+
pag. 219. Hieronymus is hier 't volmaaktst epitheton,
Zoo juist en schoon als geen Homerus ooit verzon.
Hebt gij wel eens opgemerkt, welwillende, hoe innig sommige voornamen met den geslachtsnaam niet slechts, maar ook met het individu dat ze draagt, verbonden schijnen? Hoe die voornamen de menschen, als het ware, teekenen en kleuren! Kunt gij u voorstellen dat Mr. Willem Bilderdijk bijv. Hieronymus Bilderdijk, of Rhijnvis Bilderdijk zou hebben geheeten? met geen mogelijkheid! Kunt gij u een George, een Michel Feith denken, of iets anders dan een Joost van den Vondel? een Huig de Groot? ook een Henri van den Vondel? een Dirk of Joost de Groot? Neen, Bilderdijk
Moest
Willem, Vondel
Joost, de Groot
Huig genoemd worden, en Van Alphen
Hieronymus. Daar ligt voor mij in dien naam iets gemoedelijks, iets zwaars op de hand, iets, hoe zal ik het noemen? iets ‘de-naarstigheid-die-kinderdeugdachtigs,’ dat bijzonder overeenstemt met het individu, beschouwd als vervaardiger van ouwe-mannetjes-gedichtjes en van allerlei onaangename, onnatuurlijke Jantjes en Pietjes, kleine Hieronymusjes. Het voorgeslacht vergeve mij.... ik ben terstond bereid toe te geven, dat er wel vier aardige versjes in 't beroemde bundeltje te vinden zijn, en één enkel dat subliem is van gevoel. Toch is dat laatste eigenlijk geen kinderversje. Maar vele kinderen van mijn kennis en ik vinden die gedichtjes in 't algemeen te wijs en te pedant voor ons en de zedelijke heldjes van die gedichtjes min of meer onuitstaanbaar. Wij hebben meer sympathie voor Goeverneur en voor een ‘Hollandsche jongen’ van Hildebrand. Van zoo een kan iets groeien! Maar wat moet er worden van zoo'n zoet wijsgeertje à la Van Alphen? Arm kind, arme jongen, gij hebt uwen eisch niet gehad! Uw spelen was leeren.
Dit alles neemt niet weg, dat ik Van Alphen bewonder en liefheb op een ander terrein. Laat de kinderen liever zijn Cantate van buiten leeren dan die kindergedichtjes!
pag. 235. O Vorsten, wat geen goud of zilver kan betalen,
Doe uw verlichte gunst uw volk in de oogen stralen!
Hier zweefde den auteur zeker het puntig dichtje - op zijn Roemer Visschers - van den edelen Staring voor den geest, dat ik niet laten kan even uit te schrijven:
De ster, op de borst van den braven man,
Moest door de wolk van zijn nederigheid stralen,
En wat geen zilver, geen goud mogt betalen,
Daar spreekt de gunst des konings van.
Zoo strekt de brave ten baak voor ons allen!
Maar de ster op den rok van een gek of een guit,
Lokt het regterlijk oog van de menigte uit:
Dat schande en spot verplettrend op hem vallen!
Waarlijk, geheel de ‘Sint-Nikolaasavond’ schijnt wel niet anders dan een uitvoerige kommentaar van deze geestige regelen.