Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog


auteur: Robert Fruin


bron: Robert Fruin, Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog. 1588-1598. Martinus Nijhoff, Den Haag 1899 (vijfde druk)


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

XI. Het gouvernement van Ernst van Oostenrijk. - Verovering van Groningen.

In die dagen landvoogd der Nederlanden te zijn was voorzeker geen benijdbaar lot. En toch had onlangs een man van de edelste geboorte, in een veel begeerlijker werkkring geplaatst, de landvoogdij op zich genomen: Ernst, aartshertog van Oostenrijk, broeder van den Duitschen Keizer en neef van Philips, dezelfde die door Feria aan de Staten te Parijs voor de kroon yan Frankrijk was aanbevolen2).

[p. 134]

Om de bedoeling van Philips met deze aanstelling te begrijpen moeten wij eenige jaren teruggaan.

Het is bekend dat de burgeroorlog in Duitschland, die Karel V tot den afstand van de keizerlijke waardigheid had bewogen, ook tusschen de Oostenrijksche en Spaansche takken van het huis van Habsburg tweedracht had verwekt. Om andere redenen buitendien waren Philips en Keizer Maximiliaan van elkander vervreemd1). Maar een onverwachte gebeurtenis bracht hen, na langdurige verwijdering, weer tot elkander: de eenige zoon, dien Philips uit drie huwelijken had overgehouden, de ongelukkige Don Carlos, stierf; door zijn dood werd de Infante Isabella vermoedelijke erfgename der kroon, en door haar hand zou die in een ander koningshuis worden overgebracht. Niet smartelijker kon de familietrots van Philips gegriefd worden2); om de Spaansche erfenis althans in het huis van Habsburg te houden, wendde hij zich tot zijn neef, den Keizer, en stelde hem een huwelijk voor tusschen de Infante en een der aartshertogen. Reeds in 1568 werd tusschen beide hoven over deze verbintenis onderhandeld3).

Maar nog was Philips niet te afgeleefd voor een vierde huwelijk; hij koos zich een zuster van den neef, dien hij zich tot schoonzoon bestemd had, Anna van Oostenrijk, tot gemalin, en verwekte bij haar vijf zonen, van welke echter alleen de jongste, Philips geheeten, in leven bleef. Op dezen gingen natuurlijk de erfrechten, die de Infante een poos bezeten had, over. Haar hand werd dus voor de aartshertogen weer minder begeerlijk, en de huwelijksplannen bleven een tijd lang rusten. In dien stand van zaken stierf Maximiliaan, en werd door zijn zoon Rudolf opgevolgd4); zijn weduwe Maria, een eigen zuster van Philips, en aan

[p. 135]

dezen door innige liefde gehecht, wenschte niets vuriger dan het beraamde huwelijk tusschen een harer zonen en de dochter van den geliefden broeder tot stand te zien komen. Zij vestigde haar verblijf te Madrid, en hield niet op aan de vervulling van haar wensch te arbeiden. Wat kon daaraan in den weg staan? Zij had haar zoon Rudolf overgehaald de hand der Infante aan Philips te vragen, en deze had beloofd, dat, als die vraag in den gebruikelijken vorm werd herhaald, zijn toestemming terstond volgen zou. Maar juist thans, nu Rudolf verzekerd was van in zijn aanzoek te zullen slagen, begon hij te weifelen; hij zocht uitstel en verschoof van jaar tot jaar den beslissenden stap. Te vergeefs bad hem zijn moeder, dat hij toch een besluit nemen, de Infante voor zichzelf vragen, of anders vergunnen zou dat een zijner broeders, Ernst bij voorkeur, haar vroeg. Tot geen van beide kon hij echter besluiten; waarschijnlijk wilde hij het sterven van den ziekelijken Infant afwachten; misschien ook hoopte hij door te talmen voordeeliger voorwaarden te bedingen, hij vlamde op een aanzielijk huwelijksgoed. Zoo ging jaar op jaar met plannen maken en onderhandelen voorbij, totdat de dood van Hendrik III aan Isabella aanspraak gaf op de Fransche kroon. Nu was langer verwijl niet mogelijk, het was meer dan tijd voor de pretendente op den Franschen troon om een gemaal te kiezen. Op het laatst van 1591 zond Philips den Oostenrijkschen gezant, graaf Khevenhiller, in persoon naar het keizerlijk hof, om nogmaals aan Rudolf de hand der Infante aan te bieden, en daarbij uitzicht te geven op de Nederlanden als huwelijksgift1). Bleef Rudolf zwarigheid maken en uitstel vragen, dan moest de gezant hem uit's Konings naam dringend verzoeken, dat hij ein-

[p. 136]

