|
|
|
| | | | | |
Elizabeth Wolff.
Sara Burgerhart, 1782. - Willem Leevend, 1785.
| |
I
Het is voor onze nationale eigenliefde niet weinig streelend,
onder de romans der 18de eeuw in Europa welke zich eene blijvende
plaats in de geschiedenis der letteren veroverd hebben, twee hollandsche te
kunnen medetellen; en nog streelender dat die twee, zoo zij wat gelijkmatige
schoonheid van stijl betreft moeten onderdoen, in één voornaam
opzigt uitmunten.
Alle andere geschriften welke uit de school der Nouvelle
Héloïse zijn voortgekomen, onderscheiden zich door zeker waas
van droefgeestigheid; allen zijn als overgoten met hetzelfde eentoonig gevoel.
Bij jufvrouw Wolff daarentegen, hoewel ook zij bijwijle zeer ver met de
algemeene gevoeligheid medegaat, is de speelman nooit geheel van het dak.
Ernstig, zedig, in het analyseren dier aandoeningen van het menschelijk hart
spitsvindig en breedsprakig, schijnt zij niettemin levenslang geabonneerd
geweest te zijn op de vrolijkheid.
‘Wij maken onze landslieden geene komplimenten, als wij hen
onzen dank betuigen voor de wijs waarop zij onze werken ontvangen,’
besluit zij de narede van Willem Leevend. ‘Het doet ons echter
weinig vermaak te hooren dat men onze Burgerhart in 't fransch vertaalt,
omdat wij overtuigd zijn dat | | | | wij voor ons land en voor dat alleen
schrijven, en schrijven kunnen. In zoo ver stemmen wij nederig toe, dat
wij onvertaalbare romans schrijven.’
Werkelijk kunnen met zeldzame uitzonderingen alleen geboren
Hollanders, of die van jongs af in eene hollandsche omgeving zijn opgegroeid,
van deze boeken het volle genot hebben. Hun algemeenen inhoud, hun gang en
beloop, kan men in iedere moderne taal naschetsen; maar niet de eigenaardige
soort van vernuft waarvan zij tintelen. De maatschappelijke omgeving, die er
zich in afspiegelt, behoort onherroepelijk tot het verledene. Zij zijn oude
hollandsche kunst geworden; en om die kunst te waarderen moet men van de natie
zijn.
| |
II
Voor de hand weg kies ik uit het tweede deel der Historie van
Sara Burgerhart den brief waarin de oude heer Jan Edeling aan Abraham
Blankaart uitlegt, om welke redenen hij bezwaarlijk kan toestemmen in een
huwlijk tusschen zijn zoon Hendrik en Blankaart's pupil Saartje:
‘Heer en vriend! Ik schrijf nooit dan over negotie; maar nu
moet ik u schrijven, opdat wij de zaak in ééns kort en goed
zouden afdoen. Daar heeft mijn zoon Hendrik zin in uwe pupil; 't is of de
jongen stapel zot is, zoo ziet hij er uit; maar ik kan in dat huwelijk niet
stemmen, dat partijtje niet sluiten. Nu, ik heb hem met een paar woorden
gezegd, dat hij daar nooit om moet denken, omdat ik eene Lutersche dochter wil
en zal hebben. Ik gebruik niet veel woorden met mijn jongens; ik zeg maar:
Zwijg, zoo zal 't zijn, heeren. Want zoodra wij, vaders, één
woord zeggen, hebben deze kwanten er wel tien tegen. 't Is of de duivel de
jongens regeert, als zij een meisje in den kop hebben! 't Is mij al leed, dat
ik mij zoo ver met hem heb ingelaten, en reden heb gegeven, waarom ik het niet
hebben wilde. 't Is dan of men de jongens toestaat, ons tegen te spreken, en
dat niet; waar bleef onze vaderlijke magt, he? U moet ik echter reden geven,
gij zijt mijn vriend; en ik twijfel niet, of gij keurt dit huwlijk al zoo zeer
af als ik, of ik ken Abraham Blankaart | | | | niet. - Ik ben regtzinnig
oud-Lutersch. Zoo is mijn heele geslacht. Mijn stamvader is met den zaligen
Luter bevriend geweest; en ik heb nog den inktkoker, dien hij bij zekere
gelegenheid (in zijne Dichtrede te vinden) den duivel naar den kop
smeet, toen die het al te grof maakte. Al onze kantoorbedienden, al onze
booijen, zijn Lutersch; en ik zal nooit dulden, dat deze keten van Lutersche
wezens in de war raakt door eene schoondochter. En wat maakt dat verwenschte
buiten de kerk trouwen een slecht huishouden! Gij weet dat zoo goed als ik; zij
lezen waarachtig niet eens denzelfden Bijbel! Vrouw leest in Bunjan, en man in
Arends Paradyshofje. Genoeg. Nu weet gij mijne meening. Ik wil niet met u over
het geloof twisten, maar ik hou 't mijne; en ik zeg altijd: Ik geef mijn geloof
aan mijne jongens, als zij in de wereld komen, en mijn geld, als ik uit de
wereld ga. Ik heb niets tegen het meisje, dat wat zeggen wil, en ik heb met
haar grootvader, Pieter Burgerhart, veel negotie gedaan. 't Was de braafste man
van de beurs; haar vader was ook zoo. Hij is maar te vroeg weg. Zij zal in hare
kerk ook wel zalig worden; zoo is 't ook nog al niet; doch Hendrik moet maar
eene Lutersche vrouw hebben, dan is alles gevonden. Hij zegt mij, dat het
juffertje nog niets van zijne liefde weet; ik heb hem nog nooit op eene leugen
betrapt; het zal des wel zoo zijn. Zoo veel te beter. Als gij nu maar schrijft,
dat gij het met mij eens zijt, is alles afgehandeld.’
1
En nu Abraham Blankaart, die voor zaken tijdelijk te Parijs woont
(II 66):
‘Heer en vriend! In antwoord op den uwen, Amsterdam den...
passato, dient: Ik ben nu maar, die ik maar ben, een niets beduidend oud
vrijer, en dat's het al; doch ik wil je zweren, dat wij niet meer in geloof dan
in humeur verschillen. Ziedaar, ik heb het altoos zoo druk en volhandig gehad,
dat het trouwen er is ingetrokken; maar, selderdemostert, was ik vader over een
half douzijn jongens en meis- | | | | jes, dan zou ik mijn geluk niet kunnen
overzien, als ik daar zoo al die kneuters hoorde snappen en rabbelen. Of
Abraham Blankaart ook meê zou doen! En als zij dan zoo verre heen waren,
dat zij op 't geen ik zeide aanmerkingen konden maken, het hunne voor hunne
kleine zaakjes wisten in te brengen, wel, dan zou ik God hartelijk danken,
omdat ik zulke snelle kinderen had, zoo als billijk is. Begrepen zij in 't
vervolg eens iets beter dan ik: bestig, zou ik zeggen, en doen het. - Daar heb
je nu mijn Saartje, wil ik spreken. Wel, de kleuter weet veel meer van de
wereld en van de Schrift dan ik, en ik ben dertig jaar ouder.
Vóór ik naar Frankrijk ging, zei ik: Kind, lees je je gebed 's
avonds wel stil uit Mell? “Mijnheer,” zei ze, “ik bid uit
mijn eigen hart; ik weet immers beter wat ik nu noodig heb, dan Mell
vóór vijftig jaar dat raden kon?” Wat denkt gij, dat ik
toen zei? Je zult, bij dit en dat, jou gebed uit Mell lezen, omdat ik het doe?
Mis, mannetje! ik zei: Dat 's waar, meisje, je hebt groot gelijk. En anders zou
zij denken, dat ik haar vijand en niet haar welmeenendste vriend was. Hoor, Jan
Edeling, gij hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je 't mis in. 't
Is op mijn woord, jij hebt mis. God de Heer geeft ons, zijne kinderen, wel
reden van zijne bevelen: Doe dat, opdat het u welga, staat dat niet in
den bijbel? En zullen wij nu zoo misselijk en zoo boos zijn, dat wij onze
kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den mond stoppen?
Had, bij gelijkenis, Luter's vader eens gaan zeggen: “Luter, ik versta
niet dat je Lutersch wordt, jij zult paaps blijven, want wij zijn van 't begin
van de wereld af allemaal paaps geweest; en zoo jij 't in den kop krijgt om van
ons oud geloof af te gaan, zullen wij eens wat anders bij de hand
vatten.” En was Luter's vader evenwel zoowel de vader van Luter niet, als
Jan Edeling vader is van zijnen zoon Hendrik; en waar was dan je heele geloof
gebleven? Dat je op je kerk gesteld bent, eer heeft uw hart; dat's braaf. Maar
hier, ik, zei de gek, ben óók op mijne kerk gesteld, en mijn hart
heeft óók eer, zou ik denken. Wel zie, wij verschillen zoo weinig
in geloofsgronden, wil ik spreken, dat het niet de pijne waard is, om er zoo
over aan te gaan. En waarom zouden onze jonge lui niet met mal- | | | | kander te kerk kunnen gaan? Hebben wij niet één Heer,
één doop? Maar wat hagel hebben wij leeken met hunne disputen en
tandtrekken te doen? Zoodat ik maar zeggen wil, dat ik het huwlijk om die reden
niet kan afkeuren. - Je moet nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik
met het kind zoo goedkoop ben: alheel niet! maar uw zoon is zulk een braaf man,
daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zij Goddank te veel gelds toe, en
is zij van te brave familie; 't is eene mooije brunet ook, en ze speelt maar
kapitaal. Sara Burgerhart moet een zoo braaf man hebben als uw Hendrik, en
zijne ouders moeten haar met achting en liefde in hunne familie noodigen. - Nu,
nu, 't zou geen onaardig kluchtje wezen, met een papa die zei: Zoo zal 't
wezen, dochter, want ik versta het zoo. Neen, man! mijne pupil is een redelijk
schepsel, en zoo wil ik dat zij zal behandeld worden. Daar had men dan het
gooijen in de glazen met papa Edeling, en mijn arme kind was aan de joden
overgeleverd. Ik bedank je hartelijk, hoor: ziedaar is mijn
antwoord.’
| |
III
Dit is nog maar een begin, doch het geeft alvast een denkbeeld van
het overige. Abraham Blankaart's stijl wordt in den loop van den roman een- en
andermaal ‘misselijk’ genoemd. Echter moet men zich daardoor niet
van het spoor laten brengen. Blankaart wordt voorgesteld als de ideale oude
vrijer, rijk en gul, hartelijk en vrijzinnig. Hem mag nu en dan een ruw woord
of een bastaardvloek ontvallen, de schrijfster wil niet dat men hem daarom
minder achten zal. Doch laat ons voortgaan.
Saartje Burgerhart, die met drie andere jonge dames op
appartementen woont bij de weduwe Spilgoed en van hare vrijheid rijkelijk
gebruik maakt, is met Letje de Brunier boodschappen gaan doen in de
amsterdamsche modewinkels, en heeft daarna een bezoek gebragt op de kamer van
Letje's broeder Coo of Jacob: eene der onvoorzigtigheden waartoe Saartje, in
hare onschuld en vrolijkheid, somtijds neiging had.
| | | |
‘Ik ben met Letje uit geweest,’ schrijft
zij (I 210), ‘om dat nieuwmodiesch gaas. Het stuk was bijna weg, doch men
wachtte alle dag nog fraaijer, alsook heerlijke taffen, enz. Men heeft mij
verzocht, dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daartoe bepaald. 't
Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis, moderne
meubelen en drie zeer wel gemanierde, tamelijk leelijke, reeds wat bedaagde
juffers, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wél, dat ik die taal
kende. - In 't naar huis gaan gingen wij Coo's logement voorbij, en spraken
Mademoiselle G. eens toe [de Fransche modiste], die zeer verblijd scheen ons te
zien, en vriendelijk innoodigde. Wij voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg
schielijk, of haar broer niet thuis was; neen, zei ze, maar hij zal weldra
thuis zijn. Kom, zei Letje, dan gaan wij zoo lang op zijn kamer. Ik volgde,
zeer benieuwd zijnde, hoe of het toch op de kamer van een petit-maître er
mogt uitzien. Naatje!’ - de brief is gerigt aan eene jonge vriendin,
jufvrouw Anna Willis, - ‘nooit hebt gij zoo een huishouden gezien! Mijn
oog viel eerst op zijn toilet, dat in de volmaaktste desorder lag. Poeijer en
snuif bedekten alles. Hairkammen, wenkbraauwkammetjes, verscheiden verfjes,
tandenschuijertjes, tandpoeder, een half glas vol water, zoo smerig als een
eend, een stuk uitgedoofde waskaars, eenige fransche boekjes, die niet van de
strengste zedekunde schenen, een morsige inktkoker, een vuile slaapmuts en een
pot pommade maakten de misselijkste vertooning, die ik ooit zag. Al zijne
kleeren hingen over stoelen. Eenige paren zijden kousen slingerden er tusschen.
Schoenen, muilen, laarzen, een hartsvanger, lagen door malkander; al zijne
boeken konden wel in eene broodmand en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag
dit lieve boeltje met beschaamdheid eens over, en ik was geheel
nieuwsgierigheid. “Kijk me zoo een floddervink eens, zoo een slons van
een jongen, en die er altoos uitziet of hij uit een doosje komt.” Kom!
zei ik, hij zal er voor hebben. Daarop deden wij zoo veel kattekwaad, en
naaiden zoo veel mouwen en zakken en kousen toe, en verstopten zooveel goed,
als de tijd ons toeliet. Toen gingen wij naar beneden, en ziedaar, daar kwam de
Vorst van Tour en Taxis [een van Coo's bijnamen] wip wip wip de stoep op,
ge- | | | | volgd van een vlasbaard of drie, die hier allen logeren.
Chevalier Coo weet te wel te leven (zoo hij meent, och arm!) om ons vrijheid te
laten zoo terstond te vertrekken; en dewijl Mademoiselle G. hier sterk op
aandrong, traden wij in de eetkamer. Terstond presenteerde men 't een en ander.
De gure dag gaf Coo den inval om een bowl punch te maken. Fiat punch! Toen had
hij 't op zijn lijf! De arak, de citroenen enz., alles kwam uit den hoek. De
drank was smakelijk, het gezelschap vrolijk, Mademoiselle G. kluchtig, en
Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wij diverteerden ons als vorsten; wij raakten
aan 't musiceren, en 't was wel negen ure vóór onze vriend Coo
ons thuis bragt.’
Dat Saartje zichzelve geluk wenscht fransch te kunnen spreken,
doet vermoeden dat hare opvoeding, voor een meisje van haar stand en fortuin,
wat verwaarloosd was. Eerst haar vader verloren hebbende, toen hare moeder, nog
vóór zij een volwassen meisje was, had eene ongehuwde, averegts
vrome tante, mejufvrouw Suzanna Hofland, wie het meer om het jaarlijksch
kostgeld van honderd halve rijertjes dan om de vorming van haar nichtjes
verstand of karakter te doen was, haar bij zich aan huis genomen.
Saartje had aanvankelijk met den quasi-puriteinschen leefregel in
tante's omgeving vrede gehad; had zich laten toetakelen als een kwakerinnetje,
fijntjes en effentjes uitgestreken; had dweepzieke stichtelijke boekjes
gelezen, en de huiselijke godsdienstoefeningen onder de leiding van Broeder
Benjamin (een gewezen slagersknecht, die zichzelf tot herder en leeraar in
partibus had opgewerkt) trouw bijgewoond.
Doch naarmate het jonkvrouwelijk gevoel in haar ontwaakte, was
haar van dit alles gaan walgen. Te onschuldig om te doorzien dat Broeder
Benjamin tot mejufvrouw Cornelia Slimpslamp, tante Hofland's boezemvriendin en
de nooit afwezige deelgenoot der door tante aangelegde liefdemaaltjes, in eene
niet volkomen geestelijke betrekking stond, was zij schrander genoeg om te
beseffen dat tante, wier hoofdondeugd geldzucht was, haar exploiteerde.
Een eindeloos langen tijd, veel langer dan met haar natuurlijk
ongeduld strookte, verdroeg zij dien toestand; doch eindelijk | | | | liep
de maat over, en nam zij het besluit tot iederen prijs haar juk te verbreken.
Het verhaal van hare vlugt, en hoe zij Brecht fopte, tante's oude en onwaardige
dienstmaagd, doen ons haar in hare jonge driftige jeugd en aangeboren
plaagzucht haarfijn kennen (I 27):
‘Je suis enragée op het oude wijf, - op
mijne tante; ik wil geen week langer blijven, 't is of ik in de hel woon. Mijne
tante heeft zeer veel van zijn Satansche Majesteits karakter, en Brecht
verdient wel een schoone dienst in zijn onderaardsch rijk.... Ja! bons wat aan;
ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zij, al
grommende, den trap weêr af. Goeije reis naar beneden!... Ik moet, ma
chère,’-ditmaal is de brief aan Letje de Brunier gerigt, -
‘u eens een scène teekenen, die u niet zal uit de hand
vallen. Woensdag voormiddag raasde zij als een bezetene, omdat ik eenige nieuwe
aria's speelde. (Dat 's een wijf, ook!) Zij werd geholpen door hare hottentot
van een meid, die mij dorst zeggen dat zij ook danig ontsticht was. Met wordt
er gebeld. Brecht, die volmaakt een zog van een bollebuisjeswijf gelijkt,
waggelde naar voor, en tante gaf mij een verbruide oorveeg, omdat ik bleef
spelen. - “Jufvrouw, daar is sinjeur Benjamin!” - “Wel hede,
laat broeder achter komen.” Daar kwam broeder, een luije zuipzak van een
kerel, in een paarschen japon (men zou wel zeggen, wie of zoo een verloopen
slagersknecht toch een japon heeft leeren dragen?). “Welkom, broertje,
wel, hoe is 't nu nog al met je?” - “'t Gaat nog al, maar men
hoofd, men hoofd!” - “Wel, dat is droevig, maar je vergt ook wat
veel.” - “Ja 't is mijn ambtsbezigheid; en hoe vaart zuster? Je
schijnt wel wat onthutst.” - “Ja, dat ben ik ook, 't is niet altijd
het effen wegje, broertje.” (Tegen Brecht): “Ei, meid, is er niet
wat? dan zou broeder hier maar familiaar blijven.” Tegen mij: “Toe,
lieve Saartje” (was dat uit te staan? lieve Saartje, en mijn wang gloeide
nog van den slag!), “bak jij nou ereis schielijkjes wat dunne
pannekoekjes, broeder lust ze zoo graag.” Ik sloot mijn clavier en zei:
't Is wel, tante. Ik ging naar de keuken en bakte helder door;
maar-ik-at-die-al-bakkende-zelf-op. Dit is de eerste trek, dien ik haar
speelde, hoe zelden ik mijn genoegen krijg. - Ik moet hier alles doen, want | | | | Brecht is een lomp schepsel, en snuift sterk. Toen ging ik, terwijl
Brecht in huis knungelde, de tafel dekken. Brecht eet met ons, want het is
“zuster” Brechtje moet je weten, Letje. Tartuffe zou een goed woord
spreken, maar de vent bad (zoo noemen ze dat gehuilebalk) wel een kwartier
lang. Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend geknor van
ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, dat zijnen God looft.
- Ik kreeg, als à l'ordinaire, eten op mijn bord. Twee schepjes
groente, met een flenter koud vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn servet
voor. “Als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien, dat ik mij
niet bemors.” “Och, of gij een kind waart!” zei de smulpaap,
die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de robe de chambre
eener cottelette aflikte. “Dat zou heuchelijk zijn!” zei tante.
“Ja wel heuchelijk!” zei zuster Brigitta. Toen kreeg ik nog wat
bijeengeschraapte spinage en een stuk cottelet. Zuster Santje en broeder
“namen” onderwijl eens. Ik krijg nooit wijn; tante zegt, dat het
niet goed voor mij is, en dat kan wel zijn, want ik ben jong en gezond.
“Kom, Saartje, neem nou maar af; Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt
oud.” Ik deed zoo; zette het dessertje op. “Waar bennen de
flensjes, Saartje?” - “Die bennen in mijn maag, tante.” Snap,
mijn servet neergegooid (bij ongeluk tegen broeders palmhouten pruik), en het
onweer op mijne kamer ontweken. Gij weet, ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te
pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een stuk brood
en een glas zuur bier, er bij voegende: “dat ik het nooit kon
verantwoorden, zoo als ik een vroom mensch al evel plaagde.” -
“Scheer je van mijn kamer,” zei ik en duwde haar de deur uit. Het
brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide ik weg en dronk
eens helder uit mijne caraffe; ging vroeg te bed, en sliep als een roos. Daar
aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom thee, dat wel omspoelsel lijkt.
Tante gaat uit, en wil mij voor hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de
zaken.’
‘De steen’ (vervolgt Saartje een dag of wat daarna, in
een brief aan haar voogd,I 31 ‘is geworpen: ik ben 't ontvlugt, en acht
het pligtmatig u alles te melden.... Gisteren mid- | | | | dag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak wat
linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb
vóór gij naar Frankrijk gingt, doch die ik nooit heb aan gehad,
met een weinig gelds (want zij geeft mij niets - geen duit). Brecht had de
stoutheid mij te vragen: “Waar ga, jij heen?” - “Dat
raakt jou niet.” - “Dan zal je ook in huis
blijven.” - “Heb jij 't hart, en belet mij dat eens.”
- Ik kan wel boos worden, maar niet kijven, en ziende dat Brecht haar talent te
werk stelde, bedacht ik mij. “ Brecht,” zei ik,“heeft tante
je die orders gegeven, dan moet ik haar de reden vragen, als zij thuis komt;
wat zullen wij eten?” - “Kliekjes,” zei zij. - “Goed,
ik heb honger; maar wij zullen tantes gezondheid eens drinken; toe, meid, haal
eens een flesch wijn, jij hebt zeker den sleutel.” - “Ik doe niet,
jufvrouw Saartje!” (nu ik van putten sprak, kreeg ik aanstonds dezen
titel!) - “Jij jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den
wijn betalen.” - “Je tante heeft altoos den sleutel; maar als
jufvrouw mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij.” - “Ik je
beklappen! wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk.” -
Zij ging. Ik had al lang bemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep was; ik tastte
haar des van de zwakke zijde aan. Doch pasjes was zij in den kelder, of ik,
flink de deur in 't slot, en de grendels er op. Toen ging ik het huis uit, en
haalde de huisdeur achter mij toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet
ik niet.’
| |
IV
Weder zou men zich omtrent de bedoeling vergissen, zoo men op
grond van deze en gene uitdrukking die in den mond van een twintigjarig
amsterdamsch juffertje kwalijk schijnt te passen, bij de schrijfster de meening
onderstelde dat zij in Saartje Burgerhart iets wezenlijks vindt af te keuren.
‘Wij zijn krachtig met het meisje ingenomen,’ verklaart zij in eene
narede.
Al hebben de omstandigheden Saartje ontijdig met de ruwheden des
levens in aanraking gebragt, jufvrouw Wolff verstaat niet dat men de kleine
heldin deswege laken zal. Die schrijfwijze | | | | welke u verbaast en
somtijds ergert, is haar geheim. Naderhand, als Saartje de jonge mevrouw
Edeling geworden is, en zij bij de wieg van haar kleinen Jan zit, dan spreekt
zij anders dan toen tante Hofland haar oorvijgen of te weinig eten gaf en zij
Brecht in den kelder sloot; maar de geest is dezelfde gebleven, en wie geen
smaak vindt in het een, zal ook geen oog of hart hebben voor het ander. Doch
wat zou Saartje vreezen? zij heeft alle onbedorven jonge moeders op hare hand
(III 220):
‘Nu is het nog de pijne waard om te leven! Ik heb nu werk,
ik heb pligten te voldoen, die mijne ernstige overdenking waardig zijn; en nu
zie ik, dat ik alleen bij gebrek aan bezigheden, die voor mij berekend waren,
eene losse, uithuizige, stoute meid was. Zie, Naatje, dat hadt gij ook behooren
te bedenken, wil ik spreken, zeit Pieternel [eene oude meid]. Ik begrijp wel,
dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan Edeling mij wel eens andere
druktens zal maken! Goed! ik wacht die ook, en hoop dat mijn verstandige man,
zoo ik te veel malle moeder ben, moeder en zoon beide teregt zal helpen. Ik kan
wel niet zeggen, met Pieternel, dat de jongen er heel verstandig uitziet; maar
't is immers een goed kind, dat naar zijne moeder aardt? en gij weet, dat
moeder stikkend vol potsen en flinken zat, toen zij nog zeer jong en zeer los
was. Mijn broer [haar nieuwe zwager] heeft er wel moed op, want hij zegt mij in
vertrouwen, dat Jan al naar de meisjes begint uit te kijken. - Oom en neef
hebben een goeden smaak, zei ik. - Ja, zei hij, de natuur gaat boven de leer. -
Kleine Jan hoort ook graag muzijk, want als baker van de moordenaartjes zingt,
schreeuwt hij als een tijger; maar als ik eenige noten aansla, kijkt hij uit
zijn luijers als iemand die zegt: Nog meer laatste woorden van bisschop
T.’
| |
V
Uit deze en de vorige aanhalingen blijkt duidelijk genoeg welke
voorstelling men zich te vormen heeft van den roman als geheel.
Sara Burgerhart en haar tweelingbroeder Willem
Leevend, | | | | die in het laatste vierdedeel der vorige eeuw het
publiek als vaderlandsche romans werden aangeboden, zouden honderdvijftig jaren
vroeger onder den algemeenen titel van Batavische Arcadia
verschenen zijn.
Johan van Heemskerck, die met de zijne
naam maakte en haar eene plaats in de geschiedenis van ons proza dankt, was in
vergelijking van jufvrouw Wolff een kortademig kunstenaar en schrijver; maar
zijn boekje behelst bladzijden die voor de teekenachtigste in Sara
Burgerhart en Willem Leevend niet behoeven onder te doen.
Hetzelfde geldt van
Van Effen en zijn Hollandschen
Spectator: insgelijks eene dagteekening in de geschiedenis van het
vaderlandsch proza, insgelijks een nationale zeden-spiegel.
Er komen in die boeken weinig of geen schilderingen van ideale
hartstogten voor; of wanneer, gelijk in Willem Leevend, eene poging
daartoe wordt aangewend, dan treedt de zwakke zijde van het genre aan het
licht. Het is oude kunst, maar geen oude italiaansche, zelfs geen oude
fransche.
Daatje Leevend, wier karakter in sommige opzigten veel
overeenkomst heeft met dat van Sara Burgerhart, en wier vernuft (voeg ik er
bij) het menigvuldigst van al aan dat van jufvrouw Wolff zelve doet denken,
zegt in een harer brieven (IV 348): ‘Had ik nu het gracieuse penseel van
Greuze, ik smeet dat van
Jan Steen weg, om het volgende te
schilderen.’
Dit komt mij voor, een veiliger wenk te zijn dan hetgeen de
schrijfster in een harer gedichten, met een beroep op
Rembrand's voorbeeld, tot verklaring
bijbrengt van het vrije en breede in hare wijze van schrijven.
1Heemskerck noch Van Effen hebben eene zoo oorspronkelijke, zoo
onuitputtelijke, zoo forsch opwellende ader gekend als zij.
Heine stelt in een zijner onvoltooid
gebleven kleinere studien (Aus den Memoiren des Herrn von
Schnabelewopski, Kapittel XI) Jan Steen gelijk met Rafael, en laat op dien
inval het pleidooi volgen: ‘Ook als godsdienstig schilder stond hij even
hoog, en eenmaal zal dit algemeen erkend worden, wanneer de gods- | | | | dienst der smart zal uitgebloeid, de godsdienst der blijdschap onze aardsche
rozegaarde haar somber floers zal hebben afgerukt, en de nachtegalen eindelijk
lucht zullen mogen geven aan hunne langverkropte vreugdeliederen. Doch geen
nachtegaal zal ooit zoo vrolijk en jubelend zingen, als Jan Steen geschilderd
heeft. Niemand heeft zoo diep gevoeld als hij, dat het hier op aarde eeuwig
kermis behoorde te zijn. Hij besefte dat het leven, in den grond der zaak,
niets anders is dan een vreugdeblos, op onze wangen getooverd door den kus des
Heeren. Hij wist dat de Heilige Geest het schoonst van al zich in licht en
lagchen openbaart.’
Niet deze opvatting zelve welligt, in haar geheel, maar eene
verstandige keus daaruit, verklaart de overeenstemming die jufvrouw Wolff
tusschen haar eigen talent en dat van den vermaarden oudvaderlandschen schilder
der vrolijkheid had meenen op te merken. Wil men tegelijk op een treffend
verschil de aandacht gevestigd hebben, hier is er een: Jan Steen stond voor
niets; jufvrouw Wolff, daarentegen, weigerde standvastig hare Beemster
Kermis in het licht te zenden, en daardoor welligt sommigen aanstoot te
geven. Zij hield er wel niet van dat men over Gods wereld een kwaad gerucht
bragt, maar achtte het daarom niet noodzakelijk de boere-kermis-litteratuur
door haar voorbeeld stelselmatig aan te moedigen.
1
| |
VI
Het gewone gebrek der dusgenaamde burgerlijke romans, - dat het
leven der hoogere standen, intellektueel en maatschappelijk, daarin of
ontbreekt, of karikatuur wordt, - kleeft ook aan de Historie van Sara
Burgerhart. De hooggebo- | | | | ren ligtmisR., die het op Saartje's
bederf toelegt, is niet minder zwak van teekening dan van kompositie, en heeft
al de allures van een tooneel-snoodaard en professioneel belager der
vrouwelijke onschuld (III 49-63).
Doch komt men aan hetgeen lager ligt dan de maatschappelijke
kring, waarin de hoofdpersonen van den roman zich bewegen, men vindt het een al
gelukkiger geslaagd dan het ander: Pieternelletje Degelijk goed, Stijntje
Doorzicht beter, broeder Benjamin en zuster Slimpslamp best.
‘Ik sloeg een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen
hoorde donderen, daar onze koetsier van daan is,’ schrijft
Pieternel (II 12); en wel mag men vragen of het mogelijk zij, korter en
krachtiger dan met dien éénen trek, eene geheele rijkeluis
dienstbodewereld te teekenen.
Geeft men de voorkeur aan wat meer trekken bijeen, zie hier hoe
Stijntje, de eerwaardige vrouw uit het volk, die met verwonderlijke
scherpzinnigheid in de harten harer medemenschen leest, in piëtistetaal
eene herinnering uit de geschiedenis van haar geloof verhaalt (III 16):
‘Terwijl ik dus als een zoekende, in eenvoud, mijn wegje zoo
voortging, onder een gedurig opzien naar licht en wenschende aan iedere
nadere ontdekking van 's Heeren wil getrouw te mogen zijn, kreeg ik kennis aan
eene zuster onzer kerk, die veel lof had bij de ernstige luidjes en die zelfs
in de oefening sprak. Ik kan niet zeggen, dat ik iets voor haar gevoelde; zij
maakte mij te veel ophef: echter ik veroordeelde niet; ik zweeg, wachtte meer
kennis, en dacht: elk brengt toch zijn eigen temperament mede op zijn wegje. Ik
ging dan met haar op de oefening. Daar leerde ik Benjamins en Slimpslamps
kennen en verfoeijen! Ik zal eens verhalen wat mij den eersten keer daar al
tegenstond. Dit: eene alleroneerbiedigste wijs van spreken over God en
goddelijke zaken. Mijn hart rilde, als ik hoorde: jou woord, jou
volk, jou zoon. Als ik hoorde van: Vadertje... Als ik hoorde,
dat men tegen bekommerde lieden zei: Hoe sta je zoo beteuterd jonge ziel?
jou borg heit voor jou voldaan; eisch de genade; jij moet die hebben; hebt er
regt op; daar is alles voor jou betaald. Ik zwijge van alle lage en
schandelijke zinspelingen op het werk des Geestes, zooals: werkheiligen
| | | | vergeleek men bij galeiboeven, die tegen wind en tij
oproeiden; men noemde die gemoedelijke Christenen barelijke duivels,
die loon voor werk vorderden, en die, zoo God hun het loon
opzeide, hem de dienst opzeiden. Men sprak van Palagiaans
accorderen, al was 't dan ook maar tegen vijf ten honderd. En dan was er
een geraas en getier en geklop op den Bijbel, en de oefenzuster riep: Riemen
binnen! laat het bootje op Gods genade drijven, geef handen en voeten
los. Halta, zondaar! Ben je al gearresteerd, booswicht? Wil je
den duivel eens een poets bakken? Leg den sleutel op de kist. Geef je heele
zedelijke boeltje aan de desolate kamer... Maar ik mag er niet meer van
zeggen. Toen de oefening uit was, bleven de aanleggers, en ik als gast, op een
liefde-maaltje. Toen maakte men zijn buik tot zijn god en bemerkte ik
schandelijke dingen. De wellust werd bot gevierd; de oogen waren vol overspel
en de handen vol bedrog. Men besloot dit liefde-maaltje met een gebed,
uitgestotterd door half dronken zwijnen: Heere, je knecht heit
geschepseld! Heere, doe verzoening over de koningzondetjes uwer
dienstmaagd! Het klamme zweet brak mij uit; ik dacht, dat de aarde zich zou
openen, om al die in huis waren te verdelgen. Hoe blijde was ik, toen ik den
lieven sterrenhemel weêrzag! Ik ging zoo schielijk alsof ik door moorders
nagejaagd werd; een huis of twintig van de oefeningsplaats, ging ik bij
eenvoudige goede menschen in, die mij kenden, dronk eens water, liet eene
sleê halen, maar zweeg zulke gruwelen. Eerst dacht ik in gemoede, dat ik
de regering moest waarschuwen; doch 't was of iemand tot mij zeide:
“Dewijl dit werk niet uit God, ja zelfs niet eens uit onbedachte
menschen, maar uit den booze is, zal het verbroken worden; aanbid gij in
stilheid.” Hoe het met dat rot is afgeloopen, is bekend. Zij, de zuster,
gaarde de vruchten harer onreinigheid en vlugtte met haren mensch der zonde
naar Duitschland, latende hij eene brave vrouw met zes kleine schapen
achter.’
Zoo de Historie van Sara Burgerhart met een bijoogmerk
geschreven is, en niet enkel bedoelt de onschuldige maar onbedachtzame jeugd
leerende te vermaken, dan leggen wij er hier den vinger op.
De schrijfster is eene ernstige vrouw, geen
wijfjes-encyklo- | | | | pedist van de linkerzijde.
1Een met de godsdienst spottend ongeloof staat haar tegen, en zij
laat geen gelegenheid voorbijgaan om als hare overtuiging te doen uitkomen dat
valsche wetenschap, of hetgeen zij zoo noemt, veelal een dekmantel voor
zedelooze handelingen is. Maar feller nog dan op ongodisterij, en hare zeer
ruime sympathie voor den eerlijken twijfel bragt dit mede, - is zij op
gehuichelde vroomheid gebeten.
Voor eene hoogere regtbank is het eene kwaad zoo groot als het
andere, en heeft de dartelende vrijzinnigheid de dartelende orthodoxie niets te
verwijten. Doch zoo naauw neemt jufvrouw Wolff het niet. Godsvrucht die door
geld- en vraatzucht wordt gedreven, of in dronkenschap en ontucht overslaat, is
in hare oogen het monster bij uitnemendheid; en ik durf niet ontkennen dat onze
vriendin, in haar ijver voor een redelijk christendom, aan haar afschuw van het
Medusahoofd der hypokrisie, wel een weinig te gast gaat.
Met name haar Abraham Blankaart is van dit onderwerp doorgaans te
vol, en loopt met zijne liefde voor opregtheid somtijds zoo te koop, dat men
voor dergelijk zelfbehagen al even weinig gevoelen kan als voor het geteem der
valsche vromen. Alleen moet men toegeven dat die eenzijdigheid in het minst
geen afbreuk doet aan het talent waarmede in Sara Burgerhart de
Cornelia's en de Benjamins zich aan de kaak zien gesteld.
‘Nu, kind,’ schrijft zuster Cornelia (II 125) aan
jufvrouw Hofland, die half en half spijt gevoelt over het onregt dat zij haar
nichtje heeft aangedaan, maar te zeer aan het geld hecht om afstand te kunnen
doen van de honderd halve rijertjes, ‘het is met jou tobben zonder eind.
Dat draait al, dat draait al in den Arminiaanschen stinkpoel van doen, van
werken, en van goede vruchten te dragen... Zoo je nu het waarlijk nog met de
goede zaak meent, en wat doen durft, omdat | | | | alles voor en om ons
is, dan moet je maar met eede verzekeren dat jou zuster, op heur
sterfbed, jou het geld heeft toegezegd, 't zij Sara bij u bleef of niet. Wil je
dat niet doen, dan moet jij mij niet om raad vragen. Blijf dan bij je eigen
droggronden, en vaarwel.’
Broeder Benjamin bemerkt tot zijne ontsteltenis dat de brief van
zuster Cornelia een verkeerden indruk heeft gemaakt, en jufvrouw Hofland, hoe
gierig ook, nogtans terugdeinst voor het afleggen van een valschen eed. Die
indruk, schrijft hij aan Cornelia, moet uitgewischt en het advies op rekening
zijner Helsche Majesteit gesteld worden. Ook goed, antwoordt Cornelia, die het
woordeboek der gehuichelde kwezelarij van buiten kent; en zij schrijft den
derden dag aan jufvrouw Hofland (II 178):
‘Lieve Vriendinne! Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een
twee dagen en drie uren in de magt des Satans geweest. Hij gaf
mij die goddeloosheid in. Hij heeft mij verleid. Och, zusje, zusje! ik ben
gevallen: ik ben wanhopig, ik ben elendig. Die duizend-kunstenaar was het, die
mij dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen
krachtjes vertrouwd! Och ja! mogt ik er maar door geraakt zijn, en nooit
weêr op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zoo als de Eerwaarde van
der Kwast pleegt te zeggen: de conscientie is de klapperman uit de
Hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den brand van de Hel.
Gelukkig dat mijn oude mensch niet te diep was ingeslapen; och! dat was regt
dierbaar. - Verbrand toch alles, om der vromen wille. Gij kent de diepten des
Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op 'tgeen je maar hebt?
Schrijf mij dit, of ik verval tot wanhoop.’
Natuurlijk loopt tante Hofland er in. Als Cornelia en Benjamin den
volgenden dag bij haar komen dineren, dan mengen zij onder het smullen een
slaappoeder in haar wijn, en maken zich met al hare effekten en kontanten uit
de voeten. De zooeven genoemde brief van Benjamin, waarin de lafaard en schurk
Cornelia zijne bekommernissen mededeelt, en keer op keer zichzelf voorbijpraat,
kompleteert het stel (II 175):
‘Zusje lief! Ik ben tweemaal vergeefs aan uw woning
ge- | | | | weest. Ik ben doods verlegen. Daar heb ik bij haar [jufvrouw
Hofland] geweest, en haar zoo dobbend, en in zulk een afgezakten staat
gevonden. O Kéa! Kéa! wij zullen haar verliezen: en wij hebben
haar zoo noodig; zij is rijk en geeft veel verkwikkingjes aan ons, vromen in
den lande. Wij leven grootendeels van haar: de kruike is voor ons niet
verzegeld gebleven, en ons deel was een Azers deel, vol vettigheid en vol
zoetigheid. o Mij is bange, mij is zeer bange: wij vrome menschjes zullen
bekend worden. Die Blankaart! ik beef als ik om hem denk; 't is een Enaks kind,
groot van stature; ik ben een stinkend niet bij hem. - Zij is danig ontsticht
door jou brief: schrijf dan een briefje, dat je berouw hebt en geef den Engel
Satanas de schuld: je weet, die is onze wrijfpaal. Schik u wat naar haar zwak
geloof. Overleg dit alles zoo eens: ik heb geen tijd. Denk dat wij haar noodig
hebben. - Zusje, zusje, 't zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik zal
mijn kostwinning verliezen: wie zal nu van mij 't Geloof leeren? Wij moeten ons
haasten. De kwaaje is nabij! Wij zullen voor Blankaart moeten bukken. - Overleg
deze dingetjes zoo eens in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust,
dat je er iets op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, Kéa,
hoe de zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziele aan uwe ziele kleeft: dat
heb je immers bij bevinding, hertje? Wij moeten haar houden, kind.
Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter een aarden vat,
dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet, liefstetje? Wees toch nooit zoo
jaloersch: och! jij hebt geen reden daartoe: ik heb mijn deeltje aan u:
dat heb ik, och ja! Ik verzegel dit briefje met een geestelijken liefdekus. Ik
ben uw eigendom.’
| |
VII
Broeder Benjamin, zuster Cornelia, tante Hofland, Stijntje
Doorzicht, Pieternelletje Degelijk, de oude Edeling, de oude Blankaart: dit
zijn, met Saartje zelve, zeker de origineelste typen in de naar Saartje
genoemde Historie; en na onze vlugtige eerste kennismaking met deze,
kunnen wij zonder onbeleefdheid een voorloopigen blik in Willem Leevend
werpen.
| | | |
Nog meer bijna dan een burgerlijke roman, is
Willem Leevend een burgerlijk epos, een soort van tragi-komisch
heldedicht, om welks hoofdpersoon en zijne lotgevallen een aantal anderen
gegroept zijn, die elk een gewigtig onderwerp vertegenwoordigen.
Het is geen leerdicht, en toch wordt er veel in geleerd. Men vindt
er eene theorie der hartstogten, theorien over het huwlijk, de vriendschap, de
liefde, een stelselmatige polemiek tegen de sentimentaliteit, eene theorie van
het natuurlijk gevoel, eene apologie van het bijbelsch (in tegenstelling met
het dogmatisch) christendom en, in verband daarmede, eene doorgaande
bestrijding der ongodisterij, eene kritiek der kerkelijke toestanden van den
dag. Is het wonder dat zulk eene rijke stof de schaar trotseert, en ook het
beste uitknipsel niet schadeloos kan stellen voor het missen van het
geheel?
Ik noemde den kerkelijken strijd van den dag; en menig oningewijde
meent aan die aanwijzing genoeg te hebben om te weten dat een boek, honderd
jaren oud, waarin dergelijk onderwerp eene voorname plaats beslaat, onmogelijk
zijne gading kan zijn.
Dit is een vooroordeel. In het 6de Deel van Willem
Leevend wordt een brief van een betrekkelijk nog jeugdig dorpspredikant
gevonden, in den roman alleen bestemd om door Willem zegevierend te worden
wederlegd, maar die tegelijk op zoo treffende wijze de grieven der onkerkelijke
wereld onzer eigen dagen tegen de moderne theologie zamenvat, dat men hem van
gisteren waant.
‘Hoe, vraagt gij, was dat mogelijk?’ - schrijft onze
predikant, als hij Willem heeft medegedeeld dat men, na zeven jaren studerens
in de theologie, ofschoon hij geen enkel leerstuk der Publieke Kerk van harte
geloofde en al de voornaamsten van harte verfoeide, hem nogtans zonder bezwaar
als proponent had toegelaten, of, gelijk er in de Boekzaal stond: hoe hij met
volle ruimte was uitgestooten in den rijken Oogst der Kerk.
‘Het is zeker mogelijk, want het is niet anders. Was de
bevestiger dan heterodox? Wel gansch niet: en, zoo ik hem noemde, gij zoudt
moeten toestaan dat de knaap zoo orthodox als dom en heethoofdig is; ja zulk
een licht als er maar zelden aan Neêr- | | | | landsch kerkhemel
bralt. Door dien Eerwaardige ben ik, onder een glas wijn en een pijp,
maar eens wat heel prettig geëxamineerd. Het beviel mij zoo wel, dat ik
nog wel eens zoo een examen zou willen doen. Laat ik u uit den dut helpen.
Mijn vader is predikant in eene buiten-provincie, en berucht om
zijne groote regtzinnigheid, gelijk om andere predikstoeldeugden. Het nieuwe is
bij hem zoo verdacht als verfoeid. Hierom hield hij het zingen der nieuwe
berijming [van 1772] zoo lang doenlijk uit de kerk, ofschoon hij, zoo als
Dominé Comrie, den boeren niet vertelde, dat hij de psalmen van
Datheen nog met hen in den hemel hoopte te zingen. Hiertoe had hij te veel
gemoedelijkheid. Mijne moeder is eene strikte, zuiver Lampiaansche matrone.
Mijn vader is zeer coleriek; mijne moeder niet minder zwaarmoedig. Ik heb eene
zuster, die kapelmeestresse in de oefening is, en zeer op den penning gesteld.
Keerde ik het rokje, wat zou het gevolg zijn, Vader stierf aan eene beroerte,
moeder aan eene slijmziekte; en zuster zou zich, ten koste mijner ketterij, van
den heelen boel zeer godvruchtig meester maken. Kan ik dat voor mij, voor mijne
vrouw en vijf kinderen, ook al verantwoorden? Hierbij heb ik nog twee tantes,
rijke oude kweezels, die lang vóór de tijden der Apostelen van
priesterlijk geslacht waren; immers zoo verhalen zij, en voegen daar bij, dat
haar overoudoom een der zeventig overzetters was, die door de Staten in
kommissie gesteld waren, om den Bijbel op nieuw te vertalen. Al mijne
voorvaderen, lang vóór Paulus, die den Romeinen predikte,
geloofden ook reeds de predestinatie. Ik heb eene grootmoeder, die, juist als
een uurwerk, alle nooten speelt, die daarop gezet worden; vermits nu alle
nooten Dortsch gereformeerd zijn, begrijpt gij ligt, welke toonen zij geven
moet. Ik moest des, om zoo vele sterfgevallen en ontervingen voor te komen, den
volgenden weg inslaan: komt gij in mijn geval, kom op dien weg;
daar alleen is veiligheid.’
1
Na die forsche zelf-karikatuur tot inleiding begrijpt men | | | | wat er volgen moet als de briefschrijver gaat verhalen hoe hij, eerst
aan de akademie, toen bij zijne bevestiging als predikant, eindelijk als
dienstdoend leeraar, steeds een voorzigtig systeem van hooren, zien, en
zwijgen, heeft gevolgd; gevolgd bij het prediken over de zondagen van den
Heidelbergschen Katechismus, bij het onderwijs geven aan boereknapen en
meisjes, in gesprekken met ‘regtzinnige knevels’ onder zijne
ongeletterde gemeenteleden, bij zomer-predikbeurten voor regtzinnige
aanzienlijken, eigenaren van buitenplaatsen, enz. Eindelijk laat hij zich door
Willem vragen: ‘Kan dit bestaan met den pligt van een eerlijk man?’
en antwoordt:
‘Gij moet mij niet alleen beschouwen als mensch, maar als
een mensch die in vele betrekkingen staat met anderen. Als zoon moet ik mijne
ouders niet van verdriet doen sterven; als man en vader moet ik voor mijn
huishouden zorgen. Zijn dit ook geene plichten? Is hij die zijn huishouden
niet bezorgt, niet erger dan een ongeloovige? Moet ik een lieve
vrouw, moet ik onnoozele kinderen berooven van een zeer sober traktement, hen
overgeven aan gebrek, aan al de verachting die behoeftigheid overal
vergezellen? Weet ik, of men mij in eene andere gemeente zal ontvangen? Kan ik
dat veilig onderzoeken? Kan ik, zonder daar zeker van te zijn, mijn afscheid
nemen, al wogen andere pligten al eens minder bij mij? Stel u eens bedaard in
mijne plaats. Bedaard, zeg ik. Want ik verkies geen enthusiast tot mijn regter.
Mijn bloed kookt niet meer in mijne aderen; die tooverij is verdwenen; zelden
duurt die koorts nog, als men reeds in de dertig jaren heeft en zich meer
ophoudt met denken dan verbeelden.’
Nu volgt eene lijst pijnstillende middelen: ‘Vooreerst,
niemand heeft de macht om te zeggen: Dit zult gij leeren, en niets
anders. Doet men dit, dan moeten wij ons daartegen verzetten, indien
hetgeen men wil dat wij leeren zullen, strijdt tegen het goddelijke bevel. Nu
zult gij mogelijk zeggen: “Goed, maar als gij evenwel belooft, iets, wat
ook, te leeren, en gij weet dat gij daarvoor alleen uw traktement krijgt, dan
moet gij, wilt gij een eerlijk man blijven, dat iets leeren, 'twelk gij beloofd
hebt te zullen leeren, want het is een vrijwillig door u aangegaan kontrakt;
verbreekt gij dit, en laat gij u evenwel | | | | betalen alsof gij het
hieldt, dan zijt gij een slechte kwant...” Niet zoo haastig! Laat ik u de
zaak eens in een ander licht voorstellen.
Tegen mij is gezegd: Als gij uwe boeren in den hemel kunt brengen,
zult gij jaarlijks voor de leverantie zeshonderd en vijftig gulden, nevens nog
eenige kleinigheden genieten; dezen weg moet gij inslaan; van deze middelen
moet gij u bedienen; neemt gij dit aan? - Ik zeg: ja, en dat wel van
ganscher harte. Maar ik ben er beter achter; ik weet een weg, die regt uit regt
aan loopt; ik weet middelen, die niet falen; ik breng er mijne kudde. Zij komen
waar zij wezen moeten. Ik voldoe dus aan het groote oogmerk, en ontvang met
veel ruimte mijn salaris.
Laat ik u al eens toestemmen dat ik eene politieke misdaad
bega: hoeveel wezenlijk en ver voortloopend kwaad kom ik dus doende voor! 't Is
waar, ik voldoe niet aan mijne belofte; maar ik doe veel meer. Ik beloofde
valschheid te leeren, ondergeschoven leerstukken; en ik leer waarheid, ik volg
geenen regel dan dien van Jezus en zijne apostelen. Ik ondermijn een valsch
systema en bereid de menschen tot de leer des Evangeliums voor. Het is des
billijk, dat ik mijn armzalig traktementje ontvange.
Mogelijk zult gij mij beklagen en zeggen: Mijn vriend, ik beken
dat uwe omstandigheden moeijelijk zijn; evenwel, volg het voorbeeld van
sommigen: ga over tot eene andere gezindheid in de Christenkerk. - Onnoodig;
die gezond zijn hebben geenen medicijnmeester van doen, maar die ziek zijn.
Neen, allerbekwaamst jongeling: de Publieke Kerk moet in de Kerk
gereformeerd worden. Bij al wat u dierbaar, bij al wat u heilig is, word in
de Publieke Kerk predikant. Onuitsprekelijk veel nuts zult gij, met zulke
talenten uitgerust, kunnen doen! Bedenk dit wel: wij moeten ondermijnen, als
wij niet afbreken. Wat schaadt het, door welke middelen wij het gottisch
gevaarte van scholastieke dwalingen omverhalen, als het ons te doen is om op
deszelfs puinhoopen een beter gebouw te stichten? Laten onze oude stijfhoofden
eerst in vrede ontslapen; dan kunnen wij allen, die nu verborgen zijn, de
handen ineen slaan.’
Is dit eene satire? vraagt de lezer, bij het terugvinden dier | | | |
honderdjarige bladzijde. Zoo min eene satire als een paskwil. Het is alleen een
bewijs dat, wanneer het ware talent zich aan het beligchamen van een onderwerp
zet, er in het beeld leven geblazen wordt.
| |
VIII
Nu wij begonnen zijn met de theologie, wordt hetgeen daarmede in
verband staat gevoegelijkst in eens afgedaan.
Willem Leevend, zeide ik, is onder meer eene verdediging
der christelijke openbaring tegen de natuurlijke godsdienst en, meer in het
algemeen, van het geloof tegen het ongeloof. Niemand die het boek gelezen
heeft, zal dit tegenspreken. Zelfs houd ik het er voor dat het leveren van zulk
eene apologie het hoofd-oogmerk der schrijfster is geweest en zij om die reden,
gelijk uitdrukkelijk door haar als een eisch van het te voren afgebakend plan
wordt aangeduid (VIII 350), den roman heeft laten eindigen met het voorbeeldig
sterfbed harer model-christin, de eerwaardige jufvrouw Christina de Vrij.
Volgens elke andere hypothese zou het huwlijk van den held, niet dat sterfbed,
het natuurlijk slot der vertelling geweest zijn.
Blijft men aan het uitwendige hangen, dan is de apologie mislukt;
en zij moest mislukken omdat door de schrijfster geen rekening is
gehouden met de omwenteling, door haar tijdgenoot
Immanuel Kant in de wereld van het
wijsgeerig denken gebragt. Haar horloge was blijven stilstaan bij den
naamgenoot van haar man, den duitschen professor Wolff.
‘Het behoort tot onze onverzettelijk aangenomen
grondregels,’ schreef
jufvrouw Deken in 1801, ‘dat de maatschappij aan
duizend kantianen en honderd duizend dichters niet zoo veel verliezen kan, als
aan één eerwaardige moeder. Gij verstaat Kant niet! schreeuwt mij
een modern wijsgeer toe. Ik geloof dat gij gelijk hebt, zeer respektabele
filosoof! maar ik vertroost mij, dat ik deugdzaam en gelukkig zijn kan, zonder
een diep inzien in deze nieuwmodische filosofie.’
Ook
jufvrouw Wolff zelve, anders veel schranderder en
belezener dan hare vriendin, dacht er zoo over: ‘Ik heb mijn armzalig
hoofd eens een veertien dagen met Kant gebroken, maar | | | | ik geloof
dat ik te oud ben om hem wel te verstaan, en waar ik hem vat, doet hij
bij mij onder voor de lessen van onzen goddelijken Meester, wiens wijsheid wij
te meer bewonderen, naar mate men doordenkt en de menschelijke natuur leert
kennen.’
1
Om kort te gaan, de christelijke godsdienst wordt in Willem
Leevend tegen vijanden van den vorigen dag verdedigd, en behaalt voor
lezers van den tegenwoordigen tijd eene te gemakkelijke overwinning.
Nogtans bezitten ook van dit gedeelte der opgenomen stof sommige
partijen innerlijke waarde. Met name zal de poëzie van het geloof, zooals
de tachtigjarige Christina de Vrij die uit haar
Dirk Rafaelsz Camphuysen putte, wel
altijd het groote plechtanker der christelijke apologeten blijven. Krachtig
steekt het blijmoedig beeld dier oude dame tegen dat van den somberen student
Jambres af, die, ook al ware hij niet binnen weinige jaren zedelijk te gronde
gegaan, uit zijn zwartgallig scepticisme toch nooit eene aannemelijke
levensbeschouwing had kunnen dichten.
Meer nog dan jufvrouw Deken ging jufvrouw Wolff voor uitermate
vrijzinnig, om niet te zeggen voor eene vrijdenkster door, en het mag ons niet
te sterk verwonderen zoo zij door sommige tijdgenooten, op grond harer
Santhorstsche Geloofsbelijdenis, van overhelling tot profaneren verdacht
werd.
2Doch men behoeft slechts acht te geven op het welbehagen waarmede
zij in Willem Leevend den ongeloovigen Jambres prijsgeeft en de
geloovige Christina de Vrij verheerlijkt, om in te zien dat hier een groot
misverstand in het spel was.
Onkerkelijk, anti-klerikaal, was zij in hooge mate; zoo zeer dat
zij, na van de Hervormde gemeente zich te hebben afgescheiden, zelfs de
Doopsgezinden niet liberaal genoeg vond om er zich bij aan te sluiten. Maar,
indien eene geloovige op eigen hand, eene geloovige was zij door en door: vol
eerbied en bewondering voor den Bijbel, eene opgeruimde bedevaartgang- | | | | ster naar het toekomstig Hemelsch vaderland, dweepend met de
pelgrimsliederen eener zuivere christelijke mystiek en ascetiek. De gelukkige
vereeniging van mysticisme en rationalisme, welke men bij haar aantreft, moge
door den tijdgenoot niet aanstonds gewaardeerd en vaak miskend zijn, het
nageslacht telt Betje Wolff teregt onder de heiligen.
| |
IX
Willem Leevend heeft groote kans, evenals Werther,
door lezers van den tegenwoordigen tijd onder de sentimentele boeken
gerangschikt te worden; en sentimentele boeken, dit weten wij, zijn de
nachtmerrie der 19de eeuw.
Ik zal niet ontkennen dat er aanleiding toe bestaat. De episode
van Lotje Roulin is als het ware doorzult van sentimentaliteit; bovenal
Willem's vriendschap voor dat meisje. Het verbond der twee jonge vriendinnen,
Coosje Veldenaar en Chrisje Helder, schijnt aan hetzelfde euvel te lijden. Doch
mag ik het zeggen? de schuld ligt grootendeels aan ons en onze
onbevattelijkheid.
Waren wij beter te huis in de litteratuur van de laatste helft der
vorige eeuw, wij zouden weten dat Willem Leevend, zoo goed als
Werther, wel verre van een aan de sentimentaliteit gebragt offer te
zijn, integendeel bestemd is geweest het sentimentele te keer te gaan. Dit
wordt niet alleen omstreeks het einde van den roman (VIII 220) in klein
kapitaal openlijk verkondigd, - waar de jonge mevrouw Van Sytsama, geboren
Coosje Veldenaar, het droevig uiteinde van Lotje Roulin met even zoo vele
woorden noemt ‘een leerzaam voorbeeld voor ieder, die overhelt tot
overdrevene gevoeligheid,’ - maar wij lezen het ook tot onze straf in de
nabetrachting van jufvrouw Wolff (VIII 351): ‘Onze sentimentele
jongelieden zijn maar gansch niet voldaan over de Brieven, waarin wij
ieveren tegen deze nieuwbakken zedelijke ziekte; eene ziekte die, wordt
zij niet in de bronnen aangetast, eene nationale ziekte worden
kan.’
Met de wederkeerige vriendschap tusschen Coosje Veldenaar | | | | en Chrisje Helder is het niet anders gesteld. Er bestond voor
jufvrouw Wolff eene bijzondere reden veel met de vriendschap op te hebben. Jong
en geestig ding van twintig jaren, was zij de vrouw geworden van een
dorpspredikant en weduwnaar die er vijftig telde; maar niet omdat zij geen hart
had. ‘Wacht tot ik mes mémoires eens in 't licht
geeft,’ leest men in een partikulieren brief van haar uit later tijd,
‘om te oordeelen of ik wel een zot stukje begon, toen ik, twintig jaren
oud, mijne familie tot één toe en ma très-chère
patrie adieu zeide [zij was uit Zeeland], om met een oud, statig man in het
stijve Noord-Holland te hokken. Ik heb mogelijk meer regt op den schoonen titel
van philosophe dan gij denkt. Indien de filosofie ook bestaat in te
triomferen over den sterksten en vurigsten hartstogt, waarvoor 't aandoenlijk
hart vatbaar is, uit een loffelijk principe, dan usurpeer ik dien titel
niet... Ik heb mijn hartstogt overleefd. Vriendschap is sedert mijn
idole; maar mijn vriendschap is zoo teder, dat zij niet hoeft te wijken
voor de liefde van een Duitscher.’
1
Eene vriendschap zoo teder dat zij niet hoeft te wijken voor de
liefde van een Duitscher: beter dan met deze woorden van jufvrouw Wolff
zelve kan niemand de betrekking tusschen Chrisje Helder en Coosje Veldenaar,
tusschen Willem Leevend en Lotje Roulin omschrijven. Als theorie verraadt zij
overal haar oorsprong. Zij is het pis-aller eener opgewekte en levendige
vrouw die, na eenmaal in het bikkelspel van den felsten hartstogt het onderspit
te hebben gedolven, naderhand in minder forsche aandoeningen troost gezocht, en
daarin eene schadeloosstelling gevonden heeft. Dit is ook de sleutel tot het
bondgenootschap door haar, toen zij weduwe geworden was, met Aagje Deken
aangegaan; eene betrekking zoo innig dat de eene der twee vriendinnen de andere
geen veertien dagen heeft kunnen overleven.
Er komen in de brieven welke Coosje Veldenaar met Chrisje Helder
wisselt bladzijden en uitdrukkingen voor die, zoo zij niet bewijzen dat het
schilderen van tedere aandoeningen met tedere woorden buiten de eigenlijk
gezegde roeping onzer schrijf- | | | | ster lag, in elk geval van eene
groote mate van overspanning getuigen.
Alleen leze men de brieven van
Bilderdijk aan Odilde, van
Gijsbert Karel van Hogendorp aan zijne
moeder, en men zal erkennen dat die toon, welks onnatuur ons thans verbaasd
doet staan, destijds mode was en voor een bewijs van opvoeding gold.
Als Chrisje Helder, na den winter in Rotterdam te hebben
doorgebragt, met hare familie weder buiten komt, dan bewondert zij
waarschijnlijk haar eigen stijl wanneer zij schrijft (I 400): ‘Nooit ben
ik zoo wel, nooit zoo eenparig, zoo keurlijk, blijmoedig, zoo volmaakt gerust,
nooit zoo zedelijk, zoo veel een mensch, als hier, hier buiten.’
Desgelijks wanneer zij, met het oog op hare natuurlijke gebreken, die zij
opsomt, de bekentenis boekt (I 11): ‘Kortom, ik heb mijne vriendin zoo
noodig voor mijne zedelijkheid, als voor de behoefte van mijn gevoelig
hart.’
Coosje Veldenaar doet voor Chrisje Helder niet onder. Eene
pedanter frase dan de volgende (I 28) zal wel zelden uit de pen van een jong
meisje gevloeid zijn. ‘Geld heb ik niet, en ook niet te wachten, maar wat
beteekenen schatten voor iemand, die liever een bloem ziet dan een juweel, en
die geene kunstbehoeften te vervullen heeft, dewijl zij in den schoot der
Natuur is opgevoed, en geen behagen vindt in het kostbare stadsleven?’
Onbetaalbaar is ook (I 129) Coosje's uitroep: ‘o Mijne Chrisje, hoe
onschatbaar zijn die aandoeningen, welke onze welgeplaatste hartstogten uit de
hand der zegenende Natuur ontvangen!’ De précieuses
ridicules uit
Molière's dagen zouden het niet
verbeterd hebben.
Bedenkelijker dan die gebreken van den tijd en van het genre, zijn
de spitsvindigheden waartoe jufvrouw Wolff hare twee jonge vriendinnen somtijds
laat vervallen. Men spreekt van in vieren gekapte gevoelens of begrippen:
jufvrouw Wolff verstond die kunstbewerking. Hare Chrisje Helder (II 292) kent
‘schaduw-dunne denkbeelden’ die zij met hare vriendin zou wenschen
te bepraten; hare Coosje Veldenaar (II 308) ‘haarfijne aandoeningen die
men voor háár niet kan beschrijven, welke die niet in haar eigen
boezem ontwaart.’ Chrisje | | | | kan getuigen (IV 95) dat Coosje
ten onregte beschuldigd wordt van eene soort van koelheid, die zij met het
ellen lange woord ‘onmededeelnemendheid’ aanduidt. Wanneer Coosje's
vader overleden is, dan gevoelt Chrisje (VII 208) dat sedert die noodlottige
tijding hare liefde voor hare ouders, die vroeger reeds niet te overtreffen
was, tot ‘eene allerfijnste, doordringendste bezorgdheid is
overgehaald.’ Overgehaald: zou men niet wanen met geestrijke vochten te
doen te hebben?
Elders (VI 325) beschrijft Chrisje aldus het bevallig uiterlijk
eener nieuwe kennis, de jonge mevrouw Everards: ‘Welk eene zachtheid in
haar gelaat! Hoe veel van dat mede afdrijvende mollige in hare
oogen!’ Inderdaad, dit gaat te ver. Het is de overdrijving van de
theorie der bijzondere vriendschap, op eene andere plaats door Coosje Veldenaar
fraai en breed beschreven (VIII 103): ‘Laten wij het voor ons houden,
mijne Chrisje; maar daar is zeer zeker eene zeilsteenige kracht, die
sommige zielen sterk aantrekt, zoo ras zij binnen den kring der werkzaamheid
komen. Indien zulke menschen elkander hier, aan deze zijde der Eeuwigheid, nog
ontmoeten, dan hebben zij het ideaal gevonden. Zij verstaan
elkander oogenblikkelijk; zij leeren elkander in weinig uren nader kennen dan
anders in vele jaren mogelijk zij.’
Ook Willem Leevend heeft van die uitdrukkingen welke den
hedendaagschen lezer ongeduldig maken. Hij spreekt zonder omwegen (VII 227) van
‘mijn gevoelig leven’. Evenals de kolonel Sytsama (V 278)
ondervindt hij, als hij Chrisje Helder mag beminnen, ‘een schat der
beste, der edelste, der hartuitbreidendste gevoelens.’ De oude
mevrouw Helder (VIII 16) zal hem als haar schoonzoon erkennen, zoodra zij hem
in staat vindt om ‘dit overwegend genot van zaligheid zonder
bezwijken te kunnen genieten.’ Hij schrijft aan zijne aanstaande
schoonmoeder (VII 232): ‘Valt hier iets op te offeren, - en dat voel ik
maar al te zeer, - ik heb dan meteen de ongezochte gelegenheid om u, Mevrouw,
te overtuigen, dat ik niet geheel vreemd ben aan die innerlijke sterkte, welke
gij wel eens het karakterizerende eener ziel noemt, die niet dulden kan,
onder het gros geteld te moeten worden.’ Echter zijn dit
kleinigheden vergeleken bij den pathos, dien de dood van Lotje Roulin bij
Willem opwekt (V 11):
| | | |
‘Ik heb het graf van mijne Lotje bezocht. Het
mag mij naauwlijks van het hart, het zelfs aan U te zeggen. Zoo de koster zijn
belang verstaat, zal hij zwijgen. In de schemering ging ik, onverzeld van hem,
in de kerk, - - naar het graf. Hijgend, vermoeid, bleek, bevend, knielde ik op
hare zerk: mijne oogen pijnlijk droog heet; mijn borst zoo bekneld, dat ik mijn
kamizool openrukte. Geen woord, geen zucht, kon zich doorgang banen. De kerk
was gesloten; ik alleen bij de dooden; verlamd, maar volkomen bij mij zelf:
alles week voor mij deinzende achterwaarts. Lotje's graf: niets dan dat bestond
er meer voor mij. In zulk eenen staat kan de eindige Natuur niet lang blijven,
zonder vernield te worden. Mijn angst, mijne stikkende aandoeningen, dreven weg
in eene smeltende, balzemende weemoedigheid. Ik zuchtte, ik
stortte tranen; de naam, de lieve naam van mijne Lotje, zweefde weder, zacht
als mijn adem zelf, over mijne bewegende lippen. Ik herhaalde dien! Dat was
verrukkelijk!’
Van waar dat zulke taal in onze ooren zoo vreemd klinkt, zoo
overdreven? Waren de menschen in die dagen anders bewerktuigd dan wij?
Voortgekomen uit eene andere vermenging van geest en stof? Zeker; lag niet
tusschen dien tijd en den onzen de fransche omwenteling van 1789, men zou het
bijna gelooven en tot eene bovennatuurlijke verklaring de toevlugt moeten
nemen.
Doch wie gevoelt niet dat het een oneindig verschil maakt, hetzij
men leeft in de laatste jaren eener bijna uitgebloeide beschavingsperiode, of
in de eerste eeuw van een nieuw tijdvak? Voor ons de romantiek en het realisme;
eene romantiek die teruggrijpt tot aan, tot voorbij de middeneeuwen, en van al
hetgeen tusschen haar zelve en dat gothisch tijdvak ligt niets weten wil; een
realisme dat, slaat het eenmaal aan de bewerking van het tegenwoordige de hand,
u geen enkele bijzonderheid schenkt, geen enkele spier of vezel.
In de dagen toen Willem Leevend het licht zag, daarentegen,
eene litteratuur die optreedt als pleitbezorgster van hetgeen in de oude
zamenleving eerbiedwaardig en duurzaam scheen, een protest tegen de neologie,
een zich vermeijen in het bezit van onverliesbaar gewaande schatten des
gevoels, een zich over- | | | | geven aan aandoeningen die men als de bloem
der overgeërfde beschaving aanmerkt, en waarin zich te baden voor
distinktie doorgaat.
| |
X
In de tweede helft van den roman waarvan ik spreek verschijnt eene
duitsche gravin en jonge weduwe ten tooneele, welke niet minder dan Willem
Leevend zelf, wiens kennis zij toevallig gemaakt heeft, als de getrouwe
uitdrukking van die rigting kan worden aangemerkt.
Willem, die voor eene poos over de grenzen had moeten vlugten,
omdat hij ‘een neerlaag gedaan’ of, met andere woorden, in een
tweegevecht bij ongeluk een onwaardig lasteraar van Lotje Roulin gedood had (V
127), raakt verdwaald op het landgoed der gravin, wier zoontje hij het leven
redt en in wier hart uit dankbaarheid eene levendige vriendschap voor hem
ontluikt.
Zij is katholiek, hij een ijverig protestant en
dilettant-theoloog. Doch dit bevordert veeleer de innigheid van hun omgang en
het vertrouwelijke hunner gesprekken, dan het er schade aan doet.
Spoedig wordt de verhouding schijnbaar zoo intiem, dat de
biechtvader van gravin Henriette er aanstoot aan neemt en heimelijk haar zwager
waarschuwt. Deze, in de vooroordeelen van stand en geboorte opgevoed, vindt het
niet alleen ongepast dat zijne schoonzuster zoo spoedig haar pasgestorven
echtgenoot schijnt te vergeten, maar neemt het bovenal kwalijk dat zij
koketteert met een burgerknaap uit Holland, die tijdelijk nog wel bij haar kind
de funktien van gouverneur waarneemt. Eene gravin Van B. de minnares van een
laaggeboren vreemdeling en huisonderwijzer!
De baron doet Willem opligten, en geeft hem eerst op eenige uren
afstands van het landgoed der gravin zijne vrijheid terug; doch de afstand is
niet zoo groot of Willem ziet kans zijne vriendin te doen weten dat hij
voornemens is haar omstreeks middernacht een afscheidsbezoek te komen brengen.
Hij weigert niet haar vrijwillig te verlaten, zoo dit dienstig is voor hare | | | | rust en goeden naam; maar vóór de scheiding wil hij
haar nog eenmaal terugzien. Door tusschenkomst van een bediende wisselt hij met
haar van gedachten over dit onderwerp; en ziet zich het nachtelijk rendez-vous
(anders kan de wereld het niet noemen) toestaan.
Ziehier hoe Henriette in een brief aan mevrouw Helder, met wie zij
door Willem's toedoen in korrespondentie gekomen was, verslag doet van die
korte zamenkomst, met overlegging der gewisselde schrifturen (VII 176
vgg.):
‘Ik bid u, mevrouw, dat gij, vóór gij dezen
verder leest, de afschriften, die ik hier nevens zend, gelieft in te zien. - -
Welnu, gij hebt die brieven dan gelezen. - - Komt het u, mevrouw, niet een
weinig vreemd voor, dat ik de onstuimige begeerte inwilligde van eenen
jongeling, reeds op zulk eenen afstand? Ach, ik ducht het! Maar, mevrouw Helder
moet niets vreemds vinden in het gedrag eener vrouw, die den hoogsten
prijs stelt op hare goedkeuring. Toen mijns overleden mans kamerdienaar mij
berigtte, dat de heer Leevend reeds tot X. was teruggereisd, schrikte ik! Ik
was zelfs wat misnoegd op den eerlijken ouden man; maar die vroeg mij: of
het dan ook mogelijk ware om den edelaardigen jongeling iets te weigeren,
als hij het zoo ernstig, zoo in zijn ziel bewogen,
verzocht? Ik zweeg, en schreef hem het inliggend biljet;
1 Karel bevel gevende, het
eigenhandig te bezorgen en den heer Leevend zelf bij mij te brengen. - Het
geregeld leven, dat men op het kasteel van B. leidt, is oorzaak dat er ten
twaalf uren reeds geen licht meer vernomen wordt. Dan zijn alle de meerdere en
mindere bediendens al ter rust. Ik begaf mij toen in de kamer van onzen vriend;
daar zat ik bij het zwakke licht eener waskaars. Ik las niet: konde ik? Neen!
Ik zat verloren in mijn eigene gedachten; ik was niet zoo tevreden over mij
| | | | zelf, als ik anders ben. Weduwe... vier-en-twintig jaar...
verdacht... En ik had mij laten bewegen om den beminlijken Leevend, in het
holste van den nacht, bedekt, vermomd, te ontvangen. Wat, o deugdzame vrouw,
kon mij toen voor bezwijken bewaard hebben, daar ik dit, en niets dan dit, zag?
De zuiverheid van mijn oogmerk! Ik sloeg mijne oogen op mijn hart: dat hart was
boven het onwaardige, - zoo zeer als ooit was het daarboven. Ik doorzag alle
mijne wenschen, mijne verlangens. Zij waren geheel zusterlijk! Dit beurde mij
op. Ik kon aan mijnen zalige, - ik kon aan den Alwetende denken, en mijn hart
sloeg eenparig gerust in mijnen trillenden boezem. Is er in de menschelijke
natuur, dacht ik, dan zeker vermogen, dat nooit zoo veerkrachtig, zoo levendig
losspringt dan wanneer wij laag behandeld worden [toespeling op de onwaardige
verdenking van den baron, haar zwager]; een vermogen, dat men in eenzelvige
dagen niet eens bemerkt; waardoor men besluit, zich zelf regt te doen? Zou de
mensch, het beeld van God, zóó in den aanleg zijner ziel afkeerig
zijn van dwang? Of ontstaat dit uit een nog fijner beginsel?... Zoo zat ik,
wachtende. Ieder geluid, ieder ritseling der stijfbevrozen ontbladerde takken,
het van ver aanrollend geblaf der honden, het opsteken van den wind, onthutste
mij. Nu hoorde ik zachtjes aan de deur van mijn kamer tikken. Het was Karel [de
oude kamerdienaar]: hij leidde den heer Leevend aan de hand langs den geheimen
trap, die naar dit vertrek gaat. Uw vriend hield zijnen degen half uitgetogen
onder den arm. Blijf gij hier, Karel, zeide ik: hij weet dat ik nooit
beveel dan om gehoorzaamd te worden. Hij week achterwaarts en bleef, de deur
hebbende toegedaan, daarvóór. Dat ik niemand voor langer dan een
oogenblik wachtte, bleek ook daaruit, wijl er geen stoelen gereed stonden. Ik
stond, uw vriend knielde voor mij, na zijnen degen en hoed te hebben
neergelegd, hij zag mij opwaarts aan; zwijgende nam hij mijne hand en drukte
die aan zijne lippen. Ik beefde. Gij weet, mevrouw, hoe sterk zijn gelaat
teekent! hoe zijne geheele ziel in zijne oogen opklimt... Hij leidde mij naar
eene sopha. Ik volgde werktuigelijk. Hij stond voor mij. Hij kon niet spreken;
ik vatte het woord. Vaarwel! vertrek nu: gij hebt mij nu nog
ééns
| | | |
gezien. Ik ben over u voldaan. Toef
niet langer. Als gij in uw Vaderland gekomen zijt, zult gij berigt van
mij krijgen. - Ach, kunt gij, vroeg hij met eene zachte, doch
dringende stem, kunt gij mij ook vergeven, dat ik u dit bezoek heb
afgedwongen? Kunt gij dit mij om mijne dankbaarheid... om mijne gehechtheid aan
U vergeven? - Alles vergeef ik, op deze voorwaarde: vertrek terstond!
- Toen zag hij mij aan. - Vergeefs wensch ik dit te beschrijven. Hij poogde
te spreken; alles was zoo onzamenhangend, zoo afgebroken; o dat gevoelig,
gevoelig hart! Ik kende het nog niet in al zijne aandoenlijkheid! Hij sprak van
mijn zoontje. Ik verstond hem. Zult gij hem, zonder iets te
zeggen, kunnen zien, dan zult gij hem zien. Een zeer ernstige
aanblik was zijn antwoord. Ik was gerust. Ik opende een der gordijnen van een
veldbedje: daar, zei ik, slaapt uw kleine gunsteling, ook nu zijn
vriend hier niet meer woont. - Het zachte licht der waskaars viel
schemerachtig op het blozend gelaat van het slapend jongske, maar kon hem niet
in de oogen vallen. Leevend zag, voorovergebogen over het kind, hetzelve aan.
Zoo slaapt alleen, zeide hij, de onschuld. Hij luisterde naar den
vrijen adem des kinds , vatte zijn eene, wat afhellend werkeloos handje;
sloeg zijn anderen arm om mij, zag nu mij, dan mijn kind ernstig, ontroerd,
bedroefd aan, kuste mijne bleeke wang; en het kind zoo ook aan zijne lippen
willende tikken, vielen er een paar groote tranen uit zijne oogen. Het
ontwaakte, wreef zijne wang, riep opspringend uit: Mijn vriend! daar is mijn
vriend! Leevend week snel terug, ik sloot het gordijn, en gelukkig sliep
het knaapje weder in. Ga! zeide ik. Hij verstond dit woord.
Onbeschrijfelijk weemoedig scheidde hij. Lang - zeer lang weende hij aan mijnen
hals. Ik voelde zeer veel: alles wat de heiligste vriendschap
ontroerends heeft, voelde ik. Door zijne droefheid bedwelmd, drukte hij mij aan
zijne bevende gloeijende lippen; ademde het vaarwel! langzaam en bij
herhaling uit. Ik deed eene nieuwe poging om mij uit zijne klemmende armen te
ontwikkelen - hij week omziende terug, en Karel ging met hem weg.’
Waarom zouden wij het betreuren dat aan deze groep der Heilige
Vriendschap, - want het is eene groep, en op de minste tentoonstellingen
van beeldhouwwerken komt iets zoo | | | | origineels voor, - zoo veel
arbeid besteed is? Waarom glimlagchen om het gewaagde in de schildering van dit
herdersuurtje? Laat ons veeleer dankbaar zijn dat juffrouw Wolff, welligt
zonder zelve te weten wat zij deed, het beeld eener eigenaardige periode in de
geschiedenis van het menschelijk gevoel in hare Camera Obscura zoo gelukkig
heeft opgevangen; dankbaar ook dat zij niet den minsten twijfel overliet
omtrent haar ernst.
Mevrouw Helder toch, de deftige rotterdamsche matrone, jufvrouw
Wolff's ideaal van gezond verstand en zielegrootheid, keurt het gedrag van
gravin Henriette volkomen goed. ‘Ik eerbiedig in u eene vrouw,’
antwoordt zij, ‘die, op eene grootsche wijze, billijk handelt. Indien ik
in uwe jaren, in uwe omstandigheden, mij bevonden had, dan zoude ook ik juist
zoo gehandeld hebben; ook omtrent eenen allerbeminlijksten jongeling, indien
hij onzen Leevend gelijk geweest ware. Er zijn, mevrouw, vorstelijke zielen.
