terug  begin  verder

[p. 190]

De Sint-Nikolaasavond.

Een Amsterdamsche Vertelling.+

I.

 
Wie heeft daar ooren voor een dwaas, ondeugend lied?
 
Wien belgt een losse scherts en ronde waarheid niet?
 
Wie laat mij vrijheid om te zeggen en te zingen
 
Al wat ik hoorde en zag, al zijn het vreemde dingen! -
 
Dat zal wel mettertijd verandren, menschen! maar
 
Ik wil niet veinzen voor mijn drie-en-twintigst jaar. -
 
Wie kijkt de wereld in met onbenevelde oogen
 
En wordt niet graag door schijn, hoe deftig ook, bedrogen!
[p. 191]

II.

 
Gij zijt mijn man en ik omhels u in den geest,
 
Voor u te zingen is mijn blijde jeugd een feest!
 
Voor u mijn frissche lach, mijn opgeruimde zangen:
 
Den ronden lach terug wil ik tot loon ontvangen,
 
Uw tranen wil ik niet. Die kostelijke schat
 
Komt beter u te pas op eigen levenspad,
 
En, zoo ik u verveel - de hachlijkste aller kansen -
 
Dan moogt gij bij mijn vers gaan slapen, fluiten, dansen.

III.

 
Ik zong mijn huidig lied alleen uit levenslust,
 
Soms in een dwaze bui, soms in den arm der rust.
 
Natuurlijk, dat ik dus mijn zinnen niet vermoeide
 
Met hopelooze Min of moord en gruwlen broeide.
 
'k Ben zorgloos en tevreên, mijn lied moet vroolijk zijn:
 
Brengt peper aan en zout, o Muzen! geen venijn.
 
Dees glimlach doet geen zeer, tenzij ge u boos zoudt maken,
 
Als ik met zeekren dwaas een nootje heb te kraken.

IV.

 
Beziel me, o plaaggeest der beminde Poëzij,
 
Beziel me, o schalke nimf der fijne plagerij!
 
Ik weet een klein verhaal vol vaderlandsche grappen,
 
Dat ik met hart en ziel mijn vrienden wil verklappen.
 
En zoo het waar mag zijn dat een verstandig man
 
Uit wat hij hoort of ziet een lesje trekken kan,
 
Dan durf ik veilig en vrijmoedig hier beweren,
 
Dat ge uit mijn kleen verhaal - al lacht gij - ook kunt leeren!
[p. 192]

V.

 
Ik put mijn stof uit geen bestoven foliant,
 
Maar 'k nam gedurig toch een aardig werk ter hand,
 
Een boek vol poëzie en proza, diepte en klaarheid,
 
Vol onzin en vol geest, vol laster en vol waarheid:
 
Voor wie maar lezen wil is 't altijd bij de hand
 
En in gezelschap soms bijzonder amuzant,
 
Een werk voor iedereen door iedereen geschreven,
 
Vol studie, vol natuur: 't is hoorders, 't is? Uw leven.

VI.

 
Mijn kunstloos drama, want dien naam verdient het wel,
 
Al breng ik niemand aan de poorten van de Hel,
 
Mijn vroolijk drama speelt in achttien honderd zeven
 
En veertig; dag en uur is lang niet om het even,
 
Raadt zelv': 't speelt op een dag, die, wat hij brenge of baar',
 
Toch altijd is en blijft de zoetste van het jaar,
 
De bitterste misschien, gelukkigen en rijken,
 
Voor d' armen snoeper, die bij alles toe mag kijken!

VII.

 
Een vriendelijke dag, een trouwe kindervrind,
 
Een dag, die elk van ons heeft liefgehad als kind,
 
En die nog pas uw beurs, uw kroost, uw maag, uw woning,
 
Bepaald in opstand bracht; een bisschop en een koning,
 
Vol zoetheid voor den mond, vol zielezaligheid,
 
Wiens naam gij langer niet kunt zwijgen, lieve meid,
 
Wie hij, jaar in jaar uit, een stroom brengt van cadeautjes,
 
Altijd incognito van twintig beaux en beautjes!
[p. 193]

VIII.

 
Sint-Nikolaas, niet waar? O wèl hem, wie dat feest
 
Nog altijd meêviert met een kinderlijken geest!
 
Wiens hoofd niet al te zeer vervuld is van die schatten
 
Der wijsheid, die, helaas, mijn brein niet kan bevatten,
 
'k Meen beursnieuws, politiek en soortgelijke meer,
 
Om, met zijn kindren meê, te leven in 't weleer,
 
Om dagen lang vooruit de winkels rond te dwalen,
 
Of aan een ‘vrijster’ nog zijn hart eens op te halen!

IX.

