|
|
|
| |
| | | |
II. De mechanica van Stevin tot Huygens
| |
A. Simon Stevin1
60. Wat ook het begrip mechanisering van het wereldbeeld moge inhouden, het
staat in ieder geval met den tak der natuurwetenschap die mechanica heet, in
een nauw verband, dat we te zijner tijd nader zullen trachten te bepalen. We
zullen daarom nu eerst een tijdlang de ontwikkeling van dit vak vervolgen.
We noemden reeds als een der drempeljaren van den nieuwen tijd op dit gebied
het jaar 1586, waarin Stevins werk Beghinselen der
Weeghconst verscheen. Voor weeghconst, d.i. statica, verdient het dien
naam inderdaad. Stevins werk is namelijk het eerste, waarin de theoretische
behandeling die zij in de Oudheid bij Archimedes had genoten, niet alleen
wordt weergegeven, maar ook op gelijkwaardige wijze wordt voortgezet.
Leonardo zou dit vóór hem misschien reeds hebben
kunnen doen, als hij er maar eens ooit toegekomen was, zijn fragmentarische
gedachten te ordenen en tot een logisch samenhangend geheel uit te werken;
in feite heeft hij het vak echter niet noemenswaard vooruitgebracht. En de
Italiaanse wiskundigen Commandino en Maurolyco hadden weliswaar volgens de
Archimedische methoden nieuwe zwaartepuntsbepalingen uitgevoerd, maar
daarvan had de wiskunde meer geprofiteerd dan de mechanica, die er zich geen
nieuwe wegen door geopend had gezien.
61. Om te kunnen beoordelen, in hoeverre Stevin dat wel doet, moet men in het
oog houden, dat onder statica in de zestiende eeuw nog evenmin als in de
Oudheid de algemene theorie van het evenwicht van op een vast lichaam
werkende krachten mag worden verstaan, waaraan wij tegenwoordig, het woord
gebruikend, denken. Het gaat slechts om bijzondere onderwerpen, die later
als speciale gevallen in ruimer verband behandeld zouden worden. Bij
Archimedes zijn het de leer van het zwaartepunt en die van den hefboom en
voor de Oudheid in het algemeen kan men daaraan de quasi-statische theorie
van de enkelvoudige werktuigen toevoegen. Over de theoretische fundering van
het eerste onderwerp blijven we bij Archimedes, die blijkbaar oudere werken
bekend onderstelt, vrijwel in het duister tasten; die van het tweede wordt
in het werk Over Evenwichten van Vlakke Figuren met
Euc'idische exactheid gegeven. Stevin, die als het ware onmiddellijk bij hem
aansluit, laat ons over de grondslagen van de zwaartepuntstheorie in
dezelfde onzekerheid en geeft inzake hefboom-evenwicht niets dat wezenlijk
nieuw is; zijn behandeling is doorzichtiger en eenvoudiger dan die van
Archimedes, maar staat uit een oogpunt van axiomatischen opbouw aan dezelfde
kritiek bloot als men tegen het Griekse voorbeeld heeft gericht.
62. Met wat hij aan Archimedes ontleent, kan Stevin het algemene vraagstuk
van het evenwicht van een vast lichaam onder invloed van | | | |
uitsluitend verticaal gerichte krachten behandelen. Om echter ook de werking
van krachten die langs willekeurige werklijnen gericht zijn, na te kunnen
gaan, moet hij zijn eigen weg vinden. Hij slaagt daar al dadelijk in door
een vernuftige afleiding van de wet van het hellend vlak, die als het
Clootcrans-bewijs bekend staat.
De stelling zelf was niet nieuw meer; we hebben boven (III: 34) reeds gezien,
hoe zij in de school van Jordanus Nemorarius met behulp van het principe der
virtuele verplaatsingen bewezen was. Stevin heeft tegen deze bewijsmethode
echter principiële bezwaren; hij vindt het ongerijmd, een
evenwichtsvoorwaarde af te leiden door omstandigheden te beschouwen
(namelijk de gelijktijdige verplaatsingen van de aangrijpingspunten van
macht en last) die juist niet optreden zolang het evenwicht bestaat. Hij
zegt dit voor het geval van den hefboom in een syllogisme:
Dat stil hangt en beschrijft gheen rondt;
Twee evestaltwichtighe hanghen stil;
Twee evestaltwichtighe dan en beschrijven gheen rondt.
We leren hieruit tevens al iets van zijn oorspronkelijke en merkwaardige
taalkundige uitdrukkingswijze kennen. Om sociale redenen, namelijk om
iedereen, ongeacht zijn vooropleiding, in staat te stellen,
wetenschappelijke redeneringen te volgen en daardoor van alle beschikbare
vermogens voor de beoefening der wetenschap partij te kunnen trekken,
schrijft hij, nadat hij in 1585 nog een werk over rekenkunde in het Frans
had laten verschijnen, alleen nog maar in de landstaal, waarbij hij een
groot talent aan den dag legt in het vinden van tekenende uitdrukkingen voor
technisch-wetenschappelijke termen. Evestaltwichtig is er
een voorbeeld van; het woord duidt aan, dat twee lichamen elkaar door
bemiddeling van een werktuig in evenwicht houden, hoewel ze niet evenzwaar,
dus, naar de letterlijke betekenis van het woord, niet evenwichtig zijn: sij hebben een ghelaet van
evenwichticheyt, maer ten is niet eyghen, dan alleenlick na de
ghestalt. De term evenstaltwichtig is tot nadeel van den rijkdom van
onze taal in onbruik geraakt; wij spreken van lichamen die elkaar in
evenwicht houden.
63. Waar Stevin zo nadrukkelijk het principe der virtuele verplaatsingen
verwerpt, is het verwonderlijk, dat men het in werken over de geschiedenis
der natuurwetenschap zo vaak met zijn naam in verbinding brengt; het wordt
wel niet steeds als een vondst van hem voorgesteld, maar hij heet dan toch
de eerste, die het zou hebben uitgesproken. Blijkbaar wordt dit telkens
overgeschreven van anderen, die de Weeghconst ook nooit
gelezen hebben. Het verhaal vindt zijn ontstaan waarschijnlijk in het feit,
dat hij zich in den Byvough, die in de Wisconstighe Ghedachtenissen op de Weeghconst
volgt en die in de Latijnse en Franse vertalingen van dit grotere werk
internationale bekendheid heeft gekregen, eenmaal bedient van de ghemeene weeghconstighe reghel:
Ghelijck wech des doenders tot wech des lijders
Alsoo ghewelt des lijders tot ghewelt des doenders
| | | |
die voor de enkelvoudige werktuigen uit het principe der virtuele
verplaatsingen volgt. Hij beschouwt den regel hier blijkbaar als een bekend
practisch middel om het verband tussen macht en last af te leiden, waarmee
echter niet gezegd is, dat hij de verantwoordelijkheid voor de theoretische
fundering zou willen dragen.
64. In het Clootcrans-bewijs voor de wet op het hellend vlak, waartoe we na
deze uitweiding terugkeren, beschouwt Stevin (Fig. 26) een verticaal
geplaatsten driehoek

Fig. 26. Het Clootcrans-bewijs voor de wet van het hellend vlak
volgens Stevin, Beghinselen der Weeghconst,
Voorstel 19.
ABC, waarover hij nu in gedachten een snoer hangt, waaraan
op onderling gelijke afstanden gelijke bollen geregen zijn. Aangenomen
wordt, dat dit snoer over drie vaste punten S, T, V, opv.
bij A, B en C, glijden kan. Het doel is
nu eerst, te bewijzen, dat het stuk snoer op AB
evenstaltwichtig is met dat op BC. Daartoe wordt
ondersteld, dat bij voorbeeld het staltwicht van het
eerste groter is. Het snoer komt dan in beweging, maar daar de positie die
het als geheel inneemt, niet verandert, als elk bolletje de plaats van zijn
voorganger inneemt, zou het in beweging moeten blijven. Er zou dus een eeuwich roersel (eeuwigdurende beweging) moeten ontstaan.
Stevin acht dat valsch (ongerijmd) en besluit dus, dat het
snoer in rust zal blijven. Die rust zal niet worden verstoord, wanneer men
het stuk VS, dat aan weerskanten even hard trekt,
wegdenkt. Dus zullen de stukken van het snoer op AB en CB evenstaltwichtig zijn. Verenigt men ze nu elk tot een
lichaam en denkt men deze beide lichamen verbonden door een gewichtloos
koord dat over het vaste punt bij B geslagen is, dan
blijkt, dat twee zulke lichamen elkaar in evenwicht houden, wanneer hun
gewichten zich verhouden als de lengten van de zijden waarop ze liggen.
Hiermee is de verlangde wet gevonden.
65. Het bewijs vertoont in hoge mate het typerende kenmerk van Stevins
redeneertrant, die hierin bestaat, dat het betoog geen enkel beroep doet op
reeds aanwezig gedachte kennis en dus ook overtuigend werkt op den
ongeleerde; dit hangt natuurlijk samen met zijn streven, zo wijd mogelijke
kringen der bevolking de gelegenheid tot wetenschappelijke ontwikkeling te
verschaffen.
De spil waar de gehele redenering om draait, is blijkbaar het beroep | | | | op de onmogelijkheid van een eeuwig roersel. Dit vormt er
tegelijkertijd het meest problematische gedeelte van. Het kan namelijk niet
worden gemotiveerd door een verwijzing naar storende factoren als
luchtweerstand en wrijving, waarvan de overwinning voortdurend energie kost
(om deze moderne formulering maar vast te gebruiken) en die dus een aan zich
zelf overgelaten werktuig onvermijdelijk na enigen tijd tot rust moeten
brengen. Immers de gehele redenering verloopt in de
geïdealiseerde spheer van wat later rationele mechanica zal
heten, waarin niet alleen luchtweerstand en wrijving worden weggedacht, maar
waarin ook alle koorden als volkomen buigzaam en massaloos worden aangenomen
en de kogels van den clootcrans oneindig klein zijn. In deze mechanica bezit
echter een eeuwigdurende beweging niets ongerijmds: een enkelvoudige slinger
die men loslaat, nadat men het slingerpunt buiten de verticaal van het
ophangpunt gebracht heeft, vertoont haar al. Daarom mag Stevin ook maar niet
zonder meer een eeuwig roersel als vals verwerpen. Dat hij het doet,
betekent echter alleen een leemte in de logische formalisering van zijn
bewijs, niet een tekort in zijn intuïtie. Wanneer men den slinger
uit zijn evenwichtstand brengt, deelt men er een zekere hoeveelheid
potentiële energie aan mede, die na het loslaten in kinetische
energie wordt omgezet, die op haar beurt potentieel wordt en zo voort in
infinitum. De clootcrans echter bezit in al haar standen dezelfde
potentiële energie en als men haar over het hellend vlak legt
zonder er in een van de twee

Fig. 27. Driehoek of parallelogram van krachten. Uit Stevin,
Beghinselen der Weeghconst, Voorstel
19.
mogelijke bewegingsrichtingen een stoot aan gegeven te hebben, is
het niet in te zien, hoe zij aan de kinetische energie zou komen die ze, in
beweging verkerend, zou moeten bezitten. De natuurwetenschappelijke
begripsvorming was in Stevins tijd nog niet ver genoeg gevorderd, dat een
dergelijke overweging reeds bewust geformuleerd zou hebben kunnen worden.
Stevin bezit echter blijkbaar de intuitie die er aan ten grondslag ligt.
66. Door een redenering die we hier niet zullen weergeven, komt Stevin nu tot
de volgende stelling:
Op een glad hellend vlak (Fig. 27) ligt een (verder als stoffelijk punt te
beschouwen) lichaam A met gewicht G. Het
verticale lijnstuk AB geeft | | | | de grootte van
G aan. De kracht die langs de willekeurige rechte l moet werken om het stoffelijk punt in evenwicht te
houden, wordt nu in grootte voorgesteld door het lijnstuk AD, waarin D het snijpunt is van l
met de lijn BC, door B loodrecht op het
hellend vlak getrokken.
Voltooit men het parallelogram ADBE, dan zegt de verkregen
stelling blijkbaar, dat de kracht G kan worden opgeheven
door de resultante van de kracht AD langs l en de normale reactiekracht AE die het stoffelijk
punt van het hellend vlak ondervindt. Stevin blijkt dus het evenwicht van
een stoffelijk punt op een glad hellend vlak met behulp van een
krachtendriehoek of -parallelogram te kunnen behandelen.
67. Verder gaande bereikt hij het uiterste resultaat van zijn statica in de
volgende stelling over het evenwicht van een vast lichaam waarvan een punt
O onbeweeglijk is. Wordt het lichaam (Fig. 28) in
evenwicht gehouden door een verticaal omhoog gerichte kracht K, die door het lijnstuk AB in grootte en richting
wordt voorgesteld, dan kan het inplaats van door deze kracht ook in
evenwicht worden gehouden door een kracht K1 langs de scheef omhoog gerichte lijn l, die in
grootte en richting wordt voorgesteld door het lijnstuk AC, waarin C het snijpunt is van l
met de rechte BC, door B evenwijdig aan
OA getrokken.
Fig. 28. Als het vaste lichaam met een vast punt O door een verticaal omhooggerichte kracht K in
evenwicht kan worden gehouden, blijft het ook in evenwicht, wanneer, in
plaats van K, langs de lijn l de
kracht K1 werkt, bepaald door BC // OA.
De juistheid hiervan volgt voor ons dadelijk uit de overweging, dat de
driehoeken OAB en OAC gelijke
oppervlakten hebben, zodat de momenten der krachten K en
K1 ten opzichte van O even groot zijn. Is het eerste moment nu gelijk aan het moment van
het in het zwaartepunt aangrijpend gedachte gewicht G van
het lichaam ten opzichte van O (wat het onderstelde vergt)
dan is het tweede dit ook, waaruit het gestelde volgt.
Met behulp van deze stelling is de algemene voorwaarde voor evenwicht van een
vast lichaam met een onbeweeglijk punt in wezen bepaald.
68. Stevin is tegelijkertijd man van zuivere wetenschap èn
practisch ingenieur, spiegelaar zowel als doender, een echte
vertegenwoordiger van de klasse der redenerende daadmensen, waarvan we het
belang voor de ontwikkeling der natuurwetenschap in het vorige deel (III:
27) reeds in het licht hebben gesteld. Hij beperkt zich dan ook niet tot de
behandeling van theoretische ideale gevallen, maar streeft er naar, de
hierbij verworven inzichten ook in practische problemen nuttig te gebruiken.
Tussen theo- | | | | retische en toegepaste mechanica bestaat echter een
grote afstand; de physische werkelijkheid is oneindig veel gecompliceerder
dan haar geidealiseerd mathematisch beeld en ze moet in gedachte sterk
vereenvoudigd worden, om vatbaar te zijn voor de methoden die de
theoretische behandeling heeft doen kennen. Er ligt hier een moeilijkheid
die voor de historische ontwikkeling der mechanica van grote betekenis
geweest is. Zij verhinderde zowel, dat de mathematisch afgeleide resultaten
op eenvoudige wijze empirisch konden worden gecontroleerd als dat de in de
practijk opgedane ervaring gemakkelijk aan de theoretische begripsvorming
dienstbaar kon worden gemaakt; veeleer bestond, zoals we reeds hebben gezien
(I: 37; II: 120; III: 36), het gevaar, dat deze ervaring het theoretisch
overleg op een dwaalspoor leidde. Een gevolg hiervan is geweest, dat de
mechanica, na van de dwaalwegen die ze onder empirischen invloed eerst
bewandeld had, teruggekeerd te zijn, zich eenzijdig theoretisch is gaan
ontwikkelen, meer als onderdeel van de wiskunde dan als tak der
natuurwetenschap.
Stevin heeft het onderscheid tussen theoretische en toegepaste mechanica zeer
zeker wel gevoeld, maar het even zeker in zijn draagwijdte onderschat.
Wanneer hij bij een werktuig theoretisch de ideale voorwaarde voor
evenstaltwichtigheid van den doender (de macht) en den lijder (de last)
bepaald heeft, meent hij, dat de geringste versterking van den doender die
denkbaar is, de last nu ook in beweging zal kunnen brengen. Dat neemt niet
weg, dat hij door de vele toepassingen die hij van zijn theoretische
onderzoekingen gemaakt heeft (in weeg- en hefwerktuigen, den watermolen, het
paardentoom en in de krijgswetenschap) zowel de Weeghconst
als de Weeghdaet bevorderd heeft. In het bijzonder kan
zijn behandeling van den molen als model gelden van een vruchtbare
samenwerking tussen theoretisch inzicht en practisch vakmanschap.
69. Wat Stevin in zijn gedrukte werken van de mechanica behandelt, heeft
uitsluitend betrekking op de statica. Tot de zo dringend nodige vernieuwing
van de dynamica heeft hij slechts terloops een bijdrage geleverd, die echter
niet zonder historische betekenis is. In samenwerking met zijn vriend Johan
Cornets de Groot (den vader van Hugo) heeft hij namelijk een proef gedaan
ter controle van de in de valwet van Aristoteles opgesloten bewering, dat de
tijd dien een uit rust vallend lichaam voor het doorlopen van een zekeren
afstand nodig heeft, omgekeerd evenredig is met het gewicht van het lichaam.
Zij lieten daartoe twee loden bollen waarvan de ene tienmaal zo zwaar was
als de andere, gelijktijdig van een hoogte van 30 voet op een plank vallen
en gingen na, of de zwaarste bol inderdaad tien maal zo snel beneden was als
de lichtste. Het verschil in tijd bleek onwaarneembaar te zijn; het was of
men één slag hoorde. Wij weten niet, in welk jaar de
proef genomen is, maar daar ze in de Weeghconst beschreven
wordt, kan het niet later dan 1586 geweest zijn.
Zoals we reeds weten (III: 55), was het niet de eerste maal, dat op | | | | deze wijze proefondervindelijk werd aangetoond, dat de valwet
van Aristoteles in strijd was met de ervaring. Dat het nog eens gebeurde,
was echter niet overbodig: de Aristotelische dynamica, hoewel in feite reeds
lang onhoudbaar geworden, beheerste het denken van de mechanici en
astronomen nog steeds in veel sterkere mate dan zij zelf konden weten en de
hedendaagse physicus zich kan voorstellen.
| |
B. Isaac Beeckman2
70. De vernieuwing van het natuurwetenschappelijk denken in de zestiende en
zeventiende eeuw bestaat voor een belangrijk deel in een hervorming van de
dynamica en deze weer in een diepgaande wijziging van de denkbeelden over de
twee bewegingsverschijnselen die we dagelijks zonder opzettelijke
proefneming om ons heen zien verlopen: val en worp.
De centrale figuur in de geschiedenis van dit onderwerp is Galilei en we
zullen dus, om de lijn Stevin-Huygens te kunnen vervolgen, tijdelijk ons
land moeten verlaten en terugkeren naar Italië. Maar niet
dadelijk. Voordat Galilei zijn resultaten zal publiceren, wordt hier te
lande op het stuk van valbeweging nog belangrijk werk verricht, gans anders
geaard dan dat van den groten Italiaansen physicus, in vele opzichten er ver
bij achter blijvend, maar in enkele andere het zelfs nog overtreffend. Het
is te vinden in het befaamde Journael van den rector van
de Latijnse school te Dordrecht, Isaac Beeckman, waarin hij alle gedachten
placht te noteren die lectuur of eigen onderzoek bij hem hadden doen rijzen
en waarin tal van notities niet alleen van levendige belangstelling, maar
ook van grote begaafdheid op natuurwetenschappelijk gebied blijk geven.
71. Beeckman is in zijn leven ten aanzien van de wetenschap op hetzelfde punt
tekort geschoten als Leonardo da Vinci. Beiden heeft het ontbroken aan de
nodige volharding en het vereiste concentratievermogen om, zelfs maar op een
enkel gebied, hun onderzoekingen te systematiseren, af te ronden, te boek te
stellen en te publiceren. Van Faraday's devies: Work, Finish, Publish,
hebben zij zich alleen het eerste deel ter harte genomen. Daardoor hebben ze
de ontwikkeling der wetenschap òf in het geheel niet
òf in veel geringere mate bevorderd dan het geval had kunnen
zijn.
Wat we hier van Beeckmans denkbeelden zullen mededelen, vormt dan ook
eigenlijk geen schakel in de ontwikkelingsketen die ons bezig houdt. Het
heeft echter waarde als indruk van het natuurwetenschappelijk denken van een
begaafd man in het begin van de zeventiende eeuw.
72. Het belangrijkste van wat hij gedaan heeft is voor ons doel een
dynamische afleiding van het verband van weg en tijd in de valbeweging, die
hij in 1618 in samenwerking met Descartes gevonden heeft en die de oudst
bekende geslaagde poging vormt, het verloop van den val in verband te
brengen met de werking van de zwaartekracht. Wanneer we zijn | | | |
verschillende hierop betrekking hebbende aantekeningen3
samenvatten en de uitdrukkingswijze enigszins moderniseren, kunnen we de
redenering als volgt weergeven:
We denken ons de zwaartekracht niet doorlopend werkend, maar zo, dat ze
telkens na verloop van een zeker tijdvak als het ware een ruk aan het
vallend lichaam geeft (sij treckt met kleijne
hurtkens4). Verder nemen we aan, dat een eenmaal
voortgebrachte snelheid onveranderd blijft voortbestaan, zolang er geen
uitwendige oorzaken zijn die haar vernietigen. Stel nu, dat bij het begin
der beweging en dan verder telkens na een tijdvak τ een snelheid
γ wordt voortgebracht, dan zal het vallend lichaam in het eerste
tijdvak τ een weg γτ afleggen, in het
tweede een weg 2 γτ (de tweede ruk heeft de snelheid
verdubbeld), in het derde 3 γτ enz. In een tijdvak t1 = n1 . τ wordt dus afgelegd:
Evenzo in een tijdvak t2 = n2 . τ
Voor de verhouding van deze wegen vindt men:
Wanneer nu τ tot ο nadert, gaat het trekken met rukjes
over in een continue krachtwerking, terwijl de verhouding der wegen wordt:
De wegen in vrijen val uit rust in zekere tijdvakken van het begin der
beweging af doorlopen, verhouden zich dus als de quadraten dier tijdvakken.
We hebben boven reeds uitgelegd, dat men dit in de zeventiende eeuw nog niet
kan formuleren in den vorm:
s(t) = c .
t2.
Natuurlijk kon Beeckman den bovenstaanden limietovergang zo nog niet geven.
Echter had hij door Descartes de methode van de graphische voorstelling
leren kennen en daardoor kon hij de redenering wel meetkundig uitdrukken.
Zetten we namelijk (Fig. 29) op de verticale as den tijd uit en is OA = τ en OC = γ,
dan geeft de figuur voor de opvolgende tijdvakken τ de boven
opgegeven wegen aan. Is nu OA1 = t1 en OA2 = t2, dan
worden, als τ tot ο nadert, de in deze tijdvakken
afgelegde wegen blijkbaar voorgesteld door de oppervlakten der driehoeken
OA1B1 en | | | |
OA2B2. Deze verhouden zich echter als de quadraten van OA1 en OA2, dus als t12: t22.
73. De gehele redenering vertoont natuurlijk verwantschap met den
gedachtengang dien we Oresme in zijn werk over de latitudines formarum zagen
volgen. Descartes zal zeker in zijn schooltijd bij de Jezuïeten
van La Flèche zijn methoden, waarvan de herinnering, zoals we
reeds zagen (III: 52), in scholastieke philosophische werken bewaard was
gebleven, hebben leren kennen en in zoverre sluit Beeckmans afleiding aan
bij de beschouwingen over den val van de Parijse Terministen. Er zijn echter
enkele kenmerkende verschilpunten. Het eerste is, dat hij nergens

Fig. 29. Afleiding van de valwet volgens Isaac Beeckman, Journael I 262.
over de instantane snelheid spreekt en dus ook nergens zegt, dat
zij door de horizontaal uitgezette ordinaat bij de extensio tijd wordt
voorgesteld; het verband met de leer van intensio en remissio van
qualiteiten is dus geheel verdwenen. Nieuw is bovendien echter de
onmiskenbare invloed dien Archimedes intussen is gaan uitoefenen. Zijn
werken waren in de zestiende eeuw door vertaling bekend geworden en in het
bijzonder had zijn methode van zwaartepuntsbepaling reeds navolging
gevonden. Deze berustte echter op dezelfde benadering van een figuur door
een reeks van rechthoeken als in de bovenstaande afleiding werd toegepast.
Beeckman heeft ook dit denkbeeld misschien van Descartes overgenomen; hij
heeft het echter ook kunnen leren kennen uit het tweede gedeelte van Stevins
Weeghconst, dat over zwaartepuntsbepaling handelt.
