|
|
|
| | | | | |
Dr. Jonckbloet. Julij 1817 - Oktober 1885.
| |
I
Hoewel van het groote werk van Dr. Jonckbloet
1 over de geschiedenis
der nederlandsche letterkunde reeds de derde geheel omgewerkte uitgaaf
verscheen, is het met de vijf deelen die wij aankondigen nog niet kompleet; een
zesde deel, het laatste, ligt in het zout. Het zal geopend worden met eene
studie over
Bilderdijk, en daarna handelen over de
dichters en romanschrijvers die op Bilderdijk gevolgd zijn:
Da Costa,Willem de
Clercq,
Jacob van Lennep,Potgieter,
De Génestet, en de nog
levenden.
Toch geloof ik dat men zonder onbescheidenheid reeds nu beproeven
mag eene korte kritische beschrijving van dit gedenkteeken te geven.
Er is nog nooit eene pragmatische litteratuur-geschiedenis
verschenen, wier wezenlijke waarde bepaald werd door hetgeen daarin omtrent des
auteurs tijdgenooten voorkwam. Zij en hunne onmiddellijke voorgangers staan te
digt bij hem. Ook al beginnen zij door hunne haren te groeijen, zij behooren
nog te weinig tot het verleden.
| | | |
Dr. Jonckbloet zal in zijn nog onuitgegeven laatste
deel ons kunnen verrassen door menige schrandere opmerking. Aan diegenen onder
ons, voor wie het nog niet te laat is hun voordeel te doen met zijn onderrigt,
zal hij meer dan één nuttigen wenk kunnen geven. Maar de vijf
eerste deelen zullen met het zesde staan noch vallen. Zij hebben hunne
beteekenis in zichzelf1.
Om aan te vangen met den schrijver, Dr. Jonckbloet
vertegenwoordigt met glans in ons land een jonger geslacht, onder welks leiding
de akademische leerstoelen, voor het bijzonder vak der nationale letteren, zoo
niet in het leven geroepen zijn, althans voor het eerst aan het oogmerk
beantwoord hebben. Met den
hoogleeraar M. de Vries is hij de
grondlegger eener klasse van studiën, die te voren in Nederland niet
ernstig deel uitmaakten van het hooger onderwijs.
Vandaar zijn gestadig polemiseeren, bedekt of openlijk, tegen
nederlandsche litteratuur-historici als
Jacobus Scheltema,
Collot d'Escury,
Van Kampen,
Witsen Geysbeek,
Jeronimo de Vries,Siegenbeek,
Lulofs,
Visscher,
Jacob van Lennep; mannen uit de oude
doos, volgens hem, begaafde dilettanten, esthetici zonder stelsel, veelweters
zonder methode, taalkenners uit de school van grootmoeder Natuur, niet
wetenschappelijk gevormd; fantasie-etymologen, zoetwater-grammatici. Tegenover
al die vieux de la vieille gevoelt hij, met zijne voorbereidende romaansche en
germanistische vorming, zich staan als jong en nieuw.
Werkelijk kan hij in vele opzigten als een type van onzen tijd
beschouwd worden. In Klikspaan's schilderkamer van
1840 zat hij als model van den genialen, levenslustigen student. Hij gispte
daarna in een vroolijk pamflet de huichelarij der nederlandsche zeden, en
opende in onze letteren het eerste moderne bierhuis.
Uit dien gezelligen kring werd hij, half in ernst, naar het hooger
onderwijs geroepen. Zulk een deventersch profes- | | | | soraat gold toen
niet voor vol. Hem was het alleen eene voorbereidingsschool om naar
Groningen; om uit Groningen, uit Winschoten, of uit
welk ander koddig kiesdistrict het geweest moge zijn, in de Tweede Kamer te
geraken.De hoogleeraar-volksvertegenwoordiger is een vast verschijnsel der
19de eeuw.
Nogmaals toonde hij een Nederlander van zijn tijd te zijn, toen
hij in de Kamer zich op de studie onzer koloniale kwestie toelegde: de
nederlandsche kwestie bij uitnemendheid. Sedert zag men hem, als nederlandsch
kommissaris hij internationale tentoonstellingen, tijdelijk zich naar
verschillende hoofdsteden der oude en der nieuwe wereld verplaatsen; steeds
Flanor, steeds kind zijner eeuw, steeds liberaal. In die dagen althans waren de
kalvinisten en de ultramontanen nog niet zoo magtig als op dit oogenblik. De
wittebroodsweken van het liberalisme hielden nog aan.
