Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 1


auteur: P.J. Blok


bron: P.J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 1. A.W. Sijthoff, Leiden 1923 (derde, herziene druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 265]

Boek IV
De verwording der kleine leenstaten

[p. 267]

Hoofdstuk I
De strijd der Vlaamsche gemeenten

Nergens in de Nederlanden hadden de steden zich een grootere macht tegenover den landsheer weten te verschaffen dan in het door handel en industrie bloeiende Vlaanderen. Nergens had zich de vrije bevolking krachtiger ontwikkeld, nergens was zij talrijker, nergens beter georganiseerd dan in de gemeenten van het vlaamsche land. Op het einde der 13de eeuw waren de stedelijke aristocratieën, de geslachten der vermogende kooplieden en grondbezitters, nog de bestuurders dier gemeenten, hare vertegenwoordigers, hare meesters. Doch weldra werd dit anders. De in talrijke gilden vereenigde handwerkslieden, door hunne dekens geleid, hadden reeds meermalen den heerschenden burgers, den ‘geslachten’, hunne kracht doen gevoelen; zij zouden weldra hunne stoffelijke en zedelijke overmacht toonen1).

Machtig waren die gilden vooral door hunne organisatie. Zij was oorspronkelijk ingericht om werkgevers en arbeiders in de gewenschte verhouding te doen samenwerken tot nauwkeurig geregelde behandeling van het fabrikaat, met onderlinge aaneensluiting onder kerkelijke wijding in het belang van de betrokken personen en gezinnen2). Maar in de 13de eeuw was er tusschen werkgevers en arbeiders een scherpe tegenstelling ontstaan. De laatsten beklaagden zich, bij de krachtige ontwikkeling der vlaamsche nijverheid, over niet evenredige verbetering van hunnen economischen toestand en gingen zelfs tot openlijk verzet over; de eersten riepen daartegen de hulp der lands- en stadsregeeringen in, die in steeds scherper toezicht en steeds klemmender regeling van loon en arbeid de beste waarborgen voor handhaving der rust in stad en land en voor verzekering van de ontwikkeling der nijverheid zagen. Zoo ontstond het vlaamsche gildewezen gelijk het in de 14de eeuw was. Gelijkheid van stand onder de arbeiders, onderlinge aaneensluiting, gelijkmatigheid van voortbrenging en daardoor van verdienste, zorg voor deugdelijk fabrikaat: ziedaar zijn grondslagen.

Geen verschil van stand tusschen meester en leerling, alleen verschil van bekwaamheid. Als leerling trad men tegen zekere vergoeding bij een meester in dienst. Na eenige jaren leertijd werd men ‘knaap’ of ‘gezel,’ kreeg betaling voor zijn werk en trachtte langzamerhand, al werkende, genoeg geld bijeen te brengen om zich met behulp van een klein kapitaal als meester te kunnen vestigen. Burgerrecht en daarmede in den regel een eigen woning, niet meer uitsluitend, zooals in de vroegste dagen der stedelijke ontwikkeling met die der broeders van hetzelfde gild in één straat gelegen;

[p. 268]

eigen werktuigen; eenig kapitaal om grondstof te koopen en knechts te onderhouden of anderen voor zich te laten werken, in afwachting van den verkoop van het fabrikaat - dat waren de hoofdvereischten voor een gezel om als meester te kunnen optreden. In de 14de eeuw kon men bovendien alleen meester worden na een proefstuk, een ‘meesterstuk,’ te hebben afgeleverd.

Onderlinge aaneensluiting. De leerling woont in het huis des meesters en is als het ware een familielid van dezen, die gehouden is hem naar zijn beste weten op te leiden in het vak. De ‘knaap’ woont in den regel wel niet bij zijn meester in huis maar geldt overigens als diens ‘jongere broeder’; zijn loon is aan vaste regels gebonden gelijk zijn werk. Het gild is als een groote familie; zijn bestuurders worden òf onmiddellijk door het stadsbestuur òf - hier minder, daar meer - onder toezicht daarvan door de leden van het gild, de ‘gildebroeders,’ zelve aangewezen. Het gild heeft als vanouds zijn wel onderhouden en geregeld door een of meer vaste priesters bediende kapel in de kerk; zijn gemeenschappelijke kas, waaruit aan zieken en gebrekkigen onder de gildebroeders onderstand wordt verleend; zijn herberg, waar men vergadert en feesten viert; zijn vaste wetten en regels, zijn ‘gildekeuren,’ waaraan de broeders zich hebben te houden op straffe van boete, op te leggen door de oldermans, dekens, vinders of hoe de bestuurders van het gild meer mogen heeten.

Gelijkmatigheid van voortbrenging. De stof, de bewerking, de prijs van het voortbrengsel - alles is aan vaste, dikwijls tot de kleinste bijzonderheden afdalende regels gebonden; ieder afgewerkt stuk wordt door de overheden van het gild of hunne vertegenwoordigers gekeurd, alvorens het ten verkoop mag worden aangeboden. Met angstige voorzorg wordt erop gelet, dat geen al te scherpe concurrentie tusschen de gildebroeders kan ontstaan, dat geen groot verschil in fabrikaat de schaal van verdienste te zeer ten gunste van dezen of genen kan doen overslaan. Tijd en hoeveelheid van werk worden nauwkeurig vastgesteld.

Belemmering der vrijheid van voortbrenging is de groote schaduwzijde van het gildewezen; nauwe aaneensluiting der gildebroeders daarentegen maakt er de lichtzijde van uit. De oude geslachten hadden de gevolgen dier aaneensluiting reeds nu en dan ondervonden bij de groote oproeren der 13de eeuw; de Sporenslag van 1302 wekte den vrijheidsgeest en tevens den geest van verzet onder de vlaamsche handwerkers krachtiger op.

 

In vele opzichten had de werkman der 14de eeuw het, ook naar onze schatting, niet kwaad. Bij gebrek aan gegevens om de prijzen van levensmiddelen en andere dagelijksche behoeften te vergelijken met de loonen in die eeuw, is het voor Holland, Utrecht, Friesland, Gelre niet goed mogelijk tot een vast resultaat in deze te geraken, tenzij voor een stad als Deventer, welks rekeningen althans sedert het midden der eeuw zoo goed als volledig tot ons gekomen zijn. Vlaanderen daarentegen verkeert in dit opzicht in betere omstandigheden, want duidelijk blijkt voor dien tijd, dat de toenmalige vlaamsche werkman - was er vrede en rust in het land, kon de aanvoer van grondstof ongehinderd geschieden en werd de uitvoer van het fabrikaat niet belemmerd - tegenover de eischen der gewone dagelijksche behoeften gunstig stond1). Houdt men hierbij in het oog, dat men voor de aangrenzende streken van Duitschland, voor Engeland over dezen zelfden tijd2), voor Holland over een eeuw later3) tot dezelfde conclusie

[p. 269]

gekomen is, dan is er eenige, zij het niet al te veel, reden om met sommige schrijvers aan te nemen, dat in de 14de eeuw het probleem van de verdeeling der opbrengsten van den arbeid bevredigend is opgelost.

Want daartegenover staat, dat de werkman, evenals trouwens ieder in dien tijd, zeer aan de wisselingen van den dag onderhevig was. Vrede en rust - wij weten, hoe het daarmede in die dagen gesteld was. Regelmatigheid van in- en uitvoer - de 14de eeuw kon daarop niet bogen. Hongersnood en epidemie waren aanhoudend optredende verschijnselen. Plotseling gingen soms de prijzen der dingen schrikbarend omhoog, terwijl het loon niet evenredig steeg. Duizenden werklieden, slecht gewapend tegen kwade tijden, slecht beschut in hygiënisch opzicht, opgehoopt in kleine woningen, niet veel meer dan hutten soms, leden dikwijls honger en ellende, geraakten in lichamelijk en zedelijk verval, neigden eindelijk tot opstand tegen hunne meesters, tegen de overheid, tot plundering der meervermogenden. Vooral het tijdperk van 1348 tot 1351, toen de ‘Groote Pest’ rondwaarde in gansch Europa en ook onze steden ontvolkte, onze dorpen uitmoordde, was in dit opzicht treurig. Het is vastgesteld, dat de gevreesde ziekte voornamelijk de lagere klassen teisterde. En wie weet niet, hoe het toen geschapen stond met de persoonlijke veiligheid?

Ook dit moet ter verklaring worden aangevoerd, wanneer wij ons zoeken duidelijk te maken, hoe het kwam, dat de vlaamsche werklieden der 14de eeuw zoo dikwijls tot oproer zijn overgeslagen. En, wilden zij oproer maken, dan was er weinig tegen hen te beginnen. Krachtig aaneengesloten en gewapend met aanvalsmiddelen van allerlei soort traden hunne onafzienbare gelederen dan op tegen de heerschende geslachten - om gelukkiger te worden? Ja, dat was hunne hoop, hunne verwachting. Maar sociale revolutie bleek ook toen voor sociale kwalen een slecht geneesmiddel, alleen strekkend om de sociale rampen voor geruimen tijd nog oneindig meer te verergeren. Zij liep na jaren van ellende uit op versterking der monarchale macht, toegejuicht door hen, die belang hadden bij handhaving der orde, dat is ten slotte door ieder, die iets te verliezen had en dit, hoe weinig het ook was, wenschte te behouden. Zij liep uit op groote schade voor het in zijn geregelde productie belemmerde fabrikaat, dus voor de gansche nijverheid en den daarvan afhangenden handel, die alleen kunnen bloeien in een niet door plotselinge heftige stoornissen bezochte omgeving. Zij liep ten slotte uit op den maatschappelijken ondergang der bedrijven, der werklieden zelf.

 

Graaf Gwy en graaf Robert van Vlaanderen uit het huis van Dampierre waren ten grave gedaald zonder de beteekenis van het optreden der gilden ten volle te hebben begrepen, alleen bij geval daarvan gebruik makend tot voordeel hunner eigen politieke doeleinden tegenover de machtige stedelijke aristocratieën en den feodalen adel, tot versterking hunner grafelijke macht. Lodewijk van Nevers, de feodale vorst bij uitstek, aan het zeer feodaal gezinde fransche hof opgevoed, die in 1322 zijn vader Robert was opgevolgd, speelde onvoorzichtig met het gevaarlijke vuur. Hij joeg de stad Brugge tegen zich in het harnas door Sluis, toen Brugge's zeehaven, af te staan aan zijn oudoom Jan van Namen, die er een markt oprichtte ten nadeele der Bruggelingen. Een hevige opstand der machtige koopstad volgde; Jan van Namen viel den verwoeden Bruggelingen in handen en ontkwam ternauwernood den dood. Nieuwe oproeren in de stad vielen evenzoo ten gunste der brugsche burgers uit.