74. Beeckmans afleiding van de valwet toont, en talrijke aantekeningen in het
Journael, waarin hij zich op het beginsel: dat eens roert, roert altijt, soot niet belet en wort
beroept, bevestigen het5, dat hij in het
bezit is van een traagheidsinzicht, dat principieel van dat van de antieke
natuurwetenschap afwijkt en reeds duidelijk tot dat van de klassieke
dynamica nadert. Zoals we reeds zagen, bestond de antieke opvatting van
traagheid (I: 35), die o.m. nog door Kepler (IV: 46) volledig gedeeld werd,
daarin, dat een geheel aan zich zelf overgelaten lichaam in rust moet
verkeren en dat beweging een toestand is, die, voorzover ze niet van nature
bestaat, slechts door de voortdurende inwerking van een uitwendigen motor in
stand kan worden gehouden. Ook bleek reeds (II: 112), dat de Parijse
Terministen hiervan in dit opzicht afweken, dat zij den uitwendigen motor
door een inwendigen, den impetus, vervingen. Hun standpunt stemde | | | | echter in zoverre met het Aristotelische overeen, dat ook zij
voor het feit van het bestaan van beweging, d.i. plaatsverandering, een
oorzaak aangegeven wensten te zien. Het is nu een kenmerkend verschilpunt
tussen antiek-middeleeuwse en klassieke natuurwetenschap, dat de laatste de
rechtmatigheid van die causale behoefte rondweg zal ontkennen. Tegenover het
‘geen plaatsverandering zonder oorzaak’ zal zij het
‘geen snelheidsverandering zonder oorzaak’ stellen en
de vraag: hoe komt het?, die de Ouden en Middeleeuwers reeds voelden rijzen,
wanneer zij een lichaam nu hier en even later ginds zagen, zal zij pas
gerechtvaardigd achten, wanneer zij het zich sneller of langzamer of in een
andere richting dan voorheen ziet gaan bewegen.
Dat is een merkwaardig verschil in zienswijze en het allermerkwaardigste
ervan is, dat elk der beide standpunten voor de aanhangers het karakter van
iets vanzelfsprekends blijkt te kunnen aannemen, dat het door beide partijen
als een onmiddellijk gevolg van het causaliteitsbeginsel wordt beschouwd.
Zoals een Aristotelicus het evident vond, dat de plaats van een lichaam niet
zonder oorzaak verandert, zullen verscheidene beoefenaren der klassieke
mechanica het zonder meer duidelijk achten, dat de snelheid niet anders kan
worden, wanneer voor die verandering geen oorzaak bestaat. En daar men bij
een stoffelijk punt dat aan alle uitwendige invloeden onttrokken wordt
gedacht, zulk een oorzaak niet kan aanwijzen, zal men aprioristische
geldigheid opeisen voor de stelling, dat in dat geval grootte en richting
van de snelheid constant zullen blijven en het punt zich dus eenparig
rechtlijnig zal bewegen.
75. Van deze twee redeneringen is de eerste binnen het kader der
Aristotelische natuurphilosophie, waarin plaats wordt opgevat als een
absolute eigenschap van een lichaam en niet als een relatie tot een omgeving
die zelf veranderen kan, houdbaar, de tweede echter volgens de eigen
denk-beginselen der klassieke mechanica niet. Het is niet in te zien, waarom
juist de snelheid in het onderstelde geval constant moet blijven in grootte
en richting en niet de versnelling of de kromming van de baan of de snelheid
alleen in grootte. En als men het vanzelfsprekend wil vinden, dat een
bewegend lichaam dat plotseling aan alle invloeden van buiten af onttrokken
wordt, zijn snelheid in richting en grootte onveranderd zal behouden, kan
men het evengoed evident vinden, dat een lamp blijft branden als men de
toevoerdraden voor den electrischen stroom doorsnijdt.
Inderdaad zien we Beeckman, die nog niet weten kon, welke traagheidswet zo
vanzelfsprekend moest worden gevonden, op grond van hetzelfde overleg dat
later toereikend zou worden geacht om die van Newton af te leiden, tot de
conclusie komen, dat bij afwezigheid van alle uitwendige invloeden een
lichaam dat eenmaal in rechtlijnige beweging verkeert, die rechtlijnige
beweging zal behouden, maar dat het, eenmaal bezig cirkels te beschrijven,
dat ook zal blijven doen. Het is duidelijk, dat dit niets af- | | | | doet aan de juistheid van het gebruik dat hij in de afleiding van de
valwet van het traagheidsbeginsel maakt.
76. We vermelden ten slotte nog, dat Beeckman de verklaring van de beweging
van een voortgeworpen lichaam met behulp van het impetus-begrip volstrekt
afwijst6 op grond van het argument, dat hij er zich geen
voorstelling van kan maken, wat voor ding dit aan het projectiel ingeprente
bewegend vermogen eigenlijk is. Het argument typeert het standpunt, waarop
men in de zeventiende eeuw ten opzichte van de scholastieke
verklaringsbeginselen hoe langer hoe meer kwam te staan: men eiste voor
alles een aanschouwelijke voorstelling en zag in termen als impetus, vorm,
qualiteit, vermogen en derg. niet meer dan woorden, waarmee men wel iets
omschrijven, maar niets verklaren kan.
Wij zullen hiermee de behandeling van Beeckmans opvattingen besluiten. Er zal
nog meer dan een gelegenheid komen, aan zijn steeds zelfstandige en vaak
originele denkwijze te herinneren en het te betreuren, dat dit licht nooit
op den kandelaar heeft gestaan.
| |
C. Galileo Galilei7
77. Er is in de gehele wetenschapsgeschiedenis wellicht geen enkele figuur
aan te wijzen, waarover zo uiteenlopend geoordeeld wordt als over Galilei.
Er is weliswaar niemand die op zijn wetenschappelijke grootheid iets zou
willen afdingen of die zou willen ontkennen, dat hij wellicht het allermeest
tot het tot stand komen van de klassieke natuurwetenschap heeft bijgedragen,
maar er blijkt helemaal geen eenstemmigheid over te bestaan, waarin zijn
grootheid eigenlijk bestaat en welke die bijdragen precies geweest zijn.
De kennismaking met de wetenschapshistorische litteratuur die hij in het
leven heeft geroepen, werkt dan ook enigszins verbijsterend; van auteurs die
zijn werken toch allen hebben bestudeerd, ziet de ene vaak het wezenlijke in
wat een andere iets bijkomstigs acht en men kan hier met citaten betoogd
zien, wat ginds met andere citaten bestreden wordt. Dat vindt zijn oorzaak
althans ten dele hierin, dat zijn denkbeelden gedurende zijn leven een
sterke ontwikkeling hebben doorgemaakt: de Galilei van Pisa is een andere
dan die van Padua, de auteur van de Discorsi (1638), een
oudere dan die van den Dialogo (1633), maar aangezien hij
in het eerste werk brokstukken opneemt die nog uit den Paduaansen tijd
dateren, is hij dit soms toch ook weer niet.
Wat de zaak nog ingewikkelder maakt, is dat tegenover de op studie van zijn
werken berustende echte, zij het ook vaak eenzijdige, Galilei-beelden het
onechte staat van wat men de Galilei-mythe kan noemen, van de gangbare
populaire voorstelling. Het is het beeld dat in het leven wordt geroepen en
gehouden door schrijvers over moderne physica die behoefte | | | |
hebben aan een historische inleiding, maar die zich niet de moeite hebben
willen geven, de simpele plicht der exactheid te vervullen die bestaat in
het toetsen van de gedane mededelingen aan de historische bron. Het is een
door en door vals beeld, maar het straalt veel schitterender dan
één der echte en de lezer is daardoor spoedig geneigd,
er genoegen mee te nemen. Bovendien werkt het sterk vereenvoudigend: in zijn
glans overstraalt het alle figuren van het tweede plan. En het verschaft een
eenvoudige terminologie, doordat het, als er behoefte bestaat aan een term
om het eigene der klassieke natuurwetenschap te karakteriseren, dadelijk het
adjectief Galileïsch op de lippen brengt. Het is daardoor
begrijpelijk, dat kritiek op de ideale voorstelling die het inhoudt,
gemakkelijk ergernis opwekt, terwijl Italiaanse auteurs er zich bovendien
spoedig door gekwetst voelen in hun nationalen trots8.
78. De taak, over Galilei te schrijven, moge door dit alles moeilijk worden
gemaakt, ze is er niet minder aantrekkelijk om. Een situatie als de boven
geschetste zou nooit ontstaan zijn, wanneer Galilei niet de centrale figuur
van den overgang van antiek-middeleeuws tot klassieke natuurwetenschappelijk
denken geweest was, enerzijds wortelend in een verleden dat hem er niet
minder sterk om bindt, dat hij het zo heftig verloochent, anderzijds een
toekomst voorbereidend, waarin zijn denkbeelden tot gevolgtrekkingen zouden
leiden die veel verder strekten, dan hij ooit heeft kunnen voorzien. Daarom
bestaat er geen deugdelijker middel om iets van dien overgang te leren
begrijpen dan de ontwikkeling van zijn schakelpositie tussen het oude en het
nieuwe te vervolgen.
79. Wanneer men hem in de te Pisa ontstane, maar tijdens zijn leven niet
gepubliceerde geschriften De Motu9 voor
het eerst aan het woord hoort, kan men zich in de collegezaal van Buridan
verplaatst wanen. Wel is zijn stijl dan weinig passend: alle banden der
scholastieke traditie zijn verbroken; een levendig betoog vervangt de streng
systematische behandeling van de stof. Maar de gedachten zijn nauw verwant
met die der Parijse Terministen en in het bijzonder zijn de argumenten
waarmee de Aristotelische theorie van het aandeel van het medium in het
onderhouden van den worp bestreden wordt, nog steeds dezelfde als die zij
gebruikten: het voortschieten van een pijl tegen een fellen wind in, het
tijdelijk voortduren van de beweging van een stroomopwaarts geroeid schip,
nadat de riemen uit het water zijn genomen, de langdurige beweging van een
gladden roterenden bol, waarom heen de lucht toch vrijwel in rust blijft.
Wat te Parijs impetus heette, komt hier voor als vis
impressa (ingeprente kracht), waarvoor Galilei later ook vaak impeto zal zeggen (welk woord bij hem echter ook weer een
heel andere betekenis kan hebben). Zij wordt voor het geval van een
verticaal omhoog geworpen lichaam geïnterpreteerd als een
tijdelijke lichtheid, die de natuurlijke zwaarte overwint. Zij neemt van
nature (dus niet door uitwendige invloeden) af en het lichaam bereikt zijn
hoogste punt, wanneer het bedrag waarmee zij de zwaarte overtreft, ver- | | | | dwenen is. Dan begint de val, die zolang versneld zal zijn als
de nog overblijvende vis impressa tijd nodig heeft om geheel te verdwijnen
en die dan verder onder invloed van de constante zwaarte eenparig zal
verlopen. Deze theorie voert dus tot het bestaan van het z.g. punctum aequalitatis (eenparigheidspunt), waar de val eenparig
wordt; bij Beeckman kan men hetzelfde begrip aantreffen10; bij
hem lag de oorzaak ervan echter in den met de snelheid van het lichaam
aangroeienden luchtweerstand, terwijl Galilei haar zoekt in de spontane
vermindering van de bewegings-qualiteit die hij vis impressa noemt; voor hem
bestaat het punctum aequalitatis dus ook in vacuo.
Het blijkt wel, dat de impetus-theorie in haar uitwerking nog ruimte liet
voor allerlei varianten: had Buridan de versnelde valbeweging verklaard door
het toenemen van den impetus, Galilei doet het door het afnemen van de vis
impressa (die in het geval van een uit rust vallend lichaam aanvankelijk
gelijk wordt gedacht aan het gewicht, zodat dit dadelijk de overhand krijgt
als het lichaam wordt losgelaten). Daardoor kon bij den eerste de snelheid
onbeperkt aangroeien, terwijl ze bij Galilei een maximum bereikt.
80. Zoals Benedetti reeds vóór hem gedaan had (III:
57), bestrijdt Galilei, steunend op de theorie van de opwaartse kracht die
een lichaam van een medium ondervindt, het bestaansrecht van de
Aristotelische onderscheiding tussen zware en lichte lichamen, waarvan de
eerste van nature omlaag, de tweede omhoog zouden gaan. Dit is een van de
symptomen van den veldwinnenden invloed van Archimedes. Eveneens in
aansluiting aan Benedetti beredeneert hij, dat lichamen van dezelfde stof in
vacuo even snel zouden vallen, terwijl hij voor lichamen van verschillende
stof de valsnelheid in vacuo (we herinneren er aan, dat hiermee de
gemiddelde snelheid over een zekeren afstand bedoeld wordt) evenredig stelt
met het soortelijk gewicht en in pleno met het bedrag waarmee het soortelijk
gewicht van het lichaam dat van het medium overtreft. In den luchtweerstand
heeft hij een minder helder inzicht dan Benedetti; men krijgt sterk den
indruk, dat hij den weerstand dien een medium tegen zijn verdeling door een
vallend lichaam biedt, niet onderscheidt van de opwaartse kracht die het op
dat lichaam uitoefent.
81. Van opzienbarende valproeven van den Scheven Toren te Pisa die hij
gedurende zijn professoraat te Pisa zou hebben gedaan en waardoor volgens de
legende de peripatetische philosophie een vernietigenden slag zou hebben
ontvangen, blijkt uit de geschriften De Motu evenmin iets
als uit enig later werk van Galilei. Er bestaat alle aanleiding, dit verhaal
te wantrouwen. Wanneer Galilei jaren later te Florence gewikkeld is in een
discussie over het drijven van lichamen in een vloeistof, is er wel een keer
sprake van een valproef van den Scheven Toren af; het is echter een van zijn
tegenstanders, die haar gedaan en er de Aristotelische evenredigheid van
valsnelheid en gewicht door bevestigd beweert te hebben. Blijk- | | | | baar heeft hij haar dus ook niet uitgevoerd. Men moet in het algemeen
tegen verhalen over gedane proeven, zowel bij Galilei als bij zijn
tegenstanders, altijd een zekere reserve in acht nemen. Meestal zijn ze
alleen in gedachten uitgevoerd of worden ze slechts als mogelijkheid
beschreven.
Zoals we naar aanleiding van de proef van Stevin en de Groot reeds opmerkten
(IV: 69), was het aan Galilei toegeschreven Pisaanse experiment al vaker
uitgevoerd, zonder dat er veel notitie van genomen was. Er was heel wat meer
nodig om de Aristotelische heerschappij over het denken te breken dan het
constateren van een verschijnsel dat met een van zijn beweringen in strijd
was.
82. In een later stadium van zijn ontwikkeling, waarvan we den neerslag
vinden in den Eersten Dag van de Discorsi, breidt Galilei
de stelling, dat de valsnelheid in vacuo onafhankelijk is van het gewicht
van een vallend lichaam, uit tot lichamen van verschillende stof op grond
van de overweging, dat het verschil der valsnelheden voor lichamen van
verschillend soortelijk gewicht des te kleiner blijkt te worden, naarmate
het medium ijler is; het is dus redelijk om te verwachten, dat het in vacuo
geheel verdwenen zal zijn. Dit vermoeden wordt hierna op de proef gesteld
door valproeven op een hellend vlak met kleinen hellingshoek en door
waarnemingen aan twee slingers, waarvan de ene een slingerlichaam van kurk
heeft en de andere een van lood, dat honderdmaal zo zwaar is.
In overeenstemming met deze wijziging in de valwet in vacuo brengt Galilei nu
ook een verandering aan in die voor het plenum. Deze moet zo zijn, dat de
berekende valsnelheid nadert tot die voor het vacuum, als het soortelijk
gewicht van het medium tot o nadert. In een formule uitgedrukt luidt ze:
waarin v de gemiddelde snelheid over een zekeren weg
beduidt (dat de grootte van dien weg niet wordt opgegeven, wijst er op, dat
er niet gelet wordt op het feit, dat de valbeweging versneld is), S het soortelijk gewicht van het vallend lichaam, Sm dat van het medium, terwijl de
evenredig-heidsfactor blijkbaar de valsnelheid in vacuo beduidt. Het
verdient opmerking, dat Galilei thans wel een duidelijke uiteenzetting geeft
van de wijze waarop het medium weerstand tegen beweging biedt, maar dat in
zijn stelling toch alleen rekening wordt gehouden met de opwaartse kracht.
83. Men ziet, dat Galilei tot dusver altij d nog aan den middeleeuwsen kant
van de grenslijn tussen oude en nieuwe natuurwetenschap staat, al behoort
hij daar wel tot de partij die ten aanzien van de Aristotelische
bewegingsleer sterk kritisch gestemd is. Al zijn felle polemische uitvallen
tegen den Stagiriet kunnen niet over het hoofd doen zien, dat hij in wezen
nog even sterk onder zijn machtigen invloed staat als de Parijse
Terministen.
Twee oorzaken hebben samengewerkt om te maken, dat dit niet zo ge- | | | | bleven is: de mathematische inslag van zijn denken en de bekoring die het
Copernicaanse wereldbeeld op hem heeft uitgeoefend. De eerste heeft hem van
jongs af onder den invloed van Archimedes gebracht en hem in het heersende
meningsverschil van zijn tijd over de juiste methode der natuurwetenschap de
Platonische richting, die de wiskunde als essentieel bestanddeel van het
natuuronderzoek zag, doen verkiezen boven de Aristotelische, waarvoor zij
ten hoogste een bruikbaar hulpmiddel was, maar die de beschouwing van het
qualitatieve der verschijnselen belangrijker achtte dan het opsporen van de
quantitatieve relaties die er aan op te merken waren. De tweede heeft hem
een levensdoel gegeven, dat zijn ganse denken en voelen zou gaan beheersen:
de overtuiging ingang te doen vinden, dat het heliocentrische wereldstelsel
niet een mathematische fictie was, die de berekeningen der astronomen
vereenvoudigde, maar de volle physische waarheid aangaande den wereldbouw
bevatte.
84. De gezamenlijke uitwerking van deze twee invloeden is eerst na een
langdurig rijpingsproces aan het licht getreden. Wanneer Galilei in 1609
zijn leerstoel aan de Universiteit te Padua opgeeft en als hofmathematicus
van Groothertog Cosimo II naar zijn oude woonplaats Florence terugkeert -
het is de noodlottigste stap van zijn leven geweest - is hij vijf en veertig
jaar oud, maar nog is er geen geschrift van zijn hand verschenen waaruit
iets van zijn nieuwe denkbeelden blijkt en in zijn universitair onderwijs
heeft hij zich in den regel aan de traditionele leerstof gehouden.
Hoe dat rijpingsproces verlopen is, weten we slechts zeer ten dele uit enkele
later gepubliceerde aantekeningen uit de jaren in Padua en uit brieven; wat
er de vruchten van waren, leren de later verschenen werken en wel vooral de
Dialogo (1632) en de Discorsi
(1638). Ons interesseert thans voornamelijk wat ze over mechanica bevatten.
Deze laat zich echter bij Galilei zelden als afzonderlijk vak behandelen,
omdat hij haar in dienst stelt van zijn verdediging van de physische
realiteit van het Copernicaanse stelsel. We zullen voorlopig echter niet
verder op den astronomischen kant van zijn beschouwingen ingaan dan voor het
inzicht in zijn bijdragen tot de mechanica zelve strikt nodig is.
85. De mechanica van Galilei bestaat voor het allergrootste deel uit een
studie van de verschijnselen van val en worp. Als men let op de belangrijke
plaats die dit onderwerp in de Parijse scholastiek der veertiende eeuw had
ingenomen en op de belangstelling die het in de Renaissance genoten had, is
dit op zichzelf niet verwonderlijk. Waar het echter op aankomt is, dat hij
te Padua die studie in geheel anderen geest is gaan opzetten dan hij haar,
de traditie volgend, te Pisa had bedreven. Hij ziet thans namelijk
principieel af van alle vragen die de oorzaak van de te onderzoeken
bewegingen betreffen en stelt zich voorlopig uitsluitend ten doel, haar
verloop zoo nauwkeurig mogelijk te leren kennen.
Er is in de gesprekken die in den Dialogo tussen Salviati
(die voor Galilei zelf spreekt), Sagredo (den verstandigen leek) en
Simplicio (den | | | | vertegenwoordiger der Aristotelische
philosophie) gevoerd worden, één passage, die bij
uitstek geschikt is om den nieuwen aanpak van het probleem te verhelderen.
Het is, waar Salviati, uitgedaagd om het principe aan te wijzen, waaraan de
beweging van de aarde zou kunnen worden toegeschreven (Simplicio wil in zijn
peripatetische denkwijze weten, of het een in- of een uitwendig principe
is), zich bereid verklaart dat te doen, wanneer zijn bestrijder eerst zal
hebben gezegd, door welke oorzaak de delen van de aarde naar beneden worden
gevoerd. ‘Dat is heel bekend,’ luidt het antwoord,
‘iedereen weet, dat dit de zwaarte is.’ Waarop
Salviati: ‘Gij vergist U, Signog Simplicio, Gij hadt moeten
zeggen: iedereen weet, dat zij zwaarte heet’11. En hij legt dan verder
uit, dat we, door een telkens weer optredend verschijnsel met een bepaalden
naam aan te duiden, ons wel kunnen gaan verbeelden, dat we er nu iets van
begrijpen, maar dat al ons z.g. verklaren van natuurverschijnselen in
laatste instantie neerkomt op het benoemen van een in wezen onbekende
oorzaak met een woord: zwaarte, virtus, impressa, intelligentia informans
(inwendig geestelijk bewegingsprincipe van een bezield lichaam),
intelligentia assis-tans (geestelijke inwerking van buitenaf) of in het
algemeen natuur.
86. Het is een uiterst eenvoudig inzicht dat hier wordt uitgesproken; het zal
menigen hedendaagsen lezer wellicht te evident lijken om er zoveel aandacht
aan te wijden. Maar het legt in zijn eenvoudige klaarheid den vinger op wat
wellicht de allerwondste plek van de Aristotelische natuur-philosophie was,
de illusie, dat wij, alleen door namen te geven, onze feitelijke kennis van
de natuur zouden kunnen uitbreiden. Het sluit niet in - mag althans niet
insluiten - dat het geven van namen niet belangrijk zou zijn. Integendeel:
wij kunnen niet denken zonder begrippen en begrippen niet hanteren als we ze
niet door een woord kunnen aanduiden. Begripsvorming vereist dus naamgeving
en in zoverre kan het kiezen van een juisten naam een geestelijke
verrichting van hoge waarde zijn. Echter is voor het vormen van bruikbare
natuurwetenschappelijke begrippen een omvangrijke kennis van
natuurverschijnselen nodig en wanneer deze ontoereikend of onbetrouwbaar is
of naar een verkeerd gezichtspunt geordend wordt, is het gevormde begrip
onvruchtbaar en de gekozen naam die als klank tot het begrip toch altijd nog
slechts de relatie heeft waarin tot een voorwerp zijn schaduw staat, nog
nuttelozer. -
Galilei trekt uit dit inzicht de volle consequenties: het is tijd, het praten
te staken, met namen geven op te houden. Men mag kortheidshalve blijven
zeggen, dat de valbeweging toe te schrijven is aan de werking van een van
nature aan een lichaam eigen streven naar het aardcentrum, mits men dan
voorlopig maar niet te veel over dat streven, waarvan we verder niets weten,
spreekt en eerst eens moeite doet, den val zelf, dien we althans kunnen
waarnemen, beter te leren kennen.
87. In vol bewustzijn van wat hij doet, schakelt Galilei dus de dynamische
beschouwingswijze uit en beperkt zich tot de kinematische. Niet het | | | | waardoor, nog minder het waartoe, maar uitsluitend het hoe zal
hem interesseren. Het gaat voorlopig niet om verklaren, maar om beschrijven.
Het is een beperking die hij oplegt aan zich zelf, niet aan de wetenschap.
Hij ziet zich als wegbereider. Wanneer eenmaal nauwkeurig bekend zal zijn,
hoe de lichamen vallen, wanneer men dus m.a.w. voor het meest alledaagse
bewegingsverschijnsel eens zover zal zijn gekomen als de astronomen waren,
toen ze de waargenomen planeetposities in een kinematisch wereldbeeld konden
voorstellen, zal het wellicht aan dieper doordringende geesten voorbehouden
blijven, ook tot een dieper inzicht in de natuur van den val en haar wetten
te komen.
Het gaat er dus om, de verschijnselen van den val te redden; we weten, dat ze
versneld is; het probleem bestaat in het mathematisch definiëren
van een beweging waarvan het verloop overeenstemt met wat de waarneming
geleerd heeft en nog zal leren. De metodo risolutivo (III: 16), de
onopzettelijk verworven, zich als het ware aan ons opdringende zinlijke
ervaring analyserend, heeft de taak gesteld; de metodo compositivo zal haar
uitvoeren en de experimentele verificatie die haar resultaten gedogen en
vereisen, zal de proef op de som leveren. Met volkomen scherpte stelt
Galilei voor goed de wetenschappelijke methode voor het onderzoek der
anorganische natuur vast.
88. Wij weten, dat er reeds eerder onderstellingen over het verloop van de
valbeweging waren gemaakt; Albert van Saksen (II: 115) had de instantane
valsnelheid evenredig gedacht aan den afgelegden weg en Leonardo da Vinci
(III: 45) had de even onhoudbare betrekking opgesteld, dat de wegen, in
opvolgende gelijke tijden afgelegd, zich verhouden als de opvolgende
natuurlijke getallen. Ook hebben we reeds gezien, dat Oresme een middel had
geleerd om voor een beweging, waarbij de instantane snelheid evenredig is
met den sedert het begin der beweging verstreken tijd, den afgelegden weg te
berekenen (II: 128) en dat in scholastieke geschriften van de zestiende eeuw
de val als voorbeeld voor zulk een beweging behandeld was (II: 130).
Het is alleszins aannemelijk, dat Galilei, die te Padua jarenlang vertoefd
heeft in een intens levend academisch milieu, waarin de tradities der
scholastiek hoog werden gehouden, met dit alles op de hoogte zal zijn
geweest, dat hij zowel de graphieken van Oresme, die immers nog steeds voor
illustratiedoeleinden werden gebruikt, gekend heeft als de z.g.
quadratenwet, die uitspreekt, dat de in val uit rust afgelegde weg evenredig
is met het vierkant van den sedert het begin der beweging verstreken tijd.
