|
|
|
| |
| | | |
Jacobus Jan Cremer.
Hoe gelukkig zag hij er uit, hoe tintelde zijn oog, hoe hartelijk glimlachte hij!
Het was op Zaterdag 26 Mei 1877.
Eenige vrienden in Den Haag waren op zijn beleefd verzoek bijeengekomen, om met hem een feestavond te vieren ter gedachtenis van het feit, dat hij voor vijf-en-twintig jaren een gelukkig huwelijk had gesloten.
De zilveren bruidegom naast de zilveren bruid, vergezeld van zijne bevallige dochters, omstuwd door eene breede schaar van gelukwenschenden! Wat sprak er eene voldoening uit zijne vriendelijke blauwe oogen; hoe opgeruimd klonk zijne buigzame stem!
Men was vereenigd in de bekende zaal van Diligentia, zoo menigwerf getuige van zijne triumfen als redenaar.
Dien Zaterdagavond mocht hij rusten op zijne lauweren, in den aangenaamsten en besten zin van het woord. Misschien maakte hij in stilte eene vergelijking tusschen de feestelijk versierde zaal van Diligentia, zooals hij die toen zag, en de met menschen volgedrongen zaal, wanneer hij optrad.
Inderdaad, Diligentia's groote zaal en nog zoovele andere gehoorzalen in Nederland, bleken veel te klein, als Cremer op het spreekgestoelte verscheen. Het bekende genootschap: ‘Oefening kweekt kennis’1) had bij herhaling het voorrecht Cremer onder zijne ‘sprekers’
| | | | te tellen. Ongeloofelijk was de toevloed der hoorders. Zij zaten en stonden, waar maar een voetbreed plaats was overgebleven. Zij vulden de zaal achter zijn rug; zij schaarden zich aan zijne voeten; zij belemmerden hem in zijne bewegingen. En rustig, kalm, zich zelven volkomen meester, begon de groote kunstenaar met eene heldere stem en sobere gebaren een Betuwsch tafereel te schilderen, te tooveren liever, want plotseling vingen zijne personen aan te leven, te spreken met eigen stem, en eigen gebaar, alsof zij ten tooneele verschenen.
De schildering door stem en geste, door gelaatsuitdrukking en houding, bereikte bij Cremer eene volmaaktheid, zooals zeldzaam bij eenig Nederlandsch redenaar of tooneelkunstenaar voorkwam. Hij had de gaaf, om met een enkele trek een persoon te teekenen, zoodat eene gestalte zichtbaar werd voor de verbeelding van alle hoorders. Zijne schoone, welluidende stem drukte alles uit, wat hij wenschte te doen hooren. Kinderen, vrouwen, grijsaards traden op met eigenaardig stemgeluid; hij bootste den slag der roeispanen in de rivier na; hij deed vuurpijlen opgaan, de zweep knallen over dravende paarden - en dit alles zonder inspanning schijnbaar, met eene kleine aanduiding, juist ter snede gekozen.
Welk een gloed in de voordracht, als hij den opgeblazen dom-trotschen boer uit het ‘Pauweveerke’ in zijn sjees doet voorthollen over den weg; hoe zacht en teeder klinkt de stem van Kruuzemuntje, als zij grootmoeder voorleest uit het sprookjesboek; hoe ongeloofelijk grappig bootst hij den verwaanden lach van Lammert, den bouwknecht, na, als deze in de pronkkamer van vrouw Willems eene rede houdt tegen het portret van Van Speyk, omdat hij hoopt met de mooie Triene van 't Putterserf te trouwen; welk eene schalkheid, als hij eene Overbetuwsche Julia met een dito Romeo doet vrijen onder het kersenplukken, of onder den hooiwagen in den regen, of bij het hek in het weiland voor dag en voor dauw; welk eene kracht, als hij den veerman Dorus Giesels met zijne boot over de rivier laat roeien bij opkomenden storm!
| | | |
Uitstekend was Cremer inderdaad, als kunstenaar, als mensch, als vriend. Hij was door heel Nederland geliefd en gezien. Men ving aan met den kunstenaar te waardeeren, weldra had men hem lief om zijn edelmoedig, rond karakter. Het was een genot Cremer te ontmoeten en een lang gesprek met hem aan te knoopen. Uit ieder zijner woorden sprak hartelijkheid, sprak eene vriendelijke stemming des gemoeds.
Zekere kleine eigenzinnigheden kwamen soms bij hem om den hoek gluren. Hij had een afkeer van vernuft, wanneer het tegen naïeve, zelfs ziekelijke vroomheid werd gericht. Een zendingsfeest te Wolfhezen bijwonend, schreef hij eene beschouwing van wat hij er zag en waarnam, die meer van zijn goed hart, dan van zijn doorzicht getuigde1). Toch liet hij zich niet verschalken door schijnvroomheid, als uit zijne ‘Over-Betuwsche Novellen’ (‘'t Hart op de Veluwe’) en uit ‘Anna Rooze’ bleek.
Groote eigenzinnigheid legde hij aan den dag, wanneer hij over letterkundige critiek sprak. Bij een onderhoud met hem in zijne woning te 's-Gravenhage bleek mij dit duidelijk. Het was in het najaar van 1862, en Potgieter had hem in ‘De(n) Gids’ van April2) eenige harde waarheden gezegd. Hij scheen gebukt te gaan onder dit oordeel, en kon er niet van zwijgen. Zoo ging het eveneens in het voorjaar van 1868, toen ik hem een oogenblik bij eene tooneelvoorstelling sprak, en eene beoordeeling van zijne ‘Anna Rooze’, hoe welwillend overigens ook gesteld, op mijn geweten had. Zijn voornaamste bezwaar was, dat een kunstenaar dikwijls jaren achter elkaar voor een enkel werk zorgt en zwoegt, terwijl een beoordeelaar, nauwelijks enkele weken aan zijne critiek besteedt. Zijn vriend Keller sprak geen gunstig oordeel uit over zijn drama ‘Emma Berthold’., bij de opening van den nieuwen schouwburg te Arnhem vertoond, en steeds ver- | | | | meden de vrienden later over dit teere punt met elkander te handelen1).
Cremer stond buiten de critisch-letterkundige beweging van zijn tijd. Hij las de tijdschriften, wanneer men hem berichtte, dat er zijn werk in beoordeeld werd. Hij gunde zich zelven den tijd niet boeken van anderen te lezen, waarbij zekere vrees kwam, dat hij iets van zijne persoon. lijke eigenaardigheden mocht verliezen. Toch heeft hij als knaap en jonkman gelezen. De invloed van Charles Dickens en Hendrik Conscience is merkbaar in zijne latere geschriften. Evenwel zal men voorzichtig handelen niet te veel gewicht aan dien invloed te hechten. Mededoogen voor armen en lijdenden heeft hij in hooge mate met Dickens gemeen, practische pleidooien tegen maatschappelijke ongerechtigheden door middel van novelle of roman houdt hij naar Dickens' voorbeeld. Enkele trekken komen bij beiden voor - de droom van ‘Wouter Linge’ herinnert aan den droom in ‘The Chimes’ - maar Dickens arbeidde als kunstenaar op veel grooter schaal dan Cremer. De eerste onderscheidt zich door fraaie Kerstvertellingen, maar munt uit door zijne breed uitgewerkte romans, zijn ‘Nickleby’, zijn ‘Chuzzlewitt’, zijn ‘Copperfield’; de laatste beproeft het verhalen van grooteren omvang als ‘Anna Rooze’ en ‘Hanna de Freule’ te voltooien, maar wint zijne duurzaamste lauweren met zijn Betuwsche en Over-Betuwsche novellen.
| |
I.
Den 1 September 1827 werd te Arnhem in het zoogenaamde Cremershuis2) geboren, Jacobus Jan Cremer, zoon van Alexander Cremer en Louise Nagel, eene dochter van Dr. Nagel, rector te Tiel. Zijne ouders be- | | | | hoorden tot den gegoeden stand, en bewoonden later een fraai buiten: de Oldenhof te Driel. Zeer vroeg kwam het uit, dat hij aanleg had voor tooneelspeler. Op zijn achtste jaar ‘speelde hij in 't ouderlijk huis reeds in een stukje van Kotzebue. Hij stelde een knaap voor, die zijn grootsten schat verkoopen gaat, om geld voor zijn arme moeder te krijgen. Daar komt hij op, en in zijn rood pakje ziet de kleine Jacobus er alleraardigst uit. Maar hoe schrikken zijn broers en zusters en verdere medespelers, nu hij zijn rol niet opzegt zooals het in 't boekje staat....Geen nood nochtans, Jacobus weet wat hij doet. De woorden in het boekje waren hem te stijf en, zonder, dat hij er zich rekenschap van wist te geven, te boekachtig; hij spreekt zooals het kind moest spreken, zooals hij zelf in een dergelijk geval zich geuit zou hebben, en hij verrukt velen door zijn aardig, natuurlijk spel.’1)
Na het eerste onderwijs te Arnhem te hebben genoten, werd hij van 1837 tot 1842 op de kostschool bij den heer H. Roodhuyzen te Oosterbeek gedaan. Ook daar bleef hij comedie-spelen, waarin hij vlugger was, dan in de wetenschappen van de kostschool. Daarbij openbaarde hij een grooten aanleg voor teekenen, die hem allereerst deed verlangen schilder te worden. Zijne ouders gaven hem een gouverneur in de jaren 1842 en 1843, maar steeds bleek het duidelijker, dat hij geene neiging had om een geleerde te worden, dat hij er naar hunkerde palet en penseel ter hand te nemen.
Zoo kwam hij van Mei 1844 tot het najaar van 1846 op het atelier van F.H. Hendriks te Oosterbeek. Daar voelde de zestienjarige jonkman elken dag zijne liefde voor de schoone Geldersche dreven toenemen, daar zag hij uit de woning van zijn meester zijn horizon begrensd door de Nijmeegsche bergen, terwijl zijn blik rustte op ‘de rijke Betuw in haar (zomer- of najaars-)dos, vriendelijk omarmd
| | | | door Waal en Rijn, de laatste zichtbaar, waar hij recht voor u uit de vette Betuwsche weiden van den Veluwzoom scheidt en straks zich nog even ter rechterzijde vertoont om achter den bergrug van den Duno te verdwijnen.’1) De landschapschilder Hendriks was een zeer ernstig man, die Cremer in de eerste plaats leerde de natuur te zien met het oog van een kunstenaar. Hunne tochten naar Wolfhezen, en de fraaie natuur te dier plaatse - bosschen van zware, grove dennen, afgewisseld soms met zilveren berken, met een blauw-grauwen toon in het verschiet, met een tapijt van glibberige naalden, - heeft hij nooit vergeten.
Op deze tochten leerde Cremer daarenboven de landelijke bevolking van Wolfhezens omstreken kennen, en maakte hij zeer belangrijke studiën voor zijne, later zoo geliefde Over-Betuwers. Daar hij reeds vrij wat vorderingen gemaakt had in het schilderen, besloot men, dat hij in 1847 naar den Haag zou gaan, om daar, geholpen en gesteund door den omgang met talrijke beroemde kunstbroeders, zijn schildersaanleg verder te ontwikkelen. Hij woonde in 1848 in de residentie op kamers, en nam op zeer bescheiden manier deel aan het letterkundig leven. Reeds had hij in den huiselijken kring getoond, dat hij slag had van vertellen, liedjes voordragen en comedie spelen. Het denkbeeld, om naast het penseel ook de pen te hanteeren, had niets schrikwekkends voor hem. Zijn eerste heldenfeit op letterkundig gebied heeft zijn vriend Keller medegedeeld. ‘Hij was’, - zegt deze - ‘op zijn twintigste of een-en-twintigste jaar mederedacteur aan een industriëel blad, dat tusschen 40 en 50 in den Haag verscheen, en bitter weinig beteekende. Het heette de “Nieuwe Stoombode” of iets dergelijks. Het had slechts een kortstondig bestaan, want het publiek wilde er niet van gediend zijn, en toen het laatste nommer verzonden werd, belastte Cremer zich met de expeditie, en de abonnés kregen op het adresbandje eene teekening of eene aardigheid, die hen toen misschien
| | | | wrevelig maakte, maar die zij zeker bewaard zouden hebben, als zij geweten hadden, dat hij, van wien ze afkomstig was, later de gevierde Cremer worden zou.’1)
Den winter van 1850 bracht de jonge kunstenaar te Amsterdam door, waar hij een groot boomrijk landschap voltooide, dat op de tentoonstelling te Rotterdam al spoedig een kooper vond2). Tot op 1865 hield hij nog vast aan zijne roeping als kunstschilder, bleef hij op zijn atelier aan het werk, en meende daarom ook in 1861, dat men hem als schilder had uitgenoodigd tot het bijwonen van het vermaarde kunstcongres te Andwerpen.3) Daarbij kwam, dat zijn eerste optreden als letterkundige niet zeer glansrijk was. Hij maakte zich diets, dat hij geroepen was, om een historischen roman te schrijven. Een dergelijk zelfbedrog van jonge letterkundige kunstenaars is een te alledaagsch verschijnsel, om er eenig gewicht aan te hechten. Hij dacht, dat het voldoende was Wagenaar er op na te lezen4), om zich aan de zijde van Van Lennep, Oltmans en Toussaint te scharen. Buitengewoon veel zorg baarde hem het nazien der drukproeven van dit eerste werk, ‘die van taal- en stijlfouten grimmelden.’5)
‘De Lelie van 's-Gravenhage’ kwam in 1851 te Amsterdam uit, nadat hij dit zijn eerste werk in Den Haag en te Amsterdam met behulp van Wagenaar en van den goeden raad zijner vrienden had voltooid. Men behoeft er geen oogenblik aan te twijfelen - deze eerste proefneming is mislukt. Om de wille van al wat hij later schreef, is het overbodig de zwakheid van zijn eersteling breed uit te meten6).
| |
| | | |
II.
