|
|
|
| | | | | |
22. De oorzaken van taalverandering
| |
22.1. Inleidende opmerkingen
In dit boek is in verspreide paragrafen gewezen op bepaalde
tendensen die bij taalveranderingen te constateren zijn, veranderingen steeds
in dezelfde richting: uitspraakgemak, homonymievermijding enz. Deze tendensen
zijn niet te begrijpen als zelfstandige krachten die hun werk doen buiten de
taalgebruiker om. In de delen 4 en 5 is diens rol al hier en daar ter sprake
gekomen; in dit slothoofdstuk willen we daar dieper op ingaan. Het onzichtbare
hand-proces zal daarbij centraal staan. In aansluiting daarop komen dan nog een
paar vragen aan de orde die tot dusver zijn blijven liggen. Ten eerste: waarom
verloopt een verandering in de ene en niet in de andere richting? Valt die
richting te voorspellen of moeten we eerder aan waarschijnlijkheden denken? En
moeten misschien sommige veranderingen als onmogelijk gezien worden? Ten
tweede: waarom is een klankwet en in het algemeen een taalverandering een
historisch gebeuren, gebonden aan een bepaalde plaats en tijd? Ten derde: aan
welke leeftijdsgroepen moeten we voor zo'n verandering bij voorkeur denken? Ten
slotte wordt uiteengezet dat taalverandering in feite taalnormverandering is.
Aan het einde is er een afsluitende paragraaf.
| |
22.2. Het onzichtbare hand-proces. Het communicatieve
principe
Een goede theorie waarmee we inzicht kunnen krijgen in het
verschijnsel taalverandering, is de onzichtbare hand-theorie. Volgens deze
theorie kan een verandering het als zodanig onbedoelde gevolg zijn van een
groot aantal individuele met een bepaalde (en voor een belangrijk deel
dezelfde) bedoeling verrichte handelingen (intentionele handelingen). Een
niet-talig voorbeeld is wanneer ergens op een binnenplaats studenten vaak een
grasveld oversteken om van de ene ingang bij de andere te komen. Er ontstaat
dan op den duur een pad, als het ware door een onzichtbare hand geschapen.
Niemand van de studenten had de bedoeling een pad te maken; hun enige bedoeling
was snel aan de andere kant te zijn. Het schema van een onzichtbare hand-proces
ziet er als volgt uit:
Schema 24 (onzichtbare
hand-proces)

Enkele verklaringen. Condities vooraf (ook wel de ecologische
condities genoemd): o.a. de aanwezigheid van een grasveld tussen de beide
ingangen; handelingsmaxime (stelregel voor het handelen): zorg dat je zo
gemakkelijk mogelijk ergens komt; intentionele handelingen: het herhaald
oversteken van het grasveld met de bedoeling ergens gemakkelijk te komen;
causale gevolgen: er ontstaat een pad; explanandum: het pad dat ontstaan
is.
Als talig voorbeeld nemen we het duitse woord englisch
(over het nederlandse engels is overigens hetzelfde verhaal te
vertellen). In een vroegere fase van het Duits waren er twee woorden
englisch (homoniemen) in gebruik: ‘uit Engeland’ en ‘als van een engel’,
voortaan englisch 1 en englisch 2. Het voorkomen van deze
homonymie moet als een talige conditie vooraf worden beschouwd. Lange tijd
konden de beide homoniemen rustig zonder grote kans op misverstand naast elkaar
bestaan: er deden zich maar weinig situaties voor waarin misverstand kon
optreden (wat ook tot de condities vooraf behoorde). Op dit punt trad er echter
in de negentiende eeuw door economische en culturele ontwikkelingen een
belangrijke wijziging op. De kans op misverstand werd groter doordat beide
woorden vaker gebruikt werden. We kunnen hiervoor denken enerzijds aan de
industriële revolutie waardoor er meer producten uit Engeland kwamen,
anderzijds aan de Romantiek waardoor iets of iemand, bijv. (het gezicht van)
een vrouw, sneller engelachtig werd genoemd. De toegenomen kans op misverstand,
als gevolg van een wijziging in de ecologische condities, leidde ertoe dat
taalgebruikers één van beide homoniemen gingen vermijden. Het woord dat men
ging vermijden, was englisch 2, waarschijnlijk omdat dit woord
gemakkelijker door andere woorden of omschrijvingen kon worden vervangen, bijv.
door engelhaft. De taalgebruikers hadden bij hun handelen een bepaalde
intentie, nl. misverstand vermijden, waarbij ze zich door een bepaalde
handelingsmaxime lieten leiden: ‘spreek zo dat je in sociaal opzicht succes
hebt, in casu dat je goed begrepen wordt’ (het communicatieve principe). Een
gevolg van het feit dat vele individuen englisch 2 gingen vermijden, was
dat een nieuwe generatie het (bijna) niet meer hoorde. Die leerde het daardoor
niet meer aan. Oudere personen gingen het daarom nog meer vermijden, vanuit de
gedachte: ‘zorg dat je überhaupt begrepen wordt’. En dat versterkte het
verdwijningsproces nog eens. Niemand van de (volwassen) sprekers had de
bedoeling englisch 2 uit de taal te verwijderen:
homonymievermijding is dan ook eigenlijk een onjuiste term (een
neutralere term zou homonymieverlies kunnen zijn). Hun bedoeling was
slechts communicatief van aard: het vermijden van misverstand. Maar het
onbedoelde gevolg was wèl dat het woord uit de taal verdween alsof een
onzichtbare hand het eruit gehaald had. Taalhandelingen op microniveau, van
individuele taalgebruikers met een bepaalde intentie, hebben noodzakelijkerwijs
bepaalde onbedoelde gevolgen op macroniveau, in de taal. Het microniveau is het
niveau van de finaliteit, van met een bepaald doel verrichte handelingen (lat.
finis ‘doel’), het macroniveau dat van de causaliteit, van oorzaak en
gevolg (lat. causa ‘oorzaak’).