Even waarschijnlijk is het echter, dat er in het universitaire onderwijs
niet zo heel veel aandacht aan besteed zal zijn: voor de peripatetische
philosophie hadden quantitatieve relaties nu eenmaal niet de overheersende
positie die zij in de klassieke natuurwetenschap zouden gaan innemen.
89. Hoe dit alles zij, het staat op grond van uitlatingen in brieven on- | | | | omstotelijk vast, dat Galilei in 1604 de quadratenwet kende en
dat hij toen bezig was met het verzinnen van een hypothese over de wijze
waarop de instantane snelheid in den val groeit, die als axioma bij de
afleiding van deze wet gebruikt zou kunnen worden. En uit nagelaten en later
gepubliceerde aantekeningen weten we, dat de eerste gedachte die zich
daarbij aan hem opdrong, dezelfde was die vroeger al bij Albert van Saksen
gerezen was, namelijk die van evenredigheid van instantane snelheid en
afgelegden weg. Merkwaardiger dan deze overeenstemming is echter nog, dat
hij uit deze onderstelling, waarvan hij later in de Discorsi zelf de ondenkbaarheid zou aantonen, de juiste betrekking
tussen weg en tijd heeft afgeleid, de quadratenwet met haar corollarium, dat
de wegen in opvolgende gelijke tijden zich verhouden als de opvolgende
oneven getallen (de wet der oneven getallen, een onmiddellijk gevolg van het
feit, dat de opvolgende verschillen van de quadraten der natuurlijke
getallen de oneven getallen zijn).
Natuurlijk is dat niet eerlijk in zijn werk gegaan. De redenering is door en
door vals en zij zou ook nooit tot een goed eind gebracht hebben kunnen
zijn, als dat eind niet reeds van te voren had vastgestaan.
90. Men kan op dit punt natuurlijk de vraag stellen, of de
wetenschapsgeschiedenis niets beters te doen heeft dan de nagelaten
kladpapieren van een groot man door te snuffelen om te zien, of hij soms in
den loop van zijn onderzoekingen ook fouten gemaakt heeft. Maar die vraag is
tendentieus gesteld: het gaat er niet in de eerste plaats om, of wat er op
die papieren staat, goed of fout is, al zijn foutieve redeneringen in den
regel wel het meest instructief. Overigens kan men haar slechts bevestigend
beantwoorden: nagelaten kladpapieren zijn inderdaad de bronnen bij
uitnemendheid die ons voor de reconstructie van de ontwikkeling van het
wetenschappelijk denken ter beschikking staan, omdat zij juist datgene
schenken wat, met een zeldzame uitzondering als die van Kepler (IV: 30), uit
het voltooide werk niet meer is op te maken: inzicht in de wijze, waarop het
logisch onberispelijk geordende stelsel van definities, axiomata en
stellingen dat daarin wordt meegedeeld, eigenlijk gegroeid is.
En zo leert ons dan ook het kladpapier, waarop Galilei zich in de
wonderlijkste logische bochten moet wringen om uit een onhoudbare praemisse
een juist inzicht af te leiden, tal van belangrijke dingen. Onder meer al
dit ene, in de wetenschapsgeschiedenis nog zo vaak veronachtzaamde beginsel,
dat wanneer een stelling B (i.c. de quadratenwet) in feite
een gevolgtrekking is uit een stelling A (i.c. de
evenredigheid van instantane snelheid en verstreken tijd), men aan iemand
die B blijkt te kennen, daarom nog niet de kennis van A en van het logische verband tussen A
en B mag toeschrijven. Vervolgens kunnen we aan de hand
van het fragment vaststellen, dat Galilei zich voor zijn afleiding heeft
bediend van een graphische voorstelling, waarin de afgelegde weg als
extensio en de instantane snelheid als latitudo fungeert. En ten slotte
onttrekt het, mede | | | | in verband met uitlatingen in brieven,
iederen steun aan de in de Galilei-mythe hardnekkig in stand gehouden
voorstelling, als zoude hij de quadratenwet op het spoor zijn gekomen door
aan een vallend lichaam een aantal metingen van weg en tijd te verrichten en
in de verkregen waarden de relatie op te merken, dat er een constante
verhouding bestaat tussen de eerste grootheid en het quadraat van de tweede.
Deze voorstelling is bovendien met alles wat we over de plaats van het
experiment in Galilei's natuurwetenschappelijk denken weten, in volstrekten
strijd.
91. Door het axioma van de evenredigheid tussen snelheid en weg in dier voege
uit te breiden op valbeweging langs gladde hellende vlakken, dat daarin
inplaats van den afgelegden weg de verticale afstand tot het uitgangspunt
komt te staan, kan Galilei uit zijn onjuiste praemisse ook nog de juiste
stelling afleiden, dat de eindsnelheid van een val over een hellend vlak
alleen afhangt van het bedrag van de verticale daling van het bewegende
punt, maar niet van den hellingshoek.
Fig. 30. Dekoordenwet van Galilei. Stoffelijke punten, die
gelijktijdig in de punten A en B van
een verticaal opgestelden cirkel worden losgelaten, bereiken
gelijktijdig het laagste punt O. Dynamische
afleiding.
En vervolgens leidt hij nog de voor zijn later werk belangrijke stelling af,
dat stoffelijke punten die, gelijktijdig losgelaten in punten van een
verticaal geplaatsten cirkel (Fig. 30), langs koorden het laagste punt O van dien cirkel bereiken, daar gelijktijdig aankomen.
Dit bewijs vereist echter een dynamische redenering. Galilei ontleent aan de
Statica van Jordanus de stelling, dat het momentum
gravitatis (d.w.z. de gewichtscomponent) op een hellend vlak zich tot
het gewicht verhoudt als de hoogte tot de lengte (voor het vlak OB dus als BC: OB). Daar
∠ ABO recht is, geldt echter:
BC/OB = OB/OA.
De langs AO en BO werkende krachten
verhouden zich dus als de af te leggen wegen en daar de krachten evenredig
zijn met de snelheden zijn de benodigde tijden gelijk.
In dit bewijs wordt geen beroep meer gedaan op de evenredigheid van snelheid
en afgelegden weg, maar op de grondwet der peripatetische dynamica: snelheid
is namelijk nu als gemiddelde snelheid te verstaan.
92. Het is niet onmogelijk, dat de twee boven meegedeelde afleidingen | | | | bij den lezer een zekere ontsteltenis zullen hebben
teweeggebracht. In de eerste was het uitgangspunt onjuist, in de tweede een
der toegepaste stellingen. Hoe is het mogelijk, dat de resultaten toch juist
zijn?
Voor de eerste stelling luidt het antwoord hierop, dat de eindsnelheid bij
val langs een hellend vlak in feite evenredig is met den wortel uit het
bedrag der verticale daling inplaats van met dit bedrag zelf. Zij hangt dus
inderdaad alleen van de verticale daling en niet van den hellingshoek af.
In het tweede geval is de situatie iets anders. Volgens de klassieke dynamica
geldt voor een stoffelijk punt met massa m, waarop een
kracht K werkt, de betrekking:
K = ma,
terwijl de na t sec. bereikte snelheid v(t) voor een beweging uit rust bepaald wordt
door:
v(t) = at
en de gemiddelde snelheid vm over dat
tijdvak door:
vm = ½ v(t).
Uit deze drie betrekkingen volgt:
K.t = 2.m. vm (1)
zodat dus voor bewegingen van eenzelfde stoffelijk punt onder invloed van
verschillende krachten, die echter even lang duren, de gemiddelde snelheden
zich verhouden als de krachten. Dat is nu echter juist wat de grondwet der
peripatetische dynamica ook inhoudt. Daarom geeft deze juiste resultaten,
zolang men bewegingen van eenzelfde stoffelijk punt beschouwt die even lang
duren en dat was in de boven gegeven afleiding het geval.
Had Galilei zich echter de vraag gesteld naar de verhoudingen van de tijden,
waarin punten, die, in M (Fig. 30) zonder beginsnelheid
losgelaten, de stralen van den cirkel doorlopen, dan zou hij gevonden
hebben, dat de tijden over MD en MO zich
verhouden als MD1 tot MO, als D1 het snijpunt is van
het verlengde MA met de horizontale rechte door O, terwijl in werkelijkheid de verhouding van deze
lijnstukken gelijk is aan die van de quadraten der benodigde tijden.
93. Men ziet hieruit tevens, hoe verduisterend het voor de natuurwetenschap
geweest is, dat men in de zeventiende (en ook nog in de achttiende) eeuw de
relaties tussen physische grootheden steeds is blijven aangeven in den vorm
van in woorden uitgedrukte en ten hoogste als gelijkheid van twee
verhoudingen geschreven evenredigheden inplaats van ze als functies te
schrijven. Dat wil zeggen: wanneer bij de waarden A1, A2.... van een
veranderlijke grootheid A opv. de waarden B1, B2... en een | | | | van A afhankelijke
veranderlijke grootheid B behoren, die voldoen aan de
betrekkingen:
A1: A2 = B1: B2
A1: A3 = B1: B3 enz.
zei men, dat A evenredig is met B, maar
schreef niet:
A = c.B.
Het verschil wordt duidelijk, wanneer men de betrekking (1) beschouwt. Deze
drukt uit, dat Vm voor een gegeven
stoffelijk punt slechts zolang evenredig is met K, als t constant is, dus bij vergelijking van bewegingen van
eenzelfde stoffelijk punt, die even lang duren. Zodra men echter gaat
schrijven:
K1: K2 = (vm)1: (vm)2
staat de beperkende voorwaarde niet meer uitgedrukt en is de weg tot velerlei
misvatting geopend.
94. Wij weten niet, wanneer Galilei tot een beter inzicht in de wijze van
aangroeiing der snelheid gekomen is. In den Dialogo en in
de Discorsi gaat hij echter uit van de onderstelling, dat
zij evenredig is met den tijd en daar het gedeelte dezer werken dat over
valbeweging handelt, berust op een afzonderlijke, in het Latijn gestelde
verhandeling van een Academicus (die blijkbaar Galilei zelf als Paduaans
hoogleraar is) kan men het aannemelijk achten, dat hij niet lang na den tijd
waaruit het boven behandelde fragment afkomstig is, wel den juisten weg zal
hebben gevonden. Hij motiveert het nieuwe uitgangspunt met een beroep op het
eeuwenoude beginsel dat den natuuronderzoekers altijd als leidraad heeft
gediend, namelijk dat de natuur alles zo eenvoudig mogelijk doet. Het beroep
zou overtuigender werken, wanneer wij niet juist ervaren hadden, dat het
moeilijk kan zijn, uit te maken, wat het eenvoudigste is: evenredigheid van
snelheid en weg scheen aanvankelijk meer voor de hand te liggen.
Fig. 31. Afleiding van de betrekking tussen weg en tijd in de
eenparig veranderlijke beweging volgens Galilei, Discorsi III 1 (Opere VIII 208).
Opnieuw voor de taak gesteld, de quadratenwet af te leiden, maakt Galilei
opnieuw gebruik van de methode der graphische voorstelling, waarbij nu
echter de tijd als extensio fungeert. Er ontstaat dus een graphiek van den
vorm dien we Oresme voor de qualitas uniformiter difformis zagen gebruiken
(II: 128).
Het valt echter op, dat zijn manier van redeneren van die van Oresme
verschilt. Had deze (Fig. 31) de oppervlakten van den driehoek ABC en van den vierhoek ABGF op- | | | | gevat als voorstellingen, van den afgelegden weg opv. in de eenparig
veranderlijke beweging en in de eenparige beweging met de snelheid van het
middelste ogenblik tot snelheid, om daarna uit de gelijkheid der
oppervlakten den naar hem genoemden regel af te leiden, zo beschouwt Galilei
niet de oppervlakten, maar de verzamelingen der ordinaten der beide figuren,
die hij op schijnt te vatten als een soort totale snelheid, waarmee een weg
doorlopen wordt. Daar nu echter twee ordinaten die symmetrisch liggen ten
opzichte van het midden M van AB in
beide figuren dezelfde som hebben (cc1
+ dd1 = cc2 + dd2) noemt hij de snelheidsaggregaten gelijk en daar de
tijden het ook zijn, moeten ook de wegen gelijk zijn. Uit den hiermee
afgeleiden regel leidt hij hierna de quadratenwet af, waarbij hij opnieuw
niet over oppervlakten spreekt, en vervolgens de wet der oneven getallen.
95. Het is duidelijk, dat wanneer Galilei zuiver kinematisch te werk wil
blijven gaan, hij er niet in zal slagen, de boven gevonden valwetten uit te
breiden tot val langs hellende vlakken. Om zich uit deze moeilijkheid te
redden, postuleert hij, niet alleen dat ook hier de instantane valsnelheid
evenredig is met den verstreken tijd, maar tevens, dat de boven afgeleide
stelling over de gelijkheid der eindsnelheden bij val over een gegeven
verticalen afstand geldig zal zijn.
Na het verschijnen van den eersten druk van de Discorsi
heeft hij nog een dynamisch bewijs voor deze eigenschap gevonden, dat in de
latere edities als Scholium bij Theorema II is ingelast en daar te midden
van de zuiver kinematische beschouwingen van den Derden Dag nogal detoneert.
Het is bovendien zeer duister gesteld: eenzelfde woord, impeto, fungeert er in twee geheel verschillende betekenissen in en
het kost moeite, er een redelijken zin aan te verbinden. Voor zover dat
gelukt, blijkt nu echter, dat het nog steeds berust op de grondwet der
peripatetische dynamica, die we hem ook in 1604 zagen toepassen, maar dat
deze weer gebruikt wordt ter vergelijking van bewegingen die even lang
duren, dus voor een geval waarin zij hetzelfde resultaat geeft als in de
klassieke dynamica verkregen zou zijn.
96. De mening, dat Galilei aan het eind van zijn leven nog steeds een
evenredigheid tussen kracht en (gemiddelde) snelheid zou hebben aangenomen,
is natuurlijk volkomen in strijd met de mythe, waarin hij als de grondlegger
van de klassieke dynamica optreedt en waarin hij dus geacht wordt, de
evenredigheid van kracht en versnelling te kennen, die deze karakteriseert.
Het lijdt echter voor wie Galilei uit zijn eigen werken en niet uit
mededelingen van anderen heeft leren kennen, geen twijfel, dat hij dat
inzicht nooit bezeten heeft. Vooreerst al omdat zo hij werkelijk op dit
kardinaalste aller verschilpunten tussen antieke en klassieke mechanica van
de Aristotelische traditie zou zijn afgeweken, hij het toch wel eens ergens
gezegd zou hebben en zich de prachtige daardoor geboden gelegenheid om nog
eens weer tegen Aristoteles te polemiseren, onge- | | | | twijfeld niet
zou hebben laten ontgaan. Vervolgens omdat men niet zou weten, op welke
plaats van zijn werk het nieuwe inzicht eigenlijk uitgesproken zou kunnen
zijn. Zoals we al gezien hebben, zijn de dynamische redeneringen die hij in
zijn jeugdjaren houdt, zuiver Aristotelisch. Daarna echter schakelt hij de
dynamische behandelingswijze van de valbeweging bewust uit en plaatst zich
geheel op kinematisch standpunt. En dan geeft hij aan het eind van zijn
leven nog eenmaal een dynamisch bewijs, dat zich ongedwongen alleen in de
zuiver peripatetische opvatting laat interpreteren. Waar is hier ruimte voor
het inlassen van de gans anders gerichte dynamische beschouwingswijze die
karakteristiek zou worden voor de klassieke physica? Men moet niet te veel
verlangen. Het komt voor, dat men in eenzelfde werk Galilei eerst hoort
prijzen om de wijze zelfbeperking tot het kinematische en daarna hoort
verheerlijken, omdat hij door zijn leer van den val de klassieke dynamica
zou hebben gegrondvest.
97. Dat we hierover zo uitvoerig spreken, komt waarlijk niet voort uit een
kleinzielige behoefte om ook maar een tittel af te dingen op de onmiskenbare
grootheid van een der geniaalste figuren die de wetenschapsgeschiedenis
kent. Wij doen het alleen, omdat het contrast tussen de wijze waarop zich de
ontwikkeling der physica werkelijk heeft afgespeeld en de voorstellingen die
daarover in omloop zijn, nergens zulke groteske vormen aanneemt als in het
geval van Galilei en omdat zich ook nergens zo duidelijk de
principiële denkfout in het reconstrueren van den historischen
gang van zaken openbaart die we boven (IV: 90) reeds aanwezen: omdat de
zwaarte bij niet te grote verwijdering van het aardoppervlak als een
constante kracht mag worden beschouwd en een constante kracht een constante
versnelling in het leven roept, is de val een eenparig veranderlijke
beweging. Galilei weet, dat de val een eenparig veranderlijke beweging is;
dus moet hij geweten hebben... enz. Deze manier van redeneren is er niet
minder gebruikelijk om, dat ze onjuist is; de ganse Galilei-mythe is er op
gebouwd.
98. Iets soortgelijks doet zich voor bij een wijdverspreide mening over de
positie van het experiment in zijn behandeling van de valwet. Men is het op
een gegeven ogenblik didactisch wenselijk gaan achten, de quadratenwet als
het ware te laten aflezen uit aan elkaar toegevoegde waarden van weg en tijd
en ging het toen vanzelfsprekend vinden, dat Galilei ook zo te werk moest
zijn gegaan. Deze voorstelling is echter niet alleen feitelijk onjuist, maar
tevens in strijd met zijn methodische beginselen. Hij experimenteert niet om
een natuurwet op het spoor te komen, maar om een relatie die hij door
mathematische redenering uit min of meer evident lijkende onderstellingen
heeft afgeleid, achteraf te verifiëren.
Zo beschrijft hij dan ook na afleiding van de quadratenwet, hoe hij deze door
herhaalde proefneming met een flauw hellende valgoot steeds bevestigd heeft
gevonden, terwijl hij na de opstelling van het postulaat | | | | der
gelijke eindsnelheden in val bewegingen langs verschillende vlakken over
dezelfde hoogte bij wijze van verificatie een proef met een slinger
beschrijft waarvan het koord bij het passeren van de verticaal tegen een pen
stoot, zodat de slingerlengte verkort wordt; het blijkt dan, dat het
slinger-lichaam toch weer dezelfde hoogte bereikt. De snelheid in het
laagste punt is dus voldoende om het lichaam op verschillende cirkelvormige
banen (die als aaneenschakelingen van hellende vlakken met verschillende
hellingshoeken worden beschouwd) dezelfde hoogte te doen bereiken. Daardoor
wordt het postulaat aannemelijk gemaakt.
99. De plaats die het experimenteren bij Galilei inneemt, is er in beginsel
natuurlijk niet minder belangrijk om, dat het niet dient om een geheel nieuw
verschijnsel op te sporen, maar om het resultaat van een theoretische
redenering op de proef te stellen. Als dat wel zo was, zou de methodische
betekenis van het experiment in de gehele klassieke en moderne
natuurwetenschap aanzienlijk dalen, omdat het bijna steeds dient om meer of
minder vast gefundeerde vermoedens te verifiëren of de beslissing
tussen twee mogelijkheden te brengen. In de practijk van Galilei's werk
blijft het echter bij zijn theoretische functie in zoverre wel eens achter,
dat het als enigszins overbodig wordt gevoeld, wanneer de voorafgaande
redenering zeer overtuigend lijkt en dat het dan òf een zuiver
gedachten-experiment blijft òf wel wordt beschreven, maar niet
uitgevoerd. ‘Ik heb er een proef over gedaan, maar
daarvóór had de natuurlijke rede (il
natural discorso) mij heel vast overtuigd, dat het verschijnsel zou
moeten verlopen zoals het ook inderdaad verliep’12. En in
den Dialogo doet zich de slechts bij oppervlakkige kennis
van Aristoteles en Galilei verrassende, situatie voor, dat de peripateticus
Simplicio er erg op aandringt, een bewering van Salviati op de proef te
stellen en dat de laatste, Platonicus als hij is, dit als volkomen overbodig
afwijst; hij weet ook zo wel, hoe het gaan zal13.
100. Wij hebben Galilei de fundamenten zien leggen voor zijn kinematische
theorie van de valbeweging in de verticaal of op hellende vlakken, maar
moeten ons thans het genoegen ontzeggen, hem bij den verderen opbouw op den
voet te volgen. Deden we het, dan zouden we het schitterende mathematische
vernuft kunnen bewonderen, dat den Derden en den Vierden Dag van de Discorsi tot een der grote meesterwerken van de
zeventiende eeuw stempelt, te indrukwekkender omdat hier een terrein
betreden werd, waarop in de Oudheid - tot dusver nog steeds ongeevenaard
voorbeeld - niets gedaan was en waarbij dus alles van den grond af moest
worden opgebouwd. Echter zouden we geen gezichtspunten geopend zien die voor
de verdere ontwikkeling der natuurwetenschap van principieel belang zijn.
Wanneer de theoretische mechanica eenmaal aan de beschouwing van de
natuurlijke verschijnselen van rust en beweging haar axiomata ontleend heeft
- we hebben reeds gezien, en zullen nog verder zien, dat dit een moeizaam
verlopend proces is - verruilt ze het | | | | kamp der physica voor
dat der mathesis. Door uitschakeling van alle storende invloeden vergaand
idealiserend en door vereenvoudiging van de situatie (b.v. door alle
verticalen parallel te denken en lichamen als stoffelijke punten te
beschouwen) even sterk schematiserend, groeit ze uit tot een autonome
wetenschap, die ver van de physische realiteit afstaat. Dat sluit niet uit,
dat zij aan de physica van haar eigen begripsvorming uit nog belangrijke
diensten kan bewijzen, maar wel in, dat zij ook de neiging vertoont, zich in
zuiver mathematische vraagstukken te verdiepen, die alle contact met de
ervaarbare wereld verloren hebben. Zo was het in de zeventiende eeuw en zo
is het nu nog.
101. Twee opmerkingen over het op den Derden Dag behandelde mogen hier echter
een plaats vinden. Galilei slaagt er thans in, de boven reeds vermelde
koordenwet zuiver kinematisch te bewijzen en gaat daarna over tot
vergelijking van de valtijden langs een in een cirkelboog van 90°
beschreven regelmatig gebroken lijnstuk AC... B

Fig. 32. De valtijd van A naar B langs de zijden van het in boog AB
beschreven regelmatig gebroken lijnstuk is des te kleiner, naarmate
het aantal zijden groter is. Eerste optreden van het probleem van de
lijn van kortsten valtijd (brachistochrone). Galilei, Discorsi III 36 (Opere VIII
263).
(Fig. 32). Hij kan nu aantonen, dat de valtijd van A naar B des te kleiner wordt, naarmate het aantal
stukken van dit gebroken lijnstuk toeneemt. Bij de formulering van de
propositie had hij echter gezegd, dat de snelste beweging van A naar B plaats vindt langs den cirkelboog AC en die conclusie wordt natuurlijk door het verkregen
resultaat niet gerechtvaardigd. Echter was hiermee de aandacht der
wiskundigen gevestigd op het probleem van de lijn van kortsten valtijd
(brachistochrone) tussen twee gegeven punten, dat later door Johannes
Bernoulli zou worden opgelost.
102. De tweede opmerking heeft betrekking op een propositie waarin Galilei
aantoont of liever aannemelijk maakt, dat wanneer een stoffelijk punt, na
over een hellend vlak van A tot B
gevallen te zijn

Fig. 33. Een stoffelijk punt dat uit rust in A langs AB valt en met de verkregen snelheid
als beginsnelheid opstijgt langs BC, bereikt
hierop een punt C dat evenhoog ligt als A.
(Fig. 33), met de verkregen snelheid als beginsnelheid langs een
ander hellend vlak omhooggaat, het daarop juist een punt C
zal bereiken, dat even hoog ligt als A. De Galilei- | | | | mythe beweert nu in aansluiting aan E. Mach14 met grote vasthoudendheid, dat Galilei zich
nu het vlak BC draaibaar om B heeft
gedacht en het heeft laten naderen tot het horizontale vlak BD. Steeds moet het stoffelijk punt zich dan zolang bewegen, tot het
weer de hoogte van A bereikt heeft en aangezien dat op het
horizontale vlak nooit gebeurt, zal het zich hierop met de door den val van
A naar B verkregen snelheid zonder
ooit op te houden eenparig voortbewegen. Op deze wijze zou Galilei de
traagheidswet hebben afgeleid. Van deze redenering is echter in den tekst
geen spoor aan te treffen en we zullen dadelijk zien, dat Galilei haar ook
nooit zou hebben kunnen houden.
Nu wordt echter als argument in het bewijs, dat het uiterste punt C van de baan even hoog ligt als het beginpunt A gebruik gemaakt van de stelling, ‘dat de
snelheidsgraad, die in een zich bewegend lichaam wordt aangetroffen, daarin
door haar natuur onvernietigbaar is ingeprent, wanneer uitwendige oorzaken
van versnelling of vertraging worden weggenomen, hetgeen alleen op een
horizontaal vlak het geval is... waaruit eveneens volgt, dat de beweging op
een horizontaal vlak ook eeuwig is’15.
Hier schijnt de traagheidswet weliswaar niet bewezen te worden (wat ook
helemaal niet kan), maar toch in zo ondubbelzinnige klaarheid uitgesproken,
dat er geen twijfel aan mogelijk schijnt, of men haar wel terecht het
Galileïsch traagheidsbeginsel noemt.
