Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 199]

Veenwouden

Het dorp ligt in het zuidelijk deel van de gemeente op de rand van de hoger gelegen pleistocene gronden die in zuidoostelijke richting hun vervolg vinden in de Friese Wouden. Ten noorden van het dorp bevinden zich uitgestrekte laaggelegen gronden die aan de oostzijde begrensd worden door de Dokkumer Wouden en aan de westzijde door de Trynwâlden.

Veenwouden bestond eertijds uit twee nederzettingen met elk een eigen kerk, het uit 14e-eeuwse bronnen bekende Eslawald en St. Johanneswald.

De kerk van St. Johanneswald lag ter plaatse van de huidige kerk van Veenwouden. Op ongeveer anderhalve kilometer ten zuidwesten hiervan lag de kerk van Eslawald. Op de Schotanuskaart van 1644 wordt hier een ‘vervallen kerk’ aangegeven, latere kaarten noemen een vervallen kerkhof.

In de huidige landschappelijke situatie is nog te zien dat de verdwenen nederzetting Eslawald op de rand van de hoger gelegen gronden lag; in westelijke en noordelijke richting helt het terrein af. Door toegenomen wateroverlast, veroorzaakt door bodemdaling ten gevolge van de turfwinning die hier op uitgebreide schaal plaatsvond, is de bewoning hier opgegeven. Rond 1500 zou de samenvoeging van beide nederzettingen tot Veenwouden hebben plaatsgevonden, hoewel Eslawald naderhand nog een enkele maal in de bronnen wordt genoemd (Van der Molen, Turf, 38).

De meervoudsvorm van het onderdeel -woud in de plaatsnaam is illustratief voor de samenvoeging. Met de vorming van een nieuwe administratieve en kerkelijke eenheid is de bewoning van Eslawald vermoedelijk naar hoger gelegen gronden in het zuidelijke verlengde van de opstrekkende verkaveling opgeschoven. Uit deze bewoning, tegen de grens van de gemeente Tietjerksteradeel, is Veenwoudsterwal ontstaan. De Schotanuskaart laat voor Veenwouden zien dat het dorpstype, waarbij de bewoning langs één weg is gelegen, overeenkomt met dat van de dorpen in de Dokkumer Wouden. De omvang is echter nog zeer gering en verspreid aan deze weg gelegen. Ruim een eeuw later heeft zich, blijkens het kadastrale minuutplan van omstreeks 1830, bij de kruising van deze weg en de Veenwoudstervaart een kombebouwing ontwikkeld. Het dorp kende in de 19e eeuw een bescheiden marktfunctie (Hepkema, 363).

Aan de westzijde werd de dorpskom begrensd door de Schierstins, sinds 1439 een uithof van het onder Rinsumageest gelegen klooster Klaarkamp. Dit klooster had evenals andere noordoostfriese kloosters grote belangen in de turfwinning in het grensgebied van Dantumadeel en Tietjerksteradeel.

Via de Veenwoudstervaart, het verlengde daarvan, de Schiersloot en de Galgesloot stond de uithof in een tamelijk directe, 9,5 kilometer lange verbinding met het klooster.

In de 19e eeuw werd de verkeersfunctie van toenemend belang voor het dorp. In 1830 was de zuidelijk van het dorp gelegen weg tussen Leeuwarden en Groningen verhard. De aansluiting van Dokkum en de Dokkumer Wouden op deze weg verliep via Veenwouden en tot 1850 via Veenwoudsterwal. In laatstgenoemd jaar kwam de verharde weg van Dokkum via Bergum naar Heerenveen gereed, die vanaf Veenwouden een nieuw tracé in zuidelijke richting kreeg. In 1866 werd

[p. 200]



illustratie

Afb. 274. Kopie van het kadastrale minuutplan van omstreeks 1820. Schaal 1:7500.


direct ten zuiden van de dorpskom de spoorlijn tussen de beide provinciehoofdsteden aangelegd, waaraan Veenwouden een halteplaats kreeg. Om de trein beter bereikbaar te maken voor de bewoners uit de omgeving werd in 1880 een tramverbinding tussen Dokkum en Veenwouden aangelegd. De aanwezigheid van de spoorlijn heeft de vestiging van forensen en renteniers op gang gebracht, zoals nog valt af te lezen aan de bouw van enkele villa's in het dorp.

De spoorweg is voorts bepalend geweest voor de ligging van de zuivelfabriek ‘Freia’ die in 1879 werd gebouwd. De gunstige verkeersligging van het dorp heeft in de 20e eeuw tot een aanzienlijke toename van de woonbebouwing geleid. In de daardoor ontstane plattegrond is de historische structuur nog slechts met moeite te herkennen, zoals blijkt bij vergelijking van het kadastrale minuutplan en de recente luchtfoto.

 

Het ten zuidwesten van Veenwouden, deels in Tietjerksteradeel gelegen Veenwoudsterwal

[p. 201]



illustratie

Afb. 275. Luchtfoto schaal 1:6300. Opname 1977.


wordt op de oudste editie van de Schotanuskaart vermeld als Diepswal. De nederzetting bestond uit aan weerszijden van een vaart gelegen bebouwing. Deze heeft zich in de loop van de 19e en 20e eeuw nog enigszins verdicht. Aan de noordzijde van de vaart is deze bebouwing door een weg van het water gescheiden, aan de zuidzijde grenzen de huiserven direct aan het water.

Het ontstaan van de nederzetting is wellicht het gevolg van verplaatsing van de bewoning uit het noordelijker gelegen Eslawald. De verdere ontwikkeling komt voort uit de turfwinning die in het grensgebied van Dantumadeel en Tietjerksteradeel uit de 15e eeuw bekend is en tot in de 19e eeuw voortduurde (Botke, 420).

[p. 202]



illustratie

Afb. 276. Kopie van het minuutplan van omstreeks 1820 van Veenwoudsterwal en het voormalige kerkhof van Eslawald (K). Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 277a. Luchtfoto van het voormalige kerkhof van Eslawald en omgeving. Schaal 1:6250. Opname 1977.




illustratie

Afb. 277b. Luchtfoto van de Veenwoudsterwal. Schaal 1:6250. Opname 1977.