Zielen, die altoos groot, vast, verheven zijn. Zoo een ziel eerbiedig ik in
mijne jonge, mijne teedergeliefde vriendin, de gravin van B. Toen ik de woorden
las: wat kon mij toen voor bezwijken bewaard hebben, dan de
zuiverheid van mijn oogmerk?, toen wenschte ik u aan mijn hart te mogen
houden! Ja, groote, gevoelige vrouw, niets dan uwe deugd kon u toen genoeg
bedaardheid laten, om ook op zeer gering schijnende omstandigheden bedacht te
zijn. Ik bleef staan; er stonden geene stoelen gereed; ik wachtte
niemand. Edel, wel geresolveerd in alles! Niets verzuimd, alles
natuurlijk!’ (VII 218).
| |
XI
Laat ons na deze opmerkingen over het vergankelijke in de
schoonheden van den roman, het blijvende pogen te schetsen.
Jufvrouw Wolff heeft den strijd willen teekenen van een jongen
man, een jongen Hollander, door de fortuin van de zorg voor het dagelijksch
brood, maar daarom niet van de verpligting ontheven, over zijn hart en zijn
verstand te waken.
Wat het laatste betreft, - door hem eene poos in de theologie te
laten studeren, wil zij hem de gelegenheid openen zich in alle rigtingen met de
denkbeelden zijner eeuw te leeren | | | | meten; en dit was goed gezien.
Als dressuur voor het bekleeden van een kerkelijk ambt moge de theologie den
naam van wetenschap niet verdienen; als onafhankelijke oefening van den geest
biedt zij, door haar raken aan geschiedenis, taalstudie, en wijsbegeerte, een
ruim veld van verstandelijke ontwikkeling aan.
In de dagen van Willem Leevend was, van de vijf fakulteiten bij
het hooger onderwijs, de godgeleerde nog altijd de meest ideale. De geheele
eerste helft van den roman beweegt zich om een lang vers van Willem tegen de
predestinatie; een vers zonder dichterlijke waarde en waarmede Daatje, Willem's
geestige oudere zuster, naar behooren den draak steekt; een vers om hetwelk hij
door sommigen geprezen, door de meesten gelaakt en verketterd wordt.
Op die wijze leert hij zich rekenschap geven van zijne
denkbeelden, en den grondslag leggen eener toekomstige eigen levensbeschouwing.
Ook dit is menschkundig. Willem Leevend zoekt de waarheid, maar tevens zoekt
hij voor haar een poëtischen vorm, en staaft daardoor zijn regt op de
onderscheiding waarmede de schrijfster hem bejegent, als zij hem tot haar held
verheft.
Tegelijk echter dat hij te Leiden in de theologie studeerde en met
zijn vriend Jambres de velden der metafysica doorkruiste, maakte Willem kennis
met Lotje Roulin, wier huisgenoot hij werd: een gevolg der onverstandige
schikking zijner moeder die, niet genoeg doordrongen van het catsiaansche:
‘vuur en stroo voegt niet alzoo’, voor haar zoon kamers huurde bij
Lotje's ouderen broeder, met wien zij zamenleefde.
Willem had reeds als kind eene hartstogtelijke genegenheid opgevat
voor Chrisje Helder, Coosje Veldenaar's mededingster in het uitpluizen van het
leerstuk der vriendschap, en de dochter dier mevrouw Helder welke zoo
eenstemmig dacht met de gravin Henriette van B.
Met de jaren was Willem's liefde voor Chrisje dieper en ernstiger
geworden. Nooit beschouwde hij haar anders dan als zijne toekomstige vrouw, en
Chrisje's ouders hadden hem in gedachte reeds als hun schoonzoon aangenomen.
Chrisje's gevoelens waren voor Willem nog een geheim, maar hij was fat genoeg
om | | | | zich te vleijen dat de genegenheid wederkeerig mogt
heeten.
In elk geval, toen hij Lotje leerde kennen was zijn hart niet meer
vrij, en zoo hij in dien tijd reeds voldoende vorderingen in de zelfkennis en
de zelfbeheersching gemaakt had, zou hij om die reden den omgang met het meisje
of vermeden of, zich tot pligtplegingen bepaald hebben.
Maar omdat hij jong was, en nog onervaren, deed hij anders. Zonder
te bedenken dat Lotje niet afwist van zijne verhouding tot Chrisje, en zij wel
eens voor liefdesverklaringen kon opnemen wat hij haar van zijne vriendschap
voor haar vertelde, gaf hij onverdeeld zich over aan het genoegen, over
allerlei onderwerpen vertrouwelijk te praten met een jong, begaafd, en
aanvallig meisje.
De gevolgen bleven niet uit. Lotje, die schier geheel alleen op de
wereld stond, eene levendige verbeelding en eene zwakke gezondheid had, hechtte
zich aan hem zonder het zelve te weten met al de kracht eener blinde voorkeur;
en daar zijne vertroostingen slechts olie in de vlam waren, duurde het niet
lang of zij, die eene geboren teringlijderes was, voelde zich inwendig sloopen
en verwoesten door den eenigen hartstogt zelf die haar aan het leven
verbond.
Vandaar de eerste zware strijd in Willem's bestaan: Lotje's
onvermijdelijke dood. Lasterlijke praatjes omtrent zijne verhouding tot haar,
eene vechtpartij en een duel met doodelijken afloop om harentwil, de
verwijdering daardoor ontstaan tusschen hem en zijne moeder, de onzekerheid
waarin Chrisje Helder zich door het openbaar gerucht omtrent zijn karakter
gebragt zag, - niets ontbrak van hetgeen hem aan zichzelf kon doen twijfelen;
alles werkte zamen om zijn zedelijk gehalte op de proef te stellen.
Wat de détails betreft is de schrijfster er niet in
geslaagd, ons in de ontwikkeling van dit zielsgeding voortdurend belang te doen
stellen. Daartoe vinden wij Willem Leevend aan de eene zijde te pedant, aan de
andere te melodramatisch. Maar de schets is voortreffelijk, en jufvrouw Wolff
had reden trotsch te zijn op den zoon harer fantasie.
Echter moet niemand gelooven dat al de bijzonderheden,
zonder onderscheid, beneden de verwachting zijn gebleven. | | | | Zelfs
waar Willem over Lotje schrijft, - anders de zwakste partijen van het boek, -
overtreft hij zich meer dan eens. Of is de volgende plaats niet treffend? (IV
4):
‘Lotje zit voor het achterste schuifraam voor den bloemhof,
die [de winter nadert] nu alleen nog met eenige treurige heesters vervuld is.
Zij heeft in haar eene hand een witten zakdoek, haar andere hand rust half
geopend op haren schoot... Ik beschouwde haar daar nog eens met aandacht. Wat
ziet zij er bekoorlijk uit! Ach, hoe aandoenlijk, lief, onschuldig, weerloos!
Haar schoon bruin haar valt met een vloeijende bogt een weinig over den
regterkant van haar voorhoofd. Hare eenigzins geopende lippen toonen
twijfelachtig een rij ivoren tanden, die [door de ziekte] nog niets van hunne
schitterende zuivere witheid verloren hebben. Zij ziet door den slaap er wat
blozender dan gewoonlijk uit: haar wit peliesje verbergt het edel fijne en
rijzig teedere van haar postuur niet geheel. Haar eene voetje steekt een weinig
voorwaarts: zij zit in eene zeer gemakkelijke, leunende houding. Konde ik op
mij verkrijgen, om haar dus af te schetsen! Ik ben er reeds tweemaal aan
begonnen, maar mijne oogen schemerden... Ach, het was of mij wierd
ingefluisterd: Haast u, Leevend, want zij zal maar weinig tijds bij u
zijn... Dan wordt mij alles te benaauwd; ik kan niet blijven
zitten.’
Ik vermoed dat jufvrouw Wolff, toen zij Willem Leevend hare
teekenstift leende om het beeld van Lotje Roulin te schetsen, met de eene of
andere persoonlijke herinnering te rade is gegaan, en wij het daaraan te danken
hebben dat wij Lotje onwillekeurig onder onze eigen jonge dooden medetellen. In
de tengere gestalte van dit teringlijderesje openbaren zich eene zachtheid,
eene goedheid, eene grootheid, waarvan Rousseau's: Ce n'est pas ainsi qu'on
invente! geldt.
De schrijfster heeft beproefd iets daarvan weer te geven in een
brief van Lotje zelve aan Chrisje Helder, bestemd na haar dood aan Chrisje ter
hand te worden gesteld: ‘Uitmuntende jonge dame! Gij hebt zeker meermalen
hooren spreken van Lotje Roulin. Ik ben Lotje Roulin... Ik leefde in die koele
ongehechtheid aan alles, die niet oneigen is aan iemand, die niets aantreft,
dat haar hart roert. Ik had eene vriendin | | | | [Adriana Belcour]; zij
had en verdiende al mijne achting; maar mijn hart was niet vervuld, en echter,
daartoe was het niet aangelegd. Gij kent den beminlijken Leevend! Ik kon hem
niet leeren kennen, zonder hem te onderscheiden. Hij werd mijn vriend. En ik
hield mij, maanden aaneen, verzekerd, dat hij niets meer voor mij was. Ik was
gerust in de onschuld mijner bedoeling, in de zuiverheid mijner verlangens. Ik
geloofde, dat indien ik hem liefhad, ik geheel andere gewaarwordingen moest
hebben. Ik bedroog mij: ik beminde. Dit zag ik te laat. Ik werd het slachtoffer
eener drift die mij te sterk werd, en die ik zorgvuldig verborg. Ik sterf: eene
langzame, doch ongeneeslijke tering leidt mij zachtjes ten grave:
vóór ik mijn twee-en-twintigste jaar zal bereikt hebben, word ik,
hoogstwaarschijnlijk, niet meer onder de levenden gevonden. Immers, dit wacht,
dit hoop, dit verlang ik. Groot zal zijne droefheid zijn. Gij, gij kent hem;
wat behoef ik meer te zeggen? Hij, de teederste, de getrouwste zoowel als de
bemindste aller vrienden; hij zoo dierbaar aan het hart van zijne Lotje.
Zijne Lotje! ontrust u niet. Hij was nooit iets meer voor mij dan een
vriend; hij heeft mij nooit bemind. Gij, uitmuntende jonge dame! gij waart, gij
blijft het voorwerp zijner oprechte liefde. Gij zijt alleen de meesteresse van
zijn onschatbaar hart; alle zijne wenschen, zijne begeerten strekken zich tot u
uit. Kon een verstandig man immer een sterfelijk wezen aanbidden, U aanbad hij.
Op U zijn alle zijne uitzigten gevestigd. - Daar uw minnaar mijn vriend was,
kunt gij u niet verwonderen hoe ik aan deze berigten gekomen ben. Hij heeft
gebreken; maar het zijn óf overdreven deugden, óf dwalingen. Komt
hij niet onder het zacht en verstandig bestier van eene die hij bemint, dan
kunnen zij hem eens zeer ongelukkig maken; ook alleen door zijn berouw
daarover. Hij is trotsch en ligtgeraakt, opvliegend; hij is onbekwaam om van
een man de minste beleediging te dulden. Hij zal tot het spel kunnen verleid
worden. Hij zal door vreemde begrippen ver kunnen afdrijven. Zie daar, dit
zoude een edelmoedig vijand van hem kunnen zeggen. Maar, hij is menschlievend,
milddadig. Hij vergeeft volkomen. Hij doet zijn vijand regt. Hij leeft
geschikt. Hij veracht alle losbandigheden. Mogelijk zal de laster hem | | | | vervolgen; zal hij mij in mijn graf hooren smaden. Weet alleen, dat
ik zoo onbesmet als onbeschroomd de eeuwigheid intrede. Geen liefde was immer
sterker noch zuiverder, dan de mijne voor hem. U beminde hij: kon hij
struikelen? Mijne liefde voor hem wordt de oorzaak van mijnen dood. Hij was
voor mij noodzakelijk geworden; maar ik heb aan mijne deugd vastgehouden; ik
heb mij getroost, dit leven te verliezen en mij zelf te bewaren. Zoude ik voor
u blozen over deze bekentenis? Neen! Gij kent hem, die mij deze neiging heeft
ingeboezemd: ik ben, zoo al niet geregtvaardigd, immers te verschoonen.
Vaarwel!’ (v 3 vgg.)
Misschien zullen anderen er anders over denken, doch mij staat dit
elegietje bijzonder aan; en in gedachte plaats ik de Lotje der fantasie naast
de Chloë der werkelijkheid, die omstreeks denzelfden tijd dien roerenden
afscheidsbrief aan
Bilderdijk schreef. De verraden minnares
bleef leven; de uitgeslotene stierf jong en van hartzeer; de omstandigheden
verschilden. Maar beiden blijven eene eer der nederlandsche jufferschap. De
ijskorst van het nationale flegma is ontdooid; het witte marmer der eerbaarheid
bloost van een reinen hartstogt.
| |
XII
Zoo vaak het u gebeurd is iemand te ontmoeten die Willem
Leevend gelezen had, hebt gij klagten moeten hooren over de ondragelijke
gemaaktheid van Chrisje Helder, vooral van Coosje Veldenaar. Zelfs heeft een
dier lezers, zegt men, den wensch niet kunnen onderdrukken dat Coosje iets
vrouwelijks mogt overkomen zijn, tot straf voor hare ingenomenheid met
zichzelve.
Dat die zuchten eene reden van bestaan hebben, is ons uit
aanhalingen gebleken; doch tevens, dat het onnatuurlijke, waarover men klaagt,
deels mode was, deels verklaard moet worden uit jufvrouw Wolff's eigen
levensgeschiedenis. Indien
Cicero een boek Over de
vriendschap schrijven mogt, waarom duidt men het
Elizabeth Wolff ten kwade dat zij hare denkbeelden
over dit onderwerp, in den vorm eener korrespondentie tusschen twee jonge
meisjes, heeft trachten uiteen te zetten?
| | | |
Men leze de volgende persoonsbeschrijving, door
Chrisje Helder in een harer brieven aan Coosje (II 49 vgg.) van een jongen
rotterdamschen patricier gegeven, die haar het hof was komen maken en die
schertsend door haar met den bijnaam van Monsieur Babiole wordt aangeduid.
Geen krachtiger bewijs dan deze ondeugende satire dat het
volstrekt de bedoeling der schrijfster niet geweest is, hare twee
model-vriendinnetjes te laten ondergaan in de scolastiek. Beiden worden ons
voorgesteld als gezonde bloeijende meisjes, naijverig op hare vrijheid ja, en
op haar maagdelijken staat, maar niet afkeeriger van een huwlijk uit
verstandige liefde, dan met haar geslacht en hare jonge jaren overeenkwam.
Coosje, de oudste uit het gezin van den welopgevoeden
dorpspredikant, is eene veldbloem, meer bevallig dan gelijkmatig of schitterend
schoon. Eene goede dochter, is zij tegelijk eene voorbeeldige zuster. Zij leest
wereldsche boeken en denkt zeer onafhankelijk. In den tegenwoordigen tijd zou
zij voor geavanceerd liberaal doorgaan.
Chrisje niet minder, hoewel deze, in hare kwaliteit als eenige
dochter van een rijk koopman, meer in de wereld komt en, uit vrees voor eene
savante te worden aangezien, niet zoo openlijk durft erkennen dat degelijke
lectuur bij haar boven wufte gaat.
Schrijft zij aan hare vriendin, dan citeert zij zonder schroom de
Nouvelle Héloïse (IV 96); maar komen stadsmenschen haar
vragen of zij den Emile in huis heeft (I 82), dan aarzelt zij te zeggen
van ja. Alleen haar broeder weet (IV 109) dat zij de ultra-rationalistische
Wolfenbuttelsche Fragmenten kent.
Zij heeft minnaars bij de vleet en gaat door voor eene
beauté van het eerste water. ‘Chrisje’, zoo wordt
zij in haar zedig bruidstoilet (VIII 260) door eene liefhebbende schoonzuster
keurig geteekend: ‘Chrisje zag er uit als de eigen zuster van Venus,
hoewel er toch iets van Juno's maagschap in doorstraalde. Zij was in
oostindisch wit neteldoek, geborduurd en voorts met gaas en zachte strookleure
linten gegarneerd, met een bouquet van fraaije bloemen, onachtzaam op haar
sneeuwwitten boezem. Zij omhelsde mij - als de zuster van haren Willem; meer
kan ik daar niet van zeggen.’
| | | |
Rijk, schoon, verstandig, lief - wat kan men meer
verlangen in eene romanheldin? Dat Chrisje ook geest had, wil ik bewijzen door
mede te deelen wat zij van haar swell verhaalt:
‘Ja, er is weêr een nieuwe soupirant op het
tooneel. Hij heeft mij tweemaal op een gezelschap gezien, en zoo heeft hij, och
arm! het weg gekregen. “Chrisje, dit is een fatsoenlijk man; wij hebben
tegen zijne bezoeken niets”, zoo zegt Mama. Chrisje heeft er echter
verbaasd weinig zin aan, om Heeren te ontvangen, die, omdat zij of in de
regering zijn, óf veel geld hebben, zich verbeelden dat dit hun vrijheid
geeft van ons lastig te mogen vallen. Gij kent hem niet - niet bij naam zelfs.
Ik zou hem zoo gaarne eens aan u vertoond hebben. Als ik hem zoo eens opneem,
dan zeg ik bij mij zelf: hoe is het echter mogelijk, dat zoo een wezen van mij
amoureus worden kan! Hij praat veel, en altoos over hoorns en doubletschelpen;
van zijne naturalia; en hij heeft mij verteld, dat hij die allen in engelsche
glazen met brandewijn in rijen geschikt bewaart, en op geen twintig dukaten
ziet als hij iets dat vreemd is kan oploopen. Hij breidt ook geldbeursjes met
allerlei werkjes, heel lief. Hij is ook ver in de mechanica, want hij heeft een
hok uitgevonden, dat hij over zijn hals doet en er in kruipt, en dat hij
toesluit, opdat hij, gepoeijerd wordende, toch geen stofje op zijne kleeren
krijge. Hij maakt ook heele mooije knoopen van paardehaar en glazen kraaltjes.
Al deze bekwaamheden heeft zijn knecht aan Lonne, mijne kamenier, medegedeeld;
en zij, stout ding, verhaalde mij dit, toen zij mij gisteren avond naar bed
hielp: “niet twijfelende, of zulke berigten zouden haar spoedig een
bruidsstuk bij mij bezorgen”. - Welnu, Coosje, verbeeld u dan eens, dat
uwe vriendin dezen haren wettigen man zal moeten eeren, vreezen, en beminnen.
Wat dunkt u, zou zij dat nog al met eenige gratie doen kunnen? zou het
niet een volmaakt paar zijn? Als mevrouw mogelijk haar hart verbeterde en haar
verstand uitbreidde, terwijl mijnheer, met een klein schuijertje, zijn
hoorntjes en schelpjes afstofte; als mevrouw een zwaar muziekstuk exerceerde,
en mijnheer van kralen en paardehaar knoopen maakte; als mevrouw, uit de kerk
komende, in ernstige overweging zat over hetgeen zij van uwen Vader zoo
treffend | | | | gehoord had, en mijnheer in zijn draagbaar poeijerhok
kroop! In ernst, hoe kan een beuzelaar als mijnheer Babiole toch op mij
verlieven? Dit is mij een raadsel, en vernedert mij in mijn eigen oogen. Ik
moet hem immers niet zeer imposant voorkomen? Hij heeft ook tooverlantaarns,
illuminatie-kasten en luchtpompjes, daar hij allerliefst mede kan omgaan; en
hij heeft ook eens een boterkapelletje ontleed. De opslagen van zijn jas zijn
eigen vinding, en het à la Zoutman kon wel eens wijken voor
à la Babiole. En al evenwel, Coosje, kan hij mij niet behagen,
hoe beroemd hij zich ook moge maken. Voor 't overige is het een zeer
onbeschadigend menschenvriend. Hij rookt zijn pijp, leest zijn courant,
doet zijn stoot op het biljart, gaat naar het Raadhuis, om daar, als een Vader
des Vaderlands - door de ramen te kijken. Ik hoop, dat hij maar ras
duidelijk zal zeggen wat hij te zeggen heeft, opdat ik hem des te eerder kunne
bedanken voor de lastige eer, mij aangedaan. Mama ziet wel, dat dit de man niet
zijn zal, maar zijne familie, en zijn eigen onschadelijk gedrag, geven hem regt
om ons ellendig te komen vervelen. Ei wat, dat wij meisjes zoo vele uren zijn
opgescheept met figuren die zoo geheel buiten onzen kring zich bewegen, dat men
niet begrijpen kan hoe zij ons immer in den onzen kunnen ontmoeten.... Dat doet
hij zoo waar. Zag ik maar kans om, zonder onbeleefd te zijn, mij van hem te
ontslaan!’
| |
XIII
In Coosje Veldenaar's brieven zal men deze satirieke ader
vruchteloos zoeken. Coosje is stijver dan Chrisje, minder goed lachs,
leerstelliger. Zij spreidt meer kracht dan vrolijkheid ten toon, en wanneer zij
in gedachte een anonyme lasteraarster beantwoordt (VI 46) dan troeft zij
geducht. Het ligt in de bedoeling der schrijfster dat men Coosje zeer hoog,
maar toch ietwat lager stellen zal dan hare vriendin, die haar dan ook bij
sommige gelegenheden in edelmoedigheid overtreft. Maar is Coosje eene stille in
den lande, de stille wateren hebben ook bij haar dieper gronden dan men gedacht
zou hebben.
Ik meen reeds te hebben verhaald dat zij de vrouw wordt
| | | | van den kolenel Uto van Sytsama, een model-echtgenoot, zeer wel
passend bij dit model-meisje. Eerst is de lijdende staat van Coosje's moeder
oorzaak dat het huwlijk moet uitgesteld worden; daarna sterft onverwachts haar
vader. Die dubbele vertraging stemt geheel overeen met Coosje's pligtgevoel,
dat haar aan het ouderlijk huis bindt. Maar haar hart trekt daarom niet minder
naar den heereboer geworden krijgsman harer keus, en nog vóór de
rouwtijd des vaders geheel verstreken is, zal in het belang van alle partijen
de echtverbintenis doorgaan.
Voor de verstandige dingen welke Coosje daarover aan Chrisje
schrijft (VII 808 vgg.) wordt 's lezers bijzondere aandacht gevraagd. Niet
alleen omdat Coosje's karakter hier op het voordeeligst uitkomt, maar ook omdat
deze bladzijde mij toeschijnt de kunst der schrijfster, waar het 't teekenen
van een eigenaardig vrouwegemoed geldt, helder in het licht te stellen:
‘Sytsama, door mijne dierbare moeder voorgestaan, wordt
zóó ongeduldig, dat ik vroeger dan ik gedacht had een dag zal
moeten bepalen, om hem, ingevolge mijns stervenden vaders bevel, in den
volkomensten zin den mijnen te noemen. Als ik alles bedaard nadenk, dan zie ik
zelf wel, dat hij de rede aan zijne zijde heeft, en dat eene
huwelijks-plegtigheid, zedig, stil, op de betaamlijkste wijs voltrokken, geen
het minste bewijs kan opleveren, dat de vader niet met den hoogsten eerbied
betreurd wordt. Ik bekreun mij, daar ik de eigen bewustheid heb van wel te doen
en de aandringende goedkeuring mijner vrienden en bloedverwanten, ook geenszins
aan het beuzelachtig oordeel eener praatzieke, ledigloopende menigte, die zich
de wereld noemt. Dit, lieve Chrisje, zoude ik mij schamen; dit ware niets in
mij dan eene verachtelijke lafheid; hiervoor ben ik niet berekend. Als men [en
wat nu volgt vooral is merkwaardig], als men niet zeer oppervlakkig denkt en
een weinig kennis heeft van den mensch, kan het ook niet vreemd schijnen, dat
een man als mijn geliefde Sytsama, die mij bemint, die in mij ook het hoogste
zinnelijk behagen heeft, zoo ongeduldig wordt om mij te bezitten. Als de
hoogachtende vriend ook de op ons verliefde man is, dan zal een bedaard
temperament [de kolonel Van Sytsama wordt als een toon- | | | | beeld van
doorgaande bedaardheid voorgesteld] daar weinig aan doen. Ik geloof zelfs, dat
een deugdzaam, naauwgezet, eerlijk man, indien hij bemint, veel sterker
driften, veel meer neigingen moet hebben voor de eenige beminde van zijn hart,
dan die verslonste jonge lieden du ton, die, zich ook buiten de
behoeften van het hart kunnende verzadigen, daar ook rijkelijk hun deel van
namen. Waarom zal ik dan eenen man, dien ik hoogst acht, dien ik met mijn
geheel hart uitkies, dien ik onverdeeld bemin, dit blijk van mijne liefde niet
geven? Heeft hij zich niet getroost, mij in mijns vaders huis te laten, omdat
ik overtuigd was dat pligt zulks van mij eischte? Heeft hij niet op de
allerovertuigendste wijs getoond, dat hij alles aan mij opofferde? Is hij niet
de schoonzoon, dien mijne ouders zelf uitkozen, de broeder van Hendrik, de
vriend mijner moeder, de vader onzer jongste talrijke familie? Leefde hij wel
dan voor uwe vriendin, van dien tijd af dat hij zich verklaard had en hij wist
dat mijn hart vrij was? Voeg hierbij, mijne lieve, dat ik noch
ongevoelig, noch ondankbaar ben.’
Die laatste trek is allerliefst en een halven roman waard, mits
men onderscheide tusschen het geteekend beeld en den huidigen smaak. In geheel
Europa, in alle vijf werelddeelen te zamen waar de europesche beschaving is
doorgedrongen, wordt op dit oogenblik hoogst waarschijnlijk geen enkele Coosje
Veldenaar aangetroffen. In Engeland zou men haar shocking, in Frankrijk
duitsch, in Duitschland hollandsch, in Holland moet men haar onuitstaanbaar en
voor eene ongehuwde jonge dame veel te wijs vinden.
Ik beroep mij echter op de Julie van
Rousseau, op
Goethe's Lotte, op de Virginie van s, en
vraag of niet mede Coosje Veldenaar het bewijs levert dat de Fransche
Omwenteling, die zoo vele knoopen heeft doorgehakt, blijkbaar ook op het gebied
van denken en gevoelen eene scherpe afscheiding heeft gemaakt tusschen voorheen
en thans?
Dezelfde taal, die wij heden ten dage in den mond van een jong
meisje onvoegzaam zouden keuren, was honderd jaren geleden, onder den invloed
der reaktie tegen het konventionele en bij het door Rousseau in zwang gebragt
dweepen met de natuur, de uiting van een welgeplaatst hart. In dezelfde
ge- | | | | voelens waarvan men thans zegt dat eene jonkvrouw ze behoort te
verbergen, werd toen het onderscheidend kenmerk eener edele ziel vereerd.De
deugd als natuurlijk en de natuur als deugdzaam voor te stellen, was het
streven van den dag.
Door ons daartegen wordt op nieuw aan het konventionele geofferd.
Waar het de jonge vrouwen geldt merken wij onwetendheid als een blijk van
onschuld aan, en van wie onder haar niet onwetend zijn vergen wij dat zij het
schijnen zullen.
| |
XIV
In Sara Burgerhart (I 138) wordt een rotterdamsch soupeetje
geschilderd ten huize der familie Uitval, aangeduid als ‘brave
burgerlieden van den ouden tijd.’ Ik moet, ten einde te doen zien welke
buitengemeene waarde de romans van
jufvrouw Wolff bezitten als spiegel der vaderlandsche
zeden harer dagen, in onderscheiding der daaronder gemengde kosmopolitische van
hetzelfde tijdvak, die bladzijde noodig uitschrijven.
Die het verhaal doet is Saartje's vriendin, jufvrouw Anna Willis:
‘Het tooneel verbeeldt een rotterdamsch bovenhuis, vol stoelen en stoven;
en alles wat in staat is om een mensch of zestien wel digt en warm bijeen te
pakken. De tractant [gastheer] was een man van diep in de vijftig, en vrouwlief
ook zoo omtrent. Hij had een kort gesneden pruikje op, dat niet onaardig tuigde
met een groot, breed, vrij vurig aangezigt; hij had een zwarten rok aan, met
lubben die hem over de handen flodderden. Moeder had een soort van
négligé op, met een rood lint, een jukaatje aan, een wit
boezelaartje voor, en was, in 't geheel, huiselijk... Onder de vrienden was een
mager, ziekelijk, zwak mannetje; mejufvrouw zijne echtgenoote was eene
schoonheid van ten minste derdehalf honderd pond gewigts, vreemd toegetakeld:
een chitsen japon met groote wilde bloemen, een kostbare bonten pelise, een aan
haar hoofd geplakt kinmutsje. Hoe smaakt u dat, Saartje? De zware gouden beugel
was, want de vrouw was losjes gekleed, op de tablier geschoven, en maakte tegen
een allerfraaist horloge geen onaardig kontrast. “Welkom, Klaasje,”
riep Uitval, terwijl hij het arme sukkeltje [haar man] tot knijpens toe de hand
drukte. | | | | “Zie je wel dat al die likkepotjes maar vodden zijn?
Doe als ik, eet een braaf stuk ossenvleesch, neem een stout glas baai toe, en
kuijer dan eens naar Schiedam; zoo doe ik, en ben ik nog niet of ik twintig
jaar was?”... Toen raakten wij aan het theedrinken: nooit dronk ik
fijnder thee, en nooit dronk ik uit keurlijker porselijn. 't Speet mij maar,
dat de gulle vrouw mij zoo veel suiker in het kopje deed, zoo dikwijls als man
schreeuwde: “Hebben de vrienden wel suiker?”, en dan wist ik niet
hoe ik mijn kopje zou naar mij nemen, om thee en geen slemp te drinken...
Naauwlijks was de thee ter zijde, of de jonge jufvrouw [dochter des huizes]
kwam met een groot vierkant zilveren blad, opgevuld met konfituren; dat blad
werd opgevolgd door een nog grooter, tot een aanmerkelijke hoogte met allerlei
fijne gebakjes opgestapeld. Onderwijl was de kamer zeer benaauwd, en de heeren
dampten uit ten treuren, zoodat wij elkander niet dan in wolken van tabaksrook
konden zien. Ik had het zeer kwaad. Eindelijk werd men het eens om wat lucht te
maken, en Uitval schreeuwde om wijn en kelkjes: de meid kwam boven met een doos
soezen, die naauwlijks den trap op wilde. Enfin, Saartje, de goede menschen
hadden niets verzuimd om ons te toonen dat wij welkom waren. Men speelde niet.
De vrouwen begonnen des over het huishouden en de meiden, de mannen over
negotie of studie te praten... De gastheer noodigde ons, op de volgende kamer,
aan tafel; maar, lieve Saartje, ik wenschte wel dat gij zoo een tafel eens
gezien hadt. In 't midden stond een smokend stuk hamburger ossenrib, van een
dertig pond, denk ik. Daarbij was een ham, een kalfskop, een varkensrib, en een
gestoofde kabeljaauw. De groenten waren niet minder talrijk of voedzaam;
zoodat, aan ons familiaar soupeetje zouden een dozijn of twee hannekemaaijers
hun genoegen hebben kunnen krijgen. Alles was overvloed, alles toonde rijkdom
en zindelijkheid; doch zonder den heer Smit [haar aanstaanden bruidegom] was
het voor mij zeer ongevallig geweest. Laat men vrij roemen op de oude
hollandsche gulheid, - op zulke maaltijden is men overdadiger, en hoort men
vuilder dubbelzinnigheden, dan bij onze modieuse lieden. 't Was
één uur vóór dit klossenpartijtje scheidde.’
-
‘Modieus’ wil hier niet zeggen weelderig of nuffig,
maar | | | | zoo veel als modern, in tegenstelling van ouderwetsch. Ten
huize der zedige Wede Spilgoed, bij welke Saartje vóór
haar huwlijk inwoonde, werd degelijke muziek gemaakt; en zoo vaak er in den
schouwburg een goed stuk werd vertoond, ging de weduwe er met de meisjes heen.
Tegen hetgeen wij thans modieus zouden noemen, wordt door jufvrouw Wolff
strijd gevoerd, ook en niet het minst in Willem Leevend.
Nu eens protesteert zij er tegen de nieuwe toiletten, dan tegen de
nieuwe zeden. ‘In ons altijd druk en woelig Amsterdam,’ schrijft
(VII 96) jufvrouw Christina de Vrij berispend aan haar jonge vriendin Daatje
Leevend, ‘schijnt het niet meer zeldzaam te zijn, getrouwde mannen veel
meer met hunne maîtressen, dan met hunne vrouwen te zien. Zij, die men om
de publieke vermaken, zoowel van comedie als opera's, in onze magtig volkrijke
stad in zekeren zin noodig heeft, hebben maar te veel deel in die
schandelijke afwijkingen [het is eene tachtigjarige die spreekt] van eer, trouw
en huwelijksliefde. Klaagdet gij mij onlangs zelve niet, dat gij in een balkon
gezeten hadt naast de gemaintineerde van een getrouwd man, die zich niet
schaamde haar te vergezellen? En spraakt gij, Daatje, wel zóó van
dien aangenamen man, als zijne ontucht verdiende? Lief meisje, met
hoevelen hebt gij dit gelijk!’
Elders (VI 63) treft jufvrouw Wolff's kritiek de modegebreken van
den smaak, in het beoordeelen van vrouwelijk schoon. ‘Mevrouw
Esser’, lezen wij in een brief van Keetje West aan dezelfde Daatje,
‘mevrouw Esser zeide onlangs (en er is wat aan, denk ik), dat alles in
het popachtige valt. Eene reguliere schoonheid met een zedig vriendelijk
voorkomen is thans niet half zoo zeer in de mode als een beknopt bakkesje,
kleine flikkerende oogen, een opgeschort neusje, een spits fysionomietje, een
trippelende houding, en zelfs het magere. Zij voegde er bij [ook mevrouw
Esser schijnt Emile gelezen te hebben] dat de geforceerde wijs, waarop
lieden van rang in Den Haag en schatrijke lieden te Amsterdam leefden, keurlijk
ingerigt werd, om ons land met zulke poppetjes te bevolken.’
Willem Leevend heeft een medeminnaar, maar een medeminnaar zonder
gal, in Jacob Renting, een rijken amsterdamschen koopmanszoon, die gelijk hij
zich uitdrukt, door eene modern- | | | | orthodoxe moeder ten uiterste
bigot werd opgevoed, maar zonder vrucht. Bij die leden zijner familie
welke het met de moeder houden, want er is verdeeldheid onder de broeders en
zusters, gaat hij door voor een naturalist, een allergevaarlijkst mensch; en
daar dit het middel niet is om bij Chrisje Helder in de gunst te komen,
schrijft hij haar een brief (III 295) tot verklaring en regtvaardiging van
hetgeen anderen zijn ongeloof noemen.
Uit dit gemoedelijk schrijven leert men de toenmalige
amsterdamsche zamenleving weder van eene geheel andere zijde kennen:
‘Geene dame van uwe gezonde begrippen kan achting hebben voor een man,
die in staat is om iets, waarvoor alle verstandige, alle denkende menschen
eerbied hebben, met kleinachting te beschouwen. De verdeeldheden onzer familie,
de karakters mijner ouders, zijn u bekend. Ik eer en bemin mijne waardige
moeder, maar berust geenszins in hare godsdienstige gevoelens; ik kan die noch
billijken, noch volgen. Vreemd gaat het bij ons toe. Mijn eene zuster houdt
salet in de zijkamer, met al den zweem van ijdelheid, die zulke gezelschappen
onderscheidt: men heeft verscheiden speeltafeltjes noodig om de partijen te
plaatsen. Mijn twee oudste zusters ontvangen de vrienden in mama's
kamer, en de knecht presenteert na het theedrinken, op een zilver schenkblad,
ettelijke keurlijk ingebonden klein-octavo Bijbels, met dit kompliment:
Gelieven de jufvrouwen ook gediend te zijn van het woord?’
Als Daatje Leevend (III 39) zich verantwoorden zal wegens haar
laat opstaan en laat naar bed gaan, - eene liefhebberij uit de losse dagen
vóór haar huwlijk, - dan weet zij er niets beters op, dan zich
bij andere meisjes van de wereld en van haar stand te vergelijken en te vragen:
of dezen dan haar dag zooveel nuttiger besteden dan zij zelve? Het argument is
zwak, maar de beschrijving aardig:
‘Wat doen zij? Nadat er tamelijk talmachtig ontbeten is,
komt de coëffeur. Met dien duizendkunstenaar houden zij zich anderhalf uur
op (want Lafleur is handig genoeg); hooren allerhande galante nieuwtjes;
babbelen er wat onder; maken haar tweede toilet; snappen met de grootmeestres
van de kleedkamer al het gehoorde eens over, lagchen om de levite van
die, om de juste van deze; schrijven een billet-doux;
krabbelen | | | | wat op een invitatie-kaartje; kijken eens in een boek
van de mode, dat juist niet over de strengste moraal handelt; gaan naar
beneden; fluiten tegen den kanarievogel; spelen met Joli; hangen haar pelises
om; laten hare schoenen vastgespen; snappen de deur uit; besteden in
vijf-en-twintig winkels een paar zesthalven aan vodderijen; komen om half twee
vermoeid thuis; drinken een kop chocolade of limonade; drentelen wat heen en
weer, of tikken eens op het klavier of de guitaar; gaan eten, en blijven een
paar uren aan het dessert zitten; krijgen gezelschap of gaan uit; omberen,
drinken thee, lagchen om gekheden; zijn uitermate blij als zij winnen, onaardig
als zij verliezen; nemen afscheid, gaan in hare koetsen en sleeën, kleeden
zich uit, souperen, en gaan - naar bed. Waardoor verdienen zulke lieve
geschikte meisjes nu, dat ik mijne verkiezing aan haar zoude opofferen? Hoe
hebben zij haar dag besteed? Wat hebben zij uitgevoerd? Zie het zelf na; het is
mij der pijne niet waard om het over te schrijven. En om die menschenkinderen
zou ik en mijns gelijken, die ten minste nog wat lezen, wat schrijven, eens een
beursje knoopen, die nog iets gaan hooren dat aardig of geestig of bij geval
nuttig zijn kan, een half uur vroeger opstaan of te bed gaan? Hoe komt het u in
't hoofd!’
1
| |
XV
Daatje Leevend leest niet alleen, maar zij leest Sara
Burgerhart en hoort, om hare gemeenzame bekendheid met dien hollandschen
roman, zij die geacht werd nooit anders dan fransche te lezen, zich door
vriendinnen bespotten.
Dit is een teêr punt. Jufvrouw Wolff is eene wegbereidster,
en het heeft haar vrij wat moeite gekost, in onze van fransche, engelsche, en
duitsche bellettrie overstroomde zamenleving, voor hare nationale mededinging
aandacht en belangstelling te vinden. Hollandsche vrouwen, - vrouwen die te
naauwernood hollandsch verstaan en het schrijven van een hollandschen brief | | | | als eene kuriositeit beschouwen, - zijn welligt hare verklaarde
antipathie, en met woeker zet zij haar de ironie van Daatje's vriendinnen
betaald. In Sara Burgerhart moet Freule van Kwastama het ontgelden; in
Willem Leevend (II 9) is de haagsche Freule van R. aan de beurt. Haar
wordt het volgend schrijven in de pen gegeven, gerigt aan Chrisje Helder die
pas uit Rotterdam naar buiten vertrokken is:
‘Charmante Amie! Toen gij bij mevrouw uwe nicht
waart, pas encore pour prendre congé, wedde gij met mij, dat ik
incapable was om te schrijven een hollandsch brief. Que dire, ma
chère? - ik heb nu de caprice om het contraire te
toonen. Me voilà donc! ik heb nog jamais een hollandsch
brief geschreven. Point de dame comme moi schrijft ooit een hollandsch
brief; maar wat aangaat dat ik incapable daartoe ben, voila le
contraire de votre gedachten. Wat regretteren wij uw charmant
gezelschap! Het is un peu bizarre, mademoiselle Helder, dat gij,
die zoo brilleert in onze cercles, goût hebt voor een
séjour zoo champêtre. En votre amie Coosje,
hé oui, c'est une bonne fille, maar welke une liaison voor
u! Je n'aime pas votre amie Coosje. Elle est bien fière:
men zegt echter, dat zij veel verstand heeft en heel mooi schrijft: mijn
compliment, s'il vous plaît. Mon frère is over uw vertrek
au désespoir. Waarlijk, hij bemint u: als hij de harten coupeert,
zingt hij niet meer. Hij zit als een vieillard en soupiert heel veel.