De hier geschetste gang van zaken is strikt genomen niet te
bewijzen maar het kan heel goed zo gegaan zijn: plausibel is het verhaal dus
wél. Hier is de term conjectual history ‘vermoedende geschiedenis’ van
toepassing. Een onzichtbare hand-verklaring heeft dus diagnostische, nooit
voorspellende waarde: het is altijd een verklaring achteraf. Voorspellingen
zijn niet mogelijk doordat de taalgebruiker (we bevinden ons dan in de linker
helft van het schema) altijd een tot op zekere hoogte vrij kiezend individu
blijft (zie hierover verder 22.9). Het conjecturele geldt overigens niet het
onzichtbare hand-proces zelf: gegeven bepaalde handelingen (te begrijpen tegen
de achtergrond van bepaalde condities en maximen) treden bepaalde wetmatigheden
op, in casu dat een nieuwe generatie een bepaald woord niet meer aanleert.
Niet alleen taalverandering maar ook het achterwege blijven
daarvan (taalbehoud) moet met de onzichtbare hand worden verklaard: we willen
begrepen worden en houden ons daarom aan wat ons aan taal is overgeleverd, aan
de voor ons geldende taalnorm. Het onbedoelde gevolg daarvan is dat de taal
blijft zoals ze is. Onze bedoeling was slechts te communiceren.
| |
22.3. Het communicatieve en het economische principe
(gemak)
Bij homonymievermijding is een communicatieve maxime in het spel.
Die kan ook een rol spelen bij compenserende veranderingen (zie 6.6.1.4) en bij
de mogelijke perceptuele factor die in 6.6.1.3 genoemd is: klankverschillen zo
groot mogelijk maken. We moeten echter ook met een andere maxime rekening
houden: ‘spreek zo gemakkelijk mogelijk’, een verbijzondering van een
algemenere maxime: ‘doe wat je doen moet, met zo min mogelijk inspanning’ (het
economische principe). Hieruit is uitspraakgemak te verklaren. De (talige)
condities vooraf bestaan er in dit geval in dat er in de taal op een bepaald
moment, door welke oorzaak dan ook, moeilijke klanken of klankcombinaties
voorkomen. Het is niet de bedoeling van de sprekers die uit de taal te
verwijderen, hun enige bedoeling (zij het weinig bewust) is het zich in de
spreeksituatie gemakkelijk te maken. We vinden dit streven ook terug in de
klanksubstituties bij vreemde klanken en klankcombinaties (20.2.1).
Uitspraakgemak is een manifestatie van gemak in algemene zin (taaleconomie).
Denk in dit verband ook aan het verschijnsel van de ellips, bijv. het gebruik
van dekken als men ‘de tafel dekken’ bedoelt. Maar in al deze gevallen
laat ook het communicatieve principe zich gelden: er moet communicatie mogelijk
blijven. De taalgebruikers kunnen afwijken van de bestaande norm maar context
en situatie moeten voldoende verduidelijkend zijn en de nieuwe realisering of
gebruikswijze moet bij de oude aansluiten.
De beide maximen die hierboven gegeven zijn, kunnen als volgt
worden samengevat: ‘handel, met zo min mogelijk moeite, sociaal zo succesvol
mogelijk’, of als volgt: ‘handel, sociaal zo succesvol mogelijk, met zo min
mogelijk moeite’. Omdat het communicatieve principe prevaleert, moeten we aan
de eerste formulering de voorkeur geven.
| |
22.4. Taalverwerving
Een andere belangrijke bron van taalverandering is eerste
taal-verwerving. We spitsen de behandeling daarvan op de kinderen toe; er is
echter geen essentieel verschil tussen de kinderen en de volwassen
taalgebruikers. Ook de laatsten blijven, zij het in veel mindere mate, bezig
met hun taalverwerving waarbij ook zij ‘fouten’ kunnen produceren. We kunnen
zelfs zeggen dat we iedere keer wanneer we onze taal gebruiken, ons daarin
oefenen.
Kinderen nu komen op grond van de (vaak gebrekkige) output van de
ouderen door middel van een soort natuurlijke hypothesevorming (abductie) tot
een eigen interne grammatica plus lexicon. Blijkt die op een bepaald punt tot
een onjuiste output te leiden, dan kunnen ze zich door de ouderen laten
corrigeren en hun grammatica en lexicon bijstellen. Doen ze dat niet, dan leidt
dat afgemeten aan de geldende norm tot een nieuwe taalvorm, een innovatie. Als
maxime voor het gedrag van de kinderen kan worden geformuleerd: ‘leer de taal,
in het algemeen de uitdrukkingsmiddelen (bijv. ook gebaren) aan van diegenen
met wie je wilt communiceren zodat je dat zo succesvol mogelijk kunt doen’.
Daarnaast kan als maxime geformuleerd worden: ‘probeer die taal enz. zo
eenvoudig mogelijk aan te leren’. Dat wil zeggen: ‘probeer zoveel mogelijk te
generaliseren’. Dit is een vorm van ‘gemak’ die inherent is aan
hypothesevorming.
De kinderlijke innovaties zijn niet als zodanig bedoeld: net zo
min als volwassenen zijn kinderen erop uit de taal te veranderen. Ze zijn er
zelfs niet op uit een taal te verwerven. De kinderen willen communiceren, bijv.
om bepaalde dingen gedaan te krijgen, en de al dan niet nieuwe vormen die ze
produceren, staan in dienst van die communicatie. Ook kunnen ze bij wijze van
spel met hun taal experimenteren. Terwijl ze echter communiceren of
experimenteren, leren ze, uiteraard op basis van hun aangeboren (al dan niet
specifiek talige) leervermogens, impliciet hun taal aan. We kunnen dat
vergelijken met iemand die telkens, zonder kaart en zonder te vragen, met een
wisselend doel zijn weg door een vreemde stad moet zoeken: terwijl hij dat
doet, leert hij ook hoe de stad in elkaar zit. Kinderen leren hun taal ook door
een soort onzichtbare hand-proces aan: hun doel is bijv. communiceren maar het
onbedoelde cumulatieve gevolg van al hun taalhandelingen is taalverwerving.
Alleen gaat het nu om taalhandelingen bij één individu.