[p. 203]

Kerkelijke gebouwen

+ Op een ruim terrein ten zuidoosten van de Schierstins en aan de overzijde van de weg, die de verbinding heeft gevormd van Drachten naar Dokkum, staat de Hervormde kerk. De weg loopt haaks op de verkaveling van de venen. Doordat de kerk zuiver georiënteerd staat, is haar situatie ten opzichte van de weg onregelmatig. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (afb. 278, 284-285, 287).

 

+ r.v.a. 190; Benef. 210; r.v.g.o. 162; Charterb. 1, 538; S.A. Waller Zeper in Vrije Fries 1916, 164; Colmjon, Reg. 375.

+ Tekening door J. Stellingwerf in collectie Fries Museum (afb. 284).

 

+ De kerk is blijkens ankers op de toren in 1648 gebouwd. De aard van het metselwerk is daarmede in overeenstemming. Sedert de 16e eeuw wordt een kerk van Veenwouden vermeld. In 1387 en in de 15e eeuw komt ook de plaatsnaam Eslawald voor, die in 1450 genoemd wordt naast Sint Johanneswald, dat als oudste naam van de parochie aangenomen wordt. Een oud kerkhof wordt aangegeven op de kaart van Schotanus als ‘vervallen kerck’. Zowel het oude kerkhof, dat ongeveer een kilometer westwaarts ligt, als het tegenwoordige, zullen oude kerkplaatsen zijn.

+ De kerk is opgebouwd uit baksteen, groot 20,5 - 22 × 4,5 cm, 10 lagen 65 cm, in kruisverband. De toren bestaat voor het benedenste gedeelte uit herbruikte kloostermoppen voor het binnenwerk en bovenaan uit baksteen van het formaat van het schip van de kerk.

+ Het eenbeukige kerkgebouw heeft een ingebouwde westtoren. Het torenlichaam rust op twee bakstenen zuilen met door lijsten aangegeven kapitelen. De zuilen zijn aan de oostzijde verbonden door een geprofileerde korfboog en staan op rechthoekige, aan de bovenzijde tot achtkanten afgeschuinde basementen. De boog en de kapitelen zijn thans door middel van bouwplaat aan het gezicht onttrokken. Ter hoogte van de balklaag die in de eerste versnijding rust, is in de oostwand een grote rechthoekige doorgang geweest, die dichtgezet is, toen in het schip een tongewelf werd aangebracht. Als toegang tot de kap is een klein kruipgat boven de tweede versnijding gehakt. Het eerste kapgebint is in de oostmuur van de toren opgenomen.

+ In de 55 cm dikke muren staan aan de lange zijden telkens drie spitsboogvensters met rechte dagkanten, aan de noordzijde geprofileerd met een kopse sprong. In de vensters staan jongere houten ramen. Aan de koorzijde zijn later wegens het orgelbalkon lagere vensters ingehakt met gietijzeren ramen. De toegang aan de westzijde onder de toren is korfbogig gesloten. Als dorpel dient een rood zandstenen sarcofaagdeksel, dat blijkens wijdingskruisjes later als altaartafel heeft dienst gedaan.

+ De ruimte wordt overdekt door een laag tongewelf, dat opgaat van een verbrede voorlijst rustend op de trekbalken, die om de andere afgezaagd zijn met een vloeiend profiel. De trekbalken rusten op kleine consoles.

Aan de oostzijde is ten behoeve van het orgel (door Bakker en Timmenga) opnieuw een trekbalk verwijderd. De kap van grenenhout kan uit de bouwtijd dateren.

+ De in 1648 gebouwde kerk moet in de loop van de 18e of begin van de 19e eeuw van een nieuwe overwelving over het inwendige zijn voorzien; ook de ramen met hun kleine roedeverdeling maken een 18e-eeuwse indruk.

+ De kerk bezit:

+ Een eiken preekstoelkuip met Ionische zuiltjes aan de hoeken, in oorsprong xvii, doch gewijzigd aan de kroonlijst (afb. 287).

+ Een doopbekkenhouder aan standaard; als schaal een offerschaal blijkens inscriptie: ‘Voor de diakonie Veenwouden 1842’.

+ Twee koperen kronen waarvan het opschrift luidt: ‘Tot sieraad en gebruik voor den Avondgodsdienst strekt deze gedachtenissekroon. Wijlen Fokje Schreuder Huisvrouw van Johannes Folkertsma, geboren tot Sneek den 7den Augustus 1728 en overleden den 10 November 1808 in den ouderdom van 80 jaren 3 maanden en 3 dagen en legt alhier begraven’. En: ‘Tot sieraad en gebruik voor den Avondgodsdienst strekt deze kroon ter gedachtenis van de Eerwaarden Heer Johannis Folkertsma, in leven eerste predikant aan deze plaatse van den jare 1755 tot den jare 1790 geboren te Bolsward de 28 Januarij 1722 en overleden den 23 Maart 1812 in hogen ouderdom van 90 jaren 1 maand en

[p. 204]



illustratie

Afb. 278. Hervormde kerk en toren. Plattegrond en doorsneden en detail trekbalk en console. Getekend 1982 naar opmetingen 1976.


24 dagen en legt alhier begraven’ (eerste predikant van de zelfstandige gemeente; tot 1755 was Veenwouden gecombineerd met Akkerwoude).

+ Vier tekstborden met in vergulde letters geschilderde vrome dichtregels, xixa.

+ In de toren hangt een klok, diam. 70 cm. Opschrift: ‘Jan Crans me fecit Enchuseae Anno Domini m d cc xv en Den Hoog welgeboren Heer Georg Wolfgang/Vrijheer tot Schwartzenberg en Hohenlandsberg/Extraordinaris Gecommitteerde ter Vergaderinge/ van Haer Hoogmogende en Grietman over Dantumadeel/Mits gaders gevolmachtigde ten Landsdage den 11 october Ao 1715. Paulus Gerleus/Meede Kerckvooght/van den dorpe/Feenwolden/Harmannus Mellema leytenant Collonel ten dienst/van den lande derecteur van de fortificatien van den Staat/der Vereenigde Neederlanden capitain van een compagnie voetknegten int regiment van de Heeren Prince van Orangien en Nassauw etc./Kerkvoogd van den dorpe Feenwouden den 21 october Ao 1715’.