103. Dat wij hier dien twijfel niettemin gaan uitspreken en motiveren, kan
bij oppervlakkige beschouwing wellicht een voor het doel van dit boek
overbodige uitweiding lijken, zoals de gehele veelbesproken kwestie, of
Galilei zelf het volledige traagheidsinzicht heeft bezeten of het alleen zo
ver heeft voorbereid, dat het zijn opvolgers weinig moeite meer kostte om
het te verwerven, meer een twistpunt voor Galilei-kenners schijnt te zijn
dan een aangelegenheid die voor de grote lijn der wetenschapsgeschiedenis
belang zou hebben. Maar het ene is al even onjuist als het andere. De
verandering in de opvatting van traagheid vormt mèt de wijziging
in de beantwoording van de vraag, welke de uitwerking is van een constante
kracht die op een stoffelijk punt werkt, wellicht het allerbelangrijkste
element in den overgang van antiek-middeleeuwse naar klassieke
natuurwetenschap, die het thema van dit boek vormt en de traagheidswet
betekent voor het nieuwe wereldbeeld geen detailpunt, maar een fundament dat
aan de meest essentiële delen van het stelsel ten grondslag ligt.
Dat die verandering voor het allergrootste deel door Galilei tot stand is
gebracht, staat buiten discussie; dat men geen beter inzicht in de
ontwikkeling ervan kan verkrijgen dan door zijn werken te bestuderen,
eveneens; maar dan moet het ook duidelijk zijn, dat beperkingen,
onzekerheden, inconsequenties die men in zijn redeneringen kan vaststellen,
een grote symptomatische betekenis krijgen voor de moeilijkheden die bij het
verwerven van het volledige traagheidsinzicht overwonnen moesten worden.
| | | |
104. Wij vermelden eerst de formulering van de traagheidswet, zoals ze, aan
het eind van de ontwikkeling die ons bezig houdt, door Newton zal worden
gegeven:
Ieder lichaam volhardt in den toestand van rust of
rechtlijnige eenparige beweging, behalve voorzover het door uitwendige
krachten gedwongen wordt, dien toestand te wijzigen.
Deze formulering voldoet natuurlijk allerminst aan hedendaagse eisen van
exactheid; de term eenparige beweging, voor een lichaam gebruikt, is niet
voldoende bepaald; men zou willen weten, hoe een kracht gedefinieerd is en
ten opzichte van welke coördinatenstelsels de beweging
rechtlijnig en eenparig is. Een laat-zeventiende-eeuws physicus kan de
bewering echter volkomen begrijpelijk hebben gevonden. Wanneer hij alle
stoffelijke lichamen uit de ruimte wegdacht, hield hij een oneindig groot
leeg reservoir over; wanneer nu God in die ruimte eens een enkel stoffelijk
punt bracht, er een stoot aan gaf en het nu verder aan zijn lot overliet,
zou dit ten eeuwigen dage rechtlijnig door die lege ruimte voortgaan, d.w.z.
voortdurend met andere op één rechte gelegen punten
daarvan samenvallen. De mededeling, dat een twintigste-eeuwse vakgenoot
wellicht de meerderheid der gebruikte termen zinledig zou noemen, zou hem
weinig gedeerd hebben, omdat hij er wel een zin aan hechtte.
105. Dit zal dus het eindpunt van de ontwikkeling zijn; bij Galilei staan we
aan het begin. In hoeverre kan men de geschetste voorstelling bij hem reeds
aanwezig achten?
Is één essentieel opzicht zeker al niet. Galilei, hoe
revolutionnair gezind hij ten aanzien van talrijke overgeleverde denkbeelden
ook geweest moge zijn, is altijd blijven vasthouden aan het antieke
kosmos-begrip, dat eindigheid van de wereld impliceert. Met Copernicus en
Kepler ziet hij het heelal nog steeds zoals Plato, Aristoteles en de
middeleeuwers het hadden gezien: als een bol met een eindigen straal. Zij
dachten dien straal veel groter dan hun voorgangers hadden gedaan en in of
bij het middelpunt stond niet langer de aarde, maar de zon; maar daar de
afmetingen van de aardbaan wegens het ontbreken van een jaarlijkse parallax
van de vaste sterren toch verwaarloosd moesten worden ten opzichte van den
straal der sterrenspheer had de overgang van het geocentrische op het
heliocentrische standpunt voor de visie op het geheel niet veel te
betekenen. In dit eindige heelal was echter de gedachte aan een
eeuwigdurende rechtlijnige beweging uitgesloten en reeds hierom zou Galilei
de traagheids-opvatting der klassieke physica niet hebben kunnen aanvaarden.
Hij spreekt dit door Salviati's mond op den Eersten Dag van den Dialogo ondubbelzinnig uit16. Juist
heeft deze gezegd, dat hij in een opzicht volkomen met Aristoteles instemt:
dat namelijk de wereld een lichaam is, voorzien van alle dimensies
en daardoor allervolmaaktst; en ik voeg er aan toe, dat zij als zodanig
allergeordendst | | | | moet zijn, d.w.z. moet bestaan uit delen die
in de hoogste en volmaaktste orde geschikt zijn...
en gaat dan voort:
Na vaststelling van een dergelijk beginsel kan men onmiddellijk
besluiten, dat waar de grote wereldlichamen van nature beweeglijk moeten
zijn, hun bewegingen onmogelijk rechtlijnig of anders dan cirkelvormig
kunnen zijn; de reden is heel eenvoudig en duidelijk: immers wat zich
rechtlijnig beweegt, verandert van plaats en wanneer het voortgaat, zich te
bewegen, verwijdert het zich hoe langer hoe verder van het uitgangspunt en
van alle plaatsen die het achtereenvolgens passeert. En indien het zulk een
beweging van nature bezat, zou het van den aanvang af niet op zijn
natuurlijke plaats zijn en dus zouden de delen der wereld niet in volmaakte
orde geschikt zijn. Daar bovendien de rechtlijnige beweging naar haar natuur
oneindig is... kan geen beweeglijk lichaam van nature het principe bezitten,
zich rechtlijnig daarheen te bewegen, waar het onmogelijk komen kan.
Een eeuwigdurende rechtlijnige beweging, zoals de Atomisten die altijd zo
gemakkelijk hadden aangenomen, behoort voor Galilei dus helemaal niet tot de
natuurlijke mogelijkheden. De eeuwigdurende cirkelbeweging der hemellichamen
beheerst zijn wereldbeeld nog even sterk als het dat der Grieken gedaan had;
cirkelbeweging is de natuurlijke beweging bij uitnemendheid en wanneer er
sprake mocht zijn van een tendentie tot volharding in een bewegingstoestand,
dan komt daarvoor in de eerste plaats een cirkelvormige beweging in
aanmerking.
106. Dit geldt volstrekt niet alleen voor de hemellichamen. Op den Tweeden
Dag van den Dialogo17 wordt gesproken
over het gedrag van een volkomen harden en gladden bol, die op een volkomen
hard en glad vlak wordt neergelegd, terwijl de luchtweerstand en andere
uitwendige belemmeringen worden weggedacht. Wat zal de bol doen? Men wordt
het er spoedig over eens, dat zij in beweging zal komen, wanneer het vlak
helt en in rust zal blijven, wanneer het horizontaal is. Daarna onderstelt
Salviati, dat er in het laatste geval een impetus aan zou worden gegeven en
hij laat Simplicio toegeven, dat, aangezien er geen oorzaken van versnelling
of vertraging zijn zoals op gladde hellende vlakken, de meegedeelde snelheid
niet kan veranderen en het punt dus ten eeuwigen dage in beweging zal moeten
blijven. Waaruit bestaat nu echter de oorzaak van versnelling of vertraging
op een hellend vlak? Uit de verandering van den afstand tot het centrum waar
alle zware lichamen naar toe streven. Op een vlak waarop de snelheid niet
verandert, mag dus ook die afstand niet veranderen. Zulk een vlak is een
boloppervlak om het aardcentrum als middelpunt.
Het aardoppervlak zou er een voorbeeld van zijn, wanneer het van al zijn
oneffenheden bevrijd zou kunnen worden; een rustend wateroppervlak benadert
het nog beter. Op dergelijke boloppervlakken zou dus een lichaam dat eenmaal
in beweging was gebracht, bij afwezigheid van | | | | storingen met
onveranderde snelheid in beweging blijven. Op een glad plat vlak echter dat
aan het aardoppervlak raakt, zou de snelheid noodzakelijk afnemen; immers
als het lichaam zich van het raakpunt af beweegt, neemt de afstand tot het
aardcentrum toe. Men ziet, dat ten aanzien van Galilei's terminologie
voorzichtigheid geboden is: een horizontaal vlak is een boloppervlak om het
aardcentrum als middelpunt en een raakvlak aan zulk een vlak is een hellend
vlak. Maar het is tevens duidelijk, hoe gemakkelijk het zijn opvolgers moest
vallen om in zijn uitlatingen over een tendentie tot volharden in een
eenmaal verworven bewegingstoestand slechts aan rechtlijnige bewegingen te
denken.
107. Galilei's opvatting van traagheid als een streven naar volharding in
cirkelvormige beweging hangt ten nauwste samen met zijn Copernicaanse
overtuiging. Evenals Copernicus zelf moest hij het argument tegen de
aswenteling der aarde weerleggen dat er zich op beriep, dat aan zware
lichamen van nature wel de verticale valbeweging naar het centrum eigen is,
maar niet een cirkelvormige beweging om de aardas. En met Copernicus stelt
hij daartegenover, dat de laatste beweging even natuurlijk is als de eerste,
dat aan de delen der aarde door de natuur niet alleen een streven is
ingeplant om naar het centrum toe te vallen, maar ook om in 24 uur
Oostwaarts om haar as te draaien. Laat men op enigen afstand boven de aarde
een steen los, dan volgt deze de beide tendenties. Van een punt van het
aardoppervlak uit, dat zelf immers aan de wenteling deelneemt, merken we
echter van de ontstane cirkelbeweging niets en het lijkt dus, of de steen
alleen verticaal omlaag valt.
108. De gehele beschouwing vormt een merkwaardige illustratie van de
wonderlijke wijze, waarop in Galilei's denken oude en nieuwe voorstellingen
met elkander vermengd zijn. Hoewel hij al jong heftig polemiseert tegen de
Aristotelische onderscheiding van natuurlijke en gedwongen bewegingen,
blijft hij zelf tot aan het eind van zijn leven ook zulk een onderscheiding
maken en hij wijkt alleen in zoverre van den Stagiriet af, dat hij aan
eenzelfde lichaam twee verschillende natuurlijke bewegingen toekent. Maar
door dat laatste te doen, spreekt hij tevens het belangrijke beginsel der
klassieke mechanica uit, dat een stoffelijk punt deel kan nemen aan
verschillende bewegingen, zonder dat deze elkaar storen, en door de wijze,
waarop hij het vallen van den steen op de draaiende aarde behandelt, maakt
hij duidelijk, dat de baan die een bewegend punt doorloopt, afhankelijk is
van de omgeving, ten opzichte waarvan men de beweging beschouwt.
109. Natuurlijk ligt de vraag voor de hand, hoe de baan van een vallend
stoffelijk punt zich voor zou doen aan een waarnemer buiten de aarde, die
het gecombineerde effect van de beide bewegingstendenties zou kunnen
waarnemen. Laat hiertoe in fig. 34 de cirkel door A den
aardaequator voorstellen en AB een toren, uit den top
waarvan men een lichaam laat vallen. Door een uiteraard weinig overtuigende
redenering komt Galilei in | | | | den Dialogo18 tot de verrassende gevolgtrekking, dat de resulterende baan
een cirkel is met middellijn BM, waarlangs het punt dus,
indien de aarde het doorliet, het middelpunt M zou
bereiken. Van de aarde uit gezien is het vallend punt achtereenvolgens in
a1, b1, c1, enz.,
waarbij het Galilei schijnt te ontgaan, dat dit toch niet kan kloppen met de
valwet. Hij vindt in zijn uitkomst nog eens aanleiding, de suprematie van de
cirkelvormige beweging boven alle andere te betogen: de natuur doet alles
langs cirkels. Dit strookt echter weer helemaal niet met den spot, dien
Galilei zich elders veroorlooft over het rangverschil tussen figuren, dat de
peripatetische philosophie placht te maken19.
Fig. 34. Valbeweging op de draaiende aarde. Een stoffelijk punt,
dat uit den top van den toren AB valt, beweegt zich
voortdurend over den cirkel met middellijn BM (M: aardcentrum). Van de draaiende aarde uit gezien, is
het achtereenvolgens in a1, b1, c1 enz. Galilei, Dialogo II (Opere VII 191).
Er zijn inderdaad, zoals we reeds opmerkten (IV: 77), verscheidene Galilei's
en de lectuur van den Dialogo wordt er speciaal door
bemoeilijkt, dat ze daar soms door elkaar heen praten. Een ding zal echter
wel duidelijk zijn geworden: van het traag-heidsinzicht dat in de eerste wet
van Newton geformuleerd is, is in de beschouwingen die we tot dusver hebben
leren kennen, geen sprake.
110. De lectuur van de Discorsi schijnt echter tot een gans
andere conclusie te voeren. In de boven besproken propositie wordt
uitdrukkelijk over het voortduren van een eenparige rechtlijnige beweging op
een plat vlak gesproken en op den Vierden Dag wordt het bewijs, dat de
kogelbaan den vorm van een parabool heeft, geleverd door de horizontale
rechtlijnige beweging, die het projectiel op een plat horizontaal vlak zou
hebben, samen te stellen met de verticaal omlaag gerichte, die door de
zwaarte teweeg wordt gebracht.
Wanneer echter Simplicio er Salviati even later aan herinnert, dat een
horizontaal vlak toch een boloppervlak om het aardcentrum als middelpunt is
en dus niet plat, geeft deze toe, dat dat natuurlijk zo is, maar dat hij het
bij benadering als een plat vlak beschouwt, omdat over de betrekkelijk
kleine afstanden, waarom het bij het voortschieten van kogels gaat, het
verschil toch niet van belang is. Dat is ongetwijfeld waar. Maar | | | | van een eeuwig voortdurende horizontale rechtlijnige beweging mag dan
niet meer gesproken worden; deze zou pas bestaan als over willekeurig grote
afstanden de zwaarte constant in richting bleef, maar dan zou de aarde zich
tot in het oneindige moeten uitstrekken, wat in strijd zou zijn met het
ganse wereldbeeld. De situatie is nu dus deze geworden: volgens de
eigenlijke traagheidswet van Galilei volhardt een stoffelijk punt, dat aan
uitwendige invloeden onttrokken is (men merke op, dat de zwaarte daar niet
toe hoort) in een cirkelvormige beweging om het aardcentrum als middelpunt.
Over kleine afstanden wordt deze beweging als een rechtlijnige beschouwd;
hierna wordt de beperking tot kleine afstanden vergeten en wordt gezegd, dat
het punt op een horizontaal plat vlak zijn rechtlijnige beweging onbeperkt
zou voortzetten, wanneer er geen uitwendige storingen optraden. Zo groeit
uit wat men de circulaire traagheidsopvatting van Galilei zou kunnen noemen
geleidelijk het inzicht, dat in de eerste wet van Newton zijn formulering
zou vinden.
111. Alle onzekerheden die er in Galilei's traagheidsbegrip overblijven mogen
nooit doen vergeten, dat er niemand is geweest, die zo zeer als hij het
inzicht in de tendentie van een bewegend lichaam om in zijn beweging te
volharden, heeft opgewekt en bevorderd. Door de uitvoerige en duidelijke
uiteenzettingen die hij vooral in den Dialogo aan
inertieverschijnselen wijdt, heeft hij eigenlijk pas het
intuïtief begrijpen van zulke verschijnselen tot ontwikkeling
gebracht. Hij schenkt zijn lezers een soort inertiaalgevoel, dat de Ouden
nooit bezeten hadden en dat ook Kepler nog geheel mist.
Voordat we hier iets meer over zeggen, moge nog worden opgemerkt, dat het,
wanneer men over traagheid spreekt, bijna niet mogelijk is, zich te
onthouden van termen die den indruk weideen, alsof in een bewegend lichaam
een soort inwendige motor huist, die het voortdrijft. Men kan theoretisch
wel de opvatting huldigen, dat rechtlijnige eenparige beweging (die rust
heet, als de snelheid nul is) als het ware de natuurlijke toestand van een
stoffelijk punt is en dat men dus alleen naar een oorzaak behoeft te vragen,
wanneer er in de richting of de grootte van de snelheid iets verandert, maar
er zit in iedereen nog wel zoveel van den ouden Aristotelischen Adam, dat
hij in zijn hart toch altijd nog het axioma: ‘alles wat in
beweging verkeert, wordt door iets anders bewogen’ huldigt en dus
onwillekeurig blijft vragen, hoe het komt, dat de beweging niet plotseling
ophoudt, wanneer de uitwendige motor zijn werk staakt. Waarom valt iemand,
die zonder meer van een rijdende tram afstapt en waarom staat een fietser
niet dadelijk stil, als hij ophoudt met trappen? Omdat hij in beide gevallen
vaart had. En die vaart wordt nu als een soort kracht gedacht, die niets
anders is dan de Vis Inertiae of traagheidskracht, die bij Newton als
oorzaak wordt genoemd, dat een aan uitwendige invloeden onttrokken lichaam
rechtlijnig eenparig voort blijft gaan en ook niets anders dan de Impetus
van de Parijse Terministen. Zo vallen wij, over traagheidsverschijnselen
sprekend, onwillekeurig terug in de uitdrukkings- | | | | wijze en
daardoor ook min of meer in de denkwijze van de veertiende-eeuwse
scholastici. En bij Galilei kan men van een terugvallen eigenlijk helemaal
niet spreken, omdat zijn dynamisch denken altijd in de spheer van de
impetustheorie is blijven verlopen.
112. Dat traagheidsverschijnselen zulk een overheersende plaats in sommige
van Galilei's werken innemen, hangt samen met de betekenis die zij in den
strijd om de leer van Copernicus bezaten. Alle van ouds bekende of in de
zestiende eeuw nieuw aangevoerde argumenten tegen een aard-beweging berusten
immers op gemis aan traagheidsinzicht: wolken en vogels moeten altijd
Westwaarts schijnen te gaan; een steen, die van den top van een toren valt,
Westelijk van den voet op den grond komen, juist zoals een voorwerp, dat men
op een varend schip uit den masttop laat vallen, zo ver van den voet af op
het dek neerkomt, als het schip tijdens den val zich verplaatst heeft. Een
verticaal omhoog geschoten kogel komt ook Westelijk van het uitgangspunt
terug. Met een kanon kan men verder naar het Westen schieten (de aarde
tegemoet) dan naar het Oosten. Galilei kan zijn polemische en didactische
hart ophalen aan een weerlegging van al deze argumenten. Hij doet het op den
Tweeden Dag van den Dialogo met grote uitvoerigheid en
vindt daarbij gelegenheid, in het voorbijgaan nog enkele andere fundamentele
beginselen der nieuwere mechanica uiteen te zetten.
113. Het is zeer opmerkelijk, dat Salviati aanvankelijk20 de analogie tussen het vallen van een steen uit een torentop op
de bewegende aarde en uit den masttop op een varend schip volstrekt ontkent
en wel op grond van het onderscheid tussen het natuurlijke van de
aswenteling der aarde en het gedwongenevande beweging van het schip. De
steen die van den toren valt, bezit de natuurlijke tendentie mee te wentelen
om de aardas en wijkt daardoor tijdens den val niet van den toren af. Zodra
echter de steen op het schip los is gelaten, volgt hij alleen nog maar zijn
natuurlijke tendentie en komt dus niet aan den voet van den mast neer. Een
andere Salviati betoogt even later echter, dat hij dit wel doet: de beweging
van het schip heeft aan den steen ook nog een tendentie ingeprent, in de
cirkelvormige beweging van den masttop te blijven volharden en nu blijkt er
toch wel analogie te bestaan met den val op de draaiende aarde.
114. Het is op deze plaats21, dat wij boven (IV: 99)
zinspeelden bij de behandeling van de betekenis die Galilei aan het
experiment toekent. Salviati maakt er Simplicio eerst een ernstig verwijt
van, dat hij de bewering, dat de steen niet aan den voet van den mast zal
neerkomen, napraat zonder het ooit te hebben waargenomen, maar wanneer er
dan gevraagd wordt, of hij zelf experimenteel heeft gecontroleerd, dat dit
wel het geval is, antwoordt hij, dat dat helemaal niet nodig is, want dat
hij wel kan beredeneren, wat er gebeuren zal. Dat kon Simplicio echter ook.
Voor hen die in de mythe van den vóór alles
experimenteel ingestelden Galilei geloven, is dit een enigszins pijnlijke
plaats. Het is waar, dat hij in een | | | | brief aan Ingoli22 zegt, dat hij wel
valproeven op varende schepen gedaan heeft, maar hij deelt geen
bijzonderheden mee en doet er in geen enkel werk verslag van. Het zou tot
1640 moeten duren, voordat het controlerende experiment door Gassend
werkelijk werd uitgevoerd.
115. Een van de algemene beginselen der mechanica die Galilei bij deze
gelegenheid uiteenzet, is het boven reeds vermelde principe van de
superpositie van bewegingen. Volgens de peripatetische physica is er altijd
strijd tussen de verschillende bewegingsimpulsen. We zagen reeds (III: 50,
58) dat men in de zestiende eeuw algemeen aannam, dat in de beweging van een
voortgeschoten projectiel de eerste phase rechtlijnig is, omdat dan de
impetus de zwaarte overheerst en dus ook geheel uitschakelt en de derde
eveneens, omdat dan de impetus geheel verdwenen is, terwijl de tweede het
product is niet zozeer van hun samenwerking als wel van hun conflict.
Galilei laat daartegen zien, dat de verschillende bewegingen onafhankelijk
van elkaar verlopen en dat wat we zien hun resultante, de vrucht van hun
samenwerking, is. Het was een inzicht dat de astronomen natuurlijk altijd
wel bezeten hadden, maar ook in de zeventiende eeuw was de afstand tussen
aardse en hemelse verschijnselen nog wel zo groot, dat men niet al te
gemakkelijk op de ene groep toepaste, wat voor de andere geldig was
bevonden. Sagredo trekt uit het superpositie- of onafhankelijk-heidsprincipe
nog de conclusie, dat wanneer men van den top van een toren af een
projectiel horizontaal voortschiet en er tegelijkertijd een naar beneden
laat vallen, zij gelijktijdig den grond zullen bereiken. Deze bewering is
later door de Accademia del Cimento (IV: 193) experimenteel gecontroleerd.
116. Het gaat hier om verschijnselen die tegenwoordig in dien zin van het
woord elementair zijn, dat zij stof vormen voor onderwijs in de beginselen
der mechanica; wat niet weg neemt, dat ze voor beginnelingen altijd weer
paradoxaal en moeilijk blijken; voor Galilei's tijdgenoten waren ze dat in
niet mindere mate en hij vindt het dan ook nodig, ze in telkens nieuwe
varianten uit te leggen. Zo stelt hij zich23 een rijdenden
wagen voor, waaraan aan den buitenkant een hellend vlak bevestigd is, waar
men een kogel af kan laten rollen. Helt het vlak in de richting van de
beweging van den wagen, dan zal de kogel, den grond bereikend, voor den
wagen uitrollen; helt het den anderen kant uit, dan zal het kunnen gebeuren,
dat hij op den grond stil blijft liggen of zelfs terugrolt. Al dergelijke
proeven worden als mogelijkheden beschreven, maar ze zijn blijkbaar nooit
uitgevoerd.
117. Door herhaalde beschouwingen over het verschil in de banen die eenzelfde
bewegend punt voor verschillende waarnemers beschrijft, draagt Galilei ook
sterk bij tot de ontwikkeling van het inzicht in het relatieve karakter van
het bewegingsbegrip. Dat sluit echter de overtuiging dat er een absolute
beweging bestaat, geenszins uit. Galilei gebruikt deze termen weliswaar
niet, hij zegt ook niet telkens, ten opzichte van welke | | | |
omgeving hij een beweging beschouwt. Wanneer men zich echter van al deze
termen wel bedient voor het weergeven van zijn denkbeelden, kan men zeggen,
dat hij een beweging ten opzichte van een assenstelsel, waarvan de oorsprong
in de zon ligt en de assen naar drie vaste sterren wijzen, als de ware
beweging beschouwt en dat hij in dien zin de aardbeweging voor werkelijk
houdt.
Een belangrijk element in zijn verdediging van de physische realiteit van
deze beweging vormt het beginsel, dat bewegingsverschijnselen die een
stelsel lichamen ten opzichte van elkaar vertonen, niet veranderen, wanneer
men het gehele stelsel aan een gemeenschappelijke beweging onderwerpt. Het
is duidelijk, welk een essentiële betekenis voor het bereiken van
zijn doel aan dit beginsel toekomt. Van de aardbeweging die hij aannam, was
in zijn tijd door waarnemingen op aarde niets te bespeuren. Hij kon zich dus
niet beroepen op positieve physische argumenten waaruit haar bestaan zou
kunnen blijken, maar moest zich beperken tot een weerlegging van de
physische bezwaren die er tegen werden aangevoerd, en wel in de allereerste
plaats tegen de voor de hand liggende tegenwerping, dat wij, als de aarde
werkelijk draaide, daarvan op een of andere manier wel iets zouden moeten
merken. Daartoe poneert hij de algemene stelling, dat een beweging die aan
alle lichamen van een zeker stelsel gemeenschappelijk is, op het onderlinge
gedrag dier lichamen zonder enigen invloed blijft en dus door waarnemingen
in dit stelsel nooit zal kunnen worden aangetoond.