Maar deze vlugtige omtrek wil bijgeteekend worden. De schrijver
der Physiologie van den Haag, wiens satire voor
ligtzinnigheid doorging en eene onopregte orthodoxie gelegenheid opende toorn
te veinzen; die geestige fantasieschrijver had toen reeds in het openbaar eene
geleerde verhandeling over eene middennederlandsche rijmkronijk verdedigd.
De vrijzinnige publicist en volksvertegenwoordiger was ja, naar
Uhland's zeggen, met meer dan
één druppel demokratische olie gezalfd; maar dit verhinderde hem
niet aan gekroonde hoofden tekstuitgaven op te dragen van middeneeuwsche
fransche historiezangers, of studien over den Roman de
Renart te schrijven welke de beste fransche specialiteiten tot eer
zouden verstrekt hebben.
Had de Tweede Kamer den hoogleeraar van het hooger onderwijs
vervreemd; scheen de rondreizende kommissaris die ballingschap moedwillig te
verlengen; daar kwam verandering in. Onder het uitspreken van een Jure meo!
welks bevoegdheid door niemand in twijfel kon getrokken worden, werd de
wandelaar opnieuw professor, en zette zich aan het bewerken en omwerken van het
groote boek hetwelk, in Nederland althans, meer dan één zijner
andere geschriften, het voortleven van zijn naam verzekert.
| | | |
Op de deftigste wijs sloot hij hiermede eene
veertigjarige geleerde loopbaan; en slechts eene enkele bijzonderheid verried
dat de oude tegenstelling zijner geleerdheid en zijner luim, zijner liefde voor
het leven en zijner liefde voor de studie, nog niet volstrekt uitgewischt was.
Hij werd professor te Leiden in Den Haag, en
trotseerde in zijne nadagen het haagsche Binnenhof en den minister van
Binnenlandsche Zaken, gelijk hij in zijne jeugd het de geheele haagsche wereld
en hare pantoffelparade gedaan had.
Van dit puntige en humoristische, in den geest en de loopbaan des
schrijvers, vertoont het boek sommige sporen. Flanor is in de Geschiedenis
der Nederlandsche Letterkunde hier en daar present op het appèl.
Naar de hartsgeheimen van
Jacob van Maerlant wordt door hem een
vermakelijk onderzoek ingesteld. De zedeprediker
Boendale, van kakelend liberaal
behoedzaam konservatief geworden, krijgt zijne trekken behoorlijk thuis.Anna Byns wordt bekeken tot op het hemd, en zelfs er
onder. Op de ijdelheid en de pedanterie van den historieschrijver
Hooft valt een overvloedig licht. Het
wordt meer dan waarschijnlijk gemaakt dat
Elizabeth Wolff, echtgenoot van een
predikant der gereformeerde staatskerk, doodelijk geweest is van den
doopsgezinden liefdeprediker
Loosjes.
Vondel en
Tollenskomen in de nis der
burgermannetjes te staan.
Wij bekomen op die wijs de physiologie van
Tollens en Vondel en Hooft, de
physiologie van Boendale en Maerlant, de physiologie van Elizabeth Wolff en van
Anna Byns.
Dit zijn echter maar incidenten; vrolijke intermezzo's. Doorgaans
woont gij in deze Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde de openbare
zamenkomst eener geleerde Debating-Society onder het voorzitterschap van Dr.
Jonckbloet bij. De bekwame president verleent aan oudere en jongere
medegeleerden beurtelings het woord. Hebben al de anderen uitgepraat, dan geeft
hij zijne persoonlijke meening ten beste, en vat in notulen-stijl, met
vermelding van ieders aandeel in de gewonnen slotsom, het gesprokene omstandig
zamen. Geschiedenis is het niet, of is het maar ten deele. Het is eene
belangwekkende gedachtewisseling van deskundigen onder elkander.