Door middel van abductie leidt het kind de modellen af volgens
welke het vervolgens zijn taaluitingen modelleert. Hierbij kan het gebeuren dat
ze vormen produceren die weliswaar uitstekend in de vigerende taalsystematiek
passen maar sociaal (nog) niet geaccepteerd zijn. De analogie levert hier
duidelijk voorbeelden van. Een kind in een bepaalde ontwikkelingsfase wil de
verleden tijd bijv. van schrijven maken. Het verkeert in ‘expressieve
nood’ en grijpt omdat het de ‘juiste’ vorm schreef nog niet paraat
heeft, naar een voor de hand liggend model. Dat is het zwakke model en dus
maakt het schrijfde. Het gaat daarbij uit van de hypothese: ‘bij alle
werkwoorden maar niet bij [hier komen de uitzonderingen te staan waar
schrijven dan nog bij staat] komt het zwakke model in aanmerking’. Het
begrip model moet overigens in dit verband ruim worden opgevat: ook een
articulatorisch model valt er bijv. onder. Zoals we in 6.6.2 hebben gezien, kan
de huig-r zijn ontstaan aan een ‘abductive change’ te danken hebben.
De hypothesen waar het hier om gaat, kunnen we als
verwervers- of als hoordershypothesen aanduiden: de verwervers
c.q. hoorders analyseren met het oog op hun eigen taalgebruik datgene wat ze
bij anderen horen. Er zijn ook hypothesen die op het begrijpen gericht zijn. Ze
hebben betrekking op de verhouding van vorm en betekenis c.q. functie. Eén van
die hypothesen is: ‘aan een gehoord vormverschil zal wel een betekenisverschil
beantwoorden’ (dit is nl. over het algemeen inderdaad het geval). In een
formule: vormverschil > betekenisverschil. Deze hypothese leidt tot
betekenisdifferentiatie: vgl. het in 7.3 (1.1.1) besproken geval van
veen tegenover ven. Hoe die differentiatie precies uitvalt, zou
van het toeval kunnen afhangen: zo kan veen toevallig vaak in verband
met drassige grond en ven in verband met een veenplas gebruikt zijn. De
andere mogelijkheid bij een doublet is dat één van de vormen verdwijnt: vgl.
hiervoor het eveneens in 7.3 (1.1.2) gegeven voorbeeld mnl. scult en
scout. Scult kan het gewonnen hebben doordat het ‘gesteund’ werd
door sculdich. De hypothese die hierbij een rol gespeeld kan hebben, kan
als volgt worden geformuleerd: ‘vormen die qua betekenis bij elkaar horen,
zullen ook wel vormgelijk zijn’. In een formule: betekenisovereenkomst >
vormovereenkomst. Deze hypothese speelt ook een rol bij het in 7.2.2 (2)
gegeven voorbeeld hamaca dat door ‘volksetymologie’ hangmat
wordt: hamaca heeft semantisch met ‘hangen’ en ‘mat’ te maken, dus zal
ik wel hangmat gehoord hebben. Hierbij kan ook aan een door Grice
geformuleerd principe gedacht worden, the principle of charity: ‘de
ander zal wel geen onzin zeggen’. Een voorbeeld van ‘onzichtbare etymologie’ is
het ook in 7.2.2 (2) besproken franse leenwoord hanteren dat qua
betekenis met ‘hand’ in verband gebracht werd. Hier is van toepassing de
hypothese: ‘vormovereenkomst zal met betekenisovereenkomst samengaan’. In een
formule: vormovereenkomst > betekenisovereenkomst. De hypothese ‘aan een
betekenisverschil zal een vormverschil beantwoorden’ (in formule:
betekenisverschil > vormverschil) zou, naast het streven om misverstand te
vermijden, bij ‘homonymievermijding’ een rol kunnen spelen.
Bij al deze hypothesen, die te maken hebben met de verhouding van
vorm en betekenis c.q. functie, kunnen we van reïnterpretatie spreken:
de hoorder interpreteert bepaalde gevallen anders dan ze door de spreker
bedoeld zijn. Er is sprake van reinterpretatie afgemeten aan de ‘juiste’
interpretatie. Dergelijke reïnterpretaties komen aan het licht wanneer de
hoorder tot spreker wordt. Vergelijk in dit verband ook het in 7.4 besproken
geval raven dat als meervoud wordt gereïnterpreteerd (analogische
reïnterpretatie) met secundaire retrograde vorming van een nieuw enkelvoud
rave c.q. raaf.
Het belang van eerste taal-verwerving, speciaal die bij de
kinderen, kan bij taalveranderingsprocessen niet gemakkelijk worden overschat.
We zijn er ook al in 22.2 bij de ‘homonymievermijding’ mee in aanraking
gekomen: de volwassenen vermijden om misverstand te voorkomen englisch 2
met als gevolg dat de volgende generatie het niet meer aanleert. Hetzelfde kan
in geval van taaleconomie gebeuren: de volwassenen maken het zich gemakkelijk
door kastdeur als kasdeur uit te spreken; de volgende generatie
leert dat als dé vorm aan (het spellingbeeld <kastdeur> remt dit echter
af). Of de volwassenen denken bij (wil jij even) dekken, in het geval
van een ellips, ‘de tafel’ erbij, de kinderen denken ‘de tafel’
erin. Ook dit geval van betekenisspecialisatie is als een voorbeeld van
reïnterpretatie te beschouwen (zie 8.3.2 en 8.3.4). Ook betekenisverruiming kan
als zodanig worden begrepen (zie 8.3.2). Bij een ruime toepassing van de term
kan ook kasdeur eronder vallen: de nieuwe generatie reïnterpreteert
kasdeur als de fonologisch juiste vorm.
Tot dusver ging het steeds om eerste taal-verwerving. Ook
tweede taal-verwerving (zie hoofdstuk 18) kan een bron van
taalverandering zijn. Denk hiervoor aan de substraatwerking met de
mogelijkheden van interferentie (impositie), overgeneralisering en reductie.