Als ik naar Den Haag retourneer, kom ik u in votre maison de campagne faire
une visite. Nu ziet gij, dat ik la gageure win! Adieu, ma
chère, je suis altoos - Uw Frindin, Freule V. R.’
Eene stillere soort van jargon, niet met fransche, maar des
te meer met kerkelijk regtzinnige termen doorweven, is de taal waarvan de
schrijfster den amsterdamschen predikant Heftig zich laat bedienen in zijne
korrespondentie over Willem Leevend met den leidschen Professor Maatig.
Ds. Heftig, een ijveraar met weinig verstand, maar overigens een
goed mensch, is de man die Willem's moeder dwaselijk heeft aangeraden, haar
zoon te Leiden bij Lotje's broeder kamers te doen huren; en als hij naderhand
van de booze buitenwacht verneemt dat Willem het niet alleen op Lotje's
onschuld aanlegt, maar zich ook bezondigt aan het schrijven | | | | van
verzen vol heterodoxe gevoelens, dan komt bezorgdheid het werk der gekwetste
eigenliefde voltooijen, en moet Professor Maatig weten hoe bekommerd Ds. Heftig
is (II 29 vg.):
‘Oordeel, HoogEerwaardige Heer, hoe bedroefd, verontwaardigd
en vergramd ik ben, als ik hoor dat uw leerling, de jonge Nazireër, de
veelbelovende jongeling Leevend, die ik hoopte dat een pilaar in vastheid, een
hoeksteen der Gereformeerde Kerk zoude zijn, zich zoo ondeugend gedraagt en ook
het gif van Spinoza indrinkt als water. Heeft hij de deugdzame jufvrouw Roulin
niet verleid? Heeft hij een fatsoenlijk heer, een man van geboorte, niet
verschrikkelijk mishandeld, omdat die weigerde met hem te duëlleren? Gaat
hij zich niet in het spel en den wijn te buiten? Is de hatelijke, de
gevaarlijke Jambres, die op zijn gefronst voorhoofd het teeken des Beestes
draagt, zijn vriend en leermeester niet? hij dien ik voorlang als een vrijgeest
schuwde. Zal de brave Willem Leevend, zedeloosheid met ongeloof vereenigende,
ten laatste uitroepen: daar is geen God? Zal zoo een knaap eens de
gewijde verborgenheden des Evangeliums uitdeelen? Zal hij de gemeente die Jezus
met zijn eigen bloed gekocht heeft, verleiden? Dit zal ik weren, al gaf men mij
ook den naam van kettermeester! Veel liever zag ik hem aan 't hoofd eener bende
struikroovers: dan toch zoude hij alleen het ligchaam dooden.’
Er is in dit doldriftig voortredeneren van den predikant op
onvoldoende gegevens, - want wat hij van Willem's gedrag aan de akademie weet,
rust alleen op spinrokpraatjes, - iets wat aan het doorslaan der grieksche
priesters in Wieland's beroemde satire herinnert. De overeenkomst is te
waarschijnlijker, omdat Wieland tot de lievelings-auteurs van jufvrouw Wolff
behoorde. Als Ds. Heftig eindelijk den tekst van Willem's vers in handen heeft
gekregen, en dien zegevierend aan Professor Maatig zendt, dan gelijkt hij
sprekend een Abderiet (II 239):
‘Als gij dit ingesloten vaers zult gelezen hebben, dan zoo
zeg ik met de ontaarde zoonen des vromen aartsvaders Jacob, nadat zij het
schaduwbeeld des Jozefs Christus verkocht en het veelverwig kleed van hunnen
broeder naar den vleesche door het bloed van een gedood dier gesleurd hadden:
Beken
| | | |
toch, of dit uws zoons rok zij? Dit
vraag ik ook aan u. Is dit uws zoons rok? Zie dan, ja zie dan, hoe jammer- en
rampvol hij gesleurd en gesleept is door het walglijk bloed van oude en nieuwe
ketterijen, reeds door heiligen ijver uit de ark der ware Kerk gejaagd. Roep nu
vrij uit met den kermenden Jacob: Een boos dier heeft hem opgegeten. En
wie is dat booze dier? Immers de duister- en verdoemeling Jambres!... Geen
couplet, geen regel, geen woord is er in het vaers, dat geen ketterijen, ja
bijgeloof, ja ongeloof aanduidt. Lees dit stuk, en zeg dan van uwen student
hetgeen de weenende Maria zeide:
Zij hebben mijnen Heere weggenomen!’
| |
XVI
Jufvrouw Wolff ontkent ten stelligste ( Willem
Leevend III, Voorrede bladz. 17), dat met name Ds. Heftig een naar het
leven geteekend portret zou zijn. Hij is dat zoo min als Jambres of Chrisje
Helder.
Wat, vraagt zij, wat hebben wij in onzen roman gedaan? ‘Wij
hebben het schoone, het ernstige, het komieke, het goedhartig-onbeschaafde; wij
hebben hartroerende vriendschap, lijdende liefde; wij hebben zwakheden,
gebreken, deugden, vernuft, ook valsch vernuft, geschilderd en daaruit personen
gevormd, die er allen zijn kunnen (want niets is overdreven), die er zeer zeker
zijn zullen, maar die wij niet kennen, zoo als wij ze daar persoonlijk gemaakt
hebben.’
Het nu levend geslacht kan er kalm onder blijven, hetzij dit
beweren wat stout, hetzij het de zuivere uitdrukking der waarheid is. De
beelden, die in dit boek onzen geest voorbijtrekken, dragen in den regel den
stempel der gelijkenis; dit is ons genoeg. Ik ga dan ook onvermoeid voort met
het schetsen der nog ontbrekende.
Wij hebben het ‘goedhartig-onbeschaafde’ geschilderd,
hoorden wij de schrijfster zeggen. Daarmede bedoelt zij in de eerste plaats die
oude jufvrouw Martha de Harde, wier herinnering wel het levendigst van al bij
de nakomelingschap is blijven voortleven. Daatje Leevend en Martha de Harde
gaan bij velen, en niet ten onregte, voor de origineelste scheppingen | | | | van jufvrouw Wolff door. Daatje's type leerden wij uit Sara
Burgerhart bij voorbaat reeds eenigszins kennen; die van Tante Martha is
zoo ongemeen, dat eene korte inleiding niet overbodig geacht kan worden.
Ik ontleen haar aan een brief van oom Frederyk, den
oudkoopvaardijkapitein en oostindie-vaarder, tante's luimigen echtgenoot; en om
den man aanstonds in zijne volle kracht te doen uitkomen, valt onze keus op
zijne apologie van het zeemansleven (VII 359 vgg). Zij werd hem in de pen
gegeven door de omstandigheid dat zijn aangehuwde neef Willem Leevend, sedert
hij min of meer balling 's lands geworden was en op de duitsche grenzen
omdoolde, toestemmen moest bij ondervinding de vormende kracht van het reizen
en zwerven te hebben leeren kennen:
‘Wel, borstje, wat zegje nou van oom den kapitein? Had hij
't dan zoo kwaad, toen hij voorsloeg om u zoo eens effentjes een reisje naar
het warme land te laten doen? Maar ja: fluten zijn holle pipen. Zoontje was te
teertjes en te ongewoon aan ongemakken; hij zou het Texelsche gat niet
opgezeild hebben. Praatjes, praatjes! Zie, een jong kerel moet overal tegen
kunnen, met alle winden voortsturen, en daar sterft niemand vóór
zijn tijd. Wel, wat hagel! moet Gods water dan zoo wel niet bebouwd worden als
Gods land? Altoos dat gevit op de zeelui! Zie, neef, ik kan de Schrift zoo niet
uitpluizen als de dominees, die ook wel ereis den koers op zeven nemen en
gissen, dat zij vlak het haventje mis sturen, omdat zij het regte kompas niet
verstaan of niet bezigen, wat weet ik het? Zoo zal mij toch niemand in mijn
zeemanskop praten, dat onze lieve Heer de zee geschapen heeft om ons, arme
zeerobben, te laten verzuipen. Wel, ik heb met mijn achtste jaar de
zeemansbroek al aangehad, en was altoos zoo gezond als een hoen, en at mijn
scheepsbeschuit, en erwten, en stokvisch, dat het zoo een lust was. Zoo dat,
maat Wim, de zee maakt hard, en jongens als spijkers, en wel aardige bollen
ook, zeg ik je; en jij hebt nou, door jou moeders en jou stiefvaders malle
wijsheid, meer gezworven dan of je met een goed kapitein en een schoon
oost-indisch schip zoo direct naar Batavia gelaveerd hadt. Maar je waart te
vroom en te zedig! | | | | Wel, nou lach ik mij tot een docter! Jij zou
op het schip bedorven zijn geworden! Wel zie neef, als er nou bijgelijks een
duivel is, maar ik geloof het niet; die dominee in Den Haag heeft mij dat zoo
knap uit den kop gepraat, dat ik voor dat heele geloof geen half zoopje geef;
maar, al was er nu zoo een snaak, dan denk ik dat hij aan land werk genoeg
heeft, en niet eens denkt om voor opsnapper van 't galjoen mee te varen. Hoor,
neef, geloof jij mij: de menschen zijn zoo al overal hetzelfde rommelzootje.
Nu, ik denk dat je daar al eens oud achter bent. En zou men niet zeggen dat
alle zeelui een hoop Janhagel is, dat van God noch zijn gebod weet? Verduiveld,
je moest ereis op mijn schip gekomen zijn. Of ik ook ouderwets order hield! Met
bidden en lezen en psalmzingen Gode. Ik had, mot ik dan maar zeggen, altoos een
hoop rijkelui's kinders mee, die niet veel stuitten. “Laat ik je maar
onder mijn vlag hebben, dacht ik, of ik jelui zoo eens de wetten zal voorlezen;
of ik jelui in de Engelsche dienst zal brengen: of ik jelui ook ereis
beredderen zal.” Zie, al hadden zij degens op zij, en twaalferlei rokken,
daar veegde ik mijn elboog aan. “Wat Satan”, zei ik, “ben
jelui te groote sinjeurs om God den Heer te loven en te bidden? Je mogt den
duivel! Hier jij alle, in de kajuit, zeg ik; en den eerste die zijn smoel tot
lagchen vertrekt, zal ik zoo hagels op zijn donderement doen geven, dat hij
acht dagen in zijn kooi zal moeten liggen; en veel vieren en vijven.” Nu
had ik, mot je weten, neef, een dronkenlap van een dominé of
ziekentrooster, die zoo veel wist van de Schrift als mijn wijf van de lengte op
zee. Daar had je dan 't gegooi in de glazen met dominé. Maar ik wist dat
te klaren. “Hier jij”, zei ik, “provoost, zet dien dronken
dominé ereis in arrest; en als hij nuchteren is, maak ik hem
koksjongen.” Toen dachten onze jonge melkmuilen, dat er geen kerk zou
gehouden worden; maar ja, fluten! Ik zelf las uit de Christelijke
Zeevaart, en liet mijn dokter, die een schoone stem had, de psalmen zingen
dat het daverde. Zoodat, neef, ze waren schoon gepijpkant; en als zij niet
goedschiks wilden, dan vloekte ik er zoo lang onder, tot zij als lammertjes hun
gebed hoorden lezen. Ja, ja, ik heb wat met die wittebroodskindertjes
doorgebragt! En bij | | | | 't scheiden waren de jongens toch mal met
mij; want die satansche platjes wisten wel, dat ik gelijk had. Zoodat, neef,
alle zeelui zijn zoo kwaad nog niet.’
| |
XVII
Jufvrouw Wolff's Walchren leert ons de bron
kennen, waaraan deze karakteristieke zeemanstaal door haar ontleend is. Niet in
de Beemster of te Beverwijk heeft zij die hooren
spreken, maar aan de kaden van Vlissingen
en Middelburg. Walchren is maar een middelmatig gedicht,
gelijk in het gemeen het verzen schrijven nooit Betje's kracht geweest is.
Blijkt er evenwel hare kennis van het leven der boeren uit, - zooals in de
fraaije beschrijving van het ringrijden der zeeuwsche jongelingschap, - nog
beter leert men er hare sympathie voor den matroos uit kennen, haar geopend oog
voor het eigenaardige der vaart op Indie, voor het daaruit voortvloeijende
bonte leven in de groote vaderlandsche koopsteden. De episode, aanvangend met
de woorden:
Wenscht gij de Wereld in een klein bestek te zien?
Kom gauw naar Middelburg, enz.,
krielt van fijner en grover trekken, waaruit men de dichterlijke
waarneming van het zeemansleven proeft.
Doch verliezen wij Tante Martha niet uit het oog. Kapitein De
Harde is in sommige opzigten eene reprise van Abraham Blankaart. Zijne
vrouw daarentegen is vonkelnieuw. Aan haar is niets voorafgegaan, gelijk niets
op haar volgen kan.
Andere personen in den roman vertegenwoordigen de toekomst of
werden door de schrijfster bestemd dit te doen, al heeft de uitkomst hare
verwachting gelogenstraft. Martha de Harde behoort aan het verleden. Misschien
isBroek in Waterland de eenige plek op aarde, waar nog iets
aangetroffen wordt van hare omgeving. Overal elders behoort deze tot de
geschiedenis, en alleen een archeoloog zou in staat zijn, bij gelegenheid eener
tentoonstelling van vaderlandsche oudheden, haar weder op te delven.
| | | |
In het afzien en teruggeven dezer laatste
overblijfselen van een nationaal leven, dat door de toenemende vorderingen der
uitheemsche beschaving voor goed stond verdrongen te worden, is jufvrouw Wolff
ongemeen gelukkig geweest. Dit was hare gave, hare specialiteit. Niet dat zij
afkeerig was van het nieuwe; maar in weerwil van haar dweepen met de moderne
denkbeelden van den dag, hing haar hart aan het oude.
Eene tachtigjarige oude vrijster, jufvrouw Christina de Vrij, is
haar ideaal van vroomheid, degelijkheid, vernuft, en lektuur. Zelfs de jonge
dames die zij teekent, en met liefde teekent, hellen over naar het
ouderwetsche. De lieve en modieuse Saartje Burgerhart wordt eerst geheel en al
zich zelve, wanneer het oudvaderlandsche bij haar de overwinning heeft behaald.
Het geestig vokabulair van Daatje Leevend is een vokabulair uit de oude doos.
Geen beschaafde hollandsche vrouw van den nieuweren tijd zal zoo spreken of
schrijven. Hare taal schijnt menigmaal bij de vischmarkt geborgd, zij het ook
bij eene zindelijke, luimige, waar de versche zalm in gulle moten te koop ligt
op frissche koolbladeren, en de frissche mond der knappe vrouwen uit het volk
niet stilstaat van de kwinkslagen.
1
Evenzoo de mannen. Willem Leevend, die op de hoogte heet te zijn
van de intellektuële beweging zijns tijds; die bij buijen dichter, bij
buijen wijsgeer, bij buijen sentimenteel is; die Beccaria over het afschaffen
der doodstraf gelezen heeft (VII 263), Willem Leevend boeit niet. Althans hij
boeit oneindig minder dan zijn zwager, Abraham Rijzig, die niets anders is dan
een flink amsterdamsch koopman en een jong Hollander van den ouden stempel.
Al wat in deze romans nieuw is, of nieuw heet, schijnt van het
begin af het merk der vergankelijkheid gedragen, al het oude daarentegen er
zich op het vaardigst in weerspiegeld te hebben. Van daar ook ongetwijfeld dat
de schrijfster zelve | | | | en hare vriendin, men kan zeggen tot daags
vóór haar dood, ook als zij de pen ter hand namen om
vertrouwelijke brieven aan vrienden te rigten, zich volmaakt zoo uitdrukken als
de dertig jaren te voren door haar in print gebragte heldinnetjes.
De politiek waren zij beu; de filosofie ging haar te hoog; het
verzemaken gaven zij present. De nationale vrijheid harer droomen was op
nationale afhankelijkheid uitgeloopen; in Frankrijk hadden zij de guillotine
het begrip der gelijkmaking zien toepassen; een ontrouw rentmeester in het
vaderland had, door onderwijl met haar nederig fortuin door te gaan, haar
onderrigt in de broederschap gegeven.
Maar, had het nieuwe haar louter teleurstellingen gebaard, het
oude bleef voor haar eene altijd vloeijende bron van inwendige vrolijkheid.
Hare laatste goede levensjaren hebben zij doorgebragt op bovenkamers bij
ouderwetsche lieden in Den Haag, hebben in ouderwetsche
kleederdragt hare laatste wandeling langs het scheveningsch strand gedaan, en
zijn de eeuwigheid ingegaan in het vol vertrouwen op een ouderwetsch
geloof.
| |
XVIII
Hooren wij thans Daatje Leevend de woning harer aangehuwde tante,
de zeemansvrouw, beschrijven. Het is hetzelfde optrekje buiten de Leidsche
Poort dat haar eenmaal dierbaar zou worden, omdat zij (kluchtig in alles) er
haar eerstgeborene ter wereld bragt (IV 310 vgg.) Aanvankelijk echter weet zij
Zeemansrust enkel van de potsierlijke buitenzijde te
schilderen, keuvelend op het papier met hare vriendin Pietje Renard, somtijds
deftig als Petronella, andere reizen kortweg met Piet toegesproken (I 191):
‘Het verveelt mij hier thans zoo zeer, dat ik alle
gelegenheden waarneem om er maar op uit te draven. Deze keer kon mama er niets
tegen in brengen, want ik ging haar mans aangehuwde familie bezoeken. De oudeDe
Harde had mij zoo feestig verzocht. Ik ging dan met zijn zoon er op af, als
Paulus op de Korinthiërs. Och ja, kind, mijne grootschheid deed onder
voor mijne nieuwsgierigheid. - Voor Zeemansrust | | | | gekomen, hield ik
wat stil, om alles met een opslag van 't oog over te zien, voor ik het
stukswijze opname. Verbeeld u een oud zwaar gebouw, mogelijk van de zestiende
eeuw; twee uitspringende halfronde torens en daarin (evenals in den
Schreijershoekstoren) propere Engelsche schuiframen, met witte uitgeschulpte
neteldoeksche gordijnen. Het hek, de deur, de horretjes, de lijsten, de
leuningen, allen oranje-kleur. Verbeeld u een klein bassecourtje, en
daarop een vergulde Neptunus, lui en leeg leunende op zijn drietand, in
gezelschap eener groote zwaargebouwde insgelijks vergulde Najade, aan den rand
van een vischkommetje, weinig grooter dan onze saksisch-porseleinen
vischschotel. Op het voornoemde bassecourtje staan een paar dozijn dikke vette
Cupidoos en een Venus, die er vrij mal uitziet. Aangescheld hebbende, werd ik
onthaald op een vol koncert van honden-muziek: uit alle laantjes vlogen zij als
dol naar het hek. Het was echter niet kwalijk gemeend. Ja zoo waar! daar kwam
moeder, onder het gerinkel van een grooten bos sleutels en met een leelijken
dikkop van een keeshond in haar arm, aanwaggelen. De vrouw had een flodderhoed
op en veel van eene zielverkoopster in den uitwendigen mensch, immers van een
oostindische bootsmansvrouw... Wij gingen in huis. Ik heb nooit denkbeeld gehad
van zulk een overdreven kraakzindelijkheid. Ik trok des mijne schoenen uit,
maar dat verstond zij niet, hoewel zij hare sloffen uitdeed en mijn geleider op
zijn kousen volgde. Zij liet mij haar geheele huis zien, zoo was zij met mij
vereerd. De spaansche matten kon men niet dan met gevaar van hals en beenen te
breken overgaan. Geheele piramides van porselein, de prachtigste oostindische
meubelen: enfin, ik stond verbaasd... Toen wij zouden theedrinken, kwam oom op
de proppen, en in een korte kabaai met zijn kousebanden onder de knieën,
ook op sloffen, den trap af. “Welkom, nicht; kom, jij bent een meid van
je woord, en daar hou ik van. Mijn wijf meent het wel, maar zij weet niet veel
van de wereld, en ik kan haar maar met geen stokken de deur uitkrijgen. Dat
veegt, dat raagt, dat wrijft, dat duivelt me zoo den godgantschen dag. Ik zeg
wel eens: wat zal mijn wijf toch in den Hemel doen, als daar ook niet wat te
ragen en te schommelen valt? Nu, 't zal nog bij 't wal- | | | | letje langs
zijn, zoo zij de haven krijgt.” Het goeije dikke wijf lachte en zei:
“Wel, misselijke potnat, pas jij maar op je eigen roer.” Hiermede
was dit ernstig discours afgeloopen. Wij gingen den tuin zien. Eerst viel mijn
oog op de menagerie, die niet wel zoo ruim was als onze etens- en tinnenkast in
de keuken. In die menagerie was een kort begrip van Noachs ark. “En zie
je wel (zei zij) dat al mijn kippen 'er veeren verkeerd staan, nicht? Nu, 't is
ook dure waar!” Maar de lieveling van tante is een oostindische raaf, of
hoe hiet zoo een ding? Het heeft heele schoone sterke kleuren. Dat figuur zat
op een hoogen mahoniehouten kruk, aan een fijne vergulde ketting, voor de
eetkamer, en onthaalt zijn meestres jaar uit jaar in op het muzikaal geschreeuw
van kaauw, kaauw! De smaak is vrij. Tante zal mogelijk het
getier der nachtegalen niet kunnen uitstaan. Gelukkig zoo hare buren dit
met haar eens zijn. In een doolhof van heesters en palm zag ik een geheel
kabinet van goden, menschen, en beesten, alles van palm en taxis. “Jan!
(riep oom), Jan, kom er is hier met jen schaar; wel, wat satan, zie je dan niet
dat Adam een bogchel krijgt? De slang ziet er ook rottig uit, en je moogt Eva
ook wel er eis bij haar lappen krijgen. De appel lijkt wel naar een kolksche
koek.” - De stammen der boomen, die op de goudgele met klinkers bestrate
plaats staan, zijn allen helder en vrij blaauwtjes gewit. Om de sfeer in het
grasperk was een zeer welgesloten kast; tot welk gebruik zij des zij, weet ik
niet.’
Naderhand, als Daatje intusschen met het vreemdsoortig echtpaar
meer van nabij kennis gemaakt en hunne karakters op prijs heeft leeren stellen,
spreekt zij over haar tante's briefstijl met dezelfde openhartigheid als over
de bekoorlijkheden van Zeemansrust, buiten de Leidsche Poort.
Voor een deel bewondert zij dien stijl voor de aardigheid, en
zelfs bemerk ik dat eene vergelijking, waarvan ik mij bediend heb tot
aanduiding van het karakteristieke daarin, door mij van Daatje geleend is (VI
136): ‘Tantes brieven zijn schilderijtjes van het oud oorspronkelijk
hollandsch leven, zoowel in als buiten's huis, dat leven, waarbij ons land
groot en rijk geworden is, en dat ik in een schilderijtje zoo wel eens zien
mag, om de vreemdigheid; evenals wij Amsterdammers wel | | | | eens
naar Broek in Waterland gaan eten, juist om het voor ons
ongewone.’
Doch die lof is haar te algemeen. Tante's brieven, dit gevoelt
zij, behoeven een kommentaar, een sleutel; en zij heeft rust noch duur
vóór zij dien gevonden heeft:
‘Dat de vrouw het verband wel eens verliest, verzoek ik dat
men gelieve toe te schrijven aan eene ongemeene rijkheid van gedachten, die
elkander in haar hoofd verdringen en onder den voet loopen, en die zij, om
ongelukken, moorden en doodslagen te voorkomen, wel zonder orde een doorgang
moet bezorgen. Hierdoor gebeurt het wel eens dat er al eene gedachte de deur
uitgestommeld is, voor die nog haar werk ten volle heeft afgedaan. Dit verpligt
mijne Tante wel meermalen, haar weer in huis te roepen, andere te laten
voorgaan, en de eerste nog eens achter na te zenden.’
Nog meer. Niet alleen divageert tante nu en dan, maar zij
divageert om zoo te zeggen stelselmatig; want bij alles wat zij doet en laat,
gaat zij steeds van één denkbeeld uit en komt nimmer thuis
vóór zij dit denkbeeld teruggevonden heeft. Hare goedhartigheid,
haar gevoel voor regt en billijkheid, haar geloof zelfs, alles wordt dienstbaar
gemaakt aan die hoofdgedachte. Deze is de roode draad die bij de wakkere
zeemansvrouw door alle deelen en onderdeelen van het zedelijk tuigwerk loopt,
en als een touwladder haar ligchaam aan hare ziel, en de aarde aan haar hemel
verbindt (VI 20):
‘Wat zij schrijft of schrijven zal, altijd neemt Tante hare
inleiding uit het schoonmaken. Al schreef de goede vrouw eene verklaring over
den brief aan de Hebreën, nog zou zij hare voorrede uit het schoonmaken
ontleenen. Geen wonder! Schoonmaken is het groote, het hoofddenkbeeld in haar
geest, waarvan alle andere denkbeelden worden afgeleid. Bijvoorbeeld: de goede
zwaarlijvige vrouw waggelt naar de kerk, hoe zelden zij daar, om hare zware
huishouding, komen kan! Zij luistert met aandacht, is er door gesticht, er
mede vervuld. Zij kan er u echter geen woord van zeggen, voor en aleer zij zich
ontdaan heeft van het boven-denkbeeld: dit moet er dan eerst uit. Eerst vertelt
zij u, of de kerkkroonen schoon of beslagen, of de glazen helder of
hoornachtig, of de banken wit of bruin | | | | geschuurd, of de stoelen
bestoven en of de kussens opgeschud waren. Dan spreekt zij van den tekst, dan
van de toepassing, want van de verklaring rooit zij weinig. Dan krijgen wij nog
iets van 't gebed, en tot slot hooren wij, of dominé's pruik of bef er
knap uitzagen, of zijn groote witte fijne zakdoek met breede zoomen wel uit de
Haarlemmer wasch komt: gevolgelijk, of dominé eene nette of eene
slorzige vrouw heeft. Wij krijgen des hare denkbeelden in dezelfde orde als die
in hare hersens liggen: de eerste en laatste laag is schoonmaken. Raakt zij
eens van den tekst, zij komt er niet weer op dan door tusschenkomst van een
stoffer, een heiboender, een emmer, een wassenlap, of een vlerk.
Het denkbeeld dat daarop volgt, en eenigszins van fijnere natuur
is, is dat van goedheid. Zoodra de goedhartige vrouw met de schoonmakerij
gedaan heeft, zal zij vragen: “Hoe zie je zoo bleek, zuster? Ben je niet
wel, nicht? Kan ik je iets geven, kind? Heb je wel een stoof, jufvrouw? Is er
wel tabak, neef Rijzig? Je blijft immers eten, Daatje? Kan ik iets voor je
doen? kan Freeryk iets voor je doen?” Hoort zij dat er iemand beleedigd
wordt, terstond komt het denkbeeld van regtvaardigheid op de proppen. Dit
verbindt zich met dat van goedheid en zoekt dat van de weerloosheid op. Zij zal
zeggen: “Zie, Nicht, daar doet zuster Keetje niet wel aan. Waarom zou
neef Willem niet deugen? Hij heeft zich maar verweerd. Broêr Gerrit is
ook een regte Nero en zoo gierig als het graf. Hoe kan hij zoo aantieren? Hij
heeft gelds genoeg. 't Was altijd zoo een misselijke sinjeur. Wel, waar is
Freeryk? Die moet dat varken eens wasschen! Man, ga jij daar eens met jen eigen
persoon heen. Wel, voor jou hêt hij ontzag. Kom, kaveer voor Willem. Een
jong mensch struikelt wel eens; wij zijn allemaal kavijtige zondaars.” En
zoo komt tante dan van zelf op het denkbeeld van godsdienst. “Ja wel, ik
ben zelf een arme zondares. Het zou er benaauwd uitzien, als onze lieve Heer
zoo onbarmhartig met ons was! Wij hopen allen uit genade zalig te worden. Ja,
met Gods hulp. Wat zou ik met mijn zware huishouding er veel aan doen
kunnen?” Hier raakt zij weer aan haar eerste hoofddenkbeeld:
schoonmaken...
Evenwel moet gij in 't oog houden, waarde Vriendin, dat
| | | | tante hare bijzondere welsprekendheid heeft. Hare gedachten zijn
van den hak op den tak; zij schrijft waarlijk zooals zij denkt, en voldoet in
zooverre aan den grooten eisch in het briefschrijven. De vrouw gelooft, dat
niet alleen alle waarheden, maar alles wat zij voor waarheden houdt, in den
Bijbel staan. Dit is de oorzaak van dat mislijk gehaspel en dat gestadig
verspreken; zoek geen andere. Gij zult ook in haar (VI 135) eene bijzondere
naauwgezette eerlijkheid bespeuren; want nooit zal zij een spreekwoord of
schriftuurplaats aanhalen, of zij zal zeggen: zoo als het spreekwoord, of zoo
als de Schrift zeit; en kan zij het zich herinneren, dan noemt zij ook haar
auteur en zegt: zooals Paulus, of
Cats,
ofSalomozeit.’
| |
XIX
Deze schets is zoo volledig, en zoo getrouw, dat een paar
voorbeelden genoeg zullen zijn om den lezer tante Martha's vermakelijk rellen
in natura smakelijk te maken. Laat ons, want de eene keus is zoo goed
als de andere, haar bespieden op het oogenblik (VII 339) dat zij in diep geheim
een brief aan haar aanstaande nicht Chrisje Helder zit te pennen, en eene
buurvrouw uit de volksklasse, die op een kopje koffij spekuleert en voor welke
zij niet weten wil aan wie zij schrijft, haar komt overvallen:
‘Daar komt Betje van hier naast zoo bij mij inloopen, dat
zij wel meer doet als ik mijn halfjaars wasch van Bloemendaal, daar toch de
flink van bleekers zijn, thuis krijg. Zie nicht, dan zwaait er nog wel eens
een half elfje, met dat staan over de heete ijzers; ik ben niet deun; ik zeg
altijd: Kinderen, het is niet om de koffij, maar om den tijd; want zoo als de
Schrift zeit: Gierigheid is afgoderij en paperij. Zoodat Betje zoo tegen mij
zei: “Wel, buurvrouw, ben je veeg?” - “Hoe dat, kind?”
zei ik zoo. - “Wel,” zei zij zoo, “omdat je aan 't schrijven
bent, terwijl jij de wasch overhuis hebt: dat ben ik van jou niet
gewend.” - “Ja, kind,” mogt ik toen weer zeggen, “nood
leert bidden, zeit Jan Luiken in zijn
Honderd Ambachten. Het noodzakelijke gaat voor, staat er
in
Jacob Cats zijn | | | |
Trouwring; alsook: alle dingen hebben hun tijd, en
alle wezen moeten wezen. Je weet, Betje, dat nicht Daatje veel aan mij
schrijft; en als ik dan niet voort antwoord, is het niet wel.” En zoo
zond ik Betje van hier naast met een kluitje in 't riet. De mijne [haar man]
zat onderwijl zijn dikke lijf vast te houden, zoo schudde hij van 't lagchen,
omdat ik Betje zoo van der tekst hielp. “Wijf (zei hij daarop), het spijt
mij dat ik jou niet mee in de kajuit genomen heb; jij kunt zwijgen, zie ik, en
dat komt te pas als er gestolen wordt; wel, al had ik gestolen als een raaf bij
de Compagnie, jij zou jen man niet beklapt hebben.” Ik wierd er zeer
ijverig onder en zei: “Hoor kind, als ik nu evel wist, dat jij jou zie
zoo veel met onregtvaardig goed verrijkt had, zooals God beter 't maar al te
veel door jou en jous gelijken gedaan wordt, dan zou ik zoo drijvend van je
afloopen, en gaan zoo verre als God mij land gaf, en bij de goêlui uit
werken gaan.” - “Maar, wijf (zei hij), ben je dan weer heel en al
zot? Als ik immers een dief was van de companjie, dan zou ik wel een ander
sinjeur zijn als nu, en wie weet of onze jongen dan nog geen burgemeester
wierd; en jij waart zoo wel een mevrouw, als mijn gewezen kajuitsjongens-vrouw,
die nou te grootsch is om tegen een braaf burgermensch te groeten.” -
“Nou (zei ik), daar zal op dien grooten dag wat te vereffenen vallen; dat
smeer ik je, zei Vetlap.” - En, och God, het is immers maar wereldsch
goed, en onze arme kostelijke ziel moet het gelag betalen. En zie, nicht, al
had ik nu een kostelijke buitenplaats buiten en een breed dubbeld huis in de
stad, wat zou ik met een benaauwde konsjentie er naar aan zijn,
want Paulus zeit wel de waarheid: Het is beter een stuk droog
brood met vrede, dan een huis vol geslagte beesten, met een
knagend gemoed. Zoodat, jufvrouwtje-lief, je komt in een eerlijke
familie.’
Wat tante De Harde hier haar ‘ijver’ noemt, - ijver in
het opkomen tegen hetgeen strijdt met haar gemoed, zoodat reeds alleen de
onderstelling van het kwaad haar doet koken en inwendig opstuiven, - is een der
triomfen van de kunst der schrijfster.
Het is vergelijkenderwijs gemakkelijk het heroïeke der deugd
te schilderen, roemrijke daden van zelfverloochening in edele | | | |
termen te kleeden, en door kracht van welsprekende taal geestdrift voor het
verhevene op te wekken. Jufvrouw Wolff weet een dikken ouden zeeman en zijne
schommel van een vrouw in de meest kunstelooze woorden te laten blaken van
eerlijkheid en regtschapenheid: juist de eigenschappen die meest van al, door
hare onderstelde algemeenheid, zich tot het hanteren der frase leenen en, als
zij door gewone schrijvers in gewone boeken voorgesteld worden, den lezer koel
laten of hem wrevelig stemmen.
Wie gevoelt niet, om van vaderlandsche auteurs te zwijgen, dat
wanneer zelfs een schrijver van den rang van Auerbach zich aan het schilderen
eener Barfüssele begeeft, de onnatuur overal om den hoek komt
gluren en met de braafheid komedie wordt gespeeld? Niet alzoo jufvrouw Wolff.
Bij haar is het naieve onvervalscht; het doordringt het karakter der ten
tooneele gevoerde personen; en komt, waar het pas geeft, hetzij tot eene
doorbraak of tot eene uitbarsting.
Ik voor mij geloof dat
jufvrouw Wolff zich evenmin van de blijvende waarde
harer geschriften bewust is geweest, als de groote schilders der Hollandsche
School zich dit van de onsterfelijkheid hunner doeken waren. In alle kunsten
zijn de vruchtbaarste en onvergetelijkste tijdperken die waarin men, zonder het
zelf te weten, voor de eeuwen arbeidt; gelijk omgekeerd de scheppende of
voortbrengende kracht in den regel verflaauwt, wanneer er over de regelen der
kunst veel wordt nagedacht, geschreven, en geredetwist. Elizabeth Wolff heeft
geen ander doel gehad dan den roman, dien zij in het buitenland zich aan de
eenzijdigheid der galanterie zag ontworstelen en naar een breeder,
edelmoediger, socialer grondslag zoeken, ook voor Nederland te verheffen tot
zulk een voertuig (Willem Leevend III, Voorrede, bladz. 7); en stellig
is zij van niets anders zich bewust geweest dan van den gemoedelijken toeleg,
in deze nieuwe rigting naar vermogen voort te arbeiden. Elk der door haar
geteekende karakters was om zoo te zeggen een waagstuk, eene met het publiek en
met de kunst genomen proef; en geen oogenblik heeft zij er aan gedacht dat eene
bladzijde als die waar tante Martha ten behoeve van Daatje Leevend het beeld
harer aanstaande schoonmoeder, | | | | de oude mevrouw Rijzig, teekent (II
122), eenmaal klassiek zou worden genoemd.
| |
XX
Tante heeft vernomen dat er spraak is van een huwlijk tusschen
nicht Daatje en den heer Abraham Rijzig, en meer is niet noodig om den stroom
harer welsprekendheid te doen vloeijen:
‘Denk je dat ik niet weet dat je geprittendeerd wordt? En
zie daar, ik noem man en paard: van men heer Rijzig, wel bekend, immers zijn
voorouders. Ik meen zijn grootmoeder Brechtje Gerrits (wist men toen van
mevrouw?); Brechtje Gerrits, of in de wandeling Brechtje Kostelijk, want het
was er in huis of je zoo bij de klinkklare rijke Menisten kwamt; zoo kostelijk
was het er. Nou, als de maan vol is, schijnt zij overal. Me dunkt, al ben ik
maar jen tante, en al heb ik zoo veel verstand niet als jen moeder (als mevrouw
van Oldenburg, meen ik), zoo had ik op dit stuk ook wel mogen geraadpleegd
worden. Het is mij waarachtig ook niet eender, wie er zooal maar in de familie
komt. Niet dat ik wat tegen den jongman heb; ik heb lang in zijn moeders buurt
gewoond; maar hij hield zich wél. En al droeg ik geen sak, en al had ik
maar een muts op mijn hoofd, hij groette buurvrouw altoos, of ik
óók een mevrouw was. Ik had dikwijls mijn spikkel in hem. En hij
schikt zich ook niet op als de meisjes, die treedjes op een tafelbord; daar
mijn kalf Mozes zoo alle duivels om uit de hel kan vloeken, als hij een jong
kerel zoo ziet kwispelen en op de straat drillen. Maar toch, Aal, het is jen
slag niet. Je weet, ik ben een flapuit; en aan jou, nicht, zeg ik het regtuit.
Hij is veel te verstandig voor jou. Hij zou gaauw zien, dat jij een
huishoudster op schillen zijt. Nou, ik zeg huishoudster tegen jou! Zoo gaan er
altoos dertig in een douzijn, en dan is 't nog: hoe grooter hoop, hoe slimmer
koop, zoo als Jan Luiken in zijn Liefdevonken leert, meen ik; of het
moest Cats wezen; nu, dat kan niet schelen. Hij zou gaauw zien, dat hij bekocht
was. Hij mogt wel een paardje-schijtgeld op stal en een koets op de stoep
hebben. Neen, hij dient je als een | | | | vuist in jen oogen. Of grootje
Rijzig u ook achter de vodden zou zitten! Want het is een andere haneveer als
jen moeder.’
