Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 17]

Broeksterwoude

Broeksterwoude is sinds september 1964 een zelfstandig dorp. Voor die tijd viel het dorpsgebied onder Akkerwoude en voor een klein deel onder Murmerwoude. Het dorp vormt met Valom de jongste nederzetting in de gemeente.

Op de Schotanuskaart van 1718 komt ter plaatse van het huidige dorp nog geen bewoning voor. Het zuidelijk deel van Akkerwoude bestond toen nog voor een gedeelte uit onvergraven hoogveen. De naam Broek die op deze kaart voor dit gebied staat aangegeven duidt op het moerasachtige karakter van de grond waar het veen reeds was afgegraven (Teunissen, 168). De turfwinning en het vervolgens in cultuur brengen van de grond vond in de loop van de 18e en 19e eeuw plaats. Rond 1900 zou nog een klein restant van het veen aanwezig zijn (Botke, 41). Het ontstaan van de nederzetting Broek hangt samen met bovengenoemde turfwinning en ontginning. Het dorp wordt in de litteratuur getypeerd als heidedorp. Dergelijke nederzettingen worden volgens Spahr van der Hoek gekenmerkt door een ontwikkeling waarbij in een uithoek van het dorpsgebied op de laatst ontgonnen en minst aantrekkelijke gronden een nederzetting ontstaat, gevormd door veenarbeiders die na de vervening overtollig zijn en achterblijven (Spahr van der Hoek, Samenleven, 143, 144).

Met de ontginning in de 18e en 19e eeuw is het gebied, afwijkend van het oudere, reeds in cultuur gebrachte dorpsgebied, in rechthoekige blokken opgedeeld, waarover de bebouwing grillig verspreid is gelegen. Kenmerkend is dat de woningen vaak midden in het veld zijn gelegen en niet aan het rechtlijnige wegenen padenstelsel. De omvang van de op de kadastrale minuut aangegeven bebouwingselementen wijst aan dat het hier zeer kleine, primitieve woningen betrof, dikwijls uit plaggen opgetrokken. De plaggenhutten zijn pas in het begin van deze eeuw definitief verdwenen en vervangen door eveneens kleine, uit steen opgetrokken woningen of boerderijen. Met deze vervanging is tevens de vrije ligging in het veld verdwenen en heeft deze plaatsgemaakt voor een ligging aan een van de wegen in het terrein. Met de groei van de nederzetting kwamen enkele voorzieningen tot stand zoals de bouw van een school en een kerk in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Aan de hand van de 20e-eeuwse edities van de topografische kaart kan worden vastgesteld dat ter plaatse van de ‘kern’ van de nederzetting de bebouwing verder verdicht is. De opvaart naar het dorp werd in 1948 gedempt.

[p. 18]



illustratie

Afb. 16. Kopie van het kadastrale plan van 1874. Schaal 1:7500.
S: School; N: Naaischool; CG: Christ. Geref. Kerk


[p. 19]



illustratie

Afb. 17. Luchtfoto. Schaal 1:6250 Opname 1977.


[p. 20]

+ De kern van het dorp is ontstaan langs de Broekstervaart, die in 1948 werd gedempt en de naam P. Durkstraat kreeg. Oude prentbriefkaarten geven aan hoe de situatie aan de vaart was (afb. 22). Door de gewijzigde bronnen van bestaan zijn ook de grotere boerenhuizen afgebroken, waardoor de oude situatie nauwelijks herkenbaar is. In de 19e eeuw werd ook hier veel cichorei verbouwd. Tot 1962 stond de laatste cichorei-eest er nog (afb. 271).

+ De Schwartzenberglaan heette voorheen in de volksmond Goddeloze singel. Op de kruising met de Valomstervaart stond het ‘Goddeloze Tolhuis’, kennelijk zo ver van de beschaving verwijderd, dat het deze bijnaam kreeg. Ids Wiersma tekende de situatie in 1908 (afb. 19).