In den zomer van 1852 begon hij, op den Oldenhof bij zijne ouders logeerende, iets geheel anders. Hij had zijne fout begrepen, Wagenaar ter zijde geschoven, en een ander terrein gekozen. Zijne studiën, waarnemingen en herinneringen uit Betuwe en Over-Betuwe zouden hem de stof geven. De eerste bladzijde, die hij in 1852 schreef, is van den volgenden inhoud:
‘“Hei je 't neis uut 't darp al geheurd?” vroeg de daglooner Peter Janssen aan zijne vrouw, die bezig was, om voor haar vermoeiden echtgenoot de avondpap op te zetten. “Hei je 't al geheurd, Net, hoe miseroabel gauw de weduwvrouw van Cloas Hermsen, hoar man is noa gestapt?” “Wat zei je!” riep de huismoeder verbaasd, terwijl ze den aarden schotel met pap op tafel zette. “Is manke Heintje doodl Wel jong, jong, die twee hebben mekoar dan niet lang allinnig geloaten. Cloas is van de leinte gesturven en Heintje, - da's nou krek zes moanden loater! Jong, jong, 't is veur Wiege-Mie 'en heel ding; woar mot ze noa toe? ze het niks, geen spier; neejen en breien kan ze, moar da's alles, en ik geleuf niet, dat ze 't nog al te best duut. Nou, stil, bloafen!” vervolgde vrouw Janssen, hare vier spruiten toesprekende, die hunkerend de roggemeelpap zagen dampen: “moeder kan niet alles te geliek! He 'k nou ooit van m'en lêven! Ze zal zal zoo um de vieftig zin gewêst, en Wiege-Mie was met Sint-Jan achttien joaren in 't darp. Loawwe erst bidden Peter, de kienders drammen en sjenken, da'k m'n iegen woorden niet heuren kan!”
Janssen nam het pijpje uit den mond, drukte de pet voor de oogen en vrouw Janssen gaf haar oudsten telg een duw, met een dreigenden wenk, om de oogen dicht te doen.’
‘Men bad - Peter bad ernstig met een dankbaar hart; Willem, zijn buurman, had zulk heerlijk avondeten niet voor zijne vrouw en kinderen. Zijn gebed was reeds ge- | | | | eindigd, maar toen hij over den rand van zijne pet de roode wangen van zijne goede vrouw en kinderen beschouwde, toen deed hij de oogen weer dicht, zei nog eens: “Ik dank u, goede en groote God, amen!”’
Dit is het eerste woord van den Betuwschen en Over-Betuwschen novellen-dichter, het begin van zijne eerste schets: ‘Wiege-Mie.’
Dit stukje is zijn beste niet, maar toch is reeds hier de geheele Cremer, met al, wat hem onderscheidt.
Terstond worde hier dus gewezen op het ongemeene en aantrekkelijke in de Betuwsche en Over-Betuwsche novellen. Cremer heeft, toen hij den historischen roman aandurfde, toen hij daarop zijn onvermogen inzag, en eene eenvoudige dorpsvertelling ontwierp, bijna onbewust den historischen loop eener letterkundige omwenteling gevolgd, die van 1850 tot 1860 bij alle beschaafde Europeesche volken kan worden opgemerkt. Reeds werd op deze omwenteling gewezen, toen Van Koetsveld's ‘Pastory te Mastland’ meer als de boeiende pastorale mededeeling van een dorpspredikant dan als eene dorpsvertelling werd geprezen1). De schildering van het leven van landbouwers en herders in hoog idealen zin, heeft in elk tijdvak der letterkundige geschiedenis werk verschaft aan voortreffelijke dichters. Het was niet om tot eene herleving der antieke idylle of der zeventiende-eeuwsche Arcadia's te komen, dat de bedoelde omwenteling plaats greep. De beweging der Romantiek, sedert 1815 en 1830, had in 1850 reeds hare grootste kracht verspild. Men had de bruisende oppervlakkigheid van het eerste romantische tijdvak overwonnen, men eischte natuur en waarheid, eene herhaling van den eisch, dien de ontkiemende Romantiek aan 't eind der achttiende eeuw aan de classieke school had doen hooren. Hoe hooger onze eeuw in jaren klom, hoe moeilijker te vervullen eischen men den romanschrijver stelde. Juist in de eerste lustra van de tweede helft dezer eeuw was het kenteringstijd. De honger na nieuwe stof werd hoe langer hoe
| | | | grooter. Historische, middeleeuwsche kleurenpracht had veel van haar luister verloren, men verlangde nieuwe toestanden.
Een oogenblik moest Amerika aan dat zoeken naar nieuwe stof te gemoet komen. Sedert 1840 waren allerlei Amerikaansche tafereelen populair geworden. De ‘Trans-Atlantische Schetsen’ van Charles Sealsfield (Karl Postl) verdrongen de hooggekleurde, sterk gevleide schilderijen van Friedrich Gerstäcker, mochten beiden ook uit ééne bron - Fennimore Cooper - hebben geput. Deze Amerikaansche mode heerschte vooral van 1840 tot 1860. Een Franschman als Gabriel Ferry veroverde vooral jonge harten; een later navolger als Jules Verne opende wederom nieuwe wegen met hulp van al de schatten der natuurwetenschap. De Amerikanen zelven volgden later het voorbeeld van Europa. Wat Sealsfield voor Texas gedaan had, deed Bret Harte voor Californië, en Mark Twain voor Nevada. Beide jonge schrijvers trokken terstond de algemeene aandacht, omdat zij geheel onbekende typen van menschen, geheel onbekende zeden ten tooneele brachten.
Juist dit verlangen onzer eeuw naar het nieuwe, naar schildering van verborgen of weinig bekende plekjes uit de oude of nieuwe wereld, had sedert 1843 in Duitschland eene welkome bevrediging gevonden in Berthold Auerbach's ‘Schwarzwälder Dorfgeschichten.’ Deze hernieuwing der dorpsidylle droeg een eigenaardig karakter. De idylle zelve was niet meer hoofddoel. Het kwam er op aan de dorpstoestanden, vooral later het dorpsdialekt in het oog te doen vallen. Het naïeve van het dorpsleven en vooral van de dorpers zelven werd het voornaamste. Men plaatste zoo de bekende, hoogbeschaafde maatschappij naast eene bijna vreemde, die allerlei verrassingen aanbod. Nogmaals werd het evangelie der Natuur gepredikt tegenover de ontaarding eener al te gekunstelde ontwikkeling. En juist het schrijven in de platte taal der boeren, behoedde de dichters voor mis- | | | | teekening hunner dorpstafereelen. Het dialekt behield den geheelen schat eener weinig bekende denk- en gevoelswereld, die in de beschaafde taal spoedig zoude verwaarloosd zijn geworden, en tot onwaarheid en overdrijving zoude hebben geleid.
Auerbach vond een geduchten mededinger in Fritz Reuter, den schepper der Voor-Pommersche en Mecklenburgsche dorpsgeschiedenissen. Weldra volgde men op velerlei wijze, waarbij niet vergeten mag worden, dat Auerbach en zijne school zeer veel verplichting hebben aan den Zwitserschen predikant Albert Bitzius, die door de geschiedenis van ‘Jeremias Gotthelf’ reeds in 1836 op den rijkdom van het nieuw te ontginnen terrein gewezen had. Het Magyaarsche volksleven werd geschilderd door Moritz Jokaï, de Karpathische dorpen door Sacher Masoch, de Russische boeren door graaf Leo Tolstoï, het landelijke leven in Elzass-Lotharingen door Erckmann-Chatrian, de Fransche dorpsgeestelijken door Ferdinand Fabre, de Vlaamsche landbouwers door Conscience, Sleeckx en de gezusters Loveling.
Reeds is er gewezen op het begin der Nederlandsche dorpsvertellingen van Jacob Vosmaer, Van Koetsveld en Van Schaik. Aan Cremer komt de eer toe dit kunstvak tot hoogeren bloei te hebben gebracht. Cremer neemt in de geschiedenis onzer letteren de plaats in der genoemde talentvolle kunstenaars uit den vreemde. Cremer werd voor Nederland in betrekking tot de Betuwe en de Over-Betuwe, wat Fritz Reuter voor Duitschland in betrekking tot Mecklenburg en Voor-Pommeren geworden is. Later maakt hij zelfs eene school en komen er Nederlandsche novellisten, die bijna allen afzonderlijke gewesten van ons vaderland met opmerkelijk talent in hun dorpsleven voorstellen: Lesturgeon en Van Schaik (Drenthe) Van Duinen (Thineus) (Groningen), Heeren (Overijssel), Beunke (Zeeland), Hollidee (Noord-Brabant), Seipgens (Limburg) en Maaldrink (het graafschap Zutphen).
| |
| | | |
III.
Het is hier de plaats den Betuwschen dorpsnovellist meer van nabij te beschouwen. Hij heeft Betuwsche, Over Betuwsche, zelfs Stichtsche en Scheveningsche novellen voltooid, maar zijne kracht openbaarde hij alleen in de beide eerste. Van deze behooren genoemd te worden de eerste Betuwsche Novellen:
| 1. |
‘Wiege-Mie’. |
Augustus 1852. |
| 2. |
‘De rechte Jozef’. |
Augustus 1853. |
| 3. |
‘De oude Wesselsen zijngezin’. |
Augustus 1854. |
| 4. |
‘De Reis van Gerrit Meeuwsen en zien zeun noar de Amsterdamsche Karmis’. |
November 1853, en |
| 5. |
‘Deine-Meu’. |
September 1855. |
Daarbij komen de Over-Betuwsche novellen:
| 1. |
‘'t Kriekende Kriekske’. |
September 1856. |
| 2. |
‘'t Pauweveerke’. |
September 1857. |
| 3. |
‘Op de Kniehorst’. |
Januari 1858. |
| 4. |
‘Bruur Joapik’. |
April 1860. |
| 5. |
‘'t Blinkende Hoanje.’ |
Augustus 1861. |
| 6. |
‘Oan 't kleine Rivierke’. |
Augustus 1862. |
| 7. |
‘Grietje op 't Heunigs-arf’. |
Juli 1863. |
| 8. |
‘Kruuzemuntje’. |
1866. |
| 9. |
‘Bella Roel’. |
Juli 1870. |
| 10. |
‘'t Hart op de Vêluw’. |
October 1874. |
| 11. |
‘'t Reuske van 't darp’. |
1877. |
In deze zestien novellen schuilt het geheim van Cremer's roem als schrijver. Neemt men ze te samen, dan onderscheiden ze zich allen door iets gemeenschappelijks. In den regel treedt een paar jongelui op. Cremer's jonge boerendeernen zijn frissche, lieve kinderen des velds met een blos op de konen en een glimlach op de helderroode lippen. Zijne jonge boeren zijn wat plomper, en soms geven ze den auteur veel moeite, door bijzondere gebreken. In de meeste dezer novellen treedt naast dit paar een bedorven schepsel op, lijdende aan trots, luiheid,
| | | | ijdelheid, nijd, gramschap, aan eene der zeven hoofdzonden.
Dit laatste maakt somtijds den gewenschten indruk niet. In de ontmaskering der zedelijke boosheid toont de auteur te veel zijn lust om den leeraar, den dominé in partibus te spelen. Het is alsof hij zijn talent van beeldend en schilderend kunstenaar wantrouwt, of hij bezorgd is, dat bij zijne grepen in het volle boerenleven de gewone menschelijke snoodheid door de minder gewone menschelijke deugd in de schaduw zal worden gesteld. Hierbij komt, dat zijne Betuwsche boeren en boerinnen, als men ze eenmaal kent, herhaaldelijk hetzelfde uiterlijk vertoonen, schoon ze telkens nieuwe namen dragen. Doch dit is bij Cremer eene schildersgewoonte. Het gaat hem als Jozef Israëls, als Artz, als Blommers, als Elchanon Verveer, men ziet altijd dezelfde Scheveningsche visschers, maar telkens in eene nieuwe groepeering, in een nieuw licht.
Van de eerste Betuwsche novellen schijnt mij het best geslaagd: ‘De Reis van Gerrit Meeuwsen en zien zeun noar de Amsterdamse Karmis’. Het is een zeer eenvoudig verhaal met eenvoudige, maar verrassende tegenstellingen. Boer Meeuwsen en zijn zoon Gijs zullen naar Amsterdam, naar de kermis. Er heerscht groote bezorgdheid bij moeder en bij Mijntje, aanstaande van Gijs. Maar de boer zegt: ‘Nee, dut wi'k d'r ook is van hebben; 'k zie overal gewêst - in Oarem, in Nimwêgen, in Zutfen, overal! moar in Amsterdam - neel dat spul wi'k ook is zien!’
Den volgenden morgen aan het station vraagt de klerk van het bureel bij het loket aan de boeren:
- ‘Amsterdam, derde klasse?’
- ‘Darde klas, wat zou dat?’ - zei Meeuwsen.
- ‘Drie klassen, vrindje’ - hernam de klerk. - ‘Eerste, tweede, en derde; de eerste is het duurst, de tweede middelmatig en de derde het goedkoopst.’
- ‘Dan za'k van de darde niet gediend wêzen, en van de tweede ook niet!’ - hernam Meeuwsen. - ‘'k Zit bie ons ien de kark ook in de erste bank, went ik zie zooveul as karkmeister.’
| | | |
- ‘In de eerste klasse?’ - zei de klerk verwonderd. ‘Maar....weet je....’
- ‘Dat kan mien niet schêlen! Ik wil 't er nou van hebben, heur ie!’
Maar onze reizigers worden in de drukte van het vertrek zonder veel plichtplegingen tot de derde klasse verwezen. Boer Meeuwsen vindt zijne plaats: ‘slechte woar veur't geld!’ Als de conducteur komt, zijn de kaartjes zoek, want Meeuwsen heeft ze ‘ien de tweede horloziekast geburgen’. Zijn zoon Gijs schrikt bij het fluitend signaal der locomotief, en denkt, dat ‘er een kind of een ander lêvend dier (!) overrêje’ was.
Gelukkig te Amsterdam aangekomen gaan Meeuwsen en Gijs in den omnibus. De conducteur vraagt den jongen boer de plaats van zijne bestemming.
- ‘Ik?’ - zei Gijs vreemd opziende - ‘Noar de karmis; is 't niet, voader?’
De meeste passagiers lachen.
- ‘Ziede gek, jong!’ - grinnikte Gerrit Meeuwsen. ‘Nee kammeroad,’ - vervolgde hij tot den conducteur - ‘Noar 'en lozement.’
- ‘Welk hotel?’ - was de vraag. ‘Eerste, tweede, derde, vierde, vijfde klasse; Rondeel, Doelen, Munt, of mot je in de Nes....?’
Maar Meeuwsen antwoordt:
- ‘Erste klas, man, erste klas!’
Zij worden afgezet, eerst bij den Doelen, en toen voor tien stuivers vracht.
Een brutale kellner weigert den toegang, als Meeuwsen zeer logisch zegt:
- ‘Is't hier dan geen lozement? Kan 't, of kan't niet?’