En het bleef niet bij Brugge. Een dreigende gisting ontstond te Yperen en in geheel West-Vlaanderen, vooral op het platteland aan de zeekust,

[p. 270]

van het Zwin tot Duinkerken toe1). Geleid door Nikolaas Zannekin en andere aanvoerders, wierp zich het in deze streek vanouds op groote vrijheid bogende maar thans door zijn tot den adel behoorende overheden, de ‘keurheeren,’ verdrukte landvolk van saksisch-frieschen oorsprong eindelijk op de kasteelen van den vlaamschen adel; de gilden in de steden sloten zich bij de beweging aan en verzetten zich tegen de met dien adel nauw samenhangende en verwante geslachten, die het stedelijk bestuur nog in handen hadden. Een algemeene ‘democratische’ beweging doet zich gevoelen: de boeren, de ‘kerels’ van het Kerelslied, willen een soort van boerenrepubliek, waarin het bestuur zou berusten bij de bezitters van den grond, die zou toebehooren aan ieder, die hem bebouwde; de arbeiders in de steden en dorpen willen de heerschappij der gilden; een vermogend grondbezitter uit Lampernisse, neemt de leiding in handen. Het onrustige Brugge stelt zich aan het hoofd van den socialen opstand in Vlaanderen. Yperen en Kortrijk volgen dat voorbeeld. Maar niet alle steden sluiten zich aan. Gent blijft het houden met den graaf en zijn adel en wordt hun vaste burcht, uit jaloezie ook op het naburige Brugge - een jaloezie, die meermalen de geweldige kracht der vlaamsche gemeenten heeft gebroken. De graaf nestelt zich weldra in Kortrijk maar wordt hier door Zannekin en de zijnen ingesloten, belegerd, overwonnen en naar Brugge gevoerd, waar hij in de gevangenis wordt opgesloten (1325). Zijn oom Robert van Cassel, vanouds zijn persoonlijke vijand, neemt dan de regeering in handen maar de Gentenaren erkennen als ‘ruwaard’ Jan van Namen.

Groot was de ontsteltenis en de woede bij den geheelen franschen adel, die zich beleedigd achtte in een zijner eerste vertegenwoordigers en voor dergelijke bewegingen in eigen gebied vreesde. Vlaanderen werd door den franschen koning in den ban gedaan, door de geestelijkheid met interdict gestraft. Een fransch ridderleger trok het land binnen om, steunend op Gent en Oudenaarde, die den graaf nog altijd trouw waren gebleven, de gevaarlijke en gehate opstandelingen te straffen. Er wordt verwoed gestreden. De graaf bevrijdt zich op trouwelooze wijze door beloften, die hij niet van plan is na te komen; zijn vrienden en bondgenooten behouden de overhand en de orde wordt hersteld door den vrede van Arques van 19 April 1326. De steden Brugge, Yperen en Kortrijk, zetels van den opstand, buigen zich opnieuw voor het grafelijk gezag. Maar niet voor langen tijd. Na enkele dagen reeds verheffen zich de boeren en arbeiders weder tegen den adel en het stedelijke patriciaat. Gruwelen van moord en plundering zijn aan de orde van den dag; van dorp tot dorp dwingen de boeren de priesters tot het waarnemen van hunne kerkelijke plichten in weerwil van het interdict; als wilde dieren houden de opstandelingen huis in de steden en op het platteland. De graaf zelf vlucht in wanhoop naar Parijs. Twee jaren lang woedt anarchie in Vlaanderen, waar de brugsche burgemeester Willem de Deken zich om bescherming tegen het zich weder tot een krijgstocht aangordende Frankrijk tot den engelschen koning Eduard II wendt en aanbiedt hem als koning van Frankrijk, als opperheer, te erkennen tegenover den vorst, die zich als zoodanig wilde doen gelden2).

Dit alles is slechts voorspel van het vreeselijke lot, dat Vlaanderen wacht.

Het capetingische koningshuis was in zijn rechte lijn in 1328 uitgestor-

[p. 271]

ven en een bloedverwant van het oude geslacht, graaf Philips van Valois, maakte zich meester van den ledigen franschen troon. Koning Philips, door graaf Lodewijk opgeroepen, grijpt naar de ‘oriflamme,’ de oude roemrijke koningsvaan van Frankrijk, en trekt aan het hoofd van een groot leger opnieuw Vlaanderen binnen. Bij Cassel stuit hij op Zannekin en diens ongeoefende maar tot bitteren tegenstand bereide boeren en gildebroeders, die vol moed, denkend aan den Sporenslag, maar zonder orde op het fransche leger aanvallen en na dapperen weerstand deerlijk worden geslagen, ja verdelgd (23 Aug. 1328).

Het was de wraakneming van den adel voor de schande van den Sporenslag. Ditmaal hadden de dorpers het onderspit gedolven, hadden de pieken en messen, de goedendagen, morgensterren en dorschvlegels der burgers en boeren moeten wijken voor de lansen en slagzwaarden van den in tallooze gevechten beproefden, geharnasten, te paard gezeten adel. De graaf was wederom eenige jaren lang meester in Vlaanderen. Een vreeselijk schrikbewind houdt nu onverbiddelijk gericht over het opgestane land; galg en rad, zwaard en lans doen hun bloedig werk, het regent verbanningen en verbeurdverklaringen; de fiere kustbevolking moet zich voor jaren en jaren lang krommen onder het zware juk, dat adel en patriciërs haar opleggen na het verlies harer oude rechten en vrijheden; Brugge en Yperen zien hare muren afbreken, honderden harer burgers verbannen, tot den bedelstaf gebracht of gedood; Willem de Deken wordt te Parijs gevierendeeld. Jaren lang duurt het strafgericht.

Maar de oorzaken van het verschil tusschen den landsheer en zijn onderdanen bleven bestaan. En in de gemeenten organiseerden zich de gilden weldra weder krachtiger dan ooit. Te Gent en waarschijnlijk ook elders plaatsten de oude geslachten tegenover de steeds onrustige wevers meer en meer de andere gilden. Wij vinden er in deze dagen den deken der vollers en dien der kleine ambachten naast dien der eigenlijke poorterij als stedelijke ambtenaren van beteekenis1). Nog altijd bleven de wevers het machtigste gild, onrustig, tot oproer neigend, jegens Engeland goed gezind, omdat zij hunne grondstof van daar moesten hebben; maar naast hen organiseerden zich steeds krachtiger ook de andere gilden. Zij waren eerst wel een steun, doch weldra ook een gevaar voor de regeerende geslachten.

Een nieuwe aanleiding tot twist ontstond uit de nu openlijk verkondigde aanspraken van koning Eduard III van Engeland op de fransche kroon. De moedige en talentvolle engelsche vorst rekende bij zijn voorgenomen inval in Frankrijk vooral op de medewerking der Vlamingen, zoo niet op hunne sympathie. Ook hij immers wist wel, dat de sympathie der Vlamingen voor Engeland zich weinig verder uitstrekte dan tot de engelsche wol, die zij noodig hadden voor hunne lakenindustrie; doch hij verwachtte niet ten onrechte in Vlaanderen steun te vinden tegen den franschen Koning gelijk zijn voorgangers reeds voor langer dan een eeuw dien daar gevonden hadden. Had niet ook zijn vader Eduard II de roepstem uit Brugge tot zich hooren komen? Ook hij zou er mannen vinden, bereid om hem als opperheer te erkennen.

Hij hoopte vervolgens ook andere nederlandsche en rijnlandsche vorsten aan zich te verbinden en zoo de oude alliantie tegen Frankrijk, in 1294 het laatst hernieuwd, te doen herleven; hij rekende zelfs op den steun van den duitschen Keizer, Lodewijk van Beieren. Het oude verbond met

[p. 272]

de Welfen1), op het einde der 12de eeuw gevestigd, zou thans in een nieuwen vorm herleven. Keizer Lodewijk, de erfgenaam der welfische partij in Duitschland2), was de doodvijand van de met Frankrijk bevriende geslachten van Habsburg en Luxemburg, tegenover wie hij tot zijn hooge waardigheid verheven was. Albrecht van Oostenrijk en Hendrik VII van Luxemburg, zijn voorgangers op den duitschen troon, waren bondgenooten van den franschen Koning geweest; hij neigde tot Engeland.

De tusschenpersoon bij deze aansluiting van den Keizer en zijn trouwe aanhangers aan Engeland werd graaf Willem III van Holland en Henegouwen, de aanzienlijkste der nederlandsche vorsten, erkend bezitter thans van het op den vlaamschen graaf gewonnen Zeeland, beheerscher ook van het weerspannige Friesland, invloedrijk in Utrecht en Gelre, nauw verbonden met Brabant. Graaf Willem's oudste dochter, Margaretha, was in 1324 gehuwd met Lodewijk zelf; zijn tweede dochter Philippa was de veelgeprezen gemalin van den jongen engelschen vorst, wiens fiere zuster Alianora de vrouw was van graaf Reinald II van Gelre.

Steunend op deze dynastieke banden, zond Eduard in 1336 dan ook den bisschop van Lincoln aan het hoofd van een gezantschap en met veel geld naar de nederlandsche gewesten om er alom bondgenooten voor zijn zaak te winnen. De bisschop slaagde in zijn zending. De eene nederlandsche vorst na den anderen verbond zich met Engeland. Willem van Holland verklaarde zich bereid de leiding der engelsche belangen op zich te nemen. Brabant, Gelre, Gulik zwoeren tegen zware subsidiën den engelschen Koning bijstand en den 23 Juli 1337 sloot ook keizer Lodewijk met dezen een verbond, waarbij hij, evenals zijn voorgangers in vroegeren tijd, tegen groote geldsommen zijn zaak aan die des Konings vastknoopte. De engelsche subsidiën hadden voor de duitsche vorsten reeds langer dan een eeuw groote aantrekkingskracht gehad. Een jaar later landde Eduard zelf met een schitterend gevolg te Antwerpen, verscheen in Keulen, den ouden hoofdzetel der handelsbetrekkingen met Engeland, en bezocht daarna te Coblenz zijn keizerlijken bondgenoot, die hem met groote eerbewijzen ontving. Schitterend was de in September 1338 aldaar gehouden rijksdag, waar tal van duitsche vorsten waren opgekomen om getuige te zijn van de verheffing des engelschen Konings tot vicaris des Rijks, in de eerste plaats voor de landen aan den Neder-Rijn. Een nieuw plechtig verdrag werd gesloten, waarbij ten slotte zelfs de Habsburgers zich nederlegden.