| | | | Hebben
Dr. de Vries,
Dr. Verwijs,
Dr. van Vloten,
Dr. Verdam,
Dr. Te Winkel,
Dr. Franck,
Dr. Wybrands,
Dr. van Helten,
Dr. Kalff, een nieuwen tekst bezorgd of
een belangrijk boek geschreven, dan breekt Dr. Jonckbloet den draad zijner
geschiedenis af en zet, gelijk de Hollanders op Javazeggen, over
het punt in kwestie een eigen ‘boom’ op. Zijn verhaal wordt een
debat; een schooldebat. Evenals in de Overwintering van Tollens de
makkers van den schreijenden maat veroordeeld waren de voornamen van al zijne
kinderen te vernemen, en hoe lief zijne vrouw hem had, zoo vervolgt de
hoogleeraar u met argumenten ten gunste zijner opvatting. Vroeger dacht hij er
dus over; thans doet hij het zoo. Dr. A. sloeg indertijd den bal deerlijk mis.
Nuttige lichten werden sedert opgestoken door Dr. B. Er is reden te gelooven
dat een volgend geslacht zich zal nederleggen bij de uitkomst onlangs verkregen
door Dr. C.
Gij, onderwijl, zit op heete kolen en roept om la pièce! De
afspraak luidde (15) dat gij een stuk in drie bedrijven en vijf tafereelen
zoudt bijwonen: de midden-eeuwen, de rederijkers, de 17de eeuw, de
dichtlievende genootschappen der 18de eeuw, de nieuwere tijd. Maar
de schrijver heeft stilzwijgend zich het regt voorbehouden, zoo vaak hem dit
dienstig of noodig toeschijnen zou, eene pauze in te stellen; en van die
voorwaarde maakt hij een ruim gebruik. Om een haverklap is het bij hem
relâche, om een haverklap zakken zijne epische muze de kousen op de
hielen. Hij volgt haar voorbeeld; gaat, terzijde van den weg, nevens haar op
den dijk zitten; en rekent, terwijl zij den tijd verdoet met hare
beenbekleeding weder in orde te brengen, intusschen af met Dr. D.
‘Het boek is daardoor misschien wat meer een studie- dan een
leesboek geworden’, verontschuldigt de schrijver zich (III, Voorrede); en
het zou mij leelijk staan die drijfveer niet te laten gelden. Aan zijne
uitweidingen had ik het voorregt te danken, meer dan eens met instemming
aangehaald te worden. Doch een onzijdig publiek hecht aan zulke gemoedsredenen
geen waarde. Het vraagt eene oordeelkundige beschrijving van het geleverde, en
schenkt het overige.
| | | | | |
II
De wetenschap onzer dagen eischte dat de geschiedenis der
nederlandsche letterkunde geschreven werd. Het was een schandaal, dat de
Duitschers onze middeneeuwen beter kenden dan wij. Konden wij Hoffmann von
Fallersleben niet overtreffen, wij behoorden voor het minst blijk te geven na
eene halve eeuw hem te kunnen evenaren.
Die pligt is door
Dr. Jonckbloet vervuld. Indien er voortaan geleerde
vreemdelingen gevonden worden die verlangen te weten op welke wijs (het hooge
woord moet er uit) de lappendeken onzer letteren ontstaan is, bij hem kunnen
zij teregt.
Van elk vodje afzonderlijk zal hij hun de geschiedenis verhalen.
Uit welke snippermand, aan welken straathoek, het werd opgeraapt. Van welke
uitheemsche kleedingstukken of uitheemsche meubelgordijnen het een overblijfsel
is. Hoe de knaap heette die er onze grenzen mede overkwam. Vanwaar het die
kleur, dien snit, die rafels heeft. Om welke reden onze eenvoudige landgenooten
zich die vreemde ooren gaarne lieten aannaaijen. Hoe zij met het ding naar
hunne wandsnijders of hunne lakenwaardijns liepen, of in hunne saaihallen,
welgenaamd, het van een nationaal loodje deden voorzien. Hoe zij de deken voor
een statierok aanzagen en, als ware zij een mantel van eigen fabrikaat, haar
zich om de leden plooiden. Hoe zij, in hunne oogen heel wat heers, in die der
wereld voor opgeschikte boeren doorgingen.
In al deze kleine verborgenheden zullen de buitenlandsche
geleerden door onzen landgenoot ingewijd worden; en zij zullen die gewigtig
vinden. De wetenschap zou de wetenschap niet zijn zoo zij niet van alles kennis
nam, aan alles waarde hechtte, alles klassificeerde.