Meer kellners komen aanstuiven, om de Betuwers uit te lachen, dan verschijnt de hotelhouder, en Meeuwsen geeft te kennen: ‘dat ie kort en goed lozies wou hebben; dat ie niet wist wat of die jonkers mosten; dat ie met zien zeun kwam karmis houwen; dat ie niet van meines was, om deur die jonkers verdingsierd te worden, en dat ie nog ens vroeg of 't kon of niet.’
| | | |
Eindelijk worden zij toegelaten, daar hun voorkomen en hun reiszak vertrouwen inboezemt. Als de garçon den laatste van Gijs overneemt, beweert deze, dat het ‘veulste vrindelik’ was. Trappen klimmend, steeds hooger en steeds hooger, blijft Meeuwsen eindelijk staan. ‘Nee, nou geef ik er de weerlich af!’ - roept hij, zich aan de leuning vastklemmend - ‘Doar zou 'en mins gek van worden; 'k goai nie wiejer.’
Ten slotte laat hij zich overreden, en wordt hij in zijne kamer No. 71, en zijn zoon in No. 72 binnengeloodst. Vader en zoon zijn gescheiden.
- ‘Jong, woar zit ie?’ - riep Meeuwsen. - ‘Wat zuwwe nou doen? Kom toch is hier!’
‘Mag dat voader!!!!!?’ - schreeuwde Gijs, zóo hard, dat ze 't op straat best hooren konden.
- ‘Zeker!’ - riep Meeuwsen.
Gijs liep op de teenen naar de deur, en sprong, alsof de dood hem op de hielen zat, van No. 72 in No. 71.
- ‘Zie jong,’ - zei Meeuwsen, toen Gijs behouden binnen was - ‘doar zitten we nou, en 'k het 'en honger da'k schêl zie.’
- ‘Ik ook!’ - betuigde Gijs.
- ‘Dan mo'j moar is roepen’, - hernam de vader - ‘dan kuwwe wat kommandieren.’
De boeren worden bediend en gaan naar de kermis. In het paardenspel van Blanus worden zij verontwaardigd over de artisten, die in tricot-kostuum toeren verrichten. Ze toonen hunne Betuwsche vuisten aan een troep hossende kermisvlegels, en eten dure wafels. Ze dwalen door Amsterdam, en kunnen den Doelen niet terugvinden. Eindelijk komen ze aan hun hotel, maar kunnen in het al te weeldrig zachte bed niet slapen. En als de goede Meeuwsen weer thuis is, klinkt de moraal: ‘Das éns, moar niet weer! 'k Het alles van die erste klas gehad!’
Mocht tegen deze boeiende vertelling het verwijt gelden, dat het vrij gemakkelijk was de onnoozelheid der aartsdomme boeren tegenover de hedendaagsche wereldwijsheid van allerlei bedriegers en oplichters te stellen, dan vergete
| | | | men niet, hoe juist de bekoorlijkheid der dorpsvertelling schuilt in een zoodanig contrast. In deze korte schets ontbreekt, daarenboven, het didactisch-stichtelijk element, dat in de overige schade doet aan den eindindruk. Zelfs indien de naïveteit en botheid van Meeuwsen en Gijs sterk overdreven waren, dan nog mocht de auteur zich beroepen op zijn recht van schikking. Cremer huldigt een uiterst gematigd naturalisme in de door hem met smaak gekozen tafereelen. Hij mag zich veroorloven ten behoeve van zijn kunstwerk de kleur te temperen of te versterken. Zijne Betuwsche landlieden zijn geene tooneelfiguren, netjes afgestoft en uitgedost voor eene idylle. Hij vermijdt alleen het booze en laaghartige tot afzichtelijke gemeenheid te doen zinken, en verdient daardoor de blaam van hen, die Zola's boeren uit La Beauce boven de zijnen stellen. Misschien is er geen dankbaarder onderwerp te vinden voor Nederlandsche lezers, dan eene grondige vergelijking van Cremer's Betuwers met de Beaucerons van Zola. Misschien zou kunnen worden aangetoond, dat beider theorie leidt tot overdrijving; dat Cremer's Geldersche landlieden te dikwerf zijn gevleid door dichterlijke grootmoedigheid, terwijl de Fransche te zeer zijn bespat door den kwalijk riekenden mest, dien zij noodig hebben om ‘La Terre’ vruchtbaar te maken - doch het is te dezer plaatse mijn voornemen niet deze stof naar den vollen eisch te behandelen.
Zelfs acht ik het een ondankbaar werk, om de zestien Betuwsche en Over-Betuwsche vertellingen van onzen Cremer allen aan eene opzettelijke ontleding te onderwerpen. Ze zijn in geheel Nederland te goed bekend geworden door de onnavolgbare voordracht van den auteur. Daarenboven, reeds werd herhaaldelijk door bevoegde rechters over dit deel van Cremer's arbeid uitspraak gedaan.1) - Men heeft
| | | | hem geen lof onthouden, maar tevens ernstige bedenkingen doen hooren. Dat hij soms buiten de gesprekken zijner boeren, waar hij zelf als verhaler optreedt, toch in het Betuwsch dialekt schrijft, is eene kunstenaarsvrijheid, die hem zeer te stade kwam voor zijne voordrachten. Fritz Reuter schreef of in het Mecklenburgsch, of in het Voor-Pommersch, terwijl hij zelfs van eene mengeling van Duitsch en dialekt, van het zoogenaamde Missingsch gebruik maakte. Bij Cremer zijn de overgangen van het Betuwsch tot de gewone Nederlandsche taal midden in zijne vertellingen niet altijd fraai, maar niemand merkte er iets van, als hij zelf ze deed hooren.
Zeker gebrek aan kracht in de teekening zijner booze figuren is hem zelfs tot lof gerekend1). Doch dit oordeel
| | | | schijnt al te gewaagd. Een tooneelspeler, die uitmunt in de voorstelling van doortrapte schurken, wordt somtijds uitgejouwd door de armen van geest uit de hoogste rangen. Maar daarom schijnt het nog niet geoorloofd den dichter te veroordeelen, wanneer hij boosheid schildert, ware ze zoo zwart als die van Satan. Shakespere heeft Jago en Richard III doen optreden, Schiller Franz Moor en Wurm, Goethe Mephisto, Dickens Jonas Chuzzlewit en Uriah Heep, Thackeray, Becky Sharp en Sir Pitt Crawley - het zou niet te pas komen daarom aan het karakter dezer groote dichters te twijfelen.
Mocht ik eene keus doen uit Cremer's latere novellen, ik zou: ‘'t Pauweveerke’, ‘Oan 't kleine Rivierke’ en ‘Kruuzemuntje’ kiezen. Vooral ‘Kruuzemuntje’, door den auteur in korten tijd en zonder de lange aarzelingen en telkens op nieuw aangebrachte verbeteringen geschreven1). De greep, het kleine, geestige Kruuzemuntje - tienjarig dochtertje van boer Arie Winkels - te doen in hechtenis nemen door den veld- | | | | wachter en dronkaard Bol, omdat zij appels zou gestolen hebben, is buitengewoon gelukkig. Bol wil zich wreken op den vader, die hem zijne dronkenschap heeft onder 't oog gebracht. Bol heeft een lafhartig genoegen het arme onschuldige kind met zijn stok vooruit te jagen, en te dreigen met het donker hok onder den toren, waar ratten zijn. Kruuzemuntje wordt nu voor den Burgemeester gebracht, een heereboer, die zelfs de schaduw van het kruit niet uitgevonden heeft, en telkens zijn secretaris moet raadplegen.
Dan volgt dit uitstekend tooneel:
‘Klein Anneke staat voor een tafel, waarover een groen lakensch kleed ligt, en waarop een hooge looden inktkoker met dito zandkoker staat. Achter de tafel zit Lus, de burgervader. De secretaris zit aan een kleinen lessenaar bezijden de tafel....
‘De veldwachter staat naast Anneke.
‘Zoo, heb jij appels gestolen, zoo!’ zegt de burgemeester; ‘zoo, heel goed! Ahja!....hoe is je naam?’
‘Nee, nee!’ schreit Anneke: ‘nee burgemeister, zoo woarlik nee!’
‘Zu'j stil wêzen’, zegt de veldwachter: ‘Heur ie niet, dat burgemeister vroagt hoe da'j heit?’
‘Anneke, burgemeister!’
‘Anneke? Zoo, heel goed. En je ván?’
‘Van...? van voader, burgeineister. Moar appels gestolen, dat he'k 200 woarlik nièt!’
‘Zóo, maar je vaders naam wou ik weten!
‘Arie Winkels, burgemeister.’
‘Winkels. Zoo, heel best! Ouderdom?’
‘Watblief burg.....meister.....?’
‘Hoe oud da'j bint!’ snauwt de veldwachter.
‘Ikke....tien joar, burgemeister.’
‘Beroep....of nee....watblief secretaris?’
Deze is den burgervader met een stuk papier genaderd, wijst er met een vinger op, en fluistert met een den edelachtbaren wat in 't oor. Lus knikt, en zegt van tijd tot tijd zachtjes: ‘Jawel..., jawel...., ja, ja! Sjuust-......’
De secretaris zit weer voor zijn lessenaar.
De burgervader knauwt op de veder van zijn pen en straks op den looden inktkoker turend, zegt hij: ‘Een moeielijk geval! hum!’ Dan eensklaps tot Anneke ‘Zal je 't nooit wéér doen, zeg?’
‘Nee burgemeister, nee! moar ik heb niks gedoan.’
‘Za'j den mond houen met de leugens!’ grijnst de veldwachter: ‘zeg, za'j?’
De ronde blozende burgervader is te goedaardig dan dat hij - vooral na het fluisterend gesprek met zijn secretaris - geen medelijden met het lieve schreiende kind zou hebben. Den veldwachter vindt hij een beetje erg actief,
| | | |
ja barbaarsch - Tedeksel...baars! Daar valt hem wat in. Als hij 't vergat, dan zou vrouwlief zenuwachtig worden: ‘Och Bol, zou jij de baars reis eventjes uit de kaar willen halen: we zouen 'en sausbaarsje hebben van middag. Wil je?’
‘Tot je orders, burgermeister, moar met je permissie, burgemeister, zou ik dat galgen-oas hier, niet erst is veur 'en uur of wat onder den toren zetten? 't Is van 't repalje, burgemeister.’
Lus ziet toevallig naar zijn secretaris. Deze is druk aan 't werk, maar zijn neus wijst in de richting van de deur.
‘Veldwachter!’ herneemt Lus deftig, en voegt er nu eens in het volle besef zijner edelachtbaarheid bij: ‘Vertrek!’
‘As je kleine dieven loopen loat dan worden ze as groote gehangen!’ grauwt Bol met den duim op Anneke wijzend. ‘En als burgemeister zoo weinig um peliesje geeft, dan kan Bol wel gaan hengelen in plaats van z'n eigen dood te loopen.’
De neus van den secretaris wijst nog spitser in de richting van de deur, terwijl 's mans oogen onveranderlijk op zijn schrijfwerk zijn gevestigd.
‘Bol, geen praatjes. Dat voegt....dat past....niet. Ik ben burgemeester, en jij veldwachter, weetje’, zegt Lus.
De vleugels van des secretaris neus applaudiseeren.
‘Ja, dat weet ik best!’ zegt Bol: ‘moar as de secretoaris z'n eigen met de affeeres hemoeit’ - en hij werpt beurtelings een nijdigen blik op den schrijver en het kind - ‘dan motten ze hem moar in jou plaats zetten, of anders voor mien het dievenpak achter de vodden zitten.’
Een kleine tien minuten later is Anneke op vrije voeten.
Eene voortreffelijke bladzijde, misschien de beste uit ‘Kruuzemuntje’, tenzij men de greep van den dichter, om het lieve kind later in al hare naïeve goedheid tegenover den boozen veldwachter te stellen, hooger prijzen wil.
Bol had namelijk in eene dronkenmansvergissing eene flesch vitriool voor eene flesch jenever aangezien, en er uit gedronken. Men kon hem ‘doarbinnen heuren karmen van kramp en van pienen in 't lief.’
Kruuzemuntje heeft voor grootmoeders ‘krampen ien 't lief’ kruzemunt gesneden, en, zoodra ze van het ongeluk, den veldwachter overkomen, hoort, brengt ze vrouw Bol kruzemunt, om er thee van te zetten. Ze wordt uitgelachen door de boerenvrouwen, die 't ‘arg onneuzel’ vinden, maar Anneke's hemelsch mededoogen met haar boozen vijand, terwijl ze ‘goed veur kwoad’ vergeldt, blijft niet onopgemerkt. De groote heer van het dorp maakt haar vader koetsier, en Anneke trouwt met Wil- | | | |
lem Stoete, den jongen koetsier, die zoo dapper hare partij trok.
En de auteur is in zijne volle kracht, als hij bij het verhalen van Anneke's edelmoedigheid een ‘dik, klein vrouwminsch’ doet zeggen:
‘Arg onneuzell Doar mo'j kiend veur wêzen!’ ‘Krek, breed, dik, klein vrouwminsch! doar mo'j kiend veur wêzen. Ge kent de geschiedenis niet, en doarum begriep ie 't niet, moar alda'j z'ook kon wêten, dan begriep ie ze nog niet. Mo'j kiend veur wêzen, breed, dik, klein vrouwminsch, kiend!’
| |
IV.
‘Wiege Mie’ was in den zomer van 1852 op den Oldenhof ten huize zijner ouders geschreven.1)
In ditzelfde jaar huwde hij mejonkvrouw Johannette Louise Brouérius van Nideck, ‘dochter van den oud-kolonel der artillerie, die in Ede van zijn pensioen leefde.’ Hij vestigde zich te Loenen aan de Vecht, waar hij van 1852 tot 1857 woonde, waar hij zes Betuwsche novellen, korte schetsen als: ‘De Fransche komiek en de douairière’ (1854) en eene Stichtsche novelle: ‘Ritter's Hans’2) (1856), later (1858) vereenigd onder den titel: ‘Een reisgezelschap’, schreef. Zijn tweede roman: ‘Daniel Sils’ (1855-1856) werd ook te Loenen voltooid, maar verschafte hem weinig genoegen3). De
| | | | groote vreugde, die hij van zijne Betuwers beleefde, werd hem een weinig bedorven door zijn ‘Daniel Sils’, waarover ik thans liever zwijg.