Wapens Schwartzenberg en Mellema.

+ Ten westen van de kerk staat aan de weg een brede lage woning, waarachter de als schuur in gebruik zijnde voormalige school (afb. 288). In de voorgevel van het woonhuis is op een willekeurige plaats naast de ingang de gevelsteen van de schoolmeesterswoning gevat (afb. 286). Opschrift: ‘Wat natuur ons schenkt voor gaven/Onderwijs moet die beschaven/Dit geeft meer dan 't levensligt/Daarom wierd dees school gestigt/De Eerste steen is gelegt den 28 julij 1776 door Daniel Gerdes Manger’. In het schuurgedeelte venster met kleine roedeverdeling en een ingang. De inrit aan de straat is kennelijk later ingebroken.

+ Ten noorden van Veenwoudsterwal aan de weg van Drachten naar Dokkum staat bij de spoorwegovergang op een ruim terrein de Doopsgezinde kerk (afb. 289-290).

+ Volgens Blaupot ten Cate is de gemeente van Veenwoudsterwal gesticht tussen 1600 en 1620 (p. 305). Het is steeds een kleine gemeente gebleven en was aan de zuidzijde van de vaart gehuisvest in een later tot woning verbouwde ruimte.

In 1865 is door ds. H. van Calcar de eerste steen gelegd voor een nieuw gebouw aan de weg van Veenwouden naar Bergum. Naast de kerk kwam de pastorie, beide door een ruime tuin omgeven.

[p. 205]

+ Het zaalvormige gebouw heeft aan de straatweg een gevel die geleed is door drie rondbogig omlijste vensters, waarvan de middelste boven de ingang in een licht voorspringend risaliet staat. Dit is bekroond door een kleine dakruiter steunend op een uitmetseling in de gevel als in de Hervormde kerk te Dokkum. Door een latere naar voren overkragende daklijst is de architectonische functie van de dakruiter vervallen. Inwendig is aan de ingangszijde een orgelbalkon bewaard op gietijzeren omrankte kolommen. In de doorgang hangen koperen consolevormige collectebussen, mogelijk nog uit de vorige kerk afkomstig (afb. 289).

+ Naast de kerk staat de landelijke pastorie, een vrijwel vierkant gebouw zonder verdieping met een stenen topgevel boven de ingang in het midden en uitgegronde met stucwerk gevulde hoekpilasters. Boven de grote vensters lopen soortgelijke bogen als boven de vensters van de kerk. De woonhuisvensters zijn echter rechthoekig met afgeronde hoeken; de indeling met roeden van de vensters is nog niet zo lang geleden vervangen door grote glasruiten die de gevel kaal maken. Op de hoeken van het gebroken dak staan vier hoekschoorstenen met borden.

Kloosteruithof

+ De zogenaamde Schierstins is een middeleeuws verdedigbaar gebouw met jongere aanbouwen, dat aan de noordzijde van de rijweg ligt, waartoe in 1725 octrooi werd gegeven (v. Apeldoorn ii, 40). Volgens de kaarten van Schotanus-Halma en Eekhoff maakte de weg westelijk van het terrein van de stins een haakse hoek, om 50 meter noordelijk voort te gaan in de richting van het voormalige kerkhof van Eslawald. Ter plaatse van de tegenwoordige weg liep slechts een pad, dat op de kaart van Schotanus-Halma nog niet getekend is. De gebouwen zijn sedert 1953 eigendom van de gemeente (afb. 279-281, 291-301).

 

+ r.v.a. i, 190; Schotanus, Beschrijvinghe 196; S. Koldijk in: Bouwwereld 1906, 310 en 324; Bulletin k.n.o.b. 1961, 54; Leeuwarder Courant 1961, 25 maart; Mol, Grootgrondbezit, 93; P.J. Schelwald, De Schierstins, Wouterswoude 1980.

+ Sipma 1, 77 (= Charterb. 1, 518) en 347; Rapport en schetsen Ad. Mulder 1904-16, archief Binnenl. Zaken (Rijksadviseurs), a.r.a. Den Haag; historisch-bouwtechnisch rapport W.J. Berghuis 1961, archief r.d.m.z. Zeist.

+ Tekeningen door J. Stellingwerf, 1724; id. door dez. met onderschrift ‘de oude schierstins in Dantumadeel 1723’; twee tekeningen door A. Martin met verschillende stoffering (afb. 295-297); steendruk door S. Lankhout naar P.A. Schipperus, gezicht van het noordwesten, alle in coll. Fries Museum, Leeuwarden.

 

+ Uit een oorkonde van 1436 (Sipma 1, 77) blijkt dat de Schierstins, ‘heten nu itta Schiera Monnika huse in Sinte Johanniswald’, te voren door ruil aan het convent van Klaarkamp was gekomen en voordien ‘Idszengha gude’ heette. Of er voor de ruil reeds een gebouw op stond of dat de monniken dit hebben gebouwd, is niet uit de oorkonde op te maken. Vermoedelijk is echter elk goed in deze voor Friesland zo roerige periode verdedigbaar geweest en hebben de monniken de landerijen met het steenhuis verworven, zoals ook uit de bouwgeschiedenis zal blijken. Oorkonden van 1482, 1486 en 1487 (Sipma 1, 321, 347. 353) spreken van de hofmeester van Klaarkamp, die ‘op de Schierstins op het veen’ woont. In 1511 blijkt een derde deel van de aanbreng van Veenwouden aan de hofmeester van Klaarkamp te behoren.