118. Wanneer men datgene Galileïsch noemt, wat aan Galilei eigen
is en er niet een etiket van maakt om er stellingen uit de klassieke physica
mee aan te duiden, moet men deze bewering het Galileïsch
relativiteits-principe noemen. In werkelijkheid gebruikt men dezen term voor
een veel beperkter beginsel, waarin gezegd wordt, dat de bedoelde
bewegingsverschijnselen zich op dezelfde wijze blijven afspelen, wanneer het
stelsel als geheel een eenparige rechtlijnige translatie verkrijgt.
Het ruimere, echt-Galileïsche principe is onjuist, het beperktere,
dat men Galileïsch noemt, juist. De bewegingsverschijnselen in
een kamer zullen niet veranderen, als men haar in eenparige rechtlijnige
translatie brengt, maar wel degelijk, wanneer die translatie versneld of
kromlijnig is of als men de kamer om een as laat wentelen. Het is echter wel
duidelijk, dat Galilei zich met het beperkte relativiteitsprincipe nooit
tevreden zou hebben kunnen stellen: het was er hem immers om te doen, de
onwaarneembaarheid van een gemeenschappelijke rotatie aan te tonen. Er doet
zich nu echter iets soortgelijks voor als bij het traagheidsbeginsel: de
toepassingen die hij van het relativiteitsprincipe maakt, hebben voor het
allergrootste deel betrekking op kortstondige bewegingen over kleinen
afstand en in dat geval kan men de beweging van het gedeelte van het
aardoppervlak waarop zij zich afspelen, bij benadering wel als een eenparige
rechtlijnige translatie beschouwen. Daardoor werken zijn beschouwingen op
| | | | het stuk van relativiteit ondanks de onjuistheid van den
theoretischen grondslag practisch even verhelderend als zij dat op het
gebied van de traagheidsverschijnselen hadden gedaan.
119. Hij weerlegt er o.m. het door Tycho aangevoerde argument van het
verschil in schootsverheid in Westelijke en Oostelijke richting mee en licht
zijn redenering toe door te onderstellen, dat van een rijdenden wagen af met
een stuk geschut eerst in de bewegingsrichting zou worden geschoten en
daarna er tegen in. In beide gevallen zal het projectiel bij het neerkomen
op den grond even ver verwijderd zijn van het punt, waar de wagen op
datzelfde ogenblik is.
We kunnen aan dit geval het onderscheid tussen de Aristotelische en de
klassieke mechanica bijzonder duidelijk laten zien en plaatsen daartoe de
beide redeneringen naast elkaar. In de figuren 35a en b, geeft P het


Fig. 35. Bij het meest naar rechts gelegen punt A leze men A2.
punt aan, waar de wagen zich bevindt op het ogenblik, waarop de
twee projectielen worden afgevuurd, P1
het punt, waar hij bij het neerkomen van die projectielen is. De wagen
beweegt zich met een snelheid v naar links; de
projectielen krijgen een snelheid V; de tijd tussen
afschieten en neerkomen bedraagt t. De projectielen
treffen den grond opv. in A1 en A2. Dan geldt:
| VOLGENS DE ARISTOTELISCHE MECHANICA |
VOLGENS DE KLASSIEKE MECHANICA |
Als de projectielen den wagen verlaten hebben, gaan ze elk met
de hun meegedeelde snelheid V voort en leggen
in een tijd t de wegen PA1 en PA2 af, die elk b = Vt bedragen. De wagen
verplaatst zich intussen over PP1 = a = vt. Bij het neerkomen zijn
dus de afstanden tot den wagen: voor het projectiel in de bewegingsrichting:
P1A1 = b - a = (V - v) t voor
het andere:
P1A2 = b + a = (V + v)
t. Op een draaiende aarde zou men rekening moeten
houden met de |
Het kanon schiet twee projectielen af. De gemeenschappelijke
beweging van de projectielen en het kanon stoort het
verschijnsel niet. In een tijd t leggen ze dus
beide ten opzichte van het kanon den weg b =
Vt af en bij het neerkomen zijn de afstanden P1A1 = P1A2 = Vt. Dat de proef op een draaiende aarde gedaan
wordt, doet niet ter zake; het gehele stelsel krijgt er daardoor
nog een gemeenschappelijke beweging bij, maar daarvan is niets
te merken. |
| | | |
| verplaatsing die de aarde tijdens het schieten ondergaat.
Bedraagt deze ct, dan zullen de trefpunten A1 en A2 over een afstand ct Westwaarts verschoven moeten worden. Het zou dus
kunnen gebeuren, dat A2
Westelijk van P1 ligt, dus
dat een Oostwaarts afgeschoten projectiel Westelijk van het
uitgangspunt neerkomt. Dit illustreert nog eens duidelijk, hoe
onhoudbaar het denkbeeld van een aardbeweging is. |
|
Er wordt opnieuw door geen van beide partijen aan gedacht, hetzij deze proef,
hetzij die met het kanon op de draaiende aarde werkelijk te nemen.
120. Legt in gevallen als deze de te ruime formulering van het
relativiteitsprincipe geen gewicht in de schaal, in andere verleidt het
Galilei tot foutieve beweringen. Hij moet zich verweren24 tegen het argument, dat een draaiende aarde de voorwerpen aan
haar oppervlak weg zou moeten slingeren, zoals een wentelend wiel het
waterdruppels op haar rand doet: gebouwen zouden vernield worden, stenen,
dieren en mensen hemelwaarts geslingerd. Salviati drijft eerst den spot met
deze redenering, waarin het wordt voorgesteld, als of een aarde, waarop al
deze dingen eerst wel een rustige plaats hadden kunnen vinden, plotseling in
draaiing was gebracht en hij formuleert het argument dus liever zo, dat op
een draaiende aarde nooit gebouwen opgericht zouden hebben kunnen worden en
niets een vast verblijf zou hebben kunnen vinden. Dat is natuurlijk een zeer
reëel argument, omdat, zoals we thans weten, er inderdaad een
omwentelings-snelheid bestaat, waarbij de gravitatie niet in staat zou zijn,
de centripetale versnelling die de aardse lichamen voor hun aswenteling
behoeven, op te leveren. Men kan het daarom ook niet zonder quantitatieve
formulering, alleen door er over te praten, weerleggen. Galilëi
tracht dat echter wel te doen; hij betoogt, dat er helemaal geen gevaar voor
wegslingeren bestaat en dat dus ook in dit opzicht op een draaiende aarde
alles precies zo blijft als het op een stilstaande zou zijn.
Dit is des te merkwaardiger, omdat hij heel goed weet, dat een lichaam dat
aan een koord rondgeslingerd wordt, een naar buiten gerichte kracht op dat
koord uitoefent en toch ook wel zal hebben kunnen vaststellen, dat bij een
gegeven omwentelingssnelheid het lichaam zich losrukt of het koord breekt.
Het schijnt echter, dat de contradictie tussen dit feit en wat hij over het
ontbreken van hetzelfde effect bij de aardbeweging zegt, hem helemaal niet
opvalt. Wellicht oefent de voorstelling van de natuurlijke tendentie van
alle aardse lichamen, zich cirkelvormig om de aardas te bewegen, ook hier
weer invloed uit, maar dan had hij de vergelijking met het wentelende wiel
of den rondgeslingerden steen evengoed als niet ter zake doende bij voorbaat
af kunnen wijzen.
| | | |
Dat de zwaarte onder alle omstandigheden het wegslingeren van aardse lichamen
belet, wordt bewezen met tamelijk gecompliceerde beschouwingen over oneindig
kleine grootheden, die we hier niet zullen trachten weer te geven. De
grondgedachte is, dat de raaklijn aan den aanvankelijk beschreven cirkel
dicht bij het raakpunt zo weinig van den cirkel afwijkt, dat de naar het
middelpunt strevende zwaarte het lichaam altijd wel kan beletten, langs deze
raaklijn voort te vliegen.
121. Het gesprek waarin het bovenstaande behandeld wordt, illustreert nog
eens, welk een vreemd conglomeraat van redeneringen die de klassieke
mechanica onveranderd zou overnemen en andere die met haar grondbeginselen
in strijd zijn, de Dialogo telkens weer vertoont. Wanneer
namelijk Salviati bij wijze van inleiding over het voortwerpen van een steen
met een in het rond gedraaiden slinger spreekt25, zegt
hij, dat de steen de tendentie krijgt, langs de raaklijn van den beschreven
cirkel voort te gaan, dat hij dit ook zou doen, wanneer de zwaarte hem niet
naar beneden trok en dat de gekromde kogelbaan nu tot stand komt, doordat de
beweging langs de raaklijn en de verticale valbeweging samenwerken. Er wordt
hier niet gezegd, dat de beginsnelheid horizontaal moet zijn, zoals op den
Vierden Dag van de Discorsi altijd ondersteld wordt, en er
is ook niets, dat er op wijst, dat de rechte, waarlangs het lichaam gedacht
wordt voort te gaan, als benadering van een cirkel fungeert. Wanneer niet
kort daarvoor en ook weer daarna sprake was van een volharden in een
cirkelbeweging om het aardcentrum zou men hier werkelijk een volledig
inzicht in de traagheid uitgesproken kunnen achten. Het is op zichzelf al
merkwaardig, dat Galilei hier in gedachte het lichaam onttrokken denkt aan
de werking van de zwaarte, die hij anders altijd zozeer als een inwendigen,
voor de structuur van een stoffelijk lichaam onmisbaren, constituerenden
factor beschouwt, dat zij nooit wordt weggedacht. Nooit wordt bij hem het
gewicht als een uitwendige op het lichaam werkende kracht opgevat en in
verband daarmee is ook van een onderscheiding van massa en gewicht nog geen
sprake.
122. Wij besluiten thans de behandeling van Galilei's bijdragen tot de
ontwikkeling der mechanica met enkele opmerkingen over twee onderwerpen, die
in komende tijden van groot belang zouden blijken te zijn en waarvan de
studie bij hem begint. Het zijn de slingerbeweging en de botsing.
Wij zagen boven reeds, hoe hij een proef met een slinger gebruikte ter
verificatie van een stelling over valbeweging. Op den Eersten Dag van de Discorsi26 behandelt hij de
slingerbeweging als inleiding tot acoustische beschouwingen, en deelt er
daarbij twee eigenschappen van mee, namelijk de evenredigheid tussen den
slingertijd en den wortel uit de slingerlengte en het isochronisme, d.w.z.
de eigenschap, dat de slingertijd niet van de amplitudo afhangt. De eerste
(waarvan niet blijkt, hoe hij haar gevonden heeft) is door de latere
ontwikkeling der mechanica bevestigd, de tweede | | | | slechts bij
benadering voor kleine uitwijkingshoeken. De overtuiging van de exactheid
van het isochronisme schijnt volgens een opmerking van Salviati
geïnspireerd te zijn geweest door de koordenwet. Wat daarin over
den val langs koorden wordt meegedeeld, is blijkbaar op cirkelbogen
uitgebreid. Sagredo merkt nog op, dat hij, hoewel hij vaak in kerken naar
slingerende kroonluchters heeft gekeken, het isochronisme nooit heeft
opgemerkt en dat het hem onmogelijk toeschijnt. Deze opmerking geeft weinig
steun aan het bekende verhaal, dat Galilei zelf op jeugdigen leeftijd de
eigenschap wèl door waarnemingen in den Dom te Pisa zou hebben
ontdekt.
123. Op het belangrijke, maar uiterst moeilijke gebied van de botsing bereikt
Galilei geen resultaten van blijvende waarde. Ook heeft hij door de
beschouwingen die hij er op den Zesden Dag van de Discorsi
aan wijdt27, het onderzoek naar het verschijnsel niet
kunnen bevorderen, omdat deze toevoeging aan het in 1637 gepubliceerde werk
pas verschenen is in 1718, toen de ontwikkeling der mechanica reeds veel
verder was gekomen en ook de botsingswetten reeds bekend waren. Toch blijft
het van belang, er kennis van te nemen, al ware het slechts om een indruk te
krijgen van de moeilijkheden die bij de ontwarring der
botsingsverschijnselen overwonnen moesten worden. Deze kwamen onder meer
hieruit voort, dat men aanvankelijk steeds geprobeerd heeft, de
stootkrachten die bij de botsing optreden, als het ware te wegen, dus ze te
vergelijken met een continu werkende kracht als het gewicht. Die poging
moest echter mislukken, daar het hier om grootheden van verschillende
dimensies gaat. Het belangrijkste resultaat waartoe Galilei ten slotte komt,
staat uitgedrukt in zijn conclusie, dat de kracht van een stoot oneindig
groot is, waarmee hij te kennen wil geven, dat de grootte van een continu
werkende kracht die, gedurende een zeker tijdvak uitgeoefend, dezelfde
uitwerking zou hebben als de stoot, onbegrensd groeit, als men den duur van
dat tijdvak tot nul laat naderen.
| |
D. Uit de school van Galilei28
124. Galilei's werk op het gebied der Mechanica is voortgezet door
verscheidene meest Italiaanse auteurs, die in engeren of ruimeren zin zijn
leerlingen mogen heten en waarvan we hier Bonaventura Cavalieri, Giovanni
Baliani en Evangelista Torricelli noemen. Een van de dingen die bij de
lectuur van hun werken het meest de aandacht trekken, is wel, dat allerlei
aarzeling en onzekerheid die we bij Galilei aantroffen, overwonnen blijken
te zijn. Het is het bekende verschijnsel van de helderheid der epigonen. De
meester, die zich ten koste van een grote denkinspanning heeft weten te
ontworstelen aan vroegere dwalingen, blijft, wellicht in zijn denken, maar
zeker in zijn spreken, de sporen van die worsteling met zich | | | |
omdragen; de leerlingen echter die hij in zijn nieuwe inzichten heeft
ingewijd, kunnen, onbezwaard door het verleden, beginnen waar hij eindigde
en volkomen helder uitdrukken wat bij hem nog min of meer duister bleef. En
zo zien we hier dan ook, zonder dat er veel woorden aan de motivering worden
besteed, als evident aangenomen worden, dat de beweging van een in
willekeurige richting voortgeschoten projectiel beschouwd kan worden als de
resultante van een eenparig rechtlijnige beweging in de richting van de
beginsnelheid en een eenparig veranderlijke verticale valbeweging uit rust.
Daar het slechts terloops wordt uitgesproken en niet als algemeen beginsel
aan de behandeling ten grondslag wordt gelegd, kan men natuurlijk blijven
twijfelen, of de draagwijdte van het toegepaste inzicht wel wordt beseft
maar men gevoelt niet meer als bij Galilei de onzekerheid, of het inzicht
zelf wel ten volle aanwezig is.
125. Bij Baliani trekt het de aandacht, dat hij zich de algemene vraag
voorlegt naar de uitwerking van een op een lichaam werkenden constanten
motor; de studie van den val begint hier blijkbaar al de functie te
vervullen waarop haar grote historische betekenis berust, namelijk
aanleiding te geven tot het opstellen van het begrip van kracht als oorzaak
van een versnelling en tot de subsumptie van de zwaarte onder het algemene
krachtbegrip. Baliani behandelt het probleem volgens de methode die we
Buridan (II: 114) en Beeckman (IV: 72) zagen toepassen, namelijk door voor
elk tijdvak de beweging ontstaan te denken door samenwerking van den impetus
die aan het begin van dat tijdvak aanwezig was en de hernieuwde werking van
de zwaarte, die hetzelfde doet alsof de beweging nu pas begon. Echter komt
hij nu tot de conclusie, dat de wegen, in opvolgende gelijke tijdvakken
afgelegd, zich verhouden als de opvolgende natuurlijke getallen, dezelfde
betrekking die we bij Leonardo da Vinci aantroffen (III: 45). Hij meent dus
de wet der oneven getallen te moeten verwerpen, merkt echter op, dat daar de
in de afleiding gebruikte tijdvakken zeer klein moeten worden gedacht, het
verschil tussen deze wet en de zijne onmerkbaar klein zal zijn; inderdaad
nadert de laatste tot de eerste, als men den duur van de gebruikte
tijdvakken tot nul laat naderen.
Opmerking verdient nog zijn juist inzicht in de dubbelzinnigheid van het
begrip impetus, daarin bestaande dat deze enerzijds als symptoom, anderzijds
als oorzaak van de beweging wordt beschouwd. In werkelijkheid, merkt hij op,
blijft beweging uit zich zelf voortduren, maar gemakshalve (en, kunnen wij
er bijvoegen, ter bevrediging van een causale behoefte) blijven we zeggen,
dat de impetus het lichaam voortdrijft.
126. Het werk dat Torricelli aan de Mechanica wijdt en dat in zijn titel De motu gravium naturaliter descendentium et projectorum
laat zien, hoezeer de verschijnselen van val en worp voorlopig nog de gehele
aandacht in beslag nemen, interesseert ons hier niet zozeer om de wijze,
waarop hij de theorieën van zijn leermeester aanvult en uitbreidt
- een wezenlijke vooruitgang wordt niet bereikt; de grondwet der
peripatetische dynamica | | | | blijkt zijn denken nog even sterk te
beheersen als ze het dat van Galilei steeds was blijven doen en de
dynamische beschouwingen gaan daardoor niet essentieel uit boven het peil,
waarop ze reeds bij de Parijse Terministen hadden gestaan - als wel om een
principiële uiteenzetting over de positie die de mechanica in het
stelsel der wetenschappen ten opzichte van de wiskunde enerzijds en de
physica anderzijds inneemt. Hij doet dit naar aanleiding van zekere
bezwaren, die sedert het bekend worden van de werken van Archimedes
onophoudelijk tegen een tweetal daarin gemaakte onderstellingen waren
aangevoerd en die inderdaad de grondslagen der theoretische natuurwetenschap
raken.
Het eerste richt zich tegen het werken met geometrische figuren die zwaarte
bezitten en aan een balansjuk kunnen worden gehangen, het tweede tegen de
onderstelde evenwijdigheid van de lijnen waarlangs de zwaarte dan geacht
wordt te werken, terwijl zij toch een streven naar het aardcentrum beduidt.
Beide zijn dit essentiële elementen van de Archimedische methode,
die niet alleen in het werk Over evenwichten van vlakke
figuren voor zwaartepuntsbepaling, maar bovendien in de Quadratuur van de Parabool (en, naar later blijken zou, in de Methode) voor zuiver mathematische doeleinden dienen29. Hierdoor nu schenen
wiskunde en physica op ongeoorloofde wijze met elkaar vermengd te worden.
127. Tegen beide verwijten verdedigt Torricelli den Grieksen wiskundige, die
voor hem, evenals voor Galilei, de ideale wetenschappelijke figuur is, met
overtuiging. Met precies hetzelfde recht waarmee een wiskundige aan een
figuur een zekere grootheid toekent die hij oppervlakte noemt of een
middelpunt definieert, mag hij er ook een gewicht aan toeschrijven, dat dan
echter niet als een qualiteit of een vermogen moet worden beschouwd, maar
eenvoudig als een met de figuur verbonden dimensie (om Torricelli's eigen
uitdrukking te gebruiken), als een daarmee geassocieerde vector (om het in
moderne termen te zeggen), waarvan de betekenis door een wiskundige
definitie zal worden vastgesteld. Het begrip zwaar lichaam had nooit
bezwaren doen rijzen; voor de mechanica is dit echter evengoed een
geometrische figuur waaraan een gewicht wordt toegekend. Zij kan lichamen
beschouwen die geen gewicht hebben naast lijnen of oppervlakken die zwaar
zijn.
Mechanica is nu die tak der wiskunde, waarin men mede gebruik maakt van de
dimensie gewicht (later algemener van de begrippen kracht en massa) en van
het bewegingsbegrip. Daarmede is het eerste bezwaar opgeheven en het tweede
verdwijnt nu vanzelf: men kan natuurlijk de uitwerking van een gewicht
mathematisch zo definiëren, dat de werklijnen alle evenwijdig
lopen (al dan niet verticaal), Dit laatste kan men bovendien ook physisch
gerealiseerd denken door een balans met daaraan hangende gewichten in
gedachten verplaatst te denken naar de denkbeeldige ruimten buiten de
sterrenspheer, waar ze oneindig ver van het aardcentrum verwijderd is.
| | | |
Opnieuw zien we hier een leerling onversaagd conclusies trekken die in de
woorden en vooral in de daden van den meester impliciet opgesloten lagen,
maar die de laatste nooit zo openlijk en onverhuld zou hebben kunnen of
durven uitspreken. De tendentie tot een dergelijke mathematisering van de
mechanica is bij Galilei duidelijk genoeg aanwezig, maar hij ziet zwaarte
toch nog te veel als een inwendig streven van een physisch lichaam, zich
naar het aardcentrum te bewegen, om haar te kunnen beschouwen als een per
definitie aan een mathematisch lichaam toegekende grootheid en hij is nog te
veel bevangen in de voorstelling van den eindigen kosmos, om de heterogene
physische ruimte met de homogene oneindige ruimte der meetkunde te
identificeren en daarin een balans naar het oneindige te brengen. Er was een
zuivere mathematicus als Torricelli voor nodig om voor dergelijke gedachten
niet terug te schrikken. Inderdaad is deze over al de remmingen die de
mathematisering der physica nog hadden tegengehouden heen en de emancipatie
van de leer van bewegingen en krachten tot een rationele mechanica, die zich
bij Galilei reeds aankondigde, is bij hem een feit geworden.
128. Natuurlijk rijst nu de vraag naar de relatie, waarin deze mechanica nu
eigenlijk nog tot de physische werkelijkheid staat, maar zij vormt niet meer
dan een uitbreiding van het probleem, welke functie de wiskunde in het
algemeen in de natuurwetenschap te vervullen heeft. Is deze gehele
geometrisch-mechanische op axiomata en definities gebaseerde en daardoor
exacte ideale vormenwereld een door vèrgaande abstractie
verkregen schematisering van de werkelijkheid, waarin tal van wezenlijke
bestanddelen zijn te loor gegaan en die dus nooit een betrouwbare en
volledige kennis van de natuur zal kunnen schenken? Of is de wereld die wij
zintuiglijk ervaren, slechts een gebrekkige en onvokomen afbeelding in de
weerbarstige materie van het slechts door het wiskundig denken te vatten
ideële rijk der rationele mechanica en moet dit dan ook in
eigenlijken zin de werkelijkheid heten? Het is weer de oude tegenstelling,
die de gehele geschiedenis van het natuurwetenschappelijk denken vertoont:
Aristoteles of Plato.
Aan welken kant Galilei en Torricelli staan, lijdt niet den minsten twijfel.
Mèt de concrete Aristotelische natuurwetenschap wordt de
Aristotelische visie op de relatie van physica en wiskunde verworpen. In den
Dialogo30 herinnert Simplicio er
aan, dat Aristoteles aan Plato verweet, dat hij door een te ijverige studie
van de wiskunde van de gezonde philosophie was afgeraakt en hij weet van
vooraanstaande peripatetische philosophen, dat zij hun leerlingen
terughouden van de mathesis, omdat deze den geest spitsvondig maakt en
ongeschikt voor het goede philosopheren. Waarop Salviati venijnig opmerkt,
dat zij daar gelijk aan hebben ook, omdat er geen wetenschap is die zo
onbarmhartig hun sophisterij ontmaskert. Dat tekent al de stemming. En
verder laat Galilei geen gelegenheid voorbijgaan, om uiting te geven aan
zijn metaphysische overtuiging, | | | | dat de structuur der
werkelijkheid essentieel mathematisch van aard is, dat met de mathematische
vormen van ons denken een mathematische orde correspondeert die ten
grondslag ligt aan de zinlijk ervaarbare werkelijkheid en dat al ons leren
een zich weer herinneren is31.
De philosophie staat geschreven in dat grote boek dat ons
voortdurend open voor ogen ligt, het universum, maar men kan haar niet
begrijpen, wanneer men niet de taal leert verstaan en de letters leert
kennen, waarin het geschreven is. Het is geschreven in wiskundige taal en de
letters zijn driehoeken, cirkels en andere geometrische figuren; zonder deze
middelen is het menselijkerwijs onmogelijk, er een woord van te begrijpen;
het is slechts een ijdel ronddolen door een duister labyrinth32.
Voor de indeling van onze stof leidt de emancipatie van de mechanica tot de
consequentie, dat we voorlopig de vraag naar de physische oorzaken van de
verschijnselen die zij onderzoekt, kunnen laten rusten en er ook niet op
behoeven te letten, in hoeverre haar resultaten experimenteel worden
bevestigd; dat zijn onderwerpen die tot de physica in engeren zin behoren en
waarop we in een volgende paragraaf (IV: 130) terugkomen. We blijven eerst
in het ideële rijk der rationele mechanica.
129. De diensten die Torricelli aan deze wetenschap bewijst blijven niet
beperkt tot de principiële verdediging van haar bestaansrecht.
Hij spreekt ook nog een vruchtbaar algemeen beginsel uit, dat voor haar
verdere ontwikkeling in de zeventiende eeuw een machtig hulpmiddel zal
blijken te zijn. Dit z.g. axioma van Torricelli wordt in het boven
geciteerde werk als volgt geformuleerd:
Onderling verbonden zware lichamen kunnen niet uit
zichzelf in beweging komen, wanneer hun gemeenschappelijk zwaartepunt
niet daalt.
Hij maakt dat aannemelijk door er op te wijzen, dat die lichamen eigenlijk
één uit verschillende delen bestaand lichaam vormen,
dat een enkel zwaar lichaam echter uit zichzelf niet in beweging kan komen,
zonder dat het zwaartepunt lager komt te liggen en dat het dus in rust zal
blijven, als het zwaartepunt op generlei wijze dalen kan.