lijk voorgoed afstand wilde doen van zijn eigen aanspraak, en erin toestemmen dat zijn broeder Ernst de door hem versmade bruid ten huwelijk kreeg, en zich dan tevens verbinden mee te werken om Ernst tot Roomsch Koning te doen verkiezen. Maar de Keizer kon evenmin besluiten zijn plannen op te geven als ze uit te voeren. Te vergeefs beijverde zich Khevenhiller om den besluitelooze tot het nemen van eenig besluit te bewegen. De toezegging der Nederlanden als bruidsschat was hem, naar het schijnt, te voorwaardelijk en te onzeker, en buitendien wenschte hij nog Milaan daarbij voor huwelijksgoed1). Terwijl hij zich bedacht, was Parma in ongenade gevallen, en in diens plaats bood thans Philips aan Ernst de landvoogdij der Nederlanden aan. Het was te voorzien, dat de nieuwe landvoogd, als Rudolf bleef aarzelen, met de hand van Isabella en met haar huwelijksgoed begunstigd zou worden. Volgaarne nam Ernst's Konings aanbod, onder zoo schitterende vooruitzichten, aan. Schoonzoon van Philips, koning van Frankrijk, althans hear der Nederlanden hoopte hij te worden, Roomsch Koning en later Keizer in zijns broeders plaats, misschien nog Koning van Spanje daarenboven: de kroon van Karel den Groote scheen binnen zijn bereik! De Keizer, toen hij vernam wat er, buiten hem om, tuschen Philips en zijn broeder besloten was, gevoelde zich bedrogen en in zijn eer getast, en hij ontstak in zoo hevigen toorn, als zijn hartstochteloos gemoed slechts zelden beroerde: de bruid, die hij aan niemand gunde, al begeerde hij ze niet voor zichzelf, zou aan een ander macht en eere aanbrengen; misschien zou de invloed van Philips, hem nog ten behoeve van dien schoonzoon van de keizerlijke waardigheid zelf berooven. - Had hij in de toekomst vooruit kunnen zien, hij zou geen reden gevonden hebben om zijn broeder te benijden: een jaar van zorgen en hartzeer en een vroegtijdige dood was al wat deze te gemoet ging.

Gedurende de twee laatste jaren had Ernst, voor zijn minderjarigen neef, den later als Keizer van Duitschland zoo bekenden

[p. 137]

Ferdinand II, diens erflanden Stiermarken en Illyrië bestuurd. Hij had zich in die betrekking alleen als een goedhartig en zwak man doen kennen; hoezeer ijverig katholiek, had hij door zijn slapheid het onder zijn voorganger snel vooruitstrevend katholicisme weer terug laten dringen. Maar zelfs die nalatigheid kon Philips niet weerhouden van hem de gewichtige landvoogdij der Nederlanden toe te vertrouwen: integendeel, zijn zwakheid maakte hem eerst recht geschikt voor zijn post, want evenals Mansfelt moest hij slechts voor scherm dienen, waarachter, in het verborgen, de Spanjaarden Fuentes en Ibarra het bewind zouden voeren.

In Juni kwam het bericht zijner aanstelling te Brussel; het werd Januari eer hij er zijn intocht deed. Tweeërlei tegenstrijdig gerucht ging voor hem uit: volgens sommigen kwam hij om vrede te maken en had hij volmacht van den Koning om, op de voorwaarden die hijzelf goed vond, met de Vereenigde Provinciën te onderhandelen; volgens anderen daarentegen bracht hij aanzienlijke geldsommen mede, en werden overal nieuwe regimenten voor hem aangeworven; krachtiger dan ooit zou hij den oorlog tegen de opstandelingen voortzetten1).

Aan beide geruchten was iets waars: Ernst verlangde niets vuriger dan vredemaker te zijn, maar de voorwaarden, die alleen aannemelijk waren voor de Staten, mocht hij hun in geen geval toestaan: wat baatte dus zijn vredelievendheid? Wat de nieuwe strijdkrachten betreft, aan soldaten was geen gebrek, maar wel aan soldij: de schat, die hij meebracht, was aanzienlijk, maar er was veel oude schuld af te doen; wat er overschoot zou spoedig zijn opgeteerd, en zonder geregelde betaling was vermeerdering der krijgsmacht vruchtelooze verzwaring van den druk, waaronder de bevolking zuchtte. Op onze Staten daarentegen werkte het vooruitzicht van verdubbeld krijgsgeweld en verraderlijken vredehandel gunstig; alleen door krachtig en gelukkig oorlogvoeren, zij zagen het in,

[p. 138]

konden zij net volk den angst voor's vijands overmacht en den lust tot vrede benemen. Er werd besloten nog vierduizend Duitsche voetknechten en driehonderd ruiters in dienst te nemen; van Elisabeth kreeg men verlof om voor eigen rekening nog vijftienhonderd man in Engeland aan te werven. Zoo versterkt, zou het leger in staat zijn om in den aanstaanden zomer iets gewichtigs uit te voeren.

Wat dit wezen zou, was niet twijfelachtig: vriend en vijand hadden het oog op Groningen gericht; het lot dier stad stond beslist te worden. In de Ommelanden was den geheelen zomer tusschen Verdugo en Willem Lodewijk onafgebroken geoorloogd; de een trachtte de insluiting der stad te voltooien, de ander haar te beletten. De toestand van de stad was op den duur onhoudbaar; zij was van allen handel verstoken, sedert de verovering van Koevorden door de Staten haar ook de gemeenschap met het zuiden ontnomen had; van de zee sloten haar al vroeger Soltkamp en Delfzijl af, en eenige naderbij gelegen forten maakten zelfs het verkeer met de Ommelanden onveilig. Slechts één weg naar Duitschland stond nog open1), waarlangs de koopman zijn goederen met groot gevaar en kosten op karren vervoerde; het was niet meer dan een onzeker pad, door de kunst in het diepe moer der Bourtange aangelegd2). Ook dien eenigen uitweg wilde nu de Friesche stadhouder versperren; hij riep daartoe de medewerking van Maurits in, juist toen deze Geertruidenberg had veroverd. Maar Maurits werd, zooals wij zagen, aan de zuidergrens bezig gehouden; al wat hij doen kon was het leger van Willem Lodewijk met twintig vaandels voetvolk en tien vaandels ruiterij te versterken. Aan den anderen kant trokken nog talrijker Spaansche benden Verdugo te hulp, gelukkig evenwel niet zoo tijdig en niet zoo snel. Dus had het Friesche leger een poos de overhand, en