Rond 1580 vervielen de kloostergoederen aan de Staten van Friesland. Zij verkochten 19 juni 1596 aan Aelcke Gerritsdochter, weduwe van Jacob Clases ‘seeckere huijsinge ofte stins voormaels behoort hebbende onder den gewesene convente Claercamp staende inden dorpe Feenwolden genaempt claercamper schierstins mette grond vant viercant ende de geboomte ofte plantagie daer binnen staende, sampt oock d'eijgendum vande gracht ende het geboomte ende plantagie buijten opte cant ofte wal staende’ (Dokkum en Klaarkamp xvii, 17, gegeven P.J. Schelwald). Aeltje Gerrits had dit goed toen in gebruik. In 1638 lieten de Staten onder meer de helft van de landerijen van de Schierstins, bij Wijtse Martens in gebruik, verkopen. Kopers werden Riverdt van Juckema, Gabbe Wijgers Botma (dijkgraaf en gehuwd met Maijke Domans) en Andreas Domans (gehuwd met Trijntje Haie), ieder voor een derde deel. In het stemkohier van 1640 is R. Juckema eigenaar; twee jaar later verkoopt zijn weduwe Maria Tjaerda haar

[p. 206]



illustratie

Afb. 279. De Schierstins, een 13e-eeuwse stins of steenhuis, dat zijn naam ontleent aan de grijze kleur van de kleding der conversen (niet geprofeste bewoners) van het Cistercienserklooster Klaarkamp, dat de toren in 1439 verwierf.
Plattegronden van de toren en de latere aanbouwen vóór (beneden) en na de restauratie (boven) en doorsnede na de restauratie. Tekening 1982 naar opmetingen 1950 en 1961.


derde deel aan de mede-eigenaars. Ten behoeve van een proces met de mede-eigenaars liet Andreas Domans in 1645 een kaart tekenen en merkt bij de beschouwingen op dat hij na aankoop in 1638 ‘de boulanden met boomen beplant, de wech verlecht ende het hornleger nae sijn appetijt met cingels en boomen versien (had)’ (Berns 18, ww 38). Een dochter van Andreas Domans huwde in 1661 dr. Petrus Mellema, waardoor het goed in handen van die familie kwam, die het volgens Stellingwerf in 1723 nog bezat en in de toen met aanbouwen uitgebreide stins woonde.

In 1698 zijn de drie zoons van Sophia en Petrus Mellema eigenaars van de stins en twee zaten lands berechtigd met een stem; Andreas woonde er. Hij was gehuwd met Elisabeth Balck en daar zijn zaken niet goed gingen maakte het paar in 1705 een boedelscheiding, waarbij Elisabeth een derde deel kreeg. Daar zij Andreas in 1705 uit schuldgijzeling moest vrijkopen, zag zij zich gedwongen op den duur in 1711 haar derde deel over te doen aan haar zwager, overste Hermannus Mellema. De bezitting wordt dan begrensd door de Bergumerheide, een rietland respectievelijk ten zuiden en ten noorden, en bevat

[p. 207]

een hoving ‘over de rijdwegh’. In 1718 wordt ‘de Lieutenant Kolonel’ als bewoner genoemd. In 1715 staat hij als kerkvoogd op de torenklok vermeld. De belasting staat tot 1756 op naam van zijn weduwe, die eind 1755 stierf. De huurwaarde is gering en na 1750 wordt het schoorsteengeld zelfs teruggebracht van twee tot een schoorsteen. Het huis vererfde op hun dochter, gehuwd met prof. Gerdes, die in 1764 overleed. Uit een aantekening in het stemkohier lezen we dat W. Bergsma in 1768 tegen het stemrecht van de weduwe Gerdes bezwaar maakt, daar het huis lang voor 1748 op een ‘koude stee’ was gebouwd, na afbraak van het oude huis op het oorspronkelijke hornleger. Mevrouw Gerdes woonde te Leeuwarden en verbleef slechts 's zomers op haar buitenplaats (Berns 17, ss 960-9). Haar dochter huwde prof. Manger, theoloog aan de Universiteit van Franeker en hun schoorsteengeld betreft in 1786 weer twee schoorstenen; in 1788 wordt de getaxeerde huurwaarde verdubbeld. Prof. Manger wordt in 1794 nog als eigenaar genoemd, doch hij was in 1792 overleden. In 1793 wordt er dan ook geen have meer aanwezig vermeld, waarna in 1795 het huis weer bewoond wordt met drie personen, te weten Daniel Gerdes Manger met echtgenote en schoonmoeder. In 1792 wordt een hovenier ‘op het slot van mijnheer Manger’ als lidmaat van de kerk vermeld en in 1809 is dat Dirk Treklof.

In 1814 bieden Daniel Gerdes Manger en zijn vrouw het goed in openbare verkoop aan en wordt het goed eigendom van Thijs Feenstra, burgemeester van Leeuwarden. Deze bezit het tot 1833, wanneer het goed opnieuw onder de hamer komt. De omschrijving geeft de informatie ‘voorzien van een grotendeels vernieuwd huis, waarin 9 kamers’. Wegens te laag bod gaat de verkoping niet door en zijn dochter Geertruida, gehuwd met dr. David Spree blijft er wonen. Haar zoon is tot 1858 arts te Veenwouden en verkoopt het huis in 1857 om het zes jaar later weer terug te kopen. Hierna doet zijn weduwe het in 1871 over aan B.Th. baron van Heemstra, waarna het huis toch terug komt aan een lid van de familie Spree, gehuwd met mr. Van Doorninck. De emotionele banden met het huis zijn evenwel de verzorging niet ten goede gekomen. Op den duur werd de toren niet meer onderhouden en in 1906 wist het Fries Genootschap na het eigendom verworven te hebben een restauratie tot stand te brengen onder leiding van architect Koldijk naar tekeningen van Ad. Mulder. Particulieren en de Rijksoverheid droegen bij in de kosten. Het Genootschap bedong dat er de eerste twintig jaar niets gewijzigd mocht worden aan het gebouw. De marechaussee werd gebruiker van de aanbouwen; een plan voor ingrijpende verbouwing daarvan in 1913 vond geen doorgang. De tekening ervoor berust in de collectie van het Fries Museum.