 
Ik min dien winterdag vol bloemen, lied en geur,
 
Ik min dat zoete feest van suiker en likeur,
 
Het zielverkwikkend ijs, de schuim der limonade,
 
'k Zie, liever dan in druk, mijn naam in chocolade!
 
En, Epikurus, zeg, is niet de lekkre tand
 
De trouwste paranimf der kies van 't waar verstand?
 
Vindt me' in de Republiek der stille lekkerbekken
 
Niet meestal wijze liên of - schadelooze gekken?

X.

 
't Was, hoorders, Sint-Niklaas. De trouwe Bisschop had
 
Zijn aankomst reeds gemeld aan IJ- en Amstelstad,
 
En keur van industrie en kunst vooruitgezonden.
 
Reeds zweeft en leeft zijn naam op duizend, duizend monden,
 
Reeds had hij overal om gulheid en ‘belet’
 
Geschreven en gevraagd met brieven van banket;
 
En - hoe me' ook elders nu een Bisschop zou ontvangen,
 
Sint-Niklaas wacht men op met zoete kinderzangen.
[p. 194]

XI.

 
O Bisschop! schoon 'k niet licht een Heilige vertrouw,
 
Gij zijt een Heilige, dien 'k haast aanbidden zou;
 
Eén daad van minzaamheid, van weldoen was uw leven,
 
Uw liefde heeft uw naam de onsterflijkheid gegeven:
 
Och, dwazen, die een naam, een grooten naam begeert,
 
Kent gij er een, zoo rein, zoo schoon, zoo stil vereerd,
 
Die dus, eeuw in eeuw uit, met hartlijkheid bejegend,
 
In 't hart der kindren leeft, door kindren wordt gezegend?

XII.

 
Ja, Kinderheilige, nog neemt mijn hart u aan!
 
En had de wereld slechts wat beter u verstaan,
 
Uw geest van weldoen en van liefde meer begrepen,
 
'k Zou met uw naamdag nog geruster kunnen dwepen.
 
Want, lieve hoorders, is 't niet kannibaalsch en wreed,
 
Dat men op zulk een feest het hongrig volk vergeet,
 
Dat met een zieklijk oog koomt op úw lekkers azen,
 
En met zijn bleeken neus kleeft aan de winkelglazen?

XIII.

 
Het was dan Sint-Niklaas. 't Is feest in stad en huis.
 
De straten zijn vervuld van 't woelig koopgedruis,
 
En menig woning vol verwachting en gezangen:
 
De kindren vol respekt, de meisjes vol verlangen.
 
Geen jonge bruigom, die zoozeer naar de' avond smacht,
 
Als menig schalke knaap dees grooten avond wacht,
 
‘Plein de mystères;’ zoo niet de eerste twijfelingen,
 
Reeds schuldig en waanwijs, zich in zijn hartje dringen.
[p. 195]

XIV.

 
En nu, mijn vrienden, nu gij dag en datum weet,
 
- Zoo duidlijk dat gij 't wis van avond niet vergeet, -
 
Geeft mij, na al die soep, nog weinige oogenblikken,
 
Om mijn tooneel en personages wel te schikken.
 
De klucht speelt binnenshuis; ik zou, wanneer ik wou,
 
Een wijk, een gracht en zelfs een nommer zeer getrouw
 
U kunnen noemen, maar om 't niet te ver te drijven,
 
Zal ik dat maar blauw-blauw of blanco laten blijven!

XV.

 
Ik leid u binnen in een lieve, ruime zaal,
 
Vol vroolijkheid en licht, vol kinderpret en praal;
 
En 'k liet u graag de rest er zelf maar bij verzinnen,
 
Om daadlijk met de kern van 't sprookje te beginnen,
 
Maar dat verbiedt de kunst! Eer toch, o hoorders, groeit
 
De kokosnoot bevrijd van d' ijzren schil, eer vloeit
 
Haar melk den wandlaar toe, eer, om de minste zaken,
 
Een schrijver niet een schil beschrijvingen zal maken!

XVI.

 
Het zij dan zoo: mijn zaal is als een andre zaal,
 
Iets grooter dan bij u; 't kleed wordt een beetje kaal,
 
Juist als bij u, niet waar? ik weet uw dochters droomen
 
Van danspartijtjes als dát kleed wordt opgenomen.
 
't Plafond is hoog en rijk als 't uwe; zie, is dit
 
Niet uw behangsel, blauw met donkergrijs en wit?
 
Schoon ik erkennen moet, mevrouw, dat uw gordijnen,
 
Die stiller zijn van kleur, mij veel gepaster schijnen.
[p. 196]

XVII.

 
De marmren schoorsteen is met luxe en licht bevracht,
 
Ginds prijkt een kastje vol van Japannesche pracht;
 
Als mijn financies mij die grappen permitteeren,
 
Laat ik mijn zaal eenmaal precies zóó meubileeren:
 
Twee sofa's, één voor mij, één voor de lieve duif,
 
Die neêrstrijkt in mijn hof! zacht als haar zachte kuif,
 
Haar nekje van fluweel! tenzij ik mocht bedenken,
 
Dat één voor twee wellicht nog meer genot kon schenken.