In 1857 vestigde hij zich met zijn gezin in Den Haag, waar hij nog drie-en-twintig jaren bij klimmenden voorspoed, roem en aanzien mocht doorleven. Iets eigenaardigs uit zijn Haagsch leven was zijne belangstelling in maatschappelijke vraagstukken, eene belangstelling, die zich weldra in letterkundige kunstwerken openbaarde. Tot deze afdeeling van Cremer's arbeid behooren:
| 1861. ‘Wouter Linge’. (Novelle). |
| 1863. ‘Fabriekskinderen. Eene bede maar niet om geld.’ |
| 1870. ‘Openbare brief aan Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken. |
| 1870. ‘Een woord aan zijne landgenooten.’ |
| 1871. Brief aan alle Nederlandsche werklieden, leden en geen leden der Internationale door Jan Stukadoor. |
| 1871. ‘De oorlog een noodzakelijk kwaad.’ |
| 1871. ‘Antwoord van Jan Stucadoor aan Piet Schaver.’ |
Cremer was een vriend van armen en lijdenden. Mededoogen voor velerlei ongeluk openbaart zich in alles wat hij schreef. Velerlei edelmoedige opwellingen deden hem naar de pen grijpen, om met de hem geschonken gaven te strijden tegen maatschappelijke ongerechtigheden en bittere ellende. Hij vergat daarbij echter weleens, dat het gemakkelijker valt de zeven hoofdzonden in Betuwsch kostuum te kleeden, dan geneesmiddelen aan te wijzen voor sociale kwalen, wier diagnose zelfs door de bekwaamste artsen nauwelijks is vastgesteld.
Zijne eerste proef op dit gebied: ‘Wouter Linge’ bevat een pleidooi voor Fredriks-oord en de bekende Maatschappij van Weldadigheid. Hij is er zelf geweest, en heeft begrepen, dat hij kon medewerken voor een goed doel. De hoofdzaak was geld te doen vloeien in de kas der Maatschappij. Daarom vertelt hij de geschiedenis van Wouter
| | | |
Linge die uit eene kelderwoning van ‘een onzer eerste steden,’ na hevige worsteling met velerlei armoede en verzoeking, naar Drenthe werd overgeplaatst, naar Frederiksoord. ‘Uit de groote maatschappij, waarin zij zoo behoeftig waren, maar geen armen wilden zijn, werden zij in eene kleinere overgebracht’ - de Maatschappij van Weldadigheid. En dan grijpt Cremer naar zijne pen, om als kunstenaar al het voortreffelijke van hun nieuwen toestand te schilderen. Het geldt vooral de dochter van Wouter, Anna Linge:
‘Vriendelijker oogen zaagt gij maar zelden, dan die van de schoone Anna Linge. In de stad heeft men 't reeds gezegd, dat zij een beeldig gezigtje had; maar thans - ik zou u haar schilderen willen, zooals zij daar staat, met den ronden schouder geleund tegen de borst van een kloeken knaap, die hare hand in de zijne gedrukt houdt. Prachtig boerinnetje met nwe blauwe heldere oogen en uwe zwarte golvende haren, die zich echter voor 't grootste deel in het hagelwitte mutsje verschuilen; aanvallige maagd met uw paarsch katoenen jakje om de welgevormde leden....er zijn knapen, die....beweren, dat Anna hooghartig en trotsch op haar schoon is. Doch Willem, de flinke jongen, weet het beter: Anna heeft geen liefde kunnen schenken, aleer die zuivere gloed in haar boezem ontvonkt was. Willem weet, dat zij kan minnen, minnen met vuur, doch rein en geduldig. Rein en geduldig evenals hij, want - de toestand in deze maatschappij opent den minnenden knaap, die nog broeders en zusters en ook een oude moeder heeft, geen lachend verschiet. Wanneer - wanneer zal de ure slaan, dat hij zijne dierbare Anne in eene der nederigen hoeven als de zijne kan binnen voeren? Helaas, daar zijn bezwaren, droevige bezwaren: hun beider toekomst is nog door een wolk verduisterd. Maar - geen wolkje zweeft er op dit oogenblik langs beider voorhoofd. Neen zij staan er nog een wijle met de handen inéén; dan buigt Willem zijn hoofd wat ter zij en drukt de lieve een zoen op haar blozende wang. En dan, als hij haar loslaat, dan zegt hij zoo heel eenvoudig: “Dag Anna” 't Meisje ziet hem recht liefdevol aan - ze hebben maar weinig te praten - zij zegt er: “Dag Willem!” En hij weer met sprekende blikken: “Dag lieve
Anna!” En zij: “Dag beste Willem!” Er volgt weer een zoen op. Nu zal de jongen zich verwijderen....maar nogmaals blijft hij staan, geniet met zijn blik de schoone gestalte in haar geheel en dan - nog een zoen en weder, alsof het wat nieuws was: “Dag beste Anna!” Nu spoedt hij zich voort, want Anna is aan de andere zijde den heuvel langs de elzenstruiken afgesneld en ijlt er met ligten tred naar het ouderlijk erf toe.’
Verstaat de dichter de kunst ons aldus voor zijn hupsch paar te winnen, ook voor Wouter Linge en de zijnen weet hij welsprekend te pleiten. Dat hun gevaar boven
| | | | het hoofd hangt, daar de ouders te bejaard zijn, om langer de hun toevertrouwde hoeve te bestieren, dat zij naar de groote maatschappij zullen worden teruggezonden, daar de bestuurders der vrije kolonie Frederiksoord zich ‘niet langer met schulden mogen beladen’, en allengs het getal der beschermde hoevenaars moeten verminderen, wordt door zijne vertelling zoo treffend aanschouwelijk gemaakt, dat wij vragen, hoe kan dit gevaar worden afgewend? De auteur zegt het u kortaf met eene gebiedende wijs: ‘Geef!’ En ik weet het, dat dit soms helpt. Een rijk en geletterd burger van Batavia zond na de lezing van ‘Wouter Linge’ in een briefomslag een paar flinke bankpapiertjes naar Frederiksoord.
Zullen wij hier de meening aanhangen, dat het den dichter niet betaamt ten prikkel der philanthropie de pen op te nemen, dat hij louter ter wille der kunst behoort te schrijven? ‘Verzen en boekskens uit te geven voor, loterijen en bazars te houden om de wille van dit arm gezin of die noodlijdende gemeente, wat is het anders dan eene volksdeugd te vervalschen en de kunst te verlagen tot kwakzalverij?’ Deze gestrenge eisch, nog aangedrongen door het gewijde woord: ‘Niemand kan twee heeren dienen!’ - komt natuurlijk van Potgieter's zijde.1) Zou ook hier niet overvraagd worden? Heeft men Charles Dickens ooit verweten, dat zijn ‘Pickwick’ niet deugde, omdat hij de ellenden der schuldengevangenissen teekende; dat zijn ‘Nicolas Nickleby’ mislukt. was, omdat hij de gruwelen der kostscholen in Yorkshire tuchtigde? Alles hangt af van het talent, waarmee de dichter
| | | | de gekozen sociale stof behandelt. Zijn Kunst en Economie onvereenigbaar, waarom kunnen Kunst en Geschiedenis dan wel vereenigd worden? Waarom zou Walter Scott een onderwerp aan de Kruistochten mogen ontleenen, maar Dickens den slakkengang der civile procedure van Engeland niet mogen op de kaak stellen in een roman?
Te verklaren, dat de kunst niet kan geoefend worden, zoodra de kunststof aan de eene of andere wetenschap wordt ontleend, is eenvoudig eene bewering zonder bewijs. De eischen der schoonheid en die der wetenschappelijke stof zijn niet onvereenigbaar, wat Potgieter ook zegge. In elken roman uit ons modern leven wordt een onderwerp behandeld, of behoort althans een onderwerp behandeld te worden, dat of eene studie van den mensch als denkend en gevoelend wezen, of eene schildering van bepaalde maatschappelijke levensvormen aanbiedt, of beide te zaam. De psychologische en de sociologische roman hebben beide recht van bestaan. Niet hierover loopt de strijd, maar alleen over het talent van den kunstenaar in de bewerking zijner stof.
Voor Cremer mogen zijne ‘Fabriekskinderen’ pleiten! Men heeft hier te doen met eene sociologische novelle. Het lot der arme fabriekskinderen, vooral uit Leiden, kon nimmer welsprekender, nimmer warmer worden aanbevolen. Een enkel staaltje moge dit staven. Drie doodarme, ongelukkige kinderen worden in December te zes uren des morgens naar de fabriek gezonden door de laaghartige, verdierlijkte ouders. Een dezer kinderen, een ventje van tien jaren, valt op straat in slaap, hij kan de fabriek niet bereiken. Daar komt een jong student, die laat op de kroeg was blijven plakken, of - zooals Cremer met zijn goed hart beweert - die met een vriend mathesis had gewerkt, en op diens kamer in slaap was gevallen; (laat het zoo zijn, in Cremer's naam!). Deze jonge student nadert de plek, waar het arme kind ‘met het hoofdje rustend op den kleinen arm en die arm gekromd op den scherpen rand van een lage stoep’, lag te sluimeren. Terstond besluit de jonge, edelmoedige student
| | | | den armen drommel mee te nemen naar huis - anders vriest het kind dood. Groote verbazing en ergernis van de huisploertin, als de student haar roept, om haar te laten zien, hoe het verkleumde kind in zijn ledikant rust. Nu begint het volgende gesprek:
‘-“Hoe vin-je dat, hé?” - “Hoe ik dat vind.....? Mag ik reis vragen, hoe uwes Mama dat zou vinden?” - “Heb je wel eens op straat geslapen, juffrouw Baks, met een stoep tot je kussen?” - “Lieve Hemel, ikke!” roept de juffrouw; “ik ben Goddank een fatsoenlik-manskind; maar weetje waar zulk gespuis van afkomstig is” - en zij wijst met haar vleezigen vinger op den armen Sander, die in Willems ledikant zoo kostelijk te slapen ligt - “van 't rapalje, weetje, uit de fabrieken; van ouwers, die drinken en luieren, en d'r eigen onmondig vleesch voor den kost laten zorgen, zie-je, weet u menheer, van zu'k rapalje!” - “Zoo, juffrouw Baks.” - “Ja, van volk, dat z'n eigen vader en moeder voor een glas jenever aan de galg zou helpen; maar wil ik je reis wat zeggen, menheer, als je van 'en onwer mensch 'en goeje raad wilt aannemen, pas op, dat je je vingers niet brandt, 't vuil maken van je eigen boel, en 't gebabbel in de straat wilik daarlaten, maar met je dat verwaarloosd en liederlijk sezjet heel kristelijk aan te trekken, ga je vlak buiten je boekje. Als we 't avond of morgen zoo'n zuiplap in de deur krijgen, die mijn of m'n man 'en maling schopt, omdat we z'n kind van 't febriek hebben afgehouwen, dan bent uwes responsabel; ieder man blijft baas over z'n eigen kinders. Als bij voorbeeld uwes mama....” - “Wil je klaar zetten, juffrouw Baks?” - (Lieve hemel, wat zette ie vree selijke oogen op). - “Jawel menheer; twee kadetjes, niewaar?” - “Zes kadetjes en tien krentebroodjes, juffrouw Baks.” (Hemel, wat oogen!) - “Koffie- of theewater, menheer?” - “Chocoladewater, juffrouw Baks.” - Juffrouw Baks maakt rechtsomkeer; en als zij langzaam wegschommelt,
dan mompelt ze bij zichzelve: om zoo'n vuil opraapsel 'en fatsoenlik mensch nog te schandalizeeren ook: - weet-je, ze zou wel....maar d'r kamers en 't lieve geld! Je moet al wat doen in de wereld!’
Met de uiterste oplettendheid zorgt de student voor het geredde kind. Hij laat hem uitslapen en wikkelt hem in eene oude overjas. Dan zet hij hem op de sofa van zijn studeerkamer en overlaadt hem met krentebroodjes en waterchokolaad. Ze voeren daarop een lang gesprek, als het kind nieuwsgierig begonnen is met de vraag:
- ‘Ben-jij een prins?’
- ‘Ik? wel uee!’ lacht Willem uit zijn gemijmer ontwakend. ‘Maar, als ik het was, zou je dan wel altijd bij zoo'n prins willen blijven?’
- ‘Ja wel;’ zegt Sander.
- ‘Waarom?’
| | | |
- ‘Om ditte!’ - zegt de jongen, en likt nog eens langs den rand van den grooten chocolade-kop.
- ‘Hadt-je dat nooit geproefd?’
‘Het ventje grinnikt, alsof hij wilde zeggen: Dat kun je begrijpen! 'k Docht eerst, dat het mosterd was’, zegt hij iets later.
- ‘Mosterd?’
- ‘Ja, die haalt moeder in een potje, en 's middags, als we van 't febriek kommen, dan krijgen we aardappels met zoo'n beetje mosterd in 't water.’
- ‘Niets anders?
- ‘Ja, soms wel een scheutje azijn. Vader en Moeder eten meestal spek, maar da's gallig voor de kinders zeit moeder.’
- ‘Beesten!’ roept Willem.
‘Neen Sander, schrik maar zoo niet; dat geldt niet u of een van uw's gelijken; hoor maar, hij, vraagt u weer vriendelijk:
- ‘En hoe heet je vader?’
- ‘Dat weet ik niet’; is het antwoord.
- ‘Maar jij, hoe heet jij?’
- ‘Sander Zwarte,’
- ‘En wat doet je vader?’
- ‘Hè, hè’, grinnikte de jongen, ‘moeder zeit zuipen.’
- ‘Maar wat is hij van zijn ambacht?’
- ‘Ambacht?’ grinnikte het kind;....daar had hij nooit van gehoord.
- ‘Waar verdient hij zijn centen mee?’
- ‘Dat doen wellui.’
- ‘En hoe ond ben je al ventje, ben je al zeven?’
- ‘Ikke’, zegt het jongske: ‘ikke ben tien!’ -
Ook deze uitmuntende bladzijde werd geschreven ten prikkel der philanthropie, meer bijzonder, om maatregelen uit te lokken, maatregelen door Koning en Staten-Generaal te nemen in den vorm van eene wet op den kinderarbeid.