In 1916 ging het eigendom van de stins en bijgebouwen over aan het Popta Gasthuis en in 1953 aan de gemeente Dantumadeel, die op haar beurt in 1961 een restauratie van het complex ondernam om de bijgebouwen tot cultureel centrum in te richten. De leiding werd aan architect Baart jr. toevertrouwd. Tijdens de werkzaamheden werd rond de toren een bodemkundig onderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat de toren nimmer in het water heeft gestaan, doch op een hoogte stond, die later is afgegraven tot op het tegenwoordige peil. Slechts de hoekgedeelten van de muren zijn tot op het zand gefundeerd; zij waren bovendien in leem gemetseld, daar het metselwerk onder de grond kwam. De berm van de ringsloot, die aan drie zijden nog aanwezig is, ligt nagenoeg op de plaats waar deze na voltooiing van de toren is aangebracht.

Vóór de restauratie van 1906 had de toren op de eerste verdieping aan de westzijde twee vensters en aan de noord- en zuidzijde ieder een. Op de tweede verdieping was aan de noord- en zuidzijde nog telkens één venster. Het benedenste venster aan de zuidzijde had nog zandstenen kozijnen en een middendorpel. Dit werd als voorbeeld genomen voor alle vensters. De buitenhuid van de westgevel stortte in (afb. 292) en werd in nieuw gebakken handvormsteen bemetseld. De restauratie van 1962 bracht de toren bij benadering terug in de middeleeuwse toestand, doordat de vensters werden gedicht. Het stenen kruiskozijn dat in 1906 in de zuidelijke gevel werd aangetroffen, werd nu naar de noordzijde verplaatst. Zo veel mogelijk aangetroffen (schiet)spleten werden geopend. In de dichting van de noordelijke grondboog kwam een houten toegangsdeur, zoals voor 1906 aan de zuidzijde was geweest (afb. 297). De indeling van de bijgebouwen werd gewijzigd en in de vensters kwam een kleine roedeverdeling. Naar de oorspronkelijke indeling van de bijgebouwen is geen bodemonderzoek ingesteld.

+ De toren gaat uitwendig onversneden op en was tot 1962 aan de oostzijde van de jongere bijgebouwen uit toegankelijk. De oorspronkelijke toegang op de verdieping aan

[p. 208]

de noordzijde is bij de restauratie in 1962 heropend en via een houten buitentrap bereikbaar gemaakt. De overeenkomstige toegang aan de zuidzijde werd terugliggend gedicht. De oostzijde is thans gesloten. Inwendig is de toren versneden bij de eerste balklaag, waaronder de begane grond door twee evenwijdige gewelven is overkluisd.

+ Tot een hoogte van omstreeks 8 meter bestaat het muurwerk van de noord-, zuid- en oostzijde uit grauw-rode baksteen van 7,5-8 × 31-31,5 cm, 10 lagen 92 cm, verwerkt in verband van twee strekken, een kop. Daarboven volgt een strook van ongeveer 1,5 meter hoogte uit rodere steen van 8 × 28,5-29 cm, 10 lagen 91 cm, waarboven de hoogste 2,5 meter van zeer harde geel tot paarse steen in onregelmatig verband, 10 lagen 91 cm. De westmuur is in 1906 bemetseld met nieuw gebakken handvormsteen. Inwendig is de begane grond gemetseld met grote baksteen, 28,5-33 × 8,5 cm, 10 lagen 96 cm; het gewelf bestaat uit steen van 7 × 26 cm.

+ Het vloerpeil van de begane grond ligt ca. 35 cm onder het maaiveld. In de wanden stonden slordig met leem gemetselde grote rondbogen, geleed in sprongen, twee aan de buitenzijde en drie aan de binnenzijde; de resterende boog rust op impostlijsten. Bij de laatste restauratie zijn de bogen regelmatig gemaakt. Naar uit de fundering bleek zijn de bogen later dichtgezet met bijpassend materiaal. De oostelijke boog was doorbroken door een deuropening, die verbinding gaf met het aangrenzende gebouw. Naast deze trap is een smallere trapaanzet gevonden, die mogelijk in de nu verstoorde zuidoosthoek naar de eerste verdieping leidde. Het binnenmuurwerk is geheel bemetseld met afbraak mopsteen, verwerkt met dikkere voegen dan buiten en hogerop van harder gebakken mopsteen; het gewelf bestaat echter uit kleinere steen. Tijdens de restauratie is gebleken dat het muurwerk achter deze klamp zeer slordig was uitgevoerd en inwendig alleen gestapeld was. Onder de beide gewelfschelpen, die in het midden op een gordelboog rusten, staan aan de korte westzijde een en aan de beide langgevels telkens twee spleten, die binnenwaarts zich sterk verbreden en met een profiel omgeven zijn, dat ontstaat uit de hoek die de dagkant met het omringende muurwerk maakt.

Boven langs de bogen loopt een platte laag. Wij nemen aan dat wij hier met schietspleten te doen hebben die bediend konden worden, zolang de begane grond dicht onder deze spleten lag, daar immers de bogen in de grond van een opgeworpen heuvel stonden. Balkgaten van een houten vloer ontbreken dan ook. De vloer zal van leem geweest zijn. Boven de doorgang aan de oostzijde was een vroegere doorgang, die in verbrede vorm voor de restauratie nog aanwezig was. Deze is bij de laatste restauratie in een schietgat gewijzigd.

+ De muren van de ruimte tussen de eerste en tweede balklaag bleken geleed te zijn geweest door spaarbogen, drie aan de lange zijden, twee aan de korte en gescheiden door een steen brede dam. Zij zijn thans wederom aangebracht. De middelste van de nissen aan de lange kant bevatte een doorgang, inwendig een steen terugspringend ten opzichte van de achterwand van de nissen en uitwendig met een sprong van een halve steen. Zowel aan de noord- als aan de zuidzijde waren de deuren vergrendelbaar door een sluitboom. De noordelijke toegang is nu weer in functie gesteld na verwijdering van een klein tweelichtkozijn met luiksponning in de benedenhelft. Aan de zuidzijde was in de toegang een schouw gebouwd met twee lampnissen ernaast (afb. 299). In de westelijke grote nis was later het natuurstenen tweelichtkozijn geplaatst, dat in 1906 als voorbeeld diende bij het herstel van een aantal toen aangetroffen vensters. In de oostgevel bevindt zich nog een kleine schietspleetvormige opening, uitwendig binnen een spitsboog gevat. De zoldering rust op een bij de restauratie vernieuwde balklaag op sleutelstukken met peerkraalprofiel, die een oudere, 35 cm lager op een versnijding rustende balklaag vervangt.