XVIII.

 
Et caetera; de rest precies in de' eigen trant,
 
Zeer comfortable, zeer chicard, zeer elegant.
 
Ik geef u vrijheid, als gij duidlijk kunt bemerken,
 
Mijn schets naar eigen smaak behoorlijk uit te werken.
 
Slechts dit nog dient vermeld: dáár, boven het buffet,
 
Praalt in een gulden lijst een blinkend mansportret,
 
Waarop ik niettemin voor geld noch goud woû lijken,
 
En dat ik toch met u wat nader wil bekijken!

XIX.

 
Maar daar 't origineel vast even dichtebij
 
En even leelijk is, als gindsche prachtkopij,
 
En daar ik bovendien mijn hals niet heb te rekken,
 
Om 's mans fyzionomie en minnelijke trekken
 
Voor u te schetsen naar de levende natuur -
 
Zoo, hoorders, heb ik de eer den schalk, die ginds aan 't vuur
 
Zijn zielsgeheimen zeer intiem schijnt te vertellen,
 
U als den Heer van 't huis en.... leelijk voor te stellen.
[p. 197]

XX.

 
Ja lang niet mooi.... en toch vol fraaie deftigheid;
 
Hij vult zijn leuningstoel met breede majesteit:
 
Zijn boezem, wit als sneeuw - ik breng zijn stijfster hulde -
 
Zet hij zoo hoog alsof zijn naam zijn eeuw vervulde!
 
Hij knijpt zijn oogen soms, zoo zalig, zoo vermoeid,
 
Als op een warme stoof het poesje dat zich broeit;
 
Toch ziet de man er uit of hij van drift zou stikken,
 
Als gij hem met een speld dorst in zijn beenen prikken.

XXI.

 
O vaak is mij de lust bekropen dees of geen
 
Te prikken met een speld in 't molligst van zijn been!
 
Den reednaar in zijn vuur, den opgeblazen dichter,
 
Den stijfgeplooiden fat, den grooten volksverlichter,
 
Den schoolvos, die den grond doet kraken van zijn poids,
 
Den hooggeleerden heer, wiens voetstap zegt: C'est moi!
 
En al die godjes, die zich zelven adoreeren,
 
Zou 'k, met één speldeprik, hun menschheid willen leeren!

XXII.

 
Voorts is mijn vijftiger zoo min of meer gebuikt,
 
Zoo min of meer gedast en min of meer gepruikt;
 
Een man, die even stijf geschroefd zit in zijn boorden,
 
Als in zijn préjugés; die aan zijn minste woorden
 
Een klank geeft en een klem, een nadruk, een gewicht,
 
Als bracht hij, waar hij sprak, een misdaad aan het licht;
 
Nog bromt hij door een neus, beroofd van alle gratie,
 
Die paarsch wordt aan zijn punt, in 't vuur der konverzatie.
[p. 198]

XXIII.

 
Toch had Meneer een club, die aan zijn lippen hing -
 
't Bewijst niet machtig veel voor dezen vriendenkring -
 
't Was heusch! een knappe vent - zoo zeî men - en in zaken
 
Van Politiek was 't best niet met hem slaags te raken!
 
Nu was de Staatskrant ook zijn ‘cours de politique’
 
En dat 's een deeglijk werk en duchtig satiriek;
 
Welks vroolijk mengelwerk en geestige kolommen
 
Alle' oppositiegeest, zijns inziens, deên verstommen!

XXIV.

 
Hij viel niet machtig slim; zelfs had hij in zijn jeugd,
 
Gerechte Hemel! voor de studie niet gedeugd;
 
Maar hij 's nu ouderling en jonkheer; kommissaris
 
Van zijn beminden club, waar alles even ‘naar’ is;
 
Een groot vereerder van het edel paardenras,
 
En - soms niet wel bij 't hoofd, schoon altijd wel bij kas.
 
Ook kocht hij alle-jaar den Almanach de Gotha,
 
En wist de titels van de vorstjes op een iota.

XXV.

 
De man is op den duur zoo taamlijk in zijn schik
 
Met zijn positie in de wereld en zijn Ik;
 
Een luie rentenier, geschapen voor een kussen,
 
Met truffels opgevuld, met zotheên en - met Russen.
 
Hij oordeelt allen - over alles - overal,
 
Heeft veel congesties, veel onaangnaams en veel gal;
 
Is vóór het hangen, vóór het geeslen, vóór het branden,
 
En vindt zijn weêrga niet in 't rijk der Nederlanden.
[p. 199]

XXVI.