Eene huishoudster op schillen, - wat is dat? Waar vindt men
de Liefdevonken van Jan Luiken? Wat beduidt: zijn spikkel in
iemand te hebben? Zoowel het een als het ander behoort tot de eigen vinding van
tante Martha, die niet vast is op het verschil tusschen de Reis van
Bontekoe en Bunyan's Christenreize naar de eeuwigheid, en, tot
aanduiding van haar ongeloof in dit of dat, zich herhaaldelijk van den uitroep:
‘Zoo menig een Franschman!’ bedient. In woordenboeken vindt men er
geen verklaring van, maar de beteekenis blijkt duidelijk genoeg uit het
verband. Nu volgt de beschrijving van grootje Rijzig, Daatje's aanstaande
schoonmoeder:
‘Ik ben er eens geweest, om getuige van mijn werkmeid, die
lange waar-ga-je, die u altijd het hek opendoet, weet je, met die morsmouwen en
die rooije stukjes op haar boezelaar; nu, dat is al 't zelfde; van onze Griet,
meen ik. Maar ik zag wel met een half oog, dat grootje Rijzig een trant van
een vrouw is. Onze Griet zeit altijd dat zij wél genoeg is, maar
dat de meiden geen tijd hebben om een haak aan een rok of een onnoozel Vader
ons te bidden. Zij is van 's ochtends vroeg in volle orde: het kapje gezet, de
zak aan. Zij zei mij dat zij al in de zestig was, maar 't is nog een vrouw
als een zweep, en zij glimt tegen je aan. Zij breidde toen haar zeven en
twintigste paar fijne kousen voor haar zoon, en 't was kerjeus werk. Zij leest
ook wel; nou, daar heb ik geen tijd toe; die er tijd toe heeft, is gelukkig.
Zij leest alle morgen voor haar zoon uit de Schrift, en ten acht ure is de
koffijtafel al van de vloer. Nu kunje eens denken, of grootje Rijzig en jij de
mast zullen opkrijgen. Al klom je op de haan van den Westertoren, nog zou je
jou verdriet niet kunnen overzien. Dat zal daar zijn: hot en haar. Zij
zou jou dat ten tienen nog te bed liggen, zij zou jou dat uitvliegen,
verleeren! Ja, ja, leer mij grootje Rijzig niet kennen. Alida-nicht zou
poot-aan moeten, en de handen uit de handschoenen. Wil ik het u eens op een
graauw papiertje uitteekenen? 's Avonds voor man linnen gereed leggen en de
keuken ordonneren; want anders weten de meiden 's anderen daags ten elf ure nog
niet, wat er ten tweeën zal | | | | gegeten worden. En Brampje is
het zoo op zijn elf en dertigste gewoon! De overhemden en lubben (of moet ik
mansetten zeggen?) moeten nagezien, of er ook een steekje aan te doen is, en
die een dag zijn aangeweest, vouwen, de kreuken uitwasemen, en in order leggen.
Nicht zou ook niet te vies moeten zijn, om eens een maasie in een schoone
zijden kous te leggen; of te gemakkelijk, als er eens een halfjaars wasch over
huis is, om een strop of servet te rekken, of een engelsch hemd te plooijen.
Nicht zou des winters om acht ure aan het ontbijt moeten zijn (want ik denk dat
gij daar zult inwonen), en uit den Bijbel hooren lezen. Nicht zou de meiden
moeten binnen schellen, om het huiswerk te ordonneren, terwijl mama, om toch
niets te verletten, nog een naadje ombreidde; over de keuken, het uithalen, en
de stofferij moeten spreken; alles nazien; op het tin en koper wasemen, om te
zien of het schoon is; met de bloote vingers op stoelen en lijsten strijken, om
te zien of het wel schoon gewreven is. Nicht zou dan voor, dan achter, dan
boven, dan beneden zijn moeten; dan in de proviziekelder, dan op de
kleerzolder. Mama zou vragen: staan er ook klieken te bederven? zijn de kasten
wel zindelijk? zijn er ook te veel afgebrande kaarsen in de laden? is het bier
wel gekurkt? wordt er niet te roekeloos met het vuur geleefd? zijn er wel
kolen? is de plaat, zijn de fornuizen wel glad? ligt het vleesch en de boter
wel onder de pekel? eet het volk wel roggebrood bij de spijs? maken de meiden
haar bedden? ziet het er op de knechts-kamer ordentelijk uit? is er wel een
goed poeijerkleed voor mijn zoon? heeft hij wel schoone handdoeken? zijn er
papiertjes op het sekreet? is er water in de fonteintjes, enz.? Nicht zou, als
mama eens familiedag heeft, de tafel moeten ordonneren; het godgansche dissert
in orde brengen, alles krijgen en wegbergen, het zilver sorteren en nazien.
Nicht zou alle zondags des winters met mama naar de kerk moeten, om lessen voor
de geheele week; des zomers met mama naar buiten; of, als zij bij mijn man
bleef, nagegaan worden door een stijf ouwerwets burger boekhouder, die aan
grootje alles zou overbrieven. Welnu, kind, hoe staat je dat al aan?’
Eerst hoorden wij tante Martha het jonge meisje plagen dat zij
niet half goed genoeg was voor haar bruidegom; daarna | | | | werd de
jonge vrouw zulk een lange reeks schrikwekkende pligten voorgehouden dat een
minder sterk hoofd er van geduizeld zou hebben. Thans is de aanstaande jonge
moeder aan de beurt:
‘En nu ben je nog in jou speeljaartje; nu zit de speulman
nog op het dak; botertje tot den boôm. Maar, maar! als je eens naar de
Volewijk moet (ja, 't zijn mooije bloemetjes, als zij geplukt zijn; ik ben ook
elfmaal met den prins over de Maas en met dat water bij den doctor geweest),
dan zul je jou wel zonder lagchen kunnen houden. Als er eens wat jongs komt:
help dan kijken. Ach, al woonde je met Bram in een eigen huis op de Buitenkant;
niks! Alle daag mans moêr over de vloer. Je zult geen vinger in de asch
kunnen steken, je zult geen strootje in tweeën kunnen bijten, of haar neus
moet er bij zijn. Je zult geen kantje aan een onnoozel nachtmutsje kunnen
zetten, dan met mamaas raadgeving. Dan zul je dit niet mogen eten, dan zul je
dat niet mogen drinken; dan zal dit te heet, en dat te koud zijn voor dochter.
Het zal in geen boeken te beschrijven zijn. Dan zul je het kind te veel, en dan
te weinig geven. Grootje zal alles bekijken: tot het wit broekje, dat het
schaapje aanheeft, zal beduffeld worden; en als er eens een haakje of een
bandje aan los is, ô dan pas op; er worden oogen opgezet en handen
gevouwen over zulk een floddervos. Mama zal den krijg winnen, al zwijgt zij.
Jij zult grootje Rijzig geen ooren aannaaijen (ze hêt er zelf twee,
hoewel zij wat doofachtig is), gelijk gij mij goê klos doet. Die haar
foppen wil, moet vroeg opstaan, en daar heeft mijn nicht een broêr aan
verloren. Zoodat, ik raad je die partij af. Leer jij nog liefst wat huishouwen,
voor jij om trouwen denkt. Leer jij eerst vroeg opstaan, en een steekje naaijen
en breijen; dat is wat nutter dan dat malle beursjes knoopen, daar jelui al den
tijd mee vermorst. Je bent nog veel te jong en te ijdeltuitig om een heilig
houwlijk aan te gaan.’
Dit laatste meent tante evenmin als het overige, want Daatje loopt
naar de vijf-en-twintig en heeft genoeg verstand om twaalf huishoudens voor
één op te zetten. Maar wie heeft moed, het de oude vrouw ten
kwade te duiden dat zij Daatje liever aan haar eigen zoon, dan aan Bram Rijzig
gunde? Die zoon is een | | | | nare jongen, een gluipert, en alleen de
blindheid der moederlijke liefde kan in hem een waardig echtgenoot voor
jufvrouw Leevend zien. Ook is hij haar mindere in jaren. Het doet niet. Tante
zou dolgraag Daatje tot schoondochter hebben:
‘Wacht jij, kind, tot mijn stuk vleesch mannen-deeg is. Je
hebt immers, hoop ik, zulk een haast niet? Onze jongen hêt je in zijn
hart en ziel lief; en ik dacht, dat jij hem ook wel zetten mogt. Als je hem
bent opgeleid, zal je hem ook hebben: dat is bij mij maar paalvast.
Je moet maar zoo wat grappen voor hem maken; je bent toch een snaak van een
meid, en hij zal je wel antwoorden, al kijkt hij zoo wat juttig; en 't is een
veugel, als hij begint. Ik ben ook wat familie-ziek. En het goed bleef dan
onder ons. Gierig bennen wij niet; maar men sterft zoo gerust, als men zoo weet
dat je mooije kleertjes, die je zoo zuinigjes bespaard hebt voor Paaspronk,
niet na jen dood bij uitdragers in kelders worden gestopt, of op sluizen en
leuningen van bruggen bij het 's Gravenlandsche veer hangen te waaijen, en van
onreine handen, ja van smauwzen, betast en verfonkfooid worden. Wel, dat kon ik
in mijn kist niet uitstaan. Je zoudt er ook geen zonde aan doen, al trouwde je
met jen neef; jelui bent immers niet te na in den bloede? Laat eens zien, ik
moet dat wel eerst regt weten. Mijn jongen is de zeun van je moeders tweede
mans halve zuster. Is het zoo niet, kind? want ik ben danig tegen het trouwen
van neef en nicht; en God de Heer geeft ook nooit zegen daarop, zoo als jij wel
begrijpen kunt. Wel nou, Daa, dan ben je mijn dochter; en je weet, al
bestraf ik je zoo eens, jij hebt toch vier witte voeten bij tante Martha. Zie,
als je zoo wat met mij op en neer gingt, zou ik je ligt eens een ding uit de
hand nemen. Ik mag graag dat jonge lui eens pret hebben, en eens naar de
Slatuintjes of naar Amstelveen kruijen. Want een jong mensch is geen
paneeldeur; hij wil ook wel is uit.’
| |
XXI
Eindelijk is tante's vruchtbare pen tot rust gekomen, en de
26ste brief van het 2de Deel ten einde gebragt. Van die
pauze maken wij gebruik, en zien even om ons heen. Het duizelt | | | | ons
een weinig van de bijbelteksten en de zedespreuken, van de spreekwoorden, de
solecismen en archaïsmen. Tot bezinning gekomen bemerken wij dat het
geheele stuk niet slechts in Oud-Nederland, maar zeer bepaald
te Oud-Amsterdam speelt.
Amstelveen, de Slatuintjes, het 's Gravenlandsche
Veer, de Westertoren: al die plaatsnamen zijn aan één omgeving
ontleend. Jufvrouw Wolff kende Amsterdam op haar duimpje; beter
misschien dan hare vriendin die er opgevoed was. Zeeuwsche van afkomst,
Beemstersche door de trouw, werd jufvrouw Wolff door den aanblik der groote
stad, waar sommigen harer beste vrienden woonden en er tot den koopmansstand
behoorden, welligt levendiger getroffen; had zij een vrijer oordeel over het
amsterdamsche doen, sloeg een ruimer blik om zich heen; beschikte over meer
punten van vergelijking tot onderscheiding van het eigenaardige.
Den Haag kende zij destijds alleen van hooren zeggen; Utrecht
stond haar slechts schemerachtig voor den geest; aan Vlissingen, vooral aan
Middelburg, had zij tol betaald in een vroeger genoemd dichtstuk. Toen zij
Sara Burgerhart en Willem Leevend schreef was, met Rotterdam, dat
nu en dan eene beurt krijgt, Amsterdam het terrein waar haar geest, in een
ander dichtstuk door haar bezongen, zijn fotografischen toestel plantte en
beelden opving.
Beschouw deze romans uit elk ander oogpunt, en gij ziet ze
ineenvloeijen met de toenmalige europesche litteratuur van den dag; ziet ze
verdwijnen achter meesterwerken wier roem niet binnen eigen landpalen beperkt
gebleven is; die europeesch gemeenbezit geworden zijn. Als oud-amsterdamsch
straat- en huistooneelen hebben zij hunne wedergade niet.
Mevrouw De Staël heeft in het
tweede deel van Corinne eene meesterlijke schets van het thee-drinkend
en zich te midden zijner eigen stijfheid verknijpend Engeland uit de laatste
jaren der vorige eeuw ontworpen. Maar
jufvrouw Wolff overtroffen, waar deze door tante
Martha's pen het beeld der oude mevrouw Rijzig laat omtrekken, heeft zij
niet.
Hier openbaart zich een talent dat elke vergelijking tart. In twee
vrolijke bladzijden wordt de inventaris eener geheele oudvaderlandsche
huishouding opgemaakt; en niet met de | | | | boekhouders-naauwkeurigheid
van een vendumeester, maar met de kleuren eener palet en met de lichtvonken van
het vernuft. De dichterlijkste oudheidkenners onzer dagen zouden vruchteloos
beproeven, meer leven te schenken aan eene doode stof. Zelfs aller meester
onder de nieuweren in die specialiteit, Balzac, zoo hij hollandsch genoeg had
verstaan om bij het vele andere ook nog Willem Leevend in zich op te
nemen, zelfs
Balzac zou erkend hebben dat bij
jufvrouw Wolff met vrucht ter schole valt te gaan. Honoré is rijk en
vermoeijend, jufvrouw Wolff niet vermoeijend en even rijk.
| |
XXII
Niet alleen sommige détails van Sara Burgerhart en
Willem Leevend verdienen lof, maar ook de mechaniek van beide romans als
zamenstel. Van den zoo weinig in den huidigen smaak vallenden briefvorm is door
de schrijfster menigmaal op de gelukkigste wijze partij getrokken.
Een voorbeeld zijn de wederkeerige karakterschilderingen. Niets
wat den romanschrijver zoo veel moeite baart als het schilderen van een
karakter. De eenen zijn meesters in het beschrijvend genre en weten, door
welgekozen aaneengeschakelde trekken, het beeld dat hun voor den geest zweeft
langzamerhand voor dien des lezers te doen dagen. Anderen munten uit in den
dialoog. Zij leggen hunne personen gezegden in den mond, die een blik in het
binnenste doen slaan en de meest verborgen gedachten openbaren. Met dat al zijn
zij keer op keer genoodzaakt zelf tusschenbeiden te komen, nu zamenvattend, dan
verklarend, en den lezer uit te leggen hetgeen anders zijne aandacht ontgaan of
zijne voorstelling van het spoor brengen zou.
De brief waarin de oude heer Jan Edeling aan Abraham Blankaart
uiteenzet dat en waarom hij voor zijn zoon Hendrik geen andere dan eene
luthersche vrouw verkiest, is een model en zou, als tirade in een gesprek of
als verslag van derden, niet half zoo veel indruk maken. Voer Abraham Blankaart
nog zoo dikwijls sprekend in, gij zult hem niet treffender kunnen teekenen dan
hij in zijn antwoord aan Jan Edeling het zichzelf doet.
| | | |
De spraak van Broeder Benjamin en Zuster Cornelia
maakt hen aanstonds openbaar. De fysioloog die hen moest determineren zou geen
oogenblik aarzelen. In weinig meer dan een zestal briefjes van hunne hand ziet
men zich het geheele zielsgeding ontwikkelen, dat van de huichelarij naar de
misdaad voert en onder weg de vraatzucht in zich opneemt.
Alles, zonder dat jufvrouw Wolff's persoon zich aan ons opdringt,
of wij door iets anders dan ons eigen gevoel of ons eigen oordeel genoopt
worden uitspraak te doen over het gehalte der ten tooneele gevoerde karakters.
De onpartijdigheid der schrijfster gaat somtijds zoo ver, - zie den
63sten brief van Sara Burgerhart, - dat zij hare heldin met
warmte eene stelling laat verdedigen welke de lezer geneigd is toe te geven, en
die toch naderhand blijkt volgens haar een sofisme te zijn geweest. Wel een
bewijs dat de briefvorm het scheppen van illusien, waarin grootendeels de kunst
van den romanschrijver gelegen is, niet in den weg staat.
Het grootste voorregt van het genre echter, wat buigzaamheid
betreft, is het zooeven genoemd wederkeerige. Uit de brieven van Saartje
Burgerhart aan de personen harer omgeving leert men die omgeving; evenzoo, uit
de aan haar gerigte of haar betreffende brieven van anderen, Saartje kennen.
Zij beoordeelt en wordt beoordeeld. Haar persoon vormt een afgerond geheel, een
levend wezen dat van alle zijden bezien kan worden. Wij kennen haar door en
door, en niets van hetgeen in haar omgaat, niets van hetgeen over haar gezegd
kan worden blijft voor ons een geheim.
Tante Martha teekent in Willem Leevend grootje Rijzig,
kapittelt Daatje, en wordt op hare beurt door Daatje geteekend. Willem
korrespondeert met zijne zuster, met zijne moeder, met Paul Helder, met Lotje,
met Chrisje, met de geheele wereld. Maar hij heeft het woord niet alleen. Ds.
Heftig korrespondeert over hem met Prof. Maatig, jufvrouw Rammel met tante De
Harde, Coosje Veldenaar met Chrisje Helder, Jacob Renting met Chrisje's ouders,
Lotje Roulin met Adriana Belcour. Zoo wij in staat zijn een onafhankelijk
oordeel over Willem te vellen, wij danken het aan de kunst der schrijfster, ook
als dat oordeel niet gunstig luidt.
| | | |
En zijzelve is in de kritiek ons voorgegaan. Zij
heeft haar held hartelijk lief, laat hem door anderen uitbundig prijzen, valt
hem niet in de rede als hij het zichzelf niet doet, maar is daarom niet blind
voor zijne gebreken. Wie zich door hem late vangen of betooveren, zijne zuster
Daatje doorziet hem en spaart de roede niet; en de overlevering beweert dat
jufvrouw Wolff in geen harer werken zoozeer zichzelf heeft gegeven als in deze
zuster van den held, die door haar vernuft en haar gezond verstand den geheelen
roman beheerscht en, telkens als de wagen in de eene of andere rigting scheef
dreigt te gaan, hem weder in het spoor helpt.
Dank zij den briefvorm, blijft ook Daatje Leevend van het begin
tot het einde in haar karakter. Geen les der ondervinding, die zij niet
aanneemt; geen juk waaronder zij, als het moet, zich niet buigt; geen
natuurlijk gebrek dat zij niet aflegt. Al tegenspartelend leert zij zich
voegen, en zien wij hare inborst eene groote verandering ondergaan. Maar het is
eene verandering die in hare natuur ligt. In welk opzigt zij zich wijzige,
steeds gaat van haar dezelfde opwekkende geest uit. Over alles en allen zegt
zij hare meening, en dirigeert als het ware het orkest.
Niemand zal dwaas genoeg zijn a priori vast te stellen dat
hetzelfde resultaat langs geen anderen weg te verkrijgen is, en men om
karakters te scheppen die zich nooit buiten hun kader bewegen, die voortdurend
met hunne omgeving in een levend verband staan, die altegader aan
één zelfden stoot gehoorzamen, noodzakelijk een roman in brieven
moet schrijven. Maar Willem Leevend is toch een sterk bewijs, dat die
vorm benijdenswaardige hulpmiddelen aanbiedt.
| |
XXIII
Onder de brieven van Saartje Burgerhart aan Letje Brunier is er
een (II 163) die met het volgend postscriptum eindigt: ‘Ik ben dezen
middag bij oom Dirk geweest. Tante is een lieve vrouw. Oom? Ja; ik kan 't u
niet beduiden, een dot garen, die allemaal in de war zit. O welke mannen,
Letje! En moeten wij óók trouwen? dat ziet er gek voor ons
uit.’
| | | |
In een brief aan Anna Willis (I 209) schrijft
Saartje: ‘Uw vriend Smit, den proponent, heb ik regt lief, zoowel om
hetgeen gij van zijne konversatie, als om 't geen gij mij nopens zijne manier
van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem spoedig wél geplaatst,
wél gehuisd, en wél getrouwd te zien. Ik beken dat gij, buiten uw
nadeel, een ruim hart hebt, als gij ons, eenzamen in den lande,
óók zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zoo
veel gij kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat mij aangaat: pour moi
keen warme bier, zei de Franschman; pour moi geen man. Een flinke
bol, om mij, zoo als ik zeg, te brengen waar ik zijn wil: dat is wél,
maar meer niet. Uw advokaat, dien gij op mij af wilt zenden, en daar ik gaauw
bij zal moeten zijn, zoo ik zin in hem heb, is des aan u; geef hem aan haar,
die zoo een meubeltje noodig heeft, en laat mijn devies zijn: Vrijheid,
blijheid.’
Wie eene karakterschets van Daatje Leevend wilde schrijven, zou er
geen beter motto boven kunnen plaatsen dan die twee citaten uit Sara
Burgerhart. Ik weet wel dat Coosje Veldenaar (VIII 218) dit niet toegeeft.
Zij wil tusschen Daatje's en Saartje's inborst een merkelijk verschil
aangenomen hebben. Doch al ware Coosje Veldenaar een evangelie, wat alleen de
kolonel Van Sytsama gehouden is in haar te zien: althans omtrent
één voornamen trek in het karakter van beide jonge vrouwen kan
bezwaarlijk tegenstrijdigheid van opvatting bestaan. Saartje is jonger, is
mooijer, is zachter, is minder wereldwijs. Maar, komt het op trouwen aan, - de
kardinale kwestie, - dan trekken Daatje en zij dezelfde lijn.
Om niet vooruit te loopen leg ik het eerste deel van Willem
Leevend nevens mij, en teeken daaruit op hetgeen mij toeschijnt best van al
het bestaan der jonge jufvrouw in het licht te stellen, in onderscheiding van
de gehuwde vrouw.
Bij de eerste kennismaking is Daatje uit logeren bij eene tante en
oude vrijster, zuster van haar overleden vader en woonachtig te Utrecht of zoo.
Amsterdam ontvlugt, uit ergernis over het hertrouwen harer moeder met een
stiefvader dien zij, Daatje, niet kan uitstaan (‘mijne mama is eene
uitmuntende vrouw van de tweede klasse’, IV 188), leidt zij ten
huize dier tante, eene rijke en overrijpe kokette, een lustig leventje, | | | | maar dat óók al zijne schaduwzijden heeft. Aan
mejufvrouw Petronella Renard (I 31):
‘Alles is wél, Piet, maar ik verlies zoo verbruid
veel geld; en bij mama is niet te halen boven 't geen zij mij heeft toegelegd.
Speelde ik niet, dan had ik er ook genoeg aan. Nu, het ziet er benaauwd uit! Ik
moet des mijne tante de kap vullen, om aan haar geldkist te kunnen
komen.’
Tante wordt in den waan gebragt dat zekere Doctor Töller,
door Daatje gedoopt Hans Dondergoud, haar nog op haar ouden dag het hof maakt.
Aan dezelfde (II 71):
‘Het is bijna mijn fatsoen te na, zoo eene oude malloot te
foppen! Zij zegt in diep vertrouwen: Ja, zie nicht, ik ben wel niet afkeerig
van het huwlijk; maar ik vrees, dat ik nog diep in de kinderen zou
raken, en ik mag geen kinderen zien. Ik ben evenwel nog een vrouw in het best
van mijn tijd. - Dat is zoo, tante, en dat waart gij zoo lang als mij maar
heugen mag. - Zoo is 't ook, Daatje. En dan: de manspersonen zijn somtijds
nogal wonderlijk tegen hunne vrouwen, en zie, kind, ik zou gaarne al mijne
partijen willen houden. - Beding dit vooraf, tante; smeed het ijzer nu het heet
is; laat het in uw huwlijksvoorwaarde zetten.... En nu moest gij eens zien,
Pietje, hoe zij is opgedrild! Altoos in vol ajustement, zonder halsdoek. Och
arm, dit is eene verkeerde staatkunde.’
Doch mama verstaat niet dat Daatje langer bij tante zal blijven
logeren. Daatje komt thuis en moet zich schikken naar de luimen van haar
stiefvader, den heer Gerrit van Oldenburg. Aan dezelfde (I 106):
‘Den eersten morgen stond ik niet vroeg op. Wat heb ik voor
dag en daauw op te doen? Ik ben immers niet veroordeeld om bij hem op het
kantoor te schrijven! Tegen elf ure zat ik te ontbijten met Fidél in
mijn schoot en las een nieuwspapier. Jacob kwam binnen: Jufvrouw, daar is
Belair. - Laat hem wachten tot ik ontbeten heb. - De man des huizes was in de
kamer. Hij zag mij, sprak niet; ik ook niet. Jacob kwam weer binnen: Jufvrouw,
daar is Marton, met de gazen. - Laat Marton wachten. - Jacob kwam weer:
Jufvrouw, daar is de engelsche schoenmaker. - Laat de engelsche schoenmaker
wachten. - Toen kon de man des huizes niet langer zwijgen;
| | | |
Wel, hoe duivel is het hier? Moet het heele voorhuis
dan volgepropt worden met figuren, die ik niet zien wil en die er niet
behoorden te doen te hebben? - Och, 't is alweer mis! Zend ze allen weg, Jacob.
Zeg aan Belair, dat hij ten vier ure komt om mij te kappen. Is dat een gemaal
en een geknor! Ik zal morgen op mijn kamer dejeuneren, Jacob.’
Deze toon tegenover den stiefvader is van het begin af Daatje's
taktiek geweest (I 7): ‘Mijnheer van Oldenburg roert het hier zoo in
huis, dat gij u dit zoo niet kunt verbeelden. Nu, daar moet hij maar om komen!
Overal bemoeit hij zich meê. Ik zei hem, toen hij notitie nam van mijn
coiffure à la hérisson, dat hij wel mijn moeders man, maar
geenszins mijn vader was. Mijne mama kan zooveel voor haar man inschikken als
zij wil; dat staat aan hare beleefdheid. Zij koos hem en moet hem nemen zooals
hij, helaas, is. Dat is buiten mij.’
Jufvrouw Renard (I 169) keurt zulke uitvallen in het geheel niet
goed: ‘Wij zijn gewoon, Daatje, elkander zonder komplimenten te
behandelen. Aan die gewoonte wil ik mij houden, en ingevolge daarvan zeg ik u,
dat het mij spijt dat gij geen beter hart of zoo veel stekelig vernuft hebt.
Die vinnige zetten omtrent uwe moeder kan ik niet dulden. Wilt gij dus, dat uwe
brieven mij behagen, spaar dan uw eigen karakter, want dit lijdt er in mijne
achting ongelooflijk veel door. Een verliefd meisje zijt gij niet, ook niet als
een Hendrik Veldenaar de man zij; gij denkt niet aan trouwen. Alles is des
koketterie. Welnu, vriendin, zijt gij nu niet vier-en-twintig? Nog een jaar of
zes zal dat zoo wat lukken, want aan Madame la Nature hebt gij zoo min
verpligting als ik. Dit ongunstige wordt zeer bijzonder vergroot door de
ongeregelde manier van leven die wij houden. En gij zijt nog daarenboven eene
speelster! Dikwijls ziet men u aan voor de zuster uwer moeder, en dat wel -
voor haar oudere zuster. En dat wel - niettegenstaande uwe coiffure
comme-il-faut, uwe pluimen en bloemen. En dat wel - in weerwil van alle
kunst- en vliegwerken, die gij gebruikt om deze vernederende opvatting voor te
komen. Uwe mama is echter twintig jaar ouder, en was moeder van verscheiden
kinderen. Haast u dan, mag ik u bidden, want de tijd is kort.’
| | | |
Daatje's antwoord is gereed (I 177):
‘Renard, Renard, ik meende dat gij wijzer waart! Wat heb ik,
om overwinning te maken, met de vergankelijke schoonheid te doen? In Frankrijk
vindt men immers de leelijkste, en meteen de allerbeminlijkste vrouwen? Het
streelt mijne eigenliefde veel meer, alles aan mijne zegekoets te ketenen
zonder de hulptroepen der schoonheid en bevalligheid, dan of ik aan deze
wispelturige bende vele mijner overwinningen te danken hadde. “Een
verliefd meisje ben ik zeker niet.” Daar spreekt gij wel de fijne
waarheid! Ach, mijne ligtzinnigheid bevrijdt mij veel beter voor die gekheid,
dan de rede onze statigste meisjes immers doen kan. Ei wat, ik ben veel te
dartel, om onbetamelijkheden te kunnen doen. Wat legt Uw Wel Edele ook altijd
te vitten op mijn speelzucht? Moet ik dan niet in de mode zijn? Ja, daar dacht
gij weer niet aan.Is dat ook al mijn schuld? Ik weet zoowel als gij, zou ik
hopen, dat eene speelster, die halve nachten aan de speeltafel zit, geen kans
heeft op een gezonden ouderdom; maar wie zegt u, dat ik dien bedoel? Ik ken de
nadeelige gevolgen der driften, der verhitte nachtlucht, enz.; ik weet dat zij
ons bloed niet veel balsemieke deeltjes aanbrengen, ons vel bederven, onze
oogen verdoffen, enz., enz. Zoodra ik ook minder smaak heb in het spel, dan
bang ben voor de leelijke gevolgen die ik te gemoet zie, zal ik de kaarten
neêrleggen en mogelijk met Ajax uitroepen: Lig daar, gevloekt
geweer, tot mijn bederf geschapen!’
Nog doller wordt die overmoed wanneer tante Truitje, de kokette
die in haar twee-en-vijftigste jaar en nog niet schootvrij was (I 32),
eensklaps ontdekt dat Doctor Töller haar voor het lapje heeft gehouden, en
zij te rade wordt thans voor goed de hulde aan te nemen van den heer Louis
Basta, baron de Fridderac, een aanbidder ruim twintig jaren jonger dan zij,
even bouwvallig in het zedelijke als van ligchaam (II 218, 302; IV 149), gelijk
later bleek, maar zonder dat de dwaze vrouw daar toen erg in had. ‘Ma
chère nièce,’ schrijft zij aan Daatje (I 217):
‘Hoe dikwijls heb ik u wel gezeid, dat de mannen een hoope
ontrouw volkje zijn; maar gij, goed eenvoudig kind, wilde mij | | | | niet
gelooven! Nu ja, daar heeft die haatlijke Doctor Töller mij een
infideliteit gedaan, en dat zonder de minste reden. Hoe zal uwe mama mij
uitlagchen! Lieve Heer, was het dan zoo berispelijk, dat ik, in het best van
mijn leven, geen stokoud podagrist wilde hebben, nicht? Wel, wat heeft T.
immers een moeite om mij gedaan! Hoe zeide hij altijd, dat ik nog eene fraaie
dame was zoo als de waarheid is). En van mijne handen ook nog! zoodat ik er
zelf mee verlegen was. Maar de schoonheid exkuseert veel, en hij was waarlijk
op mij verzot. Neen, nu vertrouw ik die haatlijke mannen nooit weer. 't Is
haatlijk volk. Zij zouden ons zoo niet naloopen.... Wat is het mij naar,
Daatje, nu gij hier niet zijt! Nicht, wat ben ik met mijn tijd verlegen! Want
men kan toch ook niet altijd lezen, en met mijne kamenier een
voormiddag-partijtje te doen, dat gaat óók niet. Ik ga wel eens
voor tijdkorting in de kerk, maar het is altoos het oude en 'tzelfde. Daar is
Amsterdam nu toch weer beter van: men kan alle avonden of koncert of komedie
bezoeken, en altoos gezelschap krijgen. Daar komt nu het geval met Doctor bij.
Heden, nicht, ik heb hem zulk een kostelijken brillianten ring vereerd! Hij had
mij een recept gegeven voor dien vreeselijken uitslag in mijn aangezigt. Ik
durfde zoo een man geen geld presenteren, nicht. Maar, kind, ik hoor dat hij
zoo een vrijgeest is en tegen de kerk of de godsdienst schrijft, dat weet ik
zoo net niet en uw vader plag daar nogal onderscheid in te maken; maar dat was
mij te geleerd. Als dat waar is, mag ik blijde zijn; want mijn eigen dierbaar
geloof is mij vrij wat meer waard dan zes Doctors Töller. En men weet
nooit waar een slecht man zijne vrouw toe krijgen kan. Nu komt alles uit. Ik
hoor, dat hij zulk een raar portret van een zuster heeft, en dat men hem in de
wandeling Hans Dondergoud noemt. Het kan wel gebeuren dat ik, om mij te wreken,
nu den heer Basta nog maar neem; maar men zou dusdoende wel afgeschrikt worden,
als de mannen zoo wreed zijn.’
| |
XXIV
Aan de baldadigheden van Daatje's antwoord (I 219) ge- | | | | voelt men dat zij een keerpunt in haar leven nadert. Holde zij op die wijze
onbeteugeld voort, er zou niets van haar teregt komen; allerminst zou uit haar
de aangename vrouw groeijen, waarvoor zij door hare geestelijke petemoei in de
wieg gelegd en ten doop gehouden is:
‘Waarde tante Truitje! - Dat had ik nooit gedacht! Zijn de
mannen zulke monsters, zulke apekoppen? Hoe goed is 't dat ik er niets mede te
doen heb! Ja, ik zal, nu gij er toch wat van weet, u meer zeggen. Daar is nu
die schrikkelijke Doctor: wat doet hij? Wel dat kunt gij zoo niet denken. Hij
is razend op mij verliefd. En zou ik zulk een booswicht nemen die daar mijn
tante zoo affronteert? En nu hij ziet dat ik hem niet begeer, zoekt hij ruzie
onder ons te stoken. Nu, gij kunt denken hoeveel geloof hij verdient. Maar ook,
het is uw trant niet. Hij is een vrijgeest, of een remonstrant, of zoo iets, en
zijn zuster draagt maar een japon. Hij schrijft tegen uw geloof: neem hem des
niet. De baron is wel fatsoenlijker man, maar bedroefd wispelturig. O, dat is
ellendig! Hij noemt u ook la belle par derrière, en spreekt veel
kwaad van uwe zijden franjes. Hij is u niet meer waardig dan de Mof. Zie het
nog wat aan! Wat haast hebben wij, meisjes? Als men getrouwd is, zijn onze
blijde dagen uit, tante. En komt men in de kinderen, dan is het nog doller. Wat
ziet de baron er ook miserabel bij u uit! Weet gij wel dat hij maar valsche
tanden draagt? Weet gij wel dat hij zijn toepet maar over zijn zakpruik kamt,
om ons de oogen uit te steken? Weet gij wel dat hij nog twee meisjes gekamerd
houdt? Zie, ik ben nu maar die ik ben, en in verre na zoo rijk niet, en ook
niet zoo mooi als tante; maar ik zou zulk een verpieterden, opgekonkelden
petit-maître niet willen hebben, al had hij nog zes baronyen (in de
maan). Gij houdt evenwel koets en paarden, dat zou ik ook denken. Mama is niet
al te wel. Zij weet, denk ik, niets van uw droevig geval. Ei, lieve tante, leen
mij nog eens een vijftig dukaten; ik speelde weer zoo ongelukkig, en ik moet
immers mijne familie geen oneer aandoen door laag te spelen; dat verstondt gij
nooit. Als ik het geld heb, zal ik u eene obligatie zenden. Van uwe secretesse
houd ik mij verzekerd.’
| | | |
Meer slechte manieren dan slechte zeden! zegt de
lezer; en hij heeft gelijk. Daatje's wildzang is de wildzang van een bedorven
kind en levenslustigen knaap, die van gekheid niet weet wat hij met zijn
ledigen tijd zal aanvangen. Ofschoon eene volwassene jonge vrouw, maakt zij den
indruk van een student in hoepelrokken, en schijnt haar te eenemaal het
aanvallige, tedere, en geheimzinnige te ontstaan, hetwelk de liefde der mannen
pleegt op te wekken. Zij behoeft een drilmeester, zou men zeggen, meer dan een
minnaar.
Niettemin wordt zij ten huwelijk gevraagd. Waarom? Dit vertelt ons
de minnaar zelf, Abraham Rijzig, in een brief aan een vriend (I 226):
‘Ja, twijfel er maar niet aan: ik ga trouwen. En mijn meisje
is noch hetgeen men doorgaans schoon ook niet hetwelk men met meer regt
huiselijk noemt. Wat behoeft mij dat een ander te zeggen? Ik ben immers een
eerste voorstander van met mijn eigen oogen te zien. Maar hetgeen mij alleen
staat te beoordeelen is dit, - zij behaagt mij. En als een meisje, dat niet
mooi is, aan een man behaagt (op den duur meen ik) dien men niet wel voor een
gek kan houden, dan zeker moet zij iets hebben, 'twelk nog sterker treft dan de
uitwendige schoonheid. Mijn meisje is jufvrouw Leevend. Maakt zij 't
wél, dan zal zij een beter man aan uw vriend hebben, dan zij durft
gelooven. Dat zal magtig in de hand vallen. Ik ben thans zoo weinig
inschikkelijk, dat lieden die ons niet kennen, er op zouden vloeken dat wij ten
minste een jaar of vier met elkander zijn opgescheept. Ik koop hare genegenheid
ook niet door kostbare babioles, die in zich zelf geen waarde hebben en
waarmede onze jonkertjes hunne adorables de oogen verblinden. Ik zeg nu altijd
mijne gedachten (echter met bescheidenheid); dit zal ik langst uithouden. En ik
merk niet, dat mij dit zeer ondraaglijk bij haar maakt; zij moet des verstand
hebben. Zij weet reeds dat ik nooit speel, zelden in de komedie ga, en maar
tweemaal 's weeks op 't koncert ben. Zij weet reeds, dat ik een vriend ben van
het huiselijk amsterdamsch koopmansleven. Mijn kleeding is haar veel te
eenvoudig, en hoewel mijn eigen hair haar niet kwalijk bevalt, heeft zij toch
een schrikkelijke pik op mijn hoed. Zij | | | | heeft al eens ondernomen
er eenige potsige aanmerkingen over te maken: hieruit zag ik dat ik duizend
oogen zal moeten hebben, om toe te zien dat zij mij niet uit mijn regt lacht.
Mijn hoed blijft echter zoo als hij is, en indien zij in een jaar niet veel
minder vlaggen en wimpels voert, zal mijn naam geen Bram Rijzig zijn. Zij weet
reeds, dat mijne moeder eene deftige ouwerwetsche vrouw is; en ik zeide haar,
dat zij zoo eenige eigenzinnigheden had, maar dat zij, jufvrouw Leevend, zeker
zoo wel als ik begreep, dat men een vrouw van zestig jaar niet kon vergen, zich
naar jonge lieden veel te voegen. Zij vreest al reeds, dat wij bij mama gaan
inwonen. Dit is mijn oogmerk niet; ik zou er hartelijk voor bedanken; ook dit
zal des toevallen. 't Is een lieve rare meid! Waarachtig, zij zal mij foppen,
zoo ik niet op de schijven pas; maar ik heb vast besloten haar tot eene lieve,
hupsche, voor mij allerbeste vrouw te maken: zij is deze moeite dubbel waardig.
Vóór den aanstaanden winter moet ik getrouwd zijn. Dan hoop ik u
een aardig stout bevallig wijf te doen zien, die met mij ten minste zesmaal
daags overhoop ligt.’
Rijzig pocht niet, wanneer hij zich als Daatjes aangenomen
verloofde voordoet. Tusschen haar en hare moeder zijn eenige dagen te voren de
volgende gedachten gewisseld (I 233):
‘“Nu wij toch van trouwen praten, Daatje: zijt gij nog
zoo afkeerig van het huwlijk? - Hoe afkeerig meent mama? - Moet
ik duidelijker spreken? Zoudt gij kunnen besluiten om de konversatie met een
braaf man toe te staan, als het zijn oogmerk zij te zien, of eene nadere
verkeering een goed huwlijk zoude beloven? - Wilde mama niet vragen, of ik nog
langer de kokette wil spelen? - Net getroffen! - Moet ik beslissend antwoorden?