Dit alles beweegt mij niet uit te roepen: Niemand kan twee heeren dienen! - hoewel het mij leed doet aan het slot van ‘Fabriekskinderen’ als oorzaak van het ellendig lot der arme kinderen van fabrieksarbeiders te zien opgegeven - de concurrentie der fabrikanten onderling. Cremer verraadt hier een in 't oog vallend gemis aan economische kennis. Misschien gaat Keller te ver, als hij beweert: ‘Cremer wist van de staathuishoudkunde niet veel meer, misschien nog iets minder dan een gewoon beschaafd man, en het lag niet op zijn weg om voor zulk eene gelegenheid van die wetenschap zijne studie te maken’1).
| | | |
In elk geval Cremer raadpleegde alleen de stem van zijn edelmoedig hart. Hij gevoelde het leed zijner natuurgenooten met gadeloos medelijden. Zijne stille weldaden zijn vele. Maar niet altijd gebruikt hij daarvoor het noodige oordeel. Zoo gaat het gewoonlijk, als dilettanten over het lot van den arbeider en den daglooner spreken. Men legt meer goedhartigheid dan logischen zin aan den dag, en wil niet inzien, dat, wat den toestand van den proletariër zoo ongelukkig maakt, niets anders is, dan het sluiten van onberaden huwelijken door behoeftige werklui, en het daaruit geboren talrijk, nog behoeftiger, kroost. Het ware beter, in plaats van op de concurrentie der fabrikanten te wijzen, den proletariër te overtuigen, dat hij in zedelijke en stoffelijke waarde belangrijk zou rijzen, wanneer hij zich voortaan onthield van een radeloos huwelijk, wanneer hij eene natuurdrift onderdrukte, die door het verwekken van vele telgen hem en de zijnen tot naamlooze ellende veroordeelt.
Eén ding moet ten slotte tot eer van Cremer gezegd worden, als kunstwerk is zijne novelle: ‘Fabriekskinderen’ uitstekend geslaagd, en zijne bedoeling is begrepen. Ieder weet, hoe wakker Mr. S. van Houten zijn plicht als volksvertegenwoordiger heeft betracht, zoodat de tegenwoordige regeering1) er niet voor terugdeinsde dezer dagen een ontwerp tot herziening en uitbreiding van de wet regelende den arbeid van kinderen en vrouwen aan de Staten-Generaal voor te dragen.
| |
V.
In den Haag bewerkte Cremer, behalve de reeds genoemde Over-Betuwsche novellen, nog tweeërlei soort van kunstwerken - tooneelstukken en romans. Van de eerste voltooide hij er drie:
| ‘Boer en Edelman’ - geschreven in 1864. |
| | | |
| ‘Emma Berthold’ - geschreven in 1865. |
| ‘Titulair. Klucht of geen Klucht’ - geschreven in 1874. |
Van de laatste vier:
| ‘Anna Rooze’ - geschreven in 1867. |
| ‘Dokter Helmond en zijne vrouw’ - geschreven in 1869. |
| ‘Hanna de Freule’ - geschreven in 1872. |
| ‘Tooneelspelers’ - geschreven in 1874. |
Niemand onder Cremer's vrienden heeft hem aangeraden zijne halfgeslaagde pogingen met tooneelstukken te herhalen. Schoon zelf een uitstekend acteur, had hij den waren slag niet, om een tooneelstuk te schrijven. Hij vergde te veel van zijne hoorders, door kleine symbolische toespelingen te maken, die bij de vertooning op het tooneel niet genoeg de aandacht trokken. De tooneelspelers kleuren hun gelaat, trekken zwarte randen om hunne oogen, en bedekken hunne lippen met karmozijn - alles, om van verre den schijn van bloeiende blankheid te vertoonen. Zoo is het met de taal van het drama. Zij, die een dialoog voor een roman met vernuft en meesterschap kunnen schrijven, missen de vaardigheid, om een dramatisch gesprek te doen voeren. Al te groote waarheid en natuurlijkheid zijn hier evengoed te mijden, als overdreven lyrische schoonheden en gezochte oratorische pracht.
Terecht heeft de Veer gezegd: ‘Nog afgezien van de noodzakelijkheid om met de planken vertrouwd te zijn, wil men met goed gevolg voor het publiek als tooneelschrijver optreden, meen ik, dat Cremer zich nooit op zijn gemak gevoeld zou hebben in het keurslijf van de dialoog, hoe los en bevallig de zijne in den regel ook was. Hij had de behoefte nu en dan, als 't hem lustte, zich rechtstreeks tot zijne lezers te richten, van de dingen, die hij zag en hoorde, het zijne te zeggen, en wel op zijne eigenaardige manier.’1)
Daarenboven was er nog iets, wat hem belette met tooneelarbeid voor te gaan - zijne reeds vermelde gevoe- | | | | ligheid voor critiek. De beoordeelingen van ‘Boer en Edelman’, van ‘Emma Berthold’, luidden niet onvoorwaardelijk gunstig. ‘Ik kan zijn “Emma Berthold” niet mooi vinden’ - zegt Keller, - ‘evenmin als ik zijn Boer en Edelman’ mooi vind, of zijn ‘Klucht of geen klucht.’ De gedachte is goed en juist, maar er is ‘niets boeiends of verrassends in en de dialoog is zwak, omdat uit den aard der zaak de naiveteit, die de kracht van Cremer's dialogen uitmaakt, daarin slechts eene bescheiden plaats kan innemen’1).
Toch heeft deze arbeid voor het tooneel2) zijne vruchten gedragen, daar Cremer bij de repetitie en de vertooning zijner stukken de geheel eigenaardige wereld der tooneelspelers van nabij leerde kennen. Zijn laatste roman ‘Tooneelspelers’ toont, hoe fijn hij alles heeft uitgewerkt wat hem trof, hoe juist hij de eischen van een goed en de gebreken van een slecht drama inziet. Dit wordt bewezen door de twee schetsen van een tooneelstuk, een uit de oude en een uit de nieuwe school, in ‘Tooneelspelers’ ingevlochten, en tevens door Keller geprezen.
Zijne vier groote romans staan veel hooger dan zijne drama's, maar lager dan zijne Over-Betuwsche novellen. Sommige afzonderlijke gedeelten evenwel zijner romans zijn voortreffelijk geslaagd. De billijkheid eischt dit met een voorbeeld te staven. Zijn breedst aangelegd verhaal is ‘Anna Rooze.’ Ook in dit werk worden zijne schitterende hoedanigheden als kunstenaar opgewogen door enkele eigenaardigheden en tekortkomingen. In de eerste plaats valt in 't oog, dat de kern van het nieuwe kunstwerk gevormd wordt door eene novelle, ditmaal eene Veluwsche novelle. Die novelle is de geschiedenis van Hanneke Schoffels, het ‘frissche boerenkind’, 't welk
| | | | de laster van kindermoord beticht. Maar aan dit verschrikkelijk misdrijf is zij onschuldig, al is ze in stilte moeder geworden, al heeft ze haar kind te vondeling doen leggen. Aandoenlijk is de bede van de arme, benauwde Hanneke, als ze in den vroegen winterochtend voor haar stoel neervalt en bidt:
‘O Lieve Heere Jezus! wa'k oe verzuuken mag, loat 't niet uutkommen, nee! Voader zal mien vluuken en Joost.....o God! ik zal wel tweemoalen Zundags noar de karke goan, en van 't loon uutlegge veur den arme, vier duute wêks of ook wel 'n stuuver. o Lieven Heere Jezus, ik was een kiende en.....’
Maar het ongeluk vervolgt haar. De lasterlijke geruchten worden natuurlijk gretig en gaarne geloofd en verspreid. De predikant, bij wien Hanneke diende, jaagt haar weg. Partij trekken voor slachtoffers van laster geeft maar moeite en onaangenaamheden, Het is eenvoudiger den laster te gelooven. Ze dwaalt in den kouden winteravond door 't bosch vol vrees voor haren vader en haar eerlijken minnaar. Luid schreiend roept zij uit: ‘Naor moeders huus toe!’ - en trots alle vrees, snelt ze naar den landelijken herberg, waar vader en moeder wonen.
Weldra staat ze voor hare ouders.
En dan volgt dit uitmuntend tafereel:
‘Hanneke staat te klappertanden, vader ziet haar aan, en herhaalt met krachtiger stem zijn vraag: “wat er dan was dat haar op dit late uur van 't dominee's huis naar den berg joeg?”
Zie je dan niet, Berend, dat ze hoast niet sprêken kan, zoo kolde ze is! - Kom hier, Hanneke, hier op de vuurploate. 'k Zeg: loat ze erst bekommen, eer ze proaten zal. God, kiend! oe handen zin as steen....Hier, goat er zitten; hier op mien stoel.’
‘Berend stelt zich in den weg. Hevig:
Heur ie mien niet: ik vroag wat er is?’
‘Man, wês toch wiezer. Altied den driftkop! Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer éen. Kom....’ en terwijl zij Berend ter zijde stoot, dwingt ze Hanneke neer te zitten in haar stoel bij de plaat.
Schoffels beheerscht zich met geweld; hij loopt naar de deur; van de deur naar de bedstee; van de bedstee naar het raam, en dan - dan snel terugkeerend naar den haard, roept hij nog luider voor Hanneke stilstaande:
‘En nou, nou zal ik weten, wát'r gebeurd is!’
Moeder Schoffels heeft haar warmen kapmantel om Hanneke's schouders
| | | |
geworpen. Een rilling doet het meisje schudden, maar de groote donkere oogen slaat ze ook nu voor vader niet neer, en ze zegt:
‘Ruzie 'ehad voader, ruzie!
Ruzie met wie?’
‘Met domenie's juffer!’
‘Woarover?’
‘Over...over.....’
‘Hanneke, ge liegt.’
‘Man, wês toch stil!’ roept vrouw Grietje. ‘Ge roast as'en dolheufd-Weet ie 'et bêter as Hanneke eiges....?’
‘En ik vroag: woarover, wóarover!?’ dondert Schoffels.
't Arme Hanneke zwenkt met den blik; vluchtig is slechts het wit van haar oogen te zien. Het is haar - onbestemd - als sloeg haar het plaatvuur naar den zolder, en draaide vader met het hoofd naar den vloer en wrong de kamer zich saam. Een zacht geluid ontsnapt aan haar doodsbleeke lippen en zie daar ligt ze met slappe armen, het hoofd terzij op den schouder.
‘Dood....! O God, dood! dood!’ barst de vader nu los; en hij strekt de beide handen naar zijn Hanneke uit, en omvat haar met zijne armen en roept haar bij haar naam, verscheidene malen achtereen, en strijkt zich het klamme zweet van het voorhoofd, want.....want hij weet niet of ze dood is of....leeft, Hanneke, zijn lieve Hanneke.’ -
De verwonderlijke, fijne takt, waarmee hier de liefde der moeder is geteekend, die met het schijnbaar onschuldige woord: ‘Oe kiend is dood van de kolde, da's nommer een!’ den driftigen vader terzijde schuift, verdient den hoogsten lof.
Maar Hanneke is alleen eene persoon van den tweeden grond. Anna Rooze is de heldin; Anna Rooze, eene schoone weeze, edel van hart en zin, oprecht en waarheidlievend. Hare moeder heeft ze vroeg verloren, haar vader, een zeeofficier, was voor twee jaren nog in leven. Ze heeft met hem een bezoek aan het graf harer moeder gebracht.
‘Toen papa met haar bij die zerk heeft gestaan, toen sprak hij zonderling bewogen: - “Best, lief wijfje! al veertien jaren leg je daar onder dat kouwe, harde ding. Kon je nou ons krullig bruintje eens zien, hé! Kom, Anna, kom!” - Anna was heelemaal koud en vreemd geworden, want papa had haar zoo raar, zoo hard met den arm om haar hals naar zich toe getrokken, en - terwijl hij naar de zerk wees - op zoo'n wonderlijken, ze zou haast zeggen zoo'n schreiachtigen toon gezegd: “Dat mensch kon geen onrecht zien. Slaap zacht, best wijfje! Als de steken gelijk hebben, dat er van een menschenkind nog wat overblijft, dan ben jij een engel geworden, een engel van waarheid! Ja, als het waar is!” - “Maar dat is waar, dat is zeer waar, lieve papa,” heeft Anna gezegd. - “Zooveel te beter, best bruintje”,
| | | | heeft hij toen geantwoord. “Als er dan ook van den raren zeerob wat overblijft, dan komt hij je nog eens opzoeken, hoor, zoodra de golven bij hem doen, wat die zerk doet - dáár!” Schielijk had hij het hoofd terzij gewend en waren ze heengegaan.’
Anna Rooze toont zich de flinke dochter van dezen wakkeren zeeofficier. Een toeval brengt haar in het bezit van Hanneke's geheim. Als ze voor het Hof van Gelderland moet getuigen in de zaak van het ongelukkig boerenmeisje, zal zij de volle waarheid zeggen - even als Jenny Deans in Walter Scott's ‘Heart of Midlothian’. Doch gelukkig is Hanneke onschuldig, en spreekt het Hof haar vrij.
Een minder welkom verschijnsel in den roman is het, dat dit alles, het proces van Hanneke, de getuigenis van Anna Rooze, moet samenwerken, om de onbillijkheid der praeventieve hechtenis ten onzent in het oog te doen vallen. En hierbij openbaart zich een gebrek aan takt bij den romanschrijver, daar hij van Hanneke's verblijf in het huis van verzekering te Arnhem volstrekt niets mededeelt, dan alleen het aantal dagen harer opsluiting. Op deze wijze begint er twijfel te ontstaan, wat eigenlijk het hoofdonderwerp van den roman vormt, te meer, daar er nog eene andere stof is, die de schrijver behandelt - het lasteren en kwaadspreken van het dorpspubliek tegenover Anna Rooze.
Verschillende hoofdonderwerpen, gebrek aan eenheid, beletten, dat deze roman als geheel vlekkeloos is te prijzen. Vele der talrijke personen, die in ‘Anna Rooze’ optreden, verdienen daarentegen zeer eervolle onderscheiding en lof. De onuitstaanbare dominé Haverkist is in zijne reusachtige zelfzucht, ellendige ijdelheid en schandelijke liefdeloosheid voortreffelijk getroffen, maar de adellijke heeren en dames, mevrouw Van Breeland, mevrouw Van Riddervoorst, Baron Geereke zijn vrij conventioneel van toon, houding en handelingen. Ook de beide schurken, oom Lyning met den basiliscus-blik en zijn medeplichtige, Geert Holmena, zijn louter tooneelfiguren.
| | | |
Een ernstig bezwaar zou ook moeten worden gemaakt tegen de zonderlinge poging van den schrijver, om bekende Nederlanders, in 1867 levende, in het verhaal te pas te brengen. Zijne verdichte personen spreken van mevrouw Bosboom-Toussaint, van S.J. van den Bergh, van de hoogleeraren Loncq, Mulder, Opzoomer, Tiele, Pierson en den tooneelspeler Albrecht.
Vermenging van verdichte personen met levende tijdgenooten in een roman kan niet worden toegelaten. De goede smaak verbiedt het. Zelfs in den historischen roman maakt het optreden van tijdgenooten een verkeerden indruk. Slechts in eene vermomming laat men de helden van den dag op het terrein der verdichting verschijnen.