Het was de vraag, welke houding Vlaanderen in deze algemeene beweging tegen koning Philips zou aannemen. Wat den graaf betreft, er was geen twijfel aan, of hij zou den vorst, die hem bij Cassel had gered, nu ook blijven steunen; zijn gemeenten daarentegen toonden niet de minste neiging om met het wolrijke Engeland, waarmede zooveel handelsbelangen haar verbonden, te breken. Ook de bisschop van Luik, vijand van Brabant, sloot zich tegen subsidie bij Frankrijk aan.

In die dagen leefde te Gent de invloedrijke, nog geen vijftigjarige Jacob van Artevelde, behoorend tot een der aanzienlijke familiën - zijn vader was schepen geweest - en lid van het machtige en aanzienlijke lakenkoopersgild, rijk en zeer gezien, ‘zoo in groote gunst bij alle Vlamingen, dat alles, wat hij beval, van de eene zijde van Vlaanderen tot de andere werd gedaan en goed gedaan,’ zegt de geschiedschrijver Froissard3), waar

[p. 273]

hij over ‘Jacquemart d'Artevelle’ begint te spreken. Hij was in 1326 een van hen geweest, die het den opgestanen wevers opgelegde strafgeld hadden geïnd en speelde misschien een rol in den nieuwen opstand, in December 1337 te Gent uitgebroken ten gevolge van den stilstand der industrie, die van het belemmeren van den wolinvoer uit Engeland veel te lijden had. Men benoemde hem in Januari 1338 tot hoofdman van een der vier kwartieren, waarin de stad verdeeld was, en droeg hem het ‘beleet van der stede’ op. Zoo werd hij heer en meester binnen Gent, ja, de eigenlijke meester van Vlaanderen, waar zijn aanzien dat van den graaf verre overtrof. De engelsche gezanten wendden zich op raad van graaf Willem III van Holland en Henegouwen op hunne rondreis door de Nederlanden dan ook onmiddellijk tot Artevelde en diens bijna even invloedrijken schoonvader1), Zeger van Kortrijk, een der rijkste mannen van Vlaanderen.

Artevelde en de zijnen namen tegenover de woorden van vriendschap, door de engelsche gezanten geuit, onder indruk van de aangeboden handelsvoordeelen, die voor de gentsche lakenindustrie van veel belang waren, een welwillende houding aan, maar bleven zich nog voorzichtig onthouden van inniger betrekkingen, uit vrees voor de wraak van den franschen Koning, hun machtigen suzerein; de aankomst van aanzienlijke wolladingen uit Engeland bevestigde intusschen zijn invloed in de stad. Ook te Kortrijk ontving Zeger de gezanten luisterrijk maar werd daarom kort daarna op aanwijzing van koning Philips door graaf Lodewijk van Vlaanderen op listige wijze gevangen genomen en onthoofd. Artevelde zelf ontkwam nauwelijks hetzelfde lot.

Dit feit had grooten invloed op de houding van Artevelde en daarmede van het machtige Gent. De Gentenaars begonnen met Eduard in steeds nauwer verbinding te treden, zonder ook nu nog evenwel zich tegenover den franschen Koning, hun opperheer, dien zij als zoodanig reeds erkend hadden, geheel aan de engelsche zijde te plaatsen. In hun eigen oogen zouden zij zich aan een onvergefelijke daad hebben schuldig gemaakt door zich zonder meer aan het oppergezag van koning Philips te onttrekken: ook deze burgers hadden eerbied voor de feodale instellingen, waaronder zij waren opgegroeid.

Artevelde werd zoo de leider eener politiek in Vlaanderen, die den Koning van Frankrijk en den van dezen afhankelijken graaf wel in naam nog erkende maar feitelijk reeds tegenover hen stond. Nog hield de vooral onder den adel sterke partij der Leliaerts2), als vanouds, ondubbelzinnig de fransche zijde. Tegen haar moest allereerst worden gestreden. Bij Biervliet behaalde de gentsche burgerij de zege en toen sloten zich ook de andere gemeenten bij de gentsche Clauwaerts aan. Doornik en Dixmuiden alleen bleven in het bezit der tegenpartij.

Koning Philips liet nu van zijn kant onzijdigheid aan Vlaanderen aanbieden: zooveel vrees koesterde hij voor den invloed der vlaamsche burgerijen op den strijd. Artevelde gevoelde sterke neiging om daarin toe te stemmen. Hij vreesde, dat Vlaanderen de kampplaats der vijandige vorsten zou worden en daardoor veel te lijden zou hebben. Hij kwam in zijn onderhandelingen met Engeland dan ook voorloopig niet verder dan tot verzekeringen van vriendschap en trachtte alleen reeds door deze welwillende houding de uitgebreide handelsvoordeelen te verkrijgen, die de engelsche vorst niet ophield den Vlamingen als lokaas voor oogen te stellen. Doch dit gelukte aanvankelijk niet. Ook zelfs nog, toen Eduard van Brabant en Henegouwen

[p. 274]

uit in het Kamerijksche binnenrukte (1339) en de stad Kamerijk belegerde, bleven Artevelde en de zijnen onzijdig tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf zelf liet zich in September 1338 nog ertoe vinden om de Gentenaars die bij de groote processie te Doornik aanwezig waren, vriendelijk te ontvangen en zelfs, hunne kleuren dragend, in hun midden aan de processie deel te nemen: zoozeer vreesde hij hen in de armen van Eduard III te drijven.

Spoedig werd deze onzijdige houding tusschen de oorlogvoerenden onmogelijk, vooral toen graaf Lodewijk, de verleidende aanzoeken van koning Eduard afwijzend, op het einde des jaars zijn land verliet en naar Philips vluchtte. Toen sloten eindelijk de voornaamste steden van Vlaanderen met Brabant, Henegouwen en Holland een nauw verbond. Bij dat verbond werden vooral in het belang van den handel, een levensbelang voor deze landen, beloften gedaan van onderlinge hulp tegen iederen aanval, wederzijdsche handelsvrijheid, inrichting van een overeenstemmend muntwezen en scheidsrechtelijke beslissing bij twisten. Dit was zooveel als een oorlogsverklaring aan Frankrijk, zooveel als aansluiting bij Engeland en zijn met genoemde landen verbonden Koning1).

Nog aarzelden vele vlaamsche burgers Eduard te steunen, doch op aanraden van Artevelde nam deze nu plechtig op de Vrijdagsmarkt te Gent titel en wapen aan van Koning van Frankrijk (26 Jan. 1340). Zoo eerst achtten de Vlamingen zich gerechtigd hem als opperheer te erkennen en zich volledig bij hem aan te sluiten: het diep gewortelde feodale begrip van trouw aan den leenheer was niet geschonden; Eduard was sedert niet meer pretendent naar de fransche kroon maar de ware Koning en Philips de indringer, die dien Koning van zijn rechten wilde berooven. De nieuwe vorst verplichtte zich in een verdrag Artois en Waalsch-Vlaanderen weder met het graafschap te verbinden, een nieuwe met de engelsche overeenkomstige munt te slaan, Brugge tot stapelplaats van de engelsche wol te maken, aan de stad handelsvrijheid in Engeland te verzekeren, met name voor ‘gestreepte’ lakens en bovendien een groot subsidie te geven aan de vlaamsche hoofdsteden.

Sedert was Vlaanderen het slagveld der beide oorlogvoerende partijen en leed een tijdlang alle nadeelen van den bloedigen krijg. De gentsche hoofdman was de groote voorvechter van Eduard's rechten. Vlaamsche burgers onder Artevelde zelf namen deel aan den strijd in het Kamerijksche, te zamen met Willem IV van Henegouwen-Holland, die zijn vader was opgevolgd, en met het engelsche leger op de grens. De franschgezinde Paus sprak den banvloek over Vlaanderen uit. De groote zeeslag van 24 Juni 1340 bij Sluis liep, ook door de hulp der Vlamingen in den omtrek, ten gunste der Engelschen af: de geheele fransche vloot werd vernield. Daarop wendden de verbonden vorsten en gemeenten zich naar het door de tegenpartij bezette Doornik. Van beide zijden rukten talrijke legers aan, maar, voordat er slag geleverd werd, slaagde de moeder van den graaf van Henegouwen, die de zuster van koning Philips was, erin (25 Sept.) een wapenstilstand te doen sluiten, die aan Vlaanderen tijdelijk rust verzekerde. Graaf Lodewijk mocht weder in zijn graafschap terugkeeren en met hem verschenen ook weder een aantal gevluchte Leliaerts in Vlaanderen; koning Eduard ging naar Engeland terug en het bleek weldra, dat Brabant en Holland-Henegouwen weder tot Frankrijk neigden.

Artevelde bleef echter in weerwil van den terugkeer des graven in zijn

[p. 275]

land, waar deze zich meestal te Dendermonde ophield, nog altijd, gelijk te voren, meer dan de graaf de eigenlijke beheerscher van het graafschap, steeds verbonden met den engelschen koning, die in 1341 den wankelmoedigen duitschen Keizer van het pas gesloten verbond had zien afvallen, ja door dezen weder van het rijksvicariaat was ontheven. Door dezen afval en den minderen ijver der nederlandsche vorsten na den dood van graaf Willem III van Holland-Henegouwen, die de ziel der engelsche alliantie was geweest, had de steun van Vlaanderen voor Eduard nog meer waarde dan vroeger en met zorg onderhield hij de betrekkingen met den invloedrijken Artevelde, dien hij, de schitterende vorst, zijn ‘cher compère’ placht te noemen, ‘son grand ami.’

Deze zelf begreep evenzeer het belang van Eduard's vriendschap voor zijn land en zijn partij en bevestigde zijn eigen macht steeds meer, steunend op de groote voordeelen, die de veiligheid ter zee, de verlaging van tollen en rechten voor vlaamsche kooplieden in de engelsche havens, de toenemende handel op Engeland voor zijn land opleverden. Hij organiseerde Vlaanderen opnieuw, verdeelde het in drie groote onderdeelen, waarvan de hoofdsteden Gent, Yperen en Brugge de hoofdplaatsen waren, en richtte zoowel de regeering van Gent als die der andere steden op democratischen voet in. Hij zelf bleef onder den titel van hoofdman en opperdeken der gilden leider van het bestuur van Gent, welks burgerij hem nog altijd hoog vereerde. Zooveel blijkt wel van de maatregelen, door Artevelde in deze dagen genomen, dat hij het overwicht in het stedelijk bestuur van de oude geslachten, de zoogenaamde poorterij, geheel op de gilden overbracht1). Maar de afval der bondgenooten van Vlaanderen en de afgunst der andere vlaamsche steden op het overmoedige Gent hadden reeds zijn positie ondermijnd; de hevige tegenstelling tusschen de vollers en wevers in die steden verzwakte bovendien de macht der gilden, waarin de wevers steeds meer de opperleiding kregen, zoodat hun deken in invloed naast hem kwam te staan.