Toen Torricelli dit axioma uitsprak en het gebruikte om er de wet van het
hellend vlak mee af te leiden (als er evenwicht is ingetreden, blijft bij
gelijktijdige verplaatsing van de twee gewichten hun zwaartepunt even hoog
liggen) deed hij niet meer dan vorm geven aan een inzicht, dat de vrucht was
van een eeuwenlange ontwikkeling, die van Aristoteles over de Parijse
Terministen, Copernicus en de Italiaanse mechanici der zestiende eeuw voert.
De Aristotelische voorstelling van het streven van het zware naar de
natuurlijke plaats in het wereldcentrum was in de veertiende eeuw
gepraeciseerd tot de theorie, dat ieder zwaar lichaam een bepaald punt, het
centrum gravitatis, bezit, waarin de zwaarte als het
ware geconcentreerd is en dat zij nu tracht te doen samenvallen met het
wereldcentrum. Copernicus had die theorie zonder een andere wijziging kunnen
| | | | overnemen dan dat hij wereldcentrum door aardcentrum
verving en in dezen vorm komt ze o.m. bij Galilei voor. Kan nu het
zwaartecentrum het aardcentrum niet bereiken, dan wil het er althans zo
dicht mogelijk bijkomen en nooit zal het zich uit zichzelf van het
aardcentrum af, dus omhoog, verplaatsen. Het vage van de gehele theorie
bleef nu echter steeds de wijze waarop het zwaartecentrum moest worden
bepaald. Het lag voor de hand, het te identificeren met het zwaartepunt, dat
Archimedes in zijn wiskundige theorieën had gebruikt; echter
wordt dit nergens expliciet gedefinieerd en er bleef dus onzekerheid over de
betekenis ervan bestaan.
Torricelli wijst er nu op, dat de methoden waarmee Archimedes en zijn
volgelingen het zwaartepunt bepalen, slechts zin hebben, wanneer de
verticalen parallel worden gedacht; daarmee is dan echter tevens het centrum
waar de zwaarte het zwaartepunt heen wil voeren, oneigenlijk geworden. Van
dat centrum spreekt hij dan ook niet meer, maar in zijn formulering houdt
hij de juiste kern van het denkbeeld van het centrum gravitatis over.
Wij zullen zien (IV: 141), hoe het axioma eerst in handen van Huygens zijn
volle vruchtbaarheid zal tonen. Voordat we echter tot de bespreking hiervan
overgaan, ronden we het beeld van Galilei's school in de geschiedenis der
mechanica nog door enkele opmerkingen af.
130. Men zou uit het boven gegeven overzicht van het werk van Galilei's
leerlingen gemakkelijk den indruk kunnen krijgen, dat de grondslagen die hij
gelegd had, algemeen als juist werden aanvaard en dat men er in de
zeventiende eeuw eendrachtiglijk op is gaan voortbouwen. Dat is echter lang
niet in alle opzichten het geval. Vooreerst was niet iedereen zo gaarne
bereid als Torricelli om de empirische complicatie van de wereld der
waargenomen physische verschijnselen te verruilen voor den
noëtischen eenvoud der rationele mechanica. De verschijnselen van
val en worp spelen zich nu eenmaal niet in vacuo af en wie zich bij het
gebruik van mechanische werktuigen verlaat op de theoretische betrekking
tussen macht en last komt bedrogen uit. Wie hier van nu meer wilde weten,
vond in Galilei echter geenszins den betrouwbaren gids dien hij zich in de
rationele mechanica getoond had. Hij had weliswaar zijn valwetten door
proeven met de valgoot en met slingers experimenteel geverifieerd, maar de
hiermee gewaarborgde betrekking tussen weg en tijd gaf nog geen antwoord op
de voor de hand liggende quantitatief-absolute vraag, over welken afstand nu
eigenlijk een lichaam in een gegeven tijd valt; om het in moderne termen te
zeggen: wanneer men weet, dat de val uit rust plaats vindt volgens de
formule s(t) = ½ at2, kent men de numerieke waarde van g nog niet, die a in dit geval bezit. In
den Dialogo33 komt weliswaar de
bewering voor, dat een ijzeren bol van 100 pond vrij vallend in 5 seconden
een weg van 100 (Florentijnse) ellen aflegt, waaruit voor g de waarde 8 el/sec2 (ongeveer 5 m/sec2) zou volgen, maar toen Baliani om inlichtingen | | | | vroeg, hoe dit resultaat verkregen was, kreeg hij eerst geen
en later slechts een onbevredigend antwoord en Galilei zegt ten slotte, dat
de opgegeven waarde misschien ook wel niet helemaal juist is, maar dat dit
in het verband, waarin hij haar nodig had, niet ter zake doet. Men krijgt
den indruk, dat de kwestie hem niet zo erg interesseerde. Dit hangt wellicht
samen met het feit, dat een physische constante voor ons denken iets puur
contingents, dus irrationeels is; ze heeft een of andere waarde, die men
moet aanvaarden zonder dat men er enig inzicht in krijgt, waarom ze juist zo
groot is; dit in tegenstelling met het gevoel van evidentie, dat met een uit
een noodzakelijk lijkend axioma mathematisch afgeleide relatie als de
quadratenwet verbonden is.
131. Anderen echter hechtten aan zulke numerieke waarden van physische
constanten evenveel waarde als de astronomen het van oudsher aan hun
fundamentele getallen (duur van het jaar, helling van de ecliptica,
poolshoogte enz.) hadden gedaan. En ook waren zij er op gesteld, de
juistheid van verschillende beweringen die Galilei door redenering had
afgeleid, experimenteel te controleren. Er is dan ook in de eerste helft van
de zeventiende eeuw veel over val en worp geëxperimenteerd; in
Italië door Riccioli en de Accademia del Cimento, in Frankrijk
door Gassend en Mersenne. Daarbij deden zich dan vaak wel afwijkingen voor,
die men niet steeds aan den invloed van den luchtweerstand en aan de
onvermijdelijke waarnemingsfouten heeft toegeschreven, maar ook wel als
argumenten tegen Galilei's theoretische beschouwingen heeft uitgespeeld.
Over het werkelijke verloop van den val in pleno had deze bovendien nooit
meer gezegd dan te lezen stond in zijn vroege valwet, waarin wèl
rekening was gehouden met de opwaartse kracht, die een lichaam in een medium
ondervindt, maar niet met den weerstand, dien het tegen het doorlaten van
het lichaam biedt. Voorlopig zou het ook de mathematische vermogens van den
tijd ver te boven gaan, dezen in rekening te brengen.
132. Van physische zijde had men dus werkelijk wel aanleiding, zich door
Galilei's onderzoekingen over de valbeweging onvoldaan te betonen; op het
gebied der rationele mechanica had men dat in zoverre ook, dat het
postuleren van de gelijkheid der eindsnelheden voor den val langs hellende
vlakken over gegeven hoogte een zwakke plek in den opbouw van het systeem
bleef. Daarnaast echter ziet men telkens weer, dat ook nog een ongegronde
oppositie tegen de valwet, dus tegen het fundament van het gehele imposante
bouwwerk van den Derden en den Vierden Discorsi-dag, wordt gevoerd. De
gedachte aan een evenredigheid tussen snelheid en afstand tot het
uitgangspunt, nu echter eerst na het afleggen van een zekeren weg geldig
gedacht, blijft nog steeds de geesten bekoren en men vindt dan ook nog vaak
tegenover de valwet van Galilei zowel een uit deze onderstelling afgeleide
relatie als andere mogelijkheden als gelijkwaardige mededingers gesteld.
Wanneer dan ook Mersenne, die zich niet alleen in de theorie van het | | | | onderwerp had verdiept, maar ook veel zelfstandig over de
valbeweging had geëxperimenteerd34, in 1647 in zijn Reflexiones Physico-Mathematicae de balans van Galilei's
onderzoekingen opmaakt, vindt hij daarin nog onzekerheid op belangrijke
punten, leemten in den opbouw en aanleiding tot twijfel, of de beschreven
experimenten wel werkelijk uitgevoerd zijn en hij weet ten slotte den stand
van het gehele vraagstuk niet beter te karakteriseren dan met de woorden van
Paulus, I Cor. 8:2 En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets
gekend gelijk men behoort te kennen.
| |
E. De ontwikkeling van het krachtbegrip
133. De strenge methodische beperking tot het kinematische, die Galilei zich
zelven had opgelegd, maar die hij, blijkens het late dynamische bewijs voor
het postulaat der gelijke eindsnelheden, zelf ook niet altijd in acht is
blijven nemen, heeft bij zijn opvolgers niet lang standgehouden. Zij had ook
geen reden van bestaan meer: het stond nu - althans in hun oog - vast, hoe
de valbeweging verloopt en dus was de tijd gekomen om dieper door te
dringen. Wij zagen dan ook reeds Baliani moeite doen om te begrijpen, hoe
onder invloed van een constante zwaarte een eenparig veranderlijke beweging
kan ontstaan en mèt hem beschouwen verscheidene andere auteurs
het als hun eerste plicht, dit nog steeds paradoxaal aandoende effect te
verklaren. Voor den overgang van de Aristotelische naar de klassieke
natuurwetenschap heeft dit streven niet minder belang dan de geestelijke
worsteling om het traagheidsinzicht. In zeker opzicht overtreft het deze
zelfs in historische betekenis. Het ging immers om de overwinning van een
opvatting, die in zoverre nog natuurlijker mag heten dan de antieke
voorstelling van traagheid als tendentie tot volharding in rust, dat de
dagelijkse ervaring haar met de ene uitzondering van de dan ook steeds als
problematisch gevoelde valbeweging, nog ondubbelzinniger schijnt te leren.
Wij hebben reeds vaker opgemerkt, hoe vanzelfsprekend het moest lijken, dat
een constante bewegingsoorzaak een eenparige beweging teweeg brengt en dat
de snelheid van deze beweging een maat voor haar sterkte is en we hebben
sindsdien kunnen vaststellen, dat zelfs zo scherpziende en voor geen
denkrevolutie terugdeinzende geesten als Galilei en Torricelli zich nog niet
aan de overtuigende werking van dit dynamische grondinzicht konden
onttrekken, hoewel ze toch juist bewegingen onderzochten die door het bezit
van een versnelling, naar het ons thans voorkomt, tot haar verwerping
moesten leiden.
134. De moeilijkheid die bij de hervorming van het krachtbegrip overwonnen
moest worden, was echter niet alleen groter dan bij de verovering van het
nieuwe traagheidsinzicht, ze was ook van principieel anderen aard. Toen men
eenmaal opmerkzaam was geworden op de on- | | | | houdbaarheid van de
Aristotelische worptheorie, op de moeite, die het kost een bestaande
beweging plotseling te beëindigen en op de mogelijkheid, haar
langer dan anders te doen voortduren door de uitwendige weerstanden te
verminderen, was het geen grote stap meer om door idealisering te komen tot
het axioma van het onveranderd voortbestaan van een beweging bij
vernietiging van alle uitwendige invloeden en dit axioma kreeg dan ook,
zoals we gezien hebben, inderdaad al spoedig het karakter van evidentie, dat
volgens de Aristotelische wetenschapsleer (I: 49) voor de grondslagen van
een bewijzende wetenschap vereist wordt. Als uitwerking van een kracht
versnelling te beschouwen en niet snelheid, was en bleef echter paradoxaal
en er zou in de eerste decennia van de zeventiende eeuw geen sprake van
geweest kunnen zijn, dat men dit als axioma (wat destijds nog betekende als
iets vanzelfsprekends) had kunnen stellen.
De hedendaagse lezer onderschat licht de moeilijkheden die aan de
natuurwetenschappelijke begripsvorming in haar historische ontwikkeling in
den weg hebben gestaan. Het lijkt zo eenvoudig: men stelt per definitie
vast, dat men zeggen zal, dat op een stoffelijk punt dan en slechts dan een
kracht werkt, wanneer het een versnelling bezit (dus alleen niet, wanneer
het in eenparige rechtlijnige beweging verkeert) en definieert nu die kracht
als een vector die ontstaat door den versnellingsvector te vermenigvuldigen
met een voor dat stoffelijk punt karakteristieke scalaire grootheid, genaamd
massa. Daar een vrij vallend stoffelijk punt een constante versnelling
bezit, werkt er blijkbaar een constante kracht op, die men de zwaarte noemt.
En een punt, waarop helemaal geen kracht werkt, heeft geen versnelling en
verkeert dus in rechtlijnige eenparige beweging.
135. Zo iets kan men echter alleen maar achteraf doen. De natuurwetenschap
ontstaat niet door definities te poneren; ze moet feiten vaststellen, deze
in een logisch samenhangend stelsel ordenen door het invoeren van passende
begrippen en door het opsporen van uitspraken die er zich toe lenen, om als
grondslagen voor zulk een logische ordening te fungeren. Voorzover de
gekozen axiomata die keuze niet reeds danken aan een zekere evidentie,
verkrijgen ze deze door het langdurig gebruik en vooral door de suggestieve
werking van het onderwijs op den duur vanzelf en dan kan het aan latere
generaties toeschijnen, alsof alles van het begin af logisch geheel
doorzichtig is geweest, althans had behoren te zijn. Dat leidt dan tot een
enigszins geringschattende verbazing over foutieve denkbeelden of
omslachtige methoden van de voorgangers, een misplaatste reactie, die
vervangen behoorde te worden door een gevoel van erkentelijkheid voor het
moeizame pionierswerk, waarvan de vruchten thans voor iedereen ter
beschikking staan zonder dat er nog veel inspanning vereist wordt.
De geschiedenis van de mechanica in de zeventiende eeuw is niets anders dan
het verhaal van zulk een ordeningsproces. Op het punt waarop we thans staan,
is het traagheidsaxioma reeds als bruikbare grondslag erkend, maar het
nieuwe algemene krachtsbegrip is nog pas bezig zich te | | | | vormen
en wacht nog op inpassing in het stelsel. En voorlopig wordt de ordening nog
in deze richting gezocht, dat men kracht als een geen nadere definitie
vereisend grondbegrip opvat en nu met behulp van het traagheidsaxioma tracht
te bewijzen, dat een constante kracht een constante versnelling
teweegbrengt.
136. Het is duidelijk, dat die poging moest mislukken. Kracht is een zo vage
en dubbelzinnige term, die met zoveel anthropomorphe associaties belast is,
dat het woord zonder definitie helemaal niet in een wetenschappelijke
redenering kan worden gebruikt, tenzij men stilzwijgend gebruik maakt van
zekere niet expliciet geformuleerde grondstellingen (b.v. dat een constante
kracht in opvolgende gelijke tijdsdelen dezelfde uitwerking heeft en dat die
uitwerking beoordeeld kan worden naar de snelheidsverandering), die
aequivalent zijn met wat men bewijzen wil.
Het zou ons te ver voeren, wanneer wij hier de verschillende wijzen wilden
bespreken, waarop men in de zeventiende eeuw het gestelde doel heeft
trachten te bereiken. We vermelden alleen even de afleiding van Borelli,
waarin weer gebruik wordt gemaakt van het door Beeckman (IV: 72) toegepaste
denkbeeld, de uitwerking van een continu werkende kracht te beschouwen als
de limiet van het effect van een periodieke stootkracht met onbepaald
toenemende frequentie (Borelli vergelijkt de zwaarte, die Beeckman met
kleine hurtkens had laten trekken, met een snel tikkend hamertje, dat het
vallend lichaam begeleidt) en die van Huygens, welke laatste de
eigenaardigheid vertoont, dat het impliciet toegepaste axioma zo verborgen
ligt, dat het werkelijk eerst den schijn heeft, alsof de quadratenwet op
geheel legitieme wijze te voorschijn komt. Op den duur zal echter blijken,
dat de verlangde ordening niet anders tot stand kan komen, dan doordat men
op een of andere wijze postuleert, dat een kracht een versnelling
veroorzaakt, waarmee dan tevens het krachtbegrip der klassieke
natuurwetenschap impliciet zal worden gedefinieerd.
137. Daarvoor zal dan echter tevens de invoering van het begrip massa nodig
zijn en de voor de klassieke physica essentiële en
karakteristieke, maar aan herhaald misverstand onderhevige onderscheiding
van massa en gewicht. Daarvan is in de periode die ons thans bezig houdt,
nog weinig te bespeuren. De voorstelling van zwaarte als een met de
hoeveelheid stof van het lichaam samenhangende, in het lichaam zelf
zetelende actieve factor laat helemaal geen plaats over voor de gedachte,
dat met die hoeveelheid stof ook een zekere passiviteit samenhangt. Daarvoor
zal eerst de zwaarte inplaats van als een inwendig bewegingsprincipe als een
uitwendige op het lichaam uitgeoefende activiteit moeten worden beschouwd
(zoals Beeckman en Borelli reeds deden). Over die verandering in de
opvatting van zwaarte spreken we echter eerst in een volgend hoofdstuk.
Voorlopig zijn er dus van het latere massabegrip slechts sporen op te
merken, die soms tamelijk verborgen liggen, omdat er nog geen vaste term
voor bestaat en men vaak gewicht zegt, waar men eigenlijk massa | | | | bedoelt. De duidelijkste uitdrukking is wellicht de beschouwing waardoor
Baliani verklaart, hoe het komt, dat in vacuo alle lichamen even snel
vallen: hij onderscheidt de zwaarte als agens van het materiële
lichaam als passum en onderstelt, dat ze met elkaar evenredig zijn; dat een
lichaam niet des te sneller valt, naarmate het zwaarder is, komt doordat de
grotere zwaarte ook een grotere hoeveelheid materie in beweging moet
brengen. Verder wordt in de herhaaldelijk gemaakte opmerking, dat de
hoeveelheid impetus, die een lichaam bij gegeven snelheid opneemt, des te
groter is, naarmate het zwaarder is, natuurlijk ook massa in den zin van
capaciteit voor impuls bedoeld, wanneer men van gewicht spreekt.
| |
F. Christiaan Huygens
138. Wij hebben boven (IV: 136) den naam Huygens reeds even vermeld bij de
bespreking van pogingen tot dynamische afleiding van de valwet en daardoor
reeds een eerste bijdrage van zijn hand tot de fundering der mechanica
genoemd. Meer dan dergelijke fundamentele beschouwingen zullen we hier niet
van hem leren kennen. Het is namelijk bij hem niet langer mogelijk,
tegelijkertijd het doel van dit boek in het oog te houden en althans enige
volledigheid in de behandeling te betrachten. Daarvoor ligt het meeste van
wat hij gedaan heeft te hoog, behoort het te veel reeds tot de uitvoering
van het bouwwerk, waarvan we hier alleen het leggen der grondslagen willen
tonen. Daar komt nog bij, dat wij het merendeel van zijn onderzoekingen niet
uiteen zouden kunnen zetten zonder bij den lezer een grotere mate van
mathematische geschooldheid aanwezig te onderstellen, dan met den opzet van
de serie waarvan dit boek deel uitmaakt, strookt. Wat in het volgende over
Huygens wordt meegedeeld, is dan ook geenszins toereikend om de grote
betekenis die hij voor de ontwikkeling der zeventiende-eeuwse
natuurwetenschap bezit, in het licht te stellen.
De onderwerpen die voor ons doel in aanmerking komen, zijn:
| a. | de dynamische theorie van de eenparige cirkelbeweging. |
| b. | de dynamische uitbreiding van het axioma van Torricelli. |
| c. | de wetten van de volkomen veerkrachtige botsing. |
| d. | de relativiteit van het bewegingsbegrip. |
| |
a. De dynamische theorie van de eenparige
cirkelbeweging
139. Om de stellingen die Huygens hierover zonder bewijs in zijn Horologium Oscillatorium (1673) uitspreekt (de
afleidingen zijn eerst in 1703 bekend geworden, toen zijn geschrift De Vi Centrifuga in de Opera
Posthuma gepubliceerd werd) te kunnen bespreken, recapituleren we
hier | | | | eerst wat de tot volledige ontwikkeling gekomen
klassieke mechanica over dit onderwerp leert.
Bij een eenparige cirkelbeweging verandert de grootte van de lineaire
snelheid weliswaar niet, maar de richting voortdurend. Er is dus een
versnelling aanwezig, waarvan bewezen wordt, dat ze naar het middelpunt
is gericht en dat haar grootte wordt voorgesteld door de formule:
waarin v de lineaire snelheid voorstelt en r den straal van den doorlopen cirkel. Wil dus een stoffelijk
punt met massa m een cirkel doorlopen, dan moet er een
centripetale kracht op werken, groot . Deze kracht trekt het punt als het ware voortdurend van de
raaklijn af die het volgens de traagheidswet zou doorlopen wanneer het
aan alle uitwendige invloeden onttrokken was.
Zo wordt de situatie beoordeeld, als men de beweging beschouwt ten
opzichte van een vast assenstelsel. Doet men het echter ten opzichte van
een assenstelsel dat met het stoffelijk punt mee draait en ten opzichte
waarvan het dus in rust is, dan moet men zeggen, dat er langs den naar
buiten verlengden straal een z.g. traagheidskracht, groot werkt, die met de spanning in het koord, waardoor we het
stoffelijk punt met het middelpunt, verbonden denken, evenwicht maakt en
die de centrifugale kracht genoemd wordt.
Fig. 36. Afleiding van de centrifugale kracht, uitgeoefend door
een lichaam, dat een cirkel doorloopt. Huygens, De Vi
Centrifuga (Oeuvres XVI 253
vlg.).
Huygens stelt zich in zijn afleiding op het tweede standpunt35. Hij stelt zich voor (Fig. 36), dat een groot
horizontaal wiel om een verticale as door het middelpunt wentelt. Een
waarnemer, die aan den rand bevestigd is, houdt nu een stoffelijk punt
met behulp van een koordje vast en dit punt doorloopt den omtrek van een
cirkel met straal r. Denk, dat waarnemer en punt op
zeker ogenblik in het punt B zijn en een lineaire
snelheid v hebben. Kon nu het punt van hieruit vrij
voortgaan langs de raaklijn, dan zou het na Δ t sec. een punt D op de raaklijn bereiken, zo
gelegen dat:
BD = v. Δ t.
| | | |
In werkelijkheid komen waarnemer en punt in C, zo
gelegen, dat:
lengte van boog BC = 
Vrijgelaten zou het punt zich dus over den afstand CD
van den waarnemer verwijderd hebben. Bij benadering kan worden
aangenomen, dat CD in het verlengde van MC valt. Is nu CD = x, dan vinden we:

(1)
Wij vergelijken nu de ervaringen van den waarnemer op het wiel met die
van een anderen, die een stoffelijk punt aan een koord vasthoudt.
Wanneer dit de gelegenheid kreeg, zich van den waarnemer te verwijderen,
zou het in Δ t sec. een weg verticaal
omlaag afleggen, groot:
½ g (Δ t)2 (2)
Wij schrijven dit toe aan de werking van een verticaal omlaag gerichte
kracht, groot mg, die door een omhoog gerichte
spanning in het koord wordt opgeheven. Door de uitkomsten (1) en (2) te
vergelijken, zien we, dat we dan het gedrag van het ronddraaiend
stoffelijk punt ten opzichte van den waarnemer op den cirkelrand moeten
omschrijven door te zeggen, dat er een naar buiten gerichte kracht
op werkt, die door de naar het middelpunt gerichte spanning
van het koord, waaraan het punt wordt rondgeslingerd, wordt opgeheven.
Hiermee is de redenering van Huygens in beginsel weergegeven. Alleen
stelt hij, in overeenstemming met het in IV: 93 opgemerkte, geen formule
op, maar spreekt verhoudingsstellingen uit. Daar hierin telkens
eenzelfde stoffelijk punt in verschillende bewegingstoestanden
vergeleken wordt, doet de massa niet ter zake. Men kan ook zeggen, dat
de stellingen eigenlijk over de centrifugale versnelling handelen.
140. Van de verschillende toepassingen die Huygens van zijn theorie der
eenparige cirkelbeweging maakt, moet vooral de conische slinger worden
vermeld, een stoffelijk punt aan een massaloos gedachten draad, die een
rechten cirkelkegel beschrijft. Dit geval was voor hem van belang in
verband met de constructie van slingeruurwerken. Voor de theoretische
mechanica bestaat de betekenis van Huygens' theorie der
centrifugaalkracht voor alles daarin, dat hier geheel duidelijk werd
gemaakt, dat voor het in stand houden van een kromlijnige beweging, ook
indien deze eenparig is, de voortdurende inwerking van een kracht (de
spanning in het koord, die de centrifugaalkracht opheft) vereist wordt.
Daardoor werd een oude, maar nog nooit geheel uitgeroeide opvatting van
traagheid die | | | | daarin bestond, dat een stoffelijk punt dat
zich in eenmaal in een cirkel beweegt, bij vernietiging van alle
uitwendige invloeden in die cirkelbeweging zou volharden, definitief
weerlegd. Verder is natuurlijk van belang, dat een beweging werd
beschouwd ten opzichte van een wentelend assenstelsel. Het inzicht, dat
een eenparige kromlijnige beweging een versnelling bezit (daar komt
Huygens' gedachtengang toch eigenlijk op neer, al gebruikt hij het woord
versnelling ook niet) berust daarop, dat verandering van een snelheid
(de voorwaarde voor aanwezigheid van een versnelling) wel alleen kan
bestaan in een richtingsverandering; het is aequivalent met het inzicht
in het vectorkarakter van een snelheid.
| |
b. De dynamische uitbreiding van het axioma van
Torricelli
141. Het axioma van Torricelli is naar oorsprong en aard een statisch
axioma; het formuleert een voorwaarde voor evenwicht. Huygens geeft er
echter een generalisering aan, die het tot een uiterst vruchtbaar
dynamisch grondbeginsel vervormt36.