Ook hierbij spelen hypothesen een belangrijke rol. Dit is vooral duidelijk bij
het verschijnsel van overgeneralisering dat sterk aan eerste taal-verwerving
doet denken. Maar ook voor interferentie kan een hypothese worden aangenomen,
nl. dat de vreemde taal wel net zo zal zijn als de eigen taal. Vooral bij meer
naïeve taalleerders en bij niet door de school gestuurde verwerving is deze
hypothese van belang. Als de taalverwervers echter hun vergissing bemerken,
corrigeren ze zichzelf en kunnen daarbij in hypercorrecties vervallen die dan
ook weer gecorrigeerd moeten worden. Enzovoort. Hoe sterker hun communicatieve
bedoelingen, des te verder zullen ze met hun tweede taal-verwerving komen.
Hierbij is ook het bewustzijn een factor: van uitspraakeigenaardigheden (het
‘accent’) bijv. is men zich weinig bewust en die zal men dus moeilijk kwijt
raken, te meer ook omdat ze moeilijk af te leren zijn (18.4). Het verschijnsel
van overgeneralisering doet sterk aan eerste taalverwerving denken. Ook hier
weer de beide zojuist genoemde motieven: de tweede taal-leerder wil
communiceren (aangenomen dat hij niet alleen voor de school leert) maar laat
zich ook leiden door het ‘gemak’. Zoals we gezien hebben kan gemak ook een rol
spelen bij het ontstaan van een tussenvariëteit (18.5).
| |
22.5. Taalschepping
Wat bij taalschepping gebeurt, is zeer verwant met taalverwerving.
Denk hiervoor aan benoeming (naamgeving) volgens bestaande modellen (analogie)
of door middel van elliptische benamingen als bijv. letterwoorden, door middel
van betekenisuitbreiding bij reeds bestaande woorden met als gevolg polysemie
of door middel van ontlening (taaleconomie, gemak). In wezen is dit niet zeer
verschillend van wat er bij taalverwerving gebeurt: daarbij verkeren de
taalgebruikers voortdurend in expressieve nood, weten ze niet hoe ze iets
moeten benoemen. In die nood grijpen ze naar de analogie of breiden ze de
betekenissen van hun woorden uit. Of ze nemen een benaming over van andere,
oudere taalgebruikers wat in wezen niet verschillend is van wat ontlening
genoemd wordt (zie 17.3). Ook klanknabootsing en klanksymboliek (ook een
kwestie van gemak?) treffen we zowel bij taalschepping als bij taalverwerving
aan: vgl. kinderen die een ouderwetse locomotief een tuftuf noemen.
Letterwoorden lijken echter meer een zaak van volwassenen te zijn. Zoals
hierboven reeds aangeduid kunnen we vaak aan gemak denken. Vergelijk hierbij
13.1.2.6 waarin in verband met het verschijnsel van de iconiciteit gezegd wordt
dat de mens iets nieuws kan maken maar daarbij steeds aansluit bij wat haar of
hem al bekend is.
Het verschil tussen taalverwerving en taalschepping komt in feite
hierop neer dat er in het eerste geval vooral benamingen gemaakt worden terwijl
er al benamingen bestaan, en er in het tweede geval geheel nieuwe namen worden
geproduceerd. (Betekenisuitbreiding kan in beide gevallen twee kanten op worden
uitgelegd: er is sprake van een betekenisverandering (wanneer het geheel
van de woordbetekenis wordt overzien) of van een nieuwe
betekenismogelijkheid.)
| |
22.6. Samenvatting
Als we het taalverwervende, het taalgebruikende en het
taalscheppende individu als één zien, zijn er de volgende factoren voor
taalverandering aan te wijzen:
| 1. | het communicatieve principe: reactieve klankveranderingen,
homonymieverlies; |
| 2. | het economische principe (gemak): primaire klankveranderingen
(alle?), klanksubstitutie, polysemie, ellips, klanknabootsing en klanksymboliek
(?), letterwoorden en dergelijke, ontlening, reductie bij tweede
taal-verwerving; |
| 3. | hoordershypothesen: abductieve klankverandering, analogie,
reïnterpretatie (betekenisdifferentiatie, volksetymologie, analogische
reïnterpretatie, betekenisspecialisatie, betekenisverruiming), interferentie
(impositie) en analogie bij tweede taal-verwerving. |
Let wel: zowel met de beide principes als met de
hoordershypothesen bevinden we ons aan de linkerkant van schema 24, op
microniveau. In alle gevallen is het uiteindelijk het onzichtbare hand-proces
aan de rechterkant, op macroniveau, dat tot de eigenlijke taalverandering
leidt. Wanneer er bijv. bij bepaalde individuen betekenisdifferentiatie
optreedt, vergroot dat de kans dat andere individuen daar ook toe overgaan
totdat mogelijk de hele taalgemeenschap ze toepast en het betekenisverschil tot
de norm is gaan behoren. Essentieel hierbij is dat niemand bedoeld heeft een
nieuw betekenisverschil in te voeren maar iedereen het gevoel heeft gehad dat
hij op de juiste wijze heeft geïnterpreteerd. En wanneer iemand een nieuw woord
maakt, is het niet de bedoeling de woordenschat uit te breiden maar bijv. om
zich zo goed mogelijk verstaanbaar te maken.
We kunnen een en ander ook samenvatten in termen van menselijke
behoeften. Er is aan de ene kant de behoefte om te communiceren, aan de andere
kant de behoefte om de dingen zo gemakkelijk mogelijk te doen. De behoefte om
te communiceren manifesteert zich ook in de wil om de ander te begrijpen (denk
aan de hoordershypothesen). Ook de benoeming staat vaak in dienst van de
communicatie maar niet altijd, althans niet altijd even duidelijk: nieuwe
benamingen kunnen ook expressieve waarde hebben (denk aan de
dichterlijke metafoor) en volgens een bepaalde opvatting gebruikt de mens het
lexicon ook om orde aan te brengen in de wereld van de verschijnselen (de
referenten).
Er is overigens niet alleen de behoefte om te communiceren maar
soms ook de omgekeerde behoefte om dat niet te doen. Dat kan er bijv. toe
leiden dat ouders een vreemde taal spreken omdat ze wat ze willen zeggen, niet
geschikt vinden voor kinderoren. Ook geheimtalen kunnen in dit licht gezien
worden. Groepen kunnen zich ook zoals we in 15.2 gezien hebben, door middel van
bepaalde kenmerken (vaak klankkenmerken) van elkaar proberen te onderscheiden.
