Groot lied-boeck


auteur: G.A. Bredero


editeur: Garmt Stuiveling, A.A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra, C.A. Zaalberg, P.J J. van Thiel en F.H. Matter


bron: G.A. Bredero, Groot lied-boeck, 3 delen, editie G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra en C.A. Zaalberg (deel I); G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra, C.A. Zaalberg en P.J.J. van Thiel (deel II) en F.H. Matter (deel III). Tjeenk Willink-Noorduijn, Culemborg 1975 (deel I) / Martinus Nijhoff, Leiden 1983 (deel II) / Tjeenk Willink-Noorduijn, Den Haag 1979 (deel III)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 9]

Ter inleiding van de inleiding

Wat de navolgende studie betreft, heeft de lezer recht op enige commentaar vooraf.

Het is een studie zonder voetnoten. Die afwezigheid betekent allerminst dat de auteur zich van a tot z oorspronkelijk acht en niets aan anderen te danken zou hebben. Integendeel. Het bestuderen van de dozijnen boeken en artikelen, in de Bibliografie vermeld, heeft mij zó veel geleerd, dat mijn tekst topzwaar zou worden van de voetnoten; en bovendien, ze staan ook in de Aantekeningen bij de afzonderlijke liederen. Maar ‘geleerd’ duidt in dit geval wel op heel een toonladder van reacties, niet enkel bewondering en instemming, ook voorbehoud, aarzeling, twijfel, kritiek, argwaan, verzet, tot ontstemming en verontwaardiging toe. En wat mij het minst kon overtuigen, stimuleerde soms wel het meest. Ik zou dus verplicht zijn tot voetnoten op voetnoten, en dat mag ik Bredero niet aandoen.

Maar bovendien: ik kan niet denken in citaten, en ik vind het niet fair te polemiseren zónder citaten. De verhouding van tekst en citaat is een stilistisch probleem van de eerste orde. Want met welke bedoeling ook aangehaald, elk citaat wekt het gevaar de aandacht af te leiden van de dichter naar de filoloog, en het zicht te verminderen op het enig belangrijke: de liederen zelf. Indien ik auteurs als Ten Brink, Schepers, Prinsen en Knuttel stilzwijgend bestrijd door blijk te geven van een geheel ándere visie, komt dat mede doordat ik hun werken over Bredero twee of drie maal heb gelezen, en die van Bredero twaalf à twintig maal.

De hoofdstukjes van de navolgende studie horen in drie drietallen bijeen. De eerste trits bepaalt zich tot een exact onderzoek van het beschikbare materiaal. Ik ben mij ervan bewust daar de term ‘druk’ te hebben gebezigd voor zeven allerminst identieke uitgaven van Bredero's liederen, drie die verloren zijn gegaan, vier die bewaard zijn gebleven, maar waarvan twee het karakter hebben van een bloemlezing. Het probleem hoeveel ongelijkheid er mag zijn vóor men het recht verliest nog van hetzelfde werk te spreken - ik denk aan de Batavische Arcadia van Johan van Heemskerk, aan de Korenbloemen van Constantijn Huygens - laat ik onopgelost. Alle zeven uitgaven van 1616 tot en met 1677 dragen Bredero's naam en heten Liedboek; althans naar alle waarschijnlijkheid, want ten aanzien van verdwenen edities heeft men natuurlijk nooit zekerheid. De term ‘druk’ houdt dus niet méer in dan de erkenning van een sterke onderlinge afhankelijkheid, ongeacht de onderlinge verschillen. Mijn beschouwingen zijn wat de editie-1621 en de editie-1622 betreft, gebaseerd op de reprints uit 1980 en 1968, en voorts wat de editie-1622, de editie-1644 en de editie-1677 betreft op exemplaren in eigen bezit.

De tweede trits hoofdstukjes houdt zich bezig met de drie onderscheiden stijlen in Bredero's poëzie, en hun herkomst: de rederijkerij, de renaissance, en het volkslied. En al valt er weinig te bewijzen, ik meen toch waarschijnlijk te

[p. 10]

hebben gemaakt dat déze volgorde tot het wezen van zijn dichterschap behoort.

De derde trits behandelt de uiteenlopende themata: de boertigheid, de liefde en het geloof. Al komt dit overeen met de indeling van het Groot Lied-boeck, er zal veeleer blijken hoe geforceerd en inconsequent die indeling is, en hoeveel rijker de liederen zelf.

Het werk blijft dus voortdurend centraal, maar het onmiskenbare feit dat poëzie een verschijnsel is dat ontstaat en functioneert binnen de menselijke cultuur, maakt het onvermijdelijk ook aandacht te besteden aan de literaire situatie in Holland - speciaal te Amsterdam - in het eerste kwart van de zeventiende eeuw, en aan die ene begaafde man die deze liederen schreef. Dat aldus de vele raadsels rondom zijn persoon zouden zijn opgelost, is een illusie die ik niet heb en ook nooit heb gehad. Maar hoeveel open vragen er nog zijn gebleven, de overwoekering door allerlei fraaie en minder fraaie legendes is toch, naar ik hoop, voortaan wat minder dicht.

 

G.S.