[p. 139]

van die gelegenheid maakte Willem Lodewijk uitmuntend gebruik. Zijn eigenlijk doel verbergend, rukte hij onverwachts over het moeras, dat bij het buitengewoon droog weder begaanbaar was geworden, legerde zich op het harde pad, en begon in aller ijl op den eenigen zandheuvel, waarover het liep, een sterkte op te werpen, die den geheelen weg beheerschen zou. Eer hij nog met dit werk gereed was, kwam Van den Bergh met de verwachte versterking voor Verdugo aan; te vergeefs trachtte Willem Lodewijk hun vereeniging te beletten; vereenigd waren zij machtiger dan hij. Al zijn beleid werd van nu af vereischt om, terwijl de sterkte van Bourtange voltooid werd, den vijand bezig te houden, zonder een slag te wagen, dien hij weinig kans had te winnen. Hij slaagde hierin volkomen: tot zijn geluk was het jaargetij reeds verloopen en het weder niet meer te vertrouwen, zoodat Verdugo geen ernstigen aanslag over het moeras op het pas voltooide fort durfde ondernemen; het bleef, in de handen der Friezen, aan de Groningers den laatsten uitweg afsluiten. Als dat zoo duren moest, was Groningen verloren; Verdugo begreep het, en niet wetende wat anders te doen, begon, hij nu de winter reeds naderde, het sterke Koevorden in te sluiten, in de hoop van het misschien door gebrek tot overgaaf te dwingen. De onderneming was wanhopig: Koevorden was, juist toen de insluiting begon, ruim |van leeftocht voorzien; en vanwaar zou Verdugo zelf, den langen winter door, zijn levensmiddelen bekomen? Maar, aan den anderen kant, goede kwartieren voor zijn leger waren er niet in de nabijheid van Groningen, en als hij zich verwijderde van de stad, was zij zoo goed als aan den vijand prijs gegeven. Om die reden besloot hij tot het beleg van Koevorden, hoe weinig kans hij had van daarin te slagen. Toch was de uitkomst nog veel nadeeliger dan hij had kunnen voorzien; terwijl den belegerden niets ontbrak, zoodat zij aan ziekte maar één man verloren, en's vijands wapenen hen zoo weinig deerden, dat slechts een enkel soldaat sneuvelde, vergingen de belegeraars van koude en gebrek: een tijdlang stierven er dagelijks dertig tot veertig. Met honderden verliep hun manschap; nieuwe regimenten kwamen gedurig uit Brabant aan, maar even onverzorgd en onbetaald, en even snel versmolten ook deze. Toen de muiters zich in Henegouwen en Artois hadden genesteld, ontliepen de soldaten van voor Koevorden zelfs daarheen. Wat er

[p. 140]

van de ongelukige streek werd, waarin dit krijgsvolk huisde, kunnen wij ons voorstellen: de ziekte en de sterfte sloeg van de soldaten op het landvolk over; zonder bloedstorting verwekte de oorlog hier zijn vreeselijkste rampen.

Geen wonder dat, toen Manrits, in het laatst van April, met een goed toegerust leger van tienduizend voetknechten en tweeduizend ruiters van Zwolle tegen de belegeraars optrok, dezen hem niet afwachtten, maar het beleg, dat eenenveertig weken geduurd had, vanzelf opbraken. En daarop, zooals te wachten was, trok Maurits voort, naar Groningen.

De stad was sterk, van alles ruimschoots voorzien, met een ontzaglijk geschut op haar wallen, met een bezetting van drie-duizend bezoldigde burgers en met negenhonderd oude Spaansche soldaten in de voorstad, die slechts op de toestemming der regeering wachtten om terstond binnen te trekken. Maurits had dus op langdurigen en bardnekkigen tegenstand te rekenen. Toch waren er in de Statenvergadering en in den krijgsraad, die meenden dat het leger zich maar te vertoonen had, om Groningen tot overgaaf te bewegen. Want het was bekend dat een aanzienlijk deel der burgerij vurig naar verzoening met de Vereenigde Provinciën verlangde, waardoor do stad uit haar gestadig verval kon worden opgebeurd. Het liet zich niet aanzien, alsof de oorlogskan s binnen kort ten voordeele van de Spanjaarden zou keeren; als de stad bun partij bleef aanhangen, ging zrj met ben te gronde. En geen Spaanschgezindheid bad haar indertijd tot afval van de Unie bewogen, maar naijver op de Ommelanden, die zij, in het overoude geschil, boven zich door de Generale Staten begunstigd achtte: geen genoegzame reden, voorwaar, om thans nog langer in een staat van afzondering te volharden, die alle welvaren moest vernietigen. - Maar de lagere volksklasse, die bij den dag leeft en niet op de toekomst let, bekreunde zich minder om den tegenspoed van de gezeten burgerij; zij was katholiek en koningsgezind, en werd door de geestelijkheid in haar geloofsijver en striijdlust aangevuurd. Sedert een paar jaren bestond er een Jesuïeten-college in de stad1): als overal waren de

[p. 141]

Jesuïeten ook hier de volksleiders en de heftigste voorstanders van de Spaansche regeering. Zij begrepen hoeveel er aan gelegen was de stad voor den Koning te behouden: ging zij verloren, dan verdween alle hoop om het noorden te herwinnen. Voordat hij Weenen verliet, had Ernst aan de Groningers reeds geschreven: zij zouden zich toch niet in onderhandeling met 's Konings vijanden inlaten; hij hoopte hun nog bij tijds te hulp te komen1). En nu hii de regeering aanvaard had, wilde hij zijn woord gestand doen; aan Fuentes droeg hij op de stad te gaan ontzetten.