Poldermolens

+ Ten zuidwesten van Broeksterwoude staat in het voormalig waterschap ‘De Broek’ de in 1887 gebouwde achtkante molen, genaamd ‘De Grote Molen’. De molen is eigendom van de stichting ‘De Fryske Mole’ (afb. 18).

 

+ Molens van Friesland, 160; Fries molenboek, 157.

 

+ Gedeputeerde Staten van Friesland besloten op 16 juli 1878 tot het oprichten van het waterschap ‘De Broek’. Het besloeg 1175 pondemaat land. In 1880 werd in het waterschap een molen gebouwd door Oege Plantinga uit Wanswerd. Door blikseminslag verbrandde de molen echter reeds in 1887. Nog in datzelfde jaar werd de thans nog bestaande molen met twee vijzels gebouwd door Gerben van Wieren uit Birdaard. Door ingebruikneming van het stoomgemaal te Zwaagwesteinde in 1926 is het boezempeil verlaagd en moest de vijzel worden ingekort. De molen bemaalde sindsdien 1200 pondemaat polderland. De kleine vijzel is in 1934 verwijderd en overgebracht naar de zogeheten Kleine Molen van hetzelfde waterschap nabij De Valom, die thans verdwenen is. In 1943 is een elektrisch aangedreven centrifugaalpomp geplaatst, waardoor het gaande werk buiten gebruik gesteld werd.

Bij de restauratie van 1959 zijn een nieuwe vijzel en vijzelkom gemaakt. Door de oprichting van het waterschap ‘De Walden’ in 1970 kwam de molen opnieuw buiten gebruik; tijdens een storm in 1972 ontstond grote schade aan de zelfzwichting. Men besloot deze verder te demonteren en in plaats hiervan de roeden met het oudhollandse systeem uit te rusten. Tevens werden de staart, de korte spruit en twee stijlen van het achterkeuvelens vernieuwd.

+ Het vrij hoge onderachtkant is in een rommelig kruisverband gemetseld van gele baksteen en met de molen gefundeerd op stiepen, die op de hoeken als pilasters in het opgaande werk te zien zijn. De veldmuren staan koud tussen de penanten. Tot even boven het maaiveld is een gedeelte van het onderachtkant van de in 1880 gebouwde molen nog aanwezig. Ook de waterlopen dateren nog uit dat jaar, inclusief de wachtdeur van de buiten gebruik gestelde waterloop. Beide en het oorspronkelijke onderachtkant zijn van een kleinere steen gemetseld dan het in 1887 gebouwde gedeelte. De hoekpilasters zijn ook smaller dan die van het huidige onderachtkant. De penanten waarop de stijlen met daartussen de peulhouten staan, behoren echter tot de herbouw.

Het achtkant is met riet gedekt en geheel in ‘meskant’ grenen uitgevoerd, volgens het algemeen in ons land toegepaste systeem met drie bintlagen. De keer- en de meerstijl van het eiken voorkeuvelens zijn vernieuwd. Dit geldt ook voor de windpeluw en voor in ieder geval één van de voeghouten. Volgens de gewoonte van deze streek is echter de grenen lange spruit middelbalk en tevens gebruikt als ijzerbalk. De kap is kruibaar op de slepers, de staart heeft een kruilier.

+ Oudhollands wieksysteem met een vlucht van 22,56 m. De geklonken stalen roeden zijn vervaardigd door de Gebroeders Pot te Kinderdijk. De naam van de fabrikant van de gietijzeren bovenas is door de lange vulstukken niet te zien. De vang is een zogenaamde vlaamse. Het spoorwiel ten behoeve van de oorspronkelijke twee vijzels is nog aanwezig. De vijzel is thans van staal en de vijzelkom van beton.

 

+ In de Broeksterpolder ten noordwesten van Broeksterwoude staat aan de Lits een achtkante molen. De molen is eigendom van de stichting ‘De Fryske Mole’ (afb. 20).