Zijn er hier en daar schaduwzijden in ‘Anna Rooze’, reeds is het gebleken op welke wijze Cremer weder uitmunt. De geschiedenis van Hanneke is eene ingeschoven Veluwsche novelle, en op zich zelve voortreffelijk. Enkele bladzijden zijn daarenboven, uitmuntend door den stijl, kleinooden onzer letterkunde geworden. Ten bewijze volge hier de best geschreven pagina uit ‘Anna Rooze’:
‘'t Is éen uur na middernacht.
In het Over-Maasche daar had hij zich gelegerd, de Storm.
Daar stonden populieren en esschen en wilgen in gestadigen ootmoed voor hem te buigen.
Doch, zich verheffend uit zijn rust, huilend als een verscheurend gedierte, vloog hij overeind.
Den slanken esch greep hij bij den voet en rukte hem neder.
En de andere stammen bogen dieper, doch sidderden inwendig bij het voelen van de ijzeren vuist, die hen kraken deed.
En wat hem stoorde in zijn woeste vaart - dat slingerde hij met kracht ter aarde.
Voort! hij moet zich baden in den breeden vloed.
Voort! dien knotwilg gesmakt in de klei.
Dat lies en riet gezweept in het drassig oeversop.
Voort! zich zelf gestort in den stroom.
En het klotst en bruist en schuimt, waar hij de waatren beukt. - Voort! naar gene zijde!
Het fiere fregat in 't midden der rivier op stroom voor anker voelt te loefwaart een ijzeren stoot en hoort den ankerketting knarsen, en ziet zijn vrijen wimpel in den bezaanstop gegrepen en weggeslingerd in het donkere nat.
Voort, moet hij, voort! Naar die bodems in dommel aan gindschen wal en naar de huizen, waarbinnen de lauwe rust hem walgt. Ha! hij zal ze
| | | |
luide wakker gillen uit den zoeten slaap. Hoor maar, hoe hij in het want dier schepen gilt. Hoor maar hoe hij de glazen dier gaslantaarn al rinkelend aan stukken beukt; hoor maar, hoe hij bonst op die vensters.
Zie! Dien schoorsteen zal hij doen neerdonderen op de pannen van uw dak. Waak op! Waak op Rotterdam! 't Is de reus uit het Over-Maassche!’
| |
VI.
Uit de vier romans, te 's-Gravenhage geschreven, eene keus doende, werd hier eenigszins breeder van ‘Anna Rooze’ gehandeld. Ik acht het mij dus geoorloofd omtrent de twee romans, die naar mijn oordeel het minst geslaagd zijn: ‘Dokter Helmond’1) en ‘Tooneelspelers’ tot de orde over te gaan.
Omtrent ‘Hanna de Freule’ dient echter nog een enkel woord gezegd te worden. Wij zien Cremer in dit verhaal opnieuw eene poging wagen, om den toestand onzer fabriekarbeiders, om de loonquaestie en alle verdere quaestiën, die men goed gevonden heeft met den naam van sociale quaestie te bestempelen in een nieuw licht te plaatsen. Het schijnt wel, of onze gemoedelijke dorpsverteller zich voelt aangetrokken het voorbeeld van Charles Dickens te volgen; of hij, als deze, zijne geringe ingenomenheid met de wetenschap der staathuishoudkunde wil in het licht stellen. Zeker antagonisme tusschen poëzie en economie valt licht te begrijpen. Het werk van den nijveren arbeider als koopwaar, het loon als een marktprijs van arbeid, slotsom van den strijd tusschen vraag en aanbod, te hooren omschrijven, bevat iets stuitends voor het menschlievend hart van den gemoedelijken dichter.
| | | | Zulk een dichterlijk gestemd hart gruwt van verontwaardiging bij al de duizenden ellenden van het maatschappelijk leven in onze eeuw. De poëet ontfermt zich over het lot van het lijdende deel der maatschappij, tast in het oogvallende misbruiken met woedende satire aan, stort over zijne poëtische schepping het goudstof van zijn genie, en wint het pleidooi voor de oningewijde menigte.
Dickens greep in ‘Oliver Twist’ de armhuizen, in ‘Nelly’ en ‘Hard Times’ de arbeiders-quaestie, in ‘Nickleby’ de kostscholen, in ‘Chuzzlewit’ de slavernij in Amerika, in ‘Dombey’ de geldaristocratie, in ‘Copperfield’ de knoeierijen van Doctors-Commons, in ‘Bleak-House’ het kanselarij-hofen de evangelisatiewoede onder de Engelsche vrouwen voor uitheemsche volken, in ‘Little-Dorrit’ de schuldengevangenissen aan, en heeft bij alle overdrijving en gebrek aan wetenschappelijk doorzicht onberekenbaar veel goeds gesticht. Want de schitterende zijde van het dichterlijke scheppingsvermogen deed een helder licht opgaan over velerlei ellende, en mocht hij mistasten of in zijne beminnelijke dweepzucht tot het onmogelijke of onpraktische zijne toevlucht nemen, Britsche mannen van wetenschap en staatsbeleid toonden een geopend oor te bezitten voor de klachten des dichters.
Op dezen weg poogde Cremer - als gezegd is - met ‘Wouter Linge’, ‘Fabriekskinderen’ en ‘Anna Rooze’ Dickens na te wandelen. ‘Hanna de Freule’ is eene nieuwe poging. Ditmaal geldt het de wereld der fabrieksarbeiders in haar geheel - mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen.
Het hoofdonderwerp van den roman is eene werkstaking in de katoenspinnerij van de firma Degen & Bronsberg te Veenwijk. De arbeiders worden aangevoerd door een welsprekend werkman, Wouter Glover. De patroon Degen sterft door eene beroerte uit plotselingen toorn over de brutaliteit der fabrieksarbeiders. De patroon Bronsberg is een dilettant-philanthroop, en geeft de helft van den eisch der arbeiders tot loonsverhooging toe. De slechtgezinden willen den vollen eisch, en vallen Brons- | | | |
berg hard. De werkstaking duurt voort, tot eene geweldige dijkbreuk tusschen beide komt, en de fabriek: Het Kromveld verwoest.
Bij deze gelegenheid redt Glover het leven van zijn patroon Bronsberg, hoewel hij van de fabriek is weggejaagd. Dan volgt de verzoening tusschen beide partijen. De fabriek wordt herbouwd, en de werklieden genieten intusschen vrij loon van den patroon. Glover wordt onderbaas op eene fabriek in Twenthe, en huwt Hanna, de heldin van het verhaal.
Voordat hier een woord volgt over de letterkundige verdienste, of over de economische strekking van dezen roman, mag niet verzwegen worden, dat op enkele bladzijden de dichter, die den Rotterdamschen storm bezong, op nieuw het woord vraagt. - Zoo vindt men het volgend schilderij van de fabriek in werking:
‘Uit den langen sohoorsteen van Het Kromveld stijgen zwarte rookpluimen naar omhoog.
Hein Fronk, de stoker, werpt binnen het ketelhuis nieuwe kolen in den fellen gloed.
En de vuurvlammen slaan ten oven uit, als zoeken ze de vrijheid, die men haar betwist.
Hein werpt de ijzeren kerkerdeur toe.
En het vuur sist en knettert en brult, dat het wraak nemen en toch zich bevrijden zal.
En met een haat, fel als zijne hitte, sart en bestookt het vuur den aartsvijand, gekerkerd als hij.
En het water, ziedend van gramschap, raast en klaagt wegkrimpend in doodstrijd.
Doch wie zal dooden, wat niet te dooden is!
En wie kan binden den vrijen geest! In 't sterven verzoend, breekt de geest van het vuur en het water vereenigd ten kerker uit.
Ten leven! Doode krachten bezielend!
Ziet! Metalen armen verheffen zich, en dalen en keeren en grijpen in tanden en wielen.
En 't stampt en dreunt en davert in het groote gebouw.
Der elementen geest heeft het uit zijn sluimer gewekt.’
Bij deze en dergelijke lyrische ontboezemingen is het Cremer niet alleen om den stijl te doen. Hij allegoriseert. Dit blijkt terstond uit den plechtigen toon. Hier stelt het kampen der vijandige ‘elementen’ de aanstaande
| | | | werkstaking der arbeiders voor. In het fraaie lied op den storm in ‘Anna Rooze’ werd ook eene allegorie bedoeld. Doch deze licht zoo diep verborgen, dat ik, ondanks de toelichting van den schrijver zelf mij gegeven, het er liever voor houd, dat hij enkel den orkaan wilde schilderen.
‘Hanna de Freule’ bevat meer uitstekende episoden. Hier en daar laat de duidelijkheid en waarschijnlijkheid te wenschen over, meestal ten gevolge van de bijna angstige zorg, om op elke bladzijde een verrassend effekt aan te bieden. De best gelukte figuren van het geheele werk zijn de Israëlitische uitdrager, Elie Mager, zijn vrouw Saartje en zijn zoon Izak. De winkel met ouden rommel is vol schilderachtige kleur - een verschijnsel, dat bij Cremer niet altijd te prijzen is, daar hij den lezer omtrent het koloriet van het landschap en de portretten zijner personen meermalen in het onzekere laat. Des te meer maakt de auteur ons tot vertrouweling van den gedachtengang zijner hoofdfiguren, 't welk, vooral bij Hanna de Freule zelve, tot zekere gerektheid en stoornis in den loop van het verhaal aanleiding geeft.
Hanna is eene jonge spinster, een onwettig kind van den overleden patroon Degen. Zij wordt voor krankzinnig gehouden, omdat zij van eene koets met paarden gesproken heeft, waarin haar vader haar zou komen halen. De Jood Elie Mager kent het geheim van Hanna's geboorte. Hanna's moeder, de schoone Esther, werd door Degen verleid en bedrogen, terwijl Elie zelf als jonkman Esther te vergeefs om liefde vroeg.
Daar de edelmoedige fabrikant Bronsberg met de dochter van zijn overleden compagnon gaat trouwen, daar ook hij weet, wie Hanna is, daar hij schriftelijke bewijzen in handen heeft, scheen het onvermijdelijk voor den auteur, om Bronsberg tot den onmiddellijken beschermer van de arme spinster te maken. Dit geschiedt niet. Bronsberg wil voor zijne bruid verbergen welk een misdrijf haar vader pleegde. Hanna moet terzijde
| | | | geschoven worden, om de zenuwen van de aanstaande mevrouw Bronsberg te sparen. De daemon der zelfzucht speelt hier zijne parten aan den edelmoedigen philanthroop-industriëel. Degen, zijn compagnon, was een ellendeling. En toch moest zijne schim in eere gehouden worden bij zijne wettige dochter, schoon daardoor der natuurlijke haar recht onthouden werd. De toekomstige vrouw van den philanthroop wordt nu ter wille van hare teergevoelige natuur gespaard, en Hanna terzijde gesteld. Wel huwt zij met Glover, en krijgt deze eene betrekking door Bronsberg's goedheid, maar de sleutel tot al deze edelmoedigheden is niet van fijn goud.
Daar Cremer van zijn Bronsberg een held heeft gemaakt, is deze motiveering zijner handelingen eene aesthetisch-psychologische fout, de hoofdfout tevens in dezen roman, die door eenheid van samenstelling boven al zijne andere uitmunt.
Wat de economische strekking van ‘Hanna de Freule’ betreft, zoo schijnt het duidelijk, dat de auteur zijn doel heeft voorbijgestreefd. De geschiedenis der werkstaking klinkt zeer onwaarschijnlijk. De schikking door Bronsberg in den beginne aangeboden, was niet naar den vollen eisch der werklieden, maar toch billijk, en zou in de werkelijkheid waarschijnlijk zijn aangenomen. De verwoesting der fabriek door dijkbreuk zou waarschijnlijk een geweldig eind aan de zaak gemaakt hebben, terwijl de arbeiders zich naar elders zouden hebben verspreid. De edelmoedigheid van Bronsberg, die, terwijl de fabriek herbouwd wordt, nog loon aan de arbeiders uitbetaalt, gaat geheel buiten de economische toestanden. Cremer schijnt van meening te zijn, dat de philanthrophie en de nijverheid altijd hand aan hand behooren te gaan, dat het kapitaal uit menschenmin en niet om winst dient te worden omgezet. Zou deze katoenspinnerij de concurrentie kunnen volhouden tegen anderen, terwijl de industriëel al zijne winst uit liefde voor zijne arbeiders gewillig afstaat? Ik vrees, dat Bronsberg nog eenmaal met verlies zal moeten liquideeren, tenzij de gezamenlijke industriëelen van ons vader- | | | | land, door zijn edelmoedig voorbeeld bewogen, mochten besluiten hem in alles na te volgen.
Op nieuw blijkt hier, dat Cremer weinig doorzicht bezat in maatschappelijke toestanden, weinig studie besteed had aan staathuishoudkundige onderwerpen.
Hiertegenover staat het verschijnsel, dat hij bij de uitgaaf zijner novellen en romans, bij zijne voordrachten in het openbaar zijne geldelijke belangen uitmuntend wist te behartigen. Volkomen juist zegt A.C. Kruseman: ‘Mevrouw Bosboom had, onbillijk genoeg, in vroeger jaren te zoeken naar uitgevers, die haar arbeid tegen fatsoenlijk honorarium aandurfden, terwijl Cremer zijne eischen bijna zoo ‘hoog kon stellen, als hij begeerde, en, zooals men zegt, ‘nageloopen werd.’1) Een gevolg van dit feit is, dat Cremer zijne werken bij verschillende uitgevers, en ieder afzonderlijk geschrift, in verschillende samenvoegingen met andere, telkens op nieuw heeft uitgegeven, zoodat het samenstellen eener nauwkeurige lijst zijner geschriften geene gemakkelijke taak is.
Cremer overleed te 's-Gravenhage in den vroegen morgen van den 5den Juni 1880. Hij telde nog geen drie en vijftig jaren. Eene leverkwaal sloopte zijn zwak gestel. Met innige ontroering werd hij door een groot aantal kunstbroeders ten grave gebracht. Zijn eigen denkbeeld - eene monumentale bank in de Scheveningsche boschjes, als eene herinnering aan zijn persoon en zijne werken, is door zijne vereerders onder leiding van Cremer's besten vriend, Arnold Ising senior, den 23sten December 1881 tot een feit geworden.
| |
| | | |
Werken van Jacobus Jan Cremer.
| 1851. |
‘De Lelie van 's-Gravenhage. Een verhaal.’ Amsterdam. J. Noordendorp, 1851. post 8o.1)
Geschreven in den Haag, 1850, en te Amsterdam in den winter van 1850 op 1851.