Een woord van opheldering is noodig om het verklaarbaar te maken
dat Dr. Jonckbloet, van gevoelen dat de Nederlandsche letterkunde dien naam
eigenlijk niet verdient (hetgeen zijn regt is), nochtans een groot en geleerd
werk aan hare geschiedenis wijdt. Zulke tegenstrijdige verschijnselen staan
zelden geheel op zichzelf. Meestal danken zij hunne wording aan verkeerde
invloeden van buiten.
| | | |
Neem eene duitsche litteratuur-geschiedenis ter hand
als de geïllustreerde van Robert König. Ik noem haar om geen andere
reden dan omdat zij binnen weinige jaren veertien malen herdrukt werd, en zij,
evenals het werk van Dr. Jonckbloet, zich uitstrekt over zeven eeuwen of meer,
van de 12de tot de 19de .
Welke gapingen vertoonen de duitsche letteren! Zijn, tot en met de
bijbel vertaling van Luther, de duitsche middeneeuwen rijk gestoffeerd of ruim
voorzien, een groot gedeelte der 16de eeuw ligt er braak. Braak ligt
de geheele 17de eeuw, braak de geheele eerste helft der
18de . Pas met de opkomst van Pruissen onder
Frederik den Groote beginnen de duitsche
letteren een wereld stroom te worden, - stroom aan wiens oevers groote steden
liggen, buitenplaatsen bloeien, parken zich uitstrekken, en waarin niemand, hij
zij vreemdeling of een zoon van Duitschland zelf, zonder zijne eigen schade
verzuimen kan zich te baden.
Bovendien dragen de duitsche letteren, afgezien van die leemten,
een onmaatschappelijk karakter. De schoonste voortbrengselen der duitsche
poëzie zijn kostbare intellectuële broeikasplanten. Geen politieke of
sociale omwentelingen van eigen bodem hebben, sedert hare herleving, de
duitsche letteren bezield; geen uitbarstingen van populaire vulkanen; maar het
genie van een betrekkelijk klein getal zondagskinderen der nieuwere beschaving;
keurbende van hoofden en harten (van hoofden vooral) die al de geheimen van het
moderne leven doorgrond, en voor ieder zijner schakeringen eene nieuwe
uitdrukking gevonden hebben.
Lees
Gervinus, lees
Vilmar, lees
Scherer, lees zelfs
König (die overigens slechts voor
een vulgarisateur wil doorgaan), en gij zult zien dat er geschiedenissen der
duitsche letteren kunnen geschreven worden, - geschiedenissen der duitsche
poëzij, - die maar op sommige punten aan de geschiedenis van het duitsche
volk of het duitsche leven raken. Door de magt der omstandigheden, zonder het
te bedoelen of te bedenken, is men in Duitschland de letteren schier enkel als
poëzij gaan opvatten, en de poëzij als een organisch wezen in
zichzelf.
| | | |
‘De Poëtische Letterkunde van het
Nederlandsche Volk’, zegt
Dr. Jonckbloet de Duitschers na,
‘ziedaar mijn onderwerp’ (I 3). De onvoorzigtige! Want hijzelf is
van oordeel dat het nederlandsche volk weinig andere poëten dan
klapperlieden voortgebragt heeft. De nederlandsche dichters der middeneeuwen,
stelt hij op den voorgrond, zijn voor het meerendeel letterdieven geweest, en
welke letterdieven! In het geheele tijdperk der rederijkers wordt maar
één persoon door hem onderscheiden: de antwerpsche dichteres en
schoolmatres van wie hij eene verliefde zottin maakt. Vondel's treurspelen, toont hij aan, zijn altegader
dramatische wanschepsels, te dwaas om alléén te loopen en zamen
niet veel wijzer. Zoo hij Tollens een aalmoes geeft, het is meer om u of mij
genoegen te doen, en af te komen van den liereman, dan uit een gevoel van
persoonlijke ingenomenheid. En zoo gij wist hoe in de poëtische gaarde van
het nederlandsche volk, waar het groene hout dus bejegend wordt, het dorre zich
vermenigvuldigt! Neen, gij hebt er geen voorstelling van, met welk dichterlijk
janhagel Dr. Jonckbloet in den regel u noodzaakt kennis te maken; welke
litterarische baliekluivers, drooglevers, botmuilen, pennelikkers.
