molen aan de noordelijke oever, hoewel de geschiedenis van de in 1972 verbrande molen niet verder teruggaat dan tot 1826 en deze niet op de kadastrale minuutkaart wordt aangegeven (vgl. deel 1, Ferwerderadeel, 54). Tekening van een nieuwe brug in 1853 in deel 1, Ferwerderadeel, blz. 55.

Poldermolen

+ In de ten zuiden van het dorp gelegen voormalige polder genaamd ‘de Olifant’ staat een uit 1856 daterende achtkante molen van dezelfde naam. De molen is eigendom van de stichting ‘De Fryske Mole’ (afb. 12-15).

 

+ Molens van Friesland, 154; Fries molenboek, 152; A. Sipman, Molenbouw. Zutphen 1975, 320, 355; A. Sipman, Molentekeningen. Zutphen 1978, nrs. 71-74; handleiding, 41.

 

+ De molen werd oorspronkelijk in 1856 gebouwd in de Oosterwoldpolder in de provincie Groningen. Ten behoeve van de bemaling van de in 1867 opgerichte polder ‘De Olifant’ werd de molen voor f 2000, - door de gecommitteerden te Groningen aangekocht. De afbraak en herbouw te Birdaard werd uitgevoerd door Wiltje Klases de Vos uit Oudkerk voor f 500, -. De polder is in 1878 uitgebreid. Ten behoeve daarvan zal een nieuwe gietijzeren bovenas zijn aangeschaft, die 1877 is gedateerd. In 1914 is door Kees van Wieren buiten de molen een derde vijzel aangebracht; een zogenaamde inmaler, die tot 1945 in functie is geweest. In 1970 raakte de molen buiten gebruik door de oprichting van het waterschap ‘De Walden’, waarin een in 1920 gevormd waterschap opging. In 1977 is de molen gerestaureerd, waarbij onder meer de volgende onderdelen vernieuwd werden: de gehele staart met uitzondering van een lange schoor, de windpeluw, delen van de vlaamse vang en de beschoeping van de vijzels. Ook vonden herstellingen plaats aan de waterloopmuren en werden onderdelen van de vijzelkommen vernieuwd in hardhout.

+ Het naar binnen hellende onderachtkant is gemetseld van gele baksteen in kruisverband en met de molen op stiepen gefundeerd. In het opgaande werk lopen de stiepen door en zijn ze op de hoeken te zien als pilasters, met ertussen de veldmuren. In het onderachtkant bevinden zich twee tegenover elkaar geplaatste toegangen en twee ovale lichtopeningen. Op de binnenbeëindiging van de stiepen staan de stijlen van het achtkant met ertussen peulhouten; geen ondertafelment dus. Het onderachtkant gaat er buiten langs.

Het grenen achtkant is volgens het algemeen in ons land geldende systeem gebouwd met drie bintlagen. Het achtkant is gedekt met dubbel opschot, bestaande uit een binnenlaag met horizontale en een buitenlaag met verticale delen, beide koud tegen elkander sluitend. De basis van de kap is van eiken, de opbouw bestaat uit diverse houtsoorten, al of niet secundair tijdens herstellingen aangebracht. Over de beschieting van de kap ligt asfaltpapier. De kap is kruibaar op slepers, de staart heeft een kruilier. De eiken lange spruit is middelbalk, eronder ligt een grenen ijzerbalk. Op de baard is geschilderd ‘De Oliefant 1867’.

+ Oudhollands wieksysteem met stalen roeden; vlucht 23,68 m. Gietijzeren bovenas in 1877 gegoten door de firma ‘De Prins van Oranje’ te 's-Gravenhage. De molen is uitgerust met twee vijzels en is dus een zogenaamde dubbele vijzelmolen; hij wordt aangedreven door middel van een spoorwiel. Beide vijzels zijn van hout en liggen in eveneens houten vijzelkommen. De derde vijzel bestond uit een houten as met plaatijzeren beschoeping in een betonnen vijzelkom en werd aangedreven door middel van ijzeren tandraderen. De grootste vijzel kon een tijdlang ook door een dieselmotor worden aangedreven, die bij de restauratie naar de Lekkumer Bullemolen is verplaatst.

[p. 11]



illustratie

Gezicht langs de Ee op de zuidelijke oever van Birdaard. Opname 1984.


[p. 12]



illustratie

Afb. 6. De ‘tolbrug’ over de Ee getekend door J. Gardenier Visscher, eind 18e eeuw.




illustratie

Afb. 7. De kerk van Birdaard volgens een kaart uit 1646 door Occo Jansz. Bockebloet.




illustratie

Afb. 8. De kerk van Birdaard uit 1850 gezien van het westen. Opname 1976.


[p. 13]



illustratie

Afb. 9. De preekstoel in de kerk van 1850. Opname 1976.




illustratie

Afb. 10. Het inwendige van de kerk. Opname 1976.




illustratie

Afb. 11. Een ‘travalje’ bij de hoefsmid te Birdaard, getekend door I. Wiersma in 1906.


[p. 14]



illustratie

Afb. 12. Doorsnede en details van de molen ‘de Olifant’ onder Birdaard, gemeten en getekend door A. Sipman 1951. Naar ‘Molentekeningen’.


[p. 15]



illustratie

Afb. 13. Plattegrond en details van de molen ‘de Olifant’ onder Birdaard, gemeten en getekend door A. Sipman, 1951. Naar ‘Molentekeningen’.


[p. 16]



illustratie

Afb. 14. Molen ‘de Olifant’ in de voormalige polder van die naam, gebouwd in 1856. Opname 1983.




illustratie

Afb. 15. Vijzels van de poldermolen ‘de Olifant’. Opname 1969.