|
|
|
| | | | | |
Deel 1
Taalverwantschap en
taalreconstructieaant.
| | | |
2. Het vaststellen van taalverwantschap
2.1. Inleidende opmerkingen
Dit hoofdstuk gaat over taalverwantschap: hoe tonen we aan dat
bepaalde talen verwant zijn en in welke mate ze dat zijn? De voorbeelden
waarmee we een en ander illustreren, zoeken we dicht bij huis; we gaan dus aan
de slag met talen waarmee het Nederlands meer of minder verwant is, en zullen
zo de families en subfamilies vaststellen waartoe het Nederlands gerekend mag
worden.
Als we van twee talen, A en B, beweren dat ze met elkaar verwant
zijn, dan impliceert dat dat ze op een gemeenschappelijke oorsprongstaal
(prototaal) teruggaan. Het impliceert ook dat één taal zich in twee of meer
talen kan splitsen. Als een sociologische voorwaarde daarvoor kan men
formuleren dat een deel van de bevolking emigreert en, bijv. door een hoge
bergrug of een ontoegankelijk moeras, van het andere deel van de bevolking
geïsoleerd raakt. Een splitsing zouden we ons inderdaad op deze wijze kunnen
voorstellen. We zullen later zien dat we hier slechts één van de mogelijke
taalveranderingsscenario's hebben; voorlopig valt echter met deze voorstelling
van zaken te werken.
Het ligt voor de hand als we willen vaststellen of talen verwant
zijn en in welke mate ze dat zijn, dat op grond van gemeenschappelijke
kenmerken te doen. Dat moeten dan wel ‘overgeërfde’ kenmerken zijn, d.w.z.
kenmerken in A en B die uit de oorsprongstaal C afkomstig zijn. Daarnaast
bestaat de mogelijkheid dat ze kenmerken gemeen hebben die ze van elkaar hebben
overgenomen, aan elkaar hebben ‘ontleend’. Zo heeft het Nederlands heel wat
woorden die we in het Frans terugvinden: visite, parfum, garderobe, beige,
chauffeur. Dit zijn echter woorden die het Nederlands uit het Frans heeft
overgenomen.
Bij de selectie van de kenmerken zijn de volgende criteria van
belang:
| a. | ze mogen niet al te zeer aan verandering onderhevig zijn; met
stabiele kenmerken legt men oude verwantschapsrelaties gemakkelijker bloot dan
met labiele kenmerken; |
| b. | in aansluiting bij a: ze mogen niet gemakkelijk aan andere talen
ontleend kunnen worden; vreemde invloed moet zoveel mogelijk uitgesloten
worden; |
| c. | de kans op toeval moet klein zijn: als er op een bepaald punt
maar een gering aantal mogelijkheden is, is natuurlijk de kans dat twee talen
iets gemeen hebben, groot: als een substantief door een adjectief wordt
bepaald, dan zijn er qua plaatsing maar drie mogelijkheden: adjectief altijd
vóór, adjectief altijd achter het substantief of adjectief nu eens ervóór dan
weer erachter, met ieder 33,3% kans (we gaan ervan uit dat verschil in
plaatsing geen verschil in betekenis oplevert); |
| d. | de kenmerken moeten niet voor de hand liggend zijn: dat bijv. een
adjectief qua plaatsing in de buurt staat van het substantief dat door dat
adjectief bepaald wordt, valt te verwachten, en als dat inderdaad in twee talen
het |
| | | |
| geval is, is dat een weinig zeggend gegeven; anders gezegd: we
moeten de voorkeur geven aan kenmerken die ‘arbitrair’ zijn in die zin dat ze
er net zo goed anders uit hadden kunnen zien. |
Het spreekt vanzelf dat niet met kenmerken gewerkt kan worden die we
in alle bekende talen terugvinden (universele kenmerken).
Nu kunnen talen in velerlei opzichten overeenkomsten en verschillen
vertonen. In de volgende paragraaf zullen we de verschillende soorten kenmerken
in ogenschouw nemen.
| |
2.2. Werken met kenmerken
2.2.1. De woordenschat
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: als we
taalverwantschap willen vaststellen, is het het beste met een bepaald deel van
de woordenschat aan het werk te gaan. Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd:
immers, er is geen taalsector meer aan verandering onderhevig dan nu juist de
woordenschat (vgl. punt a in 2.1): woorden verdwijnen omdat de dingen waarvoor
ze gebruikt worden, verdwijnen of omdat ze niet langer als netjes worden
beschouwd, nieuwe woorden raken in gebruik om nieuwe dingen te benoemen of
reeds bestaande krijgen er met het oog daarop een betekenismogelijkheid bij
enz. Verder is de woordenschat dat deel van de taal dat het meest bloot staat
aan vreemde beïnvloeding (ontlening) (vgl. punt b in 2.1). Terwijl men om
grammaticale veranderingen te constateren vaak lange tijd moet overzien, kunnen
de veranderingen in de woordenschat gemakkelijk tijdens een mensenleven worden
gesignaleerd.