Ook dit heeft een discommunicatief effect. Hier gaat het echter meestal om
verschillen op een aantal ondergeschikte punten zodat de globale communicatie
niet verstoord raakt.
| |
22.7. De taalgebruiker en zijn taal
Uit het tot dusver besprokene zal duidelijk geworden zijn dat de
taalgebruiker niet verder kijkt dan zijn neus lang is, d.w.z. niet verder dan
de situatie waarin hij zich bevindt: hij wil communiceren en wel zo gemakkelijk
mogelijk. Deze ‘kortzichtigheid’ blijkt bijv. hieruit dat uitspraakgemak tot
samenval van fonemen en daarmee tot het ontstaan van homonymie kan leiden. Dat
kan dan weer ‘homonymievermijding’ tot gevolg hebben waardoor er een open
plaats in het lexicon ontstaat die weer door enigerlei vorm van benoeming moet
worden opgevuld. Wat de taal op het ene punt wint, verliest zij op het andere.
Als gevolg van de tegengestelde krachten die op deze manier op de taal inwerken
en de interacties daartussen, bevindt ze zich voortdurend in een labiel
evenwicht. Maar het evenwicht blijft in stand omdat iedere verandering slechts
een klein stukje van de taal betreft. Alleen in de eerste stadia van een
taalverwervingsproces zijn de veranderingen, gezien vanuit de normen van de
(nog) gebrekkig aangeleerde taal, rigoureuzer.
Het bovenstaande houdt in dat de taalgebruiker niet alleen
reageert op veranderingen in de buitenwereld (vgl. het geval van de homoniemen
englisch) maar ook op eerder door hem of anderen veroorzaakte
taalveranderingen. In 6.6.2 hebben we bijv. gezien hoe moeilijke
klankcombinaties en in 7.3.2 hoe storingen in de isomorfie kunnen ontstaan. Die
combinaties en storingen behoren dan vervolgens tot de condities vooraf tegen
de achtergrond waarvan we het handelen van de taalgebruiker moeten
begrijpen.
De taalgebruiker is dus niet op de taal zelf of het taalsysteem
gericht. Het is nu wel duidelijk dat het bij het isomorfieprincipe niet om een
streven in de taal zelf gaat: de taal zelf doet niets, alleen de taalgebruikers
doen wat en die zijn niet op een ideale verhouding tussen vorm en betekenis
gericht. Hun handelen heeft echter wèl vaak het onbedoelde effect dat er meer
isomorfie ontstaat. Dat is niet alleen het geval bij homomynievermijding en
betekenisdifferentiatie (waarbij dat zonder meer duidelijk is) maar ook bij de
analogie, waarbij de taalgebruiker zich immers steeds door de bestaande
taalsystematiek laat leiden. We hebben echter gezien dat er niet altijd
isomorfie-effecten optreden (zeker niet preventief) en dat wanneer die effecten
optreden, ze niet altijd ideaal te noemen zijn. Ook daaruit blijkt dat de
taalgebruiker op de situatie en niet op een ideaal systeem gericht is. Dubieus
zijn in dit licht gezien ook verklaringen dat taalgebruikers de
articulatorische ruimte zo goed mogelijk willen benutten of de asymmetrie
binnen het systeem trachten op te heffen (zie 6.6.1.3). En het wordt nu ook
duidelijk dat we bij de in 8.3.3 besproken structurele factoren in
betekenisverandering in feite moeten denken aan bepaalde condities vooraf
waarop taalgebruikers reageren. Als bijv. door homonymievermijding een bepaald
woord aan het verdwijnen is (wat dan een conditie vooraf is), reageert de
taalgebruiker daarop door een ander woord te vormen of een bestaand woord een
uitgebreidere betekenis te geven.
Ten slotte: ook het verschijnsel van drifts, ontwikkelingen van
talen in dezelfde richting over de eeuwen heen, krijgt nu de plaats die het
toekomt. Het gaat hier noch om een geheimzinnige kracht die er in de taal zou
werken, noch om generaties taalgebruikers die met de taal bezig zijn zoals
generaties middeleeuwse bouwmeesters met een gotische kathedraal. Een drift is
in feite een ingewikkeld onzichtbare hand-proces dat eeuwen in beslag neemt en
veroorzaakt wordt door een ontelbaar aantal kleine handelingen, met
communicatieve en andere bedoelingen, van taalgebruikers en taalverwervers.
| |
22.8. Sociale factoren en condities vooraf
Communicatieve motivatie, taalgemak en hoordershypothesen zijn
echter niet voldoende om taalverandering te verklaren. Er is altijd eerst een
periode van variatie waarin het oude en het nieuwe naast elkaar voorkomen. De
vraag is welke factoren in zo'n situatie de doorslag geven; in 7.3.4 is in
verband met de analogie al een aantal mogelijkheden besproken. Zo kan bijv. de
wel zeer grote kans op misverstand het vermijden van englisch 2
bevorderd hebben en kan een vorm als schrijfde weinig kans hebben om
zich te handhaven doordat schreef zo frequent gehoord wordt. De sterkte
van de conditionerende factoren vooraf is hier in het geding.
Maar er zijn ook altijd sociale factoren in het spel: wordt een
verandering door een groep of de gemeenschap geaccepteerd? We kunnen hier van
het sociale filter spreken. Het is mogelijk dat een bepaalde groep een bepaalde
variant, als een soort lidmaatschapsinsigne, gaat cultiveren om zich zo van
andere groepen te onderscheiden. Andere groepen kunnen zich dan daaraan
conformeren of zich daartegen afzetten door middel van andere varianten. Het is
mogelijk dat dan hypercorrecte navolging of reactie optreedt (vgl. bijv. de
15.1.2 besproken fonetische reïnterpretatie). Het is vervolgens afwachten welke
variant het wint. Prestige speelt daarbij een belangrijke rol, waarbij we
prestige niet te eng mogen opvatten; ook verborgen prestige kan in het spel
zijn (zie 15.5). Ook binnen groepen speelt prestige een rol in die zin dat
bepaalde individuen als trendsetters mogen worden beschouwd. Er blijkt dus nog
een maxime in het spel te zijn: ‘richt je naar de individuen en groepen met
prestige’ (evenals de communicatieve maxime een manifestatie van de algemene
maxime: ‘handel sociaal zo succesvol mogelijk’).
