|
|
|
| |
LVIII. Aan een hollandschen knaap.
Jongen, reeds met tintlend oog
Naar dien preêkstoel, steil en hoog,
| | | |
Lacht u 't zalig denkbeeld aan,
Hoog en gansch alleen te staan
Op de schare saamgestroomd,
Want van leêge kerken droomt
Kleuter van een Redenaar,
Reeds in 't plechtig handgebaar,
Doet ge al soms tot eigen schaê,
Kweekt gij steeds dien preektoon, die,
| | | |
Hoor dan, kind, en overleg
Op een gansch verkeerden weg
Dwaalt ge: ga niet voort!
Weet het: Eerzucht, IJdelheid
- Dikwijls werd de fout beschreid! -
Naar dien preekstoel heen.
IJdelheid, door ouderzwak
(Schoon de zoon in vaders vak
Eerzucht, die het moeilijkst, ambt, -
Voor wie de echte kroon bekampt! -
IJdelheid, die schittren wou
Met.... ‘een mooie preek,’
Zwaaien met een priestermouw,
Heerschen met - een steek!
Nu, keer tot u-zelf eens in,
| | | |
Zeg mij, jongen, gul en goed,
Van verlangen schittren doet,
En - mistrouw mij dat gevaart',
Die 't eenvoudig hart bezwaart,
De' ootmoed strikken spreidt!
Weet het, nergens dreigt gevaar,
Als juist op die hoogte daar!
Ach, zoo licht, wat vrome zin
Sluipt er meê de Satan in,
Die, terwijl hij de' ootmoed preekt,
In zijn ziel den hoogmoed kweekt
Die, mijn jongen, licht ook nu
Waar hij, in uw droomen, u
| | | |
Ken u-zelf dan, ken uw waan,
Weet, dat wie zoo hoog zal staan
Meer dan kleen moet zijn!
1860.
|
|
|