- Ja, want daarnaar moet ik te werk gaan. Ik zal niet toestaan, dat gij met een
waardig man zult omspringen als met een paar douzijn malle jongens. Wat zegt
gij? - Die vraag is moeijelijk. Mag ik weten wie de verliefde gekskap zij, die
aan mij zin kan hebben uit meenens? - Ik heb mijn antwoord weg. Neen, gij zult
het niet weten. Ik zal hem bedanken. Geen braaf man zal gedupeerd worden. -
Heden, mama, wat zijt gij ook statig! Wie zou lust tot trouwen hebben, daar men
zoo veel kwade huwlijken ziet? Mijn- | | | | heer uw man maakt mij 't huis
te benaauwd; evenwel, kwalijk getrouwd is, geloof ik, nog wel ruim tien percent
erger. - Dat is waar; maar ik zou u ongaarne getrouwd zien met een man, die
zich uwe manieren van leven liet welgevallen, alleen omdat hij u niet wist te
leiden. - Mijne manier van leven! Wat misdoe ik dan? - Misdoen? dit woord heeft
eene ruime beteekenis. Gij leeft maar als de meeste jonge dames. Gij schijnt
ook maar niet te begrijpen, dat eene vrouw eigenlijk voor het huiselijk leven
geschikt is; dat men nooit te rijk of te aanzienlijk zijn kan, om nergens van
nut te zijn dan aan eene speeltafel of op een danspartijtje. En zulke meisjes
kunnen geen degelijke vrouwen worden. - Gij hebt gelijk mama. Uw voorbeeld
geeft u regt om dus te spreken. Zeg mij nu, wie is de man, die aanspraak op mij
maakt? - Mijnheer Rijzig. - Bram Rijzig! wel, ik sta er verbaasd van. Bram
Rijzig? - Dezelfde. Zijne moeder heeft mij verzocht, of ik de konversatie wilde
toestaan. Ik zal u niet dwingen. Gij moet hem slechts niet voor den gek houden;
dit verbied ik u ernstig. - Ik zal er mij eens op bedenken. - Goed, en meld mij
uw besluit.” - - Wel, Pietje, wat zegt gij van die partij? Jammer, dat
mama mij zoo op de vingeren ziet. O, ik zou hem nog zoo gaarne
óók eens drillen! Als ik evenwel ook nog eens meen te hyliken, is
Bram zeker de beste uit de korf. Maar vindt gij het niet dood ouderwets, dat
zoo een flinke bol zijne moeder naar de mijne laat klungelen, zonder tegen mij
zijn bakkes open te doen? Had ik het hier vrolijker, of was Wim thuis, en kon
ik met hem wat meer slenteren, ik zou den eerzamen Abraham Rijzig hartelijk
bedanken. Nu verpligt hij mij, en ik ben niet ondankbaar. Ik zie hem meermaal
op 't koncert. Met hem zou dat nog wel wat heenbruijen: maar hoe zal ik
het met de Ouwe schipperen? 't Is nog een vrouw uit de Ark. Zij moet voorzien,
dat zij mij naar haar hand zal kunnen zetten, anders begrijp ik het niet. Hij
is heel rijk, hoor ik... Laat ik u maar zeggen zoo als 't is! Hij is hier reeds
meermaal geweest, al houd ik mij of gisteren dit tooneeltje eerst geopend
wierd. Ik was knorrig over uw niet schrijven, doch ik kon 't niet uithouden...
Wat raadt gij mij? zal ik hem maar vroeg of laat nemen?’
| | | | | |
XXV
Terwijl Daatje het met zichzelve nog niet volkomen eens is hoe te
doen, gaat zij het reeds herinnerd bezoek aan Tante Martha brengen,
geëindigd met de vermaarde wandeling in den tuin en met oom Frederyk's
opmerking: ‘Jan, kom ereis hier met jen schaar; wel, wat satan! zie je
dan niet dat Adam een bogchel krijgt.’
Het is geen ongewoon verschijnsel dat iemand, die op het punt
staat een gewigtig besluit te moeten nemen, zich een wrijfpaal kiest en anderen
voor zijne eigen zenuwachtigheid laat boeten. Iets van dien aard zal het
geweest zijn wat in de dagen harer onzekerheid Daatje dreef, zonder noodzaak of
ernstige aanleiding, een langen en schandelijk ondeugenden brief aan de brave
schippersvrouw te schrijven (I 253):
‘Hoog-Eerwaarde Tante! - Daar kom ik, zooals het spreekwoord
zegt, met de deur in huis. Bijzonder heb ik mij op uwe buitenplaats, en met
alles wat daarbij en omtrent is, gediverteerd. Gij hebt een schoon huis, een
schoonen vijver, en een schoone menagerie. Mag ik iets aanmerken? Het zou dit
zijn, dat uw vischkom wat volle groot is voor doopbaars. Smijt er liever een
dikke paling drie vier in: dat zal veel vrolijker staan. Gij moest ook op het
gezigtje, dat voor den vijver is, laten zetten: Aalmeer. Hierin zou nog
veel nuts liggen. Vooreerst zou het uwen vijver zeer naauwkeurig aanduiden; het
zou Zeemansrust zeer beroemd maken. Eeuwen na uwen dood zouden er
geleerden zijn, die zich het hoofd braken om den oorsprong van dit woord op te
zoeken. Zij die stelden dat hier paling in gehouden was, zouden uitgelagchen
worden door hen die meenden, dat uwe buitenplaats had toebehoord aan een Zeeuw,
die zijn geld in Oost-Indien gewonnen en dit daar als een memento mori
gesteld had; en dat de H door dien lompen Zeeuw vergeten was, zoodat men
moest lezen: Haal meer. Anderen zouden aantoonen, hoe bespottelijk dit
gevoelen ware. Een Zeeuw, die rijk tehuis komt en op zijn gemak leeft, zou gaan
schrijven: Haal meer! juist of die niet eens voor al genoeg beschaard
had. De voorstander van dit gevoelen zou nederig | | | | in bedenking
geven (maar niettemin razend boos worden op elk die er aan durfde twijfelen),
of dit ook eene conscientieuse bedenking ware over het door de vingeren druipen
van oost-indisch geld, even alsof de steller van dit opschrift had willen
zeggen: 't is op en haal meer: 't is gruis van den drommel, het bakt
niet. Mogelijk biedt er dan nog wel een Genootschap eene medailje ter waarde
van zestig dukaten, aan hem die de fraaiste gissing daarover weet voor den dag
te halen. Bewaar des onze brieven. Zij zullen dan, en dat wel naar mate zij
onleesbaar zijn, als dierbare manuscripten worden opgedolven, en met
verscheiden lezingen en nooten worden uitgegeven. Dan zal men zien, wat er van
de zaak zij. En wij zullen nog eeuwen na onzen dood medaljes laten verdienen
door die bij uitstek nuttige leden onzes vaderlands, welke zich in
misschienen en mogelijkheden uitsloven. Wat zou dat groot zijn!
- Nu ga ik (en zoo doen echter alle Jufvrouwen Savantes niet!) van de
geleerdheid tot de huishouding over, en u over Nies, mama's schoonmaakster,
onderhouden. Zeker, tante, zoo doen onze Kokette Dames niet: die zien veel
liever in den spiegel, dan dat zij het huishouden betrachten. Ik geloof (maar
durf mama dit niet vragen), dat Nies mooi schoonmaakt, want ik zag daar in de
secretaire, die zij gewreven had, dat Belair mij scheef heeft gecoiffeerd. Dat
zij de olie schoon uitwrijft, besluit ik hieruit, dat zij een groote mand met
oliedoeken bij zich heeft staan. De trappen zullen wel wit zijn, want van
morgen ten tien uren kon ik al geen oog meer toedoen, zooveel geweld maakte
zij. Dat zij zindelijk is, zal wel waar zijn, want zij vroeg daar om een
leêren lap of schootsvel, om de glazen af te doen, en zij had er evenwel
een bij de hand. Gaauw? Zóó was zij op den turfzolder, en
zóó, zie ik, koopt zij beneden een liedje van: Het zware Recht
ofte Justitie. Neem jij Nies, tante; ze zal je boomen witten als linnen, en
uwe straat schrobben als dukatengoud. Dan kom ik vast bij u. Maar dan moet gij
mij ook al de oost-indische pracht van juka's en rokken laten zien, die nu zon
noch maan aanschouwen; die moeten dan aan 't lijf: en dan gaan wij te zamen op
een open wagentje eens: vooruit ligt de weg! Ja, ja, ik kan zoo schoon
mennen. Oom moet maar van de oost-indische kippen laten vliegen. Het pachtspul
van halve rijers | | | | zal er aan gelooven. Ik za1 hem wel te vriend
houden, en gaar alvast alle prijscouranten en begraafnisbriefjes voor hem op.
Aan onze keukenmeid gaf ik twee zesthalven voor de Reis van Bontekoe:
die zal ik oom vereeren. Maar als ik weer eens buiten ben, laat dan toch dat
Betje van daar naast niet zoo staan teuten en gapen bij elk boterbloemetje en
onkruidje, of een halve predikatie er bij doen. Dat kleutertje vindt zoo veel
raars in een onzelieveheershaantje, als ik in een nieuw lint of gij in uw
kaauw kaauw. Zie, zoo zijn die burgermeisjes! Ik zend hiernevens een
strookje rood fluweel van vader Van Oldenburgs kamisool. Laat er de zilveren
bellen opnaaijen, dat zal op den mooijen gelen hals van uw hond, dat dikkertje
met die gekrulde staart, wél afglimmen. Laat hij het geringe voor lief
nemen. Mijn broêr studeert als een vorst; en of hij er voor tijdkorting
en ter verversching van het gehoorde zoo niet wat onder vrijt, zal de tijd
leeren. Ja! mogt ik dat beleven, dat hij de gemeente Kipdorp nog eens
stichtte!’...
Over Bram Rijzig en zijne huwlijks-aanvraag, over het onderhoud
met mama en de bekentenis aan Pietje, geen woord. Tante's huis, tante's hof,
tante's man, tante's kees - alles wordt speelgoed onder Daatje's handen en stuk
gesmeten, mits zij afleiding vinde voor de gedachte aan haar bedreigd
jufferschap. Maar tante Martha, óók niet op haar mondje gevallen,
en nog onbekend met de ware drijfveer van Alida's plagerijen, blijft het
antwoord niet schuldig (I 247):
‘Wel, Nicht, je hebt je daar kappetaal uitgesloofd! Is dat
een brief, zoo vol sjokkasies op jen oom en tante! 't Staat je wel! Omdat je nu
van wat hooger komaf bent, en in een dubbeld huis op de Heerengracht woont, en
jen vader zijn geld niet zoo zuur op zee en onder onzen lieven Heers weer en
wind gewonnen heeft, en omdat je nu juist in 't haar gekapt zijt, zonder een
muts op jen hoofd, en net zoo als een harlekijn zijt opgeschikt, met
veêren op jen trompet, nu beeldt gij UE. magtig wat in, en denkt dat 's
keizers kat jen nicht is: en och heer! het biest kent je niet eens. Jen
oom en ik bennen miserabel boos over jen brief, waarin gij zoo sjokkeert op
onze familie, dat wij er geen woord van kunnen verstaan. Nou, hij is met een
staand zeil naar je toe, om eens te hooren wat | | | | of gij al op ons
te kardiezen hebt. Heb jij zoo een groote plaats, zoo een groote vijver? Spring
er in, dan is er ook Aal in. Ha, ha! Zie ik kan ook wel passekwillen maken, al
heb ik niet op 't fransche school gegaan; om netjes te leeren breijen, en
koeteren dat hond noch kat het verstaan kunnen. Ik zeg: kruisen en zegenen zou
men zich om zulke floddermadammen, zulke judeken! Ik jou brieven bewaren? 't
Zijn nog al mooije stukjes! Opdat de geleerde dominees, als wij lang dood en
verrot zijn, hun neus nog eens in onze boel zouden steken? en op onze plaats,
die mijn man met God en met eere heel uit Oostinje gehaald heeft, zouden staan
kijken en gapen, en nog voor hun twisten en tandtrekken gouden medaljes toe
krijgen? Hoor, juffertje, wij begrijpen dat heel anders, en zoo lang als mijn
oogen in mijn hoofd staan, zal er geen Aalmeer gezet en geen paling in
den vijver gedaan worden. En zou mijn zoon naar Oostinje? Daar heeft hij te
gezonde lijf en leden toe. Mijn zoon naar Oostinje! wel wie hoort er van? Stuur
jij jen broêr naar Oostinje, die te Leyen mooi weêr speelt. Je zou
je waarlijk beknijpen en bekrabben, dat zou je je! Maar men wordt nooit van een
koets, maar altoos van een aschkar overreeën, - dat ik nog zoo een zondig
woord spreek; maar jij haalt een mensch de vloeken uit de keel. 't Geld zou wel
gaauw op zijn, als wij het zoo verkwanselden als jij, floddermadam. Moet je ten
tien uren nog niet uit jen bed geschreeuwd worden? Ik moest Nies zijn, of ik
jou ook ten bed uitbonjourde! Apperepo, moet je ook niet al Mevrouw hieten?
Wist men in mijn jeugd van dat gemenvrouw? 't Moet onzen Gerrit mooi
tuigen, dat zijn vrouw Mevrouw hiet; en zijn eigen vleeschelijke moeder hiette
nooit anders dan Lysbet uit de Wenteltrap: want zij deed een lakenwinkel
op den Nieuwendijk, kind. Nou, ik beklaag den kerel, die jou krijgt.De vrouw 's
voormiddags lui en leeg te bed; 's namiddags op visite of aan 't lanterfanten
naar 't Oudmanhuis; om een zesthalf, die men besteedt, de menschen een gulden
moeite aandoen; en 's nachts met die verweerde troefbladen. Wat zal 't zijn?
armoede in het end. Want al hadden zulke klungels koningsgoed, zij raakten er
door. Neen: jij krijgt nu mijn jongen niet, dat is glad af; zoo kan hij altijd.
Jen moeder is een | | | | zoet stil mensch: daar zit je immers als een
beul dwars over heen? daarom moet ik het je eens ongezouten zeggen. Ik ben jen
tante, 't is mijn post en pligt. En wat raken jou men oostindische juka's en
rokken? Bennen zij zoo goed niet als jou fransche konkelkraam; daar je de
godgantsche stad mee door dik en dun loopt? Zien zij zon noch maan, dan
slachten zij jou maar; als de zon schijnt, leg je te bed, en als de maan
schijnt, zit je te spelen. En het is nog niet genoeg dat je jou eigen familie
affronteert: jij moet nog andere lui bij de rug ophalen. Ik ben op jou
nieuwtjes niet eens gesteld. Wat vraag ik naar Jufvrouw Koket en naar Jufvrouw
Savante? zij zijn misschien nog beter dan jij bent. Ik ken de menschen niet:
och neen, ik! En ik zou wel aan mijn nicht dienen te vragen, wie of ik
verzoeken moet? Betje van hier naast is jou te gering? Jou grootsch nest van
een meid! En mag zij niet zien hoe God de Heer alles schept en regeert, amen?
Maar komaan, wat ben je nu toch méér dan een burgers dochter? Jij
hoeft mijn man geen boeken te koopen; mijn man heeft jou boeken niet noodig:
mijn man heeft zelf boeken, en Bontekoe's Reizen ook, allemaal. En ik
zou met zoo een wilde rabas van een meid op een open wagentje gaan zitten? Dat
heb ik in mijn rug! De buren zouwen denken dat ik met een madam uit de komedie
reed, zoo ben je gevlagd en gewimpeld. Studeer jij nog liever wat in het boek
van Jacob Cats: dat zal je wat nutter zijn dan op open wagentjes te zitten,
zonder muts op jen hoofd. Jij behoeft zelf niet te schrobben en te schuren; dat
weet ik wel; maar leer ten minste huishouwen. Of ben jij nu beter dan
burgemeester T. zijn dochter? Die heeft daar wel een godgantsch behangsel voor
een bed geborduurd, allemaal uit de Schrift; en met engelen, dat het zoo een
lust is om te zien. En jij kunt wel wat doen. Je hebt begut verstand of je een
dominees dochter bent. Maar ja, zoo menigen Franschman! - Wij verstaan jen
brief niet. Nou, oom is naar jen toe. Ben jij rijker als wij, eet dan met twee
lepels. En op mijn jongen moet je nou jen mond niet maken. Hij kan zijn visch
wel beter ter markt brengen. Jij zou een liefelijke vrouw voor hem zijn! Laat
hij een meid nemen die niets heeft dan haar eertje en haar kleertje, daar zal
ik niet naar | | | | kijken; want gierig bennen wij niet. Ik moest jen
moeder zijn, of ik jou reis handen uit de mouw zou doen steken! De dominees
hebben geen ongelijk, als zij zeggen dat ons land door de pracht en
grootschheid onzer kooplui te gronde gaat, en dat onze lieve Heer daarom de
Engelschen toelaat, al onze schepen en kolonien weg te nemen. Want wat was jen
vader toch anders dan een koopman? Ik heb hem wel gekend, en jen grootvader
ook: Willem Leevend, of eigenlijk Willem Pieters. Hij ging er zoo maar op zijn
oud Menist door, en zei altijd dat zijn grootvader maar een weversknecht
geweest was; en daar sprak de man wél aan. Een slecht mensch, die zich
zijn voorouwers schaamt. Zag hij nu reis op! Wel kind, hij sloeg zijn handen in
mekaar om zoo een beroerde kleindochter, en om al de fierlefieten die ze
aanheeft. Jij lijkt wat naar jen grootmoeder! Die ging met een kuifmutsje en
een zijd japonnetje alle zondag ter kerk; en op zijn breedst was het jufvrouw.
En het waren menschen van kappetaal. Nu weet gij, juffertje, dat ik geen wolle
lap ben, al ben ik uw tante, Martha de Harde.’
| |
XXVI
Even langzaam intusschen, maar ook even zeker, als, volgens de
zedespreuk in de latijnsche grammatica onzer jeugd de goddelijke toorn in de
wereldgeschiedenis, verrigt in Daatje's gemoed de liefde haar werk. Het proces
vertoont geheel het karakter van plaagzieke wraakoefening, dat volgens de
nieuwste wijsbegeerte het metafysische in dien hartstogt uitmaakt; en wie niet
beter wist zou wanen dat jufvrouw Wolff,
Kant voorbij, Schopenhauer en
Hartmann gelezen had. Aangevangen met
eene konfidentie aan Pietje Renard, wordt de onthulling van Daatje's geheim
door haar zelve voortgezet in een brief aan haar broeder Willem (I 264):
‘Nu verzoek ik, dat gij attent zijt; want ik ga u iets
vertellen waarbij ik nog al belang heb. Ik heb dan, moet je weten, een
wezenlijken vrijer, en wel zoo een, die den onafmeetbaren afstand tusschen hem
en mij begrijpt; want hij heeft uit puren eerbied voor mij, zijne Meesteresse,
zijne Be- | | | | heerscheresse, zijne Godesse (die uitgangen in
esse zijn zoo muzikaal voor mijn gehoor, dat het mij spijt die maar
driemaal te kunnen bijeenschrapen), geen enkelen kus durven geven. De borst is
des zoo nederig als ik een aanstaand heer en meester kan verlangen. “Ja,
de een of andere half verflenste petit-maître, of weduwnaar met een huis
vol kinderen.” Neen, mannetje, dat heb je eventjes zoo wat mis. Wil ik u
maar man en paard noemen? Wel, het is - de heer Abraham Rijzig, koopman te
Amsterdam, wonende op de Keizersgracht. “Wat! die rijke Bram
Rijzig?” Juist dezelfde. “Dat is vreemd.” Zwijg, Wim; denk
dat ik uw zuster ben, en wie zijn neus snijdt, schendt zijn gezigt. Gij kent
hem niet van persoon? 't Is goed dat ik zoo een pik op mooije jongens heb;
want:
“Hij heeft zoo (op zijn best) een daaglijks wezen:
Bruin haar, een zeeuwsche kleur, zoo wat egyptisch blond,
enz.”’
Dit portret van Abraham Rijzig was, toen Willem Leevend in
het licht verscheen, een oude kennis van het publiek, maar een
gemetamorfoseerde kennis. Met dezelfde trekken had jufvrouw Wolff reeds in hare
Gedichten tot tweemalen toe hare eigen beeldtenis geteekend, alleen voor
een zeeuwsche kleur, in de eerste uitgaaf, bij de omwerking zeer
weinig kleur in de plaats stellend.
1 Wij maken er uit op dat zij bij het schetsen der karakteristieke
echtelingen in den roman, zichzelve als het ware uiteengenomen heeft, haar
geest aan de bruid leenend, hare gelaatstrekken aan den bruidegom. Een
toonbeeld van manlijk schoon is er niet mede bedoeld; want Daatje vervolgt, als
boete doende voor het egyptisch blond:
‘Met dat al een bakkes dat wat zegt, en een paar heldere
kijkers. Het is niet waarschijnlijk dat hetgeen gij en alle aandoenlijke zielen
liefde en ik malligheid noem, mij foppen zal; mijne verwaandheid kon mij echter
bedriegen. Ik, Alida Leevend, eene kokette, spotzieke beuzelaarster, ik, zoo
een nul in de Schepping, zoo een verfranschte niet-met-al, kan je daar gaan
strijken met den eerzamen Bram Rijzig: een knaapje, waarmede eene Chrisje, eene
Coosje, en al zulke lichten van | | | | ons geslacht, het zouden kunnen
stellen. o Welk eene zegepraal! Ik begrijp echter niet, hoe Cupido het heeft
gedraaid om Rijzig op mij af te sturen. Trouwens, dat is hunne zaak. Ik bemoei
er mij niet mee. Ik moet hem nemen. Niemand heb ik dit mooije nieuwtje verteld,
dan Pietje. Ik vroeg haar om raad: evenwel niet vóór ik mijn
partij al genomen had: dat valt zoo in mijn manier. Komt de boêl gek uit,
dan kan men altijd zeggen: Je hebt het mij evenwel zoo krachtig aangeraden. o
Welk een overheerlijk vijgeblad! Hier komt nog bij, dat ons huis nu net het hol
van Trofonius gelijkt; en ik ben voor de vreugd. Mijn conscientie legt ook
gedurig te morren en te talmen over mijn manier van leven. Ik heb des eenige
voorwaarden, waarop ik zoude kunnen besluiten om hem aan te slaan; evenwel nog
zoo terstond niet. Zie hier mijne konditien: 1° Hij moet zich zoo weinig
als mogelijk zij met mij bemoeijen, want hij is mijn man; 2° Hij moet met
mij in het eerste jaar een reisje naar Genève doen en over Frankrijk
thuis komen; NB. te Parijs overwinteren; 3° Zijne knechts zwieriger koorden
op hun livrei geven; 4° Een ordentelijk speldegeld, door mij te bepalen,
vast bezorgen: 5° Ik moet vier saletten 's weeks houden; 6° Wij moeten
nooit een geheele week buiten zijn; 7° Hij moet zijn hoed anders optoomen.
- Indien nu mevrouw Rijzig haar zoon en erfgenaam belette, deze voorwaarden
zeer beleefd te onderteekenen, dan kon het gebeuren dat ik (ja zie, zoo ben
ik!) dat ik dien zelfden Bram Rijzig zoo maar eens voetstoots evenwel -
name!’
| |
XXVII
Dus begon die oud-hollandsche vrijage tusschen een jongen man van
dertig zonder schoonheid, en eene jonge vrouw van vijf-en-twintig die zich
zelve een groote lange sprinkhaan noemde (II 151).
Voor het uitwendige ontbreekt aan dit huwlijk alle poëzie,
elke soort van adel. Maar dit is slechts schijn, en een gevolg der oneindige
verscheidenheid van vormen waaronder het verhevene pleegt op treden.
Tusschen de wereld der engelen en de wereld der duivelen | | | | ligt de wereld der humoristen. Hunne opvatting van het leven getuigt
aan den eenen kant van onvermogen, want zoo zij in zich de kracht gevoelden
deugdzaam en niet onbeminlijk, waardig en niet stijf of koel, aandoenlijk en
niet week te zijn, dan zouden zij het beneden zich achten met zulk een
tweeslachtig bestaan als het hunne genoegen te nemen.
Doch zijnde die zij zijn, kunnen zij niet anders. Wat er op den
bodem hunner ziel aan grootheid en goedheid sluimert en hunne ingenomenheid
bepaalt, wordt verborgen onder een schijn van koelheid, berekening,
brooddronkenheid, scherts. Zij gevoelen dat zij zich belachelijk zouden maken,
zoo zij regt toe regt aan op hun ideaal afgingen; en daarom bezigen zij een
omweg.
Het is, in het zedelijke, dezelfde onbewuste taktiek welke de
vrouwen leidt bij de keus harer kleeding. Eene geboren soubrette beseft
instinktmatig dat het toilet eener treurspelkoningin haar misstaan zou; en
omgekeerd zal geen geboren matrone te bewegen zijn, in herderinnedos te
verschijnen. Doch cela n'empêche pas le sentiment, gelijk men
zegt. Herderinnen of matronen, soubrettes of tragédiennes, - er gaat
door alle menschelijke wezens één zelfde stroom van aandoeningen;
en het best brengen zij het er af, die in hunne rol blijven en de natuur geen
geweld aandoen.
De afwezigheid van elken hartstogt bij een man als den jongen
Rijzig sluit geenszins diepte van gevoel uit, evenmin als de ligtzinnigheid van
Daatje Leevend dit doet. Hij zoekt eene vrouw die hem behaagt: zeker de
eenvoudigste formule waaronder het mogelijk zij, de sterkste aller manlijke
driften te brengen. Maar voor iemand van zijn stempel waarborgt die voorkeur de
zuiverheid van al het overige. Het is een onbaatzuchtig verlangen,
voortspruitend uit de behoefte aan een bepaalden vorm van huiselijk geluk,
zoodat het slechts van de omstandigheden zal afhangen, van dien eenvoudigen man
een held te maken.
Wat Daatje betreft, - men hoore haar antwoorden op de mededeeling
dat hare vriendin Renard gevraagd is door zekeren heer Cornelis Everards.
Anders is de wijze waarop Vondel in Gijsbrecht van Amstel de
huwlijkstrouw laat bezingen, anders de toon waarop Daatje Leevend over haar
aanstaanden man spreekt | | | | en hem bij den aanstaanden man van Pietje
Renard vergelijkt. Maar het geheim van een gelukkigen echt wordt er even klaar
in aangeduid (II 176):
‘Veel geluk, Pietje, met uw vangst! o Nu zal mijne vriendin
de zachte neigingen van haar murwe hartje kunnen voldoen! Het zal zijn: mon
cher, ma chère, mon âme, mon amie: want Kees
ziet er ook heel zoetappelachtig uit. Pietje zal geen troef verzaken, en uit
denzelfden grondtoon accompagneren. Ha, ha, dat zal een aardig kontrast zijn!
Rijzig altoos op de brandwacht, om te zien of zijn weergasche stoute heks van
een wijf hem ook een kans poogt af te zien. Everards altoos vaardig om zijn
lief vrouwtje in alles te voldoen. Rijzig zal zeggen: “Toe kind, stap in;
dat talmen verveelt mij al: de paarden moeten zoo lang niet staan.”
Everards zal wenschen, dat alle koetsen op engelsche veren gingen en heel
Amsterdam met rozen bestrooid ware, zoodra hij maar zes weken getrouwd is, u
gedienstig in het rijtuig helpen en zoo verheugd als een bruigom naast je
zitten. Rijzig zal roepen: “Ik groet je, vrouw,” en aan de trap
blijven. Everards zal niet naar de beurs kunnen gaan, zonder zijn schat wel
heerlijk gekust te hebben. Rijzig zal grimmen, omdat er een knoop van zijn jas
is. Everards zal niet willen hebben, dat gij hem zijn rok helpt aandoen. Rijzig
zal, als wij theedrinken, in een vod van een prijscourant studeren of in zijn
brievetas schommelen. Everards zal met u praten, wat nieuws vertellen, of iets
moois voorlezen. Rijzig zal mij geen een nieuwtje thuis brengen. Everards zal
voor u musiceren en, wilt gij, een partijtje omberen. Ik zal zeggen: “Nu
ja, ja, tuttermatut, de wereld is niet razende gemaakt.” Gij zult aan
Everards oogen zien wat hij wil; gij zult uw man, als hij in de kamer komt, een
hand, mogelijk een kus geven, gij zijt er gek genoeg toe. Ik zal vrij knorrig
zeggen: “Toe, Rijzig, talm zoo niet; het eten wordt koud.” Gij zult
zingen, ik zal pruttelen. Maar beiden zullen we evenzeer in onzen schik
zijn. Ik althans zou mijn klant voor uw bloemzoeten man niet willen ruilen.
Rijzig zou u doen schreijen; Everards zou mij vergiftig, balddadig en
ongezeglijk maken; ik zou zijn geflikflooi niet kunnen dulden. Gij zoudt Rijzig
kunnen vreezen. Maar liefhebben? nooit.’
| | | | | |
XXVIII
Tedere gelieven zijn alles voor elkaar, en dat is goed; maar de
niet tedere zijn ook nog iets voor hunne medemenschen, en dit kan geen
kwaad.
Hoe vervuld ook met haar aanstaanden heer en meester, Daatje
Leevend blijft belang stellen in de personen en dingen om haar henen, niet het
minst in de lotgevallen van haar broeder Willem, dien zij van jongsaf hartelijk
heeft liefgehad. Bijna de bruid, is zij daarom geen minder goede zuster
geworden en beschaamt andere jonge dames die, als zij aan trouwen gaan denken,
hare jongere broeders en voormalige speelmakkers wel eens links laten liggen.
In één adem schrijft zij over Rijzig's aanzoek en over het vers
van Willem tegen de praedestinatie, oorzaak zijner verkettering. Vol van beide
onderwerpen, behoudt zij bij het aanroeren van beide hetzelfde heldere hoofd
(II 177):
‘Wat zal men zeggen? Een ongeluk komt zelden alleen. Dat
zien we aan Wim! Eerst trof hem het treurig ongeluk, dat hij dominé
moest worden; toen werd hij dolend ridder van Lotje en komt met een gat in zijn
hoofd en een gescheurde rok, zoo moede als een stooters haan, van het slagveld.
En nu? Nu is hij een poëet geworden. Foei, ik schaam mij half dood! Geeft
de jongen nergens om? Nu kan hij waarachtig nog genootschapje gaan spelen en in
kreeft- en keerdichten het berouw van Petrus en de woede van Judas uitbrommen.
Wie weet of hij ons nu nog niet met een zilver penninkje over den vloer komt!
Was hij nog liever een sociniaan, dan een poëet geworden! En mama (ook
niet onze Gerrit, dat moet ik zeggen van den man) heeft hem nooit op de
dichterij besteld. 't Is zijn eigen schuld. Ik heb het vers gelezen; ik lieg;
het was te ijsselijk lang; maar ik heb het doorloopen. Dit is er van: het
eerste gedeelte is zoo duister, zoo zwart, zoo pikkelijk donker, als het bakkes
van zijn vriend Jambres, den tooverdoctor. Het tweede gedeelte gelijkt wel naar
een kapittel uit de Klaagliederen. Het derde is een gebed van iemand, die zelf
niet weet wat hij eigenlijk wil. De pastoorsche noch ik [de pastoorsche is
juf- | | | | vrouw Heftig, geboren Rammel, de vrouw van den amsterdamschen
predikant] zien geen kruimel ketterij in 't heele vers. Nu, 't zou er voor land
en kerk en het dierbaar Oranjehuis benaauwd uitzien, indien ik (zij is
wat anders, 't is een domineesvrouw) de ketters moest aanbrengen. Wel,
meidlief, ik heb omtrent zoo veel verstand van ketterij als van minnerij; en
dat is - nul!’
Daar komt haar een wensch harer moeder in de gedachten:
‘Mama zou graag zien, dat ik dikwijls bij dominé
Heftig ten sermoene ging. Ik bedank er heel zeer voor. Zie, de man bemoeit zich
wel nooit met onze strikken en kwikken, poeijer en pommade; hij vergt zijne
vrouw ook niet om er als een Moloch uit te zien; maar ik ben veel te
konversabel om zoo vele hupsche burgers en inwoners van Amsterdam naar Joost te
zien zenden, vermits zij de zaak nog wat anders begrijpen dan zijne
Eerwaardigheid qualitate quâ. Ik hoop, dat Heftig tegen het vers
publiek schrijven zal. Zoo een harrewar-partij is wel prettig, en de
boekverkoopers moeten óók leven. Twistschriften zijn zeer
dienstig voor lieden die veel gal hebben en weinig beweging; gevolglijk gezond;
gevolglijk goed om lang te leven; gevolglijk goed voor de ware Kerk. Rijzig
zegt [en zoo komen wij van den broeder weder op den bruidegom], dat men een
synodale bril moest hebben, om in het vers ketterij te zien. Ja, ja, mijn Bram
heeft verstand genoeg; hoe hij anders met mij dit tranendal doorkomt, weet ik
niet.’
Tante Martha, die het vers door Ds. Heftig heeft hooren voorlezen
en in den ban doen, is van hetzelfde gevoelen als Daatje (II 232): ‘Nou,
nicht, 't zou mij magtig spijten, als jen broer Willem nu om zoo een
stronterijtje van een gedicht niet zalig zou worden. Zie, daar zou ik wraak
over roepen, en het in geen vaten weten te koelen. Wel, lieve kinderen
menschen, als het er evel zoo naauw op aankomt, dan zal de hel nog te klein
zijn; want wij hebben allen vergeving noodig, de beste en de slechtste, als is
het dan niet om een vodje van een gedichtje. Hoor, weet je wat, nicht, ik zeg
altijd: 't is goed dat onze lieve Heer, die hier boven is, veel goeder is dan
wij. Het zal met Willem nog wel wat schipperen, hoop ik. Maar hoe staat het met
jen huwelijk? Ik zie nu van ach- | | | | teren dat onze jongen je niet is
opgeleid, en dan kun je hem ook niet nemen; dat spreekt van zelf.’
Daatje's antwoord op tante's vraag is vervat in een brief aan
broeder Willem.De bruiloft zal weldra ingaan, en Willem, die tegenwoordig voor
een fameus verzemaker doorgaat, moet een gedicht ad hoc leveren (II
300):
‘Broêr lief! - Zoo ben jijlui toch! Onverzettelijk,
hardnekkig, dwingelands; Rijzig zoo wel als het heele zootje. En wat zal een
zwak, weerloos, onderworpen meisje (zoo als uwe zuster toch maar is) doen, als
jelui wet des sterksten door moet gaan? De vriend Abraham wil mij maar
coûte qu'il coûte hebben. Wat ik er tegen praat, hoeveel ik
van mijne gebreken laat kijken (om hem nog tot inkeer te brengen), 't is of de
man dol is. Hij wil mij maar hebben, zie ik; en dat wel wat heel schielijk. Nu,
hij koopt ten minste geen kat in den zak, maar hij moest wijzer zijn. Hij kent
mij immers? en naklagen zal niet baten. Wat of hij met mij voorheeft, weet
Joost! Verliefd is hij niet; dat is afgepraat. Zou hij mij ook nemen om zijn
geduld te oefenen? om proeven op zijne langmoedigheid te doen? Welnu, mijnheer
de proefnemer, gij zult in dit opzigt eene excellente machine aan mij hebben. -
En jij, mijnheer de poëet, rep je, spoed je; roep al de negen Grootjes van
den berg; zij moeten allen voor 't front komen, want gij moet aan 't werk.
Toon, dat gij wel andere verzen kunt knoeijen dan zulke, die, zoo zij uw
genie als dichter tegenspreken, echter getuigenis dragen van uwe zucht
voor zielschadelijke dolingen. Get, jongen, ik zou er bijna om trouwen,
opdat ik tenminste eens van mijn leven mijn eigen lof met goed schik kan hooren
uitbrommen. Gij weet, helaas! dat ik niet zoo schoon ben als Chrisje,
niet zoo degelijk als Coosje, niet zoo lief als Pietje, niet
zoo meer dan dit alles als uwe Lotje. Maar wat behoeft gij mijn
historie-schrijver te zijn, als ik u tot mijn lijf-poëet maak? Kom, Wim,
je moet zoo wat geven en nemen. Ei wat, denk dat ik uw zuster ben. Ik ordonneer
u dat gij, tegen dat mijn pretjes beginnen, thuis komt.’
| | | | | |
XXIX
Doch Willem, die in de zorgen zat over Lotje Roulin, was niet
gestemd tot verzen maken; alleen beleefdheidshalve woonde hij de
bruiloftsfeesten bij. Nog bonter maakte het Pietje Renard. Deze
verontschuldigde zich, bewerend dat de toestand van een oom, wiens huishouding
zij dreef, en aan wien zij groote verpligting had, haar verbood zich van zijn
ziekbed te verwijderen.
De schrandere lezer doorgrondt aanstonds, dat onze
romancière er dit slechts op verzonnen heeft, ten einde de bruid
gelegenheid te geven Pietje te beknorren en meteen haar een relaas te doen. Hij
gaat verder en beweert dat hetzelfde hulpmiddel, eer het tot tweemalen toe in
Willem Leevend werd aangewend, reeds dienst gedaan had in Sara
Burgerhart. En dit is zoo.
Wie een roman in brieven schrijft, moet wel van tijd tot tijd een
afwezige verdichten; een hem of een haar, aan wien of aan wie verteld
kan worden wat de wereld noodig heeft te weten, en wat de gekozen vorm niet
toelaat op eene andere wijze mede te deelen. De vraag is maar hoe men het er
afbrengt; en de meesten zullen van oordeel zijn dat de wijze waarop jufvrouw
Wolff beproefde Daatje van hare eigen bruidsdagen te laten vertellen, er zeer
wel door kan (III 140):
‘Neen, Renard, dat had ik nooit van u gedacht! Ja, ik weet
wel, dat gij veel meer van mijne mama houdt (en dat doe ik ook) dan van mij,
uwe vriendin, die zoo veel verloren reisjes op en door de wereldzee der
saletten en partijen met u gedaan heeft. Maar evenwel niet bij een mensch op
het kommissaris-maal te komen, als een mensch de bruid wordt, dat is regt
kwaadaardig van u. Wel, lieve hemel, kunt gij, door uw verblijf in een oudmans
ziekekamer, uw oom wel voor een éénige neep van het adellijk
podagra bewaren? Hoor, weet gij wat? ik denk dat Kees Everards, als de Pastor
Fido, veel meer schuld heeft aan uw wegblijven dan de oude zieke sukkelaar, die
er de klad van krijgt. Ach, hij is immers zoo verliefd op u als een snoek! En
jijlui, gevoelige zielen, zijt | | | | zoo naauwhartig, dat jelui ook,
hetgeen je zelf niet genieten kunt, nog aan anderen misgunt. Wie weet of hij u,
op poene van niet nemen, niet heeft doen beloven dat gij Wim Leevend
niet met uwe lieve mollige zachte hand (dat is even zoo veel, Piet; gij hebt
toch lieve handen) zoudt begunstigen, ook niet zoo lang als de jongen noodig
had om u op te leiden. Nu, ik wilde om geen honderd werelden, alle zoo mooi als
de beste wereld van mijn broêr den student, dat Rijzig die krullen in den
kop kreeg. Wel, de snaak zou ondraaglijk voor mij zijn; en ik kon er ook zoo
min aan beantwoorden als de steenen Roeland die in onze jeugd, ten minsten nog
een stuk daarvan, op het hoekje van de Kolk stond. O, onze
huwlijksmuziek zal veel meer in den oorlogstoon dan in het menuetpasje
vallen.