Zijn loopbaan liep reeds ten einde. Zijn samenwerking met Eduard III was steeds inniger geworden. Hij vatte zelfs het plan op om den onvertrouwbaren, door en door franschgezinden maar rechtmatigen graaf Lodewijk als landsheer te doen vervangen door den prins van Wales, Eduard's zoon. Bij een nieuw bezoek van koning Eduard aan de Nederlanden in den voorzomer van 1345 werd dit plan door Artevelde aan zijn medeburgers voorgesteld, maar de leiders der Vlamingen, als het erop aankwam, trouw aan den landsheer, weigerden hierin zonder nader overleg te treden, achtten de zaak zeer bedenkelijk en begaven zich naar hunne steden om erover te raadplegen. Artevelde bleef nog korten tijd bij koning Eduard te Sluis en pleitte daarna te Brugge en Yperen op welsprekende wijze voor zijn plan, dat hij er ten slotte wist te doen goedkeuren. Toen begaf hij zich naar Gent, om ook daar de verheffing van den prins van Wales tot graaf van Vlaanderen voor te bereiden.

Te Gent echter was sedert lang een machtige partij ontevreden over zijn bestuur, dat alle macht feitelijk in de handen van een enkel gild had gebracht. Men klaagde over zijn heerschzuchtig optreden, over den toon en den staat, dien hij voerde, over de richting, waarin hij Vlaanderen dreef. Men sprak van trouwbreuk jegens den wettigen graaf, jegens den wettigen koning. Persoonlijke vijandschap, eerzucht van volksmenners en de intriges der Leliaerts deden het overige. Reeds den 2den Mei vond er op den ‘Kwaden Maandag’ te Gent een hevige opschudding plaats, die den wevers na een definitieve zege op de vollers alle macht gaf, waartegen Arte-

[p. 276]

velde te vergeefs zich trachtte te handhaven. Nog zwakker werd zijn positie, toen koning Eduard, misnoegd over de aarzeling der Vlamingen en hun weinige sympathie voor een volledige aansluiting aan Engeland, zelf het plan liet varen, de rechten van den wettigen graaf Lodewijk beloofde te erkennen en zoo zijn bondgenoot deerlijk in den steek liet. De Koning verliet eindelijk zelfs Vlaanderen, waar de gisting tegenover Engeland, dat zijn buitensporige subsidiebeloften niet nakwam, steeds sterker werd. Artevelde's plan was daarmede geheel vervallen en zijn aanzien daalde sterk, terwijl de kansen van koning Philips en graaf Lodewijk terzelfdertijd stegen. De grond zonk hem onder de voeten weg. Toen hij op den middag van den 24sten Juli 1345 Gent binnenreed, ontving hem een mompelende menigte, die hem weldra volgde, voor zijn zwak bewaakte woning zich opeenhoopte en bedreigingen uitte tegen den man, ‘die Vlaanderen naar zijn wil dacht te regeeren.’ Vooraan lieten zich de gentsche wevers hooren, de ondankbaren, die alles aan hem te danken hadden. Het was een aangrijpend schouwspel, dat zich in den namiddag ontwikkelde in de straat, waar de groote man woonde. Froissard schilderde het ons in heldere kleuren1).

De fiere volksleider verdedigde zich in een aanspraak van uit zijn woning op den Kalanderberg tot de menigte op de straat, vooral tegen de onzinnige beschuldiging van de staatskas naar Engeland te hebben overgebracht. Doch hij slaagde er niet in de menigte tot bedaren te brengen. Reeds dreigde het samengeschoolde volk hem te vermoorden en golfde de zee van het oproer hoog om zijn woning. De edele burger - zoo schildert Froissard het tooneel - vernederde zich opnieuw tot zelfverdediging tegenover de woeste benden, die zijn dood eischten. ‘Mannen, gij hebt mij gemaakt, wat ik ben. Eertijds hebt gij gezworen mij te zullen verdedigen en beschermen tegen alle menschen; nu wilt gij mij dooden, zonder reden. Gij kunt het doen, als gij wilt; want ik ben een eenig man tegenover u allen en ik heb geen verdediging. Maar komt tot uzelven, bij God, en denkt aan de tijden, die geweest zijn.’ Hij wees hun op wat zij hem te danken hadden, op den hoogen bloei van handel en nijverheid in de laatste jaren - het gevolg der nauwe alliantie met Engeland. Niets hielp. ‘Kom af en bepreek ons niet langer van zulk een hoogte! wij willen rekenschap van uw beheer!’ Zoo luidde de algemeene woeste kreet. Artevelde sloot het venster, waaruit hij sprak, trachtte zich in een naburige kerk te redden maar werd gegrepen en door de woedende menigte vermoord.

‘Arme lieden hebben hem omhoog gebracht en slechte lieden hebben hem ten slotte gedood.’ Dat is het grafschrift, door den hem vijandigen maar ridderlijken Froissard hem nagegeven, de slotsom van het leven des grooten Vlamings, van den man, wien zijn tijdgenooten den naam van ‘saige homme,’ den wijze, schonken.

Met zijn dood begon in Vlaanderen - nu zonder meester - een lang tijdperk van anarchie. Wevers en kleine gilden, gilden en poorterij stonden voortdurend tegenover elkander. Nog behielden de wevers eenige jaren lang de overhand maar in 1348 werd hunne macht vernietigd en werden zij bij een hevig oproer ‘gesleghen, verdronken ende tonder ghedaen’. Maar Lodewijk van Nevers heeft dat niet meer beleefd.

Intusschen toch was de krijg tusschen Frankrijk en Engeland in Picardië hernieuwd en graaf Lodewijk was bij Crécy in de zware nederlaag der fransche ridders tegenover de engelsche boogschutters, in de fransche gelederen strijdend gevallen (1346). Hij werd opgevolgd door zijn weinig

[p. 277]

meer beteekenenden zoon, Lodewijk II van Male1), den laatste der vlaamsche Dampierres. Deze vorst onderdrukte in het begin met eenige kracht de oproerige bewegingen, die telkens en telkens weder onder de gilden ontstonden. In de drie hoofdsteden wordt omstreeks 1350 herhaaldelijk melding gemaakt van geweld, vooral tegen de wevers aangewend om hen in bedwang te houden en hen voor hunne engelsche sympathieën te straffen2).

Ernstig vooral werd de toestand, kort nadat Parijs en daarna gansch Frankrijk door den opstand van Etienne Marcel in 1356 in een bloedige revolutie gewikkeld waren geworden. Het voorbeeld van Parijs vond in 1359 ook in Vlaanderen navolging: overal verhieven zich de gilden tegen de poorterij en den adel. De gilden eischten hunne rechten uit de dagen van Artevelde op en de drie hoofdsteden sloten zich weder aaneen tegenover den graaf, die met de grootste moeite en nog eens met hulp van fransche legers twee jaren later eerst weder meester werd in zijn gebied.

Ook deze vlaamsche graaf was sedert van de fransche kroon afhankelijk. Gelukkig voor Vlaanderen hebben de beroemde slag van Poitiers in 1357 en de groote daarop gevolgde boerenopstand in Frankrijk voorloopig een einde gemaakt aan den engelschen krijg. Handel en nijverheid begonnen gedurende deze jaren van vrede te bloeien als vanouds; de vlaamsche steden namen toe in rijkdom en omvang. Maar juist die nieuwe bloei deed ook de gilden wederom in macht toenemen en verwekte nieuwe bewegingen onder hen met het doel den politieken invloed van vroeger te herwinnen.

De belangrijkste beweging van dezen aard was die van 1379 tot 1385 onder leiding van Gent.

 

Lodewijk van Male, door denzelfden geest als zijn vader bezield, wist zich op den duur niet de liefde zijner woelige onderdanen te verschaffen: zijn uitspattingen, zijn verkwistingen, zijn aanhoudende kleine oorlogen kwamen het ongelukkige land duur te staan. Onder die kleine oorlogen waren vooral belangrijk die met Brabant over het bezit van Mechelen. Zij eindigden in 1357 met de inlijving van Mechelen en Antwerpen bij Vlaanderen - een belangrijke vergrooting, wel opwegend tegen het verlies van Rijssel, Douai en Orchies, die in het begin der eeuw aan de kroon van Frankrijk waren afgestaan. Ook deze laatste streken keerden echter nog vóór Lodewijk's dood als erfgoed zijner fransche moeder onder zijn bewind terug. In het algemeen ontbrak het zijn bestuur niet aan glans. Een type van den ridder dier dagen, was graaf Lodewijk zeer feodaal gezind en toonde weinig gevoel te hebben voor het streven der burgerijen. Nog altijd glom het vuur, dat eenmaal de beweging tijdens Jacob van Artevelde had veroorzaakt, onder de asch, doch Lodewijk was niet de man om voorzichtig te werk te gaan en gehoor te geven aan de wenschen der gilden, die hij vreesde en haatte als de geboren vijanden van den adel, als de ondermijners van de macht zijner vaderen en van de zijne. Wel leefde hij in vriendschap met Engeland en wist tegenover koning Karel V van Frankrijk den schijn van zelfstandigheid te bewaren, maar de grootste gevaren dreigden binnenslands: zijn heerschappij berustte, als die zijner voorzaten, niet op de gilden, doch op zijn verbintenis met de ‘poorterijen’ zijner groote steden. Die groote steden waren nog altijd ijverzuchtig op elkander. Gent gunde Brugge niets goeds en omgekeerd. Juist de groote bloei van de vlaamsche handel en nijverheid tijdens den vrede tusschen Frankrijk en

[p. 278]

Engeland in de laatste jaren had de onderlinge jaloezie der steden doen toenemen - het werk des duivels, zegt Froissard.

Vooral Gent en Brugge stonden tegenover elkander en toen de laatste stad van den graaf het recht had gekocht om een kanaal te maken, waardoor de handelsweg van Frankrijk naar het Noorden voortaan niet meer over Gent maar over Brugge zou gaan, brak een openlijke veete uit1). In Gent verhief zich (1379) tegenover den graaf de invloedrijke poorter Jan Hyoens, hoofdman der wevers, onder wiens leiding de gentsche wevers, samenwerkend met de andere gilden van het lakenvak ook in de andere vlaamsche steden, een groot deel van Vlaanderen aan zich onderwierpen, Brugge noodzaakten van het vurig begeerde kanaal naar de zee en de Schelde af te zien, grafelijke kasteelen plunderden en verbrandden en de graaf ten slotte dwongen in hun wil te berusten. Graaf Lodewijk beloofde zelfs te Gent te zullen komen, op aandrang vooral van zijn schoonzoon, den gemaal zijner eenige dochter, Philips den Stoute, hertog van Bourgondië, den broeder des Konings van Frankrijk, dien wij hier voor het eerst in de vlaamsche zaken gemengd zien.