Het was half Mei toen Maurits en Willem Lodewijk voor Groningen verschenen; de hoop om de stad bij verdrag te winnen werd dadelijk verijdeld: de gematigde regeering zag zich door de Spaanschgezinde menigte tot krachtdadige verdediging genoodzaakt. De belegering, waartoe dus de stadhouders moesten overgaan, was uiterst moeielijk en vorderde langzaam; de zestig zware stukken, die tegen de stad in batterij gesteld werden, beschadigden haar slechts weinig. Maar minder dan van de uitwerking van Maurits' geschut hing het lot van Groningen af van den uitslag der maatregelen, die Ernst en Fuentes tot haar ontzet zouden aanwenden. Gezanten, door de burgerij naar Brussel gezonden, hielden bij den landvoogd onophoudelijk op het afzenden van een machtig ontzettingsleger aan; zij ontvingen dagelijks de stelligste beloften, Fuentes in persoon was steeds op liet punt van den tocht te aanvaarden. Maar meer dan beloften verwierven zij niet2). De landvoogd, van wiens strijdkrachten en geldmiddelen zoo hoog was opgegeven,

[p. 142]

was niet in staat om een genoegzaam leger bijeen te brengen. De muiters van Pont sur Sambre en van St. Pol bleven onbetaald en in opstand; andere troepen, even slecht bezoldigd, werden tot het ontzet bijeengetrokken, maar nauwelijks vereenigd, durfden ook zij de vaan der muiterij opsteken; zij kozen Sichem tot hoofdkwartier, en noodigden al hun krijgsmakkers uit zich met hen te vereenigen, om de regeering tot het voldoen der verschuldigde soldij te dwingen. In veertien dagen waren zij van vijfhonderd tot vijftienhonderd man te voet en achthonderd ruiters aangegroeid. Zij kozen zich een overste, een eletto, zooals zij, meerendeels Italianen, hem noemden, hielden behoorlijke krijgstucht en hieven tot hun onderhoud vaste contributiën over een wijden omtrek, tot in de nabijheid van Brussel toe. Hoe pijnlijk deed zich thans het geldgebrek gevoelen: zonder geld was geen bevrediging der muiters, zonder medewerking van dezen geen ontzet van Groningen mogelijk. Doch de Antwerpsche kooplieden, tot wie de landvoogd zich om eenig voorschot wendde, stelden geen vertrouwen in de Spaansche financiën, en weigerden1).

Onderwijl ging het beleg Tan Groningen voort. Het grof geschut, zonder juist groote schade aan te richten, vuurde geweldig; gloeiende kogels vlogen over de stad, en stichtten meermalen brand. In het bijzonder hadden de stadhouders het op een groot en sterk ravelijn, voor de Oosterpoort, waar de muur het zwakst was, gemunt; aan de inneming van dit punt, scheen de verovering der stad te hangen. Terwijl het uit een zware batterij hevig beschoten werd, was onder den grond de mijngraver bezig, ten einde het in de lucht te doen springen. De regeering begon te vreezen, dat de stad, lang voordat er ontzet te wachten was, stormenderhand veroverd zou worden; en, om haar de gruwelen te sparen, die daaraan gepaard gingen, besloot zij te capituleeren. Reeds waren de onderhandelaars benoemd, en de gijzelaars, die in hun plaats door de stadhouders zouden gesteld worden, aangewezen: een ieder vleide. zich dat een schikking nabij was, toen plotseling het gemeen in oproer kwam, dreigend het raadhuis bezette, en op hoogen toon het afbreken der onderhandelingen vorderde. Jarges, de eenige ijverige Spaanschgezinde onder de burgemeesters, had dien oploop uitgelokt. Het

[p. 143]

gepeupel, om aan zijn woorden kracht bij te zetten, plunderde de huizen van bekende Staatschgezinden, en bedreigde zelfs hun leven. Van de opschudding, hierdoor veroorzaakt, maakten intusschen de schippers, een onrustig en ijverig roomschgezind slag van volk, gebruik en haalden de Spaansche vaandels uit het Schuitendiep in de stad1). Nu was het uit met de pas begonnen onderhandeling; de gematigden verloren hun invloed; Jarges, gesteund door de bezetting en het gemeen, kreeg het bewind in handen.