[p. 21]

+ Molens van Friesland, 161; Fries molenboek, 158-159 en daar vermelde litteratuur.

 

+ De molen is in 1876 gebouwd door Wietse Jurjens en Co, het rietdekkerswerk werd uitgevoerd door Sipke Biense Woudstra. In 1911 werd een nieuwe roede gestoken en werden beide roeden uitgerust met zelfzwichting. Een zogenaamde Potroede (van de gebr. Pot te Kinderdijk) werd in 1923 aangebracht en in 1926 maakte de Dokkumer molenmaker Meindert van der Meulen een nieuwe vijzel. De roeden werden in 1937 volgens het door A.J. Dekker ontwikkelde systeem gewijzigd, waarna in 1961 een dieselmotor werd geplaatst. De vijzel moest het volgende jaar vernieuwd worden. De Broekpolder ging in 1964 op in het toen opgerichte Waterschap ‘De Wâlden’, waarna de molen in eigendom overging aan bovengenoemde stichting. Tijdens de restauratie van rond 1975 werden onder meer het bovenwiel met de vang, de roeden en de vijzelkom vernieuwd.

+ Het onderachtkant is in kruisverband gemetseld van gele baksteen en met de molen gefundeerd op stiepen, die op de hoeken als pilasters in het opgaande werk te zien zijn. Aan de binnenzijde van het te lood staande onderachtkant bevindt zich ongeveer halverwege de totale hoogte een versnijding, waarop het ondertafelment rust. Dit is ten behoeve van de doorgangen onderbroken. Het gehele onderachtkant wordt slechts verlicht door een rechthoekig venstertje boven de achterwaterloop. De toegangen staan in de velden evenwijdig met de waterlopen. In het onderachtkant is een vertrekje gemaakt. Het achtkant is met riet gedekt en geheel in grenenhout uitgevoerd en gebouwd volgens het algemeen in ons land toegepaste systeem met twee bintlagen. Voor een ‘volwassen’ molen is hij vrij klein, maar hij kan toch niet tot de zogenaamde boerenmolens gerekend worden, waarvan de vlucht maximaal 16,50 meter meet. De kapspanten, uitgezonderd de grenen haanhouten en de gordingen zijn van eikehout. Het grenen achterkeuvelens is nog origineel, het voorkeuvelens is ooit op een rommelige wijze vernieuwd. De lange spruit is evenals de korte spruit, bestaande uit een 1-profiel, volgens de gewoonte van deze streek middelbalk en is tevens als ijzerbalk gebruikt. De kap is kruibaar op slepers, de staart heeft een kruilier.

+ Oudhollands wieksysteem met gelaste stalen roeden, fabrikaat Bremer te Adorp, met een vlucht van 16,78 m. De bovenas is ten behoeve van de voormalige zelfzwichting doorboord. Voor verzwaring tegen ‘opwippen’ is om het einde van de bovenas een grote betonnen manchet aangebracht. De vijzel is van staal, de vijzelkom van hout en de waterlopen zijn van beton.

[p. 22]



illustratie

Afb. 18. Poldermolen, de zogenaamde ‘grote molen’ aan de Burg. Nautaweg. Opname 1982.




illustratie

Afb. 19. Het ‘Goddeloos Tolhuis’ aan de Valomstervaart aan het einde van de Goddeloze Singel, later Schwartzenbergsingel genaamd, getekend door I. Wiersma in 1908.


[p. 23]



illustratie

Afb. 20. Poldermolen aan de Lits. Opname 1982.




illustratie

Afb. 21. Boerderij onder Akkerwoude, afgebroken plm. 1960, naar foto collectie Oudheidkamer Dantumadeel.




illustratie

Afb. 22. Gezicht op de Broeksterwoudstervaart naar prentbriefkaart in collectie Oudheidkamer Dantumadeel.


[p. 24]



illustratie

Gezicht bij de brug naar het natuurgebied bij ‘het Goddeloze Tolhuis’. Opname 1984.