Een algemeene amnestie werd uitgevaardigd. Maar bij zijn komst in Gent zag de graaf weldra in, dat hij, zoolang hij zich in de stad bevond, de gevangene der Gentenaars kon heeten. Reeds bespeurde hij aan alle zijden weder de ‘witte kaproenen’, de hoofddeksels, welker verschijning op de hoofden der gildebroeders steeds met verzet tegen den graaf gepaard was gegaan en die onder den kort te voren gestorven Hyoens weder in zwang waren gekomen. De graaf verwijderde zich weldra heimelijk uit de onbetrouwbare stad en joeg deze daardoor opnieuw tegen zich in het harnas. Andere twisten en moeilijkheden brachten Gent spoedig tot openlijk verzet tegen den landheer, waarbij de machtige stad zich de hulp van Brugge en Yperen wist te verzekeren. Een nieuwe opstand begon Vlaanderen te teisteren. Met groote inspanning en den steun van zijn schoonzoon bemachtigde de graaf Brugge, waar de lakenwerklieden door de andere gilden ten slotte waren overwonnen, benevens Yperen en sloot daarna Gent in. Maar dit sloeg zijn aanvallen af. Een expeditie tegen de oproerige stad in 1381 eindigde weliswaar met een nederlaag der Gentenaars bij Nevele, maar de graaf kon het rumoerige en openlijk of heimelijk met andere steden in naburige landen in verbinding getreden Gent, de hoop der lagere volksklassen in wijden kring, zelfs tot in Normandië, Luik en Holland toe, toch nog niet bedwingen. Onder den hoofdman Pieter van den Bossche bleef de stad weerstand bieden.

Deze hoofdman nu, bevreesd voor het verraad, dat sommige aanzienlijke geslachten in de stad onder den druk der gilden voorbereidden, wendde zich tot den nog levenden jongsten zoon van den grooten volksman, die eenmaal Vlaanderen had geregeerd, tot den veertigjarigen Philips van Artevelde, het peetekind van koningin Philippa van Engeland, bij wie hij na den dood zijns vaders steun en hulp had gevonden. Hij bood Philips het bestuur der stad aan gelijk eenmaal diens vader het had gevoerd (24 Jan. 1381)2).

Philips was met zijn geheele familie door den graaf indertijd verbannen, maar op aandrang van koning Eduard III weder te Gent toegelaten. Hij woonde toen sedert langer dan twintig jaren met zijn moeder rustig in de stad ‘en leefden van hunne renten zeer goed’. Hij aarzelde een oogenblik, maar nam ten slotte Van den Bossche's aanbod aan. Zijn naam wekte alge-

[p. 279]

meene geestdrift. Opnieuw stelde zich een energieke Artevelde aan het hoofd van Gent tegenover den graaf, onder den titel van ‘hoofdman der gemeente’, dien ook zijn vader had gedragen.

Lodewijk sloeg spoedig weder het beleg voor de stad, maar moest het na korten tijd weder opbreken en vergenoegde zich met den toevoer van levensmiddelen naar Gent zooveel mogelijk te belemmeren. De krachtige maatregelen evenwel van Artevelde en de sympathie, die de Gentenaars in Holland, Zeeland, Brabant en Luik bij de steden vonden, het drukke handelsverkeer met die gewesten zelve, maakten deze pogingen bezwaarlijk, totdat èn hertog Albrecht van Holland-Henegouwen èn hertog Wenzel van Brabant, bevreesd voor de dreigende volksbeweging, den vlaamschen graaf hun krachtigen steun in dezen toezegden. De graaf liet nu het gansche land om Gent zooveel mogelijk platbranden en van veldvruchten berooven en slaagde er zoo inderdaad, in hongersnood binnen de stad te doen ontstaan. Artevelde zag zich genoodzaakt tot verre tochten om aan koren te komen. Zijn proviandschepen zwierven op de kusten van Holland en Zeeland rond, gewapende benden Gentenaren waagden zich steeds verder van de hoofdstad. Eenmaal zelfs drong een vlaamsch leger van 12000 man tot bij Brussel, tot Leuven, door, overal door de geheime sympathie der bevolking gesteund. De stad Luik liet openlijk den uitvoer naar Gent toe, het voorbeeld volgend der feodale heeren, die elkander immers ook tegen de steden hielpen. Uit Holland en Zeeland kwam menige geheime zending van mondvoorraad voor de ongelukkige stad. Zoo besloot de graaf ten slotte tot een nieuw beleg.

Een poging der naburige vorsten om Lodewijk met Gent te verzoenen mislukte ten eenenmale, daar de graaf weigerde zelfstandigheid aan de stad te verzekeren. De krijg brak uit. Opnieuw als vóór veertig jaren, klonk op de vlaamsche velden de wapenkreet ‘Gent!’ tegen dien der grafelijke partij: ‘Vlaanderen den Leeuw!’ Onder aanvoering van Artevelde rukten de Gentenaren naar Brugge, versloegen den graaf, drongen de stad binnen en veroverden haar. Lodewijk van Male ontkwam den dood alleen door zich te verbergen en ontsnapte met moeite uit de stad. Brugge werd nu door de Gentenaren geplunderd evenals de nabijgelegen havens Damme en Sluis. Artevelde en Van den Bossche onderwierpen welhaast geheel Vlaanderen aan hun gezag. Artevelde verscheen ook in Yperen en Kortrijk en werd overal ontvangen met groote eerbewijzen, als ware hij heer van Vlaanderen. Men zwoer hem trouw en hulde als aan een graaf, Hij nam den titel van ruwaard van het graafschap aan.

De brabantsche en luiksche steden, ja Parijs en Rouaan, toonden toenemende sympathie met de vlaamsche volksbeweging, die het middelpunt eener groote omwenteling dreigde te worden tegen de feodale maatschappij dier dagen. Overal in de naburige landen dreigden volksopstanden te ontstaan tegen den adel en de vorsten dezer streken, aangestookt soms door vlaamsche afgezanten. Ook in Holland en Zeeland zag men in de steden bewegingen, die denzelfden aard vertoonden. De omstandigheid, dat de krachtige fransche koning Karel V in 1380 overleden was en slechts een minderjarigen zoon nagelaten had onder voogdij van onderling oneenige bloedverwanten, begunstigde dit streven.

Ook de oorlog tusschen Frankrijk en Engeland, sedert eenige jaren, in deze streken ten minste, geheel gestaakt, zou thans opnieuw met vlaamsche hulp in Picardië kunnen ontbranden. Wat er vroeger gebeurd was, toonde aan, dat een vlaamsch-engelsch verbond een groot gevaar voor Frankrijk kon zijn. De sterke democratische sympathieën in dat koninkrijk reeds opgetreden zouden zich onder den invloed van een met de Vlamin-

[p. 280]

gen gevoerden oorlog krachtiger kunnen doen gelden en de fransche monarchie, door een kind vertegenwoordigd, zou wel eens kunnen blijken tegen zulk een schok, van binnen en van buiten te gelijk, niet bestand te zijn. Niet alleen die monarchie maar de gansche feodale maatschappij zou een aanval hebben te doorstaan, beiden van hare felste vijanden. Philips van Artevelde, de van zijn vroegste dagen af met Engeland in verbinding staande erfgenaam der traditiën zijns vaders, zou de groote leider van den volkskrijg worden.

Een talrijk gezantschap van Vlamingen, geleid door Artevelde's medestander, den nieuwen hoofdman van Gent, Frans Ackerman, stak dan ook naar Engeland over en bood een alliantie aan. Maar Eduard III leefde niet meer en zijn jonge kleinzoon Richard II regeerde er onder voogdij zijner ooms, een omstandigheid, die ook de kracht van Engeland verlamde. De Vlamingen begingen bovendien de onvoorzichtigheid de teruggave te vragen van de eertijds door hen aan Eduard III geleende sommen. Ook de feodale maatschappij in Engeland eindelijk werd door bedenkelijke volksbewegingen van denzelfden aard als die op het vasteland bedreigd. In die omstandigheden was de afwijzing van het vlaamsche aanbod niet vreemd.

Deze afwijzing was voor de Vlamingen des te bedenkelijker, omdat van de fransche zijde de feodale heeren zich gereed maakten om het hen uit Vlaanderen dreigende gevaar te stuiten door een krachtigen gemeenschappelijken aanval. Vooral Philips de Stoute, de energieke hertog van Bourgondië, drong erop aan een algemeenen oorlog tegen de Vlamingen te ondernemen en hij was het invloedrijkste lid van het fransche regentschap. De oorlog werd dan ook aangevangen. De jonge koning Karel VI zelf begaf zich met zijn ridders naar Artois om weldra de Leye, de grensrivier van Vlaanderen, te naderen (October 1382). Alles, wat noordelijk Frankrijk aan schitterenden adel bezat, sloot zich aaneen om de vlaamsche volksbeweging te bedwingen. Bij Commines overschreed een talrijk ridderleger de Leye en drong Vlaanderen binnen, geleid door den connétable de France zelven, zoodat Artevelde het juist aangevangen beleg van Oudenaarde ophief en met zijn geheele macht naar de grens trok.

Een eerste gevecht1) bij den overtocht over de rivier viel ten voordeele der aanvallers uit en duizenden Vlamingen sneuvelden. Pieter van den Bossche werd zwaar gewond. Maar Artevelde snelde thans naar Gent en riep alle burgers tot den laatsten man op, nog eenige hoop voedend op de thans ter elfder ure toegezegde hulp uit Engeland, waar men ten slotte de schoone kans om Frankrijk te vernederen wenschte aan te grijpen. Reeds was Yperen den Franschen in handen gevallen; de omliggende plaatsen gaven zich evenzoo spoedig over; Brugge toonde neiging tot afval.

Met omstreeks 50.000 Vlamingen, waaronder evenwel alleen de Gentenaren volkomen te vertrouwen waren, rukte Artevelde opnieuw tegen de fransche legers op en stootte op hen in de vlakte van Roosebeke bij Kortrijk. Daar had den 27sten November 1382 een bloedige slag plaats, waarin de geoefende fransche ridders opnieuw de overhand behielden boven de burgers en boeren. Artevelde zelf viel dapper strijdend met de wapenen in de hand. Het lijk van den ongelukkigen ruwaard werd opgezocht en aan een boom opgehangen. ‘Dat was het ellendige einde van Philips van Artevelde’2).