Bij nader toezien blijken deze constateringen echter te somber te
zijn. Er is nl. één deel van de woordenschat waarvoor de genoemde feiten niet
gelden, dat deel dat wel wordt aangeduid met de term centrale of
primaire woordenschat. Dat is een wat vaag begrip, waarmee echter toch
goed te werken valt en dat we bij benadering kunnen definiëren als die
verzameling woorden die gebruikt wordt voor zaken (referenten) binnen de
alledaagse, onmiddellijke, voor alle plaatsen en tijden geldende
belevingswereld van de mens: ‘lopen’, ‘zitten’, ‘gaan’, ‘staan’; ‘wolk’,
‘lucht’, ‘regen’, ‘wind’ enz. Een voorbeeld zijn ook de benamingen voor
lichaamsdelen, benamingen voor ‘hoofd’, ‘schouder’, ‘arm’, ‘rug’, ‘vinger’,
‘buik’ enz. Dit zijn zaken die voor de alledaagse ervaring van de mens op een
directe manier aanwezig zijn. Woorden daarvoor zullen niet snel verdwijnen of
aan andere talen worden ontleend. Niet op een dergelijke wijze gegeven zijn
‘lichaamsdelen’ die door de wetenschap pas vrij recent onderscheiden worden;
daar zullen we dan ook wel eens vreemde termen voor aantreffen zonder dat er
inheemse naast staan: aorta, hypofyse, thalamus, lymfe enz. De
benamingen voor de lichaamsdelen zijn er meteen ook een voorbeeld van hoe
moeilijk het is de centrale woordenschat af te bakenen. Benamingen voor
lichaamsdelen in de taboesfeer, voor geslachtsorganen bijv., moeten we
uitzonderen. Aan de ene kant kunnen om eufemistische redenen vreemde woorden in
gebruik komen: penis, testikel, scrotum, vagina, clitoris, aan de andere
kant zijn de inheemse woorden sterk aan mode en slijtage onderhevig; het zijn
vaak in oorsprong | | | | metaforische benamingen, die dus oorspronkelijk
of nog altijd daarnaast voor andere zaken gebruikt worden: lul, piel, pik,
roede, schede enz. Ondanks dergelijke afbakeningsproblemen valt er toch
goed met het begrip centrale woordenschat te werken. Beter dan door middel van
een abstracte definitie kan uit de praktijk, zoals die in de volgende
hoofdstukken zal blijken, duidelijk worden wat we er onder moeten verstaan.
Het voordeel van het werken met woorden is ook dat de vorm ervan
over het algemeen arbitrair is (vgl. punt d in 2.1). De arbitraire woordvorm is
duidelijk in het licht gesteld door de beroemde zwitserse taalgeleerde
Ferdinand de Saussure. Er is geen voor de hand liggend verklarend verband
tussen een zaak, bestaande uit vier muren met daarin een deur en een paar ramen
en daarbovenop een dak, en het woord (de woordvorm) huis (en woorden die
daarmee te identificeren zijn: Haus, house). In het Frans vinden we een
heel ander woord, maison, evenals in het Italiaans, casa enz. Als
het verklarend verband er wel zou zijn, m.a.w. als de woordvorm niet arbitrair
zou zijn, dan zou het feit dat de betreffende talen voor dezelfde zaken
dezelfde, althans identificeerbare woorden hebben, niet een argument voor de
stelling zijn dat die talen verwant zijn; de overeenkomsten in de woordvorm
zouden dan ook met behulp van de aangeduide zaak kunnen worden verklaard.
Dankzij de arbitraire woordvorm is het mogelijk taalverwantschap aan te
tonen.
Een verklarend verband is er bij de klanknabootsingen (onomatopeeën)
en de klanksymbolische woorden. Bij deze woorden bestaat wèl een
verklarend verband tussen het woord (de woordvorm) en de benoemde zaak:
vgl. koekoek, kievit, grutto (onomatopeeën); rimram, sloerie
(klanksymbolische of klankexpressieve woorden). Overigens is het niet
noodzakelijk dat in een bepaald geval een klanknabootsend of klanksymbolisch
woord gebruikt wordt: de koekoek had ook met een niet-klanknabootsend woord
aangeduid kunnen worden (in die diepere zin blijft de woordvorm dus
arbitrair!). Vgl. het klanknabootsende grutto met het franse
barge dat niet klanknabootsend is.
Het is niet raadzaam bij het vaststellen van taalverwantschap met
dergelijke klanknabootsende of klanksymbolische woorden te werken: het is
immers goed denkbaar dat talen buiten alle verwantschap om op grond van een
bepaald natuurgeluid ongeveer dezelfde woordvorm hebben. Vgl. ndl.
koekoek, du. Kuckuck, lat. cuculus, gr. kokkuks,
russ. kukúska, skrt. kokilá. De klankovereenkomsten zijn hier te
verklaren uit het feit dat de roep van de koekoek nu eenmaal overal eender is
en eender klinkt. We kunnen deze overeenkomsten dus niet aanvoeren als bewijs
voor de verwantschap van deze talen. Ook als we een taal nemen die met het
Nederlands enz. niet bewijsbaar verwant is, het Hongaars, dan vinden we daar
ongeveer dezelfde klankvorm: kakukk. (Opmerkelijk is dat de klankvorm
niet in alle talen precies dezelfde is; hierin manifesteert zich toch weer het
arbitraire principe.)