De sociale factoren verkeren niet alleen ten opzichte van elkaar
in interactie (welk prestige geeft de doorslag?) maar ook ten opzichte van
andere conditionerende factoren vooraf. Als een ‘correcte’ vorm door een
geringe frequentie zeer zwak staat (bijv. de oude verleden tijd stiet
bij stoten), kunnen op een gegeven moment ook de hogere
bevolkingsgroepen op de oorspronkelijk weinig prestigieuze nieuwe vorm overgaan
(stootte). Met de zwakke verleden tijd van ervaren:
ervaarde, is het echter nog niet zo ver. Als het zo ver komt: het is ook
altijd mogelijk dat de situatie zich stabiliseert en de varianten naast elkaar
blijven bestaan.
Prestige speelt dus een voorname rol. Maar wil prestige deze rol
kunnen spelen, dan is het nodig dat er contact bestaat. Gebrek aan contact kan
inhouden dat in het ene gebied de strijd tussen de varianten anders beslecht
wordt dan in het andere, of dat het in het ene gebied om andere varianten gaat
dan in het andere. Het laatste houdt in dat een taalverandering niet overal
dezelfde kant uitgaat. Zo heeft de ei zich in een groot deel van
Zuid-Holland tot ai ontwikkeld maar in een aantal steden tot ε̅,
met als gevolg dat de strijd zich nu eens tussen ei en ai en dan
weer tussen ei en ε̅ afspeelt. Er blijken dus verschillende
‘opties’ te bestaan. Niet alleen de output maar ook input en condities kunnen
van locatie tot locatie verschillen. Zo monoftongeert in Den Haag
anders dan in de andere steden ook de ou en en anders dan in andere
dialecten blijkt de t-deletie in het Vlaams vooral beperkt te blijven
tot de 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd. Gebrek aan contact kan ook
inhouden dat in het ene gebied een taalverandering wél en in het andere gebied
niet plaatsvindt: vgl. bijv. de diftongering tot ei en ui die we
bijv. niet in het Zeeuws aantreffen.
Gebrek aan contact (en ten dele ook het niet wíllen hebben van
contact) leidt dus tot taalvariatie in de ruimste zin van het woord. Dat de
mensheid over de hele wereld verspreid is geraakt, maakte een homogene taal
onmogelijk. Ook het feit dat een taalveranderingsproces niet in alle gebieden
of delen van de samenleving even ver is, draagt bij aan de taalvariatie.
Daartegenover staan contact en prestige waardoor mensen vormen van elkaar
overnemen en de hoeveelheid taalvariatie dus weer kan worden ingeperkt. De
geschiedenis van talen laat een voortdurend heen en weer van uit elkaar en naar
elkaar toegroeien zien.
| |
22.9. De waarschijnlijkheid van taalveranderingen
In par. 22.2 is opgemerkt dat het in de historische taalkunde
altijd gaat om verklaringen achteraf, nooit om voorspellende wetmatigheden. Zo
is het niet mogelijk van te voren te bepalen welke conditionele of sociale
factoren het sterkst zullen zijn en welke variant als overwinnaar uit de strijd
tevoorschijn zal komen. En zo is het ook niet mogelijk te voorspellen welke
kant een taalverandering op zal gaan en of er überhaupt een taalverandering zal
optreden. Uiteindelijk hangt dat hiermee samen dat er menselijk gedrag in het
spel is (denk aan de linkerkant van het schema) en menselijk gedrag
veronderstelt altijd een zekere mate van keuzevrijheid. Maar dat wil niet
zeggen dat er helemaal niets te zeggen valt: niet alle menselijke keuzes hebben
een even grote waarschijnlijkheid. Met denken in waarschijnlijkheden kunnen we
nog een flink eind komen. Met het volgende voorbeeld wordt dit
geïllustreerd.
We nemen als voorbeeld het Middelnederlandse werkwoordspatroon
binden - band - bonden - gebonden. Hierbij bestonden redelijkerwijs de
volgende opties: (1) het patroon blijft zoals het is, (2) band wordt
vervangen door bont of omgekeerd (3) bonden door banden,
(4) gebonden door gebanden of (5) bonden - gebonden door
band - gebanden. Niet alle opties waren even waarschijnlijk: zo was het
waarschijnlijker dat bonden week voor banden maar gebonden
zich handhaafde dan omgekeerd, enz. Een uiterst onwaarschijnlijke optie was
bijv. dat band - bonden - gebonden door bound - bounden -
gebounden vervangen zou worden omdat daarvoor geen model aanwezig was en de
klankcombinatie ou plus n ook fonologisch gezien ongebruikelijk
was. Zoals bekend is het optie (2) geworden. Het is daarbij mogelijk dat een
tijd lang alle opties (behalve laatstgenoemde) gerealiseerd werden (zonder dat
ze ook alle geattesteerd zijn) en dat (2) de winnende variant is geworden. In
het Duits is optie (3) gekozen: vgl. binden - band - banden - gebunden
(ohgd. bindan - band - bundum - gibundan). Dit kan hieruit verklaard
worden dat de stamvocaal van gebunden niet in alle verleden deelwoorden
van de betreffende sterke werkwoorden voorkwam: vgl. bijv. ohgd. helfan -
half - hulfum - giholfan of werfan - warf - wurfum - giworfan en
daardoor minder sterk stond. (Ook bij helfen en werfen is de
a in het meervoud van de verleden tijd doorgedrongen: halfen,
warfen.) Dit is weer een voorbeeld van een plausibele verklaring achteraf,
in dit geval voor een verschil tussen het Nederlands en het Duits. Hiermee is
echter het probleem verschoven want waarom had het Duits een andere
uitgangssituatie dan het Nederlands? De ‘verklaring’ hiervoor is dat in het
Duits de oorspronkelijke vocalen bewaard gebleven zijn: u vóór nasaal
plus consonant en o vóór liquida plus consonant, terwijl ze in het
Nederlands in een o zijn samengevallen. Uiteindelijk is het verschil in
werkwoordsvervoeging dus te herleiden tot een verschil in optie bij de
behandeling van de korte vocalen.