De wapenen moesten dus beslissen: het ravelijn bij de Oosterpoort werd met vernieuwde hevigheid beschoten, om des te beter het mijnwerk verborgen te houden, waarvan men het meeste verwachtte. Eindelijk was de mijn gereed, een vreeselijke ontploffing deed de stad tot in haar grondvesten daveren, het ravelijn met al wat er op en nabij was werd in puinhoop uiteengeslagen, hondervijftig lijken lagen er onder bedolven2). In den eersten schrik maakten zich de Staatschen van het gewichtige punt meester, waaruit zij voortaan van naderbij de wallen bedreigden. Den belegerden ontzonk de moed; en hoewel de vesting nog in staat was om een langdurig

[p. 144]

beleg uit te staan, mits zij goed en vastberaden verdedigd werd, durfde zelfs Jarges niet langer op het ontzet wachten, dat steeds niet nader kwam: de onderhandeling werd weer aangeknoopt, wel nog eens afgebroken, maar toch ten laatste tot een gewenscht einde gebracht. Na ruim twee maanden belegerd te zijn, ging Groningen, den 24sten Juli, aan de Staten over. Niet als overwonnen vijand maar als herwonnen vriend werd liet door dezen behandeld: met de Ommelanden onder het stadhonderschap van Willem Lodewijk hereenigd1, werd het met gelijke rechten als de overige provinciën in de Unie opgenomen; de beslissing van het oude geschil tusschen Stad en Landen bleef echter aan de Staten-Generaal voorbehouden. De Spanjaarden en Spaanschgezinden, de Jesuïeten en hun aanhang verlieten de stad, de ballingen keerden terug; in de plaats van de katholieke regeering kwam een gereformeerde oligarchie aan het bewind; de vroeger niet gedulde gereformeerde godsdienst werd de alleen geoorloofde. Tot verzekering van dien nieuwen toestand bleef een talrijke bezetting achter; nog jaren moesten er verloopen, eer men dit jongste lid der Unie door een hechter band dan dien van den dwang aan de overige bondgenooten verbonden kon achten.

Groot was door het geheele land de vreugde over de roemrijke overwinning; zij vertoonde zich, naar den vromen aard onzer vaderen, in dankzegging aan den Heer der Heerscharen, en in uitdeelingen aan de armen, opdat ook dezen deelen mochten in de algemeene blijdschap. Nu eerst was Friesland beveiligd en de gansche noorderstreek van vijanden gezuiverd; het krijgsvolk, vroeger noodig om het platte land te beschermen, werd beschikbaar aan de zuidergrens; wat de vijand nog boven den Rijn in Twente en Zutphen bezat, kon hem in dit of in het volgende jaar gemakkelijk ontweldigd worden. Be held, aan wiens beleid en volharding

[p. 145]

in de eerste plaats die voorspoed te danken was, werd op zijn terugreis naar Den Haag overal, zooals hif verdiende, met gejuich en allerlei eerbetoon door de bevolking ontvangen. Elisabeth en Hendrik IV betuigden hun ongeveinsde vreugde over den voorspoed der Staten en hun ongeveinsde bewondering voor Maurits' krijgsbeleid.

Terwijl aldus de Vereenigde Gewesten over een behaald voordeel juichten, verblijdden zich de zuidelijke provinciën in het vooruitzicht op een betere regeering onder Ernst, al beantwoordde de nieuwe landvoogd aanvankelijk weinig aan de hooggespannen verwachting.

Men had zijn komst als die van een tweeden Messias te gemoet gezien1). Men had zooveel van zijn bekende rechtvaardigheid en zachtheid gehoopt, dat verstandigen tegen de overdrijving waarschuwden en zich op teleurstelling voorbereidden. Van hem verwachtte Nederland een nationale regeering, waaronder de hooghartige Spanjaarden bij de inlandsche grooten zonden achterstaan, een terugkeer van de dagen van Karel V en diens landvoogdes, Koningin Maria. Toen hij te Brussel zijn intocht hield, vertoonde men, hem ter eere, de rij der Oostenrijksche vorsten, die over Nederland geregeerd hadden; meer als landsheer dan als landvoogd werd hij ingehaald en gehuldigd. En landsheer gevoelde hij zich ook zelf; de hoop op de Fransche kroon was zoo goed als vervlogen, maar toekomstig gemaal der Infante en souverein van de zeventien provinciën mocht hij zich nog gelooven. Hij had meer hart voor de landen, die hij de zijne achtte, dan de meeste zijner voorgangers2).

Maar bij haar vreugde gaf de natie even duidelijk haar vurig verlangen naar vrede te kennen. Bij zijn intrede te Antwerpen

[p. 146]

wachtten den landvoogd, aan een eerepoort, twee groepen van nimfen op, de eene de zeven afvallige provinciën voorstellend, de andere de tien, die den Koning gehoorzaam waren gebleven; toen hij haar genaderd was, trad de Nympha Belgica te voorschijn en geleidde beide groepen in vrede en vreugde vereenigd tot hem. En diezelfde zucht naar vrede openbaarde zich bij elke gelegenheid, bij vertooningen en optochten, in prenten en libellen1). Men geloofde algemeen, dat ook in de noordelijke provinciën, zoo al niet bij de regeering, althans bij de bevolking de zucht naar vrede en verzoening toenam; en Ernst, die van Philips gemachtigd was om een billijken vrede te sluiten2), verlangde niets vuriger en geloofde zich bestemd om den langen krijg te eindigen. Gedurende het beleg van Groningen en terwijl tot ontzet dier stad Spaansche troepen verzameld werden, kwamen, onder voorwendsel van bijzondere aangelegenheden, twee Belgische rechtsgeleerden in Den Haag, en dienden bij de Staten een brief van Ernst in, die, zoo de opstandelingen een vrede op den voet der Gentsche pacificatie begeerden, tot onderhandeling leiden kon3). Maar de Staten duchtten juist niets meer dan een vredehandel, die zij begrepen dat tot niets anders dan tot opruiing der bevolking kon dienen. Want een vrede, zooals Philips verlangde, waarbij de afgezworen tiran weer als landsheer erkend werd, en de gereformeerde religie gevaar zou loopen, verafschuwden Maurits en Oldenbarnevelt en nagenoeg allen die in de regeering zaten; en een andere vrede op den grondslag der onafhankelijkheid en onder aannemelijke voorwaarden, was van Philips niet te hopen. Noodeloos zou dus de onderhandeling de burgerij in spanning brengen; misschien zouden enkele steden en provinciën op 's Konings voorstellen willen ingaan en zoo verdeeldheid onder de bondgenooten teweegbrengen, waarvan dan de vijand, sluw en verraderlijk, partij zou weten te trekken4).