+ In de wand van de tweede verdieping waren tijdens de restauratie de sporen zichtbaar van afgehakte muraalbogen, rondbogig tegen de korte zijden en twee onregelmatig gevormde tegen de lange zijden. In de oostwand is een nis afgedekt door een segmentboog waarover een platte laag loopt. In de nis een opening, die gesloten kon worden door middel van een luik en een sluitboom, wellicht om een vuurbaak buiten te hangen (vgl. toren Holwerd) voor hen die in de venen de weg bijster geworden waren. In de noorden zuidwand staan twee rechthoekige spleten midden onder de boogsporen; die aan de noordzijde hebben rechte dagkanten, die aan de zuidzijde toelopende kanten en een profiel als die boven de begane grond.

Boven de bogen loopt ook hier een platte laag. De bogen zijn hersteld bij de restauratie.

[p. 209]

Aan de noordzijde staat tussen de muraalsporen thans het rechthoekige natuurstenen kozijn. In het bovenste gedeelte muurwerk vertonen zich rechthoekige uitsparingen opgaande van een vloer waarvoor geen balkgaten gevonden zijn, dus die uit aarde bestaan kan hebben boven de gewelven, waarvan de muralen te zien zijn. In de uitsparingen zullen schietgaten gestaan hebben, waarvan er twee bij de restauratie hersteld zijn. Volgens de opmeting van Ad. Mulder was er geen afsluitende lijst boven langs het muurwerk.

+ De toren moet aanvankelijk op een kleine aarden heuvel gestaan hebben rustend op grondbogen. Mogelijk was een tongewelf aangebracht boven de eerste serie schietgaten, die van de vlakke heuveltop te bedienen waren. De toegang moet zich aan de oostzijde bevonden hebben op de hoogte van die heuveltop. De verdieping was van de heuvel af waarschijnlijk via een ladder bereikbaar door toegangen aan de noord- en zuidzijde. Inwendig waren de wanden daar door nissen geleed; de ruimte was vlak gedekt. Vervolgens is de toren verhoogd en daar ingewelfd, omdat de lage schietgaten geen effect meer hadden. De heuvel is toen weggegraven en de bogen zijn gedicht. De nieuwe begane grond werd ingewelfd, waartoe het inwendige van deze ruimte bemetseld werd. Boven het tweede gewelf kwam waarschijnlijk een aarden vloer om de schietgaten of spiegaten te bedienen die daar waren aangebracht. Tussen de benedenruimte en de verdieping werd waarschijnlijk een trap gemetseld in de zuidoosthoek.

Na de Hervorming of reeds in de 16e eeuw is de ruimte op de verdieping als woonruimte ingericht door de nissen te verwijderen, een schouw aan te brengen en vensters in de wanden te breken. De bovenste overwelving werd op den duur ook verwijderd en de ruimte hogerop vlak gedekt, terwijl ook in deze verdieping vensters kwamen en het gebouw van een nieuwe kap werd voorzien.

+ De aanbouwen bestaan thans uit een eenheid met verdieping en zadeldak tussen topgevels en twee apart overdekte eenheden zonder verdieping. Deze indeling dateert van 1962, evenals de toegangen aan de zuidzijde en de in de 18e eeuw gebruikelijke roedeverdeling van de vensters. De tekening van Martin geeft geen ingangen, zesruitsverdeling van de vensters en een dakkapel in het midden van de lage vleugel. De plattegrond van voor de restauratie geeft geen bouwmuur tussen de lage vleugel en de eenheid met verdieping; bovendien is tijdens de restauratie waargenomen, dat het oostelijke gedeelte van de zuidervleugel een latere toevoeging is geweest. De Voorloopige Lijst vermeldt dat men in een muurkast in het achterste gebouw een voormalige buitenmuur zag van grote baksteen. Wij komen dan tot een situatie die overeenkomst biedt met de tekening door Stellingwerf (afb. 296), te weten een verdiepingloze aanbouw in west-oostrichting en een vrijstaand gebouw in noord-zuidrichting. Om de verdieping van de stins van binnen uit toegankelijk te maken, zal men de toegangstravee verhoogd hebben; de trap stond bij de aanvang van de restauratie voor het westelijke venster en van het oostelijke was de ingang gemaakt. Vervolgens zal men beide aanbouwen met elkaar verbonden hebben en het nieuwe geheel door een schilddak gedekt hebben. Volgens de gegevens van de bewoningsgeschiedenis moet dit eind 18e eeuw hebben plaatsgevonden onder het echtpaar Manger-Gerdes. De achterbouw met trapgevel zal een latere antiquiserende toevoeging zijn, mogelijk onder Thijs Feenstra. Ook de door Martin afgebeelde vensters met halfronde bovenbeëindiging zijn 19e-eeuws en kunnen tussen 1814 en 1833 zijn aangebracht. Ook de stins had tot 1906 vensters met zes ruiten, zonder de afronding.

+ In de zuidelijke vleugel zijn woonvertrekken aangebracht, in de noordelijke een zaal. In de zaal een schouwomtimmering in rococovormen, afkomstig van een tijdens de restauratie afgebroken café te Paesens (Oostdongeradeel). Het schilderijtje met Chinese voorstelling is van onbekende herkomst (afb. 301). De tegeltableaus daarentegen zijn afkomstig van de boerderij Tjessensweg 3 te Waaxens (Westdongeradeel).

+ De kaart van Schotanus van 1718 geeft twee omgrachte huizen weer en de stinstoren, die van 1664 slechts een symbool voor de edele state. Naast de tekening van de stinstoren met aanbouw en haaks daaropstaand gebouw door Stellingwerf, geeft dezelfde tekenaar een tweede tekening met onderschrift ‘de oude Schierstins’, waarop een gebouw te zien is dat geen verwantschap vertoont met het op de andere tekening weergegevene (afb. 295). Het ziet er met zijn klimmende pinakels 16e-eeuws uit en zou uit dezelfde periode kunnen stammen als de stenen kruiskozijnen van de stinstoren, waarvan er in 1906 nog een over was. Dit zal het gebouw zijn, waarover Bergsma in

[p. 210]



illustratie

Afb. 280. Doorsneden van de Schierstins tijdens de restauratie, ten behoeve van de leesbaarheid minder verkleind dan de overige tekeningen. Getekend 1962 naar opmetingen 1961. Schaal 1:150.