 
Bekrompen als een best, die eeuwig kousen stopt,
 
En - bij een onweêr - om haar oude zonden tobt;
 
Hij knort, als hij verliest, een flauw partijtje spelend,
 
Is bar konservatief en radikaal vervelend;
 
Kortom een dwaas figuur in deze triestige eeuw,
 
En ook nog.... Ridder van den Nederlandschen Leeuw!
 
En dát 's nu juist zijn fort! want mijn gelukkig vrindje
 
Sprak van zijn geeltjes graag, maar liever van zijn lintje.

XXVII.

 
Hij achtte 't lief kleinood, gelijk zich-zelven, hoog:
 
Een onversierde rok in 's mans diepvorschend oog
 
Was geen gekleede rok; een mooie dekoratie
 
Kon altijd reeknen op zijn eerbied of zijn gratie,
 
Hij keek zijn menschen nooit naar hart of hoofd, maar 't was
 
Zijn lust te kijken naar het knoopsgat van hun jas;
 
Zelfs zijn koetsier had, uit zijn diensttijd, een medalje,
 
En dus een streepje voor bij 't overig ‘kanalje.’

XXVIII.

 
Hij vroeg nooit: Is die mensch knap, eerlijk, braaf, geleerd?
 
Maar, heeft hij iets? of wel: Is hij gedekoreerd?
 
Hij-zelf, hij droeg een star, zelfs als hij ziek en thuis was,
 
Ook op zijn chambre-cloak, zijn over- en zijn huisjas.
 
De man was op dat punt waarachtig monomaan,
 
Alleen met ridders kon hij goed uit wandlen gaan.
 
't Is vreemd - maar als gij 't heer wilt in zijn glorie kennen,
 
Moet gij van lieverleê aan duizend dwaasheên wennen.
[p. 200]

XXIX.

 
En al die dwaasheên zal ik zeggen in mijn lied,
 
Hoe laf, hoe min, hoe dom. De waarheid schaamt zich niet.
 
Mij zweeft een eerlijk doel voor onbenevelde oogen,
 
Maar die niet liegen kan, wordt ook niet graag bedrogen.
 
Ik moet vertellen wat ik hoorde, wat ik zag;
 
Ik dien de waarheid trouw, nù met een ronden lach,
 
Straks met een ernstig woord. - Dies, wat ik mag verlangen,
 
Is dit: och oordeel niet voor 't amen van mijn zangen!

XXX.

 
't Was, hoorders, Sint-Niklaas. Ziet verder in het rond,
 
De kindren hangen op de stoelen, langs den grond:
 
't Zijn één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven kinderkopjes,
 
Nu, bij het minst gedruis, schier onder pijpendopjes
 
Te vangen - dan weêr, fluks bemoedigd door de taal
 
Der lieve moeder, aan het woelen door de zaal: -
 
Zoodat een heer aan 't vuur al eens zijn ‘br’ liet hooren,
 
Maar nog te goed schijnt om de kindervreugd te storen.

XXXI.

 
Vier lieve diertjes zijn van 't ridderlijke nest:
 
Eén manlijk oir, drie blonde dochtertjes; de rest
 
Familie, neef en nicht, gewoon sinds vele jaren
 
Dees dag hun vreugd aan die der riddertjes te paren.
 
Straks wordt er braaf gestrooid, gegrabbeld en verrast:
 
Wij grabblen meê! niet waar? Elk uwer is hier gast,
 
En schoon gij mooglijk voor die kinderpret zult passen,
 
Ik hoop u toch met een surprise te verrassen.
[p. 201]

XXXII.

 
Een vriendlijk oogenpaar, vol reine moedervreugd,
 
Bespiedt de spanning van de feestelijke jeugd;
 
't Is de eedle vrouw van 't huis, in alles onderscheiden
 
Van onzen Ridder, want - zij heeft verstand voor beiden.
 
Zij ziet de dwaasheên van haar echtvriend met geduld,
 
Zij is in 't vrouwlijk hart van needrigheid vervuld,
 
In huis een trouwe zorg, knap, ordlijk, lief en handig,
 
En voor de wereld schoon en geestig en verstandig.

XXXIII.

 
De Ridder voert in huis een despotieken toon:
 
Háár schepter is 't verstand, en zachtheid - háár geboôn.
 
Zóó geniaal weet zij met Manlief om te springen,
 
Dat zij nooit kibblen, nooit! en toch - de meeste dingen
 
Ten slotte naar heur wil geschieden. Bij veel liefs
 
Heeft zij iets deftigs en van avond iets pensiefs,
 
Zoo tusschenbeide laat zij stil haar handwerk varen
 
En blijft glimlachend op haar oudste dochter staren.

XXXIV.