[p. 147]

Uit dien hoofde zochten de Staten een voorwendsel om alle toenadering af te wijzen; en het verraad van de Spanjaarden hielp hun juist van pas aan hetgeen zij zochten. Er werd een aanslag ontdekt op het leven van Maurits en van andere invloedrijke staatslieden; de gevatte moordenaar beschuldigde in zijn bekentebnis verschillende ministers van Ernst, en eenigermate dezen zelf. Misschien was zijn aantijging lasterlijk, in alle geval kwam zij den Staten goed te pas. In een voortreffelijk staatsstuk, door Oldenbarnevelt opgesteld1), en als antwoord op den vredelievenden brief van Ernst uitgegeven, verklaarden zij, dat met een regeering die zich tot sluipmoord verlaagde niet gehandeld kon worden; dat 's vijands wapenen minder te duchten waren dan zijn zoete woorden van vrede; dat elke onderhandeling hem tot nog toe slechts een middel was geweest om tweedracht onder de bondgenooten te zaaien; dat zijn beloften ook geenszins te vertrouwen waren, omdat hij, volgens den pauselijken stelregel, aan ketters geen woord had te houden. Alle onderhandeling werd daarom voorgoed afgeslagen.

[p. 148]

Zoo was de sluwe staatkunde van Philips en van de school, waartoe hij behoorde, gewogen en te licht bevonden; zijn loosheid bleek dwaasheid te zijn. Hij had de spreuk van Lodewijk XI: ‘die niet veinzen kan, kan niet regeeren’, nageleefd zoolang hij op den troon zat, nu bleek het dat de volksspreuk: ‘eerlijkheid duurt het langst,’ wijzer was dan de slotsom van de oneerlijke staatkunde der eeuw. De katholieke geestelijkheid, sedert zij Huss, niettegenstaande zijn vrijgeleide, ter dood bracht, leerde den vorsten, dat men den ketters geen woord moest houden, als de Kerk daardoor benadeeld werd; nu weigerden de ketters alle geloof aan de verzekering der vorsten: niemand zag zich meer bedrogen dan de bedrieger zelf1).

Er schoot den teleurgestelden landvoogd niets over dan den oorlog voort te zetten. Maar hoe zou hij dien voeren? Zijn schatkist was ledig, zijn krediet uitgeput. De zilvervloot, die ieder jaar de schatten der Indiën naar Spanje overbracht, bleef juist dit jaar langer dan gewoonlijk uit; de onderwerping van Arragon, dat zijn geschonden privilegiën te vergeefs tegen den Koning had trachten te verdedigen, en in het vorige jaar met geweld van zijn overoude vrijheid was beroofd, had het geld dat voorhanden was, en nog meer daarenboven verslonden 2); en geldgebrek te Madrid had voor België verwarring, muiterij en nederlagen ten onvermijdelijken gevolge. De kooplieden, die hun geld tegen hooge rente aan de Brusselsche regeering hadden voorgeschoten, konden geen terugbetaling op den bepaalden tijd erlangen, en moesten zich te-

[p. 149]

vreden stellen met een plakkaat, dat hun toestond hun betalingen insgelijks uit te stellen, tegen vergoeding van een half percent 's maands aan de schuldeischers. De verwarring en de ontevredenheid daalden door deze vergunning tot in de laagste klasse des volks neder.

Wie zich lieten uitstellen, de soldaten niet; heviger dan ooit heerschte onder hen de geest der muiterij. De eerste gelden, die Ernst beschikbaar had gehad, waren aan de oproerigen van st. Pol en Pont sur Sambre uitgegeven; de muiters te Sichem vorderden zoo buitensporig veel, dat aan hun eischen niet te voldoen was; tegen hen besloot de anders zachtmoedige Ernst, waarschijnlijk op aansporen van Fuentes en Ibarra, geweld te gebruiken; hij liet met dat doel Spaansche soldaten oprukken. Maar op het eerste bericht van die toebereidselen trokken de bedreigden naar de Hollandsche grenzen en begonnen met Maurits te onderhandelen; het was te vreezen, dat zij desnoods met dezen gemeene zaak zouden maken. Om het ergste te voorkomen moest de landvoogd zich voor de muiters vernederen en met hen in schikking treden; hij ruimde hun Tienen als kwartier in, zorgde voor hun onderhoud, en gedoogde dat zij buiten dienst bleven zoo lang de achterstallige soldij niet geheel was aangezuiverd. Dus voorkwam hij het overloopen tot Maurits, maar hij moest aanzien hoe zij een rond jaar op kosten van het land teerden, zonder eenig aandeel te nemen aan de gewichtige krijgsbedrijven, die intusschen plaats hadden. Eerst zijn tweede opvolger, Albrecht, werd, niet vroeger dan het jaar 1596, in staat gesteld om hen af te betalen.