Miserabel nog toe, wat heeft uw Pastor Fido het elendig voor zijn
hart! De buitenlanders mogen waarachtig wel praten dat wij , Hollanders,
koudvochtige, ongevoelige kreaturen zijn (zie de Wilden van Europa,
enz.). Het zou er bedroefd uitzien indien er geen Rijzigs en Daatjes waren, om
in dezen de eer onzer natie op te houden; want ik zou gemaklijk een geheel
kabinet van gevoelige zielen in den omtrek mijner bekenden verzamelen. Rijzig
zegt dat Everards geen oogen heeft dan voor u. Waar bemoeit hij zich meê?
Of wil hij mij toch op alle wijzen verzekeren dat hij wél oogen heeft
voor u, en voor alles wat hem behaagt? o Die lieve, opregte man!
Ik heb nóg wat tegen uw aanstaande: hij is mij veel te mooi
voor een man. Wel, hij is mooijer dan gij en ik. Mama zegt dat ik praat of ik
mal ben, en dat zij u meer dan daaglijks vindt. Nu, in vredes naam, wees niet
alleen beter - neen, wees ook mooijer dan ik. Noem mij eens eene bruid, die dit
ter goeder trouw kan zeggen! 't Is waar, Rijzig maakt mij niet zot, door mij
leugens te vertellen. Hij heeft mij nog geen enkele keer over mijne gevaarlijke
schoonheid gesproken. Knap slag is ook al genoeg voor zoo een verstandig
wijshoofd.
Gij zijt genoeg gestraft, want Wim zou geheel voor u geweest zijn
- immers, zoo lang als de partijen duurden. Die eer hebje nu mooi verkeken. Ik
heb hem nu geplaatst bij eene nicht van Rijzig, daar de jongen doodelijk
meê verlegen zit. | | | | Een akelig wezentje; een dichteresje, dat
in aardige versjes een allerliefst treurspelletje schrijft, en een heel zoet
dramatje maakt, dat met veel verlangen verwacht wordt. Dit oudachtig jong
meisje piept hem den godganschen dag aan zijn ooren van smaak, en van fijnen
smaak, en dat wij Hollanders (geloof ik) geen smaak hebben; en van het metrum,
en van de rust, en van de daktylus, en van werken van smaak, en
soortgelijk tuigagie. En onderwijl zit de arme jongen met een bakkes, daar het
martelaarsboek aan den eenen, en de hoofsche welgemanierdheid aan den anderen
kant, duidelijk (immers voor mij) op gedrukt staan. Mijne zucht om aliassen te
geven kwam weer boven. Ik noem haar des niet Betje Rijzig, maar om de
gemaklijkheid Apollonia Phebia Hexameter. Het komt mij voor, Piet, dat,
indien zij geen meer smaak heeft van poëzy, dan van zich te kleeden, wij
ons dan nog wel eens met nichtje's dichtwerken zullen amuseren.
Wim, die nooit kwaad van de meisjes spreekt (hij is mijn
broêr, moet gij denken), zegt dat zij veel weet, en dat zij alleen wat
meer konversatie moest gehad hebben. Wel, 't is toch bedroefd, zeide ik, dat
zulke menschen maar te veel moois vinden in anders te zijn dan wij, domme
meiden. Hij had vrij wat te zeggen op die benaming, maar vertelde mij (of
ik het niet wist!) dat ridder Newton noch door eenige natuurlijke, noch door
eenige voorgewende bijzonderheden, zich ooit van zijne medemenschen had
onderscheiden... Maar ik zou met ridder Newton en mijn nicht Hexameter wel
vergeten dat ik de bruid ben, en bezig was om u van mijne fêtes te
schrijven! Dominé Heftig en zijne vrouw waren feestig verzocht; dewijl
ik zeer wel wist dat zij hun woord bij een ander kwijt waren. Zeg niet, kind,
dat dit er niet door kan. Het kan wel - met ruimte zelfs! Kon ik Heftig en
zijne vrouw verzoeken, daar hij zoo den nijd op Willem heeft en vrij wat ingang
bij mama krijgt? Kon ik mijn broêr geplaatst hebben bij iemand die hem
zoude aanzien met een bakkes: frets mich nicht! En ook, hij bidt altijd
zoo gruwlijk lang, dat zoo ik het niet beter hoorde, ik zou denken dat hij de
Tien Geboden en het Geloof bad (zoo als onze roomsche tuinman). Van zijn goed
wijf spijt het mij magtig; als de ouwe mensch nog ereis op de proppen komt, is
zij regt komiek: ja, zij is nog wel voor de vreugd, en haar vader | | | | heeft mij gedoopt, dat meer is. Maar om Willem kon dat niet.
De man des huizes was ook knap aangedaan. Mama kan alles van hem
krijgen. 't Is waarlijk een mooije vent, voor een amsterdamsch maaksel. Willem
had zich, puur om mij te pleizieren, opgeschikt. Zijn witte rok met zilver
stond hem zoo wél, dat elk meisje, al was zij geen nicht Hexameter, op
hem zou hebben moeten verlieven; immers op zijn witten rok met zilver; en als
zij zich bepaalde bij zijn fraai kamisool, dan dunkt mij dat haar hart moest
versmelten, al was het van marmer, of zelfs van best engelsch staal. Dit zeide
ik hem ook; maar, die balddadige jongen gaf mij, in spijt van mijn bruidschap,
een draai. Mevrouw Rijzig, precies een eerwaardig familie-portret in een
deftige zwarte lijst: kostelijk in 't zwart, met keurlijke kanten, maar zonder
juweelen, of eenig bijwerkje. Onze Gerrit zijn vrouw was in 't grideline, een
weinig gekapt, en met weinige doch schoone juweelen versierd. Nog een paar van
de gasten; en dan, goeden dag, Renard. - - Wacht, om daar des te beter in te
slagen, ga ik eerst eens eene nieuwe pen van het kantoor stelen. De droes zou
nu evenwel onzen Gerrit halen, indien hij op een bruid grommen durfde.... 'k
zeg grommen. Wel, de man gaf er mij zes voor een paar: zoo blij is hij, geloof
ik dat hij van mij ontslagen wordt.
Zie daar dan voor u verschijnen den Heer en Vrouw van
Zeemansrust, alias onzen Freryk met zijne derdhalfhonderdpondige schoone
wederhelft. Ik zeg u, kind, dat zij in volle pracht en heerlijkheid met een
huurkoets vroegjes aanrolden: want het was nog geen vier uren. Tante gaf er
goede reden van. “Dan blijft het zoo, kind, zei ze, dat men van de
familie is; en ik zie er altoos zoo tegen aan, om met groote lui zoo gelijk in
te komen. Want zie, nicht, ik wil het wel weten, wij bennen maar burgerlui;
zóó niet, wij kunnen het wel doen, en zoo als het liedje
gaat:
Toen Vader Adam spitte en Moeder Eva span,
Waar vond men toen den Heer en ook den Edelman?”
Zij was maar kurieus! De zware triomfante zijden japon aan, met
huizen, kasteelen en zonnebloemen bemaald; heel mooi, dat moet ik bekennen. De
kroon van juweelen praalde weder op | | | | den dik bepoeierden rand;
daarboven haar kostelijke kanten muts. 't Is toch een aardig wijf.
“Heden, tante (zeide ik), wat is dat (en ik wees er op) een superbe
speld!” - - “Doet het, kind? wel, ik zie er zoo veel superbers niet
aan; neem hem maar voor jou.” Mama had daar veel tegen, en ik stond ook
kapot; maar oom haalde die er zeer onhandig uit en zei: “Wel, hoe hagel
hebben wij het langer, zus! Is mijn wijf langer geen meester van het hare? Daa
zal de speld hebben.” Hij gaf mij die met een: - - “Daar, meid, hij
past jou beter dan mijn oud testament.” Ik stak die in mijn toupet:
“Maar toch, zoo was het niet gemeend, oom.” Onze Freryk was heel
vrolijk, en zoo proper of hij uit zijn vrouws porceleinkast kwam. Mama had hen
beiden verzocht om in de stad te blijven. Toen grootje Rijzig vertrokken was,
stelde ik een Patertje-langs-de-kant voor, om de goede vrouw van
Zeemansrust wat op te beuren. Zij heeft ook den laatsten man zien gaan.
Van de danspartij des volgenden daags kwam niet veel. Mama danst sedert mijns
vaders dood niet meer; Rijzig danst niet; nicht Hexameter danst niet; Pietje
had haar kat gestuurd. Wim zag zoo zijn slag niet onder de meisjes. Evenwel, om
mij te voldoen, danste hij een hornpipe. Als hij het befje om heeft, zal dat
uit zijn, zeide hij. “Een oud hoofd, die dat beleeft, Wim,” en ik
knipte hem op zijn wang. Hij is lief en vriendelijk, maar niet
vrolijk.’
| |
XXX
Het kan niet in de bedoeling liggen op dezelfde wijze voort te
gaan, en Daatje's jeugdig huwlijksleven tot in bijzonderheden na te schetsen.
Doch vóór wij den grooten sprong ondernemen, en uit de voorhoven
van den roman naar de latere hoofdstukken overwippen, twee schilderijtjes nog;
twee brieven van de jonge mevrouw Rijzig aan hare vriendin.
Wie dit tweetal niet gelezen heeft, las Willem Leevend
niet. Het is het eigenaardigste wat jufvrouw Wolff in deze rigting heeft
voorgebracht; de proef, waarmede zij staat of - valt. Met dit laatste
alternatief bedoel ik niet dat ooit een man van smaak of oordeel de kunstwaarde
dezer bladzijden betwisten zal, maar dat zij de sympathie of de antipathie
der | | | | groote meerderheid noodwendig in de een of andere rigting
moeten doen overslaan (III 168):
‘Lieve Pietje! - Wel zie zoo! Nog maar acht dagen getrouwd,
en al beknord! Het hart wil een klager hebben, en ik hoop dat gij uw geest van
zoete medelijdendheid ook voor mij niet geheel zult achterbaks houden. Wel, de
man is bang, schijnt het, dat zijn rijk niet lang duren zal: strenge heeren
niet lang regeren, zoo als het liedje gaat. En als ik, mijne vriendin, nog
schuld had, ik zou zwijgen om vredes wil; want ik heb, weet gij, immers nog zoo
eene oude zucht voor vrede, en laat veel ongemerkt doorgaan. Maar ik heb niet
alleen geen schuld, maar kan die niet hebben. Hoe! daar de koning van Engeland
geen kwaad doen kan, zou daar eene vrouw, die zeker veel meer waardig is dan al
de koningen in alle mogelijke werelden, kwaad doen kunnen? (Hoe smaakt u zoo
een scheutje staatkunde onder mijne weeklacht?) Kom aan! De verkiezingen zijn
vrij: dit is mijn vast punt. Rijzig verkiest t'huis te zitten: bestig! laat de
man mannetjes in 't vuur kijken, en zijn gedachten wat bij malkander rapen;
maar ik verkies uit te gaan; en dewijl de verkiezingen vrij zijn, moest daar
niet over gekaauwd worden. Ik heb wel aan den Eerwaardigen Repjewat beloofd:
“dat mijn wil den man zoude onderworpen zijn, omdat Adam eerst
gemaakt werd, ende daarna Eva den Adam ter hulpe” (hoe dit evenwel
redeneert, weet Joost!), maar er is geen enkelde kik gesproken van: “dat
mijne verkiezingen den manne zouden onderworpen zijn, omdat Bram nu juist een
jaar of zes, vóór de beurt aan mij kwam, Amsterdam met zijn
geschreeuw vervulde.” Fraaije voorregten! Weet gij wat, als ik een man
was, ik zou mijn regt dan nog liever afleiden van de wet der sterken. Maar mijn
gemoed is zoo vol (nu, dat kun je wel denken!) dat ik haast niet aan mijne
wederwaardigheden kan toe komen. Daar zat ik in volle pracht en heerlijkheid,
met mijne handschoenen al aan, mijne pelise al om, en ik moest terug. Hij is
nog erger dan onze Gerrit; wel, die heeft mij nooit zoo behandeld. Ik heb
grooten trek om hem Caligula te noemen; want hij wenscht ook dat al mijne
gekheden (zoo noemt hij die) maar één hoofd hadden, opdat hij die
in één slag konde kapot maken. Zoo dat ik maar | | | | zeggen wil, dat ik de ongelukkigste aller vrouwen ben, van Eva af tot
het meisje, dat in deze sekonde geboren wordt, toe.
Eerst zal ik u evenwel eens over grootje Rijzig onderhouden. Het
komt de vrouw vreemd voor, alle voormiddag hier een smerigen, smachterigen,
bepoeijerden duizendkunstenaar de witte keurige trap te zien opdansen, om
mevrouw hare tederbeminde schoondochter binnen een uur of twee te coifferen
comme il faut. Zij heeft echter nog maar wat zitten spinnen en brommen,
al mommelende, ende al pruilende. Maar dat heeft ook al zijn voordeel, want dan
breidt de goede vrouw zonder opkijken, of Joost er achter zit. En als oude lui
zoo vlug, zoo werkzaam zijn, blijkt het dat zij nergens aan zuchten. En ook:
zou een zieke schoonmoeder niet nog wel tien percent lastiger zijn dan eene
gezonde?
De man, dat moet ik zeggen, kwam, zoo als de mans dan zijn, nog al
wel gehumeurd van de beurs. En ofschoon hij, wijl ik gekapt wierd, nog wel een
kwartier met eten moest wachten, zoo ging het echter nog al schappelijk. Hij
keek wat donker; maar een knikje, en een: “dag lieve Rijzig,”
verdreef die hangende onweerswolk. Mama zat reeds met haar servet voor,
zindelijkheidshalve met een speldje onder de borst vastgemaakt. De knecht bragt
het eten, en onder het gebruiken der middeltjes ging het dus:
Mama. Daar is, terwijl gij boven waart, hier een doos gebragt,
dochter. Ik wenschte, dat gij de menschen om een beuzeling niet zoo verre deed
loopen, maar afkwaamt, als zij u spreken moeten. - Ik. Mama, ik kon immers met
mijn losgemaakt haar niet komen, wat zou dat eene vertooning gegeven hebben! -
Mama. Dan moet gij de lui op een ander uur bestellen. - Ik. o Heden, mama, zij
moeten wel anders draven.- Mama. Ja, de jonge dames hebben zeker veel
vodderijen noodig. Wist ik in mijn jongen tijd van kappen? van die zijden
kanten, van al die bungelarij? - Ik. De eene gekheid is ligt zoo goed als de
andere. En als men de portretten van mama's jongen tijd beschouwt, moet men een
groote dosis van geloof hebben, om toe te staan dat de dames toen een haar
wijzer waren dan nu. Wel, ik heb immers in eene ouwe predikatie van
dominé Mouche gelezen: dat vóór honderd jaar de vrouwen | | | | zich opdrilden, of zij zoo uit de tente des Satans met een
menuëtpas naar de Hel wilden. - Mama. Zij droegen ten minste geen twee
horloges, en dat met bandjes, even als de manlui. Foei! - Ik. Daar spreekt
dominé Mouche niet van; en ik ben op het stuk der vrouwekleeding niet
zeer oudheidkundig: zij droegen toen mogelijk op de eene zijde een gouden
beugel, en op de andere zijde een étui; of dit nu zoo veel wijzer was,
mag mama beoordeelen. - Rijzig (Het vuur ter deeg leggende; want hier ligt
al vuur aan; en schamper lagchende, dacht mij.) Zoo al niet
wijzer, ten minste meer in de sex. Gij draagt immers geen twee horloges,
Daatje? - Ik. Mijn lieve Bram, dat kan ik niet doen, want ik heb er maar
één. - Rijzig. Ook niet met een bandje, als een jongen? hoop ik.
- Ik. Mama verbood het mij, en ik deed haar zin. - Rijzig. 't Is of jelui
meisjes beduiveld zijt, dat gij de jongens zoo naäpen moet. En nog te
meer... - Ik.(hem in de rede vallende.) Omdat dit de meisjes weinig eer
kan aandoen. Heeft mama ook tegen het onnoozel jasje dat ik, als ik uitrijde,
in den winter aantrek? - Mama. Niets ter wereld, dochter; dat is warm, en
bewaart zoowel de gezondheid als de kleeren. Waarom vraagt gij dat zoo? - Ik.
Wel mama, omdat ik eens heb hooren vertellen dat zeker engelsch proponent, te
Middelburg zijnde om op de proef te preêken, door zijn hospes den raad
kreeg, van zijn grooten mof t'huis te laten, wijl hij anders het beroep niet
zoude krijgen: “goed (zei hij), dan zal ik ook mijn borstrok uitdoen,
want ik draag beiden om dezelfde reden, omdat ik het hier zoo koud vind in
Zeeland.” (Rijzig lachte, Mama zag even gelijk.) - Rijzig.
Neen, Daatje, uw onnoozel jasje, zoo als gij het noemt, zult gij houden; en te
meer, omdat gij genoeg van de vrouw over hebt, en u veel te dun kleedt, om met
mij in de fargon te zitten. Jammer is het echter, dat de meisjes geen
voorbeelden in hare eigen sex zoeken. Die zet, stoute meid, verstond ik; maar
gij praatte er over heen! Wat zijt gij lieden met al uw airs toch op dit stuk
mallooten! - Mama. Kunnen zij met onze hedendaagsche opvoeding anders zijn?
(Ik zweeg, om zijne moeder te sparen. Verdiende dit geen
belooning, daar het mij vrij wat kostte?)
| | | |
Tegen zes uren kwam ik geheel geadjusteerd in de
eetzaal. Hij keek of hij een spook zag.
Hij. Zoo geheel gekleed, lief, en dat zoo laat? - Ik. Ongekleed
kan ik niet wel uitgaan; en het is nog pas zes uren, Rijzig. - Hij. Gaat gij
dan uit? - Ik. Zoo was 't oogmerk. - Hij. En wist ik daar niets van? -Ik. Och,
als gij er op gesteld zijt, dat ik u alle wissewasjes vertel, goed, ik zal er u
meê vervelen. - Hij. Wilt gij mij pleizier doen, dan ga niet: ik verzoek
uw gezelschap, en heb aan mijn boekhouder gezegd dat ik niet weer op 't kantoor
kom. Toe, wijfje, laten wij met ons beiden thee drinken. (Mama drinkt altoos
thee in haar eigen kamer, omdat zij voor de stilte is, en zij
altoos kwartier over vijven haar eerste kopje inschenkt.) - Ik. Houdt gij
er den gek mede? Wel, het is groot salet. Als ik niet kwam, was er een gebroken
partij. - Hij. Ik hou er zoo weinig den gek mede, dat ik het u ernstig verzoek.
Kom, de handschoenen uit, de pelise af, en zet u hier naast mij. - Ik. Dat kan
niet. De koetsier weet dat hij met mij rijden moet, en Jacob krijgt reeds zijn
hoed. (Ik bleef staan.) - Hij. Kan dat niet? Wil ik u toonen dat dit
heel wel kan? (Hij schelde.) Jacob, zeg aan Frits dat mevrouw veranderd
is van gedachten, en zelf gezelschap krijgt. Die zwarigheid is weg, ziet gij?
Kom nu, als een hupsche welopgevoede vrouw, bij mij, en laten wij thee drinken.
(Hij schonk water in den pot en kreeg een stoel voor mij, mijne hand
vattende.) - Ik. Het is wat vroeg, mijn heer, om mij reeds te doen zien
wat mijn lot zijn zal. - Hij. Ik heb mij, zie ik, bedrogen. - Ik. Bedrogen! in
wat opzigt? - Hij. Wel, ik meende dat jufvrouw Leevend gezond oordeel genoeg
had, om te kunnen zien dat Rijzig de geschiktheid niet bezat, de jabroer zijner
vrouw te zijn. - Ik. En ik had gedacht, dat mijnheer Rijzig zijne vrouw nooit
onbeleefd zoude kunnen behandelen. - Hij. Behandel ik u onbeleefd? - Ik. Ten
uitersten; geen man doet zoo. - Hij. Wel, dan zijn wij beiden deerlijk gefopt.
Geduld!... Evenwel, zoo gij wél wilt doen, schenk dan thee. Gij moet,
zoo gij uwe rust lief hebt.... - Ik. Gij moet! dat is zeer bescheiden, zeer
vriendelijk! - Hij. Ik merk, dat mijn verzoek niet helpt; ik beveel het u
derhalve. - Ik.(Ik neeg met veel gehoorzaamheid.) Gij zult gehoorzaamd
worden. - Hij.
| | | | Niet met zulk een trotsche houding, hoop ik? - Ik.
Moet ik veinzen ook? - Hij. Gij moet uw pligt doen: meer eisch ik niet. - Ik.
Gij hebt veel goedheid, mijnheer!
Dat thee drinken ging zoo stijf en zoo statig als het wel mogt.
Hij keek in 't vuur. Ik begreep het beter; ik diverteerde mij met het fraaije
porcelein waaruit wij dronken. Dat was mooijer, dan in het vuur te kijken. Het
moet hem ook maar slecht bevallen hebben, want hij schelde. Jacob, leg op 't
kantoor vuur aan. (Jacob ging.) Als mijne vrouw weinig met mijn
gezelschap tevreden is, zal ik waar weer aan mijne affaire gaan. Mag ik u
evenwel zeggen, vrouwtje, dat gij u zelf zoo zeer zult foppen als mij? Nooit
heb ik u gevleid, nooit uwe uithuizige levenstrant goedgekeurd. - Ik. Wel, ik
blijf immers t'huis, en ik drink immers thee met u. Is 't nu nog niet wel? -
Hij. Ja, dat is waar. Het eerste gedwongen, en het laatste zeer ongevallig; ik
heb des daarvoor geen verpligting. - Ik. Moet ik mij dan, om mijn pligt te
doen, opsluiten? - Hij. Gij moet toonen dat uw mans bijzijn u ten minsten zoo
wel bevalt, als dat van een partij malloten en modegekjes die gij zelf veracht.
- Ik. Mijn man is ook waarlijk heel pleizierig, om op zijn bijzijn gesteld te
wezen! - Hij. Uw man is dan, zoo als hij is. Gij hebt hem gekend, en hem echter
genomen. - Ik. Dat is mogelijk zoo ongelukkig voor hem, als voor mij. - Hij.
Dat geloof ik niet. Ik denk niet zeer romanesk. Hoor, Daatje, gij zult een zeer
redelijk man aan mij hebben, indien gij u een weinig naar mijne denkwijze wilt
schikken. - Ik. Een weinig? uw weinig zal wat véél zijn, denk ik.
- Hij. Gij zult er over oordeelen. Ik wil volstrekt de man niet zijn van eene
vrouw du ton. Ik wil eene hollandsche vrouw hebben, die zich in haar
eigen huis niet doodelijk verveelt; en geen vrouw die, omdat haar man geen
laffe gek is, bang van hem is. (Ik zag hem zeer verwonderd aan.) - Ik.
Ben ik bang van u, Rijzig? dat weet gij, hoop ik, beter! - Hij. (Hij begon
hartig te lagchen, en mij op zijn schoot zettende.) Kom, mijn lieve
meid, laten wij de kwestie afmaken! Zoo ik u niet liefhad, zou het mij dan
hinderen? (Hij kuste mij regt welmeenend.) - Ik. Lieve Bram! Gij zult
mij in den grond bederven. Hoe kan ik een man vreezen (en dat heb ik evel
beloofd, spot er niet meê), | | | | die mij zoo familiaar
behandelt? En ook zoo een kijverijtje is wel jent; wij zullen anders van
doodstroomig vergenoegen in slaap vallen.... Gaat gij nog naar uw kantoor?
(Ik streelde zijn wang; me dacht, hij rebelleerde wat tegen die pil,
en hij moest die evenwel slikken.) - Hij. Niet als gij zoet zijt, anders...
- Ik. Point de pardon! - (Viel ik hem in.)
Toen was alles wel. Hij verzocht dat ik mij, vóór
mama mij op 't mat kwam, uitkleedde. Dan (zeide ik, uit schalkerij) moet gij
mij wat helpen, want ik wil mijne kamenier niet roepen. - Goed, maar het zal u
slecht bevallen, ik ben zeer onhandig. Hij nam lagchend een kaars op, dit was
mij genoeg: hem de kaars afnemende, zeide ik, met Pyrrhus: Ik ben
voldaan.
Het spijt mij niet veel, dat ik t'huis bleef. Hij is gansch
niet onaardig; voor een getrouwd man, wil ik spreken. De knecht kwam de tafel
dekken, en ik vroeg: of Mama wel meer ten acht uren soupeerde? Het was echter
reeds half tien. Hoe vindt gij die?
Ik heb ook al gezien dat Rijzig een zeer redelijk man is: althans
hij heeft mij, en ik ben nu al evenwel reeds negen dagen in zijne gewelddadige,
ruïneuse handen geweest, nog niets gevergd dat mij onaangenaam valt!... o
Kind! binnen een jaar of zes zullen wij, als een paar originele Hollanders, het
platgetreden huwlijks-wegje druiloorende opwandelen. Ziet gij vader en moeder
Rijzig daar niet, op hun zondags aangekleed, naar de Nieuwe Kerk slenteren, met
een paar wilde Ieren van kinderen hand in hand vooruit? De jongen, een dikke
vierkante lompe lol van een jongen, met een dikken kortharigen kop, rooije
naakte ooren, en een spekhals; tot op zijn borstje toe nakend, in een
flodderbroek, met een witte echarpe wel aardig opgeknoopt. Het meisje, een
oolijk loos gastje, dat ook al meent te weten: honneur aux dames, en
veel wijsheid toont in broêr den weg te wijzen, al staat de Kerk vlak
voor zijn neus. Ziet gij 't niet? Nu, wacht dan; en zoo ik mijn woord niet hou,
zal ik maar de helft schuld hebben.
Het spijt mij echter nog al dat ik zoo weinig partijen zal mogen
houden, want grootje Rijzig is zoo mijn trant niet. Zij is eene van die vrouwen
die niets goedvinden, indien het | | | | niet van hare uitvinding is. Zij
is ook aan zoo eene blinde gehoorzaamheid gewoon, dat men mij gemakkelijk bij
haar van arminianerij zal kunnen beschuldigen. - Daar komt mijn meester t'huis.
Ik groet je.’
| |
XXXI
Laat ons geen vergeefsche pogingen aanwenden de definitie te
vinden van een humor die seul de son espèce is. Men kan jufvrouw
Wolff's talent (met opzet laat ik hare vriendin buiten rekening) bij dat van
mevrouw De
Sévignévergelijken: kan haar de klassieke nederlandsche
briefschrijfster bij uitnemendheid noemen. En werkelijk heeft nooit eene
hollandsche vrouw in hare brieven meer gemoed, meer geest, en in
één woord meer ziel gelegd.
Doch wat baten zulke parallellen? Er zullen altijd personen
gevonden worden, en een betrekkelijk groot aantal personen zelfs, welke niets
verzoenen kan met eene losheid die aan ruwheid, met iets manlijks dat aan het
onvrouwelijke, met een overvloed die aan verkwisting grenst en verlangend naar
de antieke soberheid doet uitzien. Stellen wij ons daarom tevreden met het feit
dat, voor zoo ver de nederlandsche letteren betreft, hier eene ader zonder
wedergade vloeit en de brieven van Daatje Leevend eene onvergankelijke
nalatenschap vertegenwoordigen.
Geldt dit van dien eenen, waarin zij hare ondervinding der eerste
huwlijksdagen beschrijft, het is vooral niet minder waar van den anderen, als
de dagen weken zijn geworden (III 279):
‘Wel, als dat zóó moet, mijn lieve Renard, dan
is er niet beter op dan dat mijnheer en mevrouw Rijzig, zoo ras doenlijk zij,
van tafel en bed scheiden. De man is ondraaglijk. Al mijne hoop (want ik hoop
altoos het beste!) is uit. Ik moet hier wel toe besluiten, want het zal anders
buregerucht maken, dat wij hoeksch en kabeljaauwsch leven. Om alle praatjes
voor te komen - scheiden dan! Ik kan het misschien nog veilig doen. Hoewel: dat
weet ik, arme bedroefde vrouw, nog zoo heel zeker niet; ik ben alle morgen zoo
geeuwig en zoo rek- | | | | kig; ik zie er zoo mal uit, en ben wat met mijn
maag in de war; evenwel, dat gaat met den dag wel weer over. Het spijt mij
maar, dat Rijzig zoo alles afluistert; nu zal hij, vrees ik, nog meer de pijpen
stellen. En ik vrees ook, dat hij mij nog in zijn vuist zit uit te lagchen;
want, zoo als gij weet, Pietje, het is een kwaad schepsel. En zijn het geen
heerlijke zaken, om daar nu zoo vergiftig trotsch op te zijn? Grootje Rijzig
weet er nog niets van; hoop ik, althans; en aan mijne mama vertel ik zoo alle
wissewasjes niet. De vrouw is niet heel nieuwsgierig, en ook onze Rammel mogt
er achter komen; dan was het morgen voormiddag al verklikt, in vertrouwen. Ja,
wat denkt gij? Mama is zeer grammottig om Wim; niet omdat zij het praatje
gelooft, maar omdat hij zoo vroeg in de ketterij begint te doen; en bij die
gelegenheid krijg ik ook wel eens een zet. Dominé Heftig is thans de
heilig; en onze Gerrit is, op zijne wijs, ook danig en danig regtzinnig; en de
jongen leert nu ook zijne belijdenis bij dominé. Zoo dat, Pietjelief,
wees gewaarschuwd. Gij zijt ook al in geen grooten geur van orthodoxie bij
mama.
Maar dat daargelaten. Wij hebben deze geheele week al de
wijzertjes rond geknord, gegromd, ge-ocht, ge-ei-wat, ge-wel-hoe-moet-dit, en
zoo voort; kortom, bedroefd huisgehouden. Ik zal u alles vertellen, dan kunt
gij zelf oordeelen of ik, arme vrouw, niet wel te verdedigen ben. En je hebt
mij evenwel die partij zoo sterk aangeraden, Renard. Bedenk dat ook maar eens!
- Het tooneel verbeeldt een eetzaal. Mijnheer en mevrouw zitten te ontbijten.
(De oude dame is niet wel.) - Mijnheer. Ik heb u gisteren vergeten te zeggen
dat er een mijner korrespondenten in de stad is, en dat ik hem met zijne
dochter ten eten gevraagd heb. Wilt gij maken dat gij gekleed zijt, om, zoo ras
wij gegeten hebben, uit te gaan? De dagen zijn kort, en ik moet die menschen
eenige beleefdheid doen. Gij gaat toch graag eens uit; gij zult dus wel van de
partij zijn willen. - Mevrouw. Ik zou daar niet veel tegen hebben, maar ik heb
u vergeten te zeggen dat ik juist dezen namiddag men woord kwijt ben. Mevrouw
Lenteling heeft mij laten verzoeken, en ik heb mijn woord gegeven. - Mijnheer.
Dat spijt mij: maar gij kunt mevrouw Lenteling alle dag bezoeken; en deze goede
menschen | | | | gaan nog van deze week naar hunne provincie: laat het
afzeggen, Daatje. - Mevrouw. Neen, dat doe ik niet. Mevrouw Lenteling is zoo
verbaasd kwalijknemend op het stuk van beleefdheid; zij zou het mij zeer euvel
duiden, en ik kan evenwel, al ben ik getrouwd, zoo al mijne oude kennissen niet
vermijden, Rijzig. - Mijnheer. Gij zult mij pleizier doen, liefje, indien gij
laat bedanken. Wilt gij uw man niet liever genoegen geven dan mevrouw
Lenteling, met wie gij eigenlijk niets te doen hebt? - Mevrouw. Neen, Rijzig,
verg mij dat niet; er zal eene partij naar mijn smaak zijn; vele mijner oude
saletvriendinnen... - Mijnheer. Verg ik u iets onbillijks, dat gij zoo
beslissend spreekt? - Mevrouw. Is het niet onbillijk, mij te vergen dat ik
bedank voor eene aangename partij, en dat om met een paar figuren opgescheept
te zitten en meê uit te slenteren, die ik niet ken, en aan wie mij ook
niets gelegen ligt? - Mijnheer. Zoo! Aan wie u niets gelegen ligt! Nu, deze
twee figuren, die gij niet eens kent, zullen ten half twee hier zijn; en... -
Mevrouw. Dat is wel: ontvang die menschen, ik ga toch niet vóór
half zeven uit. - Mijnheer. Gij verkiest dan liever mevrouw Lenteling's
grilligheid te observeren, dan uw man te verpligten? want zoo wil ik dit nog
wel eens noemen. Ik heb noch tijd, noch lust, om met u te harrewarren; en
daarom, kort en goed, lieve, ik verwacht dat gij aan mijn vriendelijk verzoek
voldoen zult. - Mevrouw. Vriendelijk verzoek! zeg zooals het is: dat gij het
beveelt. Ik moet het immers volstrekt doen! - Mijnheer. Ongaarn beveel
ik, als een verzoek het afdoet; maar is het noodig, dan beveel ik. - Mevrouw.
En ik heb dan voortaan niets te doen dan te gehoorzamen, merk ik? (ik zag
misnoegd voor mij.) - Mijnheer. Nog eens, kind lief, ik wil niet grommen.
Dat is zoo mijn aard niet, zoo weinig als om van mijn vrouw ooit iets
onredelijks te vergen, al had ik daar al eens magt toe. Wij zullen vroeg eten
en dan uitrijden. (Hij ging de kamer uit.)
En, mijn lieve Renard, nu geef ik u eens in stille bedenking voor
welke peutêtres (zeide zekere dame, die zeer mooi was met haar
fransch, en wel eens van êtres zal gehoord hebben) ik bij de
charmante mevrouw Lenteling heb moeten bedanken; want ik durfde het niet laten.
Mama is wat koortsig, en dan | | | | houdt zij haar eigen kamer. Ik
kleedde en kapte mij dan in volle orde, en ten half twee stond er een koets
stil: daaruit kwam mijn knorrepot, en de twee vrienden. Laat ik die twee
portretten u eens kopiëren. Mijnheer de korrespondent is een lang, geel,
mager, uitgedroogd, dun man, met kuitelooze beenen, versierd met door de jaren
lichtbruin geworden witte zijden kousen, gefnezelde gouden kniebanden aan een
vrij kaal gesleten rooije broek, en, of ik het zeg of zwijg, een smerige met
kaarsvet in 't fatsoen gehouden bokkeharige staartpruik op het langwerpig sterk
gekaakte hoofd; en zoo alles naar rato. Mejufvrouw de dochter, een lange
waar-ga-je van een slungelachtige uitgerekte meid; met een dunne, spitse, lange
neus; een freule die men zoo bij de el zoude uitmeten; het koloriet aschgraauw,
met wat slecht rood er door gesmoezeld; en tanden zoo groot, doch niet zoo wit,
als die van Willem's jagthond (daar zij wel eenige trekken van heeft). Dat lief
poppetje was toegetakeld met alle onze oudmodische prullen van voorleden jaar,
en had zoo veel van de kokette als in zoo een lomp stuk vallen kan, die met een
malle glimlach mij duizend komplimenten en buigementen maakt. En met die twee
wezens ben ik opgescheept geweest tot 's nachts ten twaalf ure. Ik merkte wel
dat manlief over mij maar gansch niet te vreden was. Toen wij naar bed gingen,
zeide ik niets; maar hij vroeg: of ik zijne goede vrienden altoos op die wijs
meende te ontvangen? - Ik merkte wel, waar hij heen wilde. Ik zeide; ô
Heer, is 't nog niet wél? ik heb geen trek om te knorren; ik ben dood
van de vaak; 't is hier middernacht. - Hij antwoordde niets dan: Zoo? goeden
nacht dan: wij spreken elkander wel eens weer! - Dat kan wel beuren: goeden
nacht, Rijzig.
Het is hier 't hartje van den winter, en mijn vriendelijke man is
te zeven uren al in de kousen (zeit tante); nu, daar heb ik niets tegen, vast
niet, van harte gaarne: maar dan is grootje Rijzig ook al op de proppen, en aan
't flikken en bedillen; ja, dan heeft zij al een paar stoffige vingers gehaald,
door het wrijven langs de stoelen, de lustres, de commode. Me dunkt, Renard, ik
moest u zoo eene morgen-konversatie eens beschrijven. Het kan u nog te pas
komen, al was het maar om u gevoeliger te maken voor uw eigen zoetsappig geluk.
- | | | |
De Man (zich aankleedende, al heen en weer
hennende.) Blijft gij nog wat leggen, vrouwtje? (ô Dan ben
ik al narrig, moet gij weten, omdat hij mij aanspreekt.) - De
Vrouw (met een stem die zoo van tusschen de kussens opdommelt.) Blijft
gij nog wat leggen? beduidt dit niet: kom, sta op? Als gij dit meende, moest
gij mij niet wakker maken, maar als een muis zoo stil wegsluipen. - De Man.
Mama is al beneden, lief. - De Vrouw. Mama kan wel begrijpen ten vijf ure
beneden te komen; zij gaat ook met de kippen op stok! - De Man. Wel, kind,
laten wij óók vroeger naar bed gaan. - De Vrouw. Als ik tachtig
jaar ben; zoo lang zult gij dienen te wachten. - De Man. Nu, blijf maar daar je
bent! Ik dacht nog al, of gij met mij ontbijten wilde. De Vrouw. Gij dacht nog
al! Wel, ik heb er wat liefs aan, om met u te ontbijten! Je schrokt je boterham
schielijk binnen, en drinkt je koffij, of je zoo naar de schuit moest. En
onderwijl schommel je nog in je brievetas, of doet uw kousebanden aan. Er is
naauwlijks een woord voor mij over. (Dan wordt hij ook knorrig.) - De
Man. Ja, je hebt een regte lompert van een vent; hij is geen zier poliet; hij
leeft waarachtig in zijn eigen huis, of hij t'huis is.... Blijf te bed; de dag
is nog lang genoeg om te grommen. (Dan gaat hij weg, en ik als de drommel
overend; in vijf minuten ben ik beneden.)
Ik kom in de zaal. Daar zit mama in volle morgenorder: het kapsel
voor den geheelen dag reeds in orde, een keurig wit gekeperde mantel om, een
wit beddejakje en boezelaar en mofjes aan, net als zoo een stuk versch gevallen
sneeuw en ijs, regt overend met den groenen bril op, in een allergrootst
foliant-Bijbel te lezen, terwijl zij met moeite het bovenste der pagina kan
bereiken; een kapittel, denk ik althans, uit Leviticus, want op die hoogte is
het boek opgeslagen. - Morgen, mama! - Mama antwoordt niet, voor het kapittel
der reiniging uit is. - Morgen, dochter! - Dan komt de knecht (ook een
familiestuk), zwijgt, neemt het boek, en brengt het daar hij het gehaald
heeft...
Wat is 't nu weer? ik ben pas aan 't krabbelen. - Vrouwtje, ben je
boven? - Wat zou dat dan? - Is dat een antwoord? - Nu ja, ik ben boven. - Hij
blijft al aan de trap staan gie- | | | | ren: Geef mij schoon linnen, ik
moet naar de beurs. - Och, altijd dat gemaal! Ik krijg het, en smijt het heele
boeltje de zindelijke trappen af. - Is mij dat het goed naar den kop smijten?
Toe, je moet eens afkomen, om mij te helpen. - Heb je geen knechts en meiden
genoeg? - Meer dan te veel, maar gij moet mij eens helpen. - Dan kom ik, en
help; maar... zoo wat onhandig.
