onder de hoede van de
Engels-Nederlandse taalkundige William Sewel te Amsterdam. Omstreeks 1695
vertrok Langendijk naar Den Haag, waar zijn moeder een linnenwinkel opzette.
Hij werd wever en patroontekenaar, kwam in contact met kunstenaarskringen en
ging zich op de dichtkunst toeleggen. Vestigde zich in 1722 met zijn moeder in
de omgeving van Haarlem. Na haar dood (1727) trouwde hij. Door het verkwistende
leven van de beide vrouwen ging zijn fortuin evenwel verloren; in 1747 moest
hij zijn verzameling boeken, schilderijen, tekeningen en prenten te gelde maken
en in 1749 redde het Haarlems stadsbestuur hem uit de nood door hem tot
stadshistorieschrijver aan te stellen en hem kosteloos een plaats te
verschaffen in het Proveniershuis.
In zijn godsdienstige poëzie (die in het vergeetboek
is geraakt) doet Langendijk zich kennen als man van doopsgezinde signatuur, in
politiek opzicht blijkt hij orangistisch. Een echte 18de-eeuwer is hij in zijn
voorliefde voor herders- en visserszangen, zoals ook uit zijn
gelegenheidspoëzie blijkt. Ook de tragische, historische, satirische en
burleske genres boeiden hem. Als factor van de Haarlemse kamer Trou Moet
Blycken (vanaf 1721) schreef Langendijk de jaargedichten van 1724 tot 1744.
Deze hebben alle een onderwerp uit de geschiedenis der Hollandse graven en
verschenen in 1745 - in een tweedelige prachtuitgave met gravures door
Langendijks neef Hendrik Spilman - onder de titel De Graaven van Holland, in
jaardichten beschreven. In 1762 zag de bundel Willem de Eerste, Prins
van Oranje het licht, negen jaardichten uit 1747-1756, gecompleteerd met
een tiende van J. van Marshoorn, Langendijks opvolger als factor. Het bekendst
is Langendijk door zijn vele Frans-classicistische blijspelen, waarvan met name
het Wederzijds huwelijksbedrog (1714) en De wiskunstenaars of 't
gevlugte juffertje (1715) als zeer geslaagd beschouwd kunnen worden.
Langendijks Haarlemse stadsgeschiedenis kwam niet tot een uitgave, maar het hs.
bleef bewaard en werd gebruikt door G.W. van Oosten de Bruyn voor zijn De
stad Haarlem en haare geschiedenissen (dl. 1, 1765).