Wat van hen en huns gelijken het arme land te lijden had, laat zich niet beschrijven: de vroeger hoogst welvarende gewesten geraakten ontvolkt en woest. De natie, die bij den intocht Ernst nog vol hoop was geweest, werd wanhopig, nu alle uitzicht op vrede, zoowel als op doortastend oorlogvoeren, verdwenen was.

Niet minder dan het volk waren de edelen misnoegd en weerbarstig. Hun hoop op een nationaal bestuur onder Ernst was teleurgesteld: meer dan ooit waren het Spanjaarden die regeerden. En met wat recht? Had het verdrag van Atrecht niet bepaald, dat alleen inboorlingen in den Raad van State zitten zouden?

[p. 150]

In stelligen strjjd met den geest dier bepaling zag men, onder den naam van Raad van Oorlog en Raad van Financiën, twee staatslichamen, grootendeels uit Spanjaarden samengesteld, met het bestuur van alle gewichtige aangelegenheden belast1). In den eenen Raad was Fuentes, in den anderen Ibarra de hoofdpersoon. De trots van die lieden was onuitstaanbaar; zij hadden voor niemand ontzag, die niet van hun bloed en hun natie was. Daartegen verhief zich het eergevoel der Nederlandsche grooten, die in geboorte en aanzien voor niemand behoefden onder te doen, van Aerschot, uit het doorluchtige huis van Croy gesproten, wiens inkomsten en hofhouding vorstelijk waren, van Chimay, zijn zoon die, toen hij Ernst in Brussel binnenleidde, tweehonderd edellieden in zijn gevolg had2), van den ouden Mansfelt, die zelf de landvoogdij had bekleed, van Karel van Mansfelt, die opperbevalhebher van aanzienlijke legers was geweest, en van een aantal anderen, die zich minstens aan Fuentes gelijk gevoelden3).

[p. 151]

Niet beter waren Fuentes en de Spanjaarden, van hun kant, met de nieuwe regeering te vreden. De zwakke, door de jicht gefolterde, dikwijls bedlegerige landvoogd wilde niemand voor het hoofd stooten, en slingerde tusschen beide partijen; zijn rechtvaardig gemoed neigde meest tot de inheemsche edelen en ergerde de Spanjaarden, die gedacht hadden in hem een buigzaam werktuig te vinden. Brieven vol klachten gingen er aanhoudend van hen naar Madrid: zij verschoonden Ernst zelf, maar zijn bestuur keurden zij ten sterkste af: hij was een best man, een engel1), maar de raadslieden, dien hij ongelukkig gehoor gaf, bedierven alles; zijn ziekelijkheid stelde hem buiten staat om krachtig door te tasten, en dat toch was het eenige wat baten kon; met inschikkelijkheid was niets te winnen. Strenge rechtvaardigheid jegens de gehoorzame gewesten en oorlog met alle macht tegen de afvallige: dat was het stelsel, door de partij van Fuentes aanbevolen2).

Beviel de landvoogd niet aan zijn raadslieden, niet minder mismoedig was hijzelf. Hij had gehoopt, dat zijn bemiddeling vrede en welvaart zou stichten, en hij zag onder zijn bestuur de scheuring wijder en den toestand ondragelijker worden. Van het huwelijk met de Infante scheen niets te komen, evenmin van den afstand der Nederlanden. Een landvoogd zonder gezag, meer was hij niet. Het geldgebrek, waarin de Spaansche regeering hem liet, belemmerde al zijn daden. Gezant op gezant trok van zijnentwege naar Madrid, eerst Molar, zijn kamerheer, toen de heer van Dietrichstein, zijn vertrouweling, eindelijk zijn secretaris Westernach3), allen met dezelfde boodschap, dringend verzoek om meer geld, en betoog dat vrede met de noordelijke gewesten, hoe dan ook, noodzakelijk was. Daarbij werd het huwelijksplan niet vergeten; de nog steeds besluitelooze Keizer ergerde zich over de eerzucht van zijn

[p. 152]

broeder, die niet wachten kon totdat hij zelf eindelijk een besluit zou genomen hebben1).

Het jaar 1594 liep ten einde; tegen het volgende voorjaar dreigde nog grooter gevaar. Tot nog toe was de oorlog tegen Hendrik IV uitsluitend op Fransch grondgebied gevoerd, maar het liet zich aanzien, dat de Franschen dien thans naar België zouden overbrengen. De Waalsche gewesten, dien dit in de eerste plaats aanging, sidderden op het voornitzicht, en morden tegen de onbezonnen regeering, die hen aan nieuwe jammeren bloot stelde. Zij, tot nog toe de best gezinde, de minst met ketterij besmette, de eerste, die zich na de pacificatie van Gent met den Koning verzoend hadden, zij lieten zich thans het vinnigst tegen de regeering uit; zij hadden reeds geklaagd, toen Parma zijn losbandige en roofzuchtige benden, ter hulp van de Ligue, door hun gebied heen en weer voerde, en er zelfs in kwartier legde; nog meer werden zij verbitterd, toen hen de muiters van St. Pol en Pont sur Sambre maanden lang straffeloos uitplunderden en brandschatten; nu bracht hen het uitzicht op een gevaarlijken, en in hun oog nutteloozen, oorlog met Frankrijk, waarvan hun grondgebied het tooneel stond te worden, tot vertwijfeling. Reeds was Baligni, die zich tot heer van Kamerijk had opgeworpen, in verbond getreden met Hendrik IV, en plunderde uit zijn vesting, die de sleutel was van Artois en Henegouwen, al het omgelegen land af. Wat nog erger was: de Fransche Koning zelf kondigde hun thans plechtig aan, dat hij, zoo zij Philips niet wisten te bewegen om de Ligue voortaan aan haar lot over te laten, zich genooodzaakt zon zien, uit weerwraak, in hun landen te vallen. Dat hij die bedreiging zou nakomen, was even zeker als het onmogelijk was Philips van het ondersteunen der Ligue af te brengen.