[p. 211]



illustratie

Afb. 281. De plattegronden op de diverse hoogten weergegeven. Schaal als afb. 280. Getekend 1982 naar metingen 1976.


[p. 212]

1768 meldt dat het lang afgebroken was. Mogelijk heeft daar de keller van de Schierstins gewoond en was dat vanouds met een stem berechtigd. Schotanus tekent het stemhebbende gebouw dan ook noordoostelijk van de toren. De aanbouwen aan de toren zullen in de 17e eeuw ontstaan zijn. De toegang was tot 1906 aan de noordzijde van het terrein, dat volgens Stellingwerf en Martin omgracht was. Dit was dus het ‘vierkant’ dat Aelcke Gerritsdr. in 1596 kocht. Waarschijnlijk heeft Juckema in 1640 pas het stemdragende gedeelte gekocht, dat later door de Domansen tot een geheel verenigd wordt. Hierna wordt het oude gebouw afgebroken, wat Bergsma reden gaf het stemrecht aan te vechten. Eind 18e eeuw is het gebouw opgeknapt en is ook de stins weer bewoonbaar gemaakt blijkens de grote ruiten in de vensters (afb. 292).

 

+ Zie schoolgebouw, bij kerkelijke gebouwen.

+ In 1898 is op een ruim terrein en ver achter de rooilijn een grote villa gebouwd, bijgenaamd het slot (afb. 303).

 

+ A. Timmermans en P. Karstkarel, Het Talmahuis te Veenwouden; Stichting Moderne Architectuur Friesland, rapport nr. 9, Leeuwarden 1981.

 

+ De Amsterdamse Doopsgezinde bankier P. de Clercq, die veel grond en boerderijen in Friesland bezat, liet in 1898 als een der eerste ‘forensen’ in Veenwouden een villa bouwen voor zich en zijn gezin. Architect was H.H. Kramer (1850-1934) te Leeuwarden. De Clercq heeft zich naast zijn Amsterdamse functie in Friesland intensief beziggehouden met de Friese taal en het gebruik daarvan. Zijn dochter werd wijkverpleegster en stichtte in het huis later een kliniek. Na het vertrek van de bouwheer naar Zeist is het huis in de jaren dertig in eigendom overgegaan aan de Talmastichting voor bejaardenzorg. Ingevolge de modernere eisen werd in de jaren zestig van deze eeuw een groot complex in staal en glasbouw op het terrein opgetrokken, waardoor de oorspronkelijke villa vrijwel buiten gebruik raakte.

+ De villa staat met de smalle zijde naar de weg en had een drie vertrekken diepe suite aan de westzijde met uitzicht op het gazon en de houtbegroeiing van de tuin; de ingang was aan de andere zijde, waar een lage aanbouw voor afwisseling van de ‘bouwmassa's’ zorgde. De details waren geheel in neo-Renaissance-stijl. Van de inwendige detaillering is niets bekend.

 

+ Aan het oostelijke vervolg van de Hoofdstraat staat nog enige agrarische bebouwing, onder meer een grote boerderij van het stelptype met inrit aan de voorgevel (afb. 307). Deze voor dit gebied uitzonderlijke vorm is mogelijk ontstaan uit het reeds vrij vroegtijdig, midden 19e eeuw, afbreken van het voorhuis. De kadasterminuut geeft hier slechts boerderijen met voorhuis.

 

+ Aan de Veenwoudsterwal staat nog het enige keuterijtje in het dorp. Het rieten dak grijpt aan beide zijgevels over een aanbouw heen. De voorgevel heeft zesruitsvensters en beitelingen langs de zijden van de top waarin zeer kleine lichtopeningen staan (afb. 283 en 302).

 

+ Een tekening in de collectie Openluchtmuseum Arnhem geeft een dergelijke woning weer, die omstreeks 1940 aan de weg naar de Valom stond (afb. 282).

 

+ Villa Eldorado

 

+ P.J. Schelwald in Nieuwsblad van Noord-Oost-Friesland, 31 aug. en 7 sept. 1979.

 

+ Nog voordat de spoorlijn Veenwouden met Leeuwarden en Groningen verbond, was in 1874 aan de verbindingsweg van het dorp met Bergum de villa Eldorado gebouwd voor M. Bokma de Boer en zijn jonge vrouw Gerardina Zaalberg uit Noord-Holland. Na een studiereis naar Denemarken kocht Bokma de Boer in datzelfde jaar nog grond achter zijn huis om een zuivelfabriek te bouwen, die echter pas in 1878 van de grond kwam. Over de fabriek zie hierna.

+ Het blokvormige huis, dat overigens weinig landelijk van architectuur is, staat in een

[p. 213]



illustratie

Afb. 282. Plattegrond, doorsneden en aanzicht van een ‘woudhuisje’ tussen Veenwouden en de Valom gemeten en getekend in 1942 voor de Fryske Akademy; verz. S.H.B.O. Arnhem.




illustratie
Afb. 283. Plattegrond, doorsnede en detail venster van een woudhuisje aan de Veenwoudsterwal 75. Getekend 1982 naar opmeting 1972.


[p. 214]

ruime tuin, die thans fraai met hoog hout begroeid is en met de aangrenzende tuin van de Doopsgezinde pastorie de omgeving beheerst.

+ In de hoek van de Zuiderweg en de Veenwoudsterwal staat een boerderij van het kop-romp-type met een gaaf voorhuis (afb. 306). Er is alleen een voortopgevel, die in een forse schoorsteen eindigt en langs de kanten een rollaag heeft; midden xix.

Omgaande bakgoot en kleine vensters in de topgevel. De kelder en bedstedewand bevindt zich blijkens de plaatsing van de vensters tegen de achterwand van het voorhuis.

Industriegebouwen

+ Aan de spoorlijn van Groningen naar Leeuwarden staat ten noorden van Veenwoud-sterwal de voormalige zuivelfabriek Freia (afb. 304).