Ten slotte: als twee talen (ongeveer) hetzelfde woord hebben en er
is geen sprake van ontlening, dan is de kans op toeval klein (punt c in 2.1).
Daarvoor is het aantal mogelijkheden wat betreft het optreden van fonemen in
bepaalde combinaties en volgordes te groot.
Samengevat: woorden hebben bij het aantonen van taalverwantschap het
voordeel dat de vorm ervan over het algemeen arbitrair is en dat de kans op
toevallige | | | | overeenkomsten klein is. Het centrale deel van de
woordenschat heeft daarbij nog als voordeel dat er zich weinig verandering en
ontlening bij voordoet.
| |
2.2.2. Affixen en uitgangen
Tot dusver hebben we ons met woorden beziggehouden. Binnen
woorden kunnen echter vaak pre- en suffixen en uitgangen onderscheiden worden.
Ook voor pre- en suffixen en uitgangen geldt wat we hierboven omtrent de kans
op toeval en de arbitraire klankvorm hebben opgemerkt. De stabiliteit van deze
elementen is echter niet altijd zo groot; vooral uitgangen kunnen door
‘afslijtings’-processen uit talen verdwijnen: vgl. mnl. ic segghe met
mod.ndl. ik zeg. En in sommige nederlandse dialecten blijkt het prefix
van het verleden deelwoord verdwenen te zijn: vgl. gronings zegd met
stand.ndl. gezegd. Bij pre- en suffixen is ook ontlening niet uit te
sluiten: vgl. atypisch met het aan het Grieks ontleende prefix a-
en het aan het Duits ontleende suffix -isch en vgl. lekkage met
het aan het Frans ontleende suffix -age. Dat uitgangen worden ontleend,
is echter een grote zeldzaamheid. Deze elementen spelen daarom in de
taalvergelijking een zeer belangrijke rol. Men gaat dan uit van de oudst
bekende fasen van talen, waarin de kans dat men ze nog aantreft het grootst is,
omdat ze dan nog niet ‘afgesleten’ zijn.
Resumerend: ook bij pre- en suffixen en uitgangen is er het voordeel
van de arbitraire klankvorm en is de kans op toevallige overeenkomsten klein.
Vooral uitgangen zijn echter nogal eens aan verandering onderhevig en pre- en
suffixen blijken nogal eens te worden ontleend.
| |
2.2.3. Andere kenmerken
Nu valt er voor het aantonen van taalverwantschap ook nog aan andere
kenmerken te denken, bijv. om de belangrijkste te noemen aan syntactische
constructies, aan woordvolgorderegels en aan foneemsystemen. Het is niet
mogelijk de waarde van deze kenmerken voor het doel waar het hier om gaat,
uitputtend te behandelen.
Dat syntactische kenmerken kunnen veranderen, blijkt al wanneer we
het Middelnederlands met het moderne Nederlands vergelijken. Zo blijkt in het
Middelnederlands het adjectief als bepaling zowel vóór als achter het
substantief te kunnen staan: die goede ridder, die ridder goet; in het
moderne Nederlands is afgezien van een archaïsche rest als God almachtig
alleen de eerste volgorde mogelijk. Een constructie met een predikatief
gebruikt stoffelijk adjectief was in het Middelnederlands nog mogelijk, getuige
alle waren si (nl. grote coppen) guldijn; in het moderne
Nederlands is die constructie niet meer mogelijk: *alle waren ze gouden.
Syntactische kenmerken blijken dus aan verandering onderhevig te zijn.
Hiertegenover staat dat het minder vaak voorkomt dat de ene taal de andere in
syntactisch onzicht beïnvloedt. | | | |
| |
Overzicht: Gotisch
Het Gotisch is een germaanse taal die ons uit de 4de eeuw na
Christus is overgeleverd, voornamelijk in de fragmentarisch bewaard gebleven
bijbelvertaling van bisschop Wulfila (ca. 311-383). Wulfila maakte zijn
bijbelvertaling voor zijn gekerstende Goten op het Balkanschiereiland. Het
Gotisch mag weliswaar niet zonder meer met het Oergermaans worden
geïdentificeerd maar zal daar nog niet ver van afgestaan hebben; het laat ons
dus ten naaste bij zien hoe het Oergermaans, waarop ook het Nederlands
teruggaat, eruit zag. Wulfila gebruikte in zijn vertaling een eigen alfabet;
volgens traditie wordt echter bij de weergave van de gotische woorden een
transcriptie, voor een groot deel met latijnse lettertekens, gebruikt.