Zijn niet de Duitschers uitnemende theoristen? Wist niet reeds in
het begin dezer eeuw A.W. von Schlegel met gezag de wetten der litterarische
kunst uiteen te zetten? Heeft niet sedert, in Duitschland, de wetenschap der
esthetiek zulk een omvang bekomen, dat zij eene afzonderlijke litteratuur
vormt?
Ongetwijfeld; doch daaruit volgt niet dat Dr. Jonckbloet wijs
handelde toen hij Schlegel's paard van stal haalde en besteeg, ten einde
wapenschouwing over de arme nederlandsche troepen te gaan houden. Het was eene
soortgelijke onvoorzigtigheid als toen hij de Poëtische Letterkunde van
het Nederlandsche Volk tot onderwerp koos. Het eene duitsche model deugde voor
ons zoo min als het andere.
Wanneer ik op schlegeliaanschen trant het denkbeeld hoor
ontwikkelen dat men aan het heldedicht, het blijspel, het treurspel, den roman,
een objektief bestaan moet toekennen, en de verschillende soorten van
letterkundige voortbrengselen aan deze prototypen moeten beantwoorden, dan
herinner ik mij | | | | den vagebond tot wien de jonge Jules Janin in
zijne onervarenheid de vraag rigtte: ‘Comment comprenez-vous le bonheur
en général?’ Wijselijk verontschuldigde de landlooper zich
met te zeggen: ‘Comme il n'y a pas de vagabond en général,
je ne puis vous répondre.’
Ook in de litteratuur is le vagabond en général een
hersengewrocht; en zoo de nederlandsche dichters, wier geschiedenis Dr.
Jonckbloet schrijft, maar wezenlijke dichters geweest waren, dan zou het er
niet op aankomen of hunne poëzij voor de regtbank van Schlegel al dan niet
bestaan kan.
De Poëtische Letterkunde van het Nederlandsche Volk, - dit
klinkt als een klok. Maar wat komt er van teregt? De historieschrijvers, de
reisbeschrijvers, de schrijvers over natuurkunde, over wijsbegeerte, over
regtsgeleerdheid, over godgeleerdheid, over kunst, worden door Dr. Jonckbloet
niet volstrekt uitgesloten. Evenmin de taalkenners of de redenaars; althans,
zoo zij in het nederlandsch geschreven hebben. Die voor hun oogmerk zich van
latijnsche verzen of latijnsch proza bedienden, tellen niet mede. Toch zijn ook
de anderen, hoewel door hen de geschiedenis van den nederlandschen geest in
niet geringe mate bepaald wordt, eigenlijk altegader bijloopers geweest.
Waart gij daarentegen, in de dagen uws vleesches, de auteur van
een prulroman, van eene zoutelooze klucht in kreupelrijm, van een
aartsvervelend treurspel in alexandrijnen, dan bevordert Dr. Jonckbloet u tot
letterkundige.
Tot letterkundige met ezelsooren, moet ik er bijvoegen; want hij
is een degelijk, scherpzinnig, veeleischend recensent. Met de stukken toont hij
aan dat gij zoo min benul van karakterstudie als van stijl hebt. Uw roman is
laf en langwijlig, uw leerdicht een braakmiddel. Uw blijspel kan alleen den
engelenbak behagen. Uw treurspel houdt het midden tusschen betreurenswaardige
platheid en betreurenswaardigen bombast. Slechts dit goede hebt gij, dat gij
een letterkundige zijt.
Wat komt er van teregt? vroeg ik. Dr. Jonckbloet's geschiedenis,
zoo breed opgezet, zoo krachtig uitgewerkt, getuigenis dragend van zooveel
kennis en zooveel nadenken, | | | | geeft op die vraag een onverkwiklijk
antwoord. De nederlandsche letteren van dezen historieschrijver loonen de
moeite der kennisneming niet.
Over in verrukking brengen zwijg ik: het schijnt van te voren bij
hem vast te staan dat geen nederlandsch prozaschrijver, geen nederlandsch
dichter, het vermogen daartoe ooit bezeten heeft. Ook de beste
vertegenwoordigers van het vak zijn vernuften van den tweeden rang geweest. Van
die soort erkent hij er een vol dozijn misschien. Hen geldt zijne ironische
beeldspraak eener ‘Zon der Poëzie’, die de drie eerste
kwartalen eener vroegere eeuw ‘soms zoo schitterend verlicht en
gekoesterd had’ (V 3).