Zes drukken2). |
| 1853. |
‘Wiege Mie.’ (Eerste Betuwsche vertelling): verschenen in ‘de(n) Geldersche(n) Volksalmanak van 1853. Arnhem, I.A. Nijhoff & Zoon. bl. 21-36. |
| 1854. |
‘Een Winternacht. Uitgegeven ten voordeele van eerlijke armoede’. Arnhem, I.A. Nijhoff & Zoon. 1854. post 8o.
Geschreven December 1853. |
| 1856. |
‘Betuwsche Novellen.’ (Eerste verzameling). Haarlem, Erven Loosjes, 1856. gr. 12o.
Bevat: ‘Wiege-Mie’, geschreven Augustus, 1852- ‘De rechte Jozef’, geschr. Aug., 1853 - ‘De oude Wessels en zijn gezin’, geschr. Aug., 1854 - ‘DE REIS VAN GERRIT MEEUWSEN EN ZIEN ZEUN NOAR DE AMSTERDAMSCHE KARMIS’, geschr. Nov., 1853 - ‘DEINE-MEU’, geschr. Sept. 1855.
Zes drukken. |
| 1856. |
‘Daniël Sils’. Arnhem, I.A. Nijhoff & Zoon. 1856. 2 dl. gr. 8o.
Geschreven 1855-1856 te Loenen a/d Vecht.
Drie drukken volgens de laatste uitgaaf van A.W. Sijthoff (1888).
Er bestaan echter vier. De eerste: 1856: de tweede, Leiden, P. van Santen, 1875. post 8o; de derde, Leiden, Noothoven van Goor, door Cremer de tweede genoemd, en de vierde in Sijthoff's halve-guldens-editie. |
| 1857. |
‘De vriend van den huize en andere verhalen en gedichten’. Tiel, Wed. D.R. van Wermeskerken, 1857. gr. 8o.
‘De vriend van den huize’ werd geschreven Januari 1856. Herhaaldelijk gedrukt, o.a. in |
| | | |
| 1858. |
‘Een reisgezelschap. Novellen’. Haarlem, Erven Loosjes. 1858. 2 deelen met pl. 12o.
Bevat: ‘Eene zoogmoeder’, Nov. 1855 - ‘De Fransche Komiek en de Douarière’, April 1854 - ‘De vriend v.d. huize’, (zie 1857) - ‘Het einde’, Maart 1856 - ‘Ritter's Hans’, April 1856.
Herhaaldelijk gedrukt. |
| 1860. |
‘Arme Samuel. Een verhaal’. Leiden, A.W. Sijthoff. 1860. post 8o. met plat.
Geschreven Aug. 1859.
Herhaaldelijk gedrukt. |
| 1860. |
‘Portretten. Kees Springer in en buiten de Kerk’. Leiden, A.W. Sijthoff. 1860. post 8o. met plat.
Herhaaldelijk gedrukt. |
| 1860. |
Sinter-Klaas, Oud- en Nieuwjaar. Vier vertellingen’. Arnhem, D.A. Thieme, 1860. post 8o. Met titelplaat.
Geschreven 1857 en 1858.
Herhaaldelijk gedrukt. |
| 1861. |
‘Op den zolder. Eene schets. Geheel ten voordeele van de noodlijdenden ten gevolge der overstroomingen binnen Nederland in 1861’. - Rotterdam, H. Nijgh, 1861. post 8o.
Geschreven Januari 1861.
Herhaaldelijk gedrukt. |
| 1861. |
‘Wouter Linge. Novelle.’ - Arnhem, D.A. Thieme. 1861. 12o. Met titelplaat.
Herhaaldelijk gedrukt. |
| 1862. |
‘Een Betuwsch Klaverblad. Met illustratiën van W.H. Stam naar teekeningen van J.M. Schmidt Crans’. Schiedam, H.A.M. Roelants, 1862. post 8o.
Bevat: ‘Op den Kniehorst’, Januari 1858 - ‘'T KRIEKENDE KRIEKSKE’, Sept. 1856 - 'T PAUWEVEERKE’, 1857. Herhaaldelijk gedrukt. |
| 1862. |
‘Uit het Leven. Beelden en Schetsen’. Leiden, A.W. Sijthoff. 1862. post 8o. |
| 1862. |
‘Twee Novelletten’. Met illustratiën van J. van de Laar en J.M. Schmidt Crans Rotterdam, H. Nijgh, 1862. post 8o. |
| 1863 |
‘FABRIEKSKINDEREN. Eene bede, maar niet om geld’. Arnhem, D.A. Thieme, 1863. post 8o.
Geschreven 23 Februari 1863.
Voortdurend herdrukt. |
| 1864. |
‘Distels in het Weiland. Overbetuwsche Vertellingen’.
Leiden, A.W. Sijthoff, 1864. roy. 8o. Met platen. |
| 1865. |
‘Frederik Hendrik Hendriks, de schilder van Wolfhezen, geschetst door zijn leerling.’ Arnhem. H.B. Breijer, 1865. post 8o.
Geschreven, Mei 1865.
Meermalen herdrukt. |
| 1866. |
‘Nieuwe Over-Betuwsche Vertellingen’. Leiden, A.W. Sijthoff. 1866. gr. 8o. |
| | | |
| |
In het volgend jaar kwamen deze afzonderlijk uit en wel: |
| 1867. |
‘Bruur Joapik’. Leid., A.W.S., 1867. 4o.
Geschreven, April 1860. |
| 1867. |
‘'t Blinkende Hoantje’. Leid., A.W.S., 1867. 4o.
Geschreven, Augustus 1861. |
| 1867. |
‘Oan 't kleine rivierke.’ Leid. A.W.S., 1867. 4o.
Geschreven, Augustus 1862. |
| 1867. |
‘Op de Kniehorst’. Leid. A.W.S. 1867. 4o. |
| 1867. |
‘Kriekende Kriekske.’ Leid. A.W.S., 1867. 4o.
(Zie 1862). |
| 1867. |
‘'t Pauweveerke.’ Leid. A.W.S. 1867. 4o.
(Zie 1862). |
| 1867. |
‘Grietje op 't Heuningsarf.’ Leid. A.W.S. 4o.
Geschreven, Juli 1863.
Allen vele malen herdrukt. |
| 1868. |
‘Anna Rooze.’ 3 deelen. Mart. Nijhoff, A.W. Sijthoff, D.A. Thieme, 1868. gr. 8o.
Geschreven, 1867.
Tweede druk, 1869 bij dezelfden.
Derde druk, 1879-1880. Leid. Nooth. v. Goor.
Vierde druk, 1888. Leid. A.W. Sijthoff. |
| 1869. |
‘Betuwsche Novellen.’ Haarlem, Erven Loosjes. 1869. postf.
(Zie 1856.) |
| 1869. |
‘Thijs de smid.’ (Uitgegeven met een liefdadig doel.) Arnhem, D.A. Thieme, 1869. kl. 8o.
Geschreven 17 October 1869. |
| 1870. |
‘Openbare brief aan Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken, opgenomen in ‘het Vaderland.’ Den Haag, Mart. Nijhoff. 1870. gr. 8o.
(Mei 1870.)
(Over den arbeid van fabriekskinderen). |
| 1870. |
‘KRUUSEMUNTJE en andere Vertellingen.’ Leiden, A.W. Sijthoff. 1870. 12o.
‘Kruusemuntje’, geschreven 1866.
(Vele malen herdrukt.) |
| 1870. |
‘Dokter Helmond en zijne vrouw.’ 's Hage, Mart. Nijhoff, A.W. Sijthoff, D.A. Thieme. 1870. gr. 8o. 2 deelen. (Tweede druk.)
Geschreven 1869, geplaatst in ‘het Vaderland.’ (Eerste druk).
Derde druk, Guldens-Editie. 100-103.
Vierde druk, Leiden, Nooth. van Goor. 1879.
Vijfde druk, Leiden, A.W. Sijthoff. 1887. |
| 1870. |
‘Een reisgezelschap.’ Haarlem. Erven Loosjes. 1870. postf. Met platen. (Zie 1858). |
| 1870. |
‘Een woord aan zijne landgenooten.’ Overgedrukt uit ‘het Vaderland.’ 1870. No. 44. 's-Hage, C.A. van Reijn. 1870, kl. 8o.
(Over den arbeid van fabriekskinderen.)
Februari 1870. |
| | | |
| 1870. |
‘Emma Berthold.’ Eerst verschenen in het ‘Geïllustreerd Stuiversmagazijn.’ 1869-1870.
Geschreven in 1865. |
| 1871. |
‘Bella Roel. Overbetuwsche Vertelling.’ Amsterdam, G.L. Funke, 1871. roy. 8o. Met zes platen.
Geschreven Juli 1870.
Vele malen gedrukt. |
| 1871. |
‘Brief aan alle Nederlandsche werklieden, leden en geen leden der Internationale, door Jan Stukadoor. Onder toezicht gesteld van zijn neef den hulponderwijzer B.’ Leeuwarden, H. Kuipers, 1871. post 8o. 1ste en 2de druk.
(Juli 1871). |
| 1871. |
‘De oorlog een noodzakelijk kwaad.’ Leiden, Van den Heuvel en Van Santen, 1871. postf. |
| 1871. |
‘Antwoord van Jan Stucadoor aan Piet Schaver, met een woord aan den lezer.’ Leeuwarden, H. Kuipers. 1872. post 8o.
Geschreven 6 December 1871, naar aanleiding van eene polemiek. |
| 1871. |
‘Novellen.’ Leiden, A.W. Sijthoff, 1871. gr. 8o.
Zie 1860, 1862, 1864, 1870. |
| 1871. |
‘Overbetuwsche novellen.’ (‘Grietje op 't Heuningsarf.’ - ‘'t Kriekende Kriekske’. - ‘Op de Kniehorst.’ - ‘'t Blinkende Hoantje.’) Leiden, A.W.S. 1871. post 8o.
Zie 1866, 1867. |
| 1872. |
‘Overbetuwsche novellen.’ (‘Bruur Joapik.’ - ‘Oan 't kleine rivierke.’ - ‘'t Pauweveerke.’ Leiden A.W.S. 1872. post 8o.
Zie 1866, 1867. |
| 1872. |
‘Overbetuwsche novellen en andere vertellingen.’ (‘Kruuzemuntje.’ - ‘Van binnen en van buiten.’ - ‘Mijn oude Jacob.’ - ‘Een Oudejaarsavond.’ - ‘Wouter Linge.’) Leiden, A.W.S. 1872. post 8o.
Zie 1870. |
| 1873. |
‘Gedichtjes’. Amst., G.L. Funke, 1873.
(Meermalen herdrukt). |
| 1873. |
‘HANNA DE FREULE.’ Amsterdam, G.L. Funke, 1873. roy. 8o. (Tweede druk.)
(Eerste druk, Premie, Nieuws van den Dag, 1873. post 8o.)
Derde druk, Amsterdam, G.L.F., 1874, post 8o.
Vierde druk, Leiden, Noothoven van Goor. 1880. post 8o.
Vijfde druk, Leiden, A.W.S. 1888. |
| 1873. |
Novellen en Vértellingen.’ 3 deelen. Leiden, A.W.S. 1873. post 8o.
I. ‘Kees Springer.’ - ‘Zes schetsen in éene lijst.’ - ‘Een winteravond.’
Zie 1860. |
| | | |
| |
II. ‘Arme Samuel.’ - ‘Op den zolder.’ - ‘Wat vader Harmen vertelt.’ - ‘Naar omhoog.’ - ‘Het jawoord.’
Zie 1860, 1861.
III. ‘Portretten.’ (1858). - ‘Tonen in den Nieuwjaarsmorgen.’ (1858). - ‘Wat ik hoorde en zag in den spoorwagen en binnen de wachtkamer.’ (1859). - ‘Driemaal gezien.’ (1858).
De beide laatste novellen kwamen voor:
‘Wat ik hoorde en zag’ enz. in ‘de(n) Tijdstroom’ (1859) en ‘Driemaal gezien’ in ‘Aurora’ van 1859. |
| 1874. |
‘'t Hart op de Veluwe. Overbetuwsche Vertelling.’ 's Hage, Gebroeders Belinfante. 1874. roy. 8o.
Geschreven October 1874.
Meermalen herdrukt. |
| 1874. |
‘Boer en Edelman. Tooneelspel in 5 bedrijven en 7 afdeelingen.’ 's Hage, Gebroeders Belinfante. 1874. post 8o.
Geschreven 1864. Herdrukt. |
| 1875. |
‘Overbetuwsche Novellen. Nieuw geïllustreerde uitgaaf.’ Leid A.W. Sijthoff. 1875. post 8o. afl. 1-2. met 2 platen.
Zie 1864, 1866, 1867, 1870, 1871, 1872. |
| 1875. |
‘Tooneelspelers.’ Leiden, P. van Santen. 1875, roy. 8o.
Tweede druk, Leiden, Nooth, v. Goor, 1880.
Derde druk, Leiden, A.W. Sythoff. 1888.
(Gulden-Editie, No. 115, 116.) |
| 1876. |
‘Overb. Nov.’ Geïllustr. uitg. Leid. A.W.S., 1876. post 8o.
Afl. 3-19.
(Zie 1875.) |
| 1876. |
‘Titulair. Klucht of geen Klucht.’ (In een bedrijf of twee afdeelingen). 's Hage, Gebroeders Belinfante, 1876, post 8o. |
| 1877. |
‘Japik en Pleuntje’. Eene schets uit de duinen en aan zee.’ 's Hage. D.A. Thieme. kl. 8o.
Geschreven, Augustus 1877. |
| 1877. |
‘Overb. Nov.’ Geïll. uitg. Leid. A.W.S. 1877. post 8o.
Afl. 20-25.
(Zie 1875.) |
| 1877. |
‘Overbetuwsche Novellen en Vertellingen.’ Geïllustr. uitg. Leid. A.W.S. 1877; met 7 platen post 8o.
(Zie 1873). |
| 1877. |
‘'t Reuske van 't darp. Overbetuwsche Vertelling. Haarlem, Kruseman & Tjeenk Willink, 1877. post 8o.
Geschreven, 1877 voor ‘Eigen Haard’. |
| 1877. |
‘Romantische Werken.’ Leiden, P. van Santen, 1877. post 8o. (Compleet in 60 afleveringen en 12 deelen - naar de raming van 1877.)
In 1877 verscheen deel I en II.
In 1878, bij D. Noothoven van Goor, deel III en IV.