Froissard, die met eenigen hartstocht dit alles beschrijft, zegt terecht, dat deze slag van groot belang was voor den ganschen adel der Christen-

[p. 281]

heid. Hadden de Vlamingen gewonnen, wie kan zeggen, wat er dan uit deze beweging zou zijn voortgekomen? In Frankrijk heerschte in de steden en ten platten lande een bedenkelijke gisting, dreigend met een hernieuwing der vreeselijke boerenopstanden van voor 20 jaren1). In Engeland was de sedert lange jaren geplaagde boerenbevolking evenzoo het dulden moede en hadden Wat Tyler en de zijnen kort te voren (1381) de vaan van den opstand verheven; wel waren zij bedwongen maar de geest, die hen tot opstand had gebracht, was nog op verre na niet uitgedoofd en deed zich nog lange jaren gevoelen. In de duitsche steden was de verbittering tegen den roofzuchtigen adel hoog geklommen en barstte even later (1386) uit in den stedenoorlog, vooral in Zwaben en aan den Boven-Rijn. Kortom, ware de slag bij Roosebeke door Artevelde gewonnen, een algemeene volksbeweging had in een groot, deel van Europa voor de deur gestaan. Doch nu zegevierde de ridderschap en haar zege maakte allerwege diepen indruk.

 

Artevelde's dood was de redding van den adel uit het dreigende gevaar van den ondergang, nu het ridderwezen tegenover de burgerijen, tegenover de onvrije bevolking van het platteland zelf, in ongunstiger verhouding was komen te staan dan in vroeger eeuwen het geval geweest was.

Dit was vooral veroorzaakt door de uitvinding van het vuurwapen en door de opkomst der huurlegers.

Zwaard en lans waren altijd de wapenen van den ridder geweest. De lange ridderkling der 14de eeuw2) en de nog langere scherpe lans waren tegenover de ‘morgensterren’ en ‘goedendagen,’ de strijdvlegels en knodsen van het voetvolk der stedelingen en boeren deugdelijke verdedigingsmiddelen, daar zij den vijand op een behoorlijken afstand konden houden; de overoude strijdhamers en strijdbijlen daarentegen geraakten met het handgemeen meer en meer in onbruik. Moeielijker werd reeds de kamp van den ridder tegen den uit de verte gespannen ahornen boog en den esschenhouten pijl met ijzeren punt, het meer en meer geliefkoosde werpwapen van het voetvolk der Middeleeuwen, waarin vooral de Engelschen der 14de eeuw uitmuntten. In de groote veldslagen, tusschen Engelschen en Franschen in die eeuw geleverd, heeft de engelsche handboogschutter, slechts weinig belemmerd door zijn lichten last en met groote vaardigheid optredend, menigmaal den strijd te zijnen gunste beslist, zelfs tegenover den zwaren armborst of kruisboog, waarmede vooral de Genueezen in de fransche legers zoo goed terecht konden. Ook de zeer groote vaardigheid vereischende kunst van den balearischen slingeraar, die in dezen tijd in de legers van West-Europa optrad, moest voor die van den handboogschutter wijken.

In nog slechter toestand evenwel kwam de ridder door het invoeren van het vuurwapen in den aanvang der 14de eeuw. Het uit salpeter en zwavel samengestelde schietkruit was reeds in de vroege Middeleeuwen, ja misschien reeds in de grijze oudheid bekend3): het ‘grieksche vuur,’ waarin deze beide grondstoffen voorkomen, werd vermoedelijk reeds in Rome's tijd, zeker in de 7de eeuw gebruikt. Men vindt sedert de 10de eeuw in het Zuid-Oosten en Zuiden van Europa, houten of rieten buizen, die dergelijk vuur naar den vijand werpen, weldra tijdens de Kruistochten ook in het Westen. ‘Vuurlansen’ en ‘vuurraketten’ komen op het einde der 13de eeuw ook aan den Neder-Rijn in den krijg voor. Zij werden, behalve

[p. 282]

voor het stichten van brand, thans ook gebezigd tot het voortdrijven van steenen of metalen kogels in 's vijands richting. Het schijnt, dat een omstreeks 1300 levend monnik aan den Rijn, de overigens onbekende Berthold Schwarz - zeker niet de ‘uitvinder’ van het ‘kruit’ - op de verbetering van het bestaande vuurwapen en het gebruik daarvan als werpkracht een grooten invloed heeft gehad1). Sedert, na 1340, vinden wij dit geduchte wapen in onze streken in gebruik, eerst waarschijnlijk in den vorm van houten kanonnen of, als ‘arquebuse,’ kruisboog met vuurraketten, eindelijk het eigenlijke handkanon, en het gesmede ijzeren kanon, omstreeks twintig jaren later in Vlaanderen en Brabant bekend. De beroemde ijzeren ‘Dulle Griete’ te Gent, ruim 5 M. lang en van 0.064 M. kaliber, is van omstreeks 1380.

Door deze ‘engienen’ was het mogelijk den ridder uit de verte te treffen met een kracht, waartegen zijn wapenrusting niet bestand was. Met ergernis zag dan ook de ridderschap deze nieuwigheid opkomen; ijverig daarentegen maakten de stedelingen gebruik van het machtige oorlogswerktuig, dat den krijg, vroeger een moeilijk te leeren handwerk, welks beoefening hoofdzakelijk aan een daartoe bepaaldelijk bestemden maatschappelijken stand moest worden overgelaten, veel gemakkelijker maakte. Steenen, ijzeren, looden kogels, ja zelfs bommen komen reeds vóór 1400 voor en hebben menigen ridder het leven gekost, bij menig beleg tegen zware kasteelmuren goede diensten gedaan.

Evenzeer als het vuurwapen was de huursoldaat een bedreiging voor den ridderstand. Reeds Philippe Auguste van Frankrijk had omstreeks 1200 gebruik gemaakt van huurtroepen, naar het hun betaalde ‘sold’ ‘soldoyers’, ook ‘soldats’, genoemd2). In den slag bij Bouvines streden, naar men meldt, reeds 20.000 van die ‘soldaten’ en sedert komen zij in bijna alle groote veldslagen voor, nu eens talrijker dan weder minder in getal3). Vooral in den engelsch-franschen krijg werden huurtroepen gebruikt. Benden, ‘compagnieën’ huursoldaten vormden zich onder aanvoering van hun ‘kapiteins’ en dienden voor soldij de strijdende partijen, vooral die des franschen Konings. Plunderzucht en veilheid waren van het begin af de grootste ondeugden dezer benden, die evenwel de legers der ridderschap spoedig overvleugelden. In de dagen van den beroemden franschen legeraanvoerder Bertrand du Guesclin (1370) werden de huurtroepen nog talrijker, nog invloedrijker: de krijg werd toen bijna uitsluitend met huurbenden gevoerd en de Franschen hebben hun succes tegenover de Engelschen in dezen tijd vooral te danken aan het voortreffelijke gebruik, dat veldheeren als de genoemde van zijn soldaten wisten te maken.

Uit Frankrijk drong het gebruik dezer benden ook in de Nederlanden door, zoodra de vrede min of meer hersteld was.

Natuurlijk bevorderden èn de vorsten èn de steden de ontwikkeling van het soldatenwezen. De eersten, die gemakkelijker geld van hunne onderdanen konden verkrijgen dan hen bewegen zelf ten strijde te trekken, werden door het huren van legerbenden minder afhankelijk van die onderdanen: de huurlegers gehoorzaamden hunnen betaalsheer alleen. De steden betaalden, als het noodig was, liever een aanzienlijke soms gelds dan dat zij haar eigen bevolking aan de kansen van een op verren afstand gevoerden oorlog blootstelden en haar voor geruimen tijd èn aan de verdediging der eigen stad èn aan hare gewone bezigheden onttrokken. En het aantal der

[p. 283]

huursoldaten was reeds zoo groot, dat zij voor goed geld altijd verkrijgbaar waren.

Zoo werd de ridderstand bedreigd in zijn recht van bestaan: de krijg, waarvoor hij was bestemd, ging van de handen der ridders over in die van soldaten van beroep. Zij moesten in dezen laatsten stand ten slotte opgaan, wilden zij niet geheel den grondslag van hun bestaan verliezen: de beroepssoldaten, van krijg tot krijg trekkend, een waar avonturiersleven leidend, van plundering en buit levend, naar de eischen van den tijd gewapend, overtreffen de ridders in hun eigenlijk beroep. Vele ridders treden als leiders van huurlingen, ‘condottieri’, op en zwerven van land tot land.

Er was meer, wat de ridders der 14de eeuw deed afdalen van het hooge standpunt, waarop zij eertijds in de maatschappij hadden gestaan.

In de eerste plaats hunne verwording ten gevolge van de eeuwigdurende veeten, die zij onderling hadden uit te vechten en waarin zij hunne krachten - lichamelijke en financieele - verspilden, niet het minst ook in de tallooze en dikwijls bloedige tournooien, die daarom in de 14de eeuw door de vorsten zeer beperkt werden en een minder ernstig karakter kregen. Het voorbeeld van graaf Floris V van Holland, die vond1), ‘dat hi al te luttel ridderscips in sinen lande hadde’, en daarom veertig van ‘die rijcste ende eerbaerste huyslude, die wel gegoet waren ridderstaet te houden’ aan zijn hof riep, ze tot ridder sloeg en met wapens begiftigde, bewijst, dat ook in de 13de eeuw reeds sommige oorzaken - onze kroniekschrijver noemt gevechten en sterfte - de kracht der west-europeesche ridderschap ernstig hadden ondermijnd.

Froissard, de groote geschiedschrijver der daden van den 14de eeuwschen adel, geeft ons menigen wenk omtrent den achteruitgang van de ridderschap dier dagen op het vasteland. Voor hem staat niet meer de fransche of de nederlandsche ridderschap - van de ruwere duitsche kon in dit opzicht geen sprake zijn - aan de spits der toenmalige ridderlijke wereld maar de ‘prouesse’, de ridderlijke dapperheid, vindt toenmaals hare beste vertegenwoordigers in Engeland, aan het roemrijke hof van Eduard III en den Prins van Wales, als ‘Zwarte Prins’ in de geschiedenis der 14de eeuw beroemd.

En de dichterlijke litteratuur van het tijdvak geeft evenzeer getuigenis van hetzelfde feit. De roman ‘van de Roos’ toont, hoe bloote vormendienst, mode, onzedelijkheid onder den adel veld gewonnen hebben. De ideale ridderdichten der 12de en 13de eeuw zijn niet meer van toepassing op de toestanden van dien lateren tijd. De tournooien hebben hun bloedigen ernst verloren en zijn spelen geworden, waar meer op sierlijke kleeding, op elegante vormen en bewegingen, op hoofsche manieren, op heraldieke kennis wordt gelet dan op de kracht en de vaardigheid in het overwinnen van den tegenstander. De vrouwendienst is ontaard in minnespel, de eerbied voor de edelvrouwen is zeer gedaald en vervangen door minachting voor de preutschheid van de enkelen onder haar, die nog op vrouweneer prijs stelden. De strijd voor de Kerk is met die Kerk zelve in aanzien afgenomen en geen ridder denkt er meer aan het nauw te nemen met zijn ridderplicht in dezen. Wie bemoeide zich nog met de ongeloovigen anders dan door op een zoogenaamden ‘kruistocht’ een gemakkelijke overwinning te behalen door het doodslaan van halfwilde boeren op de velden van Polen en Litthauen, of hoogstens door in de vlakten van Andalusië of elders in Spanje moorsche dorpen uit te plunderen2)?