De anderen? Al de anderen waren rijmelaars, leuteraars, ingebeelde
gekken, breedsprakige knullen; lieden wier geschiedenis, indien zij enkel
verwaande kruideniers geweest waren, geen verstandig man ooit zou hebben
opgeteekend, doch van wier nietige lotgevallen en nog nietiger pennevruchten
wij het eindeloos verhaal moeten aanhooren, - onder voorwendsel dat deze
onbevoegden onze landgenooten geweest zijn, en zij onze taal geledebraakt ja,
maar dan toch op hunne wijs geschreven hebben.
| |
III
De nederlandsche letteren eenmaal genomen voor hetgeen zij zijn,
staat
Dr. Jonckbloet persoonlijk zeer hoog. Hare toekomstige
historieschrijvers zullen valsche getuigen wezen, zoo zij, in eene
eventuëele voortzetting van zijn werk, hem niet eene eereplaats toekennen.
In zijne soort vind ik het boek volmaakt. Er is een oneindige arbeid aan
besteed. Over honderd jaren zal het nog even bruikbaar zijn als nu.
Vóór de methode van den schrijver valt evenveel aan te voeren als
er tegen. Zelfs de stijl is verdedigbaar.
Maar ik heb niet enkel aan den schrijver, niet enkel aan het boek,
ik heb ook aan hen te denken voor wie het in de eerste plaats bestemd is.
Eenerzijds een geleerde die, in de bijzondere orde zijner
studiën, voor niemand in Europa behoeft onder te doen. | | | | Een
grondig kenner der nederlandsche taal. Iemand die de onmogelijkste
nederlandsche kakografieën, ter wereld gebragt in den loop van
zevenhonderd jaren, gelezen heeft niet alleen, maar van buiten kent. Die over
een materiaal beschikt, welligt driemaal uitgebreider dan dat van Balthazar
Huydecoper in de tweede helft der vorige eeuw. Die een groot geheel levert op
een gebied waar anderen slechts hoofdstukken of monografieën gaven. Die in
zijn persoon de meeste eigenschappen vereenigt, welke den wetenschappelijken
man en den bevoegden geschiedschrijver maken. Die tot de bronnen gaat; uit
eigen oogen ziet; voor het moeilijkst of tijdroovendst onderzoek niet
terugdeinst. Die niet pocht of zwetst; met zijne kundigheden niet te koop
loopt; de verdiensten van mede-onderzoekers niet verkleint; niet aarzelt eene
vroeger geuite meening terug te nemen en eene betere in de plaats te stellen.
Die den moed heeft zijn boek driemalen geheel om te werken.
Aan den anderen kant eene geschiedenis die u de nederlandsche taal
als een wanhopig idioom leert beschouwen, lijmerig, brijachtig, platburgerlijk;
de nederlandsche hersenen als beneveld en ondoordringbaar; het nederlandsch
publiek aller tijden als bot, dom, schaapachtig; de nederlandsche
letterkundigen als eene klasse van pedante stumperts; de nederlandsche
letterkunde als eene litteratuur zonder pit, zonder zout, zonder vlugt, zonder
heerlijkheid of kracht, tot niets nut dan om er een boek over te schrijven,
kollege over te geven, of examen in te doen.
Met een schijn van regt zou iemand kunnen beweren dat het
nederlandsch gouvernement, gebonden door eene grondwet welke het openbaar
onderwijs tot een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering verheft, in
dezen stand van zaken tusschenbeide behoorde te komen. De wetenschap, moest de
regering zeggen, heeft uitgemaakt dat de nederlandsche jeugd in de geschiedenis
der nederlandsche letterkunde niet onderwezen kan worden zonder bij haar den
smaak te bederven, het nationaal gevoel te verzwakken, of de vaderlandsliefde
te doen afnemen. In naam van het algemeene en heilzame constitutionele Art.
194, moest de regering aan de | | | | volksvertegenwoordiging voorstellen
de bijzondere bepalingen op het onderwijs in de letterkunde en hare
geschiedenis, welke schadelijk werken, hetzij op te heffen, hetzij te wijzigen.