Dat gaat zoo dag aan dag, dan wat erger, dan wat beter. En ik zie
er niet veel beterschap aan. Wij verschillen te veel. Scheiden zal best zijn,
dunkt mij. (Was ik maar zoo rekkig niet!) Wij zijn 't nooit eens. Wij gonzen,
en morren, en grommen over alle beuzelingen, al was het ook over het snuiten
van de kaarsen.’
| |
XXXII
Doe ik
jufvrouw Wolff onregt, als ik mijne lezers ten aanzien
van Daatje's karakter half en half onder den indruk van een dissonant laat? Zoo
weinig, dunkt mij, dat zij een verkeerden, den roman vreemden indruk zouden
ontvangen, indien ik het liet voorkomen alsof die overblijfselen van een
wanklank zich naderhand hadden opgelost in een onberispelijk akkoord.
Er ontwikkelen zich mettertijd bij deze jonge vrouw sommige zeer
beminlijke eigenschappen. De moederliefde triomfeert bij haar tot eenzijdigheid
toe. Keurig is de schildering der aandoening die haar overstelpt (IV 347, 348)
als zij zelve haar eerstgeborene zoogt. Eenig de formule waarmede zij
rekenschap geeft van de sterker genegenheid die zij allengs voor haar zoontje
dan voor haar man gaat koesteren (V 218): ‘Kleine Jan is van mijn
familie, en zijn vader is maar aangetrouwd.’
Doch diezelfde eenzijdigheid waarschuwt ons, niet meer te eischen
dan aangeboden wordt. Daatje Leevend is geen heldin, geen Badeloch, die om
één man wel al haar kinders zou geven; zij blijft ten einde toe
wat de schrijfster gewild heeft dat zij wezen zou: een geestige type, haast te
origineel om voor een karakter, vooral voor een jonge dames-karakter te kunnen
doorgaan; in het minst geen vrouw zonder hart of gemoed, maar eene bij wie het
verstand zoo nadrukkelijk over beiden heerscht, | | | | dat zij alleen
haars ondanks, en als het beter ik zeer luide spreekt, gezeggelijk of teder,
zacht of volgzaam wordt.
Eerst als zij reeds eenigen tijd gehuwd is, maakt zij, en maken de
lezers kennis met een nog niet ten tooneele verschenen nichtje van Rijzig,
Cornelia West, eenigszins eene dubbelgangster van Daatje zelve, behalve dat
zij, bij veel geest, ook eene buitengewone mate van schoonheid bezit. Welnu,
hetgeen Daatje, de jonge vrouw en jonge moeder, aan deze nieuwe vriendin over
het stads- en het buitenleven schrijft, hare filippica tegen het een, hare
lofrede op het ander (V 375, 377), gelijkt als twee droppelen water op de
brieven aan Pietje Renard, toen er van trouwen of moeder worden nog geen spraak
was geweest. Er zijn van die karakters welke zich door geen nieuwe
aandoeningen, hoe krachtig ook, uit hunne voegen laten brengen; bij wie, als
zij op het luimige zijn aangelegd, het luimige ook altijd weder bovenkomt en
aan eene onschadelijke erfzonde doet denken:
‘Indien men nu langer durft beweren dat het buitenleven de
staat der natuur is, dan houd ik staande dat het die der woeste, onbeschaafde
natuur is. Het stadsleven is de staat der beschaafde, verbeterde welopgevoede
natuur. De landbewoner uit verkiezing, is een lompe, jolige, groot opgeschoten
zoon der natuur; de stedeling een welopgevoed, geestig, poliet, wel gestudeerde
zoon van diezelfde wijze moeder. De eerste vleit en streelt haar, hangt haar
(zoo als Wim plagt te doen) altoos aan haar boezelaartje; blijft in haar huis,
teutelt en treuzelt daar met haar geheele dagen; kort gezeid, is een regte
moedergek. De andere snuift er op uit, verligt hare lasten en bezwaren,
volmaakt haar werk, geeft haar duizend gerieflijkheden en nog meer aardige
niet-met-allen; en Moeder Natuur mag haar Jan-hen de hand boven het hoofd
houden, als een jongen daar zij veel gezelschap en hulp van heeft, maar in den
laatste vindt zij haar glorie en steunsel.’
Hetzelfde klare inzigt, en evenzoo getemperd door eene scherts die
zeggen wil dat men dit alles niet naar de letter, maar slechts voor de helft
als meenens heeft op te vatten, - vindt gij terug in Daatje's eindoordeel over
het karakter van Willem (VI 268).
| | | |
Welke stellingen! waart gij daareven geneigd uit te
roepen, welke stellingen voor eene vrouw, reeds ingewijd in den ernst des
levens, en die verzocht wordt eene jongere vriendin tot gids des harten te
dienen! Welke praat, zult gij weldra klagen, uit de pen eener zuster, reeds
echtgenoot en moeder, als zij beweert eene goede vrouw voor haar broeder te
hebben gevonden! Maar zoo is zij; en wie haar niet aldus verlangt te nemen, mag
haar laten staan. Bij anderen moge het naturel, hoe dikwijls ook verjaagd, in
altoos versnelden galop terugkeeren: zij gaat verder. Bij haar is het beestje
nooit van stal. Getuigd en opgetoomd staat het nacht en dag gereed, en met
één wip zit zij in den zadel:
‘Weet gij wát? Het schijnt mij toe dat jij, Sinjeur,
zoo al vrij wat karaktertrekken hebt van Mozes' Jozef (niet dien van
Bitaubé). En dat wel niet zoo zeer aan zijne kuische zijde, als in een
ander opzigt. Ik beken echter dat het voor een braaf, zedig jongeling veel
makkelijker moet vallen eene ontuchtige, bejaarde matrone te ontwijken, dan een
lief, mooi, deugdzaam, door u zwak geworden Lotje Roulin. Zie, wij kunnen niet
weten of Jozef niet idolaat van Lotje zoude geweest zijn; ik geloof het zelfs,
want zij teekende dan maar eens alles wat roerend en bekoorlijk is. En hoe gij
bij die egyptische matrone de kreupele waard zoudt geslagen hebben! zooals ik
gisteren avond uit mijn slaapkamer zag dat eenige vrienden in een stil, zeer
berucht huis deden; zoodat, eer de wacht kwam, de heele boel al door de glazen
lag en de Dame Mama het op haar witte zijden kousen op een drommels doodje
ontliep. Deze volgende overeenkomsten hebt gij met Jozef. De droomerige
hooggevoelendheid, waardoor gij in uwe verbeelding zon, maan, en sterren, voor
u ziet nederbuigen. Dan, die waan verdient eenige verschooning, want zij is
gegrond op den veelverwigen rok dien moeder u, met uitzondering van uwe zuster,
maakte; in die vleijende goedkeuringen waarmede de zoete vrouw u altoos
behandelde. Nu, dat zij zoo. Gij zult, als gij thuiskomt, vader, moeder,
zuster, broeder, oom en tante, zoo al niet voor u zien nederbuigen, echter u
zien omhelzen; en zoo zal dit een blij-eindend treurspel zijn. Om in den winkel
van een tooneelspel te blijven, moet gij trouwen; dat kan | | | | niet
anders. Ik heb een lieve meid voor u op spoor, een nicht van Rijzig. Dit is al
wat men met monden proeven kan, en velen houden haar [Cornelia West] voor zoo
fraai als Chrisje.’
Eindelijk: zelfs niet als haar man voor zaken van huis is en zij
hem op hare wijze de tederste bekentenissen doet; zelfs niet onder den
weemoedigen indruk dier eerste scheiding en van den eersten brief, kan zij
weerstand bieden aan den lust haar vernuft den teugel te vieren. Haar antwoord
(VI 370) is tegelijk eene uitbarsting van fijn gevoel en van achteraan komende
ergernis daarover; en niet bij wijze van tegenstelling, maar onafscheidelijk
dooreen gemengd:
‘Lieve Rijzig! Vreesde ik niet dat gij er een zeer slecht
gebruik van zoudt maken, ik zou zeggen dat uw afzijn mij niet half zoo wel
bevalt als ik mij verbeeld had dat het mij bevallen moest. Wel, ventje, ik
telde de dagen, de uren, de minuten, dat gij zoudt - afrijden. Heden, dacht ik,
dat zal rust geven; nu kan ik eens dit, eens dat, eens hier en ginder doen.
Nu ben ik eindlijk vrij, van Hollands duren eed en Egmonds
slavernij! Welnu, de dag kwam; ik was nog blij. Het uur; 't ging nog wel.
“Mijnheer, 't rijtuig is gereed; zal Jacob maar voorrijden?” Wel
dat 's raar, zei ik, dat mijn neus zoo begint te tintelen en mijne oogen zoo
schemeren; ja, ik vat veel koû, en een zinking is ligt op te doen. Daar
stapt mijn Heer en Meester in de fargon, rijdt voort, en - ik? Ja, ik mag het u
niet half zeggen; ik weet, helaas! hoe bedorven het manlijk hart is. Ik moet
dan alles bij mij zelf smooren, zoo als (zou tante zeggen) zoo
alsSalomo wel zeit: die niet spreekt, heeft niet te
verantwoorden. Toch, Brampje, ik had nooit gedacht dat gij,
haastig, driftig, halstarrig man, zoo veel geduld zoudt gehad hebben van aan
mij, die toch maar uw vrouw ben, zoo een epistel te schrijven; daar wij
dikwijls zoo schoon uitgepraat zijn, dat man of vrouw niets meer te zeggen
hebben en stilletjes tegenover elkander zitten in het vuur te kijken. - Ik ben
bedroefd, en dat wel met reden. Ik voorzie dat ik u elendig zal afvallen, nu
gij zoo vele uitmuntender vrouwen gezien hebt. Had ik u maar thuis gehouden!
Dat niet weet, niet deert. Nu, als het hem daar begint te haperen, denk dan (of
anders, ik wil het u wel helpen onthouden) dat gij | | | | ook geen heer
Helder, geen Renting, ja niet eens voor uwe vrouw een Everards zijt; en dan,
knaapje, moesten wij elkander zoo wat met gesloten beurzen betalen. Ben
jij, onhandig schepsel, zal ik dan zeggen, wel eens in staat om een
haarspeld in een van uw vrouws boucles te steken? weet jij wat het is,
eene vrouw te dienen op haar gedachten?... Ik zal echter zoo lang wachten, tot
gij mij kwaadaardig zit te verwijten dat ik geen verstand heb om gek te
kunnen zijn met mijn man.’
| |
XXXIII
Het berouwt mij niet, over Willem Leevend en Sara
Burgerhart zoo te hebben gesproken dat al mijne nieuwtjes mij gaandeweg
ontvallen zijn, en er voor eene narede geen stof is overgebleven. Het genoegen
der lezers en de roem der schrijfster gingen vóór. Is van hetgeen
dien roem beperkt en zijne grenzen voelbaar maakt iets achtergehouden, het
worde hier ten slotte geboekt.
Dat schetsachtige en op het effekt berekende hetwelk jufvrouw
Wolff eenmaal, in een tijd toen zulk een beroep niet aanmatigend werd gevonden,
zichzelve bijRembrand vergelijken en hare berispers
naar het breed penseel van dien meester verwijzen deed, heeft zoowel in Sara
Burgerhart als in Willem Leevend een betrekkelijk groot aantal
ongelijkheden van schrijfwijze doen overblijven.
Op bladz. 169 van het 8ste Deel van Willem
Leevend leest men: ‘Hoe vele klagten slaakt de misleide vroomheid, de
zwaarmoedige godsdienstigheid, over het groot verval der zeden; over het altoos
spoedig henengaan van in den bloei des levens wordende weggerukte beste
menschen, terwijl de ondeugende eenen hoogen ouderdom bereikt.’
Op bladz. 122 van hetzelfde deel schrijft Willem Leevend aan
Chrisje Helder: ‘Ik bedroef mij, als ik zie welk een klein strookje
papier ik nog over heb. Mag ik nog een velletje post papier
krijgen... Mag ik? o Mijne lieve Chrisje, dat “mag ik” herinnerde
mij daar zoo levendig die door mij, toen ik een kleine jongen was,
herhaling: Mag ik nog een beetje bij Chrisje op- | | | | blijven,
mevrouw? als ik bij u gelogeerd was en wij onze boterhammetjes
op hadden.’
Met overleg haal ik de twee ergste voorbeelden aan die mij te
binnen willen schieten. Elk aandachtig lezer kan ze als maatstaf gebruiken, en
er uit opmaken tot hoever, in deze romans, de losheid somtijds de
welluidendheid schaadt, of de uitdrukking, krijgertje spelend met de gedachte,
deze niet altijd weet in te halen en te vangen.
Strenger berisping dan deze proeven van verwaarloosd proza,
verdienen de verzen waarmede Sara Burgerhart en Willem Leevend
gestoffeerd zijn; strenger, omdat die leelijke bladzijden met zeker welbehagen
den lezer worden aangeboden en zij van de zijde der schrijfster gebrek aan
smaak verraden.
Zij laat Coosje Veldenaar ergens (IV 23) den draak steken met een
vier- of vijftal geaffekteerde versregels uit
Hooft, doch bemerkt niet dat Hooft's
gemaaktheid, die alleen in zucht tot nabootsen van italiaansche of fransche
modellen haar oorsprong nam, met kracht van echt dichterlijke beeldspraak
gepaard ging; terwijl hare eigen affektatie, als zij naar duitsche voorbeelden
zich aan rijmende of rijmlooze dichtproeven waagt, op onbeduidendheid uitloopt
en aan laauw zeewater doet denken.
Moest reeds erkend worden dat jufvrouw Wolff als prozaschrijfster
aanmerkelijk hooger staat dan als dichteres, de waarheidsliefde dwingt er bij
te voegen dat de hier en ginds in deze twee romans gelaschte dichtstukken tot
de zwakste behooren die haar ooit ontsnapt zijn.
Willem Leevend's berijmde strafrede tegen de praedestinatie kan er
nu en dan nog even door. Zijne weeklagten bij het afsterven van Lotje Roulin,
en even zoo de metrische uitboezemingen waaraan Coosje Veldenaar en Chrisje
Helder zich bij tijd en wijle bezondigen, zijn poëtische
wanschepselen.
Als specimen van den valschen eenvoud in de poëzie, waaraan
door Elizabeth Wolff in deze periode van haar letterkundig leven geofferd is,
haal ik uit Sara Burgerhart (III 120) de laatste strofe eener romance
aan, die Hendrik Edeling op Saartje's verjaardag, als mevrouw Buigzaam een
klein feest geeft, des avonds bij de piano improviseert en zingt:
| | | |
Mogt deze dag mijn heil volmaken,
Voor mij een dubble feestdag zijn!
Wie kan mijn keus, mijn wenschen wraken?
Dit sterk verlangen doet mij pijn.
Al is nu nog de hoop gering.
O zielverrukkende gedachten
Voor Edeling! (tweemaal).
| |
XXXIV
De overlevering wil dat deze boeken geschreven zijn door
twee personen en als bij beurten; met dien verstande dat al de luimige
brieven uit jufvrouw Wolff's pen, al de sentimentele en langdradige uit de pen
van
jufvrouw Deken gevloeid zijn. Nog op dit
oogenblik, zegt men ons, kunt gij te Beverwijk, in den tuin der
roomsch-katholieke pastorij, wier humane huisheer alle bezoekers en
bedevaartgangers met de meeste welwillendheid toelaat, de hut aanschouwen
binnen wier onaanzienlijke wanden de daad gepleegd is.
1
Tegen die voorstelling geloof ik dat, voor zoo ver Sara
Burgerhart en Willem Leevend betreft ( Cornelia
Wildschut en de Brieven van Abraham Blankaart
buiten beschouwing gelaten), om goede redenen kan worden opgekomen.
De splitsing der brieven in de twee genoemde kategorien is
niet-alleen willekeurig, in zoo ver men hetgeen met den huidigen smaak strijdt
niet kortweg langdradig of sentimenteel mag noemen, maar ook onvereenigbaar met
het feit dat jufvrouw Wolff zelve, gelijk men uit hare gedichten en verdere
prozaschriften haar kent, vooral niet minder neiging tot aandoenlijkheid en
breedsprakigheid had dan hare vriendin.
De twee romans, wel is waar, voeren op het titelblad beider | | | | namen; doch wie met aandacht de voor- en naredenen leest, en
daarenboven van sommige tusschenvoegsels kennis neemt, komt al spoedig tot het
besluit dat daarbij aan eene kwalijk bedektgehouden fiktie gedacht moet
worden.
Ook de inhoud wijst nergens op eene zamenstelling door twee
personen. Beide scheppingen, blijkbaar aan één brein ontsproten,
zijn tot in bijzonderheden door één wil uitgewerkt. En dat brein
- durf ik beweren - is het brein van jufvrouw Wolff geweest. Hare
theorien over de vriendschap en de liefde zijn het, hare wijsgeerige en
theologische begrippen, die men in Sara Burgerhart en in Willem
Leevend, hoewel het uitvoerigst in laatstgenoemden roman, terugvindt;
gelijk het haar humor was die Saartje en Daatje, Abraham Blankaart en
oom Frederik, tante de Harde en jufvrouw Heftig, in het aanzijn riep.
Is Daatje's levensspreuk (V 84): ‘De wereld is voor mij noch
een hemel, noch een hel, en ik ben er zeer wel in gelogeerd;’ is dat
opgeruimd devies uit jufvrouw Wolff's ziel geweld, niet minder broeder Willem's
diepgevoelde formule (IV 139): ‘Ik moet genieten - ik moet genoten
worden.’ De zedeleer der oude mevrouw Helder, de geloofsleer der oude
jufvrouw De Vrij, de verdraagzaamheid van professor Maatig, vereenigde zij in
haar persoon met sympathie voor Lotje Roulin, met bewondering voor Willem, met
aan dweepzucht grenzenden eerbied voor het vriendschapsverbond tusschen Chrisje
en Coosje. Wel is waar was de eenzijdigheid waartoe wij de jonge vrouw van
Abraham Rijzig zien vervallen, jufvrouw Wolff persoonlijk vreemd; maar nooit
beligchaamde voor het overige eene schrijfster zichzelve zoozeer in een
schepsel van haar vernuft als zij in het karakter van Daatje Leevend.
Jufvrouw Deken is aan dit alles wezenlijk vreemd gebleven.
Mijne eerste bewijsplaats in de narede van Sara
Burgerhart.‘Wij hopen,’ luidt de aanhef, ‘wij
hopen dat de goede lezers wel zoo veel belang in de Historie van Sara
Burgerhart zullen gesteld hebben, om nog het een en ander te willen weten
van de meeste hupsche menschen, die zij in dit werk hebben leeren kennen. Veel
bijzonders kan ik u niet verhalen, of ik zou in het romaneske
vallen, enz.’ Omstreeks het slot, dezelfde- | | | | wisseling van
den eersten persoon meervoud met den eersten persoon enkelvoud: ‘Nu
zouden wij nog wel een woordje van jufvrouw Hartog dienen te zeggen.
Maar dewijl wij geen de minste korrespondentie hebben met geleerde
vrouwen, die over de zonnestofjes en de genoegzame rede schrijven, kan
ik alleen zeggen, dat jufvrouw Hartog en hare vriendin, de freule Van
Kwastama, enz.’
Aan den voet van het treurlied op Charlotte Roulin, in het
4de Deel van Willem Leevend, bladz.212, vindt men
aangeteekend: ‘Dit vers, in al de hevigheid eener bedwelmende droefheid
opgesteld, lag in het verzegelde paket dat mejufvrouw Belcour, op order van den
heer Leevend, door de bezorging van mijnheer Roulin ontving. Noot van de
uitgeefster.’
Dit enkelvoud is geen druk- of schrijffout. Deel I, bladz. 340,
wordt in een tusschenzin gezegd: ‘De heer Leevend verhaalt het hier
voorgevallene; 'twelk den lezer reeds bekend is uit den brief van zijne partij.
Hierom ligt ik dit verhaal uit dezen.’
Heeft de eene schrijfster zich met opzet in de plaats der andere
gedrongen? In geenen deele. Reeds in de eerste zinsnede der eerste voorrede
(Willem Leevend telt er drie, en bovendien eene narede, een gevolg van
het uitgeven bij gedeelten) treedt één persoon als schrijfster
van het geheele werk op:
‘Weinig schriften worden door jonge lieden met zoo veel
drifts gezocht en doorloopen, als zulke die de gevoeligheid opwekken. Hij, die
alleen vervrolijkt, is zoozeer hun gunsteling niet, als hij, die tranen doet
storten. Veel over de oorzaak van dit zoo zeldzaam verschijnsel in jongelieden
te schrijven, is thans mijn oogmerk niet. Zij voor wie ik dit
schrijven zoude, zullen hoogst waarschijnlijk deze voorrede niet inzien; en
anderen behoef ik die oorzaak niet aan te wijzen.’
Een weinig verder: ‘Men versta mij wel! Ik
stel geen Clarissa, - meesterstuk van een groot man, - op de lijst van
schadelijke boeken.’
Tweede voorrede: ‘Men hoort mij, schijnt het, gaarne
lezen, vooral het statige, aandoenlijke; mogelijk ligt daar ook mijn
talent oneindig meer dan in de vokale muziek. Ik lees des voor
mijne bijzondere vrienden meermaal, en met een levendig | | | | vergenoegen, waarom dit te ontkennen? doch ik lees geen
onuitgegeven schriften voor een auditorium van twaalf of twintig personen, ook
niet hoewel mijn huis geschikt zij om op deze wijs figuur te maken, en
al zouden wij zeer gemakkelijk het dubbel getal nieuwsgierige, ledige,
met hun tijd doodelijk verlegen menschen bijeenbrengen kunnen. Wat is toch het
voorgewende oogmerk van zulke voorlezingen? Ik kan het waarlijk,
ofschoon ik geheel alleen en in het ernst inboezemend lommer van zware
boomen zit te schrijven, niet zonder een smakelijken lach nederzetten,
enz.’
Ten overvloede voert deze tweede voorrede, in onderscheiding van
de eerste, welke geacht werd door beide dames te zamen onderteekend te zijn,
alleen den naam van jufvrouw Wolff.
Het zou den lezer slechts vermoeijen zoo op deze wijze werd
voortgegaan met uit de derde voorrede en uit de narede - beiden insgelijks
alleen door jufvrouw Wolff onderteekend - de plaatsen aan te halen waar
wij en ik zusterlijk nevens elkander staan, en de eenheid der
zamenstelling beurtelings openlijk aangekondigd en ondershands in het midden
gelaten wordt. Allen voeren tot de slotsom: Sara Burgerhart en Willem
Leevend zijn het werk van één persoon; twee geesteskinderen
van jufvrouw Wolff, ten doop gehouden door jufvrouw Deken. De tedere
vriendschap tusschen beide vrouwen gedoogde geen anderen vorm van optreden voor
het publiek. Aagje zou het beneden zich hebben geacht, uit de voorreden te
schrappen hetgeen daarin tot verkleining van haar aandeel in de vennootschap
voorkwam; Betje ware, in den trant van Daatje Leevend, giftig boos geworden,
zoo men haar had voorgesteld, Aagje's naam op de titelbladen uit te wisschen.
1
| | | | | |
XXXV
Het is bijna niet mogelijk uit Sara Burgerhart en Willem
Leevend eene keus te doen, en de bladzijden aan te wijzen welke bovenal
onze bewondering verdienen. Het zijn niet zoo zeer fraaije trekken of schoone
fragmenten, die de waarde dezer boeken bepalen, als wel de aanleg, hetzij van
sommige groote partijen, hetzij van het geheel.
Om die reden zal het groote publiek steeds de voorkeur blijven
geven aan Sara Burgerhart: een roman zoo frisch en geurig, zoo prettig
en gezellig, als er uit den goeden ouden tijd één is
overgebleven. En inderdaad, indien zonder een zweem van inspanning zich te
laten lezen en begrijpen; de kunst te verstaan zich tot een huisgenoot te
maken; te wor- | | | | den toegelaten in het hoekje bij den haard; den
gullen lach te wekken van oud en jong; de preutschheid zuur te doen zien, en
voor de menschelijke natuur van den lezer te zijn wat de daauw voor de bloemen
en een heldere zomer-ochtendstond voor de vogelen is, - indien dit alles tot de
eischen van een populairen roman behoort, dan mag Sara Burgerhart
mededingen naar den prijs.
Maar schooner nog dan dit geheel, stouter, aangrijpender,
bedwelmender, zijn de twee eerste deelen van Willem Leevend. De wijze
inzonderheid waarop dit boek geopend wordt; die brief van de
dominé's-jufvrouw Heftig, geboren Wilhelmina Rammel, aan de oude
jongejufvrouw Geertruid Leevend; dat kakelen over het aangekondigd hertrouwen
eener weduwe met groote kinderen, van wie men gedacht zou hebben dat zij
dergelijke plannen voor altijd was afgestorven; dat ontsluiten, van de eerste
bladzijde af, eener geheele kleine wereld met hare vooroordeelen, hare
bemoeizucht, hare goedhartigheid, haar aan de geestige dierewereld
vermaagschapt zieleleven; overtreft al het overige en is, als aanhef beschouwd,
een juweel van kunst:
‘Waarde vriendin! Ik moet, al zou dominé morgen geen
schoone bef om zijn hals hebben, alles neergooijen waaraan ik bezig ben. - Ik
heb u wat nieuws te zeggen. Daar hoor ik van mijne naaister, dat uw
broêrs weduw trouwen zal met Gerrit van Oldenburg! Wel, nu sla ik er geen
hand aan. Mevrouw Leevend trouwen met zoo een taggeryn, zoo een beer op sokken,
zulk een Nero niemandsvriend; een man zonder opvoeding, zonder manieren! Zij
zoo poliet, zoo snedig, zoo attent op alles! Dat is mij te geleerd. Zou zij uit
belang dien rijken fokkert aanslaan? Ik meende dat zij er warmpjes inzat. Weet
gij wat, vriendin? als ik evenwel zulk een lief waardig man in 't graf had als
zij heeft, ik zou Gerrit van Oldenburg hebben laten waaijen. 't Is waar, hij
ziet er wél genoeg uit, is van hare jaren, staat ter goeder naam en
faam, heeft kind noch kraai in de wereld, is een geschikt bejaard vrijer. Ik
moet zeggen zooals het is.
Hoe zal dit onze Daatje toch monden? Hoe zal Wim dat aanstaan? Hij
geeft zich vrij wat airs, en is zoo wél met | | | | zijne moeder.
Nu, zij blijft hem niets schuldig: 't is of zij alleen voor zoontje leeft. Ik
ging met dit nieuwtje zoo drijvend naar dominé's studeerkamer, want ik
maak geen moordkuil van mijn hart. “Hoe komt je dat voor?” zei ik.
“Heel wel, kind,” zei hij; “mevrouw Leevend is een
verstandige vrouw en Van Oldenburg een geschikt man.” Nu, ik zeg
verstandig tegen haar! Is dit huwlijk echter het grootste bewijs van haar
verstand, dan durf ik óók nog met mijne klompen op het ijs komen;
dan kan ik óók vloot houden. Ei kom, het lijkt immers nergens
naar! Ik hou niet extra veel van mevrouw Leevend; mij is zij te precies. Maar
toch, zoo een misselijk figuur moest zij niet nemen. 't Is een brave vrouw, en
zoo zij wat minder geheel anders was dan ik ben, ik zou haar heel liefhebben en
haar dit huwlijk sterk afraden.
Hoor, mijn man is wél genoeg. Stuit het eens, ik denk: de
preek zal hem wat hard in zijn maag liggen. Ik verbrui het óók
wel eens: zie, zoo ben ik; geen vijgebladen. Ja, wat wilde ik evel zeggen? Dit,
geloof ik. Als dominé stierf (en hij is zoo weinig Jan Leevend als ik
zijn weduwe), ik zou mijnheer Gerrit van Oldenburg wel zeer vriendelijk
bedanken; en echter een rijk man zou mij, met mijne zes stoute drukke kinderen,
nog al niet te onpas komen. Want de dominés mogen zich, mijn lieve
mensch, zalig preêken; maar rijk, dat zit er niet op. Uw
broêr was een man om op te verlieven; dat is maar uit. Er is veel aan hem
verloren.
Nu, het is voor mij en mijn slag heel troostelijk dat zulke
verstandige vrouwen óók eens iets geks doen. Was zij maar
zoo zachtaardig, zoo week niet! Kon zij, als hij boe zegt, ba
antwoorden! Maar, zoo als ik zeg, dat zou zij zich schamen. O ik ken onze
naauwgezette zoetsappige vrouwen van verstand! Magtig nog toe! Ik ben ook niet
kwaad, maar ik beleef mijn regels: al te goed is gek; maak u een schaap, elk
zal je een beet geven. Ik zeg altijd: Weet je wat, dominé Heftig? waren
er geen studeerkamers, er waren zottehuizen te kort. En dan geef ik hem den
kleinen jongen in den arm en zeg: Hier, vriend, een leêg mensch is een
duivels oorkussen. Dan verzet hij zijn muts, schudt zijn hoofd, en noemt mij
een verbruid wijf. Nu, dat is tot zijn Eerwaardes dienst.
| | | |
Hoe komt u dit huwlijk voor? Gij zijt immers nog al
tamelijk goede vrienden? Ik hoop dat ik toch de eerste ben, dit u dit fraai
nieuwtje vertelt. Staat gij niet braaf te kijken? Dacht gij wel dat zij, na zoo
lang weduwe te zijn geweest (is het nu niet zes jaar, dat uw broeder stierf?),
nog trouwen zou? Ik niet. Is zij niet al vier en veertig? Als ik haar morgen in
de kerk zie, zal ik weinig van de preek rooijen, zoo vol ben ik er van. Nu, er
zit voor mij een vrolijke dag op. Gerrit-neef houdt veel van dominé, op
mij heeft hij 't niet breed. Evenwel, Joost zou er mede spelen als hij mijn man
en mij niet verzocht. Ik sok vast meê; ik moet eens zien hoe dat paar
flankeeren zal. Ja, zij is een mooi teêr vrouwtje; zij schijnt wel de
zuster harer dochter; zij kleedt zich met smaak, zedig. Hij een regte
amsterdamsche klos van een kerel: knap slag, doch zoo stijf als een Twenter
boer... Nu ja, ik kom! Wat is er een drukte, als moeder eens een oogenblik weg
is! Er staan al een stuk drie, vier, aan de deur te kraaijen. De kinderen zijn
wijzer dan ik: 't is tijd om ze te bed te leggen. Dominé weet niet, dat
ik u dit zoo heet van den rooster overbrief. Wat hoeft hij alles te weten wat
ik doe, niet waar? Ik ben, in verwachting van antwoord, uwe dienares en
vriendin, W. Heftig geboren Rammel.’
Daar staan wij nu, verlegen en wel met onze moderne kunsttheorien
en hare toepassing! Van alles hebben wij sedert het laatst der vorige eeuw bij
de hand gehad; aan alles hebben wij gedaan; aan het klassieke en aan de
romantiek, aan het idealisme en het realisme, aan navolging van het buitenland
en aan ontginnen van eigen bodem; wij hebben getrompt, hebben geruiterd, hebben
gedweept met nieuwe en met oude kunst, zijn ter school gegaan bij Shakespeare
en bij Goethe, bij Scott en bij Byron, bij Lamartine en bij Victor Hugo; van
het Wien Neerlands Bloed zijn wij in de citadelpoëzie vervallen, van den
historischen roman in de dorpsvertelling, van den engelschen humor in het
mecklenburgsch patois; wij hebben den slag van Waterloo en den Tiendaagschen
veldtogt gehad; de grondwetherziening en de koloniale kwestie, de moderne
theologie en de vrouwelijke emancipatie. Doch zijn wij er origineler op
geworden? Dit zal niemand beweren.
| | | |
‘Of men’, schreef jufvrouw Wolff in
Februarij 1785 - en met dit citaat nemen wij afscheid van Sara
Burgerhart en Willem Leevend; afscheid ook van de beminlijke vrouw
die zoo goed wist waar zij stond en het zoo aardig wist te zeggen, - ‘of
men onzen vaderlandschen roman, berekend voor onze zeden, gewoonten, en manier
van denken, zal navolgen, weten wij niet. Mogelijk. Indien wij de plaats, die
wij nu hebben, moeten inruimen aan veel beter schrijvers in dit vak, 't zal ons
waarlijk lief zijn. Zoo veel belang nemen wij wel in de zaak der deugden, der
goede zeden, des nuttigen vermaaks, om hulde te doen aan ieder die ons in dezen
gelukkig overtreft. Dan zal ik tegen mijne bijzondere vrienden zeggen, hetgeen
ik voor eenige jaren tegen iemand over mijn klavierspelen zeide, die mij vroeg
waarom ik nooit meer speelde: “Ik speelde zoo tamelijk goed; ik hoorde *
* * spelen; ik was niets meer. Maar er was nog wel wat op: ik verkoos het
aandoenlijk vermaak van hemelsch te hooren spelen, boven den mageren lof van
vrij wel voor de muziek geschikt te zijn.” Wie is de grootste in dit
geval: zij die hare minderheid, en dat in eene hartgeliefde kunst, ongeveinsd
belijdt, of zij die het overheerlijkst speelt? Wordt men dan niet, van eene
dagelijksche klavierspeelster, verhoogd tot den rang van eene hupsche
vrouw?’
1
1874.
|
1Sara Burgerhart,II 53. - Deze en volgende
cijfers verwijzen naar de klein-oktavo uitgaaf van 1836, in drie deelen.
Amsterdam, J. Immerzeel Junior, 4 de druk. Herdrukt in
1879.
1Aan mijnen Geest. In Van Vloten's uitgaaf van
Leven en Verzen van Elizabeth Wolff-Bekker, 1866, bladz. 192,
193.
1Aan J.E. Grave, Beemster 2 Februarij 1771:
‘Dat men schildert (een poëet schildert) moet natuurlijk zijn; maar
men moet geen dingen schilderen die de welvoegelijkheid stooten. Niets is
natuurlijker dan een dronke boer die spuugt, of een matroos die een meisje
lompe caresses doet. Ik durf u echter verzekeren, dat ik zou bedanken om die
vuiligheden te schilderen.’ Brieven van Elizabeth Wolff bij Theod.
Jorissen, Nederland 1879, II 152.
1Aan
Lucretia W. Van Merken, Beemster 4
December 1775: ‘Schoon ik zoo vif ben als 't licht, zo is evenwel mijne
ziel geheel ernst; mijne levendigheid zit slegts in mijn bloed en
senuen.’ Brieven van Elizabeth Wolff bij Theod. Jorissen, Nederland 1878,
II 420.
1Willem Leevend, VI 64 vgg. - Deze en de
volgende cijfers verwijzen naar de uitgaaf van 1784. 's Gravenhage, Isaac van
Cleef, acht deelen.
1Van Vloten, Proza-stukken en Brieven, bl.
191, 193.
2Van Vloten, Leven en Verzen, bl. 68
vgg.
1Elizabeth Wolff aanMr. Noordkerk, 19 Oktober
1770.
1Werther's Lotte zelve had dit koket briefje
der gravin aan Willem niet kunnen overtreffen: ‘Wees niet roekeloos!
Mogelijk waakt de verrader. Spaar mij, zoo gij mijn vriend zijt. Hij, die u dit
biljet brengt, zal u de noodige berigten en hulp geven. Een paar oogenblikken
zal ik u zien. Uwe vriendschap roert mij, maar uw voornemen keur ik ten
sterksten af. Wat baat het? Uw onbuigzame geest is onverzettelijk, en
duldt geene teleurstellingen.‘
1Dezelfde gedachte keert nog eens terug in het
portret van Cécile, III 62-64.
1Het is de taal, bedoeld in het liedje uit het
fransche zangspel, waar men zich te midden der Dames de la Halle bevindt:
Telle était Madame Angot.
1Van Vloten, Leven en Verzen, bladz. 111,
311.
1Biografisch Woordenboek van
Van der Aa, IV 105: ‘Bekend is
het dat, in de vruchten van haren geest die zij gemeenschappelijk uitgaven, de
geestigheid, fijne boert, scherp, wel eens bijtend vernuft, van Elizabeth
Bekker, en de ernst, gestrengheid in het zedelijke, doch onbekrompene denkwijs
in het leerstellige van de godsdienst, aan Agatha Deken moet worden
toegeschreven.’
1Ik, mij, mijn, komen in
de (ongeteekende) voorrede van Sara Burgerhart tien malen voor. In de
(ongeteekende) narede drie malen. In de eerste (ongeteekende) voorrede van
Willem Leevend (Deel I) drie malen. In de tweede voorrede (Deel III), geteekend
door jufvrouw Wolff alléén, veertig malen. In de derde voorrede
(Deel V), insgelijks geteekend door jufvrouw Wolff alléén, acht
en vijftig malen. In de narede (Deel VIII), nogmaals door jufvrouw Wolff
alléén geteekend, dertig malen. Te zamen één
honderd vier en veertig malen. Geen der zes voor- of naredenen is
mede-onderteekend door jufvrouw Deken. De aanvangsletter van haar doopnaam (A)
wordt nevens dievan jufvrouw Wolff's doopnaam (E) slechts éénmaal
daarin aangetroffen. Het is aan den voet eener ingelaschte denkbeeldige
uitnoodiging waarbij een onbenoemd letterkundige kwanswijs op Lommerlust ten
eten gevraagd wordt (Willem Leevend, voorrede 3 de Deel, bladz. 23).
In Sara Burgerhart wordt gezegd, aan het slot van den 69 sten Brief
(II 26 vg.): ‘De uitgeefster heeft noodig gevonden dezen brief van
Charlotte Rien du Tout, als ook dien van Pieternelletje Degelijk, van de taal-
en schrijffouten eenigzins te zuiveren, opdat men die zoude kunnen
lezen.’ Deze noot kan niet afkomstig zijn van jufvrouw Deken; zelve op de
regels van taal en spelling zeer onvast. Alleen de beter onderleide jufvrouw
Wolff kon zoo spreken en in het enkelvoud zich als ‘de’ uitgeefster
aanduiden, gelijk zij op drie verschillende plaatsen in Willem Leevend (I 340,
IV 212, VII 344) insgelijks als éénige auteur van het geheele
werk spreekt en handelt. Ergens in Willem Leevend (voorrede 3 de Deel,
bladz. 16) maakt jufvrouw Wolff zich vrolijk dat een kortzigtig publiek Coosje
Veldenaar voor het portret van jufvrouw Deken hield, Adriana Belcour voor een
portret van haarzelve, of omgekeerd. ‘Men heeft er maar wat bij- en
afgedaan om het wat te omsluijeren’, zeiden personen die het fijne
beweerden te weten. Jufvrouw Wolff had regt dit belagchelijk te vinden. Niemand
wist beter dan zij, dat de edeldenkende maar onwetende en ongeletterde Agatha
Deken zoomin bij de eene als de andere dier twee vrouwen kon vergeleken worden,
beiden uitmuntend door taalkennis en eene vergelijkenderwijs veelzijdige
lektuur. In de narede van Willem Leevend (VIII 359) vraagt jufvrouw Wolff,
handelend over het karakter van Lotje Roulin: ‘Wie kent Lotje beter dan
ik?’ Van jufvrouw Deken's aandeel in het vinden of schetsen dezer
hoofdpersoon wordt niet gerept. Onwillekeurig maakt jufvrouw Wolff zich ook
hier bekend als de eigenlijke schrijfster van den roman. Een opstel over de
betrekking van jufvrouw Deken tot jufvrouw Wolff vindt de lezer in het
maandwerk Nederland, Augustus 1883.
1Willem Leevend. Voorrede van het
3 deDeel, bladz.XXI.
|
|