 
Wat peinst de brave vrouw? Dat zult gij later zien:
 
't Wordt tijd dat we onzen groet der lieve dochter biên,
 
Die voor het theeservies juist, enz.! 'k hoor schellen
 
En ben genoodzaakt mijn verrukking uit te stellen
 
Tot nader! - 'k geef vooreerst het mooie meisjen op
 
En vlieg, niet langzaam, naar den blinkend koopren knop
 
Der deur.... denk niet dat iets bijzonders zal verschijnen,
 
Want, lieve vriend, die hoop zou ras in rook verdwijnen.
[p. 202]

XXXV.

 
Twee ooms, twee tantes treden in, gedekoreerd,
 
De tantes niet, maar de ooms. Men rijst, men informeert
 
Naar weêr en welvaart; een van de ooms had pas het pootje,
 
Den andren nemen fluks twee neven in het ootje,
 
Die, te oud voor Sint-Niklaas, zich op de kanapé
 
Vrij bar verveelden, spes patris et patriae!
 
Kwajongens die de taal der godlijke oudheid leeren,
 
Sigaren rooken en den ‘Piepa’ niet vereeren!

XXXVI.

 
Een ieglijk neemt zijn plaats, de dames aan den disch,
 
De heeren aan den haard; de konverzatie is
 
Het weêr en 't pootje steeds. Straks zullen onze heeren
 
Zich mooglijk om den staat der fondsen alarmeeren...
 
Wij luistren liever niet, tenzij des ridders neus
 
Tot paarschheid overslaat, dan wordt de zaak kurieus.
 
Voorts weten we allen dat Jan Helmers' groote Natie
 
Niet machtig groot is in de kleine konverzatie!

XXXVII.

 
Voor mij althans (hoe egoïst) ik luister wel
 
Zoo graag en grager nog naar 't klinglen van de bel,
 
Die nu gedurig roept en 't lied der kindren zwijgen
 
En op hun schuw gelaat een aardige' angst doet stijgen.
 
De schel op Sint-Niklaas is als een tooverfluit
 
En zoet in 't oor der maagd als 't lied van 's minnaars luit;
 
Pas klinkt haar stem en streelt de hooggespannen zinnen,
 
Of dienstbre geesten met kadeautjes stroomen binnen.
[p. 203]

XXXVIII.

 
't Was circa zeven uur toen voor de tiende maal
 
Een opgeprikte knecht trad in de mooie zaal
 
En de oudste dochter een klein pakjen overhandde,
 
Waaraan het lieve kind haar fijne vingers brandde;
 
Want nauwlijks haalt zij uit het mysterieus pakket
 
Het elegant kadeau, een gouden bracelet,
 
Te voorschijn, met een blos en hemelvreugd in de oogen,
 
Of - de oude heer kijkt scheel en fronst de wenkbrauwbogen.

XXXIX.

 
Hij loert, hij gromt, hij draait en treedt op 't meisje toe,
 
Bekijkt met grammen blik - Wat is dat? ‘God and you?’
 
- Het was de inscriptie van de bracelet, van binnen -
 
Wat, ‘God and you?’ - wat, zou die schelm jou nog beminnen?
 
Hij-jou-die-mij-wien-ik! ('s mans neus wordt purperrood),
 
Wien ik (hij blaast) mijn huis, (hij vloekt) mijn ooren sloot!
 
Die adder, die mijn eer, de mijne heeft geschonden!
 
Beken maar, 't is van hem! en - 't moet teruggezonden.

XL.

 
Het ranke meisje bloost en siddert als een riet,
 
Haar moeder knikt haar toe en fluistert: wanhoop niet!
 
Geen woord meer van dat prul! zegt de oude heer nog bevend.
 
Maar daar ik meen dat, trots die toespraak zoo wellevend
 
En minzaam, vrienden, gij, de scène die gij hoort,
 
Toch niet verstaan kunt, zal ik daadlijk met een woord
 
U brengen op 't terrein van die familiezaken:
 
Dan moogt ge tevens met de dochter kennis maken.
[p. 204]

XLI.

 
Het is een meisje zoo charmant en zoo pikant,
 
Zoo allerliefst lief en zoo gloeiend amusant,
 
Dat ik ('t is nu misschien een jaar twee, drie geleden,
 
En sinds dien tijd aanbad ik andre lieflijkheden!)
 
Dat ik soms dagen lang en menig langen nacht,
 
Dat vraagstuk der natuur, dat raadsel overdacht
 
En peinsde, als Bogaers in zijn onvergeetlijk ‘Truitje’:
 
Hoe drommel! kwam zoo'n aap aan zulk een geestig spruitje?

XLII.

 
Gij kent, mijn hoorders, niet? gij kent Luilekkerland?
 
Gij weet hoe de arme dwaas, die aan dat zalig strand
 
Des levens zorg en smart wil vlieden en vergeten,
 
Eerst door een Rijstberg heen moet worstelen en eten?
 