Het Onze Vader (Mt.6:9-13) luidt in het Gotisch als
volgt: Atta unsar þu in himinam, weihnai namo þein. qimai þiudinassus þeins.
wairþai wilja þeins, swe in himina jah ana airþai. hlaif unsarana þana
sinteinan gif uns himma daga. jah aflet uns þatei skulans sijaima, swaswe jah
weis afletam þaim skulam unsaraim. jah ni briggais uns in fraistubnjai, ak
lausei uns af þamma ubilin. Letterlijke vertaling: ‘Vader onze gij in (de)
hemelen, geheiligd worde naam uw. kome koninkrijk uw. worde wil uw, zoals in
(de) hemel ook op aarde, brood ons het dagelijkse geef ons deze dag. en vergeef
ons dat schuldenaars wij zijn, zoals ook wij vergeven de schuldenaars onze. en
niet moge gij brengen ons in verzoeking, maar verlos ons van de boze.’
| |
Uitspraak
In het Gotisch komen klanken voor die in het Nederlands niet meer
teruggevonden worden: de [þ] <þ> in þu enz. (als de <th> in
engels thin); de stemhebbende pendant daarvan: [đ] <d> (na
vocaal) in þiudinassus (als de <th> in engels there); de
[g] <g> in gif en in de combinatie [ŋg] <gg> in
briggais (het Nederlands heeft die klank wèl door assimilatie van
k aan d in zakdoek); de [ku] <q>, een
k met gelijktijdige lippenronding (een labiovelair) in qimai. Ook
had het Gotisch lang aangehouden consonanten, zogeheten geminaten, bijv. in
atta (let op de dubbele t-spelling). Let verder op de volgende
uitspraakregels: <u> is altijd u (als in ndl. boek) kort of
lang; <h> is χ (als ndl. <ch>) maar h aan het
begin van een woord vóór vocaal; <ei> is lange i (<i>
daarentegen is altijd kort); <ai> is ε (als in ndl.
bed) kort of lang; <o> is ō (altijd lang); <e>
is ē (altijd lang); <b> na vocaal is v (vgl.
fraistubnjai en ubilin); <au> is ɔ (als in ndl.
kop) kort of lang. De klemtoon ligt altijd op de eerste syllabe
behalve bij een werkwoord met een suffixachtig eerste deel; dan ligt hij op de
stam: aflet, afletam.
| |
Morfologie
Substantieven. Het Gotisch is een taal met vijf naamvallen:
nominatief, vocatief, genitief, datief, accusatief (telkens singularis en
pluralis). Verder zijn bij de substantieven drie genera (masculinum, femininum
en neutrum) en verschillende klassen te onderscheiden. Zo is bijv.
himinam een dat.plur. (afhankelijk van in) van himins
‘hemel’, een masculiene ‘a-stam’. Voor paradigmata zie 11.2.2.2.
Adjectieven. Deze vertonen dezelfde onderscheidingen als de substantieven maar
hebben daarbij nog tweeërlei flexie, de sterke en de zwakke. Laatstgenoemde
flexie wordt gebruikt in de vocatief en na een aanwijzend voornaamwoord
(bepaald lidwoord). Een voorbeeld is sinteinan, acc.sg.masc. van
sinteins ‘dagelijks’ (de sterke vorm is sinteinana).
Werkwoorden. Bij de werkwoordsvormen komen twee tijden voor: praesens en
praeteritum. Het praeteritum kan sterk of zwak zijn. Zwak wil zeggen dat het
met een dentaalsuffix gevormd is: vgl. nasjan ‘redden’ - nasida
‘hij redde’. De sterke praeterita zijn gekenmerkt door vocaalwisseling (Ablaut)
en/of reduplicatie: bindan ‘binden’ - band
| | | | ‘hij
bond’, letan ‘laten’ - lailot ‘hij liet’, haitan ‘noemen’
- haihait ‘hij noemde’. Op basis o.a. van de praeteritumvorming kunnen
de werkwoorden in een groot aantal klassen worden ingedeeld. Let bij de
reduplicatie op de herhaling aan het begin van de beginconsonant van de stam.
Het Gotisch heeft behalve een indicatief een imperatief (vgl. aflet
‘vergeef’) en een conjunctief (gewoonlijk optatief ‘wensende wijs’ genoemd;
vgl. weihnai ‘geheiligd worde’ en andere conjunctieven in het Onze
Vader). Interessant is dat het Gotisch nog een niet-omschreven passief heeft:
nasjada ‘hij wordt gered’; in de verleden tijd wordt het passief wèl
omschreven: bijv. nasiþs warþ ‘hij werd gered’. Verder heeft het Gotisch
verschil in persoon (1e, 2e en 3e) en numerus (getal): singularis, pluralis
maar ook nog dualis. Vgl. nima ‘ik neem’, nimos ‘wij beiden
nemen’, nimam ‘wij nemen’. Dualisvormen komen ook bij de pronomina
personalia voor: wit ‘wij beiden’, weis ‘wij’. Uitgebreid is de
imperatief: nim, nimadau, nimats, nimam, nimiþ, nimandau resp. ‘neem’,
‘hij moet nemen’, ‘neemt’ (gericht tegen twee personen), ‘laten wij nemen’,
‘neemt’, ‘zij moeten nemen’.