We denken ons eerst een stoffelijk punt, dat op een hoogte h boven het aardoppervlak in rust wordt gehouden; losgelaten zal
het in beweging komen. Na zekeren tijd bezit het een geringere hoogte
h1 dan in den beginstand, maar
het heeft nu een zekere snelheid verkregen. Stel nu, dat het die
snelheid kon gebruiken om verticaal omhoog te gaan en dat het daardoor
over een afstand h2 steeg. Het zou
dan een hoogte h1 + h2 bezitten. Huygens stelt nu als
axioma, dat deze hoogte niet groter kan zijn dan h.
Neemt men aan, dat de uitgevoerde beweging ook in omgekeerde richting
kan verlopen, dan kan h ook niet groter zijn dan h1 + h2, zodat dan dus moet gelden:
h = h1 + h2.
Daar deze redenering op ieder ogenblik van de beweging geldt, kunnen we
ook zeggen, dat op ieder ogenblik de som van de werkelijke hoogte en het
bedrag waarover het punt nog zou stijgen, wanneer zijn snelheid
verticaal omhoog was gericht, constant is.
Heeft men nu een stelsel van onderling verbonden punten en laat men
hierin op zeker ogenblik alle punten onafhankelijk van elkaar (dus met
verbreking van de verbindingen) de beschreven beweging omhoog uitvoeren,
dan komt het gemeenschappelijk zwaartepunt steeds op dezelfde hoogte te
liggen.
Om de betekenis van dit axioma na te gaan, stellen we op zeker ogenblik
de hoogten der stoffelijke punten hi, de snelheden vi; de
massa's mogen mi zijn, de
versnelling van den vrijen val g. Men vindt dan voor
de hoogte van het zwaartepunt van het stelsel, als alle punten in hun
hoogsten stand worden vastgehouden (virtuele zwaartepuntshoogte):
| | | |
Het axioma zegt nu, dat deze breuk constant is en daar de noemer niet
verandert, geldt dit ook voor den teller afzonderlijk. Dus geldt:
Σ mi g hi + Σ ½
mi vi2 = constant
en dit is niets anders dan de wet van behoud van mechanisch
arbeidsvermogen in het homogeen gedachte zwaarteveld der aarde.
Het verdient opmerking, dat terwijl deze wet in de voltooide mechanica
een bewijsbare stelling is, Huygens haar in het stadium van
voorbereiding, waarin we thans nog verkeren (men bedenke, dat de
grondstelling K = ma nog nooit expliciet is
geformuleerd) op grond van een intuïtief inzicht als axioma
stelt. Die intuïtie was dezelfde als die waarop Stevin zijn
clootcransbewijs gefundeerd had: de onmogelijkheid van een eeuwig
roersel, van het voortbrengen van energie uit niets.
142. Wij zullen de geniale wijze, waarop Huygens van het gegeneraliseerde
axioma van Torricelli gebruik maakt, toelichten aan een eenvoudig
voorbeeld uit een der theorieën, waardoor hij de klassieke
mechanica heeft helpen opbouwen, namelijk de theorie van het z.g. centrum oscillationis (slingermiddelpunt) van een
physischen slinger37. Wij denken ons
daartoe

Fig. 37a. Afleiding van de slingerlengte van een homogene
staaf. Huygens, Oeuvres XVI 420.
(Fig. 37a) een homogeen zwaar lijnstuk OA
van lengte a, dat om O kan slingeren
en vragen naar de lengte l van een enkelvoudigen of
mathematischen slinger (een stoffelijk punt P aan een
massalozen draad), die denzelfden slingertijd heeft als de physische. We
denken daartoe beide slingers over een hoek φ uit hun
evenwichtsstand verplaatst. Laat daarbij P in P0 een hoogte p
boven zijn laagsten stand P1
hebben gekregen en noem de overeenkomstige grootheid voor een
veranderlijk punt C van den physischen slinger op
afstand x van O verwijderd c. Blijkbaar is dan:
c = x/l.p.
Laat men nu de slingers los, dan zullen zij in beweging komen en na
zekeren tijd beide de verticaal passeren. We denken OA
nu bestaande uit n gelijke delen, die we als punten
beschouwen, die elk een massa m hebben; op het
ogenblik, dat de staaf de verticaal passeert, denken we ons | | | | al die deeltjes van elkaar losgemaakt en laten ze elk met de
verkregen snelheid verticaal omhoog stijgen (Huygens past een enigszins
anderen gedachtengang toe, die echter in wezen op hetzelfde neerkomt).
De snelheid u, waarmee P de
verticaal passeert is even groot als wanneer P over
den afstand p vrij gevallen was (Galilei's postulaat
der gelijke eindsnelheden (IV: 95)). Zij volgt dus uit:
u2 = 2gp.
Is OD = l, dan zal D met dezelfde
snelheid u door de verticaal gaan. Voor C bedraagt de snelheid dus x/l
u en de hoogte h waarover C
hierdoor stijgen kan, volgt dus uit:
waaruit volgt:
Om nu de zwaartepuntshoogte z0 van
OA in den stand OA0 te vergelijken met de virtuele zwaartepuntshoogte zou men
feitelijk de bewerking moeten uitvoeren, die door de formule
wordt aangegeven, waarin zi de
hoogte van elk der punten boven een zeker horizontaal vlak voorstelt.
Kiezen we hiertoe (Fig. 37b) het horizontale vlak door

Fig. 37 b. Afleiding van de slingerlengte van een
homogenestaaf. Huygens, Oeuvres XVI
420.
A1 en is C2 het hoogste punt van C in de
verticale beweging omhoog, dan is de bijdrage van het punt C tot den
teller in stand I C0C′, in stand II C2A1. Laat men nu aan
weerskanten het stuk C1A1 weg, dan blijkt, dat we voor
elk punt de hoogte kunnen nemen, die het in de standen I en II boven het
laagste punt van zijn baan heeft. Het gegeneraliseerde axioma van
Torricelli zegt nu:
Hierin moet nu het aantal n der delen tot oneindig
naderen. In een later stadium van ontwikkeling der wiskunde zal men
hiertoe de hulpmiddelen der integraalrekening kunnen gebruiken. Huygens
is echter nog aangewezen op oudere meetkundige methoden, die berusten op
het denkbeeld | | | | der graphische voorstelling, dat hier
opnieuw zijn onschatbare waarde voor den opbouw der zeventiende-eeuwse
mechanica toont. Stelt men namelijk op a als extensio
de grootheden y = x/l en z = x2/l2 als latitudo voor, dan verkrijgt men opv. een
rechte en een parabool.
De sommen Σ x/l en
Σ x2/l2 worden nu voor beide graphieken de
aggregaten van alle ordinaten, die te meten zijn door de oppervlakten
der


Fig. 37 c en d. Afleiding van de slingerlengte van een
homogene staaf. Huygens, Oeuvres XVI
420.
figuren, begrensd door de X-as, de kromme en de eindordinaat.
Nu is deze voor den driehoek in Fig. 37c ½ a2/ l en voor de parabool
van Fig. 37d (met behulp van een door Archimedes bewezen stelling)
⅓ a3/ l2. Men vindt dus de betrekking:
½ a2/ l = ⅓. a3/ l2
waaruit volgt: l = ⅔ a.
Dank zij de virtuose beheersing van deze meetkundige methode heeft
Huygens tal van resultaten weten te bereiken, waarvoor den hedendaagsen
lezer kennis der integraalrekening onontbeerlijk toeschijnt.
| |
c. De wetten van de volkomen veerkrachtige botsing
143. Huygens heeft in 1667 wetten voor de volkomen veerkrachtige botsing
gevonden, waarvan de bewijzen echter eerst bekend zijn geworden toen in
1703 zijn werk De Motu Corporum ex Percussione in de
Opera Posthuma verscheen. Het onderwerp verdient
om twee redenen onze aandacht: vooreerst om de vernuftige wijze waarop
bij de afleiding gebruik wordt gemaakt van enkele boven reeds besproken
mechanische beginselen en vervolgens om de fundamentele betekenis die,
zoals blijken zal, in den opbouw van het wereldbeeld der
zeventiende-eeuwse physica aan het botsingsverschijnsel toekwam.
Huygens beperkt zich tot het geval van centrale botsing van twee volkomen
veerkrachtige homogene bollen van dezelfde stof38; de term centraal beduidt hierbij, dat zij zich
voor de botsing bewegen langs de ver- | | | | bindingslijn hunner
middelpunten en de betekenis van volkomen veerkrachtig wordt bepaald
door het axioma, dat wanneer twee bollen van gelijke massa met gelijke
tegengesteld gerichte snelheden tegen elkaar botsen, zij zich na de
botsing beide zullen bewegen met snelheden, die even groot zijn als de
oorspronkelijke, maar tegengesteld daaraan gericht. Om nu de
botsingswetten af te leiden, stelt Huygens zich voor, dat de botsing
plaats vindt in een boot, die met een constante snelheid langs een
rechten oever vaart; op grond van het relativiteitsbeginsel der
klassieke mechanica, dat hij als eerste uitdrukkelijk als axioma
formuleert (met vermelding van de voorwaarde van eenparigheid van de aan
het stelsel meegedeelde translatie) verandert daardoor aan het
botsingsverschijnsel niets. De methode van behandeling bestaat nu
hierin, dat de snelheid van de boot telkens zo gekozen wordt, dat voor
een waarnemer aan den oever het optredende geval tot de reeds bekende
behoort. Deze weet dus, wat er gebeurt en de waarnemer in de boot kan
daaruit gemakkelijk afleiden, wat hij te zien zal krijgen. We zullen
hier enkele van de door Huygens afgeleide stellingen volgens zijn
methode aantonen, maar daarbij ter verkorting gebruik maken van
algebraisch tekenschrift.
We denken de massa's der lichamen I en II opv. m1 en m2, hun
snelheden:
| ten opzichte van de boot |
{voor de botsing u1
en u2 |
| |
{na de botsing v1 en
v2 |
| ten opzichte van de oever |
{voor de botsing U1
en U2 |
| |
{na de botsing V1 en
V2 |
Op de verbindingslijn van de centra wordt de richting van I naar II als
positief aangenomen; we denken I links van II en u1 positief gericht. De snelheid van de boot ten
opzichte van den oever zij W. Snelheden ten opzichte
van den oever worden dus verkregen uit snelheden ten opzichte van de
boot door vermeerdering met W; voor den omgekeerden
overgang moet W worden afgetrokken. Het aangenomen
axioma zegt dan dat als m1 = m2 en u1 = - u2, zal
gelden: v1 = - u1 en v2 = - u2.
Wij blijven eerst onderstellen, dat de massa's gelijk zijn, maar denken
de snelheden verschillend in absolute waarde. Er zal botsing optreden,
wanneer u1 > u2. Kies nu 
dan vindt men

Ten opzichte van den oever gelden dus de voorwaarden van het axioma, dus
is: 
| | | |
Hieruit volgt echter:
Het resultaat is, dus, dat de beide lichamen elkanders snelheden hebben
overgenomen.
144. Om nu het geval van ongelijke massa's te kunnen behandelen, heeft
Huygens twee nieuwe axiomata nodig. Het eerste zegt, dat wanneer een
lichaam met grotere massa botst tegen een met kleinere massa, dat in
rust verkeert, het hieraan een zekere snelheid zal meedelen en zelf
enige snelheid zal verliezen; het tweede, dat als voor een van twee
botsende lichamen de snelheid door de botsing niet in absolute waarde
veranderd is, dit voor het tweede ook niet het geval is. Uit het eerste
axioma volgt eenvoudig, dat een lichaam botsend tegen een rustend
lichaam met grotere massa hieraan altijd enige snelheid zal meedelen.
Men behoeft slechts W zo te kiezen, dat het eerste
lichaam tot rust komt, om dit in te zien.
Huygens kan nu de belangrijke stelling bewijzen, dat de snelheid die de
lichamen ten opzichte van elkaar bezitten, door de botsing in absolute
waarden niet zal veranderen, terwijl de richting wordt omgekeerd. Dit
wordt eerst bewezen voor het speciale geval, dat het lichaam met de
grootste massa aanvankelijk in rust is; daarna kan het gemakkelijk tot
alle andere gevallen worden gegeneraliseerd. Zij dus m1 m2 en u2 = 0.
Dan ontstaat er in ieder geval een snelheid v2 die positief is, maar kleiner dan u1 (voor m1 = m2 zou v2 = u1 zijn). Kies nu W = - ½ v2 dan zijn de snelheden ten opzichte van
den oever:
voor de botsing u1 -
½ v2 en - ½
v2
na de botsing v1 - ½ v2 en ½ v2.
De snelheid van II is dus in absolute waarde niet veranderd, die van I
dus ook niet, dus geldt:
u1 - ½ v2 = ½ v2 - v1
of
v2 - v1 = u1.
Echter was:
u2 - u1 = -u1,
dus is de snelheid van II ten opzichte van I in absolute waarde
gelijk-gebleven, maar van richting veranderd. Natuurlijk geldt ook:
V2 - V1 = -[U2 - U1].
145. Nu we hierdoor een indruk van de methode hebben gegeven, zal het
niet nodig zijn, het betoog verder op den voet te volgen. We vermelden
echter nog enkele resultaten, die voor het volgende van belang zullen
blijken te zijn. Vooreerst een propositie39, waarin Huygens
aantoont, dat wanneer men onder quantitas motus het
product verstaat van de massa en de absolute waarde van de snelheid van
een lichaam, de totale | | | | quantitas motus bij een botsing
gelijk kan blijven, maar ook wel af- of toe kan nemen. Wij zullen zien,
dat dit van belang is voor de beoordeling van het wereldbeeld van
Descartes. Vermelding verdient voorts de stelling40,
dat wanneer twee lichamen elkaar ontmoeten met tegengesteld gerichte
snelheden, die omgekeerd evenredig zijn met hun massa's, zij beide terug
zullen worden geworpen met een even grote snelheid als waarmee zij zich
voor de botsing bewogen; bij het bewijs hiervan wordt het
gegeneraliseerde axioma van Torricelli gebruikt. En ten slotte het
theorema41, dat de som van de producten van elk der massa's met
het quadraat van de snelheid bij de botsing constant blijft, wat later
zal worden uitgedrukt als het constant blijven van de totale kinetische
energie en als definitie van volkomen veerkrachtigheid zal worden
gebruikt.
146. Het verdient opmerking, dat Huygens in het werk De Motu
Corporum ex Percussione niet de voor alle
botsingsverschijnselen fundamentele wet van behoud van impuls
uitspreekt, die geldt, wanneer men alle snelheden algebraisch in
rekening brengt. Hij had haar natuurlijk uit de boven vermelde
resultaten kunnen vinden door de stelling:
m1u12 + m2u22 = m1v12
+ m2v22
geschreven in den vorm:
m1(u12 - v12) = m2(v22 - u22)
te combineren met het theorema van de onveranderde relatieve snelheid
geschreven als:
u1 + v1 = u2 + v2.
Immers nu volgt dadelijk:
m1(u1 - v1) = m2(v2 - u2)
of:
m1u1 + m2u2 = m1v1
+ m2v2.
Uit zijn aantekeningen blijkt, dat hij deze stelling voor volkomen
veerkrachtige lichamen wel kende (zelfs dat hij overwogen heeft, haar
als axioma te stellen) en dat hij haar geldigheid voor volkomen
onveerkrachtige en onvolkomen veerkrachtige vermoedde42. Hij formuleert de stelling bovendien nog in dezen vorm43, dat het
gemeenschappelijk zwaartepunt voor en na de botsing met dezelfde melheid
en in dezelfde richting voortgaat, dus van de botsing niet den minsten
invloed heeft ondervonden. De beide leden van de afgeleide betrekking
stellen namelijk den impuls van het zwaartepunt voor en na de botsing
voor, wanneer men aan dit punt de som der beide massa's als massa
toekent. Zijn namelijk op zeker ogenblik de afstanden der twee bolcentra
tot een zeker punt O op hun verbindingslijn x1 en x2 dan volgt de afstand x0 van hun zwaartepunt tot O uit de
betrekking:
| | | |
of:
(m1 + m2)x0 = m1x1 + m2x2.
Hieruit volgt echter gemakkelijk:
(m1 + m2)u0 = m1u1 + m2u2,
als u0 de snelheid van het
zwaartepunt voorstelt.
Later zou blijken, dat deze stelling slechts een bijzonder geval is van
het algemene theorema, dat de krachten die de lichamen van een stelsel
op elkaar uitoefenen, niets aan de beweging van het zwaartepunt van dat
stelsel kunnen veranderen.
| |
d. De relativiteit van het bewegingsbegrip
147. De overgang van het Aristotelische wereldbeeld naar dat van de
klassieke physica bracht een ingrijpende verandering met zich mee in de
opvatting van de ruimte waarin zich de natuurverschijnselen afspelen.
Men had deze, zonder het nadrukkelijk uit te spreken, steeds als
physische ruimte onderscheiden van de meetkundige ruimte, waarop de
redeneringen der wiskundigen betrekking hadden; de eerste ligt
ingesloten tussen de onbeweeglijke centrale aarde en de spheer die het
heelal omhult; de laatste is een zuiver rededing(ens
rationis) en kan als zodanig oneindig en homogeen worden
gedacht zonder dat daaruit iets voortvloeit aangaande de physische
wereld.
Deze onderscheiding begint nu echter in de zestiende en zeventiende eeuw
onder invloed van de veranderingen in de kosmologische denkbeelden te
vervagen. De aarde verliest haar centrale en onbeweeglijke positie en de
afmetingen van het heelal groeien buiten iedere voorstelling. Er zijn
geen absoluut bevoorrechte richtingen meer, zoals in het geocentrische
wereldbeeld omhoog en omlaag waren.
Koyré44
heeft deze verandering van opvatting door den term mathematisering van
de physische ruimte uitgedrukt. Inderdaad komt ze hierop neer, dat de
natuurverschijnselen moeten geacht worden zich af te spelen in de lege
ruimte der geometrie. Het vroegere ens rationis wordt nu tot het spatium
mundanum, de oneindige wereldruimte. Het is een overgang, waar Kepler en
Galilei nog voor waren teruggedeinsd, maar die bij Huygens reeds geheel
voltrokken is, zonder dat er veel over wordt gepraat.
148. Er zaten niettemin tal van denkmoeilijkheden aan vast, die o.m. bij
de fundering van de klassieke mechanica aan het licht moesten komen. Een
stoffelijk punt dat aan alle uitwendige invloeden onttrokken is, heeft
een rechtlijnige eenparige beweging. Maar wat betekent dat? Het is bij
de discussies over de aardbeweging reeds lang duidelijk geworden, dat
| | | | de baan van een bewegend punt voor den enen waarnemer
er heel anders uitziet dan voor een anderen, dat zij dus afhangt van de
omgeving of het coördinatenstelsel ten opzichte waarvan de
beweging beschouwd wordt en dat ook de wijze waarop de baan doorlopen
wordt, verandert wanneer men naar een ander assenstelsel overgaat. Welke
is nu de omgeving, ten opzichte waarvan de bedoelde inertiaalbeweging
eenparig en rechtlijnig is?
Voorzover het tot de zeventiende-eeuwse mechanici is doorgedrongen, welk
een beklemmende vraag hiermee gesteld was, schijnen zij haar in den
regel in dezen zin beantwoord te hebben, dat die omgeving niets anders
is dan het spatium mundanum zelf, de lege wereldruimte. Zoals de
bewegingsverschijnselen volgens het Aristotelische denken zich
afspeelden tussen de vaste aarde en de buitenste spheer, verlopen ze nu
tegen den onbeweeglijken achtergrond dien de ruimte vormt.
149. Dit antwoord acht Huygens volstrekt onbevredigend45. Het is hem even onmogelijk, een zin te
verbinden aan de zegswijze, dat de oneindige ruimte in rust verkeert,
als het hem zou zijn, zich iets te denken bij de bewering, dat ze zich
beweegt. De termen rust en beweging worden gebruikt voor lichamen, niet
voor de ruimte waarin die lichamen geplaatst zijn. Bovendien is reeds
dit ‘plaatsen’ een uitdrukking zonder zin: het is
niet in te zien, hoe men in de oneindige homogene lege ruimte de ene
plaats van de andere zou kunnen onderscheiden.
De overtuiging, dat aan de woorden rust en beweging niet de absolute
betekenis van het al of niet behouden van een bepaalde plaats in de
ruimte kan worden gehecht en dat ze dus alleen gebruikt kunnen worden om
de relatie van een lichaam tot een gekozen omgeving uit te drukken,
wordt nog ondersteund door het inzicht, dat we reeds als
relativiteits-beginsel der klassieke mechanica hebben leren kennen (IV:
117) en door Huygens met zoveel vrucht hebben zien toepassen (IV: 143):
wanneer de verschijnselen van val, worp en botsing toch niet in het
minst anders gaan verlopen, wanneer men aan het gehele stelsel waarin ze
zich afspelen, een eenparige rechtlijnige translatie geeft, wanneer zij,
om hetzelfde anders uit te drukken, niet veranderen als men ze beschouwt
ten opzichte van een assenstelsel, dat ten opzichte van het
oorspronkelijk gebruikte een eenparige rechtlijnige translatie bezit,
kan zelfs iemand die aanvankelijk van mening is geweest, dat aan de
woorden rust en beweging een absolute betekenis kan worden toegekend
door ze te betrekken op het spatium mundanum, dit niet blijven
volhouden. Want hoe zal hij een assenkruis dat in dit spatium vastligt,
onderscheiden van een dat ten opzichte van dit spatium een rechtlijnige
eenparige translatie bezit?
Huygens komt dus tot de conclusie, dat het niet den minsten zin heeft,
tussen de ware beweging van een punt, die dan de beweging ten opzichte
van het spatium mundanum zou zijn, en de relatieve bewegingen die het
uitvoert ten opzichte van omgevingen die zelf weer ten opzichte van dit
spatium in beweging zijn, te onderscheiden. Hij drukt dit kernachtig uit
| | | | door te zeggen46, dat de ware beweging (verus motus) relatieve beweging is, waarmee hij te
kennen wil geven, dat het woord beweging eerst waarlijk zin krijgt
wanneer men erbij zegt, ten opzichte van welke omgeving men het bedoelt
en tevens, dat er onder de verschillende mogelijke omgevingen niet een
is, die een uitzonderingspositie inneemt en het dus mogelijk maakt, een
echte beweging van oneindig veel schijnbare te onderscheiden. Daar hij
echter, de meningen van anderen weerleggend, den term verus motus ook
vaak gebruikt in den zin dien zij er aan hechten, maar dien hij niet
erkennen kan, namelijk als beweging betrokken op het spatium mundanum,
draagt die kernachtigheid niet steeds tot de duidelijkheid van zijn
beschouwingen bij.
150. Is het nu de bedoeling van Huygens geweest, te beweren, dat alle
assenstelsels onderling gelijkwaardig zijn? Dat kan men zeker niet
onderstellen. Immers hij houdt vast aan de traagheidswet: de beweging
van een aan alle invloeden onttrokken stoffelijk punt moet eenparig en
rechtlijnig zijn. Wanneer nu echter zulk een punt ten opzichte van een
zeker assenstelsel zulk een beweging bezit, heeft het haar ongetwijfeld
ook ten opzichte van alle assenstelsels, die ten opzichte van dit eerste
een eenparige rechtlijnige translatie hebben, maar even zeker niet ten
opzichte van alle assenstelsels die zich ten opzichte van het eerste op
andere wijze bewegen. Op de vraag, hoe men nu de eerste groep, de
inertiaalstelsels, van de tweede zal onderscheiden en hoe men weet, dat
zij bestaan, gaat hij niet in. Het zal altijd een zwak punt van de
klassieke mechanica blijven, dat zij het bestaan van een
inertiaalstelsel (waaruit dat van oneindig vele andere volgt) moet
postuleren en niet in staat is, er anders dan bij benadering een aan te
wijzen; ze kan daardoor op de vraag, ten opzichte van welke
assenstelsels de traagheidswet nu eigenlijk geldt, eigenlijk niets
anders antwoorden, dan dat ze geldt ten opzichte van die stelsels
waarvoor ze geldt.
Huygens is er zich wel van bewust47, dat de traagheidswet met het
relativiteitsbeginsel der klassieke mechanica inzoverre onverbrekelijk
samenhangt, dat zij met behulp van dit principe onmiddellijk voortvloeit
uit wat men het antieke traagheidsbeginsel kan noemen en waarin wordt
uitgesproken, dat een geheel aan uitwendige invloeden onttrokken
stoffelijk punt in rust verkeert. Wanneer dit namelijk ten opzichte van
een zeker assenstelsel het geval is, bezit ditzelfde punt een eenparige
rechtlijnige beweging ten opzichte van alle stelsels die ten opzichte
van het eerste in rechtlijnige eenparige translatie verkeren en daar men
de translatiesnelheid naar willekeur kan kiezen, kan men ook zeggen, dat
het punt dat in rust heette te verkeren, een willekeurige snelheid
bezit, zonder dat er iets aan het punt veranderd is.