In 1879, bij denzelfde, deel V, VI, VIII en IX. |
| | | |
| |
In 1880, bij denzelfde, deel VII, X en XI.
In 1881, deel XII, XIII en XIV.
Door den schrijver tot aan zijn dood (1880) herzien, met chronologische opgaven verrijkt, blijft deze uitgaaf de beste uit het oogpunt der letterkundige geschiedenis. |
| 1878. |
't Hart op de Veluw. Overbetuwsche Vertelling,’ 's Hage, Gebroeders Belinfante. 1878. 12o.
Zie 1874. |
| 1879. |
‘Novellen en Vertellingen.’ Leiden, A.W.S. 1879. post 8o.
Zie 1873, 1877. |
| 1879. |
‘Overbetuwsche Novellen’. Leid. A.W.S. 1879. post 8o.
Zie 1875. |
| 1880. |
‘Monte Carlo. Brieven uit Nizza’. Amsterdam, D. Noothoven van Goor. 1880. gr. 8o. |
| 1883. |
‘Gedichtjes’. Arnhem en Nijmegen. Gebr. E. & M. Cohen, 1883. post 8o.
(Hendruk van verspreide gedichten.) |
| 1887-1888. |
Al de werken. Leiden, A.W. Sijthoff. 1887-1888 XII deelen in de bekende Vijftig-cents-editie. |
| |
Bijdragen van J.J. Cremer in almanakken en tijdschriften.
| 1853. |
‘Wiege Mie’ - Betuwsche Novelle - in ‘de(n) Geldersche(n) Volksalmanak van 1853.’ (Arnhem, I.A. Nijhoff & Zoon). bl. 21-36.
In denzelfden Almanak schreef hij: |
| |
1854. |
‘De regte Jozef’, bl. 30-57. |
| |
1855. |
‘De oude Wessels en zijn gezin’, bl. 75-93. |
| |
1856. |
‘Deine-Meu’, bl. 103-157. |
| |
1857. |
‘'t Kriekende Kriekske’, bl. 102-167. |
| |
1859. |
‘Van binnen en van buiten, bl. 177-194. |
| 1856. |
‘Een Winteravond’ - in ‘Nederland. Proza en Poezie van Nederlandsche auteurs’. Amsterdam, J.C. Loman Jun. (1856. afl. 1.)
In ‘Nederland’ schreef hij nog: |
| |
1856. |
‘Ritter's Hans’, (afl. 5.) |
| |
1857. |
‘Een Oudejaarsavond’, (afl. 1.) |
| |
1858. |
‘Kees Springer in en buiten de kerk’, (afl. 2.) |
| 1858. |
‘Het Pauweveerke’ in ‘de(n) Tijdspiegel’ (Arnhem, D.A. Thieme, 1858) I deel bl. 335-358.
In ‘de(n) Tijdspiegel’ schreef hij nog: |
| |
1859. |
‘Op de Kniehorst’. Eene Overbetuwsche vertelling. (1859. I deel, bl. 284-311.) |
| | | |
| |
1860. |
‘Bruar Joapik’. Eene Overb. Novelle. (1860. II deel, bl. 351-375.) |
| 1858. |
‘Arme Jacob’ - in ‘de(n) Tijdstroom’, maandschrift gewijd aan Wetenschap, Letteren en Kunst. Redacteurs: J.J. Cremer, A. Ising, G. Keller, Mr. W. van de Poll, J.B. Rietstap en T. van Westrheene Wz. Eerste jaargang. Tiel, Weduwe D.R. van Wermeskerken, 1858. bl. 1-24.
In ‘de(n) Tijdstroom’ schreef hij voorts: |
| |
1859. |
‘Een woord van Inleiding tot den tweeden jaargang’, bl. 1-12.
‘Een toast op Jan van Beers, 9 November 1858, met een Overbetuwsch praatje tot inleiding’, bl. 94-97. (Verzen).
‘Zes schetsen in eene lijst’, bl. 179 en volg.
‘Wat ik hoorde en zag in de spoorwagen en binnen de wachtkamer’, bl. 347 en volg. |
| 1860. |
‘Een dag in de Residentie’ - in de(n) Nederlandsche(n) Spectator’ van 1860, bl. 261, 268, 273, 284, 290, 318 en 324.
In ‘de(n) Nederlandsche(n) Spectator’ schreef hij nog: |
| |
1860. |
‘De Betuwsche Neef’, bl. 5, 13, 21 en 29. |
| |
1863. |
‘Te Wolfhezen. Mijn ontslapen vriend, den kunstschilder P.L.L. Oerder gewijd’, bl. 281-285.
‘Geene Recensie’, bl. 242-293. |
| |
1866. |
‘Brief’, bl. 20, 25.
Over Fabriekskinderen en andere onderwerpen.
‘Brief aan Dr. S.H. Coronel’, bl. 52.
(Over Fabriekskinderen.) |
| |
1867. |
‘Een Kunstenaar-Maecenas’, bl. 117 en volg.
(Over de vertaling van Dante's ‘Hel’ door Dr. Hacke van Mijnden.)
‘Een talentvol annexeerder’, bl. 315 en volg.
(Over Dr. A. Glaser, vertaling van Klaasje Zevenster’). |
Enkele artikelen in Dagbladen en prachtjaarboekjes zijn reeds voor het grootste deel boven vermeld in de lijst der werken.
|
1)Zie boven Deel II, bl. 7-12.
1)In den ‘ Nederlandsche(n) Spectator’ van 1863. Zie ‘ Lijst der Werken.’
1)‘ Jacob Jan Cremer’ door G. Keller in ‘ de(n) Gids’ van 1881, IV, bl. 228.
2)Na zijn dood zorgden eenige vrienden onder leiding van Ising, Keller en De Veer, dat zijn borstbeeld in den gevel van dit huis geplaatst werd.
1)‘ Levensbericht v.J.J. Cr.’ door Arnold Ising. Sen. in de ‘ Levensber. v. afgestorven medeleden der maatschappij v. Ned. Lett. te Leiden.’ (1880) bl. 121.
1)‘F.H. Hendriks, door zijn leerling geschetst.’ Rom. Werken XIV, (1881) blz. 37.
1)Keller, t.a. pl. ‘ Gids’ 1881, IV, bl. 231.
2)Ising, t.a. pl. bl. 122. De Veer, ‘J.J. Cremer’ in ‘ Mannen van beteekenis in onze dagen. Levensschetsen en Portretten bij eengebracht door N.C. Balsem.’ (Haarlem H.D. Tj. Willink), 1881, bl. 11. Ising verhaalt, dat dit schilderij later door den ouden heer A. Cremer is teruggekocht, en dat het op Cremer's zilveren bruiloft weer in zijn bezit kwam.
3)Keller, t.a. pl. bl. 239.
4)Ising, t.a. pl. bl. 122.
6)Volgens Ising (bl. 122) en Keller (bl. 232) is de ‘ Lelie’ een ‘ misslag.’
1)Zie boven Deel I. bl. 258-261.
1)W. D-s. ( Potgieter) heeft in April 1862 (‘ Gids, Bibliographisch Album’ bl. 614-624) eene vrij uitvoerige beoordeeling van Cremer's novellistischen arbeid geschreven. Hij erkent, dat de Betuwsche Novellen in den smaak vallen, al ‘behoort de auteur niet tot de veelzijdigste.’ Hij prijst in hem: ‘Gemakkelijkheid van uitdrukking, bij bevattelijkheid van gedachte; slag bovenal, slag de snaren van het gevoel te doen trillen.’ Ook geeft hij toe, dat Cremer ‘het geluk heeft, ons eene nieuwe wereld te ontsluiten, zij het ook maar die van den boer, grenze zij ook bij wijle aan die der bedelarij.’ Maar reeds de eerste vertelling: ‘ Wiege Mie’ lijdt aan onwaarschijnlijkheid en overdrijving. ‘ De oude Wessels’ is het beste verhaal der eerste verzameling van 1856. In ‘ Deine Meu’ heeft de auteur met ‘flinke, forsche toetsen Teun Dissels' verval van kwaad tot erger geschetst. De studie der landlieden is niet diep genoeg, en de personen van hooger stand zijn louter monsters.
Boven de Betuwsche staan de Over-Betuwsche novellen. In deze laatste heerscht eene hoofdgedachte, ‘die gij hoort aangeven, die gij ziet uitwerken;’ schoon de uitslag van dat streven te wenschen overlaat. Het Geldersch dialekt in het ‘ Pauweveerke’ en ‘ Op de Kniehorst’ verdient geen lof. Het zijn ‘ kunstjes en geen kunst,’ want het zijn niet de Geldersche boeren, het is de auteur zelf, die spreekt, door zijn talent in de voordracht verleid Betuwsch te schrijven, waar het niet noodzakelijk is. Het slot van ‘ Bruur Joapik’, enkele tooneelen uit ‘Op de Kniehorst’ zijn fraai. De muze van Cremer vergt niet veel van ons hoofd, maar ons hart is gerust. Het loopt altijd goed af met zijne brave Betuwers, terwijl de boozen of bekeerd of gestraft worden. Ten slotte, als men Cremer en zijne letterkundige gaven mocht willen vergelijken bij een gastheer, die thee schenkt, zou men terstond tot de slotsom komen, dat hij te veel melk en suiker in de kopjes doet.
1)Door Gerard Keller (‘ Gids’, November 1881, blz. 224-244), die hier tevens de schurken zijner romans - ‘ Casper Meiner’ uit ‘ Daniel Sils’, kapitein Kartenglimp uit ‘ Dokter Helmond’, Geert Holmena uit ‘ Anna Rooze’ - op het oog heeft. Keller prijst de Over-Betuwsche Novellen, inzonderheid de reeds meer vermelde overpeinzing van den bouwknecht Lammert bij het portret van Van Speyk. Hij wijst op het eentonige dezer Geldersche dorpsvertellingen, omdat zij meestal naar een gelijk plan zijn bearbeid - een lief paar jongelui uit den boerenstand, een ondeugend wezen, die hen dwarsboomt, eene gelukkige ontknooping. Keller verdedigt het overvloedig gebruik van het Betuwsch, daar dit voor Cremer iets onvermijdelijks was. Het ‘ Pauweveerke’ wordt door dezen rechter als zijn meesterstuk geprezen.
In het reeds aangehaalde ‘ Levensbericht’ van Ising wordt vooral de voordracht behandeld, en tevens erkend, dat de romans niet zoo hoog staan als de Overbetuwsche verhalen. De laatsten had Cremer in zijne macht. ‘Het waren met de grootste zorg voltooide kunstwerken, ook dan - en zelfs niet het minst - wanneer hij in zeven vertellingen de zeven hoofdzonden onder typen voorstelde.’ Een zijner liefste stukjes acht Ising ‘ Kruuzemuntje’ - en met dit oordeel vereenig ik mij gaarne.
1)Ising, t.a. pl. bl. 126. Nopens ‘ Oan 't kleine Rivierke’ verhaalt deze, dat Bakhuizen van den Brink eens op een Spectatoravond met deze novelle in de hand Cremer's manier van Betuwsch te schrijven had gegispt; dat hij toevallig een oog vestigde op de eerste bladzijde, dat hij zweeg, het blad omsloeg en doorlas - ‘en toen de lange haren voor zijn oogen wegstrijkend, heft hij het hoofd op, en zegt op zachten toon: ‘Toch zou ik nog wel een paar dagen van mijn leven willen geven, om die bladzijde geschreven te hebben.’
2)Potgieter (‘ Gids’ 1862) houdt het er voor, dat Cremer van den schuitenjager Tom Ritter en zijn oud mager jaagpaard te veel ophef maakt. De mate der teederheid van den mensch voor het dier loopt hier over. (bl. 617.)
3)‘ Daniel Sils’ werd algemeen door de critiek afgekeurd. Ising en Keller noemen het een zwak boek. H.J. Schimmel toonde de fouten der compositie aan in ‘ de(n) Gids,’ v. 1857. I. bl. 302 en volg.
1)‘ Gids’, 1862, I. bl. 617. Volgens Potgieter kenschetst ‘ Wouter Linge’ Cremer's trant en talent in zwakheid en kracht vrij getrouw. Dat de ‘arme’ lui weer le beau role spelen, dat gebrek en godsvrucht zoo innig saamverbonden zijn, oordeelt hij ‘te teerhartig.’ Goede grepen, getrouw getroffen karaktertrekken prijst hij, maar laakt het, dat het arme volk zulke fijne zenuwen heeft, dat het, ‘duchtig noch degelijk’ is, geene flinke levensbeschouwing bezit, geen wil, geen vlijt toont, en alle hulp tot verbetering in hun toestand van anderen verwacht. Cremer had den strijd der eerlijke armoede moeten schilderen, had de poging niet mogen wagen het onvereenigbare te vereenigen - Kunst en Economie.
1)‘ Gids,’ 1881, IV. bl. 234.
1)‘ Mannen van beteekenis’, 1881, XII bundel, bl. 14.
1)‘ Gids’, t.a. pl. 1881. IV. bl. 228-229.
2)Busken Huet (‘ Nederlandsche Belletrie’, II Bundel, 1876, bl. 59-65), oordeelt, dat in ‘ Emma Berthold’ alleen traditioneele brave en slechte tooneelfiguren optreden; dat Emma een onnatuurlijk schepsel is, even als eene Indische kat met een knoop in den staart; zoo kwalijk te huis in de kennis der mannen, dat zij door den eersten huichelaar den besten zich een eerlijk minnaar laat ontfutselen.
1)Busken Huet, (‘ Nederlandsche Bellettrie’, II bundel 1876, bl. 109-115) die op Potgieter's voorbeeld Cremer ‘een auteur met banketbakkersgaven’ noemt, en hem verwijt, dat hij ‘het goede en edele met suiker opdischt, zoodat de deugd gaat tegenstaan’, vindt in ‘ Dokter Helmond’ meer objectiviteit dan vroeger, schoon de auteur steeds subjectief blijft. Hij prijst enkele hoofdstukken als zeer verdienstelijk De ijdelheid en adeltrots van Eva Helmond zijn voortreffelijk geschilderd.
1)‘ Bouwstoffen voor eene geschiedenis van den Nederlandschen Boekhandel, gedurende de halve eeuw 1830-1880.’ II deel, bl. 64. (Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon, 1887.)
1)‘ Mijn allereerste letter- arbeid’, zegt Cremer, noot op de Voorrede bij het vierde deel der uitgaaf zijner ‘ Romant. Werken’ 1878.
2)Titelblad van den laatsten druk: Leiden, A.W. Sijthoff. Zonder jaartal. (1888).
|
|