| |
Syntaxis
Het gotische Onze Vader vertoont ook in de woordvolgorde
afwijkingen van het moderne Nederlands. Het is echter de vraag of die
afwijkingen authentiek gotisch zijn. Wulfila blijkt nl. zijn griekse origineel
in syntactisch opzicht nogal slaafs te hebben gevolgd. Opvallend is in ieder
geval wèl dat zoals ook bekend uit de klassieke talen het pronominale suffix
onuitgedrukt blijft: afletiþ ‘hij vergeeft’, tenzij om wille van nadruk
(vgl. in het Onze Vader: weis afletam ‘wij vergeven’; zie 12.3). En
verder dat het Gotisch al wèl een begin van een bepaald lidwoord heeft (þana
hlaif þana sinteinan ‘het brood het dagelijkse’) maar dat een onbepaald
lidwoord nog helemaal ontbreekt. In het Gotisch is het goed te zien hoe het
bepaalde lidwoord zich uit het aanwijzend voornaamwoord ontwikkelt.
Ook fonologische kenmerken kunnen veranderen. We vergelijken
hiervoor het 4e-eeuwse Gotisch (zie voor deze taal het overzicht) en het
moderne Nederlands. Het Nederlands heeft een reeks van geronde voorvocalen:
y̅, ø̅, œ̆. Het Gotisch miste die echter nog;
ergens na de vierde eeuw moeten die dus in de ontwikkeling van het oude
Germaans naar het Nederlands toe ontstaan zijn. Hier komt bij dat fonemen ook
nog wel eens van de ene taal naar de andere kunnen overgaan: vgl. mod.ndl.
serre, rose met uit het Frans afkomstige vocalen.
Kortom: van de stabiliteit van syntactische en fonologische
kenmerken (zijn ze tegen verandering bestand? is de kans op ontlening klein?)
kunnen we veel minder zeker zijn dan van die van de centrale woordenschat. Op
het probleem van de stabiliteit zullen we in deel 5 terugkomen.
Ook de toetsing aan het derde en het vierde criterium (hoe groot is
de kans op toeval? hoe voor de hand liggend is het kenmerk?) kunnen de
syntactische en fonologische kenmerken niet altijd doorstaan. We hebben al als
voorbeeld gezien dat het erg voor de hand ligt dat het adjectief staat in de
buurt van het substantief dat door dat adjectief wordt bepaald. Er zijn ook
maar drie mogelijkheden: het staat ervóór, het staat erachter of beide is
mogelijk. Hierbij is het echter van belang een algemeen overzicht te hebben van
wat de bekende talen op het betreffende punt laten zien. Als slechts in een
gering aantal talen het adjectief altijd achter het substantief staat, dan
krijgt het statistisch gezien meer betekenis wanneer twee talen zo'n
consequente achterplaatsing vertonen. Ook bij de constructie met het stoffelijk
adjectief zijn er maar twee mogelijkheden: | | | | het kan predikatief
gebruikt worden of het kan dat niet. We zouden echter kunnen zeggen dat het
voor de hand ligt dat het wèl predikatief gebruikt kan worden. Als in twee
talen predikatief gebruik uitgesloten is, zou dat als een voor taalverwantschap
relevant feit gewaardeerd kunnen worden.
Over de mate van arbitrair zijn van fonemen of foneemcombinaties
valt niets te zeggen, aangezien ze op zichzelf geen betekenis hebben (wèl
functioneren ze in gehelen, bijv. woorden, die dat hebben). De mogelijkheden op
fonologisch vlak zijn kleiner dan op het eerste gezicht lijkt: er zijn wel veel
fonemen en veel combinaties daarvan denkbaar, maar die mogelijkheden worden
drastisch ingeperkt, doordat bepaalde combinaties fonetisch moeilijk
uitvoerbaar zijn en daardoor nergens zullen voorkomen, bijv. een
begincombinatie lr-. De kans dat twee talen een fonologische
overeenkomst hebben, is dus groter dan op het eerste gezicht lijkt. Verder
moeten we verdisconteren dat bepaalde klanken en klankcombinaties in
(praktisch) alle talen voorkomen, bijv. m, n, a; ma, na, am, an;
overeenkomsten wat die klanken en combinaties betreft zeggen dus weinig of
helemaal niets. (Let wel: het gaat hier om overeenkomsten op het vlak van
fonologische systemen, niet om overeenkomsten tussen concrete woorden (of
uitgangen en affixen) als in het geval ndl. wind - du. Wind. Dan
is de kans op toeval veel kleiner: zie 2.2.1.)