[p. 284]

In de maatschappij van de tweede helft der 14de eeuw had de ridder weinig andere beteekenis dan die van een landheer, die, trotsch op zijn afkomst, zijn boeren zooveel mogelijk exploiteert en daardoor de kosten tracht machtig te worden voor zijn levensonderhoud en dat zijner familie, voor de feesten, die hij in brooddronkenheid viert, voor de weelderige tournooien. Met minachting zag hij neder op den boer, op den koopman der steden, op den gildebroeder, die zich vermoeiden om te werken voor den kost. Hij teerde op de andere standen, die hij meer en meer begon te beschouwen als van nature bestemd om hem en de zijnen te dienen.

Met het toenemen van de macht dier verachte burgers en boeren, van hun invloed in den staat moest echter ook bij hen de vraag zich steeds krachtiger opdringen, waartoe dan toch eigenlijk de adel, die van zijn beteekenis voor de verdediging des lands zooveel verloren had, nog dienen moest. In hetzelfde Engeland, waar Froissard den zetel meende te moeten zoeken van de edelste ridderschap zijner dagen, sprak deze gedachte uit in de spottende vraag:

 
‘When Adam delved and Eve span,
 
Who was then a gentleman?’

* * *

 

Er is een belangrijk verschil tusschen de twee groote volksleiders uit het geslacht van Artevelde. Jacob was een krachtige persoonlijkheid, een diepzinnig staatsman, een zelfbewust volksleider, een krachtig organisator, wiens denkbeelden op de economische behoeften van zijn land waren gegrond, een grootsche figuur in de wereldgeschiedenis. Zijn zoon Philips daarentegen, niet uit eigen beweging optredend maar als zoon zijns vaders door de menigte uit zijn woning gehaald en aan haar hoofd gesteld, is ontegenzeggelijk ook een man van beteekenis geweest, maar hij was niet berekend voor de moeilijke taak, die hem min of meer tegen zijn zin werd opgelegd en die ten slotte zou uitgeloopen zijn op de leiding eener groote sociale revolutie. En al is de vader ellendig omgekomen onder de mishandelingen eener opgeruide woedende volksmenigte, doch de zoon in eerlijken strijd tegen den buitenlandschen vijand gevallen, de sympathie der nakomelingschap heeft zich met juist instinct in de eerste plaats tot den vader gewend, wiens standbeeld zich fier verheft op de historische plek, die zoo menigmaal getuige was van zijn mannelijk optreden.

Maar nog leefden Pieter van den Bossche en Frans Ackerman, de medestanders en trouwe vrienden van Philips van Artevelde. Door hen geleid, bleven de Gentenaren hardnekkig de onderwerping weigeren, niettegenstaande den aandrang van Philips van Bourgondië en Lodewijk zelven, tegenover wie zij alle vertrouwen verloren hadden. Zij rekenden steeds op de hulp van koning Richard II van Engeland, die reeds aanvankelijk een zijner ridders, Jean le Boursier, had gezonden om hen te raden en hun behulpzaam te zijn tegenover de aanrukkende fransche legers. De stad verwierp dan ook het voorstel van eenige leden der poorterij om zich met den graaf te verzoenen. Zelfs de stilstand van den handel ten gevolge van de onlusten in Vlaanderen kon de Gentenaren niet doen buigen, evenmin als de toenemende ellende. Het land der Vier Ambachten werd door fransche benden verwoest, maar Gent bleef standvastig en droeg het bestuur op aan den vertegenwoordiger van den engelschen Koning. In 1383 zelfs belegerden de moedige burgers met eindelijk afgezonden engelsche hulp Yperen wederom, maar moesten voor het fransche leger

[p. 285]

wijken. Tot ergernis van graaf Lodewijk werd eindelijk in het najaar een wapenstilstand gesloten tusschen Engeland en Frankrijk, waarin tegen zijn wil ook Gent werd begrepen.

Gedurende dien wapenstilstand overleed Lodewijk van Male den 30sten Januari 1384 te St. Omer en werd als graaf van Vlaanderen, van Artois, van Nevers en Réthel opgevolgd door zijn machtigen schoonzoon, hertog Philips den Stoute van Bourgondië.

De komst tot den vlaamschen troon van den energieken, machtigen, ook buiten de adellijke kringen gezienen vorst besliste de zaak van Gent, al trad hier, nog namens den engelschen koning, Jean le Boursier voorloopig als ruwaard op. Gentsche poorters openden de onderhandelingen met Philips, wisten de machtige gilden der brouwers en schippers heimelijk voor hun plan te winnen en ook Frans Ackerman over te halen. Gent zou zich aan Bourgondië onderwerpen, mits een algemeene amnestie werd uitgevaardigd. In het geheim werd alles voorbereid. Op een Novemberdag in 1385 vertoonden de saamgezworenen zich met hunne banieren op de beroemde Vrijdagsmarkt, het tooneel van zooveel volksbewegingen in de rumoerige stad. Wel trachtten Jean le Boursier en de onverzoenlijke Pieter van den Bossche nog de zaak van Engeland te redden, maar het volk viel hun af en verklaarde zich voor de bourgondische partij. De hertog, die den opstandelingen zooveel mogelijk te gemoet kwam door het gebruik van het vlaamsch in officieele brieven aan hen gericht te beloven, hun op kerkelijk gebied alle vrijheid te laten en den gilden aandeel in het bestuur toe te staan, sloot te Doornik den 18den December vrede met Gent en werd er spoedig daarna gehuldigd. Pieter van den Bossche begaf zich met Jean le Boursier naar Engeland. Frans Ackerman bleef in de stad, waar thans weder de oude geslachten terugkeerden en de macht der gilden niet langer overheerschte; hij werd er een paar jaren later door een zijner vijanden vermoord1).

Zoo eindigden de gentsche woelingen, sedert door de zware hand van den bourgondischen hertog met kracht onderdrukt. Zoo eindigde het heldentijdperk der vlaamsche gilden met de zegepraal van den landsheer, den machtigen Bourgondiër, die voortaan, gelijk eertijds zijn voorgangers, hoofdzakelijk bleef steunen op de aanzienlijke familiën, op de poorterijen.

Toch hadden de gebeurtenissen der eeuw dezen invloed, dat thans in de vlaamsche steden naast de poorterij ook de gilden in het bestuur toegelaten werden; hunne dekens spelen sedert in het stadsbestuur een belangrijke rol. De uitsluitende heerschappij der poorterijen is voorgoed gebroken. In de legers, die de steden ter beschikking van den landsheer stellen, treden de ook militair georganiseerde gilden op; hun invloed op den gang der zaken is gevestigd. En de stemmen der drie groote steden: Gent, Brugge en Yperen, deden zich ook in het landsbestuur gelden. Alleen deze groote steden legden in Vlaanderen gewicht in de schaal. Sedert Artevelde's dagen toch waren de ‘drie leden’ van Vlaanderen, de drie districten, ieder door een der groote steden geleid, tot een vaste indeeling geworden. Raadpleegde de vorst zijn onderdanen, dan waren die drie leden de eenigen, wier stem hij hoorde.

 

De vlaamsche woelingen sedert 1340 hebben aan den vlaamschen handel en de vlaamsche nijverheid, in de eerste helft der eeuw nog zoo krachtig omhoog strevend, een knak gegeven, waarvan zij slechts langza-

[p. 286]

merhand en ten deele zich weder hebben kunnen herstellen1). De geldmiddelen der steden zijn geruïneerd, de armoede neemt hand over hand toe, de inkomsten uit de accijnsen verminderen schrikbarend, de vreemde kooplieden klagen over de onveiligheid van hun eigendom en over bemoeilijking van hun handel. Koning Eduard III lokte bovendien vele nijvere Vlamingen naar zijn land, in het bijzonder naar de oostkust, naar Lincolnshire, en maakte zoo Engeland tot mededinger van Vlaanderen; honderden vlaamsche handwerkslieden gaven gehoor aan de voordeelige aanbiedingen, hun door den Koning gedaan; andere honderden werden ten gevolge der woelingen uit Vlaanderen verbannen. Graaf Lodewijk van Male trachtte bovendien zijn oproerige onderdanen door belemmering en verbodsmaatregelen in hunnen handel en hunne nijverheid te treffen en dit gelukte hem maar al te wel.

De Hanze, het machtige handelslichaam, dat bijna alle steden aan de duitsche kusten van Noord- en Oostzee omvatte, had in het rijke Vlaanderen, in Brugge vooral, een voornaam steunpunt gevonden2). In 1252 had gravin Margaretha den reeds vroeger in hare staten verkeerenden duitschen kooplieden groote voorrechten geschonken. Te Brugge3) ontmoetten de daar sedert het midden der 13de eeuw tot een zelfstandige corporatie vereenigde duitsche kooplieden de handelaars uit de naburige landen, weldra ook uit Spanje en Italië, die er de produkten hunner plaatsen van herkomst kwamen verhandelen tegen die van het Noorden en Oosten van Europa. Brugge, aan het voor de toenmalige zeeschepen toegankelijke Zwin, werd zoo de stapelplaats, de wereldmarkt voor allerlei handelsgoederen. De woelingen op het einde dier eeuw hadden een tijdelijke verhuizing van vele kooplieden uit Brugge naar Aardenburg, dat dichter bij de zee lag en veiliger woonplaats aanbood, ten gevolge gehad. Ook hier had de veiligheid ten slotte te wenschen overgelaten; de kooplieden werden door de fransche zeeroovers herhaaldelijk bemoeilijkt. Zoo hadden sommigen hunner zelfs hun zetel tijdelijk naar het rustiger Dordrecht overgebracht (1276). Later (1280) zijn zij wederom naar Aardenburg terug gekeerd. Ook Damme, Sluis en de kleinere plaatsen aan het Zwin trachtten soms een deel van den handel voor zich te verkrijgen. Eerst in 1310 waren de kooplieden voorgoed naar Brugge teruggekomen, gelokt door nieuwe voorrechten en gunsten, hun door graaf Robert en de stad zelve toegekend.