Harerzijds zou dit kunnen geschieden zonder dat zij hare eigen waardigheid of
die der natie te kort deed. Het eene volk onderscheidt zich door dit, het
andere door iets anders. Het niet-bezitten eener schoone eigen litteratuur is
geen organisch gebrek. Ondanks dat gemis kan eene natie krijgshaftig,
ondernemend, gelukkig, beminlijk, naar geest en ligchaam welontwikkeld
zijn.
Maar deze jokkernij is noch edelmoedig, noch praktisch. Er zijn
wetten, die het onderwijs in de nederlandsche letteren en hare geschiedenis
uitdrukkelijk voorschrijven. Er is eene schaar docenten, die slechts een pligt
volbrengen wanneer zij dit gebod nakomen. Er is een opkomend geslacht, dat eene
daad van piëteit meent te verrigten wanneer het zich naar de bevelen of de
wenschen van waardige leermeesters voegt. Met al dit bestaande moet rekening
gehouden worden. Daarin met een pennestreek verandering te brengen is
onmogelijk. Er zich van af te maken met een kwinkslag leidt tot niets.
Juist de magt van het bestaande is het groote struikelblok.
Niet genoeg dat gij, om zoovele arme knapen en meisjes, gebonden
naar den geest door eene moedertaal welke hen van het wereldburgerschap
uitsluit en in de groote menschelijke zamenleving hen tot eenlingen maakt; niet
genoeg dat gij, om den wil hunner toekomst, het dubbel bejammert hen van eene
schoone nationale letterkunde verstoken te zien.
Dit negatieve is nog maar de helft. Hoeveel beter gewapend zouden
zij, indien het anders ware, den strijd des levens te gemoet gaan! Van welke
edeler gevoelens zouden zij kunnen blaken! Hoe zouden, in moeilijke
oogenblikken, de letteren van hun eigen land hun karakter kunnen verheffen en
met hun lot hen verzoenen! Welk eene gezonde bron voor het stalen van den wil!
Welk een schild tegen de ledigheid of de verveling! In een hoekje met dat
boekje, welke verkwikkelijke tooneelvoorstellingen! Hoe goed doet | | | |
die ontroering aan het hart dat zij verruimt; in welke geestdrift ontsteekt dat
voorbeeld; hoe gladvergeten is de druiloorige werkelijkheid bij het opgaan van
dien smakelijken lach! Goddank, de tijd baart nog rozen. Het leven is niet
gedoemd zich te zitten verkniezen in zorgen voor het dagelijksch brood. Het
snuiten der neusjes van zuigelingen behoeft niet de eenige afleiding der
aanstaande moeders te zijn. In de kringen van den tabaksrook, boven hun glas
beijersch, kunnen de aanstaande jonge mannen zich nog aanvallige beelden zien
vormen.
Gij weet nu echter eenmaal dat men om zulke dingen bij de
nederlandsche letterkunde niet komen moet. Wie hollandsche poëzij
verlangt, dit is u bekend, zoeke haar in Hollands natuur, Hollands
geschiedenis, Hollands wetenschappen, Hollands kunst. Gij hebt er vrede mede
dat uwe dochters en uwe zonen vreemde talen aanleeren, om van de poëzij in
de letteren zich althans eene voorstelling te kunnen vormen, en te leeren
begrijpen dat er volken leven die de dichtkunst eene Muze noemen. Gij verdraagt
dit; of stemt het toe; of keurt het goed. Voor het minst, gij blijft bedaard.
Uw hart hebt gij er afgetrokken.
Doch daar zendt de boekverkooper uDr. Jonckbloet's Geschiedenis
der Nederlandsche Letterkunde op beziens.
Dit doet den beker overloopen. Wat? roept gij uit, dat stuff, die
nonsense, die middelmatige letterkunde, zullen mijne brave kinderen zich
daarmede het hoofd moeten breken! God beware mij, vijf deelen van vier-
à vijfhonderd bladzijden ieder, en een zesde in het verschiet!
Drieduizend pagina's platheden, daar kom ik tegen op! Dit is geen onderwijs,
maar noodlottige kinderrust bereid uit slaapbollen. De leidsche giftmengster is
overtroffen. Dat gaat zoo niet. Wij leven in een vrij land. Er zijn regters in
Den Haag!