Samengevat: het arbitrair zijn en de geringe kans op toeval blijken
bij syntactische kenmerken veel problematischer te zijn dan bij de centrale
woordenschat, de geringe kans op toeval ook bij de fonologische kenmerken. Bij
beide soorten kenmerken is er een niet geringe kans op verandering of
ontlening.
| |
2.2.4. Samenvatting
De overwegingen in de vorige paragrafen zijn in een matrix (schema
2) weer te geven. Deze spreekt na de voorafgaande beschouwingen goeddeels voor
zichzelf. Van de onomatopeeën e.d. vermelden we nog dat ze praktisch nooit
ontleend worden maar, als weinig officiële woorden, wèl sterk aan verandering
onderhevig zijn.
Schema 2 (waarde van kenmerken voor het aantonen van
taalverwantschap)
|
S1 |
S2 |
T |
A |
B |
| centrale woordenschat |
+ |
+ |
+ |
+ |
+ |
| uitgangen |
± |
+ |
+ |
+ |
+ |
| pre- en suffixen |
± |
± |
+ |
+ |
+ |
| perifere woordenschat |
- |
- |
+ |
+ |
- |
| onomatopeeën e.d. |
- |
+ |
+ |
- |
- |
| andere kenmerken |
± |
± |
± |
± |
± |
(S1 = stabiliteit 1: in welke mate tegen verandering bestand? S2 =
stabiliteit 2: kans op ontlening klein? T = kans op toevallige overeenkomsten
klein? A = is de vorm (voldoende) arbitrair? B = in hoeverre bruikbaar bij het
vaststellen van taalverwantschap?)
| | | |
| |
2.3. Iconen, indexen en symbolen
Voor de hand liggende kenmerken kunnen we ook iconische
kenmerken noemen, niet voor de hand liggende (arbitraire) symbolische.
Een andere terminologie is: gemotiveerd tegenover
niet-gemotiveerd. Met deze termen komen we in de tekenleer (semiotiek)
terecht. Behalve iconen en symbolen onderscheidt men daarin ook
indexen; bij de iconen wordt weer een onderverdeling gemaakt in
images, diagrammen en metaforen. Bij elk van deze types en
subtypes wordt hieronder een toelichting gegeven.
1. Icoon. Dit is een afbeelding van iets in de
werkelijkheid in de ruime zin van het woord.
1a. Image. Dit is een afbeelding in engere zin. Een
buitentalig voorbeeld is een portret. Binnen de taal kunnen we denken aan
klanknabootsingen en klanksymbolische woorden. Ook in de syntaxis vinden we het
imagische principe terug: hoe inherenter (wezenlijker) een bepaalde eigenschap
is, des te dichter staat de bewoording ervan bij het substantief dat de zaak in
kwestie noemt: vgl. die drie aardige jonge meisjes.
1b. Diagram. Dit is een afbeelding van een bepaalde
verhouding in de werkelijkheid. Een buitentalig voorbeeld is de afbeelding van
de verhouding tussen bepaalde hoeveelheden (bijv. hoeveel voert Nederland in,
hoeveel Engeland? enz.) door middel van staafdiagrammen. Een talig voorbeeld is
de verklein-woordvorming: de verhouding tussen iets groots en iets kleins wordt
in de taal steeds op dezelfde manier weergegeven door middel van de verhouding
tussen grondwoord en grondwoord + verkleiningssuffix (-tje en zijn
varianten). Een belangrijke rol speelt de diagrammatische iconiciteit in de
syntaxis: zo wordt een als zodanig ervaren verhouding van een bepaalde zaak en
een eigenschap daarvan steeds op dezelfde manier uitgedrukt, bijv. door middel
van een substantief en een daarbij behorend ervóór of erachter geplaatst
adjectief.
1c. Metafoor. Dit is een afbeelding op basis van
gelijkenis. Buitentalige voorbeelden zijn wat moeilijk te vinden. In de taal
wemelt het echter van (al dan niet verbleekte) metaforen: vgl. (gezegd van een
mens) 't is een varken.
2. Index. Een index bestaat bij de gratie van het feit dat
in de werkelijkheid de dingen na en naast elkaar bestaan. Een buitentalig
voorbeeld geeft het bekende spreekwoord: waar rook is, is vuur. Heel vaak is er
zoals in het gegeven voorbeeld, sprake van een oorzakelijk verband: de rook
volgt niet alleen op het vuur maar wordt daardoor ook veroorzaakt. Een talig
voorbeeld is het aanwijzend voornaamwoord, dat verwijst naar iets in de tekst
dat voorafgaat of nog komen moet of naar iets dat gelijktijdig in de situatie
aanwezig is (vgl. die man).