 

+ G. de Vries en W. Hoekstra, ‘Eerste Friese boter- en kaasfabriek’, in: Groniek, 1979, 4, 27.

 

+ In 1879, het jaar waarin de eerste zuivelfabriek in Nederland in Leiden werd geopend, werd ook te Veenwouden een boter- en kaasfabriek gesticht door M. Bokma de Boer. Hooggestemd modern werd de fabriek genoemd naar de Oudnoorse vruchtbaarheidsgodin Freia (Freya). De eigendom verwisselde enige malen voor 1906, toen de fabriek in handen van de familie Annema kwam, die in 1918 door architect H.H. Kramer een nieuw complex in beton liet bouwen met een hoge schoorsteen. Na de tweede wereldoorlog werd de fabriek overvleugeld door de coöperatieve instellingen voor zuivelbereiding en moest in 1969 sluiten. De apparatuur uit 1918 bleef nog grotendeels behouden.

 

+ Hoewel de windmolen te Veenwouden in 1638 voldoende belasting had opgebracht, werd hij toch op de lijst van niet rendabele molens geplaatst, die door de Staten werd opgemaakt (Van der Molen, Gemaal). Doordat de molen wel voorkomt op de kaarten van Schotanus van 1664 en 1718 moeten we aannemen, dat ook hier dit besluit niet is uitgevoerd. Volgens Bunskoeke zou dit wel tussen 1739 en 1751 het geval geweest zijn. In 1830 moet er volgens deze zegsman aan de Zwette een windmolen gebouwd zijn, die echter in 1847 reeds weer verdwenen zal zijn, daar noch de kaart van Eekhoff, noch de topografische kaart van omstreeks 1850 deze weergeeft. In 1854 werd toestemming verleend een molen te bouwen en in 1858 opnieuw, ditmaal aan Sije Douwes Zijlstra (meded. Van der Molen en D.M. Bunskoeke). Deze molen werd in 1883 door een sneeuwstorm verwoest en in 1885 herbouwd, waarbij de eerste steen gelegd werd door Sietse Burema. Het was een achtkante molen met stelling op een gemetselde taps toelopende voet; tot 1946 behield hij zijn zelfzwichtende roeden (afb. 305). Nadien werd ook het achtkant gesloopt, behoudens de voet, die thans nog aanwezig is ten zuiden van het station aan de Molenweg.

[p. 215]



illustratie

Moderne tjasker opgesteld in het natuurgebied ten noorden van Veenwouden. Opname 1984.


[p. 216]



illustratie

Afb. 284. De kerk getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 285. Kerk en toren uit 1648 gezien van het noordwesten. Opname 1975.




illustratie

Afb. 286. Stichtingssteen in het voormalige schoolgebouw, thans Hoofdstraat 4. Opname 1975.




illustratie

Afb. 287. De grotendeels 17e-eeuwse preekstoelkuip. Opname 1976.




illustratie

Afb. 288. Het schoolgebouw in 1776 aan de rand van het kerkterrein gebouwd, thans Hoofdstraat 4. Opname 1976.


[p. 217]



illustratie

Afb. 289. Gietijzeren kolom en koperen collectebus, de laatste mogelijk 18e-eeuws, van de Doopsgezinde kerk. Opname 1983.




illustratie

Afb. 290. De Doopsgezinde kerk en pastorie in 1865 gebouwd aan de weg naar Bergum, niet ver van de Veenwoudsterwal, waar de schuilkerk stond. Opname 1983.




illustratie

Afb. 291. De Schierstins met aanbouwen na de restauratie. Opname 1965.


[p. 218]



illustratie

Afb. 292. De Schierstins, repro naar opname uit 1906, toen de buitenste laag van de westmuur bij verwijdering van de klimop ingestort was.




illustratie

Afb. 293. De Schierstins voor de restauratie van 1962. Opname 1960.




illustratie

Afb. 294. De Schierstins van het noordwesten gezien met de 19e-eeuwse trapgevel van de achterste aanbouw. Opname 1941.


[p. 219]



illustratie

Afb. 295. ‘De oude Schierstins’ door J. Stellingwerf in 1723 getekend.




illustratie

Afb. 296. ‘De Schierstins van Lt. Kolonel Mellema’ getekend door J. Stellingwerf in 1724.




illustratie

Afb. 297. De Schierstins met aanbouwen in de 19e eeuw, getekend door A. Martin.


[p. 220]



illustratie

Afb. 298. Gedichte spleet in nis in de oostmuur van de stins op de verdieping. Opname 1962.




illustratie

Afb. 299. De zuidwand op de verdieping met sporen van een schouw vóór een voormalige ingang aangebracht. Opname 1962.




illustratie

Afb. 300. De beganegrond van de toren, ontstaan door uitgraven van de grond van de heuvel, waar de toren aanvankelijk met spaarbogen in gebouwd was en van welks toplaag de schietgaten bediend konden worden. De overwelving ontstond in een latere periode na verwijdering van de grond. Opname 1962.




illustratie

Afb. 301. De van elders afkomstige 18e-eeuwse schouw en schildering, die bij de restauratie in de noordelijke aanbouw zijn aangebracht. Opname 1983.


[p. 221]



illustratie

Afb. 302. Woudhuisje aan de Veenwoudsterwal 75. Opname 1978.




illustratie

Afb. 303. De villa van de familie De Clercq uit 1898, later eigendom van de Talmastichting. Opname 1983.




illustratie

Afb. 304. De melkfabriek Freia, gesticht in 1879 en in 1918 in beton herbouwd. Opname 1983.


[p. 222]



illustratie

Afb. 305. De korenmolen aan de Molenweg, gebouwd in 1885 en tot 1946 nog aanwezig. Naar prentbriefkaart in de collectie Oudheidkamer Dantumadeel.




illustratie

Afb. 306. Het vooreind van de boerderij aan de Veenwoudsterwal bij de Zuiderweg. Opname 1983.




illustratie

Afb. 307. De thans stelpvormige boerderij Oosteinde 4, ontstaan uit een boerderij van het kop-romptype. Opname 1983.