Sedert waren zij in Brugge een zeer begunstigde kolonie van tijdelijk - immers voornamelijk in den vaartijd, den zomer - daar gevestigde kooplieden, sedert 1347 met eigen statuten, eigen rechtspraak, eigen bestuur, met invloed op marktwezen en tol. Geleid door zes oldermannen, uit de wendisch-saksische, westfaalsch-pruisische en gotisch-lijflandsche ‘natiën’ gekozen, vormden deze kooplieden er de ‘communitas mercatorum de Alemannia’, een kleinen staat in den staat, beschermd door de in de tweede helft der 14de eeuw machtig omhoog strevende Hanze, de beheerscheres der noordelijke zeeën. Het karmelieter klooster was er hunne plaats van bijeenkomst, de zetel hunner oldermannen, ja min of meer hun centraal pakhuis. De duitsche kooplieden woonden toen nog bij de burgers der stad in en bezochten van Brugge uit de naburige markten van Brabant en Vlaanderen. De Bruggelingen zorgden zooveel mogelijk voor een

[p. 287]

geregelde verbinding met de zee1), voor behoorlijke diepte en breedte van het vaarwater, voor de noodige sluiswerken, met name te Damme, zelfs voor kanalen ter vervanging van de oude verzande vaargeul; zij bouwden kranen en wagen, richtten markthallen in, hielden het oog op de wisselbanken, letten op de rechtszekerheid van den koopman, vergemakkelijkten op allerlei wijze het verkeer ten einde den voor de stad voordeeligen wereldhandel te behouden.

Brugge werd zoo omstreeks 1300 niet alleen het middelpunt van den goederenhandel voor de gansche Rijn-, Maas- en Scheldestreek, voor gansch Noord-Frankrijk ook, maar tevens de stad, waar de geldhandel, de wisselhandel vooral, zich met groote kracht ontwikkelde. Hier begon het krediet krachtig zijn zegenrijke werking te doen gevoelen. Hier zag men het assurantiewezen zijn eerste vlucht nemen. Hier, op de brugsche beurs, ontmoetten de kooplieden uit het Noorden en Oosten van Europa die van de groote italiaansche handelssteden. Lübeck en Hamburg reikten te Brugge de hand aan Genua, Pisa en Venetië.

De woelingen der 14de eeuw stuitten deze schoone ontwikkeling. De duitsche koopman, door de opgelegde lasten, de heerschende onrust, den achteruitgang der industrie in Vlaanderen ernstig getroffen, door de afgunst der Vlamingen benadeeld, begon omstreeks 1350 weder ernstig te klagen over dit alles. Men trachtte hem tevreden te stellen, vooral te Brugge zelf, maar slaagde hierin niet ten volle2). Van 1350 tot 1360 trok de duitsche koopman onder leiding van het machtige Lübeck met zijn stapel en zijn kantoor der duitsche Hanze weder naar Dordrecht. Maar de vrede met Brugge werd in het laatstgenoemde jaar hersteld, vooral ten gevolge van de houding van Kampen, dat met zijn handel te Brugge gebleven was. De herstelde vrede beloofde nieuwen handelsbloei voor de stad3). Maar de woelingen van omstreeks 1380 deden deze belofte te niet en allerlei moeilijkheden volgden. Lodewijk van Male toonde veel minder inzicht in de behoeften van zijn land dan zijn voorgangers en verjoeg in 1383, om de vlaamsche steden te benadeelen, de kooplieden uit Vlaanderen, hen beschuldigend van samenspanning met zijn oproerige onderdanen. Wel had hij niet de macht om zijn bevel onmiddellijk uit te voeren, maar de Hanze trok zich toch weldra weder terug naar Dordrecht, vestigde in 1387 in die stad opnieuw haren stapel, schreef in 1388 een algemeen handelsverbod tegen Vlaanderen uit en sloot met Dordrecht en hertog Albrecht van Holland voordeelige overeenkomsten. Zij weigerde langen tijd terug te keeren naar het onveilige Brugge, welks handelsbloei deerlijk geknakt was. Eerst in 1393 keerden de Hanze-kooplieden in plechtigen optocht naar Brugge terug4).

Bij dat alles kwam nu nog de toenemende verzanding van het Zwin en andere vlaamsche zeewegen, waardoor Brugge vooral getroffen werd en waaraan de beroemde handelsstad ten slotte haren val te wijten heeft gehad. Gent weet zich nog te verheffen maar Brugge en Yperen zien hunnen handel grootendeels overgaan op het beter gelegen Antwerpen, de stad, die later alle andere in de Nederlanden zou overschaduwen en die sedert den vrijbrief van hertog Antonie van Brabant in 1409 de duitsche kooplieden in steeds grooter getal binnen hare muren zag komen.

Met weemoed moet de Vlaming van het einde der 14de eeuw reeds de hallen van Yperen en van Brugge hebben beschouwd, gedenkteekenen uit

[p. 288]

den vervlogen bloeitijd van industrie en handel in die plaatsen, op den duur onherroepelijk tot de rol van ‘villes mortes’ veroordeeld, al zouden zij onder de heerschappij van den bourgondischen landsheer nog lang haren glans behouden.

 

Ook op intellectueel gebied was Vlaanderen sedert het midden der 14de eeuw niet meer, wat het omstreeks 1300 was: de stoffelijke achteruitgang was met den geestelijken hand in hand gegaan, de letterkunde van de dagen van Maerlant had in frischheid veel verloren1). Wat is Jan Praet, de dichter van de ‘Leeringhe der Zalichede’, in vergelijking met den Wijze van Damme? Boendale's ‘Teesteye’ volgt den grootmeester der dietsche taal op waardiger wijze na, vooral echter in zijn ‘Leekenspieghel’ en zijn ‘Doctrinale’, zedekundige werken van groote beteekenis voor de kennis der denkbeelden van zijn tijd, voor het begrijpen van die burgers, van wie de vlaamsche vorsten feitelijk afhankelijk zijn. Niet adel en geestelijkheid maar burgers en boeren zijn de steunpilaren der maatschappij geworden voor deze schrijvers, die evenwel met toenemende vrees den wassenden stroom der gildenmacht zien aanrollen en bij de gegoede burgerij, de gezeten bevolking, meer en meer hun heil zoeken. Boendale stierf waarschijnlijk in 1365. Na hem moet Jan de Weert uit Yperen genoemd worden, schrijver van den ‘Nieuwen Doctrinael’, evenzoo uit het midden der 14de eeuw, fel hekelaar van de maatschappelijke gebreken van zijn tijd, van de domme en geldgierige, onkuische en wereldsgezinde geestelijken zoowel als van den roofzuchtigen adel, den hebzuchtigen koopmansstand. Hij volgde Maerlant's Martijngedichten na in zijn ‘Wapene Rogier’, waarin opnieuw zijn tijd de spiegel wordt voorgehouden.

Maar hij was de laatste van Maerlant's groote navolgers; met hem stierf het geslacht van Maerlant's leerlingen uit: de nieuwe maatschappelijke toestand eischte nieuwe vormen voor de letteren en zou die in de rederijkerskunst doen geboren worden. Dichters als de Brusselaar Hein van Aken, die den roman ‘van de Roos’ in het Nederlandsch bewerkte, behooren nog meer dan Boendale en De Weert eigenlijk tot een vroeger tijdperk. De oude burgerdichters verdwenen in het land, waar zij waren opgekomen; de rederijkerskunst zou eerst in de volgende eeuw in het dan opnieuw bloeiende Vlaanderen haren hoofdzetel vinden. Intusschen was de goede tijd der ‘boerden’ en ‘sproken’ gekomen, wel letterkundige genres van bepaald burgerlijke kleur maar die hunne vertegenwoordigers slechts bij uitzondering in Vlaanderen hebben gevonden. Daarnaast de devote letterkunde, die haar oorsprong elders had aan te wijzen. Vlaanderen was in de nederlandsche gewesten omstreeks 1400 niet meer het middelpunt der letterkundige beschaving, die zich toen in Brabant en de noordelijker streken, in Holland en Utrecht, begon te verheffen.

Ook het platteland van het graafschap toont in het laatst der 14de eeuw onmiskenbare teekenen van achteruitgang. De dorpen nemen af in bevolking. De vreeselijke verwoestingen in den burgeroorlog, de drukkende heerschappij der groote steden, de herhaalde stilstand van handel en nijverheid zijn ook daar zoovele oorzaken van dit verschijnsel. De groote overstroomingen der eeuw doen het overige, vooral die van 1377.

De macht, die hier onbetwistbaar vooruitgaat, is die van den landsheer, die na iedere overwinning een aanval doet op de vrijheden der groote gemeenten. Na den slag bij Cassel, na den val van Jacob van Artevelde, na den slag bij Roosebeke vooral verdwijnt menig voorrecht in

[p. 289]

menige stad en breidt zich de landsheerlijke macht uit. Vooral na den slag bij Roosebeke. De vlaamsche graven uit het huis van Dampierre hadden niet te beschikken over de macht, noodig om hunne volkrijke steden onder den duim te houden; zij moesten bij iedere dreigende ongeregeldheid in hulpelooze wanhoop het oog richten naar den franschen Koning, die misschien in staat zou zijn om hen te redden. Was de redding volbracht en de Koning naar zijn hoofdstad teruggekeerd, dan bleek de aan zich zelf overgelaten graaf spoedig niet meer bij machte duurzame vruchten van het behaalde succes te plukken en was hij weldra weer genoodzaakt zijn onderdanen concessies te doen. Maar dat veranderde na den slag bij Roosebeke en den dood van Lodewijk van Male. De nieuwe machtige landsheer, de hertog van Bourgondië, beheerscher van een uitgestrekt gebied buiten Vlaanderen, streeft met taaie volharding van den beginne af naar de vestiging van een toestand, die hem den gelijke moet maken van den Koning van Frankrijk, zijn opperheer en mededinger tevens. Het is zijn streven om alle landen onder zijn heerschappij zooveel mogelijk centraliseerend en monarchaal te besturen en alle vrijheidszucht, alle verzet te smoren in de geboorte. De volgende eeuw zou toonen, dat het hem daarmede ernst was; de 16de eeuw zou zijn definitieve zegepraal begroeten; Bourgondië zou van Vlaanderen uit zijn zegetocht door alle Nederlanden aanvangen en met zijn grondgebied ook zijn landsheerlijke macht voortdurend zien groeien.

De geschiedenis der Arteveldes vertoont duidelijk het karakter van dit tijdperk der nederlandsche geschiedenis. Overal, gelijk in Vlaanderen, trekt de steeds wassende bourgondische vorstenmacht ten slotte het meeste voordeel uit de binnenlandsche woelingen in de verschillende gewesten. Ook in dit tijdperk eindigen de heftige sociale bewegingen met de zegepraal eener vorstelijke heerschappij, die steeds meer naar het monarchale absolutisme streeft en daarmede naar de vereeniging van alle nederlandsche gewesten onder haar heerschappij in één staatsverband, het bourgondische.