3. Symbool. Een voorbeeld buiten de taal is (in de meeste
gevallen) de vlag van een land. De nederlandse vlag is rood-wit-blauw maar de
rangschikking van de kleuren of de kleuren zelf hadden ook heel anders kunnen
zijn. Zoals we al gezien hebben, speelt het symbolische (arbitraire) principe
een belangrijke rol binnen de woordenschat. | | | |
De onderscheiden types en subtypes komen soms tegelijk voor. Zo
heeft het bekende symbool van de Nederlandse Spoorwegen ook iets imagisch: men
kan er iets van treinen in zien. Ook vele taaltekens zijn gemengd. We hebben al
gezien dat de precieze vorm van onomatopeeën taalspecifiek is (vgl. ndl.
koekoek, eng. cuckoo enz.). We hebben hier dus images met
symbolische trekken. De verkleinwoordvorming is een voorbeeld van
diagrammatische iconiciteit. Dat iets biezonders, iets ‘gemarkeerds’ in de
werkelijkheid (nl. het kleine) in een gemarkeerde vorm, een vorm met een
suffix, tot uitdrukking komt, is een voorbeeld van imagische iconiciteit. De
vorm van het suffix op zichzelf (-tje en niet iets anders) is dan weer
symbolisch (arbitrair).
Het symbolische (arbitraire) principe speelt zoals we gezien
hebben, een belangrijke rol bij het vaststellen van taalverwantschap. In
het vervolg van het boek zullen we zien dat we bij taalverandering met
indexicaliteit en iconiciteit in aanraking komen.
| |
2.4. Klankwetten en klankcorrespondenties
Als we besluiten met een deel van de woordenschat aan de slag te
gaan, zijn daarmee nog niet alle problemen opgelost. Immers, woorden en ook
affixen en uitgangen hebben een betekenis- en een klankvormaspect, en we hebben
gezien dat ook de klanken (en trouwens ook de betekenissen) kunnen veranderen.
Kan dit niet betekenen dat woorden in verschillende talen, die op dezelfde
oorsprongswoorden teruggaan, zo ingrijpend en daarbij op zo verschillende
wijze, in de ene taal zo, in de andere taal zus, veranderen dat het niet meer
lukt ze met elkaar in verband te brengen? Dit zou het geval zijn wanneer binnen
een taal een klankverandering per woord op een andere manier zou verlopen. Het
blijkt echter dat zo'n klankverandering met een tamelijk grote regelmaat
plaatsvindt, reden waarom men dan ook van een klankwet spreekt.
Het verschijnsel klankwet zal in een apart hoofdstuk uitvoerig aan
de orde komen, maar we kunnen alvast de volgende definitie geven: een klankwet
is een formule of een formulering waarin men een in een taal regelmatig
optredende klankverandering uitdrukt of kortweg: een klankwet is een in een
taal regelmatig optredende klankverandering. Dat er zulke klankwetten bestaan,
valt eenvoudig door middel van een vergelijking van Middelnederlands en modern
Nederlands te illustreren: vgl. mnl. huus, muus, luden, uut, met
y̅, met de overeenkomende mod.ndl. woorden die daar door
diftongering
i hebben: huis, muis, luiden (vgl. kleine
luiden), uit; alleen vóór r treedt deze diftongering niet op:
vgl. mnl. suur, buur, huur met mod.ndl. zuur, buur, huur. Zo'n
regelmatige beperking op een klankwet noemen we een klankwettige
uitzondering. Dergelijke klankwetten leiden tot regelmatige
klankcorrespondenties tussen de betrokken talen. Die correspondenties kunnen
verticaal zijn, tussen talen die chronologisch in elkaars verlengde liggen:
mnl. y̅ - mod.ndl.
i, maar ook horizontaal, tussen talen die niet in zo'n
verhouding staan. Zo vond de diftongering tot
i wel in het Hollands (en daardoor ook in het
Standaardnederlands dat op hollandse basis staat) plaats maar niet in het
Zeeuws, waar we de y̅ zij het verkort (maar nog lang vóór
r) nog terugvinden. Dat betekent de volgende correspondentie: stand.ndl.
i - zeeuws y̆. Natuurlijk kan een klank
ook in twee talen of dialecten gelijk blijven | | | | of op gelijke wijze
veranderen. Zo vond ook geen diftongering plaats in het Westvlaams (maar wel
weer verkorting) met als resultaat de klankcorrespondentie: zeeuws
y̆ - wvla. y̆. We verduidelijken dit alles met schema
3.
Schema 3 (klankcorrespondenties en
klankwetten)

Bij 1, 2 en 3 in dit schema hebben we te maken met
klankcorrespondenties, bij 1 en ook bij 2 is daarenboven een klankwet, een
klankverandering, in het spel, resp. diftongering en verkorting. Zo'n klankwet
is dus regionaal gebonden (wèl in het Hollands, niet in het Zeeuws of
omgekeerd) en is ook gebonden aan een bepaalde periode: ergens tussen de
middelnederlandse en de moderne periode in.