Er zijn dus waarschijnlijke en minder waarschijnlijke
veranderingen. Zijn er ook onmogelijke veranderingen, veranderingen die in
strijd zijn met het algemene taalvermogen of in ieder geval met de structuur
van de menselijke geest of het spraakorgaan? Het is nog niet zo gemakkelijk
dergelijke onmogelijkheden aan te wijzen. Maar misschien kunnen we uitsluiten
dat ooit het verschil tussen substantief en werkwoord verdwijnt of de
afwisseling van sterk en zwak beklemtoonde syllaben of dat er een
consonantcluster pbg ontstaat.
In aansluiting hierbij kan worden opgemerkt dat over het algemeen
taalverandering in kleine stapjes plaatsvindt. Zo kan een k in een
X veranderen; het enige wat dan verandert, is de articulatiewijze: van
occlusief naar fricatief. Een verandering van een k in een l zou
veel ingrijpender zijn: van obstruent naar liquida. Betekenisverandering is
over het algemeen evenmin ingrijpend: zoals we gezien hebben, sluiten nieuwe
betekenissen bij de prototypische kern aan. En als bijv. wierp naast
warp (verleden tijd van werpen) opkomt, is dat morfologisch
gezien ook een kleine stap: de nieuwe vorm is herkenbaar als een vorm van
werpen en op grond van het reeds bestaande liet enz. als een
verleden tijd. Een belangrijke factor bij dit alles is de communicatie: die
moet mogelijk blijven. Bij de bespreking van de taaleconomie is hierop al
gewezen (22.3). Vergelijk nogmaals hierbij ook wat in 13.1.2.5 over iconiciteit
bij naamgeving is opgemerkt: de mens sluit daarbij altijd bij het bekende aan.
Een ingrijpende verandering als van k in l zou men zich bij een
geheimtaal kunnen voorstellen maar dan wordt de communicatienorm bewust
geschonden.
| |
22.9. De tijd- en plaatsgebondenheid van
taalverandering
Na het bovenstaande kunnen we beter begrijpen waarom een
taalverandering in een bepaald gebied wél plaatsvindt en in een ander gebied
niet of in het ene gebied op de ene en in een ander gebied op een andere manier
plaatsvindt. Een taalverandering is echter ook aan een bepaalde tijd gebonden.
Ook in die zin is een taalverandering altijd een historische gebeurtenis. De
oorzaak van dit historische karakter kunnen we niet in de maximen zoeken: die
lijken nogal universeel van karakter te zijn. Een oorzaak ligt wél zoals we ten
dele al gezien hebben, in het menselijk gedrag: mensen kiezen er voor iets te
laten zoals het is of het te veranderen en in het laatste geval kiezen ze ook
het moment waarop ze dat doen.
Er valt ook nog op de condities vooraf te wijzen: die kunnen
veranderen of gelijk blijven en als ze veranderen, kan dat per gebied
verschillend zijn. Zo hebben we gezien dat in het geval van englisch de
homonymievermijding pas optreedt als er in die condities een belangrijke
wijziging is opgetreden. Die wijziging geldt o.a. voor Duitsland; het is
denkbaar dat in een land waar de Romantiek of de engelse import of beide minder
sterk waren, de beide homoniemen rustig naast elkaar waren blijven bestaan. Ook
aan talige condities vooraf kunnen we in dit verband denken: het is duidelijk
dat bijv. een push chain pas kan optreden als een bepaalde klank aan het
schuiven is gegaan. Verder moeten we hier rekening houden met de wisselende
sociale factoren: soms is de sociale constellatie zo dat mensen er behoefte aan
hebben zich te onderscheiden maar soms ook niet.
| |
22.10 De rol van de leeftijdsgroepen
Ten slotte de vraag: aan welke leeftijdsgroepen moeten we bij de
introductie van taalveranderingen bij voorkeur denken? Wat de veranderingen op
zichzelf betreft kunnen we in principe aan alle leeftijdsgroepen denken. De
vraag is hier echter welke leeftijdsgroep(en) bij het dóórzetten van een
taalverandering een rol van betekenis speelt c.q. spelen. We zouden aan de
kinderen kunnen denken. Inderdaad plegen die nogal wat afwijkingen van de
bestaande normen te vertonen; kinderen hebben echter weinig in de melk te
brokkelen en meestal wijken ze dan ook voor het corrigerende voorbeeld van de
ouderen. Het ligt ook niet voor de hand aan oudere volwassenen te denken: die
hebben reeds te vaste taalgebruikspatronen; bovendien vertonen die in verband
met hun maatschappelijke positie een sterke neiging tot conformisme. Het ligt
het meest voor de hand aan adolescenten en jonge volwassenen te denken. Deze
groep heeft enerzijds nog niet het conformisme en gebrek aan flexibiliteit van
latere leeftijdsgroepen en heeft anderzijds in allerlei opzichten meer invloed
dan de kinderen.
We kunnen ons twee maatschappelijke situaties voorstellen waarin
het de jongeren lukt hun zin, hun taalveranderingen tegen de ouderen in door te
zetten: 1. de ouderen zijn zelf onzeker geworden ten opzichte van de norm (die
ze nog wel kennen en toepassen) en laten na de jongeren te corrigeren; 2. de
ouderen zijn nog wel zeker maar de jongeren verzetten zich tegen hen. In het
eerste geval kan de algemene maatschappelijke achtergrond een verzwakte
samenleving zijn waarin een duidelijk voorbeeld voor de jongeren ontbreekt, in
het tweede geval een verstarde samenleving waartegen de jongeren revolteren.
Ook hier komen we dus weer bij sociolinguïstische factoren terecht.
Overigens kan de revolutie van de jongeren zeer beperkt blijven.
