
‘Satanse jongen, hou die bout vast!’
‘k Hou 'm toch vast, baas?’
‘Noem je dat vasthouden? Jij zult nooit een goeie smid worden!’
Peter Hajo zweeg even. ‘Wil ik ook niet,’ pruttelde hij toen.
‘W-wat zeg je? Wil jij geen smid worden?!’
‘Nee, baas. 'k Wil naar zee.’
Meester Wouter, de hoefsmid uit ‘De IJzeren Man’, liet de zware voorhamer, die hij juist had opgeheven, van verbazing een seconde lang in de lucht zweven. Toen dreunde een mokerslag; de vonken stoven meester en knecht om het gezicht. ‘Gekkenpraat!’ zei de hamer in zijn ijzeren taal.
Peter Hajo keek zwijgend naar het roodgloeiende bouteinde.
Hij verstond de taal van de voorhamer! Als hij in het halfdonker van de wintermorgen de rossig-schemerende smederij binnenkwam, had hij buiten al gehoord hoe zijn baas gemutst was.
‘Zou je niet eens trekken?’ gromde meester Wouter. ‘Het vuur is zowat uit! Op die manier zou ik de hamer platslaan en de bout zou rond blijven!’
‘Hoe kan ik trekken, baas, als ik...’
‘Ben jij een joffer, dat je die bout niet met één hand kunt vasthouden?’
Peter Hajo was geen joffer. Hij klemde zijn rechtervuist om de bout, trok met de linker de blaasbalg, liet het niet merken dat de slagen hem nu tot in de straffe spieren van zijn rug zeer deden. Een brede lach verscheen op zijn met roet overdekte jongenskop toen hij vroeg: ‘En als ik m'n neus moet krabben, baas?’
‘Leg 'm maar op het aambeeld, dan zal ik 'm met m'n hamer krabben! Wat moet je op zee! Haringvissen? Om te verdrinken, zoals je vader, of door de Duinkerkers naar de galeien te worden gebracht?’
‘Ik wil met de walvisvaarders mee, baas. Maar...’ Peter Hajo slikte wat weg. ‘Jongens van veertien willen ze niet hebben! Je moet zestien wezen. - Vis jij maar stekelbaars, zeggen ze!’
Baas Wouter meesmuilde.
Maar zijn gezicht betrok toen zijn boze vrouw de smidse binnenstoof en snauwde: ‘Ben je doof? D'r is al driemaal volk geroepen in de winkel, en m'n bieten staan aan te branden!’
De hoefsmid uit ‘De IJzeren Man’ keek verbluft naar de deur, die alweer met een slag dichtgevallen was, zette toen grommend de voorhamer neer. Peter Hajo bleef alleen, - tuurde in de vlammen van de oven.
‘Kom maar eens terug als je zestien bent...’ - Over twee jaar! Alsof hij niet het werk van een zestienjarige jongen zou kunnen doen! Hij zétte het alle zestienjarige jongens in Hoorn om die bout vast te houden zoals hij dat daareven had gedaan! Was er één bij, die hem aandurfde? Had hij Peer den Vos geen pak slaag gegeven als hij in zijn leven niet had gehad, omdat hij (zonder het te vragen!) in de bijt was gaan vissen die Peter Hajo in het ijs had gekapt? Peer den Vos, die wel een hoofd groter was dan hij!
't Was een gemene streek om hem als landkikker te laten rondspringen, hem, die, toen hij nauwelijks lopen kon, de touwen die de binnenzeilende vissers zijn oudere vrienden toewierpen al met een echte zeemansknoop om de meerpalen sloeg; hem, die zich op z'n vijfde jaar stiekem in vaders botter had verscholen en mee ter haringvangst was gegaan!
Hoe snakte hij ernaar op zee te zwalken zonder een streepje land mijlen in de omtrek; hoe snakte hij ernaar de wijde wereld te zien en met echte zeebenen terug te komen en op te snijden net als die bruingebrande pikbroeken die met Jan Pieterszoon Coen naar de Oost waren getogen en nu de waarheid spraken of logen, juist als het hun inviel, zonder dat een landrot zeggen kon: ‘Je zuigt uit je duim!’ - De Oost... daar was voorlopig helemáál geen kans op. Misschien later, als hij eerst een paar reizen met een walvisvaarder had gemaakt; als het vel van zijn handen was gebarsten door het zout; als de traanlucht in z'n haar en in z'n kleren hing, - misschien zouden ze hem dan willen meenemen. Jandorie! Peter Hajo zag een beeld opdoemen van bergen, fladderende papegaaien, dansende wilden, van apen, tijgers, krokodillen...
Weg was het beeld.
Daar stond Peter Hajo, leerling in de hoefsmederij ‘De IJzeren Man’. Daar lag de bout die hij zo meteen weer moest vasthouden; daar hing de balg... Twee jaren nog zou hij tussen grauwe wanden en smerige ruitjes de blaasbalg moeten trekken en bouten vasthouden. Twee jaren zou hij, in plaats van de zeewind die hem het bloed deed bonzen, ijzerlucht en de stank van geschroeide paardehoeven moeten opsnuiven. Peter Hajo, ‘wilde’ Hajo: een meeuw in een kooi, een haai in een boerensloot...
Stil! Wat hoorde hij daar! Buiten op straat kwam een troepje jongens voorbij, lachend, door elkaar heen schreeuwend en met veel geklepper van klompen over de straatkeien.
Peter Hajo wist dat ze in de haven zouden gaan botkloppen. En hij? Hij...!!
Toen meester Wouter enige ogenblikken later de smederij weer binnenkwam, zette hij grote ogen op.
‘Satanse jongen!’ mompelde hij. Grimmig pakte hij de bout op; de hamer viel met het geweld van een donderslag op het gloeiende ijzer.
Peter Hajo was verdwenen.