|
|
|
| |
| | | |
549. Het stont een moeder reene.
Het stont een moeder reene
neffens dat cruycen hout,
seer druckelick in weene,
sach sy haer soon eerbaer
hanghen, als puer reyn gout,
int vier des lijdens swaer.
t' sweert druckelick doorsneet,
och, hoe was dan in smerte
bedruct, benaut, bezweet,
Godts moeder, als groot leet
wiert aanghedaen seer wreedt!
Voor haer noyt droever tijt.
die niet bedroeft sou zijn,
in sulck' een zwaere pijn?
Wien sout aen hebben niet,
die saegh' op elck termijn
van al zijn volck onvroet,
sach sy, met druck beladen,
Jesum, deurwont, bebloet;
sy sach in s'drucx foreest
als hy gaf zijnen gheest.
dat ick, als de gheriefde,
smaken de cracht terstont
| | | |
Doet toch mijn herte branden
tot Godt nacht ende dach;
bindt met der liefden banden
in t' hert' al zijn verdrach,
hem, soo doorwont voor my;
Beweecht mijn herte binnen,
soo langh' ic leve cranck,
des cruyce lijden stranck:
tis doch al mijn verlanck
om neffens t'cruys te staen.
Maecht der maechden verheven,
doet my hier Christus doot,
syn passi', bitter leven,
draghen in t' herte bloot;
t' sy in vreucht, oft in noot,
deur een liefd' onbevlect,
Maect my deur u doch vierich,
bevrijt my vant dangierich
vier en d'eeuwich torment;
deur Christus cruyce wendt
van my t' sondich ghetreur;
des blijschaps soeten geur.
3, 7. op elck termijn, 't elken stonde, een rederijkerslap (W.t.a.p.). - 4, 6. s'drucx foreest = een wond van druk, evenals een zee van smarten. - 5, 3. als de gheriefde = de geholpene. - 5, 6. gru, gruwelijk leed. - 6, 4. verdrach, plaga, het lijden dat de Heiland moest verdragen (W.t.a.p.). - 6, 8. Paenas mecum divide. - 7, 4. Crucifixo condolere. - 8, 7. Et plagas recolere.
| |
Tekst.
Het prieel der gheest. melodie, Brugghe 1609, bl. 111, ‘op de wijse: alsoot beghint’; - Het Paradiis der gheest. vreuchden, Antw. 1617, bl. 37, ‘op de wijse: Myn droefheydt moet ick klaghen’; - herdrukt door Willems, Vertalingen van het kerkgezang Stabat mater dolorosa, in Belgisch museum, Gent, III (1839), bl. 443 vlg.; - Catholijck sanckboeck, (later verschenen als: Gheest. harmonie), Embrick (1620), exempl. zonder titelblad, uitg. 1633 (?), nr. 55, bl. 78, zonder wijsaanduiding; - S. Theodotus, Het Paradys der gheest. en kerck. lofsangen (1621), 5de druk, 1648, bl. 156, ‘op de voorgaende wijs’, de wijs van het lied: ‘Jesu ons liefd' / ons wenschen’.
Over de Nederlandsche vertalingen van het Stabat mater, zie Dr. Jan te Winkel, Gesch. der Ndl. letterk., I (1887), bl. 428, aant. 3, en L. Petit, Bibliographie der Middelnederlandsche taal- en letterk., 1888, bl. 185, nr. 798.
| |
Melodie.
Het prieel, t.a.p.; - S. Theodotus, bl. 153, en I. Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, Antw. 1635, bl. 263, voor: ‘Vriendinne Gods, Colette’, zelfde zangwijs, hierboven weergegeven naar het metrum van den tekst. Deze zangwijs zoowel als de melodie: ‘Van liefden comt groot liden’ (zie hiervoren III, nr. 546, bl. 2148), en evenzoo de melodie: ‘Si ghinc den bogaert omme’ (zie hiervoren I, nr. 44, bl. 241), stamt af van de Hildebrands melodie: ‘Ick wil te lande rijden’,
| | | |
zie hiervoren I, nr. 5, bl. 37. - Vgl. W. Bäumker, Das katholische deutsche Kirchenlied, II, nr. 305, bl. 288: ‘Wer Ohren hat zu hören’. Het aangehaalde lied: ‘Myn droefheydt moet ick klagen // [fortuyn is mij geschiet’], waarvan de tekst o.a. voorkomt onder nr. 23 van het Lb. met emblemata, Hs. van c. 1635, nr. 19544 der K. Brusselsche Bibl., werd voorgedragen op de melodie: ‘Fortune, hélas pourquoy’. Zie voor deze zangwijs - ook te vinden in Het prieel enz., bl. 13, voor: ‘Laet ons met lof en sanghen’ - Dr. J.P.N. Land, Het luitboek van Thysius, nr. 92.
|
|
|