De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Roland Holst-van der Schalk, Henriette Goverdine Anna

Nederlandse dichteres en prozaschrijfster (Noordwijk 24.1.1869-Amsterdam 21.11.1952). Dochter van een gefortuneerde, liberale notaris; was enige jaren op een meisjesinternaat en ter wille van het Frans een winter in Luik. Kwam al jong in verzet tegen het heersende materialisme in haar omgeving. Haar jeugdwerk (in 1969 gepubliceerd) toont haar vroege ontwikkeling van romantisch en retorisch rijmwerk naar hartstochtelijke en trotse belijdenispoëzie in sonnetvorm, geïnspireerd door ontmoetingen met de schilder Jan Toorop en de dichter-criticus Albert Verwey. Drie ervaringen zijn van beslissend belang geweest voor haar verdere leven: het ongeluk dat haar vader en haar jongere zuster het leven kostte (29 juni 1892), het contact met Herman Gorter (eind jan. 1893) die haar ertoe aanzette Dante en Spinoza te lezen, en de ontmoeting met de schilder R.N. Roland Holst (begin febr. 1893) met wie zij in 1896 in het huwelijk trad, juist in de dagen dat haar eerste bundel verscheen: Sonnetten en Verzen in terzinen geschreven (heruitg. 1983), typografisch door hem verzorgd. Zij vestigden zich in 's-Graveland, en lieten later door Berlage een huis in Laren bouwen; het huwelijk bleef kinderloos.

Haar wijsgerige gerichtheid op het menselijke geluk, de bewondering van haar man voor de Engelse socialist en kunstenaar William Morris, en voorts de invloed van Gorter brachten haar en haar man ertoe zich in 1897 aan te sluiten bij de nog jonge sdap. De gevoelens van ommekeer en groei

[p. 494]

komen tot uiting in haar belangrijke bundel De nieuwe geboort (1903). In de socialistische beweging nam zij, evenals Gorter, een radicaal marxistisch standpunt in; hierbij zijn de spoorwegstaking (1903), het internationaal socialistisch congres te Amsterdam (1904) en de mislukte Russische revolutie (1905) van invloed geweest.

Aan de laatste gebeurtenis ontleende zij de motieven voor haar drama De opstandelingen (1910). De scheuring in de sdap op het congres te Deventer (1909) betekende voor haar niet enkel het tragische einde van de eenheid der arbeidersbeweging maar ook een breuk in de vriendschap met Herman Gorter (die een der leiders werd van de afgescheiden sdp) en ten slotte de vereenzaming toen zij in 1911 uit de sdap trad maar geen lid werd van de sdp. Zonder deze achtergrond zijn haar lyrische bundel De vrouw in het woud (1912) en haar drama Thomas More (1912) niet verklaarbaar. De dood van haar moeder, met wie zij een bijzondere band had (april 1914), bracht haar tot diepzinnige overpeinzingen over leven en dood in de sonnettenreeks van Verzonken grenzen (1918).

Vrijwel terzelfder tijd dwong het uitbreken van wo i haar tot hernieuwde politieke activiteit. Als revolutionair antimilitariste nam zij deel aan de conferentie van Zimmerwald (sept. 1915) waar zij haar vriendschap met Trotski bevestigde en een belangrijk aandeel had in de forulering van het manifest. Na de Russische revolutie werd zij communiste, maar ondanks de onvoorwaardelijkheid van haar openbare optreden ontstond er een toenemende reserve, speciaal t.a.v. het geweld. Inmiddels had het echtpaar Roland Holst zich in Bloemendaal gevestigd.