Zacht wat, mijn vriend, en reken niet te zeer op de haagsche
regters. In zoover hij weleer deel heeft uitgemaakt van hun wetgevenden raad
(want de regters die gij bedoelt zijn tevens wetgevers), is Dr. Jonckbloet hun
medepligtige. Wel is waar kan hij het niet helpen dat de nederlandsche
| | | | letteren zijn die zij zijn. Maar, doe wat gij wilt, gij komt bij
den duivel te biecht.
Toen de hoogleeraar ten behoeve van ambtgenooten en medegeleerden
water op de koffie goot, toen smaakte het vocht reeds niet naar meer. Ik geef u
te raden welk maagverslappend drankje er moet overblijven, nadat de docenten
der hoogere burgerscholen een afgietsel van dit afgietsel zullen gemaakt, en de
hoofdonderwijzers der volksschool het nogmaals door de zeef zullen gedaan
hebben.
Want dit is het voorland, en de vroede mannen kunnen of mogen niet
anders. Het onderwijs in de nederlandsche letterkunde en hare geschiedenis zal
voortaan hierin bestaan, dat de leeraren het werk van Dr. Jonckbloet zullen
raadplegen gelijk men een lexicon naslaat. De wet gebiedt; en de leidsche
oud-hoogleeraar is voor dit vak de hoogste autoriteit. Dat het voor de jeugd
welligt beter was sommige hersenschimmen te blijven koesteren, dit is geen
argument. De jeugd moet op die heide hare nooddruft leeren vinden. Die heide is
de waarheid. Uitdrukkelijk zegt de schrijver dat niemand met klinkklank en
holle frazen gediend is; hij enkel naar waarheid gestreefd heeft; en hij meer
dan eens, ten einde de stem van deze duidelijker vernomen zou worden, aan sleur
of nationale ijdelheid het stilzwijgen heeft opgelegd (I en IV, Voorrede). Hoe
wanstaltig moeten onze letteren zijn dat haar historieschrijver het geraden
acht zulke plegtige woorden te bezigen om het verwijderen harer sluijers te
doen goedkeuren!
Er is aan het dilemma geen ontkomen, naar men ziet. Uit de derde
of vierde hand gaat een walgelijk nat van wetenschap, onder den naam van
nederlandsche letterkunde, de nederlandsche jeugd van beide seksen in de keel
gegoten worden. Dr. Jonckbloet is in Nederland de
Dr. Kuyper der litteratuur. De hoogtijd
van nóg een kalvinisme is in aantogt.
Het eenige blijde vooruitzigt daarbij is, dat de aldus
volgepompten, zoodra zij hunne studiën zoogenaamd ten einde gebragt
hebben, naar het goede woord van den leidschen Rector Magnificus, zich door
leêgloopen schadeloos zullen | | | | stellen.
1 Juichend dat zij van deze nachtmerrie
verlost zijn, zullen zij de zes deelen, die hun zooveel haarpijn bezorgden,
naar den uitdrager brengen. De God der liefde en der vreugde zij geprezen, zal
hun danklied luiden, dat wij eerst hiernamaals misschien, en stellig niet
zoolang onze voet eene bloeiende aarde drukt, weder van die vermaledijde
geschiedenis der nederlandsche letterkunde hooren zullen!
|
1Dr. W.J.A.
Jonckbloet,
Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde,
3 de geheel omgewerkte uitgave, Groningen, J.B. Wolters, 1881-1885.
Vijf Deelen. - Deel I en II, de Middeleeuwen; Deel III en IV, de 17 de
Eeuw: Deel V, de 18 de en 19 de Eeuw tot en met
Tollens.
1Het lot heeft niet gewild, dat de schrijver het
6 de Deel voltooijen zou. Op het tijdstip van zijn overlijden waren
slechts zes bladen afgedrukt. Het ontbrekende wordt aangevuld door een van
Jonckbloet's beste leerlingen, Dr. Penon.
1Dr. G.D.L. Huet,
Rectorale Redevoering van 9 Februari 1885 blz. 26: ‘De kunst van vergeten
eischt geen lange studie. Reeds bij zijn intrede in de Universiteit onttrekt de
leerling, wars van dwang en inpomperij, zich veeltijds aan alle onderwijsbanden
en loopt een tijdlang leeg in dubbele beteekenis. Post satietatem nihil
agendum, zegt Celsus’.
|
|