Het bovenstaande betekent dat wanneer we met verwante woorden
werken, deze woorden in de vergeleken talen niet precies dezelfde klankvorm
behoeven te hebben. Wèl moeten er regelmatige klankcorrespondenties te
constateren zijn. Mnl. y̅ wordt regelmatig in het
Standaardnederlands
i en wordt regelmatig y̆ in het Zeeuws
met als gevolg een regelmatige klankcorrespondentie zeeuws y̆ -
stand.ndl.
i. Als we nu, omgekeerd, bij de vergelijking van
Zeeuws en Standaardnederlands, een regelmatige correspondentie y̆ -
i bij woorden met dezelfde of verwante betekenis
constateren, dan kunnen we daaruit concluderen dat de betreffende klanken op
één klank in een voorfase te herleiden zijn en dat we de vergeleken woorden
althans op dat ene punt met elkaar mogen identificeren. We kunnen zo aantonen
dat Standaardnederlands en Zeeuws een deel van de centrale woordenschat gemeen
hebben.
Er is echter nòg een complicatie, nl. dat dergelijke regelmatige
klankcorrespondenties niet tot verwante woorden beperkt zijn; ze treden nl. ook
bij leenwoorden op. Dit valt met het volgende geval duidelijk te maken. Het
betreft een aantal woorden die vanuit het Latijn in het Nederlands gekomen
zijn: lat. presbyter - ndl. priester, breve - brief, speculum -
spiegel, Petrus - Pieter. De regelmatige correspondentie die hier optreedt,
is lat. ĕ - ndl. ī <ie>. Deze is het gevolg van
een aantal regelmatige klankveranderingen (klankwetten) die de ĕ
in het Nederlands en eventueel ook in de bemiddelende taal, het Oudfrans, heeft
ondergaan. Zoals we zullen zien (in 4.2), is één van de taken van de
historisch-vergelijkende taalwetenschap klankcorrespondenties die op
verwantschap wijzen, te scheiden van klankcorrespondenties die bij leenwoorden
optreden. Het zal duidelijk zijn dat daarbij de aard van de woorden, centrale
woordenschat of niet, een gewichtige rol speelt.
Hierboven is gesproken van woorden met dezelfde of verwante
betekenis. De toevoeging verwant is noodzakelijk omdat woorden, zoals
reeds opgemerkt, ook naar betekenis kunnen veranderen. We mogen ze echter met
elkaar identificeren zolang de verschillende betekenissen met elkaar te rijmen
zijn. Een voorbeeld is ndl. vuil dat met het duitse faul ‘lui’ in
verband kan worden gebracht, immers iemand die lui is, is ook vaak vuil.
Ons besluit om met de centrale woordenschat en verder met pre- en
suffixen en met uitgangen te werken, kunnen we nu preciseren: conclusies van
taalverwantschap baseren we op regelmatige klankcorrespondenties bij de
genoemde lexicale elementen. Hierbij vergelijken we dus elementen die dezelfde,
| | | | althans verwante betekenis hebben. In het volgende hoofdstuk
zullen we zien hoe de methode in de praktijk werkt.
| |
2.5. Typologische vergelijking
De indelingen waartoe we in het volgende hoofdstuk op grond van de
centrale woordenschat zullen komen, zijn genetisch van aard; ze zijn inderdaad
op verwantschapsrelaties gebaseerd. Een zodanige indeling behoeft (zoals na het
in 2.2.3 besprokene duidelijk zal zijn) geenszins parallel te lopen met een
indeling op grond van grammaticale kenmerken; een indeling op grond daarvan
noemen we een typologische indeling. Zo sluit wat de aanwezigheid van geronde
voorvocalen betreft, het Frans aan bij het Nederlands en het Duits, wat betreft
de afwezigheid ervan het Engels bij het Italiaans en het Spaans. We zullen
echter zien dat volgens de genetische indeling enerzijds het Engels met het
Nederlands en het Duits, anderzijds het Frans met het Italiaans en het Spaans
moet worden gecombineerd.
We kunnen talen typologisch ook met behulp van het
naamvalscriterium groeperen, maar ook dan krijgen we een indeling die niet
klopt met de genetische. (Betrekkelijk) naamvalsloze talen als het Nederlands
en het Engels zijn niet aantoonbaar verwant met het naamvalsloze Chinees maar
wel met naamvalstalen als het Latijn, het Grieks, het Sanskrit en het
Duits.
Ten slotte nog een syntactisch criterium. Het is typisch voor het
Nederlands en het Duits dat in de bijzin de persoonsvorm (provisorisch
geformuleerd) op één van de laatste plaatsen komt te staan. In het Engels
gebeurt dat niet; hierin lijkt het op het Frans. Genetisch hoort het Engels
echter bij het Nederlands en het Duits. Vergelijk de volgende zinnen:
| (1) | ndl. hij is blij omdat hij dat boek ontvangen heeft / heeft
ontvangen |
| (1a) | du. er freut sich weil er das Buch empfangen hat |
| (1b) | eng. he is glad because he has received that book |
| (1c) | fra. il est heureux parce qu'il a reçu ce livre |
We hebben dus twee soorten indelingen: een genetische en een
typologische. Of preciezer gezegd: er is één genetische indeling en daarnaast
zijn er vele typologische. Met de genetische indeling houden we ons dus in de
historische taalwetenschap bezig.
|
|
|