Een reis naar Moskou (1921) wekte gemengde gevoelens: bewondering voor wat in Rusland werd volbracht, afschuw van de dictatoriale methoden. In de bundel Tusschen twee werelden (1923) hoort men de weerklank daarvan. De partijdiscipline, ook binnen het Nederlandse communisme, werd voor haar steeds minder aanvaardbaar, evenals de nadruk op de materiële en economische factoren in het bestaan van mens en maatschappij. Onder de indruk van Gandhi's geweldloze revolutie, en door contacten met religieus-socialistische stromingen in Zwitserland en Duitsland, keerde zij zich af van het communisme (1927). Het omvangrijke epische dichtwerk Heldensage publiceerde zij als een huldiging én een afscheid van de Russische revolutie. Terzelfder tijd betekende haar kleine lyrische bundel Verworvenheden (1927) een belijdenis van religieuze inkeer, waarbij de cyclus Vernieuwingen (1929) zich aansluit. Zij ontwikkelde intussen een indrukwekkende werkkracht, als spreekster op talrijke religieus-socialistische bijeenkomsten, als redactrice of medewerkster van versch. tijdschriften, als schrijfster van lekespelen en biografieën, waarvan Tolstoi (1930) wel het hoogtepunt is. In de strijd tegen het opkomende nationaal-socialisme en tegen het toenemende oorlogsgevaar pleitte zij vergeefs voor een hernieuwde eenheid van de arbeidersbeweging. Na de dood van haar man (1938) woonde zij tijdelijk in Blaricum, in Santpoort en in Amsterdam, maar verbleef des zomers lange tijd op de Buissche Heide, in het van haar moeder geërfde landgoed. Hier was zij ook toen in 1944 het zuidelijk deel van Nederland bevrijd werd. In de oorlogsjaren en daarna schreef zij talrijke tijdsgedichten, alsook een wijsgerig-religieuze cyclus Wordingen (1949). Voorts de autobiografie Het vuur brandde voort (1949). Hoewel haar dichterschap bij uitstek geëngageeerd mag worden genoemd en de sociale problematiek actueel is gebleven, vond haar werk bij de jongere generatie nauwelijks weerklank, wellicht vanwege het romantische pathos en de retorische, deels door de Tachtigers beïnvloede woordkeus. Ondanks de dramatische wijzigingen in 1897, 1911 en 1927, die haar van versch. zijde fel zijn verweten, toont haar leven een grote eenheid zodra men het ziet als onvoorwaardelijke dienst aan een profetisch dichterschap.

Werken:

Kapitaal en arbeid in Nederland (1902); Opwaartsche wegen (1907), p.; Geschiedenis van den proletarischen klassenstrijd (1909); Jean Jacques Rousseau (1912); De revolutionaire massa-aktie (1918); De held en de schare (1920), biogr.; Het offer (1921), t.; De kinderen (1921), t.; De voorwaarden tot hernieuwing der dramatische kunst (1924); Over leven en schoonheid (1925); Communisme en moraal (1925); De weg tot eenheid (1928); De geestelijke ommekeer en de nieuwe taak van het socialisme (1931); Kinderen van dezen tijd (1931), t.; Gustaaf Landauer (1931); Guido Gezelle (1931); Grondslagen en problemen der nieuwe kultuur in Rusland (1932); Herman Gorter (1933); Tusschen tijd en eeuwigheid (1934), p.; Rosa Luxemburg (1935); Poëzie en maatschappelijke vernieuwing (1935); Kinderjaren en jeugd van R.N. Roland Holst (1941); Een overgang tot het socialisme (1945); Romain Rolland (1948).

Uitgaven:

S.A. Baelde (ed.) (1928), bloeml.; R. Antonissen (ed.) (1935), bloeml.; G. Stuiveling (ed.) (1951), bloeml.; Idem (ed.), Vrienden ter

[p. 495]

gedachtenis (1955); Idem (ed.), Het rijkere leven (1960); Idem (ed.), Jeugdwerk, 1884-1892 (1969); Idem (ed.), Het vuur brandde voort. Levensherinneringen (19794).

Literatuur:

B. Verhoeven, De zielegang van H.R.H. (1925, vermeerderde druk 1939); L. Indestege, `H.R.H.', in Vlaamsche Arbeid (1927-1928); M. Kaas-Albarda, Inleiding tot de poëzie van H.R.H. (1935); G. Stuiveling, `De Thomas More van H.R.H.', in Rekenschap (1941); K.H. Miskotte, Messiaansch verlangen (1941); M.M. Ariëns, Het jeugdwerk van H.R.H. (1943); J.P. van Praag, H.R.H. Wezen en werk (1946); R. Antonissen, Herman Gorter en H.R.H. (1946, 19792); J. de Kadt, in Uit mijn communistentijd (1965); G. Stuiveling, in Willens en Wetens (1967); W.J. Simons, H.R.H. Grote ontmoetingen (1969); G. Stuiveling, H.R.H. Schrijvers prentenboek (1970); A. Romein-Verschoor, in Spelen met de tijd (1979); P.J. Meertens, In het voetspoor van H.R.H. (1982); J.E. Burger, in Linkse houtvorming: samenwerking van revolutionaire socialisten, 1914-1918 (1983).

 

[G. Stuiveling]