Die Berg is de oude heer, het meisjen is die kust;
 
Wie haar aanbidden dorst, moest voor zijn zoeten lust
 
Heen bijten door Papa! dat werk was niet vermaaklijk,
 
Een berg van rijstenbrij was haast nog wel zoo smaaklijk!

XLIII.

 
Ja, schoon hier alles veinst, het had niet weinig in,
 
Zich te verdraaien tot een schoonzoon naar zijn zin;
 
Dien berg van domme idées en nonsens gansch te slikken
 
En niet bij ieder brok van walging haast te stikken;
 
Te kijken naar zijn lint dat breed door 't knoopsgat stak,
 
Gelijk te geven of - te zwijgen, waar hij sprak,
 
Al sloeg hij door op iets hoe dom ook en hoe grievend,
 
Al prees hij nièt ‘de Tijd’, maar erger.... ‘'t Letterlievend.’
[p. 205]

XLIV.

 
Maar, 'k zweer u, 't lieve kind was wel die moeite waard,
 
Ook hadt gij haar niet lang en strafloos aangestaard:
 
Was de oude gek - een Draak, zij wekte in 't minnend harte
 
Een ridderlijke drift, die alle draken tartte!
 
Maar zoo de Hugo's en Tancredo's van weleer
 
Een draak, een burg, een land bevochten voor hun eer
 
En voor een blauwe sjerp... gij mocht een kaartje spelen
 
En met een monster van verveling u vervelen!

XLV.

 
De jonge schenker van de gouden bracelet
 
Had zich om de eedle maagd gewaagd aan al die pret.
 
Reeds op haar eerste bals was hij haar liefste aanbidder,
 
En schoon de Ridder had bepaald dat slechts een Ridder,
 
Van de' echten stempel, eens zijn schoonzoon worden zou
 
Toch had een knaap die liefst geen ridder wezen wou,
 
Na duizend moeilijkheên, in 't eind acces gekregen,
 
Vooral omdat Mevrouw hem hartlijk was genegen.

XLVI.

 
Hij had met nooblen zwier te Leiden gestudeerd,
 
En was op theses en vernuft gepromoveerd.
 
Het corpus juris had zijn geest hem niet ontnomen;
 
Hij leefde van zijn geld en van zijn zoete droomen,
 
Hield veel van verzen, ale en oesters en muziek,
 
Was niet vervelend en toch ver in politiek,
 
En twee-en-twintig jaar, 't geen schoonpapa deed zeggen,
 
‘Dat hij den ouden mensch nu spoedig af moest leggen.’
[p. 206]

XLVII.

 
Een week lang hield mijn vriend zijn leven reedlijk uit,
 
Kwam zevenmaal en had het zevenmaal verbruid.
 
Mevrouw maakte alles goed, het lieve kind souffreerde,
 
En hij, schoon de oude Draak hem ‘gloeiend embêteerde,’
 
Hield zich weêr veertien daag vol zelfverloochning goed
 
En plooide zijn verstand, zijn trekken, zijn gemoed;
 
Toch ging de ridder voort hem steeds te chicaneeren,
 
En bromde: 'k Zal dat heertje in 't eind wel mores leeren!

XLVIII.

 
Een schriklijke avond kwam. De ridder knort en kniest,
 
Omdat hij gruwlijk heeft verloren bij zijn whist,
 
En zoekt een' ander om zijn noodlot op te wreken;
 
Hij vindt dien in mijn held: ‘O jongen, 'k moet je spreken,
 
Ik hoor je gaat je soms te buiten.... wel verstaan?
 
Te buiten aan het Rijm? Dat 's dom, dat kan niet gaan,
 
Zoo krijg je nooit een.... maar dit uurtje is toch verloren,
 
Kom, snijd eens op! ik wil die prullen ook reis hooren.’

XLIX.

 
Toen voer de duivel in des jonglings ziel: ‘Meneer’ -
 
Zoo spreekt hij, bijtend in zijn lippen, - ‘Te veel eer!’
 
De slang sist in zijn hart: Hier kan geen engel zwijgen,
 
Ik zal dien dommen dwaas het bloed naar 't hoofd doen stijgen! -
 
Hij denkt volstrekt niet aan de suites van zijn daad,
 
Hij heeft zijn wraak in 't hoofd - hij aarzelt niet - hij gaat
 
Brutaal juist vis-à-vis den Ridder zich posteeren....
 
En, lieve hoorders, hij vangt aan te deklameeren:
[p. 207]

uit het land van kokanje.

1.

 
Daar leefde - het sprookje schijnt waar op mijn eer -
 
Een moedige, goedige koning weleer;
 
In zijn zalige jeugd
 
Had de roem hem verheugd,
 
Nu woonde hij stil in zijn land van Kokanje,
 
Hield veel van zijn volk en nog meer van - champanje.