151. Men heeft hier weer eens gelegenheid, de wijdte van de klove op te
merken, die de klassieke mechanica van de Aristotelische scheidt; voor
de laatste was beweging altijd een toestand van een lichaam geweest; het
| | | | lichaam werd er anders van, was er om zo te zeggen
persoonlijk bij betrokken; thans is beweging een relatie tot een
assenstelsel geworden, die men evengoed een eigenschap van dit stelsel
kan noemen als van het lichaam. Dit kan zich met enorme snelheden
bewegen zonder er iets van te merken. Het verschil betreft niet alleen
het verkregen resultaat. Wij zijn in een totaal andere denkspheer
gekomen: van de wereld der physische werkelijkheid waar een stoffelijk
voorwerp zich een weg moet banen door een weerstandbiedend medium, naar
die van de mathematische idealiteit waar het denken een stoffelijk punt,
d.i. een mathematisch punt, waaraan een zekere
coëfficiënt, genaamd massa, verbonden is, zich in
vacuo laat verplaatsen. De winst in exactheid is behaald ten koste van
het contact met de wereld der zintuiglijke ervaring.
De beschouwingen die Huygens aan de relativiteit van het bewegingsbegrip
wijdt, zijn helaas zeer fragmentarisch van aard; zij staan in nagelaten
aantekeningen, die wel de kenmerken dragen van ontwerpen voor een
samenvattende verhandeling te bevatten, maar waaruit zulk een
verhandeling nooit gegroeid is. Daardoor worden tal van problemen niet
ten einde gedacht. Dit is o.m. het geval met de vraag, of niet in de
centrifugale verschijnselen die bij een roterend lichaam optreden en die
men niet in het leven kan roepen door het lichaam stil te laten staan en
er zelf om heen te lopen, een kriterium voor absolute beweging te vinden
is. Huygens deelt wel mee, dat hij dit aanvankelijk ook gemeend heeft,
maar er later van is teruggekomen. Het blijkt echter niet48, hoe die
verandering van opvatting gemotiveerd wordt. We zullen zien, dat Newton
aan deze kwestie grote aandacht heeft gewijd en dat hij op het door
Huygens verworpen standpunt is blijven staan (IV: 297).
152. Wij hebben in het bovenstaande slechts een zeer klein gedeelte van
het werk van Huygens op het gebied der mechanica kunnen bespreken en
daarvoor de allereenvoudigste onderwerpen moeten uitkiezen. Reeds deze
hebben echter een belangrijke verandering duidelijk kunnen maken die
zich in den loop der zeventiende eeuw in het natuurwetenschappelijk
denken aan het voltrekken was en wel de aanzienlijke versterking van het
mathematisch karakter der toegepaste redeneringen en opgestelde
theorieën. De zeer snelle ontwikkeling die de wiskunde in de
zeventiende eeuw zelf doormaakte, doordat de letteralgebra tot stand
kwam, de analytische meetkunde werd ingevoerd en de
infinitesimaalrekening vèrgaand werd voorbereid, bracht ook
de mechanica op hoger peil en werd anderzijds weer door de daarin
gestelde problemen bevorderd. Er werd daardoor van de natuuronderzoekers
een veel hogere mate van mathematische geschooldheid vereist dan vroeger
ooit het geval was geweest. Vóór het begin der
zeventiende eeuw had men in het algemeen kunnen volstaan met die
mathematische ontwikkeling die van iedere wetenschappelijke vorming deel
uitmaakte en ieder die deze had ondergaan, had dus wel over
verschijnselen van beweging en evenwicht kunnen meespreken. Nu begon | | | | dat al een aangelegenheid voor specialisten te worden,
terwijl het vinden van waarlijk nieuwe wegen aan wiskundig zeer begaafde
natuuronderzoekers als Huygens voorbehouden bleef. De vervreemding
tussen de wisen natuurkunde en de andere wetenschappen, die in de
negentiende en de twintigste eeuw zulke onrustbarende afmetingen zou
gaan aannemen, kondigt zich hier reeds aan en toont tevens haar
onvermijdelijkheid. In de abstracte spheer, waarin ze steeds meer werden
overgebracht, bleken de natuurverschijnselen niet meer vatbaar voor
behandeling met de uitdrukkingsmiddelen van de omgangstaal en zelfs niet
met die van de wijsgerige vaktaal; ze vereisten een subtieler
instrument, dat alleen de mathesis tot haar beschikking kon stellen.
| |
G. Galilei in conflict met de kerk49
153. Het zal menigen lezer wellicht verwonderd hebben, dat wij in het
overzicht van de ontwikkeling der astronomie, waarmee we dit hoofdstuk
begonnen, naast Copernicus, Tycho Brahe en Kepler niet ook Galilei hebben
genoemd, wiens reputatie als astronoom in de zeventiende eeuw de hunne
evenaarde en wiens naam ook tegenwoordig nog bij velen als eerste in de
gedachte komt, wanneer er sprake is van de vernieuwing die de astronomie
door de invoering van het heliocentrische stelsel heeft ondergaan. Dat we
daar over hem zwegen, had vooral dezen grond, dat zijn verdiensten van zo
gans anderen aard zijn dan die van de drie figuren die we wèl
behandelden. Noch op het stuk van verstelseling der astronomische feiten
noch op dat der exact metende waarneming kan hij met een van hen op een lijn
worden gesteld. Zijn activiteit lag op ander, meer physisch gebied en kan
pas naar waarde worden geschat, nu we in de voorafgaande paragraphen iets
over de ontwikkeling der mechanica hebben vernomen. We hebben daar gezien,
hoe zijn beschouwingen over traagheid, relativiteit en samenstelling van
bewegingen er voor een groot deel op gericht waren, de bezwaren van
physischen aard die tegen het denkbeeld van een aardbeweging plachten te
worden aangevoerd, te weerleggen. Wat hij op dit gebied bereikt heeft, is
indirect natuurlijk ten zeerste aan de astronomie ten goede gekomen, doordat
het de aanvaarding van het Copernicaanse stelsel heeft bevorderd en het
ontstaan van een mechanica der hemelbewegingen heeft voorbereid. Het behoort
echter niet tot wat in de zeventiende eeuw onder astronomie werd verstaan.
154. Dat deden wèl de waarnemingen die hij met den kijker
verrichtte. Hij is de eerste geweest, die met behulp van dit kort geleden in
de Nederlanden uitgevonden instrument ontdekkingen aan den hemel heeft
gedaan, die, behalve hun waarde als feiten, voor hem de grote subjectieve
betekenis bezaten, dat zij hem versterkten in zijn overtuiging van de
juistheid van het stelsel van Copernicus en hem er toe dreven, de openlijke
| | | | verdediging van dat stelsel ter hand te nemen. Dat heeft
toen geleid tot het befaamde conflict met de Inquisitie, dat in zijn eigen
tijd zoveel beroering heeft verwekt en dat nog tegenwoordig de geesten
vervult en de meningen verdeeld houdt. Daardoor neemt hij in de
geschiedenis, niet alleen van de natuurwetenschappen, maar ook in die van de
cultuur in het algemeen, een uitzonderlijke positie in, die we hier tot
uiting brengen door nogmaals een afzonderlijke paragraaf aan hem te wijden,
waarin dan tevens zijn werk als astronoom kort kan worden weergegeven.
155. In het jaar 1610 werd de geleerde wereld in opschudding gebracht door
het verschijnen van Galilei's werkje Nuncius Sidereus of
Sterrenboodschap (zo, niet als Sterrenbode is volgens zijn eigen latere toelichting50 het woord te verstaan),
waarin hij de ontdekkingen beschreef die hij met den kijker aan den hemel
gedaan had: het maanoppervlak vertoonde grote oneffenheden, die er een
aardachtig karakter aan gaven, de melkweg en enkele nevelvlekken losten zich
op in verzamelingen van kleine sterren en de planeet Jupiter bleek manen te
bezitten. Er bestond voor die opschudding alle reden. Niet dat het allemaal
ongehoorde feiten waren, waarover hij berichtte. Plutarchus had in zijn werk
De facie in orbe lunae reeds op de physische
verwantschap van maan en aarde gewezen en het vermoeden, dat de melkweg uit
een groot aantal sterren zou bestaan, was in de Oudheid ook al wel geopperd.
Maar het is iets anders, mee te delen, deze dingen werkelijk te hebben
gezien dan ze op speculatieve wijze te onderstellen. En dat Jupiter manen
zou bezitten, had nooit iemand vermoed. Bovendien was de aardachtigheid van
de maan een bewering, die in strijd was met de Aristotelische physica,
waarin ook het laagste hemellichaam toch altijd nog essentieel van de aarde
verschilde. En dat Jupiter manen had, vormde weliswaar geen rechtstreeks
argument tegen het stelsel van Ptolemaios, waarin, als er voor bewegingen
van planeten om cirkelvormig bewegende punten plaats was, bewegingen van
manen om planeten toch zeker wel konden worden aangenomen, maar het belette
de tegenstanders van Copernicus, het nog langer onmogelijk te noemen, dat de
aarde in haar wenteling om de zon haar maan met zich mee zou kunnen voeren.
In hetzelfde jaar waarin de Nuncius Sidereus verscheen,
voegde Galilei aan de daarin beschreven ontdekkingen die van de phasen van
Venus toe, terwijl hij tevens bekend maakte, dat de planeet Saturnus zich in
den kijker vertoonde als uit drie stukken bestaande (de eerste waarneming
van wat Huygens als een ring om de planeet zou zien).
156. De mededelingen van Galilei vonden over het algemeen aanvankelijk weinig
geloof. Dat is niet zo onbegrijpelijk en schandelijk, als het in populaire
geschriften wel eens wordt voorgesteld. Vooreerst was de kijker een volkomen
onbekend instrument, waarvan niemand de werking begreep. Galilei zelf ook
niet; hij had het instrument niet alleen niet uitgevonden, zoals hij in den
titel van den Nuncius beweerde, maar hij was ook | | | | te weinig bedreven in de optica om zich rekenschap te kunnen
geven van de beginselen waarop de werking berust en wanneer hij zegt, dat
hij zich bij de constructie heeft laten leiden door de leer der breking, dan
is dat waarschijnlijk niet veel meer dan grootspraak. Bovendien was bij een
demonstratie die hij te Bologna ten huize van den astronoom Magini gegeven
had, geen der aanwezigen in staat geweest, een van de manen van Jupiter, die
hij beweerde waargenomen te hebben, te ontwaren; als men bedenkt, hoe
primitief het instrument en hoe volkomen ongeoefend in telescopisch
waarnemen het gezelschap nog geweest moet zijn, behoeft men ter verklaring
daarvan niet eens kwade trouw aan te nemen. De algemene opvatting was dan
ook weldra, dat wanneer iemand de mediceïsche sterren (zo had
Galilei de manen ter ere van het Florentijnse vorstenhuis genoemd)
wèl in den kijker kon zien, ze zeker wel op een of andere manier
in het glas zouden zitten.
157. Galilei beschouwde zijn ontdekkingen als even zovele argumenten voor het
Copernicaanse wereldstelsel. Dat waren ze, objectief beschouwd, natuurlijk
niet. Er was er geen bij, waarvan men in het stelsel van Ptolemaios geen
rekenschap zou hebben kunnen geven. Ze konden dienen om de ongegrondheid van
zekere bezwaren tegen Copernicus aan te tonen en ze staan in zoverre dus op
een lijn met de physische beschouwingen over aardbeweging die we in de
voorafgaande paragraphen hebben leren kennen, dat ze samen met deze tot het
inzicht in de wetenschappelijke houdbaarheid van het heliocentrische
wereldbeeld konden, ja moesten, leiden. Tot de aanvaarding daarvan
verplichten konden ze echter niet.
De kwestie van de aardbeweging - daarom en niet om het zuiver astronomische
probleem, hoe men de planetenbeweging het eenvoudigst kon redden, werd
eigenlijk de gehele strijd gevoerd - was echter niet alleen van
natuurwetenschappelijken aard; ze hing onverbrekelijk samen met vragen van
wereldbeschouwelijk en daardoor ook van theologisch karakter en beroerde dus
de gemoederen veel heftiger dan een zuiver vakwetenschappelijke
aangelegenheid ooit zou hebben kunnen doen.
Het poneren van de aardbeweging, niet als een mathematische kunstgreep ter
vereenvoudiging van de berekeningen der astronomen, maar als een physische
realiteit - het was duidelijk, dat Galilei dit beoogde en dat de
verzoeningspoging van Osiander op hem geen vat had gehad - beduidde namelijk
een in den wortel aantasten van het Aristotelisch-Thomistisch wereldbeeld,
dat met de Christelijke geloofsleer in eenzelfden metaphysischen bodem
verankerd lag en moest dus behalve, van de zijde van astronomen die hun
wetenschap niet van hun wereldbeschouwing gescheiden konden of wilden
houden, ook van die der theologen afweerreacties uitlokken. Er werd hier zo
diep ingegrepen in voorstellingen die van wezenlijke betekenis leken voor
het religieuse leven - reeds dadelijk de ruimtelijke uitzonderingspositie in
de wereld van het toneel | | | | waarop zich het drama van de
menswording Gods en de verlossing der mensheid had afgespeeld - dat een in
de objectieve spheer der zuivere wetenschap verlopende discussie nauwelijks
kon worden verwacht.
158. Deze is dan ook uitgebleven: in alle landen waar de mare van het nieuwe
wereldstelsel doordrong, hebben de theologen zich instinctief bedreigd
gevoeld in hun heiligste goederen en overal hebben zij zich tegen de
heliocentrische gedachte teweergesteld. Daar zij zich daarbij voornamelijk
beriepen op plaatsen uit de H. Schrift waar het stilstaan van de aarde in
het centrum der wereld ondubbelzinnig uitgesproken scheen te staan (b.v.
Josua 10:12; Ps. 18:6; Ps. 103:5; Eccl. 1:4)51, werd een
aangelegenheid die op zuiver natuurwetenschappelijke gronden behandeld had
behoren te worden, vermengd met kwesties van schriftinterpretatie en
daardoor onredbaar vertroebeld.
In de meeste gevallen heeft de theologische oppositie niet veel meer
uitwerking gehad dan dat ze de ontwikkeling der heliocentrische astronomie
min of meer vertraagd heeft en aan haar verdedigers enige onaangenaamheden
heeft bezorgd. Dat ze daarentegen in het geval van Galilei tot een conflict
van wereldhistorische betekenis heeft gevoerd, berust op gronden die ten
dele van wezenlijken, ten dele van bijkomstigen aard zijn. Tot de
bijkomstige kan men de persoonlijke veten rekenen die het verloop van de
zaak hebben beïnvloed en waaraan het fel polemisch optreden dat
Galilei steeds gekenmerkt heeft, wel niet vreemd zal zijn geweest; tot de
wezenlijke, dat hij als Katholiek in geloofsaangelegenheden onderworpen was
aan het gezag der kerkelijke overheid en dat het hem als leek niet, zoals
den Protestant Kepler, vrijstond, zich te mengen in methodische vragen over
de interpretatie van de H. Schrift en nog minder, een eigen interpretatie
van de Bijbelteksten die op den toestand van rust of beweging der aarde
betrekking hebben, voor de officieel aanvaarde in de plaats te willen
stellen.
159. Dat het H. Officie aanleiding vond, zich met de zaak te bemoeien, toen
zij te Florence eenmaal tot openlijk schandaal gevoerd had, is begrijpelijk.
De wijze waarop dit geschied is, getuigt echter van een onvoldoend inzicht
in de ware betekenis van de opgeworpen kwestie en van de draagwijdte die de
genomen beslissing zou blijken te bezitten. Op 24 Februari 1616 werd
namelijk over de twee hieronder vermelde stellingen, waarin men blijkbaar
het wezenlijke van het Copernicaanse stelsel meende samengevat te hebben, de
volgende uitspraak gedaan:
Ten eerste: De zon is het centrum der wereld en geheel
onbeweeglijk in plaatselijke beweging.
Oordeel: Allen hebben gezegd, dat de genoemde propositie dwaas
en absurd is in de philosophie en formeel ketters, in zoverre als zij
uitdrukkelijk in tegenspraak is met uitspraken, die de H. Schrift op
vele plaatsen volgens de betekenis der woorden en volgens de
gebruikelijke verklaring en uitlegging van de Heilige Vaders en de
doctoren der theologie doet.
| | | |
Ten tweede: De aarde is niet het centrum der wereld en ook niet
onbeweeglijk, maar zij beweegt zich als geheel en ook met een dagelijkse
beweging.
Oordeel: Allen hebben gezegd, dat deze propositie hetzelfde
oordeel krijgt in de philosophie en dat zij, wat de theologische
waarheid betreft, op zijn minst een dwaling in het geloof beduidt.
Het heeft het H. Officie wel zeer aan hogere leiding ontbroken, toen het deze
uitspraak deed. Door verband te leggen tussen natuurwetenschappelijke
stellingen die uiteraard in de toekomst even zeer vatbaar waren voor
weerlegging als voor bevestiging, en een geloof dat per definitionem geen
weerlegging behoefde te vrezen en geen bevestiging van node had, opende het
de mogelijkheid, dat de verdere ontwikkeling der natuurwetenschap het geloof
kon compromitteren, welke mogelijkheid al heel spoedig werkelijkheid zou
worden. Dat het college zich niet heeft bekreund om de vraag, of het door de
genomen beslissing de beoefening der wetenschap, die toch een legitieme
geestelijke functie van den menselijken geest is, ook in den weg stond, mag
geen aanleiding tot verwijt zijn; de bevordering der wetenschap maakte geen
deel uit van de verstrekte opdracht. Dat het echter zo lichtzinnig heeft
gehandeld ten aanzien van het bezit, tot bescherming waarvan het
uitdrukkelijk was ingesteld, heeft ten allen tijde trouwe zonen der Kerk -
waarvoor Blaise Pascal als voorbeeld genoemd kan worden - vervuld met
machteloze ergernis, die tot verbittering uitgroeide, toen zij zagen, met
hoeveel graagte haar vijanden er wapens uit smeedden om haar te bestrijden.
160. Het was niet meer dan een logische consequentie van de genomen
beslissing, dat het werk De Revolutionibus van Copernicus
in afwachting van verbetering werd geschorst en evenzo, dat Galilei het
bevel kreeg, de gecensureerde opinie op te geven en hem verboden werd, haar
op enigerlei wijze in woord of geschrift te houden, te leren of te
verdedigen. Volgens het niet geheel duidelijke proces-verbaal van de
mededeling van dit gebod heeft Galilei er zich bij neergelegd en beloofd te
zullen gehoorzamen51.
Wanneer hij die belofte inderdaad heeft afgelegd, lijdt het geen twijfel, dat
hij haar ook gebroken heeft. De Dialogo sopra i due massimi
sistemi del Mondo, Tolemaico e Copernicano, die hij in 1632 liet
verschijnen, is één ononderbroken en onomwonden
verdediging van het Copernicaanse stelsel, waarin de hier en daar op bevel
van den Pauselijken censor ingelaste verklaringen, dat de auteur niet
beweren wil, wat hij ten duidelijkste al maar door beweert, dat namelijk het
Copernicaanse stelsel de waarheid bevat en dat slechts domheid en
achterlijkheid dat kunnen ontkennen, meer honend dan verzoenend werken.
Dat de Inquisitie zich, ondanks het feit, dat het Imprimatur verleend was,
bij het verschijnen van dit werk niet heeft neergelegd, is weer ten volle
begrijpelijk. Maar aan de wijsheid en den tact, die de even gecompliceerde
als delicate situatie vereiste, heeft het de leiding der Kerk in | | | | 1633 in nog veel hogere mate ontbroken dan toen zeventien jaar geleden de
fatale beslissing viel, waaruit zij was voortgevloeid. Men kan overtuigd
zijn, dat het Galilei-proces anders verlopen zou zijn wanneer het inplaats
van door Paus Urbanus VIII door een figuur van het formaat van Thomas van
Aquino was bestuurd. Natuurlijk zou er wel een modus hebben kunnen worden
gevonden om het conflict in verzoenenden geest te beslechten en daardoor de
harmonie tussen geloof en wetenschap, die de Kerk steeds zozeer ter harte is
gegaan, te redden. Inplaats daarvan heeft men een ouden man tot een
smadelijke herroeping gedwongen, waarin hij alles terugnam wat hij eens met
al de kracht van zijn schitterenden geest en zijn vurige ziel beleden had.
161. Men noemt Galilei wel eens een martelaar der wetenschap. Wie dat doet,
kent het verloop van het Galilei-proces niet of hij weet niet wat een
martelaar is. Galilei heeft zich het gehele proces door juist als het
tegenovergestelde van een martelaar gedragen; hij heeft alles gedaan wat hij
kon om zich vrij te pleiten van een schuld die hij in formelen zin
ongetwijfeld op zich had geladen, namelijk de verdediging van het
Copernicaanse stelsel, en hij is daarbij niet teruggedeinsd voor de meest
abjecte zelfvernedering. Niemand heeft het recht, hem hiervan een verwijt te
maken; wetenschappelijke overtuiging inspireert nu eenmaal minder
gemakkelijk tot heroïsme dan geloof. Men moet echter de
categorieën niet verwarren en hem niet eren voor een houding die
men beter doet te versluieren. Wel kunnen alle partijen hem voor die houding
dankbaar zijn: de R.K. Kerk, omdat zij niet gedwongen is geweest tot de
consequenties waartoe standvastigheid van den aangeklaagde haar zou moeten
hebben voeren; de natuurwetenschap, omdat hij haar in de jaren die hem na
het proces nog gegund waren, de schoonste vrucht van zijn geest, de Discorsi, geschonken heeft.
162. Er is in het gehele Galilei-proces slechts één
wijs man geweest, de kardinaal Bellarminus. Reeds een jaar voor de
beslissing van 1616 gaf deze in een brief52 aan den Carmeliet Foscarini aan hem en Galilei den raad,
het Copernicaanse stelsel ex suppositione te behandelen,
dus alleen te betogen, dat de verschijnselen der planeten eenvoudiger te
redden zijn, wanneer men de zon dan wanneer men de aarde als wereldcentrum
kiest. Met het oog op de moeilijkheden die van theologische zijde waren
opgeworpen, achtte hij het de aangewezen gedragslijn om, zolang er geen
doorslaggevende bewijzen voor de aardbeweging geleverd waren, op deze wijze
de astronomie ongestoord te blijven beoefenen en de harmonie met het geloof
in stand te houden. Galilei echter, overtuigd als hij was, dat hij die
bewijzen wel bezat (waarin hij, zoals we thans weten, dwaalde) was voor dit
soort wijsheid, die dezelfde was als die van Osiander, nu juist helemaal
ongevoelig en zo hij al ooit getracht heeft, er naar te handelen, heeft hij
het toch niet van zichzelf kunnen verkrijgen, dit te blijven doen. 53
|
2Beeckman-de Waard,
Dijksterhuis (1), De Waard (3).
3Beeckman, Journael I 262.
4Beeckman, Journael I 264.
5Beeckman, Journael I 10, 24-25, 44, 157, 253.
6Beeckman, Journael I
24-25.
7Duhem (1),
Dijksterhuis (1), Koyré (1) (2), Olschki (2).
9Alle bewijsplaatsen voor het volgende bij Dijksterhuis (1).
10Beeckman, Journael I 263-64.
11Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII 260.
12Galilei, Brief aan Ingoli. Ed. Naz. VI 545.
13Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII 171. Verg. den
brief aan Ingoli, Ed. Naz. VI 546.
15Galilei, Discorsi III. Ed. Naz. VIII 242.
16Galilei, Dialogo I. Ed. Naz. VII 43, verg. 56.
17Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII 171.
18Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII
190.
19Galilei,
Il Saggiatore c. 38. Ed. Naz. VI 319.
20Galilei, Dialogo II Ed. Naz. VII
168.
21Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII 170.
22Galilei, Ed. Naz. VI 545.
23Galilei,
Dialogo II. Ed. Naz. VII 188.
24Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII
214.
25Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII 220.
26Galilei, Discorsi I. Ed. Naz. VIII 139.
27Galilei, Discorsi VI.
Ed. Naz. VIII 319-346.
28Dijksterhuis (1), Koyré (1) III.
30Galilei, Dialogo III. Ed. Naz. VII 423.
31Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII 217.
32Galilei, Il Saggiatore. Ed. Naz. VI 232.
Verg. Ed. Naz. XI 112-113. XVIII 295. XIX 625.
33Galilei, Dialogo II. Ed. Naz. VII 250.
34Dijksterhuis (1) 373-382.
35Huygens, De Vi Centrifuga. Oeuvres XVI
259.
36Huygens, De Motu Corporum ex Percussione. Avertissement.
Oeuvres XVI 21.
37Huygens, Travaux
divers de Statique et de Dynamique de 1659 à 1661. Oeuvres XVI 421.
38Huygens, De Motu Corporum ex Percussione. Oeuvres
XVI 30-91.
39Huygens, Ibidem. Prop. VI. Oeuvres XVI 49.
40Huygens, Ibidem. Prop. VIII. Oeuvres XVI 53-65.
41Huygens, Ibidem. Prop. XI. Oeuvres
XVI 73.
42Huygens, Ibidem. Appendice I. Oeuvres XVI 102, 116,
131.
43Huygens, Pièces
concernant la question du ‘Mouvement
Absolu’. Oeuvres XVI 221.
45Huygens, Pièces concernant la
question du ‘Mouvement Absolu’.
Oeuvres XVI 213-233.
46Huygens,
Ibidem. Oeuvres XVI 222, 231.
47Huygens,
Ibidem. Oeuvres XVI 216.
48Huygens, Ibidem. Oeuvres XVI 226.
49Bieberbach, Dessauer, Favaro, von Gebler, Grisar, Müller,
Sherwood Taylor, Wohlwill.
50Galilei, Ed. Naz. VI 389.
51De
nummering der psalmen is volgens de Vulgaat; in de Statenvertaling zijn
de nummers één hoger.
53Galilei, Ed. Naz. XII 171.
|
|