In de moderne nederlandse samenleving is de norm van de standaardtaal op het
punt van uitspraak en grammatica zo rigide dat alleen op het lexicale vlak
gemakkelijk iets valt te ondernemen. In dit verband valt op de zogenaamde
turbotaal te wijzen waarvan één van de kenmerken het gebruik van afkortingen
is, o.a. afko voor afkorting. En verder op het veldwinnen van
informele taal ook in betrekkelijk formele situaties: denk aan een woord als
lullig en aan het prefix-achtige element klote- (vergelijk wat in
8.4.3 en 8.4.4 over ‘slang’ is opgemerkt). Toch valt in dit verband ook op een
modern klankverschijnsel te wijzen, nl. de ai-uitspraak bij succesvolle
jonge vrouwen (zie 15.4). We moeten echter nog afwachten of die als (mede)
behorend tot de norm zal worden geaccepteerd.
| |
22.11. Taalverandering als taalnormverandering
Een taalverandering ‘geldt’ pas wanneer ze voor een bepaalde groep
of gemeenschap de norm is geworden. In dit licht gezien is taalverandering dus
een sociaal verschijnsel. Een verandering van onderen op (zie 15.2.3.1) kan
eerst als ‘onbeschaafd’, ‘plat’, ‘fout’ ervaren worden; als ze zich doorzet,
kan de oude norm op een gegeven moment als ‘ouderwets’ overkomen. Een
verandering van boven af (zie 15.2.3.2) kan eerst als ‘overdreven,
geaffecteerd’ beschouwd worden; als ze zich doorzet, kan de oude vorm het
stempel van ‘fout’ krijgen. Bij de verbreiding van een nieuwe norm is het in
ieder geval van belang twee aspecten te onderscheiden: existentie (houdt men
zich inderdaad aan de norm?) en acceptatie (heeft men de norm innerlijk
aanvaard?). Pas als iemand de norm heeft geaccepteerd en er zich ook inderdaad
aan houdt, heeft hij de norm geïnternaliseerd.
Tot dusver ging het om normen die zich in het gewone taalgebruik
vestigen en daarin veranderen: endogene normen. Het zijn normen die door
onzichtbare hand-processen ontstaan. Daarnaast zijn er de exogene
normen, normen die op de een of andere manier van buiten af aan de taal worden
opgelegd. Dergelijke normen zijn artefacten, a.h.w. kunstmatig gemaakt, zoals
met veel menselijke producten het geval is. Met het bedenken van deze normen
bevinden we ons op een hoger reflectieniveau dan we ons bij argeloos
taalgebruik bevinden.
Een voorbeeld van exogene normering is het maken van een
wetenschappelijke kunsttaal met een strakke terminologie waarin iedere term,
anders dan een gewoon woord, een zeer bepaalde, wel omschreven betekenis heeft.
Ook kunnen we in dit verband aan het maken van geheimtalen denken. Een
belangrijke rol speelt exogene normering bij standaardisering (zie 16.4). De
bewuste motivatie daarvoor is van economische, sociale of politieke aard (zie
16.4.1). Bewuste motieven spelen ook een rol bij de microselectie: de keuze van
de standaardvarianten. Die motieven kunnen anders dan in argeloos taalgebruik
ook op de taal zelf gericht zijn: de grammatici willen ambiguïteit vermijden,
de taal aan logische regels laten beantwoorden, welluidendheid nastreven.
Voorbeelden daarvan zijn de volgende regels: gebruik omdat in geval van
een reden en doordat in geval van een oorzaak; gebruik geen ‘dubbele’
negatie (vgl. ik heb nooit geen brief meer van hem gekregen), immers,
min maal min is plus; spreek de ei niet plat, als ai of
å, uit. Van zuiver taalkundig standpunt valt tegen deze
argumentaties wel iets in te brengen: een taal kan nogal wat ambiguïteit
verdragen en anders komt het wel spontaan tot homonymieverlies; een dubbele
negatie kan ook juist als heel expressief gewaardeerd worden; en klanken zijn
nooit in zichzelf lelijk of plat (zie 15.5). Heel vaak zijn de argumentaties
rationalisaties achteraf en worden varianten afgewezen omdat ze bij de lagere
klassen voorkomen. Zo wezen de Statenvertalers het hollandse mijn als
persoonlijk voornaamwoord af: ‘numquam mijn, ut vulgus hic loquitur’ (‘nooit
mijn zoals het volk hier spreekt’). En ook als distinctiedrang niet in
het geding is, kan de taal van het ‘volk’ gestigmatiseerd raken doordat het
door minder goed onderwijs de standaardisering niet zo goed als de hogere
klassen kan bijhouden.
| |
22.12. Afsluiting
Uit bovenstaande paragrafen is duidelijk geworden dat er slechts
één manier is om inzicht te krijgen in taalverandering, nl. door ons te
verdiepen in motivatie en gedrag van taalgebruiker, taalverwerver en
taalschepper. Of we daarbij ooit tot een volmaakte voorspelbaarheid zullen
komen, is dus zoals we gezien hebben, zeer twijfelachtig; wèl kunnen we denken
in termen van waarschijnlijkheden: bepaalde veranderingen hebben een grotere
kans om op te treden of te overleven dan andere. Hierover kunnen hypothesen
worden geformuleerd die vervolgens getoetst worden. Met die toetsing behoeven
we niet te wachten op veranderingen die zich in de toekomst zullen voltrekken.
We kunnen op basis van materiaal uit het heden of verleden van een beperkt
aantal talen eerste hypothesen formuleren en die vervolgens toetsen aan
uitgebreider materiaal, ontleend aan een groter aantal talen of fasen. Vooral
het materiaal, ontleend aan aan de gang zijnde taalveranderingen, kan hierbij
van grote waarde zijn (vgl. het Uniformitarian Principle). In ieder geval mag
de historische taalkunde niet in een nauwkeurige beschrijving van concrete
veranderingen, hoe belangrijk die ook op zichzelf is, blijven steken. Zo kan
zich een taalhistorische theorie ontwikkelen die een theorie van de
taalgebruikende, taalverwervende en taalscheppende mens zal zijn. De Leidse
taalkundige Stutterheim heeft een keer een artikel geschreven onder de titel
‘Taalkundige, wat is er van de mens?’ Zeker een taalhistoricus zal deze vraag
steeds in gedachte moeten houden.
Tot slot wordt het in dit boek behandelde in een laatste schema
(schema 25) weergegeven.
Schema 25 (taalveranderingen,
samenvatting)

|
|
|