Zoo ondragelijk werd de toestand der zuidelijke gewesten, zoo hevig het misnoegen tegen de Spaansche bewindslieden, dat een algemeene uitbarsting op handen scheen. De Spanjaarden schreven uit België naar Madrid, dat alleen ijver voor het roomsche geloof de edelen en de gemeente nog weerhield van tegen den Koning op te staan. Hoe lang zou die geloofsijver meer bij hen vermogen dan verontwaardiging en wanhoop? De Staten-Generaal, die dergelijke

[p. 153]

ontboezemingen in onderschepte brieven te lezen kregen1), voelden zich des te meer tot volharden bemoedigd; de hoop scheen niet ijdel van binnen kort al de zeventien gewesten aan den vijand te ontweldigen en in éêne Unie samen te vatten. Everard van Reyd, de vertrouweling van Willem Lodewijk, die, zeker beter dan wij thans, in staat was de kansen van het oogenblik te berekenen, is van oordeel, dat, indien de veelhoofdige regeering geen geheime onderhandeling verhinderd had, de republiek onder deze omstandigheden van de gezindheid der Belgische provinciën inderdaad partij had kunnen trekken.

Zooals gewoonlijk, deed ook nu de nood van het land op het bijeenroepen der Staten-Greneraal aandringen; van dezen alleen wachtte men nog heil. De landvoogd durfde den algemeen geuiten wensch niet ronduit weigeren, en riep de beide eerste standen der provinciën, geestelijkheid en adel, tegen kerstmis naar Brussel op; de steden liet hij te huis, om niet te moeten hooren wat hij wel voorzien kon dat deze hem te zeggen zouden hebben.

Maar zelfs in de vergadering, zooals zij nu bijeenkwam, waren de vrienden der regeering weinig in getal, en de meerderheid geheel doordrongen van den invloed der volksmeening. Ibarra was tegenwoordig, Fuentes niet, want deze maakte op de eerste plaats naast den landvoogd aanspraak, en Aarschot had stellig verklaard, dat hij hem die niet zou afstaan2). Diezelfde Aarschot, de eerste der Belgische edelen, voerde het woord uit naam der tegenstanders van de regeering; zijn taal was allerhevigst, en toonde niet alleen hoe verbolgen de adel was, maar ook hoe weinig hij de regeering ontzag. Hartstochtelijk beschreef hij de ellende van het land, de jammeren van den krijg, den overmoed der vreemde, inzonderheid der Spaansche, benden, die in haar moedwil nog gestijfd werden door de partijdigheid der oversten. Aan de Spanjaarden in de eerste plaats weet hij het ongeluk van België; als

[p. 154]

redmiddel eischte hij dat zij, naar luid van het verdrag van Atrecht, van het bestuur verwijderd zouden worden. Alleen de Nederlandsche adel had hart voor het land en kennis van zijn behoeften, hem alleen kwam het toe den landvoogd voor te lichten en raad te geven: hij zou, als de vreemdelingen het land hadden geruimd, wel middel vinden om met de Vereenigde Gewesten een goeden vrede te treffen, zonder welken's Konings gehoorzame onderdanen niet langer konden bestaan. Verkoos de regeering geen vrede te sluiten, volhardde zij bij het noodlottige stelsel, tot nu toe gevolgd, werd het land, in plaats van bevredigd, aan een nieuwen oorlog, met Frankrijk, prijs gegeven - dan bleef er voor de Nederlanders niets over dan zichzelf te helpen, en te toonen dat zij althans niet minder waren dan het kruipende gedierte, dat, als het vertrapt wordt, den kop verheft en op den verdrukker aanschiet. - Die woorden waren zoo goed als een oorlogsverklaring aan de Spaansche raadslieden van den landvoogd, en wat hun gewicht bijzette was de onverholen goedkeuring, die de meerderheid der aanwezigen hun schonk1). Zelfs Ernst nam het voor de Spanjaarden niet op, hij schaaarde zich veeleer aan de zijde der Statena2), wier advies hij vroeg omtrent zaken van godsdienst, rechtspraak, financiën en oorlog. Het uitvoerige rapport, dat zij na eenig beraad hem voorlegden, ademde denzelfden geest van onwil als de redevoering van Aarschot; met gelijken aandrang werd tot vrede met Frankrijk, nog stelliger tot verzoening met de Vereenigde Provinciën, geraden. Als toonbeeld van een goede regeering werd het gouvernement der Koningin van Hongarije aangeprezen, van die tante van Philips II, die zoo weinig met hem overeenstemde, dat zij het bewind had nedergelegd, zoodra hij zijn vader was opgevolgd3). Dit stuk, van blijkbaar vijandige strekking tegen Spanje, beloofde toch Ernst

[p. 155]

aan den Koning op te zenden. Hoe zou aan Philips zulk een handelwijs van zijn landvoogd behagen? Maar Ernst had zich niet lang meer om het oordeel van menschen te bekommeren. Een maand nadat hij het advies der Staten ontvangen had, stierf hij te Brussel den 20sten Februari 15951).