2.

 
Aan tafel bij 't schuimen van d' edelen wijn,
 
Met makke ministers aan 't geurig festijn,
 
Sloeg hij dikwijls een ui,
 
In een lustige bui,
 
En schreeuwde, verrukt door de flesch die hem lief was,
 
Dat de eerste minister een oolijke dief was!

3.

 
Hij scheen met die heeren bepaald familjaar,
 
Vaak zaten ze laat in den nacht bij elkaêr,
 
Met een eerlijken roes,
 
In een heerlijken soes,
 
En brachten het verder in snuggere zetten,
 
Dan 't slimste, dan 't leepste der staats-kabinetten.
[p. 208]

4.

 
Het hof van mijn prins was zoo aardig als geen,
 
Zijn Rijkskanselier was zijn Hofnar meteen:
 
't Was een schrandere borst,
 
Hij kwam goed bij zijn vorst,
 
Want wie zoo bemind als de Heer van Kokanje
 
Of geestig als hij, bij een beker champanje?

5.

 
Eens, 't was op een duchtig en kluchtig soupé:
 
Riep de vorst aan 't dessert: ‘Eh, v'là une idée!
 
O mijn zotskap, mijn Floor,
 
Leen mij aanstonds het oor;
 
Ik zeg u, o puik aller grootkanselieren!
 
Ik wil al mijn vriendjes met lintjes versieren.

6.

 
‘Ik wacht u op morgen bij tijds aan 't paleis,
 
Dan trekken we fluks met ons tweetjes op reis,
 
Naar den Graaf Cantenac
 
En den prins van Pauillac,
 
Et caetera, 'k zal eerst maar de heeren beschenken
 
En dan wel mijn stomme Kokanjers bedenken.

7.

 
‘Dat niemand het doel van ons toertje verklap,
 
Want dan heb ik eer noch pleizier van de grap!
 
Floor, we rukken er heen
 
Met ons beidjes alleen:
 
En moge, als de vrienden niet wonder verrast zijn,
 
Mijn hoogheid geen prins en jou zotheid geen kwast zijn!’
[p. 209]

8.

 
En d' anderen morgen voor dag en voor dauw,
 
- De stad was nog stil en de katjes nog grauw -
 
Daar kwam jolig en vlug,
 
Met een zak op zijn rug,
 
Ons rijkskanseliertje, de bloem aller gekken,
 
Met aardige deuntjes zijn Majesteit wekken!

9.

 
Een vloek en een zucht, en de Prins stond gekleed,
 
Gepoetst en gespoord tot den aftocht gereed:
 
Hij gaf Floor een sigaar
 
- Allergruwelijkst zwaar -
 
En 't geestigste paar uit het land van Kokanje
 
Trok heen - na een stevig ontbijt met champanje.

10.

 
Maar nauwlijks zit Floorneef nog stevig en vast,
 
Of Sire roept uit: ‘Wat is dat voor een last?
 
Wat behelst, groote mug,
 
Toch die zak op je rug?’
 
‘Ik ben kanselier’ - zegt de Nar - ‘dat zijn lintjes
 
En kroontjes en kruisjes voor jou en je vrindjes!’

11.

 
De koning werd nurksch, maar hij vond toch per slot
 
't Idée niet zoo gek en zijn Hofnar vrij zot,
 
En het tochtje ging voort,
 
Amuzant, ongestoord,
 
Het zonnetje scheen, en zij zongen en kusten
 
De lieve Kokanjesche meisjes met lusten!
[p. 210]

12.

 
Zij naadren de grens al in wilden galop,
 
Daar krijscht het op eens: ‘Stop je Majesteit, stop!’
 
En ontdaan en vervaard
 
Tuimelt Floor van zijn paard,
 
En rolt op zijn zak: ‘Ik heb alles verloren!
 
Genade, genade voor mij en mijn ooren!’

13.

 
De koning verschrikte, werd rood en werd bleek:
 
- ‘Wat, leelijke zotskap, wat? Spreek, of ik steek
 
Dezen dolk, domme dwerg,
 
Door je been en je merg!...’
 
- ‘Och,’ snikt hij, ‘Sint Jozef! hoe kon het gebeuren,
 
Heeft Sire te-met niet mijn zak hooren scheuren?’

14.

 
‘Om duidlijk te spreken, genadige vorst,
 
Die zak, vol met ridders! zoo dapper getorscht,
 
Hij is leêg - als mijn hand!
 
Als de schatkist van 't land!
 
We hebben zoo holderdebolder gereden....
 
Kijk, alles is hier door dit gaatje gegleden.’ -

15.

 
De goedige koning keek donker en zuur,
 
Maar hield zich niet goed op den duur bij 't figuur
 
Van den rollenden Nar,
 
En hoe bitter en bar
 
In 't eerst ook zijn vorstlijke stem had geklonken,
 
Hij had in zijn hart al vergeving geschonken.
[p. 211]

16.

 
- ‘Mijn Rijkskanselier, zijn uw tranen oprecht?....’
 
‘Ze zijn,’ snikt de Hofnar, ‘als paarlen zoo echt.’
 
- ‘Nu rijs op dan en vlug
 
Naar de stad maar terug!
 
Den zak weêr gevuld in het land van Kokanje....
 
Betaal onderweg voor je straf mijn champanje!’

17.

 
De reis ondertusschen van 't hoofd van den staat
 
Was lang in Kokanje bekend en bepraat;
 
Och, geheimen meestal
 
Zijn publiek overal;
 
Maar meer nog! op markten en straten en wegen,
 
Alom kwam men lintjes en ordetjes tegen.

18.

 
Dié had het bekoorlijk, verlokkend sieraad
 
Gekocht van een Jood of een beedlaar op straat,
 
En dié vond het op weg,
 
In een goot of een heg;
 
Dié liep er met drie, dié met zes, dié met negen;
 
Een vierde weêr had het door vrouwlief gekregen.

19.

 
Dié kreeg het uit achting kadeau van een vrind,
 
En dié zocht zich blind om een leeuw en een lint;
 
't Werd besteld en gezocht
 
En geruild en verkocht....
 
De knappen, die 't vonden, zij lachten en dachten:
 
Het best is den afloop van 't grapje te wachten.
[p. 212]

20.

 
‘De koning keert weêr!’ roept de faam door het land,
 
De Riddertjes raken geducht in den brand.
 
Maar een oud-advokaat
 
Gaf hun eindlijk den raad,
 
Naar 's rijks kanselier met de vondst zich te wenden,
 
Of - franko - 't kleinood naar de hofstad te zenden.

21.

 
De koning keert weêr, nu bekend en begroet:
 
Men joelt op zijn weg en men wuift met den hoed:
 
Daar op eens door 't gemeen
 
Dringt een manneke heen,
 
En legt aan den voet van den vorst van Kokanje
 
Twee starretjes neêr en - een rolletje franje.

22.

 
En Sire, geroerd door zoo'n eerlijken borst:
 
‘Voor u!’ - roept hij uit - ‘een geschenk van uw vorst!
 
Hoû het vrij, goede vrind,
 
En blijf steeds wélgezind....’
 
Maar pas is die uitslag, zoo gunstig, vernomen,
 
Daar krielt het van eerlijke luidjes bij stroomen.

23.

 
De goedige koning bleef goed en royaal,
 
Trakteerde de zaak op een vorstlijke schaal,
 
En de rijkskanselier
 
Had een gloeiend pleizier,
 
Men dronk hem ter eer alle dagen champanje
 
En 't feest nam geen end in het land van Kokanje.
[p. 213]

24.

 
De wijzen alleen bleven stilletjes t'huis
 
En hielden zich af van het vroolijk gedruis,
 
En zij kermden: ‘Helaas,
 
Zijn de menschen toch dwaas!
 
Kan de eer, door het toeval ook zotten geschonken,
 
Het hart van den eerlijken wijsgeer ontvonken!’

25.

 
Daar leefde - het sprookje schijnt waar op mijn eer -
 
Een moedige, goedige koning weleer,
 
En op aarde geen rijk
 
Eens het zijne gelijk!
 
Nu ligt alles stil in het land van Kokanje,
 
Al prijkten er velen met lintjes en franje!

L.

 
'k Weet niet hoe mijn poëet dit lied ten einde zong,
 
Ik weet nog minder hoe de Ridder zich bedwong,
 
(Tenzij de schrik 's mans tong en voet en vuist bleef kluisteren!)
 
En naar 't ondeugend rijm ten einde toe kon luisteren.
 
(Ook, onder ons gezegd, des jonkers schalke zang -
 
Ik heb aan 't versje part noch deel - is veel te lang;
 
Heet dát een liedje! doch zijn geest was pas aan 't bloeien
 
En vreemd nog in de kunst van schikken, sparen, snoeien!)
[p. 214]

LI.

 
Maar 'k weet, dat zoo op slag het ridderlijke vat
 
Nu, als een zwermpot, uit elkander was gespat;
 
Als hij subiet het een en 't ander had gekregen
 
En stikkend in zijn toorn voor eeuwig had gezwegen,
 
Of - als duc d' Alva - in zijn woede 't ridderkruis -
 
Bedenk wat razernij! - vertrappeld had tot gruis,
 
Als hij den zanger van Kokanje half verscheurd had,
 
Waarom der Muzen koor zich zeker dood getreurd had:

LII.

 
Het had mij niemendal verwonderd, - maar 'k geloof
 
De man was niet recht op de hoogte en